Wetenschap Kunst Politiek

George Knight over musea en de museumkaart

106 comments

 

De discussie op mijn blog over de zeer hoge entreeprijs van de Theo van Doesburg -tentoonstelling (zes euro naast museumkaart) heeft George Knight getriggerd tot de volgende beschouwing:

“Van Wildgroei naar Win-Win

Ik heb gemengde gevoelens over entreeprijzen van musea. Met wat moet je het immers vergelijken? Is een museum een volledig culturele bestemming of een merger van evenement en cultuur? Valt het te vergelijken met een bioscoopkaartje, de toegang van een voetbalwedstrijd, een bibliotheekpas, de entree voor de Efteling of een gratis Studium Generale lezing bij de Universiteit? Is een rendez-vous van twee uur met Van Doesburg hetzelfde als twee uur oogcontact met Kirsten Dunst?
http://www.platte11.de/blog/freier-eintritt-ins-museum-fuer-menschen-unter-25-jahren

Duidelijk is wel dat de museale sector niet tot eenduidigheid weet te komen in de prijsstelling. Waar een toeslag van € 2,50 voor de Nachten van Van Gogh redelijk lijkt, komt € 6,00 toeslag voor Van Doesburg in De Lakenhal buitensporig over. Minder kwaliteit, minder naam, minder museum, maar toch een tweemaal zo hoge toeslag? Alsof een kaartje voor een voetbalwedstrijd in het stadion van VVV of RKC tweemaal zo duur is in de Arena met Ajax.

Hoewel op plaatselijk niveau voor pashouders of bepaalde doelgroepen regelingen bestaan voor gratis toegang ontbreekt er in Nederland een overkoepelende regeling. Zo weten Fransen op woensdag gratis hun musea te vinden en heeft de Franse president Sarkozy zelfs de toegang tot de staatsmusea voor jeugdigen onder de 25 jaar gratis gemaakt. Maar ook andere groepen als werklozen en mensen die op de bijstand aangewezen zijn hebben gratis toegang. Sociaal beleid stroomt de musea binnen. Terwijl de inkomsten uit de verkoop van toegangsbiljetten doorgaans ondergeschikt zijn, lijken allerlei initiatieven om de drempel voor minvermogenden te slechten in Nederland niet te kunnen slagen. Wellicht ook omdat niemand de rekening wenst te betalen. Dit uitblijven van initiatieven geeft de museale sector geen sociaal en slim gezicht van een organisatie die politieke resultaten boekt.

De projectgroep concludeert dat de Museumkaart een mooi product is voor de musea. De conclusie is ook dat zelfs zonder sponsor de financiële basis van de Stichting Museumkaart gezond is.

Bij de prijsstelling speelt trouwens dat het belang van de Museumkaart voor het Van Gogh Museum op de bedrijfsvoering relatief kleiner is dan bij een provinciaal museum als De Lakenhal, Centraal Museum of Groninger Museum. Door het hoge percentage buitenlandse bezoekers zonder Museumkaart kan het van Gogh Museum de toeslag op de Museumkaart laag houden. Neem de proef op de som en bezoek het Van Gogh Museum op een drukke zomerse dag. De rij voor de binnenlandse kassa voor Museumkaart- en ook ICOM-kaarthouders bedraagt dan een fractie van de buitenlandse rij.

Dus de ongelijkheid in toeslagen werkt verwarrend voor bezoekers. Waarbij het ontbreken van niet-strikt museale instellingen als de Rotterdamse Kunsthal bij het gebruik van de Museumkaart een nieuwe verwarring oplevert voor diegenen die niet precies begrijpen wat een museum is. Maar da’s een ander onderwerp. Oorzaak lijkt dat sommige steden hun (voorheen) gemeentelijke musea in achtereenvolgende bezuinigingsrondes flink hebben afgeknepen.

Of musea zijn op afstand gezet en geprivatiseerd door de gemeente onder de afspraak van een meerjarig contract en subsidie. Waarbij de collectie en het gebouw in handen van de gemeente blijven wat een mooi drukmiddel is. Of ze zijn nog in naam een gemeentelijk museum waarvan de directeur direct rapporteert aan de wethouder van Cultuur.

Maar in beide gevallen zijn de budgetten voor musea de afgelopen jaren verminderd of op zijn best bevroren. Dit terwijl allerlei kosten in de culturele sector juist bovengemiddeld zijn gestegen.

Daarbij komt dat gemeenten met hun vastgoedbezit allerlei avonturen aangegaan zijn en ook dat willen vermarkten. Waar vroeger de doorgaans kostbare en in het centrum gelegen museumgebouwen pro forma op een balans stonden worden ze nu op een semi-zakelijke markt van het gemeentelijk vastgoedbedrijf ingeboekt. Paradox is dat gemeenten graag een volwaardig museumgebouw willen financieren, maar zich niet vast willen leggen voor de exploitatie die immers een open eind kent. Vaak een loze exercitie die ermee eindigt dat de verhoogde huurpenningen tegelijkertijd weer worden kwijtgescholden.

Wat rest is een idee van kapitalisering en een mentale druk op het museum om inschikkelijk te zijn om erger te voorkomen. Met een zwaard van Damocles boven de balans. Het museum is in de val gelopen door te veel te groeien in stenen en mensen en is zo verregaand inflexibel geworden.

Wat steeds meer ontbreekt zijn sociaal-democratische wethouders die een idee van permanente educatie in hun politieke agenda hebben staan. Het oude ideaal van verheffing van het volk kreeg vroeger gestalte in een royale bijdrage aan het gemeentelijke museum. Dat idee ontbreekt nu waar het juist de sociaal-democratische wethouders zijn geworden die nog meer dan liberale bestuurders gestuurd worden door hun visie van het marktdenken.

Structureel lijkt een tekort in Nederland het teveel aan musea en aan tentoonstellingen. Hoewel er naar mijn idee maar acht musea zijn die op dit moment regelmatig kwaliteit leveren in hun tentoonstellingen (in volgorde De Pont, Boijmans, Van Gogh Museum, Haags Gemeentemuseum, Mauritshuis, Van Abbe, Rijksmuseum en Stedelijk Museum) staat het land overvol met musea en zuigen vele middelmatige en middelgrote musea een deel van de budgetten weg.

Sommige topmusea beconcurreren elkaar of zelfs zichzelf door een relatief hoge programmering. De befaamde tentoonstellingsmachine die op hol geslagen is en niet meer te temmen valt ten koste van verdieping in de inhoud en de uitvoering en het ontbreken van nazorg voor een tentoonstelling. Want aan de horizon doemt een nieuwe naam op die door de afdelingen publiciteit en marketing moet worden gelanceerd. Of de naam van de conservator moet helpen vestigen.

Daarbij komt dat de Nederlandse musea internationaal niet meer meedraaien zoals in het verleden en in het bruikleenverkeer weinig in te brengen hebben. Modes bepalen de agenda. Afgelopen jaar was de landententoonstelling populair. Wat volgt? Een tentoonstelling uit de eigen collectie met een paar bijzondere bruiklenen, ingegeven door de eigen schaarse middelen? Beter lijkt terughoudenheid en een betere onderlinge afstemming tussen musea in het aanbod, zodat de kwaliteit opgekrikt kan worden en de bezoekers weer op adem kunnen komen.

Projectsubsidies moeten het budget incidenteel en structureel opkrikken. Dat kan niet en is een onmogelijke opgave. Want het beroep op de Mondriaan Stichting, een vermogensfonds als het VSB Fonds -met een bijna gehalveerd budget door de crisis-, het Prins Bernhard Cultuur Fonds, een lokaal fonds als het K.F. Hein Fonds of een bedrijfssponsor -waarbij de banken deels weggevallen zijn door de crisis- is te groot geworden.

De BankGiroloterij ondersteunt Nederlandse musea structureel, dat wil zeggen langer dan drie jaar. Zo krijgen middelgrote musea als het Utrechtse Centraal Museum, het Nijmeegse Valkhof of het Haarlemse Frans Hals Museum een jaarlijkse bijdrage van € 200.000. Opvallend is dat de Leidse Lakenhal ontbreekt en niets ontvangt. Ik weet niet waarom dat is, maar het kan zijn dat het geen sluitende begroting heeft en daarom niet voldoet aan de voorwaarden om voor een bijdrage in aanmerking te komen. Dit verklaart wellicht mede de relatief hoge toeslag van € 6,00 voor de tentoonstelling van Van Doesburg.

Een voorzichtige conclusie is dat de museale sector via de sectorale Museumvereniging met de Museumkaart niet de indruk weet te wekken de deelbelangen van de afzonderlijke deelnemers te kunnen overbruggen. Altijd lastig in een veld waar concurrenten moeten samenwerken. Afzonderlijke musea gaat het financieel slecht en ze hangen aan een lijntje. De relatie met de subsidieverstrekkende gemeente is er doorgaans een van afhankelijkheid.

Musea moeten zich herpositioneren en overwegen een stapje terug te doen. Het zou helpen -al is het intern binnen de museale sector of een miniconvent- als er een onderscheid kwam tussen musea met een internationale, nationale of regionale uitstraling. Waarbij de mogelijkheden maar gekwantificeerd moeten worden aan de hand van kwantitatieve criteria zodat musea uit zelfbescherming niet overambitieus kunnen worden. Dan kunnen budgetten beter hun weg vinden en wordt de bezoeker beter dan nu gediend met een evenwichtige, en kwalitatieve landelijke agenda. En wie weet een lagere toeslag. Een modieuze titel voor een nota hierover zou kunnen luiden De Nederlandse museumsector: Van Wildgroei naar Win-Win.”

www.passagenproject.com

Stillevens/composities van Theo van Doesburg

no comment

In de grote internationale tentoonstelling over Theo van Doesburg in de Leidse Lakenhal, Van Doesburg and the International Avant-Garde: Constructing a New World zijn een aantal mooie kleurijke stillevens/ composities van Van Doesburg te zien.

Eerder heb ik over de stillevens van Picasso geblogged (Stillevens van Picasso/ Gemeentemuseum Den Haag) , en nu ik zie dat een stilleven in zijn abstracte vorm “compositie” wordt genoemd, denk ik, ja, daarom houd ik zo van stillevens, ze zijn in wezen al abstract.



Theo van Doesburg, Composition I (Still Life) 1916



Theo van Doesburg, Composition II (Still Life) 1916

Theo van Doesburg, Composition III (Still Life) 1916

Meest recente berichten