Maria Trepp

Training Coaching Publishing

Archive for the ‘ Psychologie ’ Category

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK, somatoforme stoornis)

no comment

Somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK)

 

Pijn, moeheid, buik- en gewrichtsklachten, symptomen waarvoor artsen geen oorzaak kunnen aanwijzen zijn vaak stress- en spannningsgerelateerde klachten.

“Een somatoforme stoornis is een psychische aandoening waarbij een persoon lichamelijke klachten heeft waarvoor geen somatische oorzaak (lichamelijke ziekte) gevonden is.”(wikipedia)

Hogleraar Sociale Psychiatrie Van der Feltz-Cornelis stelt voor om te stoppen met het zoeken naar een verklaring voor de symptomen.

“Als je bij de dokter komt met ‘vage’ klachten die niet in een bepaald ziektebeeld passen word je al snel doorgestuurd naar een psycholoog met deze ‘lichamelijk onverklaarbare klachten’. Prof. dr. Christina Feltz vindt de term hopeloos ouderwets en het onterecht dat er een maatschappelijk taboe op heerst. De klachten zijn vaak helemaal niet onverklaarbaar, maar toe te schrijven aan stress. Toch is een label plakken eigenlijk niet het belangrijkst, het gaat om de last die patiënten ervaren en dat ze goed geholpen worden. Daarom zou de geneeskunde in het algemeen er goed aan doen lichaam en geest te integreren. Feltz stelt een aantal belangrijke veranderingen voor.”

Studium Generale: Tussen de oren? / klik hier voor de lezing

 

vage klachten unverklaarbare klachten elfriede Lohse psychologie

SOLK, somatoforme stoornis

Somatoform+disorder (mp3, Engelstalig)

Maria Trepp

Digitale dementie- in tegendeel!

7 comments

digitale dementie

Deze zomer verscheen de bestseller “Digitale dementie” van mediapsychiater Prof. Dr. Dr. Manfred Spitzer in het Nederlands (Digitale dementie: Hoe wij ons verstand kapotmaken , Atlas Contact); nadat Spitzer vorig jaar al in Duitsland een controverse heeft opgeroepen met zijn (overtrokken) waarschuwingen voor “digitale dementie”.

(Zie ook Brandpunt van 23 juni 2013)

Spitzer is niet de enige en niet de eerste, die ervoor waarschuwt, dat gebruik van computers en internet schadelijk is voor persoonlijke ontwikkeling, creativiteit of geheugen. Spitzer borduurt voort op onder meer het werk van Nicholas Carr over de ‘verdomming’ die zou optreden door het gebruik van Google (Is Google making us stupid?) en diens boek  Het ondiepe: Hoe onze hersenen omgaan met internet.

De Duitse psychiater waarschuwt met sterke overdrijving voor alle vormen van digitale media. Zijn terechte waarschuwing, kleine kinderen niet met de iPad op te voeden,  combineert hij met een preek tegen alle vormen van digitale media in het onderwijs. Behalve Maurice de Hond zullen niet veel mensen betwisten dat het belangrijk is, dat kinderen hoofdzakelijk leren van de werkelijkheid, van echte ervaringen, en van het directe sociale contact met andere mensen.  De Nederlandse psychologe Martine Delfos radt in haar boek In 80 dagen de virtuele wereld rond  dan ook het gebruik van digitale media voor kleine kinderen (onder 4 jaar) af. Maar hoe ouder de kinderen zijn hoe constructiever en sociaal interactiever het gebruik van alle soorten van media ook kan zijn. Kleine kinderen zouden geen of zeer weinig tijd voor de beeldscherm moeten doorbrengen. Maar schoolkinderen moeten worden opgevoed voor een toekomst waarin digitale media met zekerheid een grote rol spelen.

Spitzer heeft het over “dementie” (“dementie is mentaal verval”), maar de sociale en individuele problemen die door overmatig internet- of computergebruik ontstaan (concentratiestoornissen, sociale isolatie, depressie etc) zijn van geheel andere aard dan dementiesymptomen (onder andere geheugenproblemen, desoriëntatie, persoonlijkheidsverlies) . Klinische dementie (laat staan een aantoonbare verandering in de hersenen- en Spitzer heeft het uitgebreid over hersenstructuren, frontaalkwab enz.!) ontstaat niet door computeren – in tegendeel, er zijn juist aanwijzingen dat door gerichte en computerondersteunde hersentraining Alzheimer vertraagd kan worden. Computers en spelletjes worden steeds belangrijker bij therapie en rehabilitatie, bijvoorbeeld Virtual-Reality- gebaseerd geheugentraining- juist bij dementie-patiënten.

 


17-10-2016

“De discussie over de negatieve gevolgen van smartphone- en tabletgebruik is weer heropend. De oorzaak: het nieuwe boek Digiziek van Duitse psychiater Manfred Spitzer. In zijn nieuwe boek betuigt de internationaal bekende Duitse psychiater dat digitale media ervoor zorgen dat kinderen hun motoriek en zintuigen onvoldoende ontwikkelen.”

Meer zie hier

 ————

Maria Trepp, docent Klinische Psychologie

DSM-5 en ADHD

11 comments

DSM-5 en ADHD

DSM-5 en ADHD DSM-5 questioning

Sinds 18 mei geldt een nieuwe standaard voor de diagnose van psychische aandoeningen, de zogenaamde DSM-5, opvolger van DSM-4. De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) bestaat uit diagnoses van psychische ziektes en daar bijhorende symptomenlijsten en wordt uitgegeven en opgesteld door de American Psychiatric Association.

De DSM poogt ziektebeelden vergelijkbaar te maken en zorgt ervoor dat ziektebeelden via symptoomlijsten duidelijk gedefinieerd zijn. De DSM heeft grote invloed op ziektekostenvergoeding en op de ontwikkeling van nieuwe medicijnen.

De kranten hebben al veel aandacht besteed aan de zeer problematische opgerekte definities van ziektebeelden in de nieuwe DSM-5. ( bijvoorbeeld Trouw 18 mei 201: “Zijn wij allemaal gek?”; de Volkskrant 18 mei “Wie is er straks gestoord?”). Veel van de nieuwe in de DSM-5 beschreven ziektebeelden zijn omstreden.

Terug naar Normaal

De grootste criticus van de nieuwe DSM-5 is de Amerikaanse psychiater Allen Frances, die nota bene zélf verantwoordelijk was voor de oude versie DSM-4.  Frances was onlangs in Nederland naar aanleiding van het verschijnen van zijn boek Terug naar Normaal, waarin hij erg kritisch is en vreest dat gezonde mensen ziek worden verklaart zodat de pillenfabrikanten hiervan nóg rijker worden.

ADHD

DSM-5 en ADHD ADHD overdefinition wikimedia Questionmark

Hij vertelt over de stoornis ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder; hyperactiviteitstoornis), waarvan velen menen dat deze een modeziekte is die door farmaceutische bedrijven wordt geëxploiteerd, en die in de DSM-5 nóg breder wordt gedefinieerd. Het aantal mensen met ADHD dat medicijnen krijgt is de laatste decennia sterk gestegen, mede dankzij de DSM waarin de stoornis officieel werd erkend en dankzij het steeds meer gebuikte middel Ritalin. Frances zegt dat wereldwijd het aantal kinderen met de diagnose ADHD de afgelopen twintig jaar is verdrievoudigd, en de Volkskrant schrijft dat 200 duizend Nederlanders nu medicatie tegen ADHD nemen, een stijging van gemiddeld 14 procent per jaar.

Veel mensen zijn bang dat een te ruime ADHD diagnose leidt tot stigmatisering en tot problematisch pillengebruik. Velen vrezen ook dat kinderen, en dat met name jongens, te weinig ruimte krijgen om te bewegen of om af en toe baldadig te zijn, en met diagnoses en medicijnen tot aanpassing en rust worden gedwongen.

Historica Angela Crott doet onderzoek naar jongensopvoedboeken en is er tegen om drukke jongens te bestempelen als ADHD’ers. ‘Het is normaal jongensgedrag.’

“In oktober 2005 sprak het kinderrechtencomité CRC van de Verenigde Naties zijn zorgen uit over overdiagnose van ADHD en het te vaak voorschrijven van psychoactieve middelen. Het comité sprak zich uit voor meer studie naar de diagnose.” (Wikipedia)

DSM-5 en ADHD Ritalin

Ook de politiek neemt nu stelling in het ADHD/Ritalin –debat:

Staatssecretaris Van Rijn wijst er op dat het voorschrijven van Ritalin tegen gedragsstoornissen onder jongeren de afgelopen jaren explosief is gestegen en wil nu een “gezinsregisseur” inzetten,  die alle hulp coördineert en met steun van familie en vrienden het ‘opvoedkundig klimaat’ poogt te versterken om het sterk gestegen beroep op de jeugd-ggz te verminderen.

DSM-5 en ADHD

Maar de DSM-5 vergroot [!] nu de groep van  ADHD-patiënten en dus van potentiële Ritalin-gebruikers, ten eerste omdat de stoornis nu ook bij volwassenen wordt vastgesteld, en ten tweede omdat de symptomen niet bij een leeftijd van minder dan zeven jaar voor het eerst moeten optreden, maar pas bij een leeftijd van 12 jaar.

 

Links:

Ritalin is geen snoepgoed

EMEA: Advies veilig gebruik van Ritalin (pdf)

Gezondheidsraad: Advies en Behandeling van ADHD

Landelijk kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Meer over ADHD

Ritalin geven aan kinderen is geen kindermishandeling (radio1)

Wetenschap 24 De zin van Ritalin

ADHD: in de hersenen of tussen de oren?

De ADHD-Hype

DSM5- dwangbuis of leidraad?

De duivelse DSM-5

De bijbel van de psychiatrie

 Interview met Allen Frances over DSM-5 (CVZ magazine)

Maria Trepp

John Everett Millais en de prerafaëlieten

24 comments

 

In het Van Gogh museum kon men in 2008 de werken van John Millais bewonderen. 

John Everett Millais (1829-1896) was de belangrijkste schilder van het Engelse genootschap der Prerafaëlieten en de meest succesvolle Britse kunstenaar uit de tweede helft van de 19de eeuw.
In september 1848 richtte Millais met Hunt, Rossetti en anderen de Pre-Raphaelite Brotherhood op. Deze groep zette het gangbare idee overboord dat de kunstenaar diende te streven naar de ideale schoonheid. De natuur diende volgens Millais en Hunt zo waarheidsgetrouw mogelijk te worden weergegeven.

Alison Smith schrijft over “Het poëtische beeld van Millais” ( in de catalogus van het Van Gogh Museum) :
“Die vele dynamische ontwikkelingen in het werk van Millais maken het onmogelijk om zijn oeuvre te classificeren. Zijn werk werd nu eens als romantisch, dan weer als realistisch, of als esthetiserend, impressionistisch of symbolistisch getypeerd, terwijl het in feite in geen van deze categorieën thuishoort. Millais kan het beste worden omschreven als een ‘realistische symbolist’, door de unieke wijze waarop hij de doodgewone details van het bestaan gebruikte om naar een betekenis achter de waarneembare werkelijkheid te speuren.”

“Het prerafaëlitisme speelde een cruciale rol in Millais’ ontwikkeling als kunstenaar. Zijn hartstochtelijke betrokkenheid in die beweging maakte van hem een rebel die bereid was om de troeven van zijn artistieke vroegrijpheid te verspelen en de afkeuring van critici en artistiek establishment te ondergaan. Als avant-gardestroming streefde het prerafaëlitisme naar een breuk met de traditie en had het de toekomst van de kunst voor ogen.

‘Isabella’ ( 1848) is beladen met visuele toespelingen op het verleden­ van Hans Memling tot Paolo Veronese -, maar die verwijzingen worden overschaduwd door het symbolische witte been dat dwars door de compositie snijdt. Deze kunst­greep choqueerde het publiek en maakte het meteen duidelijk dat de jonge schilder schoon schip wilde maken.”

“Millais en zijn medestanders van de Prerafaëlitische Broederschap beschouwden de middeleeuwse kunst als een authentiek model voor vernieuwing, omdat die kunst volgens hen minder aan formules was onderworpen dan de stijlen die sinds de renais­sance dominant waren geweest. Schilderijen als Isabella en Ophelia waren revolutionair omdat de manier waarop zij waren gemaakt geheel in strijd was met de gangbare aca­demische regels voor het vervaardigen van schilderijen.”

John_Everett_Millais_-_Ophelia

John_Everett_Millais_-_Ophelia

“Gedurende zijn hele carrière bleef hij bezield door dit verlangen om de vitaliteit en complexiteit van natuurverschijnselen weer te geven. Om die reden had hij trouwens een afkeer van het classicisme als stijl. In 1875, in een toespraak tot kunststudenten, drukte hij zijn opvatting daarover uit: ‘Niemand is echt een goede tekenaar als hij zich niet van de klassieke orde kan ont­doen … en als hij niet in staat is om indien nodig de eigenaardigheden en oneindige variëteit van de natuur voor te stellen.”

“De prerafaëlieten waren van mening dat karakterexpressie in de schilderkunst steunde op rechtstreekse observatie van het echte leven. Zij verwierpen het academi­sche principe van de idealisering en beschouwden de individualisering als de sleutel tot de weergave van emoties en innerlijke ervaringen. Millais ontpopte zich als een voorloper van de moderne psychologie, in de manier waarop hij onbewuste verlangens en impulsen (wat Freud de ‘psychische energie’ zou noemen) probeerde te doorgronden via de uiterlijke verschijning. Kenmerkend voor zijn personages is hun ‘in beslag genomen zijn’ door een of andere activiteit, alsof zij zich niet bewust zijn van onze blik.”

“MilIais’ kunst is niet illustratief in de conventionele zin, omdat zij meer doet dan een tekst illustreren of een verhaal uitbeelden. Anderzijds is zij te werkelijkheidsgetrouw om te ressorteren onder het idealiserende estheticisme of symbolisme waarvan zijn tijdgenoten Frederic Leighton, James McNeill Whistler en Rossetti wegbereiders waren. Toch mogen we zeggen dat Millais in wezen een symbolist was die via zijn inspanningen om de vluchtige wereld der waarneembare fenomenen vast te leggen, op zoek was naar een subjectief begrip van de impact van tijd en herinnering op de menselijke psychologie.”

Het laatste, de invloed van tijd en herinnering op de psyche, wordt zeer mooi uitgebeeld in Millais’ schilderij “Mijmeringen” ( 1855) , een van de schilderijen die ik als voorbeeld neem voor eigen fotografische zelf– en vrouwenportraits.

Ik ken Maillais en de prerafaëlieten uit mijn onderzoek over Max Nordaus pre-fascistisch werk “Entartung” ( “Ontaarding”; 1892/3) . Max Nordau beschrijft de moderne Kunst van Monet tot Baudelaire, van Tolstoj tot Ibsen als ziekelijk “ontaard”. Ook over de Prerafaëlieten en hun vermeende ontaarding heeft Nordau een heel hoofdstuk geschreven.

Nordau schrijft in “Ontaarding”, (vertaald en bewerkt door F.M. Jaeger):

“Drie schilders, Dante Gabriël Rossetti, Holman Hunt en Millais vereenigden zich in 1848 tot een club, waaraan zij den naam gaven van “praerafaëlietische broederschap”,. […] In het voorjaar van 1849 hielden zij in Londen eene ten­toonstelling van schilderijen en beeldhouwwerken, die be­halve met de namen van de makers ook voorzien werden met het merk P. R. B. Hunne werken maakten een totaal fiasco. Het publiek, dat nog niet lastig gevallen werd door de fanatieke geloovers ‘aan een zekere soort van schoon en ook niet onder den invloed stond van eene ziekelijke mode, haalde voor deze kunstproducten de schouders op; men maakte zich er vroolijk of boos over, naar gelang van de stemming.”….”zij schilderden geene werkelijke aanschouwingen, maar alleen gewaarwordingen. Zij brachten in hun ‘werk van die geheimzinnige toespelingen en duistere symbolen, die met het teruggeven van de werkelijkheid niets te maken hebben.”

Nordau verwijt de prerafaëlieten onder meer hun niet-academisch werk, waarbij ook de achtergrond zeer detailbewust wordt geschilderd. Volgens Nordau is dit een “ziekelijke echolalie met de penseel” en het bewijs dat de schilder niet in staat is te concentreren. Ook de “geilheid” en erotiek in de schilderijen van de Prerafaëlieten is een steen des aanstoots voor Nordau.

Hitlers kunst- en “ontaardings”-theorie was sterk beïnvloed door Nordau, al werd Nordau door de nazi’s niet genoemd, om dat Nordau zionist en jood was.

 

John_Everett_Millais Prerafaëlieten

John_Everett_Millais Prerafaëlieten

1

Millais-_Mariana  Prerafaëlieten

Millais-_Mariana Prerafaëlieten

2

3

4

5

6

7

8

 

 

www.passagenproject.com

Maatschappelijke polarisatie: voor en tegen

38 comments
Wouter Bos

Wouter Bos

Met grote verbazing las ik afgelopen zaterdag in de Volkskrant [“PvdA-leider worstelt met de trek naar de politieke flanken”] dat Wouter Bos zich nu ineens zorgen maakt over de maatschappelijke polarisatie:

“[Vraag] Wat ging er mis [ met de Europese verkiezingen]?

‘Er is nog een heleboel onbekend. Maar als de samenleving verdeeld raakt, gesegregeerd en gepolariseerd, zie je dat terug in de Partij van de Arbeid.
‘Wij zijn een echte volkspartij: hoog- en laagopgeleid, wit en zwart, rijk en arm. Als de samenleving uiteen dreigt te vallen, gebeurt hetzelfde bij de achterban van de PvdA.” [13-6-2009]

Inderdaad, goed gezegd. Maar wie pleitte toch nog niet zo lang geleden hardop voor maatschappelijk polarisatie ??? Juist. Wouter Bos.

Hij haalt diep adem en hamert met de zijkant van zijn handen op tafel. ‘Polariseren.’ Tak! ‘Confronteren.’ Tak! ‘Heftig debat.’ Tak! Het moet allemaal scherper, zegt Wouter Bos […] Bos ergert zich aan PvdA’ers die roepen dat er minder gepolariseerd moet worden rond integratie. ‘Ongelooflijk. Mijn stelling is: ophouden met dat gezeur over de toon van het debat! Geen emancipatie zonder polarisatie. De emancipatie van de arbeider, de vrouw en de homoseksueel is alleen gelukt door strijd, door de confrontatie.’ “ ( de Volkskrant, 1-3-2009)

Bos haalde in het interview van maart 2008 drie dingen door elkaar:

  1. Politieke polarisatie in het parlament
  2. Polarisatie als emancipatie- en klassenstrijd als een middel van zwakkere maatschappelijke groepen/randgroepen/lagere klassen
  3. Polarisatie als het nieuwe middel in de populistische strijd van sterk tegen zwak, gevestigd tegen nieuwkomers.

Niet toevallig kreeg Bos veel bijval van de Nederlandse opiniemakende scherpslijpers, de intellectuele achterban van Geert Wilders.

Ik kan iedereen de bundel “Polarisatie, Bedreigend en verrijkend” (2009) aanbevelen, waar ook twee professoren in schrijven, Andreas Kinneging en Afshin Ellian.

Andreas KinnegingAndreas Kinneging over maatschappelijke polarisatie:

“Het gaat bij polarisatie om de vergroting en verscherping van tegenstellingen, waarbij ver­schillende groepen in de samenleving van elkaar vervreemden en tegenover elkaar komen te staan. Een voor de hand liggend voorbeeld van polarisatie in deze zin herkennen we in de ontwikkeling van de verhouding tussen de inheemse Nederlandse bevolking en het islamitische bevolkingsdeel. Deze verhouding is sedert de aanslagen op de World Trade Towers in New York op 11 september 2001 danig verslechterd. De twee bevolkingsgroepen zijn volgens velen veel meer tegenover elkaar komen te staan doordat er onder een deel van de inheemse Nederlanders wantrouwen en een zekere aversie is ontstaan jegens moslims.
De term polarisatie wordt echter nog op een tweede, met de voorgaande samenhangende maar niettemin andere, wijze gebruikt. We spreken ook over polarisatie om aan te geven dat iemand, door zijn handelen en vooral door zijn spreken, de tegenstellingen tussen groepen in de samenleving ver­groot en verscherpt. Polarisatie in deze betekenis is niet zozeer de vergro­ting en verscherping van sociale en politieke tegenstellingen zelf, als wel een wijze van optreden die deze vergroting en verscherping veroorzaakt. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan de volgens velen polariserende wijze waarop een politicus als Geert Wilders optreedt ten aanzien van de islam en het islamitische bevolkingsdeel.” ( p 12f )

Mooi geformuleerd door Kinneging, maar dit grenst niet alleen aan hypocrisie, dit is hypocrisie ten top, dat Kinneging anno 2009 zich opwerpt tot objectief-afstandelijke waarnemer inzake maatschappelijke polarisatie, terwijl zijn eigen Burke Stichting via Bart Jan Spruyt Geert Wilders in het zadel heeft geholpen, en de Burke Stichting ook verantwoordelijk is voor het aanscherpen van maatschappelijke tegenstellingen. Kinnegings juristen- en Burke-collega Ellian is dan dezelfde bundel dan ook een eerlijke, enthousiaste en vrolijke verdediger van de maatschappelijke polarisatie, die hij, dat moet gezegd, met veel energie bedrijft ( zie hieronder).

Kinneging schrijft verder:
“Tolerantie is alleen mogelijk als ze, paradoxaal genoeg, gepaard gaat met ideologische eensgezind­heid op wezenlijke punten.” ( p. 23)

Dit lijkt me een zeer problematisch constatering, zeker uit de mond van een jurist. De grondwet grandeert de vrijheid van religie en van mening ook en juist voor degenen die vanuit een geheel andere ideologie redeneren. Ook Kinnegings recept tegen polarisatie, namelijk “constitutioneel patriottisme” overtuigt niet, aangezien dit idee bij hem hier uit de hemel komt vallen en hij het niet uitwerkt. Kinneging probeert zich hier in dit artikel als verdediger van een patriottisme te presenteren terwijl hij zelf in andere publicaties, net als andere representanten van de Burke Stichting en net als hun adoptiekind Wilders, niet voor constitutioneel patriottisme staat, maar voor populistisch nationalisme tot aan het punt van racisme.

Kinnegings hoofdzakelijke mededeling is dat de tegenstellingen met “het islamitische bevolkingsdeel” min of meer onoverbrugbaar zijn en dat alleen een vage en niet geloofwaardige constructie als “constitutioneel patriottisme” ons kan redden.
Maar het als voorbeeld aangehaalde Amerikaanse model is, zoals Haleh Ghorashi in dezelfde bundel overtuigend aantoont ( p 153 ff),  juist veel toleranter ten opzichte van verschillen van bevolkingsgroepen en religies dan het de denkers van de  denkers van de Burke Stichting lief is. De Amerikaanse bedrijven beëindigden ook de financiering van de Burke Stichting vanwege de samenwerking met Wilders en diens vijandigheid ten opzichte van de islam (zie het betreffende hoofdstuk boven).

Afshin Ellian verdedigt in dezelfde bundel met Carl Schmitt in de hand de maatschappelijke polarisatie. Weliswaar wil Ellian (nu) de problematische theorieën van Schmitt alleen voor de strijd tegen terroristen en voor internationale betrekkingen laten gelden (p. 74/75). Dit lijkt mij op zich al hoogst problematisch lijkt, zeker gezien de manier waarop bij representanten van de Edmund Burke Stichting internationale en nationale politiek uitdrukkelijk door elkaar heen loopt. Bart Jan Spruyt prijst in zijn boek “De toekomst van de stad” (2004; op een foto op de de site van de Burke Stichting wordt dit boek juist aan Afshin Ellian aangeboden) niet alleen Carl Schmitt en eist een noodwetten, maar geeft ook door zijn pathetisch beroep op Churchill het gevecht tegen de moslims een dimensie van burgeroorlog.

Verder schrijft Ellian: “Polarisatie zonder vijandschap is een wezenlijk aspect van politiek”. Dit is juist, alleen is het juist het probleem dat polarisatie, en dan vooral polarisatie tegen een bevolkingsgroep met een bepaald geloof of een bepaalde afkomst helaas tot vijandschap tussen bevolkingsgroepen en discriminatie leidt.

“Waar politiek is, is ook polarisatie” zegt Ellian ( p.75), en hij gebruikt hier het begrip ‘polarisatie” gelijk beduidend met ‘conflict’ en vermijdt het over discriminatie en ongelijke macht na te denken. Hij keert zich tegen etnische polarisatie of polarisatie “op grond van andere onveranderlijke, onontkoombare kwalificaties”. Zijn eigen onophoudelijke aanvallen op de islam zijn dus niet erg, omdat tenslotte elke islamiet afstand kan doen van zijn geloof.

Ellian gaat in zijn artikel niet in op de problematische diskwalificatie van andermans religie. Hij veronderstelt dat Nederlanders juist door de polarisatie tegen moslims positiever zijn gaan denken over moslims (p. 77) wat door geen enkel serieus onderzoek wordt aangetoond, en hij zegt:
“Voor 9/11 had niemand kunnen bedenken dat de bur­gemeester van Rotterdam, de tweede grote stad van Nederland, een mos­lim zou kunnen zijn.”

Dat is juist, maar Ellian zelf, net zo als zijn Burke-vriend Bolkestein, waren nog kort geleden  helemaal niet positief te spreken over een moslim-burgemeester. Polarisator Bolkestein zei nog in 2005:
“En binnenkort hebben we een gekozen burgemeester. Dat houdt in dat Amsterdam een islamitische burgemeester kan hebben. En burgemeester Job Cohen bepleit dat die het hoofd van de politie blijft.” (Het Parool, 22-12-2005)
Daarmee impliceerde Bolkestein dat de toenmalige Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb, een belijdend moslim, ongeschikt zou zijn als burgemeester. “Een behoorlijke uitglijder” noemde Aboutaleb zelf spraak. (Frits Abrahams, NRC 12-9-2006; vgl ook de uitspraak van Wilders tegenover Aboutaleb dat hij, Wilders niet gediend was van de aanwezigheid van moslims in het kabinet; zie Vrij Nederland 4-10-2208 , interview met Aboutaleb)

Net als Wilders probeert Ellian de toenemende integratie en emancipatie van moslims als een overwinning en verdienste  van de polarisatoren te presenteren. Maar hij vergeet dat de polarisatie ook veel maatschappelijke krachten heeft opgeroepen die het juist voor de moslims en tegen discriminatie hebben opgenomen. Het lijkt me niet waarschijnlijk dat Aboutaleb iets aan mensen als Bolkestein, Wilders en Ellian te danken heeft.

Over Wilders’ film ‘Fitna’ schrijft Ellian:
“Nooit eerder werd zo intens, veelvoudig en scherp geschre­ven en gesproken over de islam als in de Fitna-periode. Maar wat was het resultaat van Fitna? Ten eerste hebben de meeste Nederlandse moslims laten zien dat ze niets voelen voor een gewelddadig optreden tegen de be­ledigers of de criticasters van de islam. De radicale salafisten stonden he­lemaal alleen in hun hetze tegen het Kamerlid Geert Wilders. Ten tweede bevorderde deze houding van de moslims hun acceptatie bij de autoch­tone Nederlanders. Daardoor zijn aanzienlijk meer Nederlanders positief gaan denken over moslims. ”

Een zeer eenzijdige en verwrongen visie van Ellian op Fitna en Wilders. Ten eerste werd in de media niet over de moslims negatief geschreven in de Fitna-periode maar over Geert Wilders en zodra de film was verschenen over de lage kwaliteit van de film. De radicale salafisten stonden ook niet  alleen in hun kritiek op Wilders. Maar weinigen waren toen zo Wilders-getrouw als Afshin Ellian.

Een aan Ellian tegenovergestelde andere visie op polarisatie wordt in dezelfde bundel gegeven van Carsten de Dreu, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam:

“Polarisatie is volgens de Nederlandstalige versie van Wikipedia te om­schrijven als “het veroorzaken van een conflict of het versterken van te­genstellingen tussen bevolkingsgroepen of politieke partijen”. De laatste tijd zien we in politiek en samenleving een steeds sterker wordende nei­ging polarisatie te zien als iets nuttigs, als een manier om samen verder te komen, te ontdekken en te vernieuwen. Polarisatie wordt dan wel gezien als de tegenpool van het ‘polderen’ , als een superieur alternatief voor in ge­zamenlijkheid en door middel van overleg en onderhandelen tot een con­sensus te komen. Polarisatie wordt kortweg gezien als nastrevenswaardig.
In dit essay stel ik vast dat voor deze visie elke grond ontbreekt (De Dreu 2008). Polarisatie, zo zal ik betogen, levert weinig tot niets op en kost veel. Bovendien worden de opbrengsten van polarisatie vroeg of laat te­nietgedaan door de onvermijdelijke kosten die aan polarisatie kleven. Ten slotte zijn de opbrengsten vooral voor het individu en diens directe omge­ving, terwijl de kosten veelal op hogere niveaus van analyse (in casu de sa­menleving als geheel) terechtkomen. Of individuele opbrengsten mogen prevaleren boven maatschappelijk kosten is een moreel-ethische vraag die buiten het bestek van dit betoog valt. “

Met andere woorden, Ellian c.s. verdienen goed met hun regelmatige polariserende media-optredens. Of dit de samenleving een meerwaarde oplevert, daaran mag worden getwijfeld.

De Dreu:
“Polariseren omvat al die gedragingen die erop gericht zijn de eigen be­langen, opvattingen, waarden, normen en inzichten te laten prevaleren boven die van de tegenpartij. Polariseren komt vaak voort uit de wens de tegenpartij te domineren en men laat zich dan ook weinig tot niets gele­gen liggen aan de belangen, opvattingen en inzichten van de tegenpartij.”
“…polariseren [is] slechts een van de vele manieren om met conflicten en tegenstellingen om te gaan. Maar door te polariseren intensiveert en escaleert een conflict wel.” ( p 143 f.)

Polariserende conflict-escalatie leidt ertoe dat een ander als gevaarlijk, immoreel en/of inferieur beschouwd wordt:
“En alhoewel de meeste men­sen geneigd zijn anderen redelijk en beleefd te behandelen, en zelfs pas op de plaats te maken mocht die ander enigszins onbehoorlijk uit de hoek komen, vervalt voor de meesten die verplichting wanneer overduidelijk is dat die ander gevaarlijk, immoreel en inferieur is. Wanneer we iemand als zodanig beoordelen, en met die persoon een conflict ervaren, zijn we sneller dan normaal geneigd terug te grijpen op zware middelen en zullen we sneller dan normaal proberen het conflict via forceren en vechten te beslechten. Immers: met inferieure, immorele en gevaarlijke mensen valt niet te praten en is het slecht zaken doen.” ( p. 145)

“Er zijn in toenemende mate aanwijzingen dat polarisatie sneller en inten­ser plaatsvindt wanneer het conflict of de tegenstelling betrekking heeft op groepen in plaats van op individuen (Arrow 2007; Bornstein 2003; Wildschut er al. 2003). Enerzijds komt dit doordat mensen groepen meer wantrouwen dan individuen en zich via polarisatie tegen mogelijke uit­buiting trachten in te dekken (‘de aanval is de beste verdediging’). Ander­zijds komt dit doordat polarisatie in groepsverband ‘verkocht’ kan worden als een teken van loyaliteit jegens de eigen achterban, iets wat in interper­soonlijke conflicten per definitie onmogelijk is. Door zich extra hard en polariserend op te stellen tegenover andere groepen, toont men zich in feite een trouwen loyaal groepslid, wat weer voordelig is.” ( p 146)

De Dreu is het met Ellian eens dat conflicten potentieel constructief kunnen zijn, onder bepaalde voorwaarden. Maar volgens De Dreu geldt dit niet voor polarisatie:

“Samenvattend is de conclusie gerechtvaardigd dat matig intense conflic­ten de leerprestaties, de creativiteit en innovativiteit van betrokken indivi­duen en groepen bevorderen. Cruciale voorwaarden blijken te zijn dat
(1) de conflicten vooral taakinhoudelijk van aard zijn en normen en waarden alsook belangentegenstellingen buiten de deur worden gehouden, en
(2) de onderlinge verhoudingen goed zijn, mensen elkaar vertrouwen en el­kaar het licht in de ogen (blijven) gunnen.
Polarisatie zorgt er enerzijds voor dat slaapverwekkende harmonie kan worden omgezet in productieve spanning, doch tevens – en op oncontroleerbare wijze – dat wat begint als een taakinhoudelijk debat, snel uitmondt in een wirwar van belangen­tegenstellingen, betwiste normen en waarden en geschonden gevoelens. Kortom: polarisatie doet de mogelijk positieve bijdrage van conflicten aan creativiteit en innovativiteit teniet. “ ( p 147)

Mijn mening: polarisatie is voor het parlement, de universiteit , en voor groepen, die zich emanciperen.
De maatschappelijke mainstream, en zeker de PvdA, moet zich voor het bewuste aanwakkeren van ressentimenten hoeden.

 

Maria Trepp

Nietzsche en het anti-antisemitisme

61 comments

 

Nietzsche1882 antisemitisme

Nietzsche en het antisemitisme

Hoewel Nietzsche door sommigen als een voorloper van het nazisme wordt beschouwd bekritiseerde hij antisemitisme,  pan-Germanisme  en nationalisme. Zo brak hij met zijn uitgever in 1886 als gevolg van verzet tegen diens antisemitische standpunten, en zijn breuk met  Richard Wagner  beschreven in  Het geval Wagner  en  Nietzsche contra Wagner (beiden geschreven in 1888), had veel te maken met Wagners goedkeuring  van pan-Germanisme en antisemitisme.

In een brief  van 29 maart 1887 aan  Theodor Fritsch  bespotte Nietzsche antisemieten als  Fritsch,  Eugen Dühring , Wagner, Ebrard, Wahrmund  en de leidende voorstander van het pan-Germanisme,  Paul de Lagarde , die, samen met Wagner en  Houston Chamberlain , de belangrijkste officiële invloeden van het nazisme werden.  Deze brief aan Fritsch eindigt:

 – En tenslotte, hoe denk je dat ik me voel wanneer de naam Zarathoestra in de mond wordt genomen door anti-semieten?  …

Hoofdstuk VIII van  Voorbij goed en kwaad  getiteld “Volk en vaderland” bekritiseert pan-Germanisme en patriottisme, en bepleit in plaats daarvan de eenwording van Europa (§ 256, etc.).

In  Ecce Homo  (1888), bekritiseerde Nietzsche de “Duitse natie”, de “wil tot macht (= tot Reich)”, en keurde een verkeerde interpretatie van de Wille zur Macht  af, net zo als de opvatting van de Duitsers als een “ras”,  en de “antisemitische manier van schrijven van de geschiedenis”.

Nietzsche uitte harde kritiek op de man van zijn zuster,  Bernhard Förster en op zijn zuster zelf , en sprak afwijzend over de “antisemitische canaille”: “Nadat ik de naam van Zarathoestra in de anti-semitische correspondentie lees komt mijn verdraagzaamheid tot einde.  Ik verkeer nu in een positie van noodweer tegen de partij van jouw echtgenoot. Deze vervloekte antisemitische misvormingen zullen mijn ideaal  niet bezoedelen!” .

Georges Bataille  was een van de eersten die de opzettelijke verkeerde interpretatie van Nietzsche door de nazi’s aan de kaak stelde.  Bataille wijdde in januari 1937 een nummer van  Acéphale , getiteld “Herstelbetalingen aan Nietzsche” aan het thema “Nietzsche en de fascisten”,  Hij noemde Elisabeth Förster-Nietzsche  “Elisabeth Judas-Förster,” daarbij aan Nietzsches verklaring refererend:   “…nooit meer iemand te bezoeken die betrokken is bij dit naakte bedrog met betrekking tot rassen. 

Nietzsches aforisme 377  in het vijfde boek van  De vrolijke wetenschap  (Gepubliceerd in 1887) bekritiseert nationalisme and patriottisme en pleit ervoor goede Europeanen te zijn:

„.. wir sind der Rasse und Abkunft nach zu vielfach und gemischt, als “moderne Menschen”, und folglich wenig versucht, an jener verlogenen Rassen-Selbstbewunderung und Unzucht teilzunehmen, welche sich heute in Deutschland als Zeichen deutscher Gesinnung zur Schau trägt und die bei dem Volke des historischen “Sinns” zwiefach falsch und unanständig anmutet. Wir sind, mit einem Worte – und es soll unser Ehrenwort sein! – gute Europäer, die Erben Europas, die reichen, überhäuften, aber auch überreich verpflichteten Erben von Jahrtausenden des europäischen Geistes: als solche auch dem Christenthum entwachsen und abhold, und gerade, weil wir aus ihm gewachsen sind, weil unsre Vorfahren Christen von rücksichtsloser Rechtschaffenheit des Christentums waren, die ihrem Glauben willig Gut und Blut, Stand und Vaterland zum Opfer gebracht haben.“

http://gutenberg.spiegel.de/buch/3245/8

 

“Nietzsche was zijn gehele leven aan een vloed van antisemitische propaganda blootgesteld: van de zijde van zijn zuster en zijn zwager, Bernhard Förster, een prominent vertegenwoordiger van de Duitse antisemitische be­weging, die na een schandaal in een tram, waarbij hij joodse passagiers had mishandeld, naar Paraguay emigreerde om daar de teutoonse kolonie ‘Nueva Germania’ te stichten; van de zijde van Wagner; van zijn uitgever Schmeitzner en van lieden die hem de Antisemitische Korrespondenz toezonden. Hierin ligt onge­twijfeld mede de verklaring voor zijn voortdurende bestrijding van dit gif. “

Dit citaat komt uit het boek van Henk van Gelre, “Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving” (band 1, p 108) , aanbevolen op mijn vorige blog door An van den Burg.

Nietzsche: “‘Het hele probleem van de joden bestaat alleen binnen de nationale staten, in zover hun daadkracht en grotere intelligentie, hun in een lange lijdensschool van generatie op generatie opgestapeld geestes- en wilska­pitaal, hier wel overal in een afgunst en haat opwekkende mate het overwicht moet verkrijgen, zodat de literaire onhebbelijkheid in alle naties van vandaag de overhand neemt – en wel méér naarmate deze zich weer nationaal gedragen -, om de joden als zondebok, voor alle moe­lijke openbare en innerlijke misstanden naar de slachtbank te leiden.’

Rüdiger Safranski heeft in zijn uitvoerige Nietzsche- biografie ook over het thema “Nietzsche en het antisemitisme” geschreven (p 331 ff):

Het is onbetwist­baar dat Nietzsche een anti-anti-semiet was, al is het maar omdat het antisemitisme hem in zulke gehate figuren als zijn zwager Bernhard Förster en zijn zuster voor ogen stond. Hij verachtte de Duits-nationale, volkse componenten. Hij zag in de anti-semitische beweging van de jaren tachtig de opstand van de middelmatigen, die zich onrechtmatig voor heersersnaturen uitgaven, alleen omdat ze zich Ariërs voelden.

Tegenover zulke antisemieten was Nietzsche zelfs bereid het joodse ras te verdedigen door te beweren dat het meer waard was. Zijn argument luidt: Omdat ze zich eeuwenlang tegen aanvallen hebben moeten verdedigen, zijn ze taai en geraffi­neerd geworden, ze hebben de defensieve kracht van de geest ver­sterkt en zodoende een onmisbare rijkdom in de Europese geschie­denis ingebracht. Het joodse volk, schreef Nietzsche, heeft van alle volkeren de smartelijkste geschiedenis achter de rug, en juist daarom hebben we aan dit volk de edelste mens (Christus), de zuiverste wij­ze (Spinoza), het machtigste boek en de invloedrijkste zedenwet ter wereld […]  te danken. Hij keert zich tegen de verblinding van de nationalisten die de joden als zondebokken van alle mogelij­ke publieke en private misstanden naar de slachtbank leiden.”

“In zijn aantekeningen uit de herfst van 1888 zet Nietzsche een aan­tal gedachten voor een psychologie van het antisemitisme op een rijtje. Het gaat daarbij meestal om lui, schrijft hij, die te zwak zijn om hun leven een zin te geven en die zich in panische angst bij de eerste de beste partijen aansluiten die hun tirannieke behoefte aan zin bevredigen. Ze worden bijvoorbeeld anti-semieten louter en al­leen omdat de anti-semieten het op het schaamteloze af op dat ene voor de hand liggende doel gemunt hebben – het joodse geld . Aan die waarneming knoopt Nietzsche zijn psychogram van de ordinai­re anti-semiet vast: instinctieve afgunst, ressentiment, machteloze woede als I ei d mot i e f: de aanspraak van de ‘uitverkorene’; door en door moralistische leugenachtigheid tegenover zichzelf -die per­manent de mond vol heeft van deugdzaamheid en alle andere gro­te woorden. Dit als typisch kenmerk: ze merken niet eens op wie ze daardoor als twee druppels water lijken? Een anti-semiet is een afgunstige, dat wil zeggen de meest stupide jood. “

“Toch ontwikkelde hij [Nietzsche]  in De genealogie van de moraal, in Afgodenschemering en in De antichrist een theorie vol­gens welke het religieuze jodendom een beslissende en leidingge­vende rol heeft gespeeld bij het initiëren van de slavenopstand van de moraal. “

“De door Nietzsche verachte antisemieten konden dus in ieder geval een aantal van zijn gedachten als bron van inspiratie gebrui­ken, ook al strookte het beeld van de Arische heersersnatuur dat zij ontwierpen niet met het beeld van voornaamheid dat Nietzsche als leididee voor ogen stond. Dat hebben ze bij de nationaal-socialisten op een gegeven moment ook gemerkt. Ze bleven Nietzsche welis­waar voor hun karretje spannen, maar er gingen daarnaast steeds meer stemmen op die voor de vrijdenker Nietzsche waarschuwden. Ernst Krieck, een invloedrijke nationaal-socialistische filosoof, oor­deelde ironisch: ‘Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstan­der van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten be­schouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn’  “.

De pre-fascist Max Nordau, auteur van “Entartung/Ontaarding” (1892) haatte Nietzsche, die hij (terecht) als een vrijdenker en als een antinationalist beschouwde. Dus heeft Max Nordau aan Nietzsche een van zijn haat-hoofdstukken gewijd, wat achteraf bezien eigenlijk een hommage is, omdat Nietzsche hier naast andere “ontaarde” en dus “dood te slaande” geesten staat: Tolstoi, Beaudelaire, Ibsen, Zola.

Harry Mulisch behandelt de kwestie “Nietzsche en het antisemitisme” uitvoerig in zijn boek over Eichmann “De zaak 40/61” waarbij hij ook tot de conclusie komt:

“hij [Nietzsche] zou ongetwijfeld tot Hitlers felste tegenstan­ders behoord hebben”

 

Maria Trepp

 

Aandacht

34 comments

Hans Alma, rector en hoogleraar Psychologie en Zingeving aan de Universiteit voor Humanistiek, onderzoekt in haar oratie ‘De parabel van de blinden. Psychologie en het verlangen naar zin’ het opkomen van de vraag en het verlangen naar zin. Zij laat zien hoe deze voortkomen uit een fundamentele spanning in het menselijk bestaan tussen enerzijds zoeken naar geborgenheid in het vertrouwde en anderzijds nieuwsgierigheid naar wat onbekend is.

Een hoofdstuk in dit mooie boekje gaat over aandacht,  opgevat als een rechtvaardige en liefdevolle waarne­ming van iets in de werkelijkheid.

Alma schrijft ( p 23 ff) : “Aandacht is een moreel begrip, ster­ker nog, voor Iris Murdoch vormt aandacht de kern van moraliteit […] . Tegenover de menselijke neiging om overtuigend cohe­rente, maar valse beelden van de wereld te vormen, staat aandacht als poging om zulke illusies tegen te gaan. Dat wat ons omringt verdient aandacht omdat het er is, omdat het interessant, mooi en vreemd is en omdat het onze aandacht nódig heeft. We zouden in ieder geval moe­ten proberen aandachtig waar te nemen, in plaats van in een nevel­sluier van privé angst en fantasie te leven […] . Aandacht is gericht op de grote, verrassende variëteit van de wereld. “

“Aandacht [impliceert]  altijd het aangaan van een relatie, waarin de gehele persoon betrokken is. Aandacht staat niet voor een receptie van stimuli door de afzonderlijke zintui­gen, maar voor een totale respons van de persoon op zijn omgeving ­zintuiglijk, motorisch, affectief en verstandelijk.”

“[Aandacht impliceert altijd] een geraakt-zijn, een zekere ontroering, een lichte hui­vering. Het kan ons overkomen bij de confrontatie met een kunst­werk, bij het luisteren naar muziek, in een liturgische viering en in feite in iedere situatie waarin iets ons verrast.”

“Het vermogen geraakt te worden door en aandacht te besteden aan onze omgeving, beschouw ik als de basis van ervaringen van zin of zin­loosheid.”

“Wie er vooral op gericht is de wereld te begrijpen, verklaren en controleren, dreigt de ruimte om zich te laten raken door een ander te verliezen. Vanuit deze optiek is het ook van belang levensbeschouwing niet te reduce­ren tot een betekeniskader, dat vooral antwoorden geeft in plaats van vragen levend te houden. Wie sluitende antwoorden zoekt, miskent de waarde van de twijfel en verwondering die door een al dan niet religieuze levensbeschouwing gewekt kunnen worden.”

Vorig jaar heb ik over Marcel Proust en de meidoorn geschreven, en hoe Proust de meidoornhaag als een kerk aanvoelt:
“De haag leek op een lange rij kapellen die onder een dikke laag op het altaar gestrooide bloemen verdwenen; daaronder tekende de zon op de grond en scherp traliewerk, alsof haar licht door een kerkram viel.” [zie ook Proust en de roze meidoorn]

Dit jaar zie ik de kaarsen van de paardekastanje op de begraafplaats Groenesteeg, en inderdaad, zo’n boom heeft iets van een kerk.

en hier bloeiende kastanjetakken van Vincent van Gogh, 1890, aandachtig bestudeerd:

Vincent van Gogh, Bloeiende kastanjetakken, 1890

en

Vincent van Gogh, Laan met bloeiende kastanjebomen, 1889

Maria Trepp

Beperkt houdbaar: Baudrillard over het lichaam als vijandig object

13 comments

In aansluiting aan het debat over de vrouwvijandigheid van de cosmetische industrie en de media hier nog een paar gedachten van de pas overleden Jean Baudrillard over de manier hoe moderne mensen met hun lichaam omgaan.

Baudrillard is bewust eenzijdig, maar belicht in zijn eenzijdigheid de eenzijdigheid van anderen…

Volgens Baudrillard wordt het lichaam in de moderne samenleving een consumptieobject. Het is het individu zelf dat zijn eigen lichaam tot consumptieobject maakt. Het lichaam wordt een object waarin men moet investeren om zichzelf vervolgens als arbeidskracht te kunnen exploiteren.
De lichamelijke schoonheid wordt dus zuiver functioneel en vormt geen grondslag voor individueel genot of plezier. Het lichaam wordt vooral benaderd als negatieve factor en als een vijand.
De schoonheidscultus, bekrachtigd door de mode-, vrijetijds- , vakantie- en sportindustrie, vestigt de mythe van een lichaam dat het fundament is van één homogeen subject van één volkomen in-dividu, dus van een als natuurlijk voorgestelde ondeelbare eenheid.

Het lichaam van een ondeelbaar subject kan en mag niet uiteengescheurd worden door begeerte, dus moet het moderne schone lichaam niet van al te veel begeerte vervuld worden. 
Het moderne lichaam moet bovendien een volledig en onnatuurlijk positief geladen grootheid zijn, die een vorm van kapitaal is en de grondslag vormt van een samenleving georiënteerd op privébezit. Binnen dat ideologische kader is het lichaam geen territorium van begeerten, driften, complexen, doodsangst en andere psychische negativiteiten. Het negatieve heeft geen of te weinig plaats in de wereld van investering en consumptie

Na Wouter Gils, Het lichaam als teken van leven, In: Jan Rolies, De gezonde burger, p. 89 ff. 

Zie ook de documentarire van Sunny Berkman, Beperkt houdbaar (Holland Doc)
en de uitstekende recensie hiervan door Wim de Jong in de Volkskrant van  9 maart.
“Aan Bergmans oproep gaat in Beperkt houdbaar een persoonlijke ontdekkingsreis vooraf langs redacties van glossy’s, beautyfotografen en plastisch chirurgen. In de rug gedekt door de cosmeticabranche wordt in die wereld de misvatting in stand gehouden dat een mooie vrouw per definitie een rimpelloze, schaamliploze, op borst- en bilhoogte met siliconen gevulde en elders met kindermaatjes gezegende vrouw is.”

Meest recente berichten

Archief

Categorieën