Christiaan Huygens: Cosmotheoros/ Wereldbeschouwer

 

Dit is een verzameling van weblogs over Christiaan Huygens

Hieronder alleen teksten uit 2011, nog veel meer over Christiaan Huygens staat op mijn blog (klik hier)

Maria Trepp

Contact

 

 

Inhoud

Inleiding. 1

“Cosmotheoros”, een overzicht over de inhoud. 1

Christiaan Huygens’ Cosmotheoros: een lange brief aan zijn broer Constantijn. 1

Christiaan Huygens sterrekind. 1

Christiaan Huygens en de ringen van Saturnus. 1

De topografie van de maan: nu en in de tijd van Christiaan Huygens. 5

Saturnus en zijn ringen van ijsbrokken. 9

Het schouwspel van Maans- en Zonsverduisteringen bij Johannes Kepler en Christiaan Huygens. 12

Jezus en de buitenaardse wezens. 20

Astronomie en astrologie in de 17e eeuw.. 22

Hoogachting voor dieren: Christiaan Huygens versus Descartes. 25

Ironie over buitenaards leven. 25

Christiaan Huygens en de oppervlakte van Mars; Syrtis major. 25

Christiaan Huygens over de schoonheid van de Aarde, planeten en het Heelal. 25

Christiaan Huygens en zijn vader Constantijn over kometen. 25

Christiaan Huygens en de planeet Venus. 25

Christiaan Huygens en Immanuel Kant over Hermapolieten/Mercuriusbewoners . 25

Christiaan Huygens over voortplanting en boomganzen . 25

Ruimtereis creëert pacifisme volgens Christiaan Huygens en Lodewijk vd Berg

Christiaan Huygens, Salomon Coster en het patent op het slingeruurwerk

Leidse Sphaera en het Huygens planetarium

Literatuur. 25

 

 

Inleiding

 

Als germaniste met moedertaal Duits heb ik twee boeken van Vincent Icke over Christiaan Huygens vertaald, De ruimte van Christiaan Huygens en Christiaan Huygens in de onvoltooid verleden toekomende tijd. Op deze manier heb ik een goed overzicht verkregen over het werk van Huygens. Icke schrijft veel over Huygens’ laatste tekst die pas na zijn dood is verschenen, een filosofische tekst met de titel “Cosmotheoros” of “De wereldbeschouwer”. “Cosmos” is het Heelal en “theoros” is in het Grieks “de beschouwer” - het woord “theorie” is van Grieks “beschouwen” afgeleid. Huygens zelf is dan ook de beschouwer die met zijn telescoop naar de sterren kijkt, én de theoreticus die het onzichtbare berekent.

Huygens’ laatste tekst Cosmotheoros, geschreven in het Latijn, heeft zeer veel interesse gewekt, en werd snel in veel talen vertaald: Nederlands, Engels, Duits, Zweeds, Frans, Russisch. Huygens was internationaal bekend, hij was lid van zowel de Engelse Royal Society (opgericht in 1662) als de Franse Académie des Sciences (opgericht in 1666) en heeft jarenlang als lid van de Académie en met een jaargeld van de Franse koning in Parijs gewoond.

 

De Latijnse, Franse, Nederlandse en de Duitse versies van Cosmotheoros zijn op internet te vinden, maar de Duitse versie is voor moderne lezers onbegrijpelijk. Ook de Nederlandse tekst is redelijk moeilijk te lezen, maar de Duitse versie kan eigenlijk van moderne lezers niet meer begrepen worden. Daarom heb ik een moderne Duitse hervertaling gemaakt, en heb ook in voetnoten uitvoerig uitleg gegeven over personen, context, wetenschappelijke feiten enz. Ook heb ik een uitgebreide inleiding voor de hele tekst geschreven.

Cosmotheoros is een fascinerende tekst: het gaat hier om een vroege vorm populairwetenschap, en ook om een vroege vorm van wetenschapsfictie, science fiction. De tekst geeft de lezer een beknopte toegang tot het leven en werk van Christiaan Huygens, omdat Huygens de meeste belangrijke mensen en samenwerkingpartners uit zijn leven noemt. Hij noemt wetenschappers die hem sterk hebben beïnvloed, zoals Galilei en Kepler, maar ook zijn samenwerkingspartners zoals zijn broer Constantijn junior en de Italiaans –Franse astronoom Domenico Cassini. Zeer belangrijk is Huygens’ eigen positionering tegenover Descartes en tegenover Newton, waarmee de Cosmotheoros dan ook eindigt: een scherpe afbakening tegenover Descartes, en een open deur naar Newton.

In Cosmotheoros verwijst Huygens ook naar zijn eigen belangrijke teksten, zoals bijvoorbeeld zijn schrift over de maan Titan en de ringen van Saturnus (Systema Saturnium), zijn schriften over telescopen en optica en zijn beroemde publicatie over het licht.

Zo gezien is de Cosmotheoros Huygens’ intellectueel testament.

 

“Cosmotheoros”, een overzicht over de inhoud

 

De tekst heeft volgende hoofdthema’s:

·        de onderbouwing en illustratie van het Copernicaanse stelsel (dat in die tijd nog geenszins algemeen aanvaard was)

·        de gedetailleerde beschrijving van het zonnestelsel: astronomische gegevens (baan en rotatie, manen) en fysieke eigenschappen (atmosfeer, oppervlakte) van zon, planeten en manen; het perspectief vanuit de verschillende planeten en manen op de andere hemellichamen. Daarbij komen moderne wetenschap en gedachtenspel samen. Grote nadruk ligt op de schoonheid van de Aarde en de Cosmos, en het genot van de wetenschapper

·        de nauwkeurige opsomming van alles wat op aarde leeft en groeit en van wat de mens allemaal kan, inclusief technische vondsten door Huygens zelf en zijn tijdgenoten: telescoop, microscoop, slingeruur.

·        de gissing over intelligente planetenbewoners die vermoedelijk niet minder presteren dan de mens

·        beschouwingen over oorlog, vrede, moraal, godsverering

·        de meting van de afstand tot de andere sterren die als zonnestelsels met planeten worden beschreven.

 

Personen die herhaaldelijk worden genoemd en kritisch worden besproken zijn Kepler, Descartes, en de jezuïet Athanasius Kircher. Ook Giordano Bruno wordt meerdere keren genoemd, net als de astronoom Domenico Cassini.

 

Christiaan Huygens’ Cosmotheoros: een lange brief aan zijn broer Constantijn

De laatste tekst die Christiaan Huygens (1629 - 1695) schreef, het filosofisch schrift “Cosmotheoros” of “Wereldbeschouwer” (1698, postuum gepubliceerd), heeft de vorm van een brief aan zijn oudere broer Constantijn jr. , geboren 1628 – een jaar voor Christiaan -, en gestorven 1697, twee jaar na Christiaan.

Titelpagina Cosmotheoros
De titelpagina van de “Cosmotheoros” vermeldt de geadresseerde broer Constantijn als secretaris van stadhouder-koning Willem III. Toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd, werd Constantijn jr. aangesteld als zijn secretaris. In de Cosmotheoros-brief klaagt Christiaan Huygens dan ook over de lange afwezigheid van Constantijn in Engeland, en betreurt deze afwezigheid, omdat de broers -die verbonden waren door een hechte vriendschap en wetenschappelijke samenwerking - dan niet verder konden werken aan hun telescopen en niet samen naar de sterren konden kijken.

Christiaan (links) en Constantijn Huygens jr Christiaan Huygens schrijft een lange brief, om zijn broer te verheugen met een tekst over “buitenaardse” dingen, maar het is duidelijk - en Christiaan schrijft het ook zelf- dat de tekst ook voor andere geïnteresseerden is bedoeld. De tekst hoort thuis in een hele reeks van 17e-eeuwse populairwetenschappelijke publicaties die het Copernicaanse systeem wilden ondersteunen. Christiaan herinnert zijn broer in deze openbare brief aan het gemeenschappelijk vervaardigen van lenzen en van telescopen, en aan het plezier dat de broers daarmee hadden. Hij herinnert zijn broer ook aan de steeds langere telescopen die de beiden samen hadden gebouwd. De broers maakten telescoopobjectieven met steeds grotere diameter en brandpuntsafstand. Omdat deze zeer lange telescopen onder hun eigen gewicht verbogen leidde dat tot hun uitvinding van de buisloze telescoop: het objectief was op een paal gemonteerd; het oculair was op een statief geplaatst.

Wikipedia: “Constantijn presenteerde in 1690 een objectief met een diameter van 190mm, en een brandpuntsafstand van 37,5 m aan de Royal Society[4], die nog steeds zijn handtekening draagt. De Royal Society heeft ook twee andere zeer lange brandpuntsafstand telescoopobjectieven verworven in 1725, beide gemaakt door Constantijn.”

Van de site van het Museum Boerhave kan een publicatie worden gedownload “Een vernunftig geleerde”, over de technische vondsten van Christiaan en Constantijn Huygens.
Uit het hoofdstuk over “Kijkers”: “Sterrenkijkers zouden Christiaan Huygens gedurende zijn hele leven fascineren. Per slot van rekening was zijn faam te danken aan de ontdekking van de helderste maan en de ring van Saturnus. Die had hij waargenomen met kijkers waarvan hij de lenzen samen met zijn broer Constantijn had geslepen.” “Naarmate beide broers de lenzenslijpkunst beter onder de knie kregen, werden hun kijkers steeds langer. Een kijker van 23 voet volgde in het najaar van 1655 en nog langere zouden in de daaropvolgende jaren gemaakt worden. Vooral tussen 1683 en 1687 slepen zij veel lenzen voor kijkers met grote brandpuntafstanden, tot wel 210 voet toe.

In eerste instantie ontwikkelden de gebroeders Huygens steeds langere kijkers om grotere hoekvergrotingen mogelijk te maken, maar zij probeerden tegelijkertijd ook de hinderlijke kleurschifting (chromatische aberratie) in hun lenzen te beperken.”


Christiaan Huygens sterrekind

 

Christiaan Huygens was een sterrekind, in meer dan één opzicht. Zijn vader Constantijn sr. (1596 - 1687), beroemde dichter een staatsman, noemde Christiaans moeder Suzanna van Baerle (1599 – 1637) “Sterre” en schreef veel gedichten aan haar:

AEN STERRE

’Khebb tongen t’ mijn’ verdoen: ’khebb dorpen min dan Steden
Ten uytvoer van mijn’ saeck beleefdelick bereidt;
’Khebb vrienden, in getal, als ’tsand ten oever leit,
In aensien, menighmael meer waerd dan mijn’ gebeden;
(5) ’Khebb, hadden’t andere, sij wisten ’t te besteden
Ten plaester yeder een van sijn’ afsienlickheid;
Maer, ô mijn laeste keur van nu in eewigheid,
Voor haer gemeene gonst verkies’ ick verr uw Reden;
Uw’ reden, en alleen uw’ reden soeck ick aen;
(10) Verbiedt ghij mij die door om t’uwent in te gaen,
’T sal noyt mijn’ trachting zijn van sijdweghs in te delven.
Neen, Sterre, ’kben jalours van wat u eigen is,
En wie wat met u deeldt maeckt dat ick ’tmijne miss,
Soo soeck ick u alleen te dancken voor uw selven.

 

 

Suzanna van Baerle en Constantijn Huygens, ouders van sterrekind Christiaan

 

Christiaan Huygens en de ringen van Saturnus

Vandaag 14-12-2010 staat een artikel in de NRC over nieuwe onderzoeksresultaten betreffende de ijsringen van Saturnus.

Het artikel gaat over het feit dat de ringen van Saturnus voor 90% uit ijsbrokken bestaan, die vermoedelijk afkomstig zijn van de ijsmantel van een ooit uit elkaar gebroken maan.

Grappig genoeg opent George Beekman, auteur van het NRC-artikel, met de zin:

“Ruim 350 jaar geleden zag Christiaan Huygens ze voor het eerst: de ringen van Saturnus.”

Beekman heeft blijkbaar noch Huygens zelf en zijn fascinerende en toegankelijke tekst over Saturnus gelezen (die niet alleen in het Latein en Frans maar ook in het Nederlands op internet te vinden is), noch de nieuwe leuke publicaties over Christiaan Huygens van de Leidse astrofysicus Vincent Icke (...tenminste als Beekman wil zeggen dat Huygens de eerste was, die de ringen zag...).

Huygens heeft de ring(en) van Saturnus namelijk niet ontdekt, maar deze als eerste correct beschreven.

Huygens zelf geeft in zijn hoofdstuk “De schijngestalten van Saturnus” (de volledige tekst staat op de site van de Universiteit Utrecht) een overzicht over de "monsterachtige" waarnemingen en de figuren van Saturnus die anderen, zoals Galilei, voor hem hebben gemaakt:

 

 Christiaan Huygens: De schijngestalten van Saturnus (1659)

 

"Ik ga dus nu over tot het tweede deel van de Systema, waarin ik de reden geef voor de onbestendige en steeds wisselende vorm van Saturnus, en vervolgens ook aangeef in wat voor periode de afzonderlijke veranderingen plaatsvinden. Enkele daarvan die zich aan ons voordeden heb ik boven al uiteengezet, maar deze omvatten slechts een gedeelte van de periode. Om vast te stellen dat de volledige verscheidenheid aan verschijningen afhangt van de oorzaken die wij aanwijzen, zal het nodig zijn tevens waarnemingen van andere tijden te bestuderen, zoals ze in de afgelopen veertig jaar of langer door ettelijke mensen zijn gepubliceerd. Als ik echter al de vormen van Saturnus die zij voor onze ogen aftekenen bezie bevind ik ze zo veelvuldig en wonderlijk, dat als het er om gaat een hypothese op te stellen die van al die vormen rekenschap aflegt, naar mijn mening niemand in staat zou zijn er een te bedenken. Want voor dergelijke veelvuldige monsterachtige omzettingen valt geen enkele oorzaak aan te wijzen, tenzij dat het complete lichaam van Saturnus steeds weer een nieuwe vorm aanneemt, wat elke schijn van geloofwaardigheid mist. We moeten uit die waarnemingen dus een keuze maken en onderzoeken welke geloof verdienen, en welke integendeel als verdacht moeten worden verworpen. Nu hebben wij met onze kijkers de begeleider van Saturnus als eerste aan het licht gebracht [Huygens bedoelt de maan Titan die hij heeft ontdekt, M.T] en telkens als wij willen kunnen wij hem duidelijk ontwaren. Het lijkt ons daarom redelijk er bij het schiften van de waarnemingen van uit te gaan dat onze kijkers de voorkeur genieten boven die waarmee anderen, ook al waren ze dagelijks bezig met het waarnemen van Saturnus, niet in staat waren tot die ster door te dringen. Wanneer dus op hetzelfde tijdstip door onze kijker en de hunne verschillende schijngestalten werden vastgesteld, moeten onze waarnemingen aangaande de vorm van de planeet voor waarachtiger worden gehouden. De bijgevoegde tabel toont alle schijngestalten zoals wij ze uit de verschillende schrijvers hebben overgenomen.

 

http://www.passagenproject.com/christiaan_huygens_systema_saturnium_schijngestalten_saturnus.jpg

 

De eerste van deze gedaanten is degene die Galilei optekende in 1610, waarin Saturnus drievoudig wordt gezien, met twee kleinere cirkeltjes aan beide kanten van een grotere. Ook vele anderen hebben deze gedaante gezien, of meenden in elk geval dat ze hem gezien hadden. Want als ze langere kijkers hadden gebruikt, voorzien van betere lenzen, zouden ze zonder twijfel in plaats van dit drievoudige bolvormige uiterlijk hetzelfde resultaat hebben verkregen dat wij, zoals wij zeiden, hebben gezien in 1655 en opnieuw op 13 oktober van het volgende jaar. Dat leiden wij immers daaruit af dat wanneer zich aan hen de twee flankerende bolletjes voordoen, onze kijkers ons in de lengte uitgestrekte armen vertonen. Zo gebeurde het in april en mei van datzelfde jaar 1655, toen die uit drie bollen samengestelde vorm werd waargenomen door Hevelius en Riccioli. Om duidelijker hard te maken dat ze het zo zagen vanwege de geringe grootte van de kijkers, hebben wij dit ook zelf beproefd en ondervonden dat telkens als wij Saturnus met een kortere kijker, van bijvoorbeeld vijf of zes voet, bekeken, in plaats van de genoemde armen twee bollen verschenen. Insgelijks toen hij deze schijngestalte in 1658 weer had aangenomen.”

Huygens gaat dan door met het bespreken van de verschillende schijngestalten die anderen hebben waargenomen en legt dan "de ware gestalte" van Saturnus uit. Saturnus heeft een ring om zich heen, die vanuit verschillende hoeken wordt gezien en dus in verschillende schijngestalten en vormen wordt waargenomen.

 

http://www.passagenproject.com/ware_gestalt_saturnus_christiaan_hygens.jpg

Christiaan Huygens, De ware gestalte van Saturnus.

 

Vervolgens legt Huygens in tekst en beeld uit hoe Saturnus staat ten opzichte van de aarde tijdens zijn omloop om de zon, en hoe hij daarbij uitziet.

 

http://www.passagenproject.com/schijngestalten_saturnus_verklaring_christiaan-huygens.jpg

De schijngestalten van Saturnus verklaard door Christiaan Huygens

In het centrum van de afbeelding staat de zon, daaromheen draait de aarde, en daaromheen draait Saturnus. De buitenste ring laat de schijngestalten van elke positie zien: maximale opening van de ring op de punten A en C; en Saturnus schijnbaar zonder ring in de punten B en D, als men vanuit aarde de zijkant van de ring ziet. Waarom de ring dan helemaal verdwijnt, en niet tenminste een heel klein beetje zichtbaar is, daarover werd hevig gestreden.

Huygens schrijft in de tekst hierboven zijn eigen betere verklaring van de ring toe aan zijn betere kijker, maar Vincent Icke is in zijn boekjes over Huygens van mening dat Huygens geen betere telescoop had dan anderen, en alleen door zijn superieur theoretisch begrip de ringen beter kon waarnemen.

2. De topografie van de maan: nu en in de tijd van Christiaan Huygens

 

NASA heeft december 2010 een nieuwe nauwkeurige maankaart gepresenteerd.

Een mooie gelegenheid om ook eens met de ogen van de 17e eeuw, dus uit het perspectief van de tijd van de eerste telescopen, naar onze maan te kijken.

De eerste mens die de maan een beetje meer in detail kon zien en de maan mooi gedetailleerd heeft getekend was Galilei (zie hieronder links)

 

http://www.passagenproject.com/galileos_moon.jpg

 

 

 

zie mijn blog hierover De sterrenbode: Galilei en de telescoop.

In 1647 publiceerde de Duits-Poolse astronoom en burgemeester van Danzig/ Gdansk Johannes Hevelius (een belangrijke briefpartner van Christiaan Huygens), een atlas van de maan:  Selenographia sive Lunae descriptio.

 

http://www.passagenproject.com/maan-mond_johannes_hevelius_selenographia_1645.png

 

Hevelius, Selenographia

 

Dit werk bevat 133 zeer nauwkeurige kopergravures met kaarten van de maan en van de gebruikte astronomische instrumenten.

 

http://www.passagenproject.com/hevelius_elisabeth_koopmann.jpg

 

Johannes Hevelius en zijn vrouw Elisabeth Koopmann (genoemd "de moeder van de maankaarten") aan het observeren. Ik kom terug met een blog over haar, de eerste vrouwelijke astronoom.

Christiaan Huygens schrijft uitvoerig in zijn beroemde laatste tekst “Cosmotheoros” uit 1698 over de landschappen op de maan. Hij wijst de gedachte aan water op de maan af; hij schrijft dat de zogenoemde maanzeeën (maria) geen water bevatten, en hij beschrijft nauwkeurig de gaten van meteoritinslagen (zonder deze zo te benoemen natuurlijk).

Volgens Wikipedia zijn de maria eigenlijk grote vulkanische vlakten opgebouwd uit basalt.

Ook geeft Huygens aan, dat de maan geen atmosfeer heeft (dit in tegenstelling tot de van hem ontdekte Saturnusmaan Titan, maar dat kon Huygens toen nog niet weten).

[Uit Cosmotheoros, Nederlandse vertaling van  Pieter Rabus op de site van de Universiteit Utrecht]

Dit blijkt in onze Maan (zelfs met kleine Kijkers, drie of vier voeten lang) dat haar oppervlakte in vele gebergten, en wederom met zeer breede vlakke dalen verdeeld is. Want men ziet er de schaduwen der bergen aan die zyde, die zy tegen over de Zon hebben; en dikwils word men daar in zekere kleine dalen gewaar, die in bergtoppen, welke byna kringswijze staan, besloten zijn: daar dan weder een of meer bergjes in t midden uitsteken. […] ik vind er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [astronomen] het tegendeel gevoelen. Want in de groote vlakke landstreken, die veel duisterder als de bergachtige zijn, en welke ik zie dat gemeenlijk voor Zeen gehouden, ja met de benamingen van Oceanen verheerlijkt, worden, in die landstreken zelve, zegge ik, met een langer Verrekijker bekeken zijnde, bevinde ik, dat zekere kleine ronde holtens zijn, met binnen invallende schaduwen; en dat kan met de oppervlakte van de Zee niet over een komen: daarenboven die zelve ruime velden, als wy haar wat aandagtiger beschouwen, vertoonen geen oppervlak, dat geheel effen is. Zoo konnen het dan geen Zeen wezen, maar moeten bestaan uit een stoffe, zoo blank niet, als die, welke in de oneffener deelen is; waar in wederom sommige met een kragtiger ligt boven anderen uitmunten. Ook schijnt het my niet toe dat er eenige Rivieren in de Maan zijn: want zoo zij er waren, zy zouden de scherpzigtigheid van mijne Kijkglazen niet konnen ontslippen; ten minsten, indien zy, gelijk de meeste by ons, tussen bergen, of zeer hooge rotsen, stroomden. Daar zijn ook geen Wolken, waar uit regen zou spruiten, om aan de Rivieren vogt te verschaffen: want indien zij er waren, men zou dezelve dan het een, dan het ander Maangewest zien bedekken, en voor ons gezigt verbergen; t welk geenzins geschied, maar daar blijft een geduurige helderheid.

Het is ook blijkelijk, dat de Maan van zoodanig een Lucht, of Dampgewest, als rondom ons Aardrijk gaat, niet omringt word: om dat, zoo het daar ergens was, de uiterste rand van de Maan zoo nettelijk rondgetrokken niet zou schijnen, als ze dikwils door t onder heen gaan van eenige Starren gezien is; maar ze zou in een zeker verdwynend ligt, en gelijk als met een vezelachtigheid, eindigen: om hier nog niet te zeggen, dat de dampen van ons Dampgewest meerendeels uit waterdeeltjes bestaan, en derhalven, daar geen Zeen nog Stroomen zijn, dat daar geen overvloed van water kan opgetrokken werden. Dit groot  onderscheid, het welk tussen de Maan en onze Aarde gevonden word, laat ons naauwlijks toe iets daar van te gissen. Want zoo d er Zeen en Vloeden in gezien wierden, t zoude geen klein bewijs zijn, dat het overige cieraad der Aarde haar ook wel voegde, en dat het gevoelen van Xenofanes waaragtig was, zeggende dat de Maan bewoont wierd, en een Aardrijk was van vele steden en bergen. Maar nu dunkt my niet, dat in een dorre, en ganschelijk van water beroofde, grond Kruiden of Dieren konnen leven; dewyl die haar stoffe en voedsel uit vocht moeten krijgen.”

 

De nieuwste maankaart van de NASA is gebaseerd op gegevens van de Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO), die sinds een jaar om de maan draait, zie hierover www.astronieuws.nl en NASA's LRO Creating Unprecedented Topographic Map of Moon.

 

3. Saturnus en zijn ringen van ijsbrokken

 

Christiaan Huygens heeft als eerste beschreven dat de merkwaardige gestalte van Saturnus, die met telescopen werd waargenomen, moest worden toegeschreven aan een ring. De waarnemingen van Galilei en anderen leken erop dat Saturnus aanhangsels had, maar Huygens kon aantonen dat de ring Saturnus niet raakt, al lijkt het uit het perspectief vanuit aarde dat de ringen aan Saturnus als hengels of armen vast zitten. (Zie Christiaan Huygens en de ringen van Saturnus)

 

http://www.passagenproject.com/saturn-ringen.jpg

Ringen van Saturnus

 

Huygens had gelijk, en omdat hij zelf ook de toekomstige verschijningen van de Saturnus met of zonder armen kon voorspellen, afhankelijk van de positie van aarde en Saturnus ten opzichte van elkaar, gaven de meeste echte kenners hem ook gelijk.

Toch was er nog een controverse over de natuur van de ring. Huygens hield stug vol, dat de ring een schijf was van een bepaalde dikte. Dat schreef hij 1659 in Systema Saturnium, en schreef hij kort voor zijn dood 1695 nog eens in Cosmotheoros.

Vincent Icke schrijft in zijn boekje “De ruimte van Christiaan Huygens” (2009):

“Wij weten nu dat de ring geen vast lichaam kan zijn en eigenlijk had Huygens dat ook kunnen weten. Een van de regels van baanbewegingen, die ook hij kende, is de Derde Wet van Kepler: de omloopstijd rondom de Zon of een planeet neemt naar buiten toe af. De binnenkant van de ring zou dus veel sneller moeten draaien dan de buitenkant, waardoor zo'n groot lichaam uiteen gescheurd zou worden. Kleinere objecten kunnen die kracht wel weerstaan, maar ook dan is er iets van te merken: de getijden. De ringen van Saturnus zijn een flinterdunne wolk ijsgruis, zo plat dat een schaalmodel ter grootte van een bierviltje honderd maal zo dun zou zijn als een vel papier.” (p.68)

 Al in de tijd van Huygens hebben een aantal mensen geopperd dat de ring uit vele kleine objecten zou kunnen bestaan zoals “sterren van ijs” . Maar Huygens geloofde daar niet in.

 

http://www.passagenproject.com/ijsring_saturn_william_hartmann.gif

 

 

http://www.passagenproject.com/saturn_ring_ijs_artimpressie.jpg

 Artistieke impressies van het binnenste van de ijsringen van Saturnus

 

 

4. Het schouwspel van Maans- en Zonsverduisteringen bij Johannes Kepler en Christiaan Huygens

 

Vanochtend 21-12-2010 vond een totale maansverduistering plaats, al kon men het in Nederland niet goed waarnemen;  meer info klik hier  

Bij een totale en maansverduistering bevindt de maan zich in de schaduw van de aarde, de aarde staat dus tussen zon en maan.

 

http://www.passagenproject.com/2004_maansverduistering.jpg

Maansverduistering 2004

 

 

http://www.passagenproject.com/zonsverduistering_leiden_4-januari-2011.jpg

De duivel z'n horens aan de Leidse horizon: de eclips van 4 januari 2010

In Christiaan Huygens’ Cosmotheoros wordt op de grote betekenis van de maans- en zonsverduisteringen voor de geschiedenis van de astronomie gewezen: deze verschijningen zetten de mensen aan het denken.

De Oude Grieken concludeerden bijvoorbeeld dat de aarde een bol was omdat tijdens maansverduisteringen de rand van de schaduw altijd rond was.

Huygens had zich bij het schrijven van zijn wetenschapsfictie “Cosmotheoros” georiënteerd aan een wetenschappelijk-fantastisch verhaal van Johannes Kepler , “Somnium”. Ondanks veel verschillen tussen Cosmotheoros en Somnium zijn heel wat overlappingen te vinden. Beide verhalen “verkopen” het Copernicaanse systeem aan een breed publiek, met wetenschappelijke én imaginaire middelen. Beide boekjes  gebruiken een sterk pedagogische kneep om het zonnesysteem aanschouwelijk te maken:  zij plaatsen bewoners op planeten of manen en beschrijven in detail wat men vanuit een andere planeet, of vanuit onze maan kan waarnemen.

Zowel Kepler alsook Huygens beschrijven hoe de aarde (bij Kepler “Volva” genoemd) vanuit de maan uitziet. Maar Kepler neemt aan, dat op de maan water vloeit, en er ook fantastische levende wezens rondspoken. Huygens gelooft niet in water op de maan en is sceptisch tegenover de gedachte van maanbewoners.

 

Kepler schrijft daarom uitvoeriger over het perspectief “de aarde gezien vanuit de maan” dan Huygens, en hij geeft anders dan Huygens ook ruimte aan een schildering, wat de maanbewoners bij een maansverduistering zien: een partiële zonsverduistering.

Hier de passage uit Huygens’ “Cosmotheoros” van 1698 over wat men vanuit de maan van de aarde ziet. Huygens begint uit te leggen dat de bewoners aan de “achterkant” van de maan de aarde nooit zien, aan de “voorkant”deze altijd zien. Net als Kepler beschrijft hij ook dat de maanlingen de aarde in schijngestalten zien, en dat de aarde voor hun ogen rond draait, waarbij zij meer van de aarde kunnen zien dan mensen zelf konden zien ten tijde van Huygens.

 

http://www.passagenproject.com/aarde_vanuit_maan.jpg

Aarde vanuit de maan gezien

 

“De Maan-kloot is by henluiden [=eventuele maanbewoners, M.T.] in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien, zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voor komt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder [horizon] afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven. Daarenboven zien zy haar ook in ligt aangroeijende, en in den maandelijken omloop verminderd; en aldus by beurten vol, half, en tot hoornen verkleind, met dezelve verandering van gedaantens, die de Maan-kloot aan ons vertoont."

http://www.passagenproject.com/aardemaan.jpg

 Halve aarde, zie tekst

 

"Maar het ligt, dat de Maanlingen van onze Aarde krygen, is vyftienmaal grooter als dat wy van haar ontfangen; zulks dat zy in het beste Halfrond, na ons toegekeerd, uitstekende heldere nagten hebben: nogtans kan die helderheid hen geen warmte geven, schoon Kepler van andere gedagten was. De Zon gaat by hen op, en onder, yder van onze maanden eens, en dus hebben zy dagen en nagten vyftienmaal langer als wy, en met elkanderen eenparig in een geduurige nagtevening: door welke lange dagen, nademaal de Zon van henluiden niet verder af is als van ons, noodzakelijk moet volgen, dat die gene, by welke de Zon nog boven den Gezigteinder klimt, door een ongemakkelijke hitte gebraden werden, indien hunne lichamen zoo gevoelig als de onze zijn. By die genen nu, die omtrent de gezeide samengrenzingen van de Halfronden wonen, klimt de Zon wel meest; maar die daar verre van af zijn, en omtrent landstreken wonen, welke onder de Aspunten van de Maan leggen, zullen om die lange dagen niet meer warmte voelen, als de menschen, die in de Zomer by Ysland of Nova Zembla Walvissen vangen…”

      

 

6. Jezus en de buitenaardse wezens

 

 

 

http://www.passagenproject.com/buitenaardse_jezus.jpg

http://www.passagenproject.com/buitenaardsehelige.jpg

In de teksten over buitenaardse wezens treft men bijna altijd op ironie, vaak op onvrijwillige ironie. Descartes bijvoorbeeld moest zich uitspreken, gedwongen door de vrome Zweedse koningin Christina, over de vraag of Jezus ook voor eventuele aliens is gestorven. Hij vond van wel, al vond hij het veiliger om zich niet echt vast te leggen.  

Kort geleden heeft blijkbaar de door velen zo ongeveer heilig verklaarde Stephen Hawking gezegd dat de buitenaardsen ons wellicht vijandig gezind zijn, en wij ons dus maar beter niet konden melden bij hun. Shit, nu hebben we mensen tientallen jaren lang signalen uitgezonden, en dan komen de buitenaardsen ons voor dank maar vernietigen!

 

http://www.passagenproject.com/buitenaardswezen3.jpg

 

Christiaan Huygens schrijft in zijn Cosmotheoros (1698) uitvoerig over buitenaardse wezens. Hij is van hun existentie overtuigd. Daarom wordt Huygens weleens irrationale en onwetenschappelijke speculatie verweten.

Ik denk dat Huygens ten dele zeer bewust ironisch was in de dingen die hij over de planetenbewoners schrijft. Zeker geloofde hij in intelligent leven buiten de aarde. Maar hij gaat extreem ver door in detail, en schrijft de planetenbewoners juist alles toe wat hij zélf deed en kon, zoals telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziektheorie bedrijven. Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken.

Huygens stelt zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf - als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker - een Übermensch of een haast goddelijk wezen moeten zijn, die zijn gelijke in het gehele universum niet kent. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan ook aan de andere “Planetenbewoners” toe, met komisch-ironisch resultaat.

7. Astronomie en astrologie in de 17e eeuw

In zijn "Cosmotheoros"(1698) keert zich Christiaan Huygens scherp tegen de astrologie. Dit verbaasde mij omdat ik dacht dat astrologie en astronomie in de 17e eeuw nog goed samen gingen.

 

http://www.passagenproject.com/sterrenbeelden.jpg

 

Bij mijn speurtocht naar historische kritiek op de astrologie vond ik veel interessant materiaal. Niet alleen natuurkundigen zoals Descartes en Huygens keerden zich tegen de astrologische volksverlakkerij. Ik vond ook dat een aantal Lutherse dominees al in het begin van de 17e eeuw fel ten strijde was getrokken tegen de dwaalleer van de astrologie (voorbeeld: Henning Friedrich, Gründliche Widerlegung der Abergläubischen Astrologorum, 1624).

 

http://www.passagenproject.com/dierenriem.jpg

 

De indruk dat astronomie en astrologie nog goed samen gingen in de 17e eeuw ontstaat vooraal door Kepler en door Newton. Maar Kepler had een beperkend-kritische visie op astrologie, en Newton was blijkbaar weliswaar theoloog en alchimist, maar keerde zich toch tegen de astrologie. Wikipedia: “It is a commonly held belief among astrologers that Isaac Newton had an interest in astrology. However, Newton's writings fail to mention the subject and the handful of books in his possession that contained references to astrology were primarily concerned with other subjects such as the writings of Hermes Trismegistus (and mentioned astrology only in passing). In an interview with John Conduitt, Newton said that as a young student, he had read a book on astrology, and was "soon convinced of the vanity & emptiness of the pretended science of Judicial astrology".

 

Huygens schrijft in de Cosmotheoros:

 

“[…]de Starrekragtkunde [=Astrologie] om daar uit aanstaande dingen te voorspellen, welke geen wetenschap, maar een zekere ellendige dweepery is, achte ik niet noemenswaardig […]

 

http://www.passagenproject.com/athansius_kircher_ekstatische_reise.jpg

 Boos gaat Huygens tekeer tegen de jezuïet Athanasius Kircher, die astrologie en astronomie vermengt in zijn boek "Ekstatische reis' (titelblad zie hierboven):

“Van daar vervalt hy [Athanasius Kircher] tot nog andere grooter ongerijmdheden. Want om dat hy zelfs van de Dwaalstarren, in ons Stelsel begrepen, geen ander gebruik weet, keert hy zig tot overlang uitgestampte beuzelingen van de starrekijkers [=Astrologen] , en wil dat zoo vele en zoo groote gevaartens van lichamen ten dien einde gemaakt zijn op dat door haren Verscheiden, en door zekere wetten geregelden, invloed het Heelal behouden werde, en duurzaam blijve; en op dat dezelve invloejingen daarenboven ook op de gemoederen der menschen hare kragten zouden oeffenen. Hy [Athanasius] vertelt dan, ten welgevalle van de Voorzeggingkunst uit de Starren [=Astrologie], dat in de Dwaalstarre Venus hem een geneugelijke en schoone gedaante der dingen voorquam, met een liefelijk ligt, zoetstroomend Water, zeer aangename reuk, en van alle kanten schitterend kristal, In Jupiter een gezonde en zoetriekende Lucht, zeer helder Water, en zilverglanssige Aarde: namentlijk op dat van den invloed dezer twee Starren alle voorspoedige en heilzame dingen op de Aarde en de Menschen zouden afzakken; zulks dat ze die of mooy, en minnelijk, of tot voorzigtigheid, en deftigheid genegen, zouden maken. In Merkurius vond hy ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden. Maar in Mars vertelt hy alles vuil, verderfelijk, stinkend; vlammen, en rook van pik, gezien te hebben. In Saturnus niets als droevige, afschuwelijke, leelijke, en donkere dingen [...] "

 Dat vond Huygens natuurlijk het allerergste, dat onder de astrologen zijn geliefde schitterend mooie Saturnus in zo’n kwaad aanzien stond.

 

http://www.passagenproject.com/rubens_saturn1.jpg Hier links Saturnus van Rubens.

Hoogachting voor dieren: Christiaan Huygens versus Descartes

Christiaan Huygens is een Cartesiaan, ten minste, hij wandelt in de voetstappen van Descartes, met een “Mechanisering van het wereldbeeld”. Veel van Huygens’ onderzoeken en gedachten borduurt verder op de schriften van Descartes. In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) schrijft Huygens uitgebreid en kritisch over Descartes. Huygens was bevriend met de Duitse anti-cartesiaan Leibniz, en de gedachten van Huygens in de “Cosmotheoros” liggen zeer dicht in de buurt van Leibniz.

http://www.passagenproject.com/descartes_discours_de_la_methode.jpg

 

Woedend keert zich Huygens tegen de instrumentalistische visie van Descartes, uitgewerkt in zijn Discours de la Methode, dat dieren zielloze “automaten” zijn:

 

http://www.passagenproject.com/duck-automat-descartes.jpg

“[…] zekere nieuwe Wijsgeren [Te weten de Kartezianen], die alle andere Dieren, behalven den Mensch, alle gevoel ontnemen, der mate, dat zy die voor enkele van-zelfs-bewegende konststukken [Automata], of goochelpoppen [Neurospasta] willen gerekent hebben; welker ongerymde en harde meining ik verwondere dat van iemand kan aangenomen werden; voornamentlijk daar de Beesten zelve met haar stem, en met slagen te ontwyken, en alzins, het tegendeel toonen. Ja ik twijfele naauwlijks, of de Vogels voelen dat dat wonderlijk en aardig vliegen door de Lucht haar vermaakt; t welk zy nog meer zouden voelen, indien zy verstonden, hoe verre onze loome en lage gang voor haar snelheid en hooge vlugt moet wyken.” 

Maar Huygens gaat nog veel verder dan de meeste advocaten van de dieren. Hij wil de dieren zelfs boven degene mensen plaatsen, die een geroutineerd leven leiden:

“Mijns erachtens, voor zoo verre de menschen alleen bezig zijn, om hun zelven van noodige zaken te verzorgen; namentlijk dat zy tegen de ongemakken van de Lucht beveiligde woningen hebben; dat zy in vestingen besloten tegen hunne vianden wagt houden; dat zy hunne kinderen op voeden; en voor die, en voor hun zelven, de kost winnen; in dit alles schijnt het gebruik der Reden niets groots te hebben, waarom wy ons boven de redenlooze dieren zouden stellen: want zy doen de meeste van die dingen met meer gemak, en eenvoudigheid, dan wy; en sommige hebben zy niet van nooden. Wat anders dog maakt de bevatting [Sensus] van Deugd, en Regtvaardigheid, om welke wy terstond zeiden dat het menschelijk verstand [Mens] uitmuntte, desgelijks van Vriendschap, Dankbaarheid, en Eerlijkheid; dan dat daar door de gebreken der menschen worden tegengegaan, of het leven gerust en vry gemaakt word van t ongelijk dat men elkanderen aandoet? t welke onder de Beesten van zelfs, en door de leiding van de Natuur, geschied. By aldien wy nu ons voor oogen stellen de veelvuldige bekommeringen, t hartzeer, de begeerlijkheid, en vreeze des doods, welke altemaal onze Reden vergezelschappen; en indien wy die met het gemakkelijk, stil, en onnoozel, leven der Beesten vergelijken: zoo schynen de meeste derzelver, en voornamentlijk uit het geslagt der Vogelen, vermakelijker te leven, en een beter lot te genieten, dan de Menschen. Want wat de lijffelijke wellusten aangaat, de Beesten worden zonder twijfel daar door zoo wel bekoort als wy”

 Met andere woorden: de mens die alleen voor het noodzakelijke leeft, voor het alledaagse, heeft tegenover beesten een minderwaardige positie.

Ik kan Huygens geen ongelijk geven!

 

http://www.passagenproject.com/nico_shima.jpg

 Ik leer heel veel van mijn beesten Nico en Shima, en ze maken mij zeer gelukkig.

 

zie ook:

http://visit.webhosting.yahoo.com/visit.gif?&r=http%3A//us.1.p2.webhosting.yahoo.com/filemanager&b=Netscape%205.0%20%28Windows%3B%20nl%29&s=1024x768&o=Win32&c=24&j=true&v=1.2setstats

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Ironie over buitenaardse wezens

 

Vandaag 5-2-2011 schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”

 

Hij schrijft:

“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”


Zijn ironie is prachtig en herinnert mij aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.

Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.


Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros”  (hier de tekst online) lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

 


Alien astronoom

 


In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf - als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker - een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

 

Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.

 


Alien ontbijt

 

 

 

Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“

Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef - hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.

 


Alien Muziek

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Christiaan Huygens en de oppervlakte van Mars; Syrtis major

 

 

Christiaan Huygens heeft als eerste een oppervlaktedetail van een andere planeet beschreven, de Syrtis Major op Mars.


In zijn Systema Saturnium (1959) heeft hij geschreven en getekend:


“Ook in Mars heb ik in 1656 een enkele zone […] waargenomen, zeer breed, die het middelste deel van de schijf verduisterde, zoals de bijgaande afbeelding laat zien.”

Christiaan Huygens over de schoonheid van de Aarde, planeten en het Heelal

 

"Wetenschap en schoonheid" is een actueel thema (zie de tentoonstelling in het Museum Boijmans).


Het waarnemen en beschrijven van schoonheid is een hoofdelement in Christiaan Huygens’ laatste tekst, “Cosmotheoros” (1698, zie hier voor een uitvoerige inleiding en samenstelling van eerdere blogs).


“Cosmotheoros” is een lange brief van Christiaan Huygens aan zijn oudere broer Constantijn jr., Christiaans vriend, vertrouwde en naaste medewerker. In het begin van deze openbare brief geeft Huygens zijn motivatie om te schrijven. Hij haalt hierbij de astronoom Archytas aan, die had gezegd: By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen”.



Dus Huygens wil in zijn laatste tekst vooral vertellen over al de schoonheid die hij had waargenomen.

Hij beschrijft de schoonheid en de verzieringen (planten, beesten) op Aarde, en het vermogen van de mens om schonnheid te genieten: [De mens] bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; [hj] eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; [..] schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen.”


 

Tegelijk komt Huygens er altijd op terug: deze schoonheid kan niet alleen voorbehouden zijn aan onze Aarde; deze schoonheid zal zeker op de andere planeten en in andere sterrenstelsels ook te vinden zijn:

“Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde?”


En schoonheid alleen op de planeten is niet genoeg,  Huygens is er van overtuigd dat er ook bewoners moeten zijn die de schoonheid kunnen waarnemen: “[…] dat in die gewesten [=op de planeten]  aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen”.


 

 

En om schoonheid waar te kunnen nemen moet men kunnen zien (al schrijft Huygens later ook uitvorig over de schoonheid van muziek). Het vermogen om te zien is voor Huygens van hoogste waarde; bij de mensen, en bij de “planetenbewoners”, die naar zijn mening dus ook zeker ogen moeten hebben: ‘”En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.”


De ware schoonheid wordt naar Huygens niet door de naïeve beschouwer waargenomen, maar door de wetenschapper: “Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnigere denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten?”


Het criterium van schoonheid past hij toe als hij nadenkt over een soort water op andere planeten: het zou vanwege de schoonheid doorzichtig moeten zijn: “Ik zegge nogtans niet dat dat Water [op de planeten] het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is.”


Toch vindt hij dat men schoonheid niet met conventie moet verwarren. Als de planetenbewoners anders uitzien dan wij, dan mogen wij hun niet om esthetische redenen kleineren: “Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt, die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.”

 


We mogen ook niet denken, dat de “dwaalsterrelingen”, de planetenbewoners, alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen: “Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?



 

Ergerlijk vindt Huygens het, als men, zoals de jezuïet-astroloog Athanasius Kircher, alleen de planeet Venus schoonheid toe wil schrijven, en Huygens’ lievelingsplaneet Saturnus als vies en lelijk neerzet. Nee, juist de grote planeten Saturnus en Jupiter met vele manen, en Saturnus met zijn ring- die zijn pas mooi!


 

En Huygens besluit zijn laatste tekst “Cosmotheoros” met het beschrijven van andere sterrenstelsels:


“Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.”

Christiaan Huygens en zijn vader Constantijn over kometen

 

[17-2-2011] Kranten en blogs berichten over de NASA Stardust-missie langs de komeet Tempel 1- voor mij een gelegenheid om uit het perspectief van de zeventiende eeuw over kometen te schrijven.

In de zeventiende eeuw werden onge­wone natuurverschijnselen zoals kometen op een nieuwe wijze geïnterpreteerd.

Eric Jorink over deze tijdsperiode in “Van omineuze tot glorieuze hemeltekens”: “Overal in Europa werd de komeet door natuurfilosofen, theo­logen en leken nauwlettend gevolgd, en verschenen er honderden verhande­lingen waarin men speculeerde over de aard en - vooral- de betekenis van dit wonderbaarlijke hemelteken.”

Jorink citeert ook Christaan Huygens, die op 27 december 1680 vanuit de Académie des Sciences in Parijs aan zijn vader Constantijn schreef: "Ik heb nog nooit een komeet van een dergelijke grootte gezien. Vandaag was rondom het observatorium hier een enorme menigte mensen verzameld, die geloofde dat de astronomen dit verschijnsel konden verklaren, en de beteke­nis ervan konden geven".

En C.D. Andriesse citeert in zijn Huygens-biografie ook uit deze brief van Christiaan Huygens: “Er is al enige tijd sprake van een komeet, maar tot gis­teravond kon men hier niets zien. Tegen 5 uur, toen de hemel was opgeklaard, stond ze daar, verbazend helder en de erg lange staart (praktisch over de halve hemel) was markant. Zo'n sterke komeet heb ik van mijn leven niet gezien.“

Huygens senior wijdde een gedicht, Cometen-werck, aan het opmerkelijke fenomeen:

Ick vraegh, waer hoort sij thuijs die vreeslicke Comeet,

Daer elck soo veel af snapt en elck soo weinigh weet

Sij wandelt om en om: wie dreight sij meer of minder

Een Coningh sterft in 't Oost: daer over treurt men ginder.

Andriesse: “De vraag was of de komeet die in december ineens boven Parijs verscheen, ook al kort gezien was in november. [Huygens] dacht van niet. Evenals Giovanni Cassini en zovele anderen hield hij vast aan het vooroordeel dat kometen langs rechte lijnen gingen. Maar die van november was, langs de zon scherend, van rich­ting veranderd om een maand later weer in de buurt van de Aarde te komen. […] “

In zijn Cosmotheoros en ook in andere schriften valt Huygens Descartes aan, en diens hypothese over kometen, maar zelf had Huygens het ook niet goed doorzien. Het was Newton die in zijn Principia de parabolische baan van de komeet (later genoemd Halley-komeet) beschreef.

Jorink: “[…] de komeet van 1680-1681 wordt algemeen gezien als een keerpunt in het denken [over kometen]. In deze jaren publiceerden de Franse filosoof Pierre Bayle en de Nederlandse predikant Balthasar Bekker hun geruchtma­kende aanvallen op wat zij als achterlijk bijgeloof beschouwden. Hun destijds heftig omstreden geschriften worden dan ook veelal gezien als een radicale breuk met het verleden en als het begin van de Verlichting. Het werk van Bayle en Bekker wordt vaak in direct verband gebracht met de observaties die de befaamde natuurfilosofen Isaac Newton en Edmund Halley van de komeet verrichten. Na veel rekenwerken concludeerden de Engelsen dat deze een parabolische en dus voorspelbare baan moest doorlopen. Ook hun activiteit wordt gezien als een breuk met het verleden.”

Komeet in het het tapijt van Bayeux

Giotto, Komeet over de stal van Bethlehem

William Turner, Komeet, 1858

Wassily Kandinsky, Komet, 1900

 

Christiaan Huygens en de planeet Venus

 

In het Leidse Museum Boerhave wordt een selectie foto’s getoond uit de grote tentoonstelling “Schoonheid in de wetenschap” in het Museum Boijmans.


Een van de getoonde foto’s laat hoge resolutie radarbeelden van het oppervlak van de planeet Venus zien. Ik moest aan Christiaan Huygens’ Cosmotheoros denken, aan zijn beschouwingen over schoonheid en wetenschap, en aan Huygens’ vergeefse pogingen om iets van het Venus-oppervlak kunnen te zien.


 

Oppervlaktestructuren op Venus

Huygens heeft met zijn lange kijkers van meer dan 15 Meter naar Venus en haar schijngestalten gekeken, en hij zag geen vlekken of landschappen, alleen een glanzend oppervlak- wat hij ook deed, bijvoorbeeld de lenzen donkerder maken met rook. Hij concludeerde dat Venus door dikke Wolken moest zijn bedekt.

 

 

Planeet Venus


Wikipedia: “Venus gaat altijd schuil onder een zeer dik wolkendek van fijne druppels zwafelzuur. Van bovenaf gezien zorgt dat voor een grote helderheid (albedo) doordat het wolkendek veel zonlicht weerkaatst. Vanaf de Aarde is Venus hierdoor met het blote oog beter zichtbaar dan welke ster dan ook en als zodanig na de maan het helderste object aan de ochtend- of avondhemel.”

 

Huygens : “Maar ik hebbe my dikwils verwondert, als ik met lange Kijkers van 45 of 60 voeten de Dwaalstarre Venus bekeek, naby aan d’ Aarde, en niet ongelijk een halve Maan, of die haar hoornen begint te krommen, dat deszelfs oppervlakte met een gansch eenparige glans overdekt was; dermate, dat ik naauwlijks zou durven zeggen, iets daar in bespeurt te hebben, ’t gene na eenige vlek geleek, hoedanige nogtans klaarlijk gemerkt worden in Jupiter en Mars, schoon zy in een veel kleiner rondte voorkomen. Want indien in den Kloot van Venus Zeen en Landen waren, zoo moesten wy de Zee-streken duisterder, en de Landstreken helderder zien; gelijk de Zee, van zeer hooge rotsen bekeken, niet zoo helder als het daar om gelegen land schijnt. Ik geloofde dat de al te groote glans van Venus de oorzaak was, waarom de verscheidenheid des ligts zoo wel niet konde vernomen werden: maar wanner ik het glas, dat digtst aan mijn oog was, met rook had bezwalkt, om een gedeelte der stralen wech te nemen; scheen het ligt egter in de gansche oppervlakte even eenparig. Zijn daar dan geen Zeen, of word het Zonligt meer als by ons van ’t water, en minder van d’ aarde, wederom gekaast. Of zou daar wel een dikker Dampgewest als in Jupiter of Mars zijn (en dit schijnt my geloofelijkst) ’t welk, van de Zon verligt, en den Kloot van Venus omringende, byna al dat ligt, dat we zien, na ons weder toe keert, en het onderscheid van d’ ondergelegene Zeen en Landen bezwaarlijk toelaat te merken?”

 

 

Venus heeft net als de maan schijngestalten en is in verschillende gedaantes te zien (Huygens “en niet ongelijk een halve Maan, of die haar hoornen begint te krommen”) . Galilei was de eerste die de schijngestalten van Venus (voorspeld door Copernicus) had waargenomen.

 

 


animatie

 

 

--------------------------------

 

Christiaan Huygens en Immanuel Kant over Hermapolieten/Mercuriusbewoners

De planeet Mercurius wordt het komende jaar minutieus doorgelicht en opgemeten door de ruimtesonde Messenger.

Mercurius

In de 17e eeuw waren veel onderzoekers en filosofen van mening dat op de planeten intelligent leven existeert. Christiaan Huygens neemt in zijn "Cosmotheoros", zijn laatste tekst (1698), planeet voor planeet onder de loep en denkt na of en hoe intelligent leven op zo'n planeet eruit ziet. Huygens ergert zich zeer aan de jezuiet Athanasius Kircher die de karakter van planeten schetst met de astrologisch-mythologische kennis in zijn hoofd: In Merkurius vond hy [Athanasius Kircher] ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden.” Huygens daarentegen gebruikt zijn astronomische kennis om tot gissingen over de aard van de Mercuriusbewoners te komen. Op Mercurius moet het erg heet zijn, schrijft Huygens, omdat deze zich zo dicht bij de zon bevindt. Maar hij sluit niet uit de wezens op Mercurius aan die hitte zijn aangepast, en dus over ons op Aarde een beetje zo denken als wij over de Saturnus -bewoners: hoe koud en donker moet het daaaar voor hen niet zijn! Huygens: "...wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [de zon] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middellijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen?"   Dus zijn de Mercuriusbewoners soms slimmer dan de Saturnusbewoners? Nee, dat wil Huygens niet geloven: "Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert." Immanuel Kant heeft een tekst over het Heelal geschreven (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels) , waar hij bewonderend op Huygens ingaat. Een satirisch aanhangsel bij deze tekst "Von den Bewohnern der Gestirne“ wordt door veel mensen serieus genomen, maar ik lees deze tekst als parodie op Huygens.

Kant draait hier Huygens’ argumentatie [=de afstand van de zon maakt voor de intelligentie niets uit] parodistisch om: hoe verder weg van de zon, hoe intelligenter de planetenbewoners. Kant komt tot de satirische conclusie, dat voor de domme Mercurianer een hottentot al een genie zoals Newon zou zijn, en de Saturnusbewoners Newton als een domme aap zouden beschouwen...

Buitenaards cultuurrelativisme. Met de impliciete verachting voor de Afrikanen bij Huygens en Kant moeten we maar leven.

Uitvoeriger over Kants Huygens-parodie: klik hier voor mijn Duitse tekst ----------------------------

 

Christiaan Huygens over voortplanting en boomganzen

Christiaan Huygens schrijft in zijn laatste filosofische tekst “Cosmotheoros” veel over ons zonnestelsel, maar ook over onze aarde, de mens en de variatie van soorten van dieren en planten op aarde.

Huygens bestudeerde de hemel met zelfgemaakte telescopen en bestudeerde aardse details met zelfgemaakt microscopen, waar hij met grote verwondering de juist door anderen gemaakte ontdekking (Antonie van Leeuwenhoek) van zaadcellen en bacteriën kon na voltrekken. Huygens dacht ook veel na over voortplanting.

Hij brengt daarbij een legende ter sprake waar ik nog nooit van had gehoord: boomganzen. Het blijkt dat tijdens de gehele middeleeuwen een discussie gaande was over een boom aan welke mosselen groeiden, waaruit dan eenden werden geboren

Er zou dus een overgang plaats vinden tussen de categorieën plant en dier.

Adriaen Coenen vertelt in het 16e eeuwse Visboeck van over zogenaamde boomganzen die uit mosselen afkomstig zouden zijn.

 

Christiaan Huygens gelooft er niet in dat dieren uit bomen kunnen ontstaan. Van Fulps Valstar (zie commentaar hieronder) komt nog de tip dat ook Jacob van Maerlant over boomganzen heeft geschreven, zie link.

Hier de illustraties van Van Maerlant:

   

 

 

Ruimtereis creëert pacifisme volgens Christiaan Huygens en Lodewijk vd Berg    

Op de radio hoorde ik een interview met astronaut Lodewijk van den Berg en ik hoorde hem een zeer interessante opmerking maken over het pacifisme dat een ruimtereis creëert. Ik vond ook een interview met hem waar hij hetzelfde stelt:

Vraag: Veroorzaakt zo’n ruimtereis lichamelijke of geestelijke bijwerkingen? “Lichamelijk niet langdurig, tenminste niet na mijn vrij korte vlucht. Kortstondig is je evenwicht wat verstoord. Dat evenwicht is helemaal afhankelijkvan de zwaartekracht en die valt weg. Dat heeft gevolgen. Het duurt twee tot drie dagen voordat het weer goed komt. Geestelijk verandert er alles. […]

De hele manier waarop je de aarde beziet, verandert compleet en voorgoed. We praten over de globalisering van de economie, van de media en de politiek. Maar ik heb de aarde echt globaal mogen bekijken. Het ene moment vlogen we over Shanghai, twaalf minuten later boven San Francisco. Daaar beneden wonen totaal verschillende mensen, maar dat vind je dan niet meer. We leven allemaal op die vrij kleine planeet. Je ziet Duitsland en Frankrijk pal naast elkaar liggen, je scheert eroverheen. Waarom hebben die landen ooit eigenlijk oorlog gevoerd, vraag je je dan af.” Lodewijk van den Berg buigt voorover, alsof hij een geheim met iemand gaat delen. “Verreweg de meeste astronauten zijn voormalige militaire piloten. Die mensen zijn getraind om aan te vallen. Maar voormalige astronauten worden nooit meer door de luchtmacht aangenomen. Want die aandrift om aan te vallen, is compleet weg bij hen.

Ze zien de vijand niet meer na een ruimtevlucht. Nee, het is geen relativeren. Je krijgt een heel ander gezichtspunt.”

Van den Bergs broer valt hem bij. “Astronauten veranderen totaal. Hun denken ondergaat een totale ommekeer. Relativeren komt een eind in de richting, maar is nog veel te zwak uitgedrukt.“

Wat ik hieraan onder meer zo fascinerend vind is dat Christiaan Huygens in zijn mentale ruimtereis van 1695 “Cosmotheoros” precies hetzelfde schrijft, al heeft hij zelf niet de lichamelijke ervaring van de ruimtereis meegemaakt:

“[…] Hier uit kan men verstaan hoe groot de ruimtens van die ronde [hemels-] lichamen zijn, en hoe klein, ten haren opzigte, het Klootje der Aarde is, waar in wy menschen zoo veel voor hebben, zoo veel t’ scheep varen, en zoo vele oorlogen voeren. ’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen.”

 

En hier nog een zeer mooi Duits gedicht van Marie Louise Kaschnitz over de Aarde vanuit een mentaal afstand gezien:

Juni

Schön wie niemals sah ich jüngst die Erde.

Einer Insel gleich trieb sie im Winde.

Prangend trug sie durch den reinen Himmel

Ihrer Jugend wunderbaren Glanz.

 

Funkelnd lagen ihre blauen Seen,

Ihre Ströme zwischen Wiesenufern.

Rauschen ging durch ihre lichten Wälder,

Grosse Vögel folgten ihrem Flug.

 

Voll von jungen Tieren war die Erde.

Fohlen jagten auf den grellen Weiden,

Vögel reckten schreiend sich im Neste,

Gurrend rührte sich im Schilf die Brut.

 

Bei den roten Häusern im Holunder

Trieben Kinder lärmend ihre Kreisel.

Singend flochten sie auf gelben Wiesen

Ketten sich aus Halm und Löwenzahn.

 

Unaufhörlich neigten sich die grünen

Jungen Felder in des Windes Atem,

Drehten sich der Mühlen schwere Flügel,

Neigten sich die Segel auf dem Haff.

 

Unaufhörlich trieb die junge Erde

Durch das siebenfache Licht des Himmels.

Flüchtig nur wie einer Wolke Schatten

Lag auf ihrem Angesicht die Nacht.

(1935)

 

 

ende

--------------------------------------------------------------------------------------------

------------------------------------------------------------------------------------------

 

 

Christiaan Huygens, Salomon Coster en het patent op het slingeruurwerk

 

De Volkskrant meldt dat er in het Universiteitsmuseum van Utrecht mogelijk 's werelds oudste door een gewicht aangedreven slingerklok is ontdekt. De klok wordt toegeschreven aan Salomon Coster, de klokkenmaker van de Nederlandse natuurkundige Christiaan Huygens.

Christiaan Huygens is beroemd voor zijn ontdekking van het principe van het slingeruurwerk, waarvan hij door Salomon Coster de eerste exemplaren liet maken.

Christiaan Huygens en Salomon Coster

Huygens' uurwerken konden de tijd veel nauwkeuriger aangeven dan alle klokken die eerder waren gemaakt. Voor Huygens was een nauwkeurige tijdmeting belangrijk om goede astronomische tijdmeting te kunnen verrichten, en ook om mogelijk de geografische lengte op zee te kunnen bepalen (wat uiteindelijk niet lukte ondanks vele pogingen). Trots noemt Huygens zijn uitvindingen in zijn laatste tekst Cosmotheoros.

C.D. Andriesse: “Galileo Galilei had de slinger al als gangregelaar aanbevolen en Coster was een kundig klokmaker die onder meer een dubbele trommelveer had bedacht. Van Christiaan was het idee gekomen over een lichte vorkkoppeling en over 'wangen' om de slinger bij wijde uitslag wat op te tillen. Christiaans uitvinding betrof de koppeling van een slinger aan het toen gebruikelijke raderuurwerk, of, om precies te zijn, aan het over het schakelrad kantelende anker (échappement) […] Zijn foefje was om de aandrijving van de slinger te ontlenen aan de aandrijving van de klok en om de regelmaat van de klok te ontlenen aan de regelmaat van de slinger. […] De vorkconstructie op het anker die de slin­ger voldoende aandreef en tegelijk voldoende vrijliet, is uiterst ingenieus.”

Aan de Haagse klokkenmaker Salomon Coster gaf Huygens het alleenrecht - vastgelegd in een officieel octrooi, gedateerd 16 juni 1657 - om deze nieuwe vinding in de handel te brengen.

In Parijs en in Londen werden deze uurwerken onmiddellijk nagebouwd. En ook in Nederland:

“Ook aan het octrooi van Coster, dat dan wel verleend was en waar hij [Huygens] in deelde, beleefde hij echter weinig plezier. Het werd ontdoken door de Rotterdamse klokmaker Simon Douw, die volhield zelf een slingeruurwerk te hebben uitgevonden. Hij was er zelfs in geslaagd ook dit slingeruurwerk door de Staten­ Generaal te laten octrooieren, en wel op 8 augustus 1658, ruim een jaar na dat van Coster. Deze laatste schreef woedend 'dat hy met Listicheyt, en allerhande onbehoorelycke middelen desel­ve Inventie, soo by de Heer Huyghens, als op andere plaetsen was komen te sien, sich verstout van die mede te debiteren'.

Op 9 oktober 1658 kwam het tot een zaak voor de rechtbank van Holland, Zeeland en Friesland […]”.

Uiteindelijk moest Douw aan Coster en aan Christiaan Huygens elk slechts een derde van de opbrengst van zijn klokken betalen. (Andriesse, p 152)

----------------------------------------------------------

----------------------------------------------------------

 

 

Het mini-planetarium van Christiaan Huygens en de Leidsche Sphaera

In het museum Boerhaave in Leiden is sinds gisteren een schitterend gerestaureerd planetenmodel te zien: de Leidse Sphaera, het planetarium dat de Rotterdamse klokkenmaker Steven Tracy in 1650 construeerde.

()

Planetarium Leidse Sphaera, kleine planeten

Planetarium Leidsche Sphaera, Saturnus met ring, en op de ring bobbeltjes die de manen moeten voorstellen. De ring met manen is een toevoeging van 1710. Het was Christiaan Huygens die de ring van Saturnus had verklaard en de de eerste maan van Saturnus had ontdekt (publicatie 1659), maar Tracey verwerkte deze gegevens blijkbaar niet.
Planetarium Leidse Sphaera, Jupiter met manen.

Vlakbij staat het qua uitzien simpelere planetarium dat Christiaan Huygens zelf in 1682 heeft laten bouwen; niet met bollen, maar kleine halfbolletjes in een vlak. Wel met bewegende planeten in eccentrische kringen, die ellipsen benaderen. Huygens' planetarium wordt aangedreven door een onrust met spiraalveer; ook een bijzondere uitvinding van Huygens.

Allebei horen bij de bijzondere Copernikaanse schaalmodellen uit de 17e eeuw, waarvan er niet zo heel veel zijn.

 

Planetarium Christiaan Huygens, Museum Boerhaave

 

Planetarium Christiaan Huygens, banen van de kleine planeten

 

Huygens zelf schrijft hierover:

`Wijzelf echter, ... hebben een zoodanig Planetarium laten maken, dat wij daarmede door een klein aantal in elkaar grijpende raderen bereikt hebben, dat op het oppervlak van een platte tafel de lichamen der vijf primaire Planeten rondom de Zon, en evenzoo dat der Maan rondom de Aarde, hunne banen konden beschrijven, in dezelfde tijden waarin zij dat in den hemel) doen, en wel in zoodanige excentrische banen, dat deze de ware afmeting en den waren stand der hemelbanen weergeven, met behoud van de bij elk daarvan bestaande ongelijkheid der bewegingen, waardoor zij zich sneller bewegen in minder ver van de zon verwijderde gedeelten, waarbij wij ook nog rekening gehouden hebben met de kleine afwijking tusschen het vlak hunner banen en dat van de Ecliptica of van de Aarde. Zoodat, afgezien van de bevalligheid van het schouwspel, men daaruit ook de standen van de Planeten kan leeren kennen, niet slechts de oogenblikkelijke, maar ook de toekomende en de verledene, als uit een eeuwigdurenden kalender; en bovendien hun aller conjuncties en opposities, zoowel ten opzichte van de zon als ten opzichte van elkander, en dit des te nauwkeuriger naarmate het werk op grooter schaal is uitgevoerd.`

`Het is dan een achthoek uit hout samengesteld, met een diameter van twee voet en een diepte van zes duimen. Deze is op zoodanige wijze aan den muur opgehangen, en bevestigd aan de zich aan de linkerzijde bevindende assen, dat het toestel, als men dit wenscht, omgekeerd en aan de achterzijde geopend kan worden, waardoor het inwendige zichtbaar wordt.`

`Aan den voorkant ziet men een blad van verguld koper dat de geheele voorzijde van den achthoek vormt en bedekt is met spiegelglas; op dat blad zijn de banen der planeten volgens het systeem van Copernicus, maar volgens de proporties van Kepler, aangegeven en geheel uitgesneden, zoodat door die gleuven kleine pinnen rondgaan, met behulp waarvan de bollen der Planeten, tot halve bollen gereduceerd, boven het blad en als het ware op het oppervlak daarvan rondgevoerd worden, waarbij Saturnus vijf, Jupiter vier satellieten met zich voert, en de Aarde een (welke onze Maan is). Deze satellieten zijn daarbij geplaatst op dezelfde schijfjes als de lichaampjes der Planeten. Ik heb namelijk ook aan de overige Planeten die geen manen hebben, toch zulke schijfjes gegeven die den omringenden aether moeten aangeven en tevens dienen om de Planeten beter zichtbaar te maken.`

 

Huygens schrijft over manen rond Jupiter en Saturnus, maar ik kan deze niet ontdekken in zijn planetarium. Misschien waren deze gepland maar werden niet ingebouwd?

Het planetarium van Huygens loopt overigens beduidend nauwkeuriger dan de Leidse Sphaera.

Literatuur: E. Dekker, De Leidsche Sphaera, Leiden, 1985

------------------------------
   

 

 

--------------------------- ----------------------------------------------------------

----------------------------------------------------------

 

Onze tweelingen op tweelingplaneet Kepler-22b (satire)

Johannes Kepler en Christiaan Huygens schreven allebei –half schertsend, half serieus- over eventuele astronomen op andere planeten. Huygens onderstreepte in zijn Cosmotheoros dat wij mensen nooit mogen veronderstellen dat de planetenbewoners minder kunnen of minder ontwikkeld zijn dan wij, dus zullen ze ook wel de astronomie bedrijven.

Astronoom op Kepler 22-b

Dus, de astronomen op onze tweelingplaneet Kepler-22b, wat zien zij, als zij, net als wij, nu op dit moment hun tweeling planeet hebben ontdekt? Laat ons aannemen dat zij betere telescopen hebben dan wij, en heel goed kunnen inzoomen op de Aarde.

Kepler-22b is 600 lichtjaren van de Aarde verwijderd.

Ze zien de Aarde aan het begin van de 15e eeuw.

Ze zien de ontdekkingsreizigers varen over de zeeën.

Dat zal hun hart sneller laten kloppen, want vast kennen onze tweelingen dat ook: ontdekkingsreizen, schipvaart.

Christiaan Huygens in zijn Cosmotheoros:

“Voorts indien het oppervlak van hun kloot bij henluiden [=planetenbewoners] zo verdeeld is, dat een gedeelte van ’t zelve in land, een gedeelte in zee bestaat, […] hebben wij zeer grote reden om te denken, dat zij ook t’ scheep varen: anderzins zouden wij zoo groot en zo nut een zaak niet zonder laatdunkendheid onzen Aardkloot alleen toeschrijven.”

 

Dit blog staat ook op mijn Duitse webblog over Huygens:

Unsere Zwillinge auf dem Zwillingplaneten Kepler-22b

en op mijn Engelse blog

Our twins on twin planet Kepler-22b

Maria Trepp www.passagenproject.com

 

----------------------------------------------------------

----------------------------------------------------------

 

Seizoenen op Kepler-22b (7-12-2011)   

Ik heb niets kunnen vinden over de ashelling van Kepler-22-b. Hebben de aliens daarginds op Kepler-22b wel seizoenen? De seizoenen op Aarde komen tot stand door het feit dat de Aardas scheef staat: De Aarde beweegt rond de Zon op een baanvlak dat ecliptica wordt genoemd. De as van de Aarde staat scheef op dit vlak (met een hellingshoek tussen equator en omloopvlak van 23,45°). De gekantelde as blijft in een evenwijdige stand, terwijl de Aarde zich om de zon beweegt.  

Licht van de zon op de aarde in de seizoenen 

 

Christiaan Huygens bespreekt in zijn Cosmotheoros (zijn laatste boek van 1698 waar hij uitgebreid het leven op andere planeten beschrijft) ook de seizoenen op de andere planeten. 

Eerst Merkurius. Deze planeet staat dicht bij de zon en is erg moeilijk te observeren. Huygens wist niet of er jaargetijden op Merkurius waren, dus of de as van Merkurius scheef staat- maar naar wat we nu weten heeft Merkurius geen ashelling en geen seizoenen. Over de jaargetijden van Venus zegt Huygens niets. We weten nu dat deze planeet bijna geen ashelling heeft. Op Mars is er volgens Huygens geen verschil tussen winter en zomer omdat Mars volgens Huygens niet “scheef” staat- maar dit klopt niet, Mars is ongeveer net zo gekanteld als de Aarde. Maar wél klopt het wat Huygens over Jupiter schrijft: deze planeet heeft volgens hem geen jaargetijden, en inderdaad, Jupiter heeft bijna geen askanteling; de rotatie-as staat bijna loodrecht op het omloopvlak. En Saturnus dan, Huygens’ lievelingsplaneet: Daar zijn de verschillen tussen zomer en winter nog groter dan op de Aarde, omdat de as van Saturnus sterker gekanteld is dan die van de Aarde. Huygens, die overtuigd is van de existentie van “Saturnusborgers” maakt zich toch een beetje zorgen of de polen van Saturnus vanwege de kou wel bewoonbaar kunnen zijn…
Dit blog verschijnt vandaag ook op mijn Duits blog en op mijn Engels blog Maria Trepp www.passagenproject.com

 

 
----------------------------------------------------------

----------------------------------------------------------

 

Literatuur

 

Christiaan Huygens, Oeuvres complètes(22 delen) (1888-1950)

De ruimte van Christiaan Huygens / Vincent Icke [Groningen] : Historische Uitgeverij, 2009

Christiaan Huygens in de onvoltooid verleden toekomende tijd / Vincent Icke [Groningen] : Historische Uitgeverij, 2005

Christiaan Huygens / Rienk Vermij, Hanne van Dijk, Carolien Reus ; [eindred.: Carolien Reus] Utrecht : Epsilon Uitgaven, 2004

Een vernuftig geleerde : de technische vondsten van Christiaan Huygens / Rob H. van Gent, Anne C. van Helden Leiden : Museum Boerhaave, 1995

Titan kan niet slapen : een biografie van Christiaan Huygens / C.D. Andriesse Amsterdam [etc.] : Contact, 1993

Studies on Christiaan Huygens : invited papers from the symposium on the life and work of Christiaan Huygens, Amsterdam, 22-25 August 1979 / ed. by H.J.M. Bos ... [et al.] (Amsterdam) : - 1979

Constantijn en Christiaan : verhaal van een vriendschap / Elisabeth Keesing Amsterdam : Querido, 1983

 

Zie ook:


Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung

 


Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits