Wetenschap Kunst Politiek

De dood, toneel en Don Quichot

17 comments

Al in de voorrede van Cervantes’ Don Quichot komt de macht van de dood ter sprake. De oden van Horatius worden aangehaald :
“Pallida mors aequo pulsat pede pauperum terbernas,
Regumque turres.”
(De bleke dood komt in de huisjes van armen net zo als in de kastelen van de rijken) .

Hans Holbein laat op zijn dodendanstekeningen zien dat de dood alle leeftijden en maatschappelijke standen bedreigt.

In het tweede boek van Don Quichot komen Don Quichot en Sancho een kar tegen “beladen met de uiteenlopendste en vreemdste personages en gedaanten die men zich kan voorstellen. De man die de muildieren leidde en als voerman dienstdeed was een afstotende duivel. De kar was open en had geen huif of rieten zijschotten. De eerste gedaante die zich aan Don Quichots ogen voordeed, was die van de Dood zelf met een mensengezicht, naast de dood zat een engel met een paar grote beschilderde vleugels; aan de andere kant zat een keizer met een zo te zien gouden kroon op zijn hoofd; aan de voeten van de Dood zat de god die zij Cupido nemen, zonder blinddoek voor zijn ogen maar met zijn boog, koker en pijlen. Er was ook een ridder die van top tot teen was gestoken in wapenstukken, behalve dat hij geen stormhoed of andere helm op zjn hoofd had, maar een hoed van bonte pluimen; en behalve zij waren er nog anderen met verschillende gewaden en maskers. […]
De voerman liet stoppen en zei: “Heer we zijn spelers van de toneelgroep Angulo de Boze, we hebben vanmorgen […] De hofhouding van de Dood gespeeld.” (2, 11)

In het volgende hoofdstuk beschrijft Don Quichot zijn theorie van toneel en dood :
“[Sancho, ik wil dat je het toneelstuk zelf welwillend bejegent] , en dientengevolge ook degenen die ze spelen en schrijven, want het zijn stuk voor stuk werktuigen die het gemenebest een groot goed bewijzen door ons alsmaar een spiegel voor te houden waarin het doen en laten in het menselijk bestaan levensecht te zien is, en er is gen vergelijking die getrouwer uitdrukt wat wij zijn en behoren te zijn dan een toneelstuk en zijn spelers. […] De een speelt voor pooier, de ander voor bedrieger, die is koopman, die soldaat, weer een ander de slimme zot […] maar al het stuk uit is en zij ontdoen zich van hun toneelkleren, zijn alle spelers gelijk. […] Hetzelfde gebeurt in het toneelstuk in de handel en wandel op deze wereld, waarin sommigen voor keizer spelen, anderen voor paus, alle rollen alle rollen die in een stuk voorkomen, maar kom je aan het einde, dus wanneer het leven ophoudt, dan ontneemt de dood iedereen de kleren die hen daarvoor onderscheidden en liggen zij als gelijken in hun graf.”

.

Meest recente berichten