Over de Duitse geschiedenis

Israël en Eichmann

 

De West-Duitse geheime dienst wist al in 1952 dat nazibeul Adolf Eichmann zich schuilhield in Argentinië, meldt de Duitse krant Bild, nadat men via de rechter inzage heeft gekregen in geheime documenten.


“Israël rekende zelf af met Adolf Eichmann” schrijft Alex Burghoorn in augustus 2010 in de Volkskrant. “Mossad-agent Rafi Eitan plukte in mei 1960 oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann in Argentinië van de straat.”


De arrestatie was de opmaat voor een nog ingrijpender gebeurtenis: het Eichmann-proces en daarmee verbonden, een nieuwe identiteit voor de staat Israël. Burghoorn: “De gevolgen [van het Eichmann-proces] waren verstrekkend. Na de arrestatie, berechting en uiteindelijk executie van Eichmann ruilde Israël langzaam de kibboets in voor het concentratiekamp als ijkpunt voor zijn zelfbeeld."


Dit zelfbeeld is problematisch en wordt door velen bekritiseerd.


Fred Halliday spreekt van “...het selectieve en doelbewuste gebruik van de shoah door de staat Israël, waarmee sommige acties en schendingen van het internationale recht door dit land worden gerechtvaardigd. Ook worden er oude morele aanspraken (op land of soevereiniteit) van het joodse volk mee uitgedrukt, ten koste van de Palestijnen (een vroege indicatie daarvan was het proces in 1962 tegen Adolf Eichmann voor misdaden tegen het joodse volk, en niet tegen de menselijkheid)". (De erfenis van Auschwitz in de 21ste eeuw)


Ian Buruma schrijft in “Het circus van  Max Beckman” over het Israëlisch slachtofferdenken: “..Het wordt dubieus wanneer een culturele, etnische, religieuze of nationale gemeenschap zijn gemeenschappelijke identiteit vrijwel volledig baseert op de sentimentele solidariteit van een herinnerd slachtofferschap, want in die richting ligt de historische bijziendheid en, in extreme gevallen, vendeta.” (p 56)


“Eichmann” staat voor meer dan de Holocaust. “Eichmann” staat voor misdaden tegen de menselijkheid en voor het radicaal kwaad in een sociaal gewaad.


Susan Neiman in Morele helderheid: “Vergeet niet dat Eichmanns misdaden weliswaar verschrikkelijk waren, maar zijn motieven volstrekt onbenullig; of hij een massamoord heeft georganiseerd uit haat of uit het verlangen om een treetje hoger op de maatschappelijke ladder te komen doet eenvoudigweg niet ter zake. Soms zijn bepaalde motieven erger dan niet ter zake: ze leiden af van de inhoud, en van de gevolgen, van iemands daden. Het geloof dat bedoelingen de kern vormen van het morele handelen leidt velen ertoe om morele helderheid te verwarren met zuiverheid. Maar als bedoelingen van secundair belang zijn bij het besluiten of bepaalde handelingen een kwaad vormen, zijn ze van zelfs nog minder belang bij het besluiten of bepaalde handelingen goed zijn. “( p 436)

 

Kees Schuyt gaat in zijn Leidse Cleveringarede Democratische deugden uitgebreid in op de implicaties van “Eichmann en het radicale Kwaad”:

Schuyt: “Het kwaad is van sociale makelij. Aan massaal geweld tegenover bepaalde bevolkingsgroepen gaat meestal een intensivering van groepstegenstellingen vooraf. Deze intensivering heeft bovendien typische, steeds terugkerende kenmerken. Allereerst
komt het kwaad bijna nooit als een openlijke ontkenning van de morele
wet, maar wordt het als iets goeds voorgesteld, als een gerechtvaardigde onderneming met eigen idealen en principes, waar velen achter kunnen staan en ook achteraan willen lopen
. Er worden uitdrukkingen gebruikt die ontleend zijn aan de bekende en vertrouwde cultuur zoals reinheid en zuiverheid. Een voorhoede acht zich uitverkoren en schept voor zichzelf uitzonderlijke rechten en speciale verantwoordelijkheden.
Goed en kwaad komen vermengd naar voren en hierin schuilt de verraderlijke, moeilijk zichtbare, sociologische component. Kwaad wordt niet minder intersubjectief tot stand gebracht en gedragen dan het goede, en de bestrijding van het allerergste kwaad loopt immer het gevaar zelf bepaalde eigenschappenvan dat bestreden kwaad over te nemen.”


 

------------------------------------------------------

 

 

 

--------------------------------

Marxisme, ideologiekritiek, humanisme, emancipatie

 

[ bob bouhuijs, bevrijding,emancipatie,cynisme,peter sloterdijk,marxisme,marx,inspiratie]


De  belangrijkste elementen in het marxisme zijn voor mij de ideologiekritiek en de emancipatie.


Ik houd me bij de beschrijving van dit alles aan mijn huisfilosoof Peter Sloterdijk, die in zijn “Kritiek van de cynische rede” een uitstekend overzicht geeft van de sterke en zwakke kanten (= kynische versus cynische in Sloterdijks terminologie) van het marxisme .


  1. 1. Ideologiekritiek


Met de middelen van de marxistische ideologiekritiek worden de mechanismen van de samenleving en opinievorming worden onderzocht: belangen, hartstochten, fixaties, illusies.


Bij Marx, net als bij Nietzsche en Freud, is een satirische, polemische component aan het werk, die zich eigenlijk niet geheel laat verbergen achter het masker van wetenschappe­lijke ernst. (Sloterdijk, Kritik vd cynische rede, p 56)


Sloterdijk (p 81 ff):

De kritiek van Marx gaat duidelijk een stap verder dan alle kritieken voordien: zij is gericht op een integrale 'kritiek van de hoofden'. Zij wenst de hoofden opnieuw te zetten op het totaal van levende en werkende lichamen; dat is de zin van de dialectiek van theorie en praktijk, brein en hand, hoofd en buik.


De kritiek van Marx laat zich leiden door een realistische visie op de maatschappelijke arbeidsontwikkelingen. Wat in de hoofden zit, zo zegt hij, blijft 'in laatste instantie' bepaald door de sociale functie van de hoofden in de economie van de totale maatschappelijke arbeid. Daarom heeft de sociaal­economische kritiek weinig respect voor wat het bewustzijn over zichzelf te zeggen heeft. Haar motief blijft het uitzoe­ken wat 'objectief' het geval is. Daarom ondervraagt zij elk bewustzijn naar wat het weet van zijn eigen plaats in het samenstel van arbeid en macht. En omdat ze daar in de regel de grootste onwetendheid tegenkomt, kan ze daar haar aan­val op richten. Omdat de maatschappelijke arbeid onder­worpen is aan een indeling in klassen, toetst de kritiek van Marx elk bewustzijn aan wat het als 'klassebewustzijn' pres­teert en wat het zelf daarvan weet.


In het systeem van de bourgeois-maatschappij kan men om te beginnen drie objectieve vormen van klassebewustzijn onderscheiden: dat van de bourgeoisie (de klasse van het kapitaal), dat van het proletariaat (de klasse van de produ­centen) en dat van de tussenpersonen (midden-'klasse')­waarmee het bewustzijn van de werkers in de bovenbouw, een groep bestaande uit wetenschapsmensen, rechters, pries­ters, kunstenaars en filosofen zonder duidelijk klasseprofiel, dubbelzinnige relaties onderhoudt.


Wanneer men kijkt naar de traditionele hoofdarbeiders, valt onmiddellijk op dat dezen in de regel hun werkzaamheid volstrekt anders opvatten dan zij zouden moeten doen vol­gens het model van Marx. Hoofdarbeiders weten meestal praktisch niets van hun rol in de economie van maatschap­pelijke arbeid en macht. Ze blijven verre van de 'feitelijke grondslag', leven met hun hoofd in de wolken en bezien de sfeer van de 'reële productie' van een onrealistische afstand. Daardoor leven zij, aldus Marx, in een wereld van globale idealistische mystificatie. De geestelijke 'arbeid' - alleen al de benaming komt neer op een aanval-wenst te vergeten dat ook zij, in specifieke zin, arbeid is. Ze heeft zich aange­wend niet meer te vragen naar de manier waarop haar samenspel met de materiële, manuele en executieve arbeid plaatsvindt. Daardoor minacht de totale klassieke traditie van Plato tot Kant de maatschappelijke onderbouw van de theorie: slaveneconomie, lijfeigenschap, onderdanigheids­relaties op het werk. Zij beroept zich veeleer op autonome geestelijke ervaringen die haar motiveren: streven naar waarheid, bewustzijn van deugd, goddelijke roeping, ab­solutisme van de rede, ingenium.


Men moet echter vasthouden aan het feit dat arbeid een elementaire levenssituatie is, waarmee een theorie van het reële rekening moet houden. Wanneer zo'n theorie daartoe niet bereid blijkt en deze grondslag wil overslaan, wordt het tijd voor ontmaskering. Zo'n ontmaskering heet 'aan de grond zetten', grounding. De kenmerkende methode voor ontmaskering in de kritiek van Marx is daarom de om­kering: men zet het bewustzijn van de kop op de voeten. Voeten wil hier zeggen: weten wat de plaats is in het pro­duktieproces en in het samenstel der klassen. Ontmaskerd


[..] Naast de kritiek van het gemystificeerde bewustzijn bevat de theorie van Marx een tweede, uiterst belangrijke variant van ideologiekritiek, die de stijl van de marxistische kritiek, de polemische scherpte ervan, heeft bepaald: de theorie van het karaktermasker. Als maskertheorie maakt zij a priori onderscheid tussen personen als individu en als drager van klassefuncties. Daarbij blijft enigszins onduidelijk welk aspect in elk afzonderlijk geval het masker van het andere is - het individuele het masker van de functie of de functie het masker van de individualiteit. De meeste critici hebben om goede redenen gekozen voor de antihumanistische versie, voor de gedachte dat de individualiteit een masker van de functie is. Zo kunnen er ongetwijfeld menselijk integere kapitalisten zijn-zoals blijkt uit de geschiedenis van de burgerlijke filantropie, waartegen de critici uit de school van Marx fel van leer zijn getrokken. 'Humaan' zijn ze slechts als individuele maskeringen van sociale onmenselijkheid. Gezien hun sociale zijn blijven ze desondanks personificaties van het zakelijk belang, karaktermaskers van het kapitaal. In menig opzicht zijn zij voor de agitatoren zelfs erger dan de wreedste uitbuiters, omdat ze de patriarchale mystificatie van de arbeider in stand houden. - Het spiegelbeeld van deze theorie biedt de 'burgerlijke' rollentheorie, die de sociale functies ('rollen') als masker ziet, waarmee de individualiteit zich vermomt om er in het beste geval zelfs mee te 'spelen'.

[…]

Op dit punt blijkt hoe fundamenteel dubbelzinnig de 'theorie' van Marx is. Aan de ene kant objectiveert ze elk bewustzijn tot een functie van het maatschappelijk proces; anderzijds wil ze de bevrijding van het bewustzijn uit de mystificatie mogelijk maken."


2. Emancipatie en bevrijding

 

"Wanneer men het marxisme ziet als bevrijdings­theorie, dan benadrukt men de emancipatorische bewust­zijnsvorming van het proletariaat en zijn bondgenoten. Deze visie is niet nauw omschreven, zij slaat op de groeiende 'subjectiviteit' van de (zogenaamd) laatste onderdrukte klasse. Wanneer deze zichzelf bevrijdt uit haar uitzichtloze situatie, dan schept zij de voorwaarde voor reële emancipa­tie (van uitbuiting door arbeid) van alle mensen. De zelf­bevrijding van de knecht zou in een ideale dialectiek moe­ten leiden tot bevrijding van de bazen uit de dwang van hun bazenbestaan. Mensen die Marx als 'humanist' willen zien, benadrukken dit aspect. De kern ervan is de arbeids­antropologie. De arbeider zou pas zich 'zelf' worden wan­neer hij geniet van de producten waaraan hij zijn energie heeft besteed en de meerwaarde niet meer moet achterlaten in de handen van de heersende klasse. Emancipatie treedt in dit denkmodel op als zelfstandige verovering van het productieve subject in zijn producten.  [..] “



3. Kritik op de cynische kant van het marxisme:


“In een andere visie komt uit de kritiek van Marx een 'antihurnanistische", 'realistische' aanpak te voorschijn. Het accent ligt hier niet op de dialectiek van de bevrijding, maar op de mechanismen van de universele mystificatie. Wanneer elk bewustzijn precies zo verkeerd is als overeenkomt met zijn plaats in het proces van produktie en macht, blijft het onvermijdelijk opgesloten in zijn verkeerdheid zolang dit proces aan de gang is. En dat het in volle gang is wordt door het marxisme immers dagelijks, van uur tot uur, beklem­toond. Op die manier draagt het verborgen functionalisme van Marx' theorie vruchten. Voor dit functionalisme bestaat tot op heden geen scherpere formulering dan de beroemde Uitspraak over het 'noodzakelijkerwijs verkeerde bewustzijn'. Vanuit deze optiek wordt het verkeerde bewustzijn geobjec­tiveerd opgenomen in het systeem van objectieve verblin­dingen. Verkeerd zijn is een functie van het proces.


Op dit punt nadert het marxistische systeemcynisme zeer dicht tot het cynisme van de bourgeois-functionalisten, alleen in omgekeerde toonzetting. De bourgeois-functiona­listen beschouwen namelijk het functioneren van sociale handelingssystemen slechts als gegarandeerd wanneer be­paalde fundamentele normen, houdingen en doelstellingen door de onderhorigen van die systemen in blinde identifica­tie worden aanvaard en gehoorzaamd; daarbij is het in het belang van het systeem zelf dat dergelijke identificaties door individuele dissidenten elastisch worden opgevat en soms zelfs herzien, opdat het systeem door al te grote star­heid zijn aanpassingsvermogen aan nieuwe situaties niet verliest. In zoverre zouden een zekere mate van ironie en een hoekje voor revolutiemakers zelfs onmisbaar zijn voor elk systeem dat bezig is zich te ontwikkelen. Het functiona­lisme ontzegt het menselijk bewustzijn echter niet alleen het recht op emancipatie, maar loochent zelfs de zin van een dergelijke emancipatie van normen en verplichtingen: zo'n emancipatie zou volgens deze leer immers regelrecht tot het niets leiden, tot een leeg individualisme, tot de anomische chaos en tot het verlies van structuur in de diverse maatschappijvormen. Dat daar een kern van waar­heid in schuilt wordt door de socialistische maatschappij­vormen van het Oostblok bijzonder drastisch bewezen. Die leveren het functionalistische bewijs in het sociale labora­torium: dat 'geordend' sociaal bestaan slechts denkbaar is binnen het omhulsel van functionele leugens om bestwil. In de cultuurpolitiek en de ethische dressuur van arbeid en militarisme van de socialistische landen treedt het functie­cynisme van Marx' ideologieleer angstwekkend duidelijk aan het licht. “


Over Peter Sloterdijk zie ook:

Peter Sloterdijk: Kritiek van de cynische rede (1)

Tegen en voor het consumentisme: Benjamin Barber, Peter Sloterdijk, Frits Bolkestein

Scepsis en hoop- Peter Sloterdijk over de islam/ Het heilig vuur


////////////////////////////////////////////////////


Ik voeg hier nog het artikel van Bob Bouhuijs in dat op 4 mei 2010 in de Volkskrant staat

/////////////////////////////////////////



`

Volkskrant 04-05-2010, pagina 18

Marx verdient werkelijke rehabilitatie

Marx wordt te eenzijdig geïnterpreteerd. Hij is voor velen nog steeds een inspiratiebron en dat is niet de enige reden dat hij een herwaardering verdient.


BOB BOUHUIJS

Toen ik twintig jaar geleden begon met een studie geschiedenis, was Marx uit de mode en dat werd tijdens de opleiding flink duidelijk. Van zijn wereldvisie werd een karikatuur gemaakt. ‘Objectieve’ geschiedschrijving kon immers niet met een rode bril op plaatsvinden. Ditzelfde stereotype beeld wordt door de ex-marxisten Erik van Ree en Gabriel van den Brink geschilderd in het artikel ‘Marx’ gelijk en ongelijk’ (het Vervolg, 1 mei).

De Marx van hen is een dogmatisch en schematisch denker die de economische rationaliteit als enige en ultieme verklaringsgrond hanteert. Ook tamelijk geborneerd, omdat hij niet besefte dat arbeiders zich vaak door heel andere dan egoïstische motieven laten leiden. Tot slot realiseerde Marx zich niet dat het proletariaat vervreemd kan raken van de communistische staat, aangezien deze individuele vrijheden beknot.

Het vergt veel moeite, wellicht zelfs kwaadwillendheid, in de geschriften van Marx dergelijke ideeën terug te vinden. Marx was zeker geen economisch reductionist die het handelen van personen louter verklaarde uit zelfzuchtige motieven. Hij benadrukte juist dat mensen hun eigen geschiedenis voortbrengen en een vrije wil aan de dag leggen, al doen ze dit binnen de maatschappelijke verhoudingen van hun tijd. Dit maakt het succes van sommige opvattingen waarschijnlijker dan die van andere. Zo was de uitbuiting en onderdrukking van de arbeidersklasse onder het kapitalisme een vruchtbare voedingsbodem voor de verbreiding van socialistische ideeën. Het slagen van de revolutie was echter geen uitgemaakte zaak. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Marx scherp ageerde tegen strategieën en opvattingen die schade aanrichtten aan de arbeidersbeweging.

Over de alternatieve samenleving die hem voor ogen stond, blijft Marx vaag. Niets lijkt echter verder af te staan van zijn gewenste toekomst dan de autoritaire staten van het twintigste-eeuwse Oost-Europa. Het werkelijke socialisme zou de mensheid juist verlossen van onderdrukking en de noodzaak tot het verrichten van verplichte arbeid. Het zou de mogelijkheden tot creatieve individuele ontplooiing openen. Nergens preludeert Marx op de wenselijkheid van dictatoriale structuren, die de mensheid opnieuw zouden knechten. Dat Rusland zich na 1917 in een autoritaire richting ontwikkelde, kan niet verklaard worden uit de ‘slechte ideeën’ van Marx.

Dat de misvattingen over Marx’ denkbeelden in de academische wereld zo hardnekkig zijn, is spijtig. Zo kan met Marx prachtig getoond worden dat de expansie van schulden en speculatief kapitaal geen ongebreideld karakter kan dragen, maar dat economische groei uiteindelijk gebaseerd moet zijn op uitbreiding van de markten voor reële producten. De analyse van Marx markeert de grenzen van het speculatieve kapitalisme dat het afgelopen decennium een enorme vlucht nam. Het is in dit licht dan ook niet vreemd dat een historicus als Robert Brenner, door het blootleggen van de structurele lacunes van het hedendaagse kapitalisme, de recente recessie kon voorspellen en verklaren.

De werkelijke Marx, ontdaan van ongenuanceerde, eendimensionale interpretaties, verdient een herwaardering. Niet slechts vanwege zijn inzichten, maar ook omdat hij nog steeds de inspiratiebron vormt van tal van mensen die strijden voor een rechtvaardiger sociale orde.

-----------------------------------

------------------------------------

Carl Schmitt, een genie in het haten

Vandaag 12-12-2010  staat een recensie in de krant over een nieuw boek over Carl Schmitt. Hans Driessen: “Carl Schmitt (1888-1985), een van Duitslands (zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog) meest gelezen en felst omstreden politieke denkers. Hij was een genie in het haten: hij haatte het politieke en wetenschappelijke establishment, de sociale democratie zoals die gestalte kreeg in de republiek van Weimar; hij haatte communisten en socialisten, protestanten en joden. Hij was een van de scherpzinnigste critici van de liberale rechtstaat en verwelkomde, na een wel zeer korte aarzeling, Hitler en het Derde Rijk. Hij leverde er de juridische legitimatie en grondslag voor, nadat hij al vroeg in 1933 tot de NSDAP was toegetreden. Hij liet zich het eerbetoon van de nazi's maar al te graag gevallen en aanvaardde zonder bedenking de hoogste ambten.”(de Volkskrant, 12-2-2010)

 

In mijn documentatie over de Edmund Burke Stichting en in een aantal blogs heb ik zeer uitvoerig aandacht besteed aan de Carl-Schmitt-receptie in Nederland. De huidige recensie voegt aan mijn documentatie van Carl-Schmitt-tegenstanders nog Golo Mann toe (een overigens zeer conservatieve historicus), die over Carl Schmitt zei: “'( ) hij was een van degenen die hun intelligentie en ontwikkeling niet gebruiken om het nut te vergroten maar om schade aan te richten, een ten diepste rancuneus mens ( ), enkel belust op persoonlijk voordeel, titels en ambten.'"

 

Ook Reinhard Mehring, Carl Schmitt-criticus, kende ik nog niet, wiens boek

Carl Schmitt. Aufstieg und Fall“ Driessen recenseert.  “De lezer krijgt een ontluisterend beeld voorgeschoteld van de mens Schmitt. Mehring spaart zijn hoofdpersoon niet. Hij meet alle kwalijke kanten van Schmitt breed uit: zijn maniakale ressentiment, zijn bijna pathologische antisemitisme, zijn disloyaliteit, zijn meedogenloze ambitie, zijn volstrekte onvermogen tot enige zelfkritiek, laat staan tot berouw.”

 

[tags carl schmitt, golo mann, nazisme, conservatisme, derde rijk, reinhard mehring, hans driessen]


 

 

--------------------------------

---------------------------------

De Olympische fakkel-estaffetteloop als een nazi-traditie (26-3-2008)

 

[nationaal-socialisme, fakkels]

 

In de Griekse plaats Olympia werd op maandag - onder protesten - de Olympische vlam aangestoken.

Weinigen weten dat de eerste Olympische fakkelestafetteloop plaats vond in 1936 als onderdeel van de uitgebreide Olympia-nazi-propaganda.

Het "Derde Rijk" begreep zichzelf als een reïncarnatie van de Griekse antieke. De perfecte antieke lichamen werden gebruikt als voorbeelden in het streven naar deugd, tucht en bereidheid tot opoffering. Het gezonde lichaam was het ideaal op zowel individueel alsook op nationaal niveau: het nationale gezonde volkslichaam. Ziekte en zwakheid werden tot taboe verklaard en later tot uitroeiing veroordeeld.

De fakkelestafetteloop was een belangrijk onderdeel van de nazi-propaganda. Net als de Olympische spelen zelf was het de bedoeling van de fakkelestafette om de verbondenheid van alle volkeren met de nazi-staat te demonstreren, en andere landen van de vredevolle bedoelingen van de nationaal-socialisten te overtuigen.

De fakkelhouders werden gemaakt en gratis verstrekt door de wapenproducent Krupp....

De aankomst van de fakkel werd in verschillende Europese hoofdsteden gevierd met een breed scala aan propaganda-activiteiten, met religieus geïnspireerde "Weihestunden". Op sommige plaatsen, in het bijzonder Tjechoslowakije, kwam het tot protesten.




Op 1 augustus 1936 kam het Olymisch vuur aan in Berlijn. Voordat de loper na het Olympiastadion liep, bediende hij eerst de "Weihestunde" in de "Lustgarten".



20.000 Hitlerjungens en 40.000 SA-mannen namen samen met leden van het IOC deel aan een bijzondere "Weihestunde" met toespraken van o.a. Goebbels. 

De procedure van het aansteken van het vuur in het Olympiastadion tenslotte was ook helemaal vormgegeven door de versmelting van de symboliek van sport, oorlog en offer.

De vlam brandde voor het ‘Marathontor', dat op de zege bij Marathon en de historische, zelfopofferende Marathonloop wees. (De geschiedenis vermeldt dat eerste marathon een dodelijke afloop had: na het uitbrengen van de woorden "Verheug u, wij hebben gewonnen!" viel de boodschapper dood neer.) Door het Marathontor kon men toen - en ook nu nog- de kloktoren zien, een monument voor de soldaten van de Eerste Wereldoorlog,  die in België bij Langemarck waren gevallen. In Duitsland ontstond een ware mythe rond het woord Langemar(c)k ; Hilter noemde zichzelf een "Langemarck-strijder".

Al hebben velen het toen niet willen zien: het ging niet om vrede en volkerenvriendschap bij deze Olympische spelen, het ging om propaganda, sport en militarisme, en wie toen vanuit het stadion naar de vlam van het Olympisch vuur keek, keek ook door het Marathontor naar het Langemarck monument met duidelijke symboliek.








(De foto heb ik gemaakt deze week, met de doorkijk: vlammenaltar, Marathontor, Langemarckmonument)


Literatuur: Carola Jüllig , Der Fackel-Staffel-Lauf Olympia-Berlin 1936

F. Mayr, Die Olympischen Spiele des Jahres 1936 in Berlin, Forum Archaeologiae 42/III/2007

-----------------------------------------------------------

--------------------------------------------------------------

Op naar München, 'Hauptstadt der Bewegung'


  De geschiedenis van "de beweging" in München.

Fortuyn en zijn navolgers, zoals Verdonk en Wilders, willen geen partijen meer, maar bewegingen. men kan zich bij hun rechtse bewegingen aansluiten, maar dat zijn geen partijen waar je lid van wordt. Nuttig  om naar de geschiedenis van de belangrijkste rechtse "beweging" uit de geschiedenis te kijken.

We beginnen onze rondwandeling aan de Geschwister Scholl Platz, hoofdingang van de Universiteit München ( waar ik vijf jaar lang heb gestudeerd, afgestudeerd in de psychologie). Er lijken flyers op de grond de liggen...

....maar nee het is een herinnering in steen aan de verzetsgroep Weisse Rose.
Aansluitend lopen we naar binnen om de tentoonstelling Denkstätte Weisse Rose te kijken. 


 
We lopen dan naar de Schellingstraße, waar we naar de schietgaten uit de Tweede Wereldoorlog kijken, "Wunden der Erinnerung"






We lopen naar de Feldherrnhalle aan de Odeonsplatz, een belangrijk monument in de nazi-geschiedenis.
We lopen door naar het voormalig machtscentrum van de nationaalsocialisten rondom de Karolinenplatz: de resten van het "Braune Haus", de partijcentrale van de NSDAP . We gaan naar de huidige Musikhochschule, de vroegere Führerbau.





































We kijken naar  de Königsplatz, de grote militaire exerceerplaats waar de nazi's boeken hebben verbrand.

Lees hier welke autoren verbrand werden. O.a. de boeken van Walter Benjamin, naar wiens "Passagen-Werk" mijn "Passagen-Project" is genoemd.
 Lees ook, op dezelfde site, de boeken-verbrandings-redes  van Dr. Josef Goebbels en van de germanist prof. Naumann.


[munchen, hauptstadt der bewegung, fascisme, nationaal-socialisme, geschiedenis]

-------------------------------------------------------------

-------------------------------------------------------------

Hitlers 'Mein Kampf'


Naar aanleiding van het recente "Mein Kampf"-debat in media en politiek wil ik iets bijdragen over inhoud, vorm en achtergrond van Hitlers "Mein Kampf".

Het verbod op "Mein Kampf" is in hoge mate symbolisch, aangezien het boek overal te verkrijgen is, en ook op internet in .pdf -vorm wordt aangeboden. Dat het verbod symbolisch is, maakt het verbod in mijn ogen niet automatisch verkeerd. "Mein Kampf" nu  vrij verkrijgbaar te maken met de redenering, dat de Koran ten slotte ook is toegestaan ( zoals minister Plasterk blijkbaar heeft beargumenteerd) vind ik waanzin.

Wat historisch belangrijk is, dat is het feit dat Hitler zijn politieke en maatschappelijke ideeën nauwkeurig heeft beschreven in "Mein Kampf", maar in de dagelijkse politiek jarenlang veel minder radicaal is geweest, zodat bij veel mensen in het binnen- en buitenland de indruk ontstond, dat het allemaal wel mee zou vallen.

Uiteindelijk hebben de nazi's alles in de praktijk gebracht wat in "Mein Kampf" stond.


"Mein Kampf"wordt ideologisch gedomineerd door rasbiologie, antisemitisme, sociaal-darwinisme en cultuurpessimisme.

Hitler voert alle complexe maatschappelijke en politieke verschijningen terug op universele, eendimensionale racistische natuurwetten.
,,[Die Menschen gehen] mit wenigen Ausnahmen wie blind an einem der hervorstechendsten Grundsätze [der Natur] vorbei: der inneren Abgeschlossenheit der Arten sämtli­cher Lebewesen dieser Erde. Schon die oberflächliche Betrachtung zeigt als nahezu ehernes Grundgesetz all der unzähligen Ausdruck­formen des Lebenswillens der Natur ihre in sich begrenzte Form der Fortpflanzung und Vermehrung. Jedes Tier paart sich nur mit einem Genossen der gleichen Art. Meise geht zu Meise, Fink zu Fink, ... der Wolf zur Wölfin usw." (1936, 311).
"Jede Kreuzung zweier nicht ganz  gleich hoher Wesen gibt als Produkt ein Mittelding zwischen der Höhe der beiden Eltern. Das heißt also: das Junge wird wohl höher stehen als die rassisch niedrigere Hälfte des Elternpaares, allein nicht so hoch wie die höhere. Folglich wird es im Kampf gegen diese höhere später unterliegen. Solche Paarung widerspricht aber dem Willen der Natur zur Höherzüchtung des Lebens überhaupt. Die Voraussetzung hierzu liegt nicht im Verbinden von Höher- und Minderwertigem, sondern im restlosen Sieg des ersteren" (1936, 312).

Volgens Hitler wordt een sterkere ras verzwakt door het mengen met een zwakkere.

"Daher entsteht auch der Kampf untereinander weniger infolge innerer Abneigung ... als vielmehr aus Hunger und Liebe. In beiden Fällen sieht die Natur ruhig, ja be­friedigt zu. Der Kampf um das tägliche Brot läßt das Schwache und Kränkliche ... unterliegen .. , Immer aber ist der Kampf ein Mittel zur Förderung der Art und mithin eine Ursache zur Höherentwick­lung derselben" (1936, 312f.).


Hitler probeert de onmogelijkheid van democratie af te leiden uit het principe van de overwinning van de sterke.

,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schwe­ren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] ... nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit ... " (1936, 313).


„Natuur" is voor Hitler religie, niet zakelijke natuurwetenschap.

,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schwe­ren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] ... nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit ... " (1936, 313).


 "Das Ergebnis jeder Rassenkreuzung ist also ... immer folgendes: a) Niedersenkung des Niveaus der höheren Rasse, b) körperlicher und geistiger Rückgang und damit der Beginn eines, wenn auch langsam, so doch sicher fortschreitenden Siechtums. Eine solche Entwicklung herbeiführen heißt ... nichts anderes. als Sünde treiben wider den Willen des ewigen Schöpfers. Als Sünde aber wird diese Tat auch gelohnt. Indem der Mensch versucht, sich gegen die eiserne Logik der Natur aufzubäumen, gerät er in Kampf mit den Grundsätzen, denen auch er selber sein Dasein als Mensch allein verdankt. So muß sein Handeln gegen die Natur zu seinem ei­genen Untergang führen" (1936, 314).

De rassenwetten zijn in feite bij Hitler de natuurlijke god, wie tegen deze god ingaat, wordt bestraft.

Het biologistische racisme maakt de taken van de staat simpel en overzichtelijk. De staat moet alleen toezien dat het gedrag van de burgers past bij de vermeende natuurwetten.

"Syphilitikern, Tuberkulo­sen, erblich Belasteten, Krüppeln und Kretins" ist die "Zeugungsfä­higkeit zu entziehen" (1936,445).


Wel heeft de staat een belangrijke taak bij de opvoeding van de jeugd tot krijgers, dus een opvoeding niet alleen maar, maar vooral in lichamelijke ontwikkeling.

Hitler werkt met de Platoonse tegenoverstelling Geest versus Lichaam, maar keert deze om: het lichaam domineert de geest. Vandaar  ook Hitlers boosaardig anti-intellectualisme.

Het nationaal-socialisme heeft, zoals al vaak is aangetoond ( ik zla nog bloggen over het nieuwe boek van Van Doorn) , ook socialistische trekken. Deze zijn het gevolg van dat Hitler een rassekamp onder gelijken wilde, hij wilde dat de voorwaarden voor iedereen gelijk zouden zijn, en dat zodoende dan de rassisch besten herkend konden worden.

Zeer uitvoerig in Mein Kampf is de apocalyptische kritiek aan maatschappelijk verval, waaronder zo goed als alle verschijnen van de Moderne vallen.

" ... [Mit] Schrecken sehen wir die krankhaften Auswüchse irrsinniger und verkommener Menschen, die wir unter dem Sammelbegriff des Kubismus und Dadaismus seit der Jahrhundertwende kennenlernten ... " (1936, 283).

Het ziektemetafoor is bij Hitler van doorslaggevende betekenis: de samenleving is doodziek, vanwege algemene maatschappelijke ontwikkelingen zoals Moderne, vrouwenemancipatie, maar ook vanwege vele individueel zwakke, intellectuele en zieke mensen.

En in de jood manifesteert zich voor Hitler alles ziekmakende:  ras, intellectualiteit, geld, moderniteit .

De hele geschiedenis is voor Hitler een kamp van Goed tegen Kwaad, en hij zet het goede gelijk met de Ariër, en het Kwaad gelijk met de Jood.
Hitler is dualistisch religieus- manicheïstisch is in zijn denken en woordkeus:  
 „Er [der Arier]  ist der Prometheus der Menschheit, aus dessen lichter Stirn der göttliche Funke des Genies zu allen Zeiten hervorsprang, immer von neuem jenes Feuer entzün­dend, das als Erkenntnis die Nacht der schweigenden Geheimnisse aufhellte und den Menschen so zum Beherrscher der anderen Wesen dieser Erde emporsteigen ließ" (1936, 317).

Ik stop hier, al is er nog veel meer over te zeggen.


Literatuur: Friedrich Pohlmann, Politische Herrschaftssysteme der Neuzeit
Claudia Koonz, The nazi conscience (2003)

 

[hitler, mein kampf, antisemitisme, racisme, sociaal-darwinisme, anti-intellectualisme]


 

------------------------------------------------------------------

------------------------------------------------------------------

Carl Schmitt zelf aan het woord (in het Duits)


Raphael Gross gaat in zijn boek Carl Schmitt und die Juden (herziene oplage 2005) uitvoerig in op Schmitts nationaal-socialistisch en antisemitisch gedachtegoed. Hij beschrijft ook de intense inspanningen van verscheidene apologetische onderzoekers om Schmitt in bescherming te nemen tegen kritiek. Hij beschrijft de grote aarzelingen in de mainstream wetenschap om niet alleen het straatantisemitisme maar ook het intellectueel antisemitisme aan de kaak te stellen: “Stets war man bereit, den primitiven Radau-Antisemitismus und seine Folgen zu verurteilen und einzelne antisemitische Äußerungen als opportunistische Charakterlosigkeiten zu verdammen. Ursache und Bedeutung eines ´weniger primitiven´ Antisemitismus - nämlich desjenigen, der unter anderem von der juristisch/bürokratischen Elite innerhalb der SS und des SD vertreten wurde - sind aber nur sehr zögernd untersucht worden.“ (p. 15)
Schmitt wordt vaak verdedigd met het argument dat hij persoonlijk vriendelijke relaties onderhield met een aantal joden. Er zijn talrijke nazi’s voor wie dit ook geldt en het maakt hen structureel antisemitisme niet minder erg. Schmitt heeft in ieder geval zijn antisemitisme ook tegen joodse kennissen en collega’s in de praktijk gebracht. Gross: “[Schmitt weigerte sich], eine Resolution zu Gunsten seines ambtsenthobenen [jüdischen] Kollegen Hans Kelsen zu unterschreiben. Dese Weigerung kann entweder als Zeichen für Schmitts grenzenlosen Opportunismus oder als Zeichen für seine tatsächliche nationalsozialistische Gesinnung interpretiert werden, denn gerade Kelsen verdankte Schmitt seine erst kurz zuvor erfolgte Berufung nach Köln. Weitaus schwerwiegender liegen die Dinge aber in Bezug auf Schmitts Verhalten gegenüber seinem einstigen Bonner Kollegen Erich Kaufmann. Schmitt hatte sich hier emsig agiert, um durch eine antisemitische Attacke Kaufmanns weitere Lehrtätigkeit zu verhindern. Er schrieb an das Kultusministerium: ‚Eine solche, ganz auf Verschweigung der Abstammung und auf Tarnung angelegte Existenz’ sei für ‚deutsches Empfinden’ nur ‚schwer begreiflich’ und es sei nicht nur ‚eine schlimme Verwirrung’, sondern auch eine ‚seelische Schädigung’ der deutschen Studenten, wenn der nationalsozialistische Staat einem ‚besonders ausgesprochenem Typus jüdischen Assimilantentums’ heute von neuem die Möglichkeit gebe, sich an der größten deutschen Universität zu betätigen.’“(p. 48f. )

Schmitt heeft onmiddellijk nadat de nazi’s aan de macht kwamen theoretisch en praktisch partij genomen voor de nationaal-socialisten. In maart 1933 stelde zich Carl Schmitt in een artikel geheel aan de zij van de nazi’s. Hij beschrijft in een nationaal-socialistisch publicatieorgaan uitvoerig het belang van het gevecht tegen het jodendom. (p. 60). “Führertum und Artgleichheit” zijn voor Schmitt “Grundbegriffe des nationalsozialistischen Rechts“ dat hij zich inspande theoretisch te onderbouwen. (p.71).
Gross: „Unmittelbar nach dem Nürnberger ‚Reichsparteitag der Freiheit’ begrüßte Schmitt in einem Kommentar die drei neuen [Rassen-]gesetze. ‚Sie sind die Verfassung der Freiheit, der Kern unseres heutigen deutschen Rechts’. Die drei einzelnen Gesetze seien nicht bloß ‚wichtige Gesetze neben anderen’ sondern aus ihnen bestimme sich nun‚ was für uns Sittlichkeit und öffentliche Ordnung, Anstand und gute Sitten genannt werden’ könne.
Gegen die ‚Feinde und Parasiten Deutschlands’ gegen die ’typischen Tarnungsformen der Fremdherrschaft, den Dämon der Entartung’ und die geistige Fremdherrschaft würden nun erstmals seit vielen Jahrhunderten der Begriffe der Verfassung ‚wieder deutsch’. Das deutsche Volk sei nun, nachdem die Gesetze vom 15. September‚deutsches Blut und deutsche Ehre zu Hauptbegriffen des Rechts gemacht hätten, auch im Rechtssinne wieder ‚deutsches Volk’. In einem anderen, längeren Artikel in dem sich Schmitt ebenfalls vorwiegend mit den Nürnberger Gesetzen beschäftigt, hob er zudem den wesentlich defensiven [!!, M.T.] Charakter ‚unserer Rassengesetzgebung’ hervor: ’Der völkisch-defensive Grundcharakter nicht nur dieser Gesetze, sondern der ganzen nationalsozialistischen Weltanschauung überhaupt tritt hier in einer überzeugenden Weise zutage’. (p. 117/118).
In zijn Rede Das Judentum in der Rechtswissenschaft 1936 sprak Schmitt over de noodzaak van een wetenschappelijk gevecht tegen “die Herrschaftsansprüche jüdischen Wesens und jüdischen Geistes“ ( Gross, p. 123). Gross: „Schmitt […] stellte [seinem Vortrag] als ersten Leitsatz den pseudoreligiösen ‚Satz des Führers’ voran: ’Indem ich mich des Juden erwehre, kämpfe ich für das Werk des Herrn’ […] Die zwei weiteren von Schmitt für die Tagung gewählten Leitsätze wiesen in dieselbe Richtung. […] Sie warnten das ‚deutsche Volk’ vor der ‚jüdischen Gefahr’ und vor einer ‚Flut undeutscher Bestrebungen, das Staatsgefüge’ zu lockern“. En Schmitt gaat nog verder. Hij stelt: „’Mit einem nur gefühlsmäßigen Antisemitismus und der allgemeinen Ablehnung einiger besonders aufdringlicher und unangenehmer jüdischer Erscheinungen ist es nicht getan; es bedarf einer erkenntnismäßig begründeten Sicherheit.’ Eine solche ‚erkenntnismäßig begründete Sicherheit’ habe ‚ein einsamer, armer junger Deutscher vor dem Krieg in Wien gewonnen, als die offizielle Wissenschaft noch tief im Banne jüdischen Geiste stand und wohl fast alle von uns noch in der Blindheit gefangen waren, die durch sämtliche Begriffe und Einrichtungen der damaligen bürgerlichen Bildung herbeigeführt wurde.’“ (p. 125) Voor wie het niet door heeft: Schmitt heeft het hier over Hitler en diens mening over de noodzaak van een “Antisemitismus der Vernunft” (p.126, Hitler-citaten bij Schmitt zie ook p. 133)
Schmitt heeft zichzelf ook telkens weer als slachtoffer van de joden gezien: “Ich weiß aus eigener Erfahrung, welchen Beleidigungen und Verleumdungen man ausgesetzt ist, wenn man in diesen Kampf [gegen die Juden] eintritt.“ (p. 128) Na de oorlog ziet hij zichzelf als slachtoffer van zowel de nazi’s als ook van de joden (p. 352) .

Gross: “Schmitt wollte die bürokratischen Voraussetzungen schaffen, um Juden aus allen Bereichen der Rechtswissenschaft auszugrenzen. An die erste Stelle setzte er die Erfassung aller jüdischen Autoren. Mit Hilfe dieses ‚exakten Verzeichnisses’ sollten dann in einem weiteren Schritt ‚Säuberungen der Bibliotheken’ vorgenommen werden, damit ‚unsere Studenten vor der Verwirrung bewahrt würden, die darin liege‚ daß wir sie einerseits auf den notwendigen Kampf gegen den jüdischen Geist hinweisen, andererseits aber eine normale juristische Seminarbibliothek am Ende des Jahres 1936 immer noch so aussieht, als ob der größere Teil de rechtswissenschaftlichen Literatur von Juden produziert würde.’ […] ‚Ein jüdischer Autor hat für uns keine Autorität, auch keine rein ‚wissenschaftliche’ Autorität.’ (p.129) ’Uns beschäftigt der Jude nicht seiner selbst wegen. Was wir suchen und worum wir kämpfen, ist unser[e] unverfälschte eigene Art, die unversehrte Reinheit unseres deutschen Volkes.’“ (p. 133) ’Gerade der assimilierte Jude ist der wahre Feind.’” (p. 312) .

---------------------------------------------------------------------- ---------------------------------------------------------------------

Saul Friedländer en Carl Schmitt


De Israëlische historicus Saul Friedländer heeft deze week de “Friedenspreis des deutschen Buchhandels” gekregen. Friedländer is de auteur van een veelbesproken documentatie over nazi-Duitsland en de joden. Hij werd nog kort geleden (4-5-2007)  geïnterviewd in de NRC over de voltooiing van zijn grote Holocaust-studie .  

Ik pak Friedländers “Nazi-Duitsland en de joden”, Deel 1: De jaren 1933-1939, en zoek op wat Friedländer schrijft over de nazi Carl Schmitt, een denker die nu zeer populair is bij sympathisanten van de neoconservatieve Burke Stichting.
  Friedländer over Carl Schmitt: “Even als Heidegger […] beantwoordde hij geen brieven meer van joodse collega’s en andere geleerden met wie hij voorheen nauwe relaties ha onderhouden. (Een opvallend voorbeeld in Schmitts geval was dat hij een abrupt einde maakte aanzijn correspondentie met Leo Strauss. Opdat er geen misverstand omtrent zijn standpunten zou ontstaan, voegde Schmitt enkele ronduit anti-semitische uitlatingen toe aan de nieuwe editie van zijn Der Begriff des Politischen. Het staat buiten kijf dat Schmitt een veel uitgesprokener, extremer en virulenter anti-semiet was dan de filosoof uit Freiburg [=Heidegger].  “ [74 f. ]   

“[Carl Schmitt], deze expert in Duits recht en politieke wetenschappen had zich in 1933, zoals eerder beschreven, enthousiast bij het nazisme aangesloten. [Schmitt] organiseerde  zijn beruchte academische congres over het ‘Judaisme in de rechtswetenschap’ dat op 3 en 4 oktober 1936 in Berlijn gehouden werd. Schmitt opende en sloot de conferentie met een redvoering, die gehele tegen de de joden was gericht. Als aanhef van zijn openingstoespraak en ahet eind van zijn slotrede citeerde hij Hitlers bruchte dictum uit ‘Mijn Kampf’:
Doordat ik me egen de joden verweer, strijd ik voor het werk des Heren’. De resolutie die Schmitt vóór het congres had opgesteld, behelsde onder andere de concrete eis, dat er een juridische bibliografie zou komen waarin joodse en niet-joodse auteurs apart werden vermeld. Voorts moesten bibliotheken van joodse auteurs worden ‘gezuiverd’. En bij citaten van joodse auteurs moest hun identiteit worden vermeld. Zoals Schmitt t bij deze gelegenheid zelf formuleerde: ‘Alleen al door het woord ‘joods’ te noemen, zal er een heilzaam exorcisme plaatsvinden. Binnen enkele maanden werden  eerste van Schmitts aanbevelingen uitgevoerd. “[p.226]  

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de neoconservatieve Burke Stichting [de denktank van Geert Wilders]  is om verschillende redenen zeer belangrijk.
Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn oratie. Ten tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen die Schmitt niet expliciet noemen (Kinneging, Cliteur) duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon in het openbar debat, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.   Meer over Carl Schmitt in mijn Burke documentatie.

--------------------------------------------------------------------------------

--------------------------------------------------------------------------------

De problematische geschiedenis van het zionisme: Max Nordau


Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoij, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.

De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierwerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau  het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit "maatschappelijke ongedierte" moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.

Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde "Muskeljuden" . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.

Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: 'Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004) 

Sommige vormen van zionisme zijn helaas verwant aan antisemitisme.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Erich Fromm en Heinz Brandt: het humanistisch socialisme

Erich Fromm heeft het voorwoord in het boek van mijn oom (de Auschwitzoverlevende joodse pacifist en Duitse politicus) Heinz Brandt geschreven, Ein Traum, der nicht entführbar ist (te leen in de KB). Ik geef dit voorwoord van Erich Fromm hier in het Nederlands weer (ik vertaal, vat samen en geef aanvullende info) :

“Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars. Maar soms gebeurt het dat men zich herinnert aan de verliezers en dat men het toestaat dat zij hun historische pek innemen. Het gebeurt meestal pas als hun ideeën erkenning vinden. Dat kan vaak lang duren. Maar het meest gebruikelijk is, dat de gedachten van de slachtoffers niet meer herinnerd worden.

De grote betekenis van het boek van Heinz Brandt ligt erin dat het door een slachtoffer is geschreven, maar door een man wiens nederlaag zijn geloof niet heeft kunnen verstoren, wiens overtuigingen niet van twijfels werden uitgehold, die de geschiedschrijving van de overwinnaar niet heeft geaccepteerd en niet is getransformeerd in een cynicus

In juni 1961 was Heinz Brandt, socialist en redacteur van de Westduitse vakbondskrant “Metall” op bezoek in Berlijn voor een conferentie. Plotseling was hij verdwenen. De volgende dag meldde de SED-pers dat hij was gearresteerd bij de uitvoering van een spionageopdracht in Oost-Berlijn.

Maar bij kennissen van Brandt heerste geen enkele twijfel over het (later bewezen) feit dat de agenten van Ulbrichts SSD Brandt in West-Berlijn hadden gekidnapt.


Een jaar later werd Brandt in de DDR in een geheim proces veroordeeld tot dertien jaar gevangenis.
In mei 1964 werd Brandt vrijgelaten, na aanhoudende protesten van de internationale gemeenschap, van Amnesty International, en van Bertrand Russell persoonlijk.

Brandts politieke autobiografie vertelt onder andere over zijn tijd in het DDR-gevangenis - en daarvoor in Auschwitz- , maar ook over Brandts engagement in een groep van socialisten en communisten, allemaal geboren voor de Eerste Wereldoorlog, die de Russische revolutie en de machtsovername van Stalin en Hitler hebben meegemaakt, en die nooit het vervalste socialisme van links en rechts hebben geaccepteerd, en daarom in oppositie tot zowel Stalin alsook Hitler stonden.


Deze generatie socialisten is inmiddels bijna vergeten. De meeste van hen werden geliquideerd. Wereldwijd heerst nu een liberaal-capitalistisch cymisme.”


Dit schreef Fromm in de jaren ’70- maar het cynisme is sindsdien nauwelijks minder geworden.

Een van de belangrijkste boeken voor mij, de basis van mijn denken en doen, is Peter Sloterdijks Kritik der zynischen Vernunft, en Sloterdijk staat wederom in de traditie van de jood en humanistische socialist Walter Benjamin)

Zie Walter Benjamin en Peter Sloterdijk zie Over Duitse filosofie

 

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------


Alfred Rosenberg en Nietzsche


Alib schreef  over de nazi Alfred Rosenberg . Ik zal hier in aansluiting aan de Leidse wetenschapper Jaap Hagen ("Nietzsches weerklank in Nazi-Duitsland") een paar belangrijke uitspraken van Rosenberg over Nietzsche aanhalen. Rosenberg is een van de nazi’s die Nietzsche ( ten onrechte) als nazi te beschouwden:


“Nietzsche, stelt Rosenberg, was de Prometheus van zijn tijd. Centraal in zijn denken staat de vraag of grootheid tegenwoordig nog mogelijk is. Zijn fakkel doorlichtte de donkerste heoken van zijn tijd. Eeen gevaarlijke fakkel, want hij dreigde met zijn analyse van vermolmde tradities ook de brug van het verleden naar de toekomst in brand te zetten. De ware betekenis van Nietzsches werk openbaarde zich pas n het verloop van de geschiedenis. Eerst de huidige tijd stelt de lezer in staat deze ‘wegwijzer ‘naar zijn verdiensten te waarderen. Nietzsche wist als Pruisisch soldaat in 1871 wat zijn plicht was. En als de grootste geest van zijn tijd wist hij ook dat alleen groot lijden grootheid kan vestigen. Een rangordening die zich baseert op ‘harde voorname persoonlijkheid’ moet het grootste in de mens weer mogelijk maken. Nietzsches herwaardering aller waarden richt zich tegen de klassenstrijd en de beurspiraten van het liberalisme. Tegenover een verhouding van werknemers en werkgevers plaatst Nietzsche de verhouding van soldaten tot de Führer. Eerder dan anderen voorzag hij een beslissende oorlog wereldbeschouwingen, waarin en strijd van leven op dood wordt aangegaan, tegen al het minderwaardige en gemeenschapsvreemde[…] In de nieuwe levensrangordening, zo besluit Rosenberg, verhoudt Nietzsche zich tot het nationaal-socialisme als een ;nabije verwante’ en ‘geestelijke broeder’. "(p. 104 f.)

Rosenberg maakt naar mijn mening misbruik van Nietzsche.
1. Nietzsche was een filosoof van de kunst, niet van de politiek.
2. Nietzsche haatte militarisme.
3. Nietzsche verzette zich tegen het sociaal-darwinisme- het fundament van het nazisme.

Een belangrijk Nietzsche –citaat:
“[...] in der Natur herrscht nicht die Nothlage, sondern der Ueberfluss, die Verschwendung, sogar bis in’s Unsinnige. Der Kampf ums Dasein ist nur eine Ausnahme, eine zeitweilige Restriktion des Lebenswillens, der grosse und kleine Kampf dreht sich allenthalben um’s Uebergewicht, um Wachsthum und Ausbreitung, gemäss dem Willen zur Macht, der eben der Wille des Lebens ist.”( Die fröhliche Wissenschaft, 5,349, S. 245 f. )

Het sociaaldarwinisme verdedigt het recht van de sterkste. Sociaaldarwinisme is pseudowetenschap, heeft NIETS te maken mee het darwinisme. Dat zag Nietzsche heel goed.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Adolf_Eichmann_en_het_zionisme; Eichmann en Willem van Sassen

 

 

http://www.passagenproject.com/

 

[Vervolg op mijn Eichmann-blog van gisteren, zie hieronder]

 

Een van de vele moeilijke hoofdstukken in het leven en streven van Eichmann is zijn intense samenwerking met de zionisten.

 

Voordat Eichmann tot organisator werd van de Holocaust zette hij zich lange tijd in voor een emigratie van alle joden naar Palestina. Hiervoor werkte hij nauw samen met zionisten.

David Cesarani in zijn Eichmann-biografie:

 

“[Men] wilde ernaar streven 'het joodse vraagstuk' in Duitsland op te lossen door een ordentelijke joodse emigratie naar Palestina te bepleiten. In 1936 en 1937 had Eichmann intensieve contacten met joden binnen de zionistische be­wegingen in Duitsland. Hij had een ontmoeting met Feivel Polkes, een Palestijnse jood, die voorstelde dat de nazi's en de zionisten zouden samenwerken om de joodse emigratie te bevorderen. In november 1937 reisde Eichmann naar het Midden-Oosten om deze mogelijkheid te onderzoeken en hij bracht een kort be­zoek aan wat later de staat Israel zou worden. In deze fase combineerde hij een re­latiefwelwillende kijk op het zionisme met een traditioneel antisemitisch wereld­beeld.” (p 17)

 

“Recentelijk opgedoken rapporten en lezingen die hij in 1937 schreef, tonen hem in de greep van een fantasie waarin sprake is van een wereldomvattende jood­se samenzwering tegen Duitsland. Eichmann zag, net als zijn kameraden in de 5D, de joden als een 'vijandelijke' macht. Ditwas een buitengewoon onpartijdige, afgeleide vorm van jodenhaat die hem in staat stelde normale relaties met indivi­duele joden te onderhouden, in het bijzonder met zionisten, terwijl hij onver­moeibaar werkte aan een plan het Rijk te bevrijden van zijn joodse inwoners en de strijd tegen de 'macht' van een mythisch, mondiaal jodendom.”

 

“In 1940 was Eichmann betrokken bij andere massa-verdrijvingen en hij ont­wierp plannen om vier miljoen Europese joden naar Madagaskar te deporteren.”

Eichmann noemde zichzelf zelfs de nieuwe Herzl.

 

“Eichman zag zichzelf in die tijd zeker niet als een jodenmoorde­naar. Hij was nog steeds een voorstander van joodse emigratie en hij werkte het hele jaar 1940 samen met zionistische groeperingen en joodse mensensmokke­laars die heimelijk joden naar Palestina zonden” (p 19)

 

“Nieuw onderzoek ont­hult dat de voorbereidingen voor het proces [in Jeruzalem] aan politieke bemoeienis waren onderworpen. De Israëliërs ontweken gevoelige zaken zoals het contact tussen de zionisten en Eichmann in de jaren dertig en de onderhandelingen over het lot van de Hongaarse joden in 1944 waarbij Ben-Goerion zelf was betrokken.” (p 24)

 

De samenwerking tussen nazi’s en zionisten is een donker hoofdstuk in de geschiedenis, ook is het nog zo goed te begrijpen dat de joden een veilige plek zochten.

 

 

 

Ik heb mij eerder in ander verband bezig gehouden met de problematische geschiedenis van het zionisme, waarbij ik met racistische en antisemitische gedachten bij Max Nordau, de tweede man van het zionistisch verbond na Theodor Herzl.

 

Ik heb met schrik vastgesteld dat Hitlers begrip van de “ontaarding” en “ontaarde kunst” een denkbeeld was die op 1000 pagina’s was uitgewerkt door een jood, de zionist Max Nordau.

 

Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoi, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.

De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierswerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau  het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit "maatschappelijke ongedierte" moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.

Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde "Muskeljuden" . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.

Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: 'Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004) 

Tot besluit: ik zeg NIET dat alle zionisten fascisten zijn of erger. Er zijn zeer verschillende vormen van zionisme.

Ik zeg alleen dat ook de geschiedenis van het zionisme donkere hoofdstukken bevat.

 

Literatuur: Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani 

Zie ook hier over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis

 

 

 

 

 

Begin

 

Adolf Eichmann en de Nederlandse nazi Willem Sassen

Eichmann staat opnieuw in het middelpunt van de openbare aandacht, door het openbaar worden van nieuwe feiten en nieuw archiefmateriaal, en door de grote tentoonstelling in Berlijn.


Eichmann is als de gewone mens die de massavernietiging administratief heeft uitgevoerd de icoon geworden van de “banaliteit van het kwaad”. Op dit begrip van Hannah Arendt is veel kritiek geweest, zie bijvoorbeeld het artikel van Peter Giesen in de Volkskrant van 9 april.


Nieuw onderzoek toont aan dat Eichmann geenszins de passieve nazi-pop was tot welke bijvoorbeeld Harry Mulisch hem in “De zaak 40/61” heeft gemaakt. Zoals de biograaf David Cesarani beargumenteert was Eichmann aan de ene kant een gewoon mens, geen satan (die de Israëlische aanklager van hem wilde maken) en was ook tijdens grote delen van zijn carrière geen uitzonderlijk fanatieke antisemiet. Eichmann was een vooral conventionele man, een opportunist en carrièrist, die met de tijd een aantal bewuste historische keuzes heeft gemaakt die hem uiteindelijk in feite een monster lieten worden.


Toen ik het boek van Cesarani las was ik verrast door een detail in Eichmanns leven waar ik weinig van wist: Eichmanns relatie met de Nederlandse nazi en Waffen-SS man Willem Sassen.

 

Cesarani: “Sassen was in België bij verstekvoor oorlogsmisdaden veroordeeld, maar bereikte in september 1948 op een schoener, en onder de schuilnaam Jacobus Jan­sen, Argentinië, Daar paste hij naadloos in het milieu van oud- SS’ers. Hij werd re­dacteur van de nieuwsbrief Der Weg, die zich richtte op de gemeenschap van nazi­emigranten. Der Weg […] was zo extreem rechts dat zelfs Perón kon worden overgehaald de publicatie ervan te verbieden”.


“Behalve als journalist verdiende Sassen ook als ghostwriter voor oud-SS'ers en hij werkte regelmatig met Eberhard Fritsche, een voormalig mede­werker van het nazistische rijksministerie van Openbare Voorlichting en Propa­ganda en een van Goebbels naaste medewerkers, die nu directeur van Durer­ Verlag was en nauw samenwerkte met Ludwig Freude. In 1955 of 956 stelde hij, met medeweten van Fritsche, Eichmann voor dat ze samen zouden werken aan een volledig verslag van de Endlosung. Het zou de 'waarheid' vanuit het nazi­standpunt vertellen en hun aardig wat geld opleveren. De bedoeling was Eich­manns herinneringen op band op te nemen, daarbij geholpen door hedendaagse documenten en aangevuld met expertise uit de SS-gemeenschap. De banden zou­den vervolgens worden uitgewerkt tot een authentiek verslag van de gebeurtenis­sen van iemand die daarbij een centrale rol had gespeeld.” ( p 225).


Volgens Cesarani hadden  Eichmann en Sassen echter elk hun eigen bedoelingen, die in feite niet met elkaar strookten. Eichmann werd volgens Cesarani gedreven door ijdelheid en was verbolgen dat zijn eigen rol in de geschiedenis niet echt was opgemerkt.

 

“Sassen daarentegen wilde de joodse en Israëlische aanspraken op herstelbetalingen van Duitsland ondermijnen en de verantwoor­delijkheid van de Duitsers voor de massamoord op de joden bagatelliseren. Een van zijn belangrijkste doelstellingen was het aantal slachtoffers van de genocide verlagen. Het andere was Hitler van blaam te zuiveren. Dus waar Sassen het aantal naar de vernietigingskampen gedeporteerde joden omlaag wilde brengen, wilde Eichmann maar al te graag over zijn succes opscheppen.”

“Ondanks beweringen dat Eichmann niet antisemitisch was, de joden niet per­soonlijk haatte en nogal wat joodse medewerkers had, liet hij zich op andere rno­menten kennen als een in alle opzichten onveranderde, geen berouw tonende na­zi. 'Nee, ik heb nergens spijt van en ik ben zeker niet van plan in te binden. In de vier maanden waarin je alles weer boven hebt gehaald, waarin je hebt gepoogd mijn geheugen op te frissen, is weer een heleboel bovengekomen. Het zou voor mij te makkelijk zijn en, gezien de huidige publieke opinie, al te begrijpelijk, het spel van Saulus-wordt-Paulus te spelen. Maar je moet weten dat ik dat niet kan omdat ik in de kern van mijn wezen weiger te erkennen dat we iets verkeerds de­den. Nee, laat me je in aIle eerlijkheid zeggen dat als van de 10,3 miljoen joden over wie (de statisticus) Korherr spreekt, zoals we nu weten, als we er 10,3 miljoen had­den vermoord, dan zou ik tevreden zijn. Ik zou zeggen: "Uitstekend. We hebben een vijand uitgeroeid". "

 


"Alles bijeen namen Sassen en Eichmann in vijf maanden tijd niet minder dan zevenenzestig banden op. Hiervan werd een typo script van 695 pagina's ge­maakt waaraan Eichmann nog tachtig pagina's handgeschreven aantekeningen toevoegde."

 

Sassen schreef artikelen voor Der Stern en Life, die later, ondanks Eichmanns protest, als bewijsmateriaal bij het Jeruzalemproces werden gebruikt. Maar de banden zelf met de gesprekken tussen Sassen en Eichmann werden pas zo laat als bewijsmateriaal voor het proces aangedragen, dat de rechters alleen maar een heel klein gedeelte van het materiaal als bewijsmateriaal toelieten namelijk Eichmanns handgeschreven aantekeningen en kanttekeningen.

 


 

Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani, citaten p 225 ff.

 

Zie ook over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis

 

 

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits