Coaching: Intrinsieke motivatie

Inleiding

Coaching: Intrinsieke motivatie

Als psycholoog, docent en coach interesseer ik me voor de motivatie van mensen, en interesseer ik me ervoor hoe de intrinsieke motivatie, dus de innerlijke drive van mensen, het beste kan worden ondersteund.

Intrinsieke motivatie is de liefde voor de taak zelf – iets doen omdat het interessant, plezierig, bevredigend, boeiend of persoonlijk uitdagend is. Intrinsieke motivatoren zijn interesse, plezier, of de tevredenheid en de uitdaging van het werk zelf. Men heeft geen ander doel voor ogen dan de taak, en men hoeft deze taak ook niet per se goed uit te voeren. De voldoening
ligt in het gedrag zelf.

Lees “Coaching: Intrinsieke motivatie” verder

Feiten, interpretaties en populisme

Realiteit, feiten, interpretaties en populisme

(aangevuld en bijgewerkt op 14-9-2020 aan de hand van de Netflix-documentaire “The Social Dilemma”)

In haar column Realiteit, een wankel construct laat psychiater en politica Esther van Fenema zien, dat er een overlap is tussen hallucinaties en waanvoorstellingen van psychiatrische patiënten en van “gezonde” mensen. Inderdaad, waanzin is menselijk en ook niet-psychotische mensen kennen grenssituaties onder invloed van drugs, alcohol of angst, waar de waarnemingen de realiteit helemaal niet spiegelen. En ook de alledaagse waarneming is door een scala van sociale en emotionele interpretaties en fouten (biases) gekleurd.

Lees “Feiten, interpretaties en populisme” verder

De psychologie van de radicalisering

Als docent sociale psychologie en geïnteresseerd in de de psychologie van de radicalisering kijk ik vanavond met interesse naar de vierde aflevering van de beroemde serie van Steven Spielberg Why we hate (Human, 22:10 op NPO 2). Deze aflevering gaat over radicalisering. Extremisme-expert en CEO van het Institute for Strategic Dialogue (ISD) Sasha Havlicek onderzoekt hier wat mensen aantrekt in ideologieën die haat en geweld aanwakkeren.

Lees “De psychologie van de radicalisering” verder

Emotiekennis

Belangrijk deelaspect van emotionele intelligentie: emotiekennis

Emotionele Intelligentie is een begrip uit de populaire psychologie. Dit begrip wordt ook ondersteund door veel academisch onderzoek, al staat nog niet helemaal vast welke eigenschappen of competenties wel of niet bij het overkoepelend begrip “emotionele intelligentie” horen.

In haar nieuwe boek How Emotions Are Made: The Secret Life of the Brain schrijft de bekende emotieonderzoeker Lisa Feldman Barrett over een belangrijk deelaspect van emotionele intelligentie: emotiekennis, in het Engels genoemd “emotion knowlegde” “emotion differentiation” of bij Barrett “emotional granularity”. 

Emotiekennis is kennis en begrip van de eigen emotionele ervaringen. Het aantal verschillende emoties die een persoon kan onderscheiden vormt haar kennis van de emotie.

Lees “Emotiekennis” verder

Ecopsychologie: sociale invloed voor duurzaamheid

Hoe kunnen psychologische inzichten helpen, om milieuvriendelijk en duurzaam gedrag te ondersteunen? Resultaten uit sociaalpsychologisch onderzoek over sociale invloed, duurzaamheid, gedrag en gedragsverandering geven aanwijzingen.

Lees “Ecopsychologie: sociale invloed voor duurzaamheid” verder

Betrokken vaders, zorgzame mannelijkheid

Gelukkig zien we het steeds vaker: betrokken vaders, zorgzame mannelijkheid. Het gedrag van mannen is in de afgelopen decennia langzaam verschoven van nadruk op kostwinnersfunctie naar meer zorgzamheid, met name wat vaderschap betreft.

fatherhood play

Vanuit een theoretisch invalshoek schreef Karla Elliott in 2016 een artikel over “Caring Masculinities” (zorgzame mannelijke identiteit).

Haar theorie biedt een onderbouwing voor de nieuwe rollen en praktijken van mannen en vrouwen.

Elliott identificeert drie hoofdkenmerken van “zorgzame masculiniteit”.

Het eerste kenmerk is het verwerpen van dominantie.

Omdat dominantie leidt tot ongelijkheid in een relatie, staat zorgzame masculiniteit voor een afwezigheid van dominantie om de aanwezigheid van gelijkheid te waarborgen.

Mannen die ageren vanuit zorgzame masculiniteit vallen gedeeltelijk traditionele mannelijke normen af, in het bijzonder diegene die overheersing of geweld impliceren.

Het tweede kenmerk is het waarderen van positieve emoties en het benadrukken van affectieve, relationele, emotionele en onderling afhankelijke kwaliteiten van zorg.

Verzorgende masculiniteit contrasteert daarmee met traditionele mannelijkheid die een emotioneel stoïcisme onderschrijft: mannen mogen niet voelen en als ze dit toch doen – vooral pijn – moeten ze die gevoelens onderdrukken of ontkennen en mogen zij deze gevoelens niet uiten.

Het derde en laatste kenmerk van “verzorgende mannelijkheid” is het herschikken van traditionele mannelijke waarden (d.w.z. de nadruk op mannen als gezinshoofd, beschermer of kostwinner) tot relationele, onderling afhankelijke en zorggerichte waarden.

“Verantwoordelijkheid nemen” kan bij een herschikking van waarden voor een man betekenen de zorg voor de kinderen op zich te nemen in plaats van kostwinnerschap.

Vanuit het perspectief van “zorgzame mannelijkheid” zijn zorgverlenende rollen dus niet inherent mannelijk of vrouwelijk.

Speelse vaders

Onderzoek wijst uit dat vaders meer tijd besteden dan moeders aan het spelen met kinderen. Het vaderlijke spel is juist een belangrijke factor in de sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling van kinderen. Uitdagend en stimulerend spel is vaak een belangrijke factor in de hechte relatie tussen vader en kind.

Literatuur:

Elliott, K. (2016). Caring masculinities: Theorizing an emerging concept. Men and masculinities19(3), 240-259.

StGeorge, J. M., Wroe, J. K., & Cashin, M. E. (2018). The concept and measurement of fathers’ stimulating play: a review. Attachment & human development, 1-25.

Verder lezen: Vaders als opvoeders:

http://vaderkenniscentrum.nl/

Nieuw onderzoek over vaders (namen van onderzoekers, onderwerpen)

Artikel: De vader als ubermoeder

Systemische visie: vaderschapsverlof

Vaders vaak buitengesloten bij zorg

Vaders benadeeld bij echtscheiding

Vaders stimuleren hun kinderen tegenwoordig (helaas) veel minder om risicovol te spelen dan de moeders

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Empathie-kritiek: Is empathie altijd goed?

Veel mensen beschouwen empathie als altijd goed en voorbeeldig. Maar er is ook empathie-kritiek van vooraanstaande psychologen en filosofen.

Empathie-kritiek

In aansluiting aan de psycholoog Paul Bloom pleit ook de Nederlandse filosoof Ignaas Devisch tegen een overschot aan (emotioneel gebaseerde) empathie en voor een meer cognitief gebaseerde compassie:

“…doen wat goed aanvoelt vanuit je empathisch vermogen is niet noodzakelijk gelijk aan zo goed mogelijk doen”

Inlevingsvermogen, biologische basis en hersenen

Lees “Empathie-kritiek: Is empathie altijd goed?” verder

Waar komt zelfkennis vandaan?

Hoe kennen we ons zelf en hoe nauwkeurig is onze zelfkennis?

zelfkennis
https://www.amazon.com/Who-Are-You-Really-Personality/dp/1501119966

  1. Introspectie en zelfreflectie

Een manier om zelfkennis op te doen is introspectie, het “naar binnen kijken”: stilstaan en interne toestanden waarnemen, zowel mentale als ook emotionele. Dit soort introspectie lijkt de eenvoudigste en meest voor de hand liggende manier te zijn om zelfkennis vergroten – het lijkt vanzelf te spreken dat iedereen zichzelf het beste onder de loep kan nemen en nadenken over de redenen voor de eigen gevoelens of gedragingen.

Maar onderzoek laat zien dat mensen zichzelf vaak minder goed kennen dan ze denken.

Daar liggen meerdere redenen aan ten grondslag.

  • Mensen verwerken voortdurend veel informatie tegelijk. Veel informatie wordt automatisch en dus zonder bewustzijn verwerkt. Zo zijn mensen zich vaak niet bewust van de meest directe oorzaken van hun gedachten of gedrag, zoals talloze experimenten laten zien.

  • Introspectie is ook beperkt, omdat mensen meestal gemotiveerd zijn ongewenste en onaangename gedachten en ervaringen uit het geheugen of bewustzijn te houden. Toch zijn deze gedachten en ervaringen van invloed op hun gedrag.

  • Een derde probleem is dat mensen de neiging hebben hun positieve eigenschappen te overschatten. De meeste mensen (en vooral ook de meest gezonde personen!) denken dat ze beter zijn dan gemiddeld – aantrekkelijker, vaardiger of sportiever – en betere beslissingen nemen, hoewel het statistisch gezien onmogelijk is dat de meeste personen beter zijn dan gemiddeld. Dit wordt “Illusory superiority” genoemd, een systematische cognitieve “bias” (denkfout). Dergelijke illusies kunnen ons helpen ons beter te voelen en actief te zijn en risico’s te nemen. Maar zij hinderen ons in situaties, waar een meer nauwkeurige zelfkennis nuttig zou zijn, bijvoorbeeld bij het kiezen van baan of partner, of als verandering van gedrag noodzakelijk of wenselijk is.

 

  1. Door de ogen van anderen

We leren veel over onszelf uit de verbale reacties van anderen en door te observeren hoe andere mensen op ons reageren. Het idee dat we leren wie we zijn door onszelf zien door de ogen van anderen is getest in vele studies, maar blijkt te slechts ten dele juist. Mensen zien zich weliswaar zelf zoals zij DENKEN dat anderen hun waarnemen, maar uit onderzoek blijkt dat deze aannames vaak niet goed kloppen met de daadwerkelijke evaluaties van anderen. Andere mensen hebben heel andere informatie beschikbaar over ons dan we zelf. Ze zien ons van buiten door hun eigen bril, gekleurd door hun ervaring en motieven en weten vaak niet hoe we ons werkelijk voelen of wat we denken. Daarom zijn de mensen uit onze omgeving vaak beter in het observeren van waarneembaar gedrag, en zijn onze zelfpercepties beter om interne processen (bijvoorbeeld gevoelens) te beschrijven.

En ook wat de mening van anderen betreft hebben we filters, “biases” en illlusies, zoals een“self-protection bias”, die ons kan hinderen de kritiek of afwijkende mening van anderen waar te nemen of aan te nemen, of de confirmation bias (de tunnelvisie) die maakt dat we vasthouden aan een bepaalde veronderstelling (zoals dat de partner trouw is) ook al is er informatie die dit tegenspreekt.

Ook is het zo dat andere mensen niet altijd eerlijk zijn en dus hun negatieve evaluaties verbergen, om gevoelens niet te kwetsen of conflicten te vermijden.

Literatuur: Hewstone et al., An Introduction to Social Psychology

  1. Zichzelf leren kennen door interactie met de omgeving

We leren onszelf naar mijn mening vooral goed kennen door onze interactie met de omgeving, door de organisatie van kleine of grote projecten. Onze projecten en ons streven naar succes met deze projecten vragen om zelfreflectie, zelfmonitoring, zelfevaluatie, zelfregulatie en zelfcontrole, allemaal concrete aspecten van zelfkennis. De werkelijkheid geeft ons feedback, net zoals ook de mensen met wie we samenwerken. Een dynamisch en steeds groeiend puzzel van zelfkennis ontstaat dan uit zelfreflectie, feedback van anderen, fouten en successen.

(zie ook Brian Little’s boek “Who are you, really?”, zijn TED “Wie ben je nu eigenlijk echt? De persoonlijkheidspuzzel” en zijn “Personal Project Analysis”)

 

 

Maria Trepp, docent Sociale Psychologie

 

Ontwikkelingspsychologie en Ontwikkelingsrobotica

Robots opvoeden met de ontwikkelingstheorie van Piaget en Vygotski

ontwikkelingspsychologie
https://mitpress.mit.edu/books/developmental-robotics

 

Met interesse heb ik gezien dat de cognitieve ontwikkelingstheorieën van Piaget en Vygotski zeer actueel zijn bij de “opvoeding” van robots. In tal van artikelen en boeken worden deze ontwikkelingspsychologen aangehaald in het kader van “Developmental Robotics”.

 

Developmental Robotics (ontwikkelingsrobotica) is een wetenschappelijke discipline die ontwikkelingsmechanismen bestudeert, die het mogelijk maken dat robots net als mensen levenslang zelfstandig nieuwe vaardigheden en nieuwe kennis kunnen verwerven.

Als wij robots willen die ons kunnen bijstaan bij allerlei taken (sociale robots in de verpleging bijvoorbeeld) moeten de robots eerst opgevoed worden, een beetje zo als mensenkinderen.

Net als bij mensen moet het leren bij robots cumulatief zijn en geleidelijk steeds complexer worden en moet het leren een resultaat zijn van zelf-exploratie van de wereld in combinatie met sociale interactie. Het gaat hierbij om een dynamische ontwikkeling en levenslang leren, dat wil zeggen het vermogen van een organisme om voortdurend nieuwe vaardigheden te verwerven.

De ontwikkelingsrobotica gebruikt theorieën en modellen uit o.m. de cognitieve ontwikkelingspsychologie, zoals het stadia-model van Jean Piaget. Door de toepassing op robots worden deze theorieën bovendien verder getoetst en verfijnd.

Developmental Robotics zijn geïnteresseerd in hoe zich het controlesysteem van één specifieke robot ontwikkelt in de loop van de tijd. Het concept van een adaptief intelligente machine staat centraal. DevRobs richten zich op belichaamde en gesitueeerde sensomotorische en sociale vaardigheden, niet op abstracte symbolische problemen. Het vakgebied richt zich op taak-onafhankelijke structuren en leermechanismen: de robot moet nieuwe taken kunnen leren die de technicus die machine construeert zelf nog niet kent!

Onderzoeksvragen uit de ontwikkelingsrobotica:

  • Kan een robot leren als een kind?
  • Kan een robot vele verschillende vaardigheden en nieuwe kennis leren, die nog niet bekend zijn op het moment wanneer de robot gebouwd wordt, en dit alles in een veranderende en deels nog onbekende omgeving?
  • Hoe kan een robot zijn lichaam en zijn relaties met de fysieke en sociale omgeving ontdekken?
  • Hoe kan een robot zijn cognitieve capaciteiten voortdurend ontwikkelen, ook na het verlaten van de fabriek, en zonder interventie van een technicus?
  • Wat kan de robot door natuurlijke sociale interacties met mensen leren?

Alan Turing had deze vragen al in 1950 gesteld, maar pas nu wordt dit systematisch onderzocht.

De onderzoeksprojecten in de ontwikkelingsrobotica hebben meestal ten doel, dat robots dezelfde vaardigheden verwerven als mensen.

Een eerste belangrijke categorie hiervan is het verwerving van sensomotorische vaardigheden, zoals Jean Piaget dit ook beschrijft in zijn stadia-model. Daarbij hoort de ontdekking van het eigen lichaam, inclusieve de structuur van het lichaam, coördinatie van beweging, en werken met werktuigen.

Een tweede categorie van vaardigheden die robots moeten leren zijn sociale en linguïstische vaardigheden: het spelen van eenvoudige sociale spelletjes, gecoördineerde interactie, taal en de verbinding van taalkundige vaardigheden met sensomotorische vaardigheden en dus begrip van de echte wereld.

Later in zijn ontwikkeling moet de robot cognitieve vaardigheden leren zoals het verschil tussen zelf en niet-zelf, aandacht kunnen richten, categoriseren. Op een hoger niveau moet de robot ook waarden en moraal leren, empathie en een “Theory of Mind” (begrip voor het perspectief van een ander).

 

……Later meer hierover!

 

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Radicalisering: the “Staircase to Terrorism”

Bert Wagendorp schrijft vandaag in zijn Volkskrant-column in aansluiting aan psycholoog Corinne de Ruiter over de “Staircase to Terrorism” – de ladder naar terrorisme, een metaforisch model van de Iraanse sociaalpsycholoog Fathali M. Moghaddam. Moghaddam gebruikt de kennis uit de sociale psychologie over groepsprocessen, groepsnormen en het creëren van “ingroups” om radicalisering te beschrijven.

Het Staircase-model geeft een sociaalpsychologische verklaring waarom uit een grote groep van ontevreden mensen in de samenleving slechts een zeer kleine minderheid uiteindelijk overgaat tot het plegen van terrorisme. Moghaddam had opgemerkt dat maatschappelijke variabelen, zoals het gebrek aan democratische processen, sociale ongelijkheid, de beschikbaarheid van wapens en snelle demografische veranderingen niet verklaren waarom slechts een klein percentage van de mensen die onder dezelfde ongunstige omstandigheden leven uiteindelijk geweld plegen.

Hij stelde het Staircase-model voor om dit fenomeen te verklaren. Hij het beschrijft de weg naar het terrorisme als een vernauwende trap, waarbij heel weinig mensen het hoogste, meest destructieve niveau bereiken. Hoe hoger een person de trap opklimt, hoe minder alternatieven voor geweld hij of zij zal zien, uiteindelijk resulterend in de vernietiging van zichzelf, anderen, of beiden.

radicalisering

 

Basisniveau

Hier bevinden zich alle leden van de samenleving. Alle leden van de samenleving evalueren hun leefomstandigheden in termen van fairness en billijkheid. Mensen zullen op het eerste niveau blijven zolang zij menen dat hun leefomstandigheden eerlijk zijn. Degenen die onrecht menen te ervaren verplaatsen zich naar de eerste verdieping.

Niveau 1

Op de eerste verdieping overwegen mensen hun opties voor de verbetering van hun situatie. Mensen die mogelijkheden vinden om hun individuele situatie te verbeteren of de maatschappij te beïnvloeden verlaten de trap op deze verdieping en slaan niet-gewelddadige wegen in. Mensen die ontevreden zijn met hun beschikbare opties gaan door naar de tweede verdieping.

Niveau 2

Woede en frustratie over het feit dat de situatie niet verbeterd kan worden zetten aan tot een zoektocht naar een doelwit dat men de schuld kan geven. Dit doel kan een directe tegenstander zijn, zoals een regering, of een derde partij naar wie de agressie wordt verplaatst, zoals een etnische of religieuze groep. Mensen die ervan overtuigd zijn dat ze een vijand hebben tegen wie zij hun agressie kunnen richten zullen doorgaan naar het derde niveau.

Niveau 3

Mensen die hier komen hebben al de bereidheid tot geweld ontwikkeld. Deze gevoelens kunnen nu door een gewelddadige organisatie worden geactiveerd die een gevoel van ‘moreel engagement’ aanbiedt. In groeperingen die zo ontstaan worden gewelddadige acties tegen een vermeende vijand beschouwd als aanvaardbaar of zelfs als een plicht. Potentiële rekruten wordt een nieuwe sociale identiteit aangeboden als leden van een selectieve in-groep die naar rechtvaardigheid in de wereld streeft. Mensen die dit aanbod aantrekkelijk vinden zullen doorgaan naar het vierde niveau.

Niveau 4

Hier wordt ‘wij’ versus ‘zij’-denken bevorderd. Rekruten worden van vrienden en familie geïsoleerd, er wordt strikte geheimhouding opgelegd en de legitimiteit van de organisatie wordt benadrukt. Mensen die dit niveau bereiken zullen zich zelden terugtrekken en de trap van het terrorisme levend verlaten. Zij zullen zich verplaatsen naar het vijfde niveau verplaatsen als zich een kans biedt.

Niveau 5

De gewelddadige handeling wordt uitgevoerd. Om zo effectief mogelijk te zijn, moet elke remming onschuldige mensen te doden worden overwonnen. Dit gebeurt door twee argumentatiestructuren:

Categorisatie benadrukt het onderscheid tussen eigen groep en de andere groep en psychologische distantiëring overdrijft de verschillen tussen de in-groep en de waargenomen vijand.

Moghaddam stelt dat het gevecht tegen terrorisme vooral door een hervorming van de maatschappelijke verhoudingen op niveau 1 moet gebeuren, zodat dat de samenleving niet langer door grote groepen als onrechtvaardig en hopeloos wordt gezien.

Literatuur:

Hewstone et al., An Introduction to Social Psychology, p 303 f.

 

Maria Trepp, docent Sociale Psychologie

 

Afbeelding FreikorpOwn work, CC BY-SA 3.0, Link