Wetenschap Kunst Politiek

Adolf Eichmann en het zionisme

3 comments

[Vervolg op mijn Eichmann-blog van gisteren]

Een van de vele moeilijke hoofdstukken in het leven en streven van Eichmann is zijn intense samenwerking met de zionisten.

Voordat Eichmann tot organisator  werd van de Holocaust zette hij zich lange tijd in voor een emigratie van alle joden naar Palestina. Hiervoor werkte hij nauw samen met zionisten.

David Cesarani in zijn Eichmann-biografie:

“[Men] wilde ernaar streven ‘het joodse vraagstuk’ in Duitsland op te lossen door een ordentelijke joodse emigratie naar Palestina te bepleiten. In 1936 en 1937 had Eichmann intensieve contacten met joden binnen de zionistische be­wegingen in Duitsland. Hij had een ontmoeting met Feivel Polkes, een Palestijnse jood, die voorstelde dat de nazi’s en de zionisten zouden samenwerken om de joodse emigratie te bevorderen. In november 1937 reisde Eichmann naar het Midden-Oosten om deze mogelijkheid te onderzoeken en hij bracht een kort be­zoek aan wat later de staat Israel zou worden. In deze fase combineerde hij een re­latiefwelwillende kijk op het zionisme met een traditioneel antisemitisch wereld­beeld.” (p 17)

“Recentelijk opgedoken rapporten en lezingen die hij in 1937 schreef, tonen hem in de greep van een fantasie waarin sprake is van een wereldomvattende jood­se samenzwering tegen Duitsland. Eichmann zag, net als zijn kameraden in de 5D, de joden als een ‘vijandelijke’ macht. Ditwas een buitengewoon onpartijdige, afgeleide vorm van jodenhaat die hem in staat stelde normale relaties met indivi­duele joden te onderhouden, in het bijzonder met zionisten, terwijl hij onver­moeibaar werkte aan een plan het Rijk te bevrijden van zijn joodse inwoners en de strijd tegen de ‘macht’ van een mythisch, mondiaal jodendom.”

“In 1940 was Eichmann betrokken bij andere massa-verdrijvingen en hij ont­wierp plannen om vier miljoen Europese joden naar Madagaskar te deporteren.”

Eichmann noemde zichzelf zelfs de nieuwe Herzl.

“Eichman zag zichzelf in die tijd zeker niet als een jodenmoorde­naar. Hij was nog steeds een voorstander van joodse emigratie en hij werkte het hele jaar 1940 samen met zionistische groeperingen en joodse mensensmokke­laars die heimelijk joden naar Palestina zonden” (p 19)

 

“Nieuw onderzoek ont­hult dat de voorbereidingen voor het proces [in Jeruzalem] aan politieke bemoeienis waren onderworpen. De Israëliërs ontweken gevoelige zaken zoals het contact tussen de zionisten en Eichmann in de jaren dertig en de onderhandelingen over het lot van de Hongaarse joden in 1944 waarbij Ben-Goerion zelf was betrokken.” (p 24)

De samenwerking tussen nazi’s en zionisten is een donker hoofdstuk in de geschiedenis, ook is het nog zo goed te begrijpen dat de joden een veilige plek zochten.

Ik heb mij eerder in ander verband bezig gehouden met de problematische geschiedenis van het zionisme, waarbij ik met racistische en antisemitische gedachten bij Max Nordau, de tweede man van het zionistisch verbond na Theodor Herzl.

Ik heb met schrik vastgesteld dat Hitlers begrip van de “ontaarding” en “ontaarde kunst” een denkbeeld was die op 1000 pagina’s was uitgewerkt door een jood, de zionist Max Nordau.

Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoi, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.

De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierswerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau  het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit “maatschappelijke ongedierte” moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.

Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde “Muskeljuden” . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.

Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: ‘Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004)

Tot besluit: ik zeg NIET dat alle zionisten fascisten zijn of erger. Er zijn zeer verschillende vormen van zionisme.

Ik zeg alleen dat ook de geschiedenis van het zionisme donkere hoofdstukken bevat.

 

Literatuur: Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani

Zie ook hier over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis

Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde,  verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.

Maria Trepp www.passagenproject.com

Bart Jan Spruyt, Leo Strauss, Spinoza en het zionisme

no comment

Onder Nederlandse intellectuelen woedt niet alleen een strijd over de correcte Koran-interpretatie, maar ook over de correcte Spinoza-interpretatie. Was Spinoza wel de radicale atheïst waarvoor hij nu door de Jonathan-Israël-brigade versleten wordt? En zo ja, is zijn argumentatie dan geldig?

Bart Jan Spruyt, directeur/secretaris van de Burke Stichting heeft zich vorig jaar ook over de kwestie Spinoza gebogen.
In een artikel met de gecompliceerde en haast onbegrijpelijke titel: “Marianne en Mohammed met de fasces. De noodzaak van een aangescherpte handhaving van onze sobere ordening “ ( In: Marcel ten Hooven/ Ongewenste goden, 2006) schrijft hij:

“Het debat over politiek en religie diende zich aan bij het geboorteuur van de moderniteit, en heette toen het theologisch-politieke probleem. Als term is de kwestie gemunt door Baruch Spinoza (1632- 1677). Zoals bekend ontwierp Spinoza een strategie om samenleving en cultuur uit dogmatische verstarring en politieke knechting te bevrijden. Het ging hem om de rechten die iedereen heeft ‘krachtens de natuur en als staatsburger’, om ‘de vrijheid van denken’ en om ‘de vrijheid om te zeggen wat men denkt’. De religiekritiek vormde een belangrijk onderdeel van die strategie: door het gezag van de openbaring genadeloos op de korrel te nemen wilde Spinoza de samenhang tussen theologische waarheidsaanspraken en politieke machtsaanspraken ontmantelen, en daarmee de basis leggen voor de moderne, liberale democratie als seculiere samenleving waarin de vrijheid van denken, spreken en handelen centraal staat. Kritiek op (de christelijke en Joodse) religie bracht als vanzelf ook een afwijzing van de klassieke traditie met zich mee.
Was Spinoza’s kritiek behalve succesvol ook gegrond? Dat is de vraag die de eveneens joodse filosoof Leo Strauss (1899 – 1973) zich stelde. Dat Strauss zich zo intensief met Spinoza heeft beziggehouden, heeft alles te maken met de sympathie die hij gedurende een aantal (van zijn jonge) jaren heeft gekoesterd voor het zionisme. De religiekritiek van Spinoza mondde uit in een keuze voor een minimale conceptie van het geloof als naastenliefde. Omdat die naastenliefde, een algemeen aanvaard principe, de essentie van het geloof vormt, bestond er voor de uitzonderingssituatie van de galut (ballingschap) en de sterk ritualistische manier van leven daarbinnen, geen reden meer. Joden konden hun afgezonderde bestaan om die reden opgeven, en als zij dat zouden doen, zouden zij volgens Spinoza zelfs naar het heilige land kunnen terugkeren. ‘Als de grondslagen van hun godsdienst hun geestkracht niet zouden doen verslappen, zou ik absoluut geloven dat zij [Spinoza’s joodse tijdgenoten; BJS] eens – want zo veranderlijk zijn de menselijke zaken – hun staat weer zouden oprichten en dat God hen opnieuw zou verkiezen’. Maar in hoeverre is dit politieke zionisme nog legitiem wanneer het gebaseerd is op een ontkenning van de traditie die de hoop en het verlangen naar Israël had verwekt en levend gehouden? En wat is precies de relatie tussen Spinoza’s kritiek en die traditie? Was die traditie werkelijk weerlegd of had zij uiteindelijk geen hout gesneden – ondanks haar latere succes? Volgens Strauss presenteerde Spinoza zijn kritiek als het resultaat van een eerlijke poging om de oorspronkelijke betekenis van de Bijbelse leer te herstellen. Maar deze ogenschijnlijke poging tot een herbronning verborg in feite een kritiek op de bron zelf. Dat is een van de belangrijkste kernen van het moderne project: ook Machiavelli had zijn offensief tegen de traditie ingekleed als een terugkeer tot de traditie toen hij zijn pleidooi voor ‘nieuwe wetten en maatschappelijke structuren’ aanbood in de vorm van een commentaar op de eerste tien boeken van Livius. Spinoza redeneerde vanuit de conclusies die hij in zijn Ethica al had bereikt, en die onder andere de logische onmogelijkheid van een openbaring inhielden. De bijzondere gebeurtenissen, wonderen, daden en profetieën zoals die in de Bijbel staan opgetekend, zijn onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig, zowel op zichzelf als door de lange overlevering. Om die reden kunnen zij niet worden beschouwd als de basis van een religie die zich op een openbaring baseert. Het is dus niet zo dat Spinoza’s kritische Bijbelwetenschap, verpakt als een terugkeer naar de bronnen, zijn religiekritiek had ingegeven, maar andersom: zijn rationalistische religiekritiek had de voorwaarden voor zijn Bijbelwetenschap geschapen en die kritiek daarmee mogelijk gemaakt. Een van de belangrijkste voorwaarden was natuurlijk de mogelijkheid om een belangrijke hermeneutische beslissing te nemen door de Bijbel als een literaire tekst te onderwerpen aan een literaire kritiek, volgens de maatstaven die gelden voor de interpretatie van welke tekst dan ook. Met andere woorden: de manier waarop Spinoza de Bijbel wilde lezen veronderstelde al bij voorbaat de ontkrachting van het orthodoxe standpunt dat hij met die lectuur wilde bereiken. Hij maakte zich daarmee dus schuldig aan een cirkelredenering, een petitio principii: hij veronderstelde wat hij wilde aantonen. Om die reden zijn de resultaten van de Bijbelkritiek, hoe succesvol die ook zijn geweest, alleen geldig binnen de cirkel van het volstrekte vertrouwen in de genoegzaamheid van de menselijke rede. Maar binnen de cirkel van de orthodoxie is dit vertrouwen juist afwezig, omdat men er daar vanuit gaat dat de rede inherente gebreken heeft en daarom de aanvulling, correctie en vervolmaking van een bovenmenselijke openbaring nodig heeft. Beide partijen in het conflict beroepen zich daarmee op een premisse die uitsluitend in zichzelf is gefundeerd, en die als zodanig wordt geloofd. Het succes van moderne Bijbelkritiek, hoe aanvechtbaar ook, is vooral te danken aan de bijtende spot waarmee die altijd gepaard is gegaan. ‘Deze kritiek [van Spinoza c.s.; BJS] heeft slechts kans van slagen, niet als directe argumentatie, maar enkel dankzij de spot, die de argumenten kruidt en slagkracht verleent. De rede moet ‘geest’ worden om haar meer dan koninklijke vrijheid, haar onwrikbare soevereiniteit actief te kunnen ervaren. Met de aanloop van de lach springt zij over de beperkingen heen die zij niet zou kunnen overwinnen wanneer zij er met de kloeke tred van de argumentatie tegen zou oprukken. Maar al het zelfbewustzijn van de Verlichting kan niet doen vergeten dat deze voor haar typische, historisch zo efficiënte kritiek de kern van de openbaring niet bereikt, maar enkel kritiek vanuit de consequenties is, en daarom aanvechtbaar.’”

Zo ver Leo Strauss en Bart Jan Spruyt. Dus voor Leo Strauss en Bart Jan Spruyt kan Spinoza gewoonweg niet zuiver redeneren. Toch haast Spruyt ( die het partijprogramma van Wilders heeft geschreven) zich te zeggen, dat hij geenszins van mening is, dat ook de moslims de vrijheid moeten hebben hun boeken zo fundamentalistisch te lezen als hij het doet. Welnee- religievrijheid ja, maar niet voor iedereen: “Moderne westerse democratieën leggen zich vooral toe op ‘secundaire impulsen’ als de arrangementen van de verzorgingsstaat en de zichzelf opgelegde plicht alles en iedereen te helpen, te steunen en te ‘bevrijden’. Zij hebben daarbij de neiging de primaire impulsen – veiligheid en orde, familie en gezin, geloof en moraal, demografische ontwikkelingen – te verwaarlozen. Zij zien meer in praten en een beetje op weg helpen dan in het stellen van grenzen, en versluieren reëel bestaande conflicten liever dan dat zij die onder ogen zien. Zij zijn een beetje trots op hun eigen kwetsbaarheid, en denken dat iedereen hen om hun zachtheid en eindeloze vriendelijkheid wel aardig zal gaan vinden. Maar er zijn tijden van conflict waarin we ons ineens realiseren dat dit alles een illusie is, tijden waarin de geschiedenis terugkeert en weerbaarheid geboden is. En weerbaarheid vraagt om sterke muren.”

Geef mij maar de naastenliefde van Spinoza, inclusief een staat Israël die zich niet op goddelijke rechten beroept en muren bouwt.

Meest recente berichten