Naar aanleiding van de tentoonstelling in het Van Gogh-museum “Paul Gauguin De doorbraak naar moderniteit” van 2010, hier de zelfportretten die Vincent van Gogh en Paul Gauguin voor elkaar hebben gemaakt, en twee zelfportretten die beiden voor hun vriend Charles Laval hebben gemaakt.

Vincent van Gogh Zelfportret 1888 als zen monnik (bonze), voor Gauguin (zinspeelt op het gemeenschappelijk interesse voor Japonisme/Japanse kunst)

Paul Gaugin, Zelfportret opgedragen aan Vincent van Gogh 1888

Vincent van Gogh zelfportret 1888 opgedragen aan Charles Laval

Paul Pauguin, Zelfportret opgedragen aan Charles Laval 1888
Wikipedia: “Gauguin woonde, op initiatief van Theo van Gogh, de broer van Vincent, twee maanden samen met Vincent van Gogh, in Arles om te schilderen en van elkaar te leren. Het werd geen gelukkige periode. Gauguin kreeg depressieve buien en deed een zelfmoordpoging. Uit de brieven van Van Gogh – die Gauguin financieel steunde – blijkt dat ze voortdurend ruzie hadden. Op een moment was Gauguin zo geschrokken van het gedrag van zijn huisgenoot, die hem tijdens een avondwandeling achtervolgde, dat hij een nacht in een hotel doorbracht. De volgende ochtend had Van Gogh een deel van zijn oor afgesneden. Daarop werd Van Gogh in een gesticht opgenomen en vertrok Gauguin uit Arles. “
In een nieuw Duits boek “Van Goghs Ohr” geschreven door de kunsthistorici Hans Kaufmann en Rita Wildegans wordt beweerd dat Gauguin het oor van vincent heeft afgesneden.
In zijn laatste brief aan Gauguin schreef Van Gogh: “Jij zwijgt, ik zal dat ook doen.”
Experts, zoals Leo Jansen, conservator van het Van Goghmuseum in Amsterdam houden het nog steeds op op zelfmutilatie…..

Vincent van Gogh, Zelfportret met verbonden Oor 1889
…en hier nog twee merkwaardig-interessante portretten die Vincent van Gogh van zichzelf en van Gauguin maakte:

Vincent van Gogh, De-stoel van Van Gogh 1888

Vincent van Gogh, De stoel van Gauguin, 1888
Alle zelfportretten van Vincent van Gogh chronologisch op een rijtje klick hier
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
Zie ook de tentoonstelling
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam
De tentoonstelling Silk Stories, Het verhaal achter de kimono in de Rotterdamse kunsthal stimuleert mij om hier een paar schilderijen te tonen met vrouwen in kimono’s.
Toen Japan in 1854 zijn grenzen openstelde geraakte de Westerse kunstwereld in de ban van de Japanse kunst.
Japan toonde zijn nagenoeg onbekende kunst op de Wereldtentoonstelling van 1862 in Londen en 1867 in Parijs. Japanse kunst en gebruiksvoorwerpen, zoals kimono’s, waaiers, gelakte voorwerpen en kamerschermen werden een rage.
De gestileerde motieven in de grafische kunst van kunstenaars als beïnvloedde de stijl van veel Westerse kunstenaars, zoals Vincent van Gogh.
Hier de Courtisane in kimono van Vincent van Gogh (1887), die hij had overgenomen van een tentoonstellingsaffiche over Japanse kunst.


Georg Hendrik Breitner heeft in dezelfde tijdsperiode (1883-99) een aantal schilderijen gemaakt van meisjes in kimono’s. Breitner hoort bij de Haagse school, en Van Gogh werd in zijn Haagse periode sterk beïnvloed door deze school ( hierover later meer).

Georg Breitner, Meisje in rode kimono
G

Georg Breitner, Meisje in kimono

Claude Monet, Madame Monet in rode kimono, 1876

Japanse kers voor het Museum Volkenkunde Leiden

Prunus in de Hortus


Vincent van Gogh, Bloeiende perzikbomen, 1888

Vincent van Gogh, Amandelbloesem, 1890

Vincent van Gogh,
Perenboom in bloei, 1888
—————————————————————————————————–
In de Van Gogh-tentoonstelling “De kleuren van de nacht” hangen ook veel schilderijen van andere schilders die Van Gogh hebben beinvloed. Zoals bijvoorbeeld Camille Corot, met ‘Maneschijn‘ van 1865.

Vincent van Gogh had grote bewondering vor Corot, en sprak over een “Corot-stemming” die werd getypeerd door intimiteit en mysterieuze stilte.
Zowel Solvejg alsook ik hebben geschreven over de invloed die Japanse prenten op Van Gogh hadden. Hier is “De Shoei brug” van 1862 te zien ( Utagawa Hiroshige II), met de volle maan; een prent die ook in Amsterdam te zien is, en in bezit was van Van Gogh, net als de prent daaronder met de Saruwakacho theaterstraat (Hiroshige) onder de volle maan.

Utagawa HiroshigeII, De Shoei brug

Saruwakacho theaterstraat (Hiroshige)
En als laatste een zelfportret van mij, gisteravond ( 11 maart 2009) onder de volle maan.


‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
Zie ook de tentoonstelling
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
Vincent van Gogh bezat veel Japanse prenten die hem zeer inspireerden, onder meer van Hiroshige. Van Gogh maakte van twee latere prenten van Hiroshige bijna exacte kopieën in olieverf.

Vincent van Gogh, De bloeiende pruimenboom naar Hiroshige (1887)

Utagawa Hiroshige, De pruimenboomgaard bij Kameido, 1857
Van Gogh koos andere kleuren dan Hiroshige (zie ook Ingrid van den Bergh over de kleuren bij Van Gogh) . Van Gogh voegde bovendien zelf de lettertekens toe, die hij uit een ander houtsnede over nam [!] .
Ook van Hiroshiges “Onverwachte bui op de Grote Brug bij Atake” (1857)

maakte van Gogh een eigen schilderij:

“Brug in de regen naar Hiroshige“, 1887.
Van Gogh omkaderde de voorstelling rondom met een decoratieve rand en voegde ook hier zelf Japanse karakters toe.
Zie ook Louis van Tilborgh, Van Gogh en Japan.
‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
Zie ook de tentoonstelling
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam
Maria Trepp
Morgen, maandag 9 februari, is het weer volle maan.
Deze week, op 13 februari, start in het Van Gogh-museum in Amsterdam de tentoonstelling Van Gogh en de kleuren van de nacht. Ik heb al vast gekeken op ik op de schilderijen van Van Gogh de volle maan heb kunnen ontdekken.
Dat valt nogal tegen. De kleuren van de nacht zijn bij Van Gogh vooral de kleuren van de schemering en van de ondergaande zon.
Het belangrijkste volle-maan-schilderij van Van Gogh hangt meestal in het Kröller-Müller Museum (maar nu zeker in Amsterdam), Ommuurd veld met schoven en opkomende maan, 1889:

Dit schilderij maakte Van Gogh in de psychiatrische inrichting in Saint-Rémy. Het korenveld kon hij vanuit zijn kamer zien.
Het maanlicht wordt aangeduid met de lichte kleine witte (oorspronkelijk roze) toetsen over lucht en landschap.
Van Gogh was niet tevreden over dit schilderij. Hij noemde het samen met de beroemde ‘Sterrennacht’ (hieronder) in een brief. Hij vond zelf dat hij in beide schilderijen de compositie had overdreven, en dat beide schilderijen leken op een oude houtsnede ( zie hier ook de Japanse houtsnedes van Hiroshige met de maan, die Van Gogh in zijn bezit had).
De maannachten zijn bij Van Gogh sterk expressief geschilderd, maar ook symbolistisch: in de landschappen verbeeldde hij ideeën over natuurkrachten, kosmische energie, en de nietigheid van de mens tegenover de natuur.
Ook op het schilderij Wit huis bij nacht (1890)

is een kleine, maar volle en stralende maan te ontwarren (opmerking later toegevoegd: zie hieronder, het is waarschijnlijk de Venus..) .
Anders heeft Van Gogh zo ver ik weet de maan alleen als sikkelmaan geschilderd; op internet is een overzichtje hiervan te vinden: drie keer de toenemende en een keer de afnemende maan.
De afneemende maan is te zien op het schilderij Sterrennacht, ook in 1889 in Saint-Rémy geschilderd. De sterren en de afnemende sikkelmaan in een ritme van licht en beweging achter de cipressen en het stadje.

zie ook hier de fantastische interactieve video Starry Night
Erwin Mortier in ‘Godenslaap’:
“Alleen bij Van Gogh heb ik de middagen van toen teruggezien. Zijn onvaste zonnen en de morsige melkwegen in zijn zwarte vibrerende nachten; de onverdraaglijke duisternis die hem dusdanig benauwde dat hij ze doorzeefde met sterren zo hel als de verzengende weelde van de eeuwige middag van zijn gekte. Hij kende de waanzin van de katten, maar kon hun slaap niet vatten, dus vrat de demon hem op. “ ( p 211)
—————————————————————
Govert Schilling haalt in de Volkskrant van 14 februari de astronoom Don Olsson aan, die (voor mij overtuigend) beweert dat op het schilderij “Wit huis bij nacht” de Venus en niet de maan staat afgebeeld!
De Iris, zwaardlelie, daarover wil ik al een tijdje bloggen.
van de gele iris plus maan
de gele iris plus zwaan


trof ik ook bij mijn uitstapje na Florence (de stad van de Iris!] een buitengewoon mooie iris aan in de tuin van mijn oom.

Geel-rode iris

gele iris in de avond

paarse iris
En ook een blauwe Iris heb ik gezien, in de mooi gerestaureerde Bardini-tuinen.

De blauwe iris, die erg goed past bij het sprookje van Herman Hesse, “Iris” ( lees hier het hele sprookje) dat zo begint:
blauwe iris
`In het ontluikend voorjaar van zijn kindsheid wandelde Johannes door de groene tuin. Onder de bloemen van zijn moeder was er een, die hem bijzonder lief was: zwaardlelie heette zij. Hij vlijde zijn wang tegen haar langwerpige, lichtgroene bladeren, legde zijn vingers tastend tegen haar scherpe punten, snoof diep de geur op van het grote, wonderlijke bloeisel en keek lang achtereen naar binnen. Daar rezen lange reeksen gele vingers omhoog uit de bleekblauwe bloembodem, en daartussendoor leidde een doorschijnend pad naar de diepere regionen van de kelk en het verre, blauwe geheim van het bloeisel. Die was hij ten zeerste toegedaan, langdurig keek hij naar binnen en zag de gele, delicate delen nu eens als een gouden omheining langs de paleistuin en dan weer als een dubbele reeks van fraaie droombomen met daartussenin de geheimzinnige weg naar het inwendige, transparant en doorregen met levende aders, breekbaar als glas. De welving beschreef een boog, en verder naar achteren ging het pad tussen de gouden bomen tot op oneindige diepte verloren tussen onvoorstelbare afgronden, terwijl daaroverheen de violette gewelven een majesteitelijke kromme volgden en toverachtig ijle schaduwen wierpen op het stille, popelende wonder. Johannes wist dat dit de mond was van de bloem, dat voorbij de gele pronkgewassen in de blauwe krocht haar hart en gedachten waren endergebracht, en dat haar adem en haar dromen via deze riante, doorschijnende, glazig geaderde weg in en uit gingen. En naast de grote bloemtuil stonden kleinere, die nog niet open gegaan waren, op stevige, sappige stelen in een kelkje van bruinachtig groene wikkels; daaruit drong de jonge bloesem stil doch vastbesloten naar voren, stevig ingepakt in lichtgroen en lila tot bovenaan toe, waar het jonge, diepe violet in exacte, zorgzame rolletjes zijn tere punten aan het licht bracht. En ook op deze stevig in elkaar gedraaide, jonge bloemblaadjes tekende zich reeds een netwerk van adertjes en honderdvoudige patronen af. `
………………………………………………………………………………………………………………………………………
Vincent van Gogh heeft de blauwe irissen meerdere malen geschilderd:

Vincent van Gogh, Irissen,1889

Vincent van Gogh, Irissen,1890
en ook Emil Nolde heeft Irissen geschilderd:

Emil Nolde, Iris, 1916
Hier een moooie Jugendstil-vaas met iris:

en een Tiffany-theescherm met Iris:

En hier een mooie Japanse kimono met iris:

zie ook
Kimono’s met iris
‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
Zie ook de tentoonstelling
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam
In het Van Gogh museum kan men nog tot 18 mei 2008 de werken van John Millais bewonderen. John Everett Millais (1829-1896) was de belangrijkste schilder van het Engelse genootschap der Prerafaëlieten en de meest succesvolle Britse kunstenaar uit de tweede helft van de 19de eeuw.
In september 1848 richtte Millais met Hunt, Rossetti en anderen de Pre-Raphaelite Brotherhood op. Deze groep zette het gangbare idee overboord dat de kunstenaar diende te streven naar de ideale schoonheid. De natuur diende volgens Millais en Hunt zo waarheidsgetrouw mogelijk te worden weergegeven.
Alison Smith schrijft over “Het poëtische beeld van Millais” ( in de catalogus van het Van Gogh Museum) :
“Die vele dynamische ontwikkelingen in het werk van Millais maken het onmogelijk om zijn oeuvre te classificeren. Zijn werk werd nu eens als romantisch, dan weer als realistisch, of als esthetiserend, impressionistisch of symbolistisch getypeerd, terwijl het in feite in geen van deze categorieën thuishoort. Millais kan het beste worden omschreven als een ‘realistische symbolist’, door de unieke wijze waarop hij de doodgewone details van het bestaan gebruikte om naar een betekenis achter de waarneembare werkelijkheid te speuren.”
“Het prerafaëlitisme speelde een cruciale rol in Millais’ ontwikkeling als kunstenaar. Zijn hartstochtelijke betrokkenheid in die beweging maakte van hem een rebel die bereid was om de troeven van zijn artistieke vroegrijpheid te verspelen en de afkeuring van critici en artistiek establishment te ondergaan. Als avant-gardestroming streefde het prerafaëlitisme naar een breuk met de traditie en had het de toekomst van de kunst voor ogen.
‘Isabella’ ( 1848) is beladen met visuele toespelingen op het verleden van Hans Memling tot Paolo Veronese -, maar die verwijzingen worden overschaduwd door het symbolische witte been dat dwars door de compositie snijdt. Deze kunstgreep choqueerde het publiek en maakte het meteen duidelijk dat de jonge schilder schoon schip wilde maken.”
“Millais en zijn medestanders van de Prerafaëlitische Broederschap beschouwden de middeleeuwse kunst als een authentiek model voor vernieuwing, omdat die kunst volgens hen minder aan formules was onderworpen dan de stijlen die sinds de renaissance dominant waren geweest. Schilderijen als Isabel1a en Ophelia waren revolutionair omdat de manier waarop zij waren gemaakt geheel in strijd was met de gangbare academische regels voor het vervaardigen van schilderijen.”
“Gedurende zijn hele carrière bleef hij bezield door dit verlangen om de vitaliteit en complexiteit van natuurverschijnselen weer te geven. Om die reden had hij trouwens een afkeer van het classicisme als stijl. In 1875, in een toespraak tot kunststudenten, drukte hij zijn opvatting daarover uit: ‘Niemand is echt een goede tekenaar als hij zich niet van de klassieke orde kan ontdoen … en als hij niet in staat is om indien nodig de eigenaardigheden en oneindige variëteit van de natuur voor te stellen.”
“De prerafaëlieten waren van mening dat karakterexpressie in de schilderkunst steunde op rechtstreekse observatie van het echte leven. Zij verwierpen het academische principe van de idealisering en beschouwden de individualisering als de sleutel tot de weergave van emoties en innerlijke ervaringen. Millais ontpopte zich als een voorloper van de moderne psychologie, in de manier waarop hij onbewuste verlangens en impulsen (wat Freud de ‘psychische energie’ zou noemen) probeerde te doorgronden via de uiterlijke verschijning. Kenmerkend voor zijn personages is hun ‘in beslag genomen zijn’ door een of andere activiteit, alsof zij zich niet bewust zijn van onze blik.”
“MilIais’ kunst is niet illustratief in de conventionele zin, omdat zij meer doet dan een tekst illustreren of een verhaal uitbeelden. Anderzijds is zij te werkelijkheidsgetrouw om te ressorteren onder het idealiserende estheticisme of symbolisme waarvan zijn tijdgenoten Frederic Leighton, James McNeill Whistler en Rossetti wegbereiders waren. Toch mogen we zeggen dat Millais in wezen een symbolist was die via zijn inspanningen om de vluchtige wereld der waarneembare fenomenen vast te leggen, op zoek was naar een subjectief begrip van de impact van tijd en herinnering op de menselijke psychologie.”

Het laatste, de invloed van tijd en herinnering op de psyche, wordt zeer mooi uitgebeeld in Millais’ schilderij “Mijmeringen” ( 1855) , een van de schilderijen die ik als voorbeeld neem voor eigen fotografische zelf- en vrouwenportraits.
Ik ken Maillais en de prerafaëlieten uit mijn onderzoek over Max Nordaus pre-fascistisch werk “Entartung” ( “Ontaarding”; 1892/3) . Max Nordau beschrijft de moderne Kunst van Monet tot Baudelaire, van Tolstoj tot Ibsen als ziekelijk “ontaard”. Ook over de Prerafaëlieten en hun vermeende ontaarding heeft Nordau een heel hoofdstuk geschreven.
Nordau schrijft in “Ontaarding”, (vertaald en bewerkt door F.M. Jaeger):
“Drie schilders, Dante Gabriël Rossetti, Holman Hunt en Millais vereenigden zich in 1848 tot een club, waaraan zij den naam gaven van “praerafaëlietische broederschap”,. [...] In het voorjaar van 1849 hielden zij in Londen eene tentoonstelling van schilderijen en beeldhouwwerken, die behalve met de namen van de makers ook voorzien werden met het merk P. R. B. Hunne werken maakten een totaal fiasco. Het publiek, dat nog niet lastig gevallen werd door de fanatieke geloovers ‘aan een zekere soort van schoon en ook niet onder den invloed stond van eene ziekelijke mode, haalde voor deze kunstproducten de schouders op; men maakte zich er vroolijk of boos over, naar gelang van de stemming.”….”zij schilderden geene werkelijke aanschouwingen, maar alleen gewaarwordingen. Zij brachten in hun ‘werk van die geheimzinnige toespelingen en duistere symbolen, die met het teruggeven van de werkelijkheid niets te maken hebben.”
Nordau verwijt de prerafaëlieten onder meer hun niet-academisch werk, waarbij ook de achtergrond zeer detailbewust wordt geschilderd. Volgens Nordau is dit een “ziekelijke echolalie met de penseel” en het bewijs dat de schilder niet in staat is te concentreren. Ook de “geilheid” en erotiek in de schilderijen van de Prerafaëlieten is een steen des aanstoots voor Nordau.
Hitlers kunst- en “ontaardings”-theorie was sterk beïnvloed door Nordau, al werd Nordau door de nazi’s niet genoemd, om dat Nordau zionist en jood was.