Wetenschap Kunst Politiek

Platoons semi-racisme

13 comments

Marcel Hulspas schrijft vandaag een uitstekende column over Thierry Baudet en diens onzinnige oproep om over de islam te generaliseren.

Ik wil deze column aanvullen met informatie over Paul Cliteur, de leermeester van Thierry Baudet,  een fervente advocaat van het stigmatiserende generaliseren.

Ik herhaal hieronder een oude blog van mij uit 2007.

Wie zich over de conservatieve en semi-racistische broedplaats van Nederlands uiterst rechts aan de Leidse Rechtenfaculteit (Baudet, Cliteur, Kinneging, Ellian) wil informeren, kan dit doen op mijn talrijke blogs over dit thema en op mijn internetpublicatie over de Leidse Edmund Burke Stichting.

 

——————————————————————————

Generaliseren en stigmatiseren in de naam van Plato

(herhaling van 12-12-2007)

 

De neocon Paul Cliteur probeert zijn polariserende generalisaties te verkopen als wetenschap:

“Wetenschap is generaliseren. Filosofie ook. Wie bij de particuliere geaardheid van de dingen wil blijven staan  zal nooit wetenschapper worden.”[1]

Daarop zeg ik: Ook wie alleen maar of te veel generaliseert is geen goede wetenschapper. De wetenschap bestaat in een dialectisch proces dat afwisselend generaliseert en specificeert/nuanceert/differentieert. Wie over maatschappelijke tegenstellingen alleen maar generaliseert, die polariseert en discrimineert.
Kritiek mag en moet, polemiek ook. Kritiek moet specifiek zijn, en zo min mogelijk generaliseren. Cliteur:

“Wat mij ergert, is dat men mij het recht om generaliserende uitspraken te doen, wil ontzeggen.”[2]

 

Niemand wil hem een recht ontzeggen. Maar kritiek op hem moet geoorloofd zijn, omdat generaliserende uitspraken maatschappelijk onnodig polariserend werken.

Trots zegt Cliteur over zijn eigen doelstellingen:

“Stigmatiseren is zeker ook de bedoeling!”( Tegen de decadentie, p 41)

De tot maxime verheven generalisaties van Cliteur en zijn mede-Burkianen zijn filosofisch een gevolg van een radicaal Platoons denken, ook wel “essentialisme” genoemd.


“[Cliteur]: Ik ben een idealist.”

“Cliteur [vindt]  De Staat van Plato nog altijd één van de belangrijkste filoso­fieboeken aller tijden. Hij beaamt de kritiek die vaak op De Staat te horen is, dat het een anti­democratisch en zelfs een totalitair geschrift is. ‘In dat boek zijn de meest krankzinnige dingen te vinden.’ Maar wat hem zo aanspreekt, is de gedachte dat de staat gericht moet zijn op een bepaald ideaaltype van de staat, in ons geval de rechtsstaat. Dat idealisme vindt Cliteur ‘een mooi contrapunt voor een wijdverbreid cynisme dat in de samenleving aanwezig is. De meeste commentaren die tegenwoor­dig op de internationale politiek worden gegeven zijn doordrongen van een heel diep pessimisme. […] Achter zo’n humanitaire actie in Irak bijvoorbeeld, kán daarom [volgens critici]  niets anders zitten dan oliebelangen. Het idealistische wereldbeeld staat daar tegenover. Daarin wordt aangenomen, dat ook staten zich kunnen laten leiden door ideële overwegingen. Het verbreiden van democratie, mensen­rechten en de scheiding van kerk en staat als universele uitgangspunten, dat gaat uiteindelijk terug op platoons erfgoed, in die zin dat het idealen in deze wereld wil verwerkelijken.’ ” (Filosofie Magazine, 9-2004)

Cliteur:”‘Ik ben steeds radicaler geworden. Ik heb wat dat betreft een omgekeerde ontwikke­lingsgang als Plato doorgemaakt. Plato schreef eerst De Staat, een erg radicaal boek, en daarna De Wetten, dat veel gema­tigder is. Ik begin juist steeds meer onvol­komenheden te zien. Sommige zaken zijn zo structureel verkeerd, dat je hard moet rammen om er doorheen te komen. Dat is een taak die ik mijzelf gesteld heb.‘ ”  “(Filosofie Magazine, 9-2004)

Karl Popper heeft in zijn The open society and its enemies –  een zeer kritische bespreking van Plato’s Staat – het begrip ‘essentialisme’  voor het Platoonse denken gebruikt. Daarom is het interessant de argumentatie en definitie bij Popper nog eens na te lezen:

Karl Popper Plato kritiek

Karl Popper: harde Plato kritiek

“I use the name methodological essentialism to characterize the view, held by Plato and many of his followers, that it is the task of pure knowledge or ‘science’ to discover and to describe the true nature of things, i.e. their hidden reality or essence. It was Plato’ s peculiar belief that the essence of sensible things can be found in other and more real things-in their primogenitors or Forms. Many of the later methodological essential­ists, for instanee Aristotle, did not altogether follow him in this; but they all agreed with him in determining the task of pure knowledge as the discovery of the hidden nature or Form or essence of things. All these methodological essentialists also agreed with Plato in holding that these essences may be discovered and discerned with the help of intellectual intuition; that every essence has a name proper to it, the name af ter which the sensible things are called; and that it may be des cri bed in words. And a description of the essence of a thing they all called a ‘definitiori’ . According to methodological essentialism, there can be three ways of knowing a thing: ‘I mean that we ean know its unchanging reality or essence; and that we can know the definition of the essence; and that we can know its name. Accordingly, two ques­tions may be formulated about any real thing … : A person may give the name and ask for the definition; or he may give the de finition and ask for the name.’ As an example of this method, Plato uses the essence of ‘even’ (as opposed to ‘odd”): ‘Number … may be a thing capable of division into equal parts. If it is so divisible, number is named “even”; and the definition of the name “even” is “a number divisible into equal parts” … And when we are given the name and asked about the defin­ition, or when we are given the definition and asked about the name, we speak, in both cases, of one and the same essence, whether we call it now “even” or “a number divisible into equal parts”.’ After this example, Plato proceeds to apply this method to a ‘proef concerning the real nature of the soul, about which we shall hear more later.
Methodological essentialism, i.e. the theory that it is the aim of science to reveal essences and to describe them by means of def­initions, can be better understood when contrasted with its opposite, methodological nominalism. Instead of aiming at finding out what a thing really is, and at defining its true nature, methodological nominalism aims at describing how a thing behaves in various circumstances, and especially, whether there are any regularities in its behaviour. In other words, methodological nominalism sees the aim of science in the description of the things and events of our experience, and in an ‘explanation’ of these events, i.e. their description with the help of universal laws.” ( p 29 f)
“As indicated by our example, methodological nominalism is now­adays fairly generally accepted in the natural sciences. The problems of the social sciences, on the other hand, are still for the most part treated by essentialist methods. This is, in my opinion, one of the main reasons for their backwardness.”
The most important meaning which he attaches to it is, I believe, practically identical with that which he attaches to the term ‘essence’. This way of using the term ‘nature’ still survives among essentialists even in our day; they still speak, for instance, of the nature of mathematics, or of the nature of inductive inference, or of the ‘nature of happiness and misery. When used by Plato in this way, ‘nature’ means nearly the same as ‘Form or ‘Idea’: for the Form or Idea of a thing, as shown above, is also its essence. ‘” ( p 75 f)
“Thus the terms ‘nature’ and ‘race’ are frequently used by Plato as synonyms, for instance, when he speaks of the ‘race of philosophers’ and of those who have ‘philosophic natures’: so that both these terms are closely akin to the terms ‘essence’ and ‘soul’. ” ( p. 77)

Bij Plato al is de term “ras” gebonden aan dit idealistische denken. Naar mijn mening is veel van het huidige dualistische cultuur- en religie-denken en vorm van cultuurracisme.

 

Zie ook mijn veelgelezen blog “Racisme zonder ras


[1] De onuitstaanbare leegte van links, Trouw 17-1-2004, http://www.civismundi.nl/Civis_Mundi_opinie/Cliteur_opinie_De_onuitstaanba/body_cliteur_opinie_de_onuitstaanba.html [2] Hutspot Holland, p. 182.

Maria Trepp

Roger Scruton en de Edmund Burke Stichting

60 comments

Roger Scruton staat in hoog aanzien bij de neocons.

“Dat mag”,  zult u zeggen, en dat is ook zo.

Alleen vind ik het leuk het een en ander nog eens op een rijtje te zetten.

Bart Jan Spruyt, directeur van de Burke Stichting en medeoprichter van de PVV, schrjift in De crisis in Nederland en het conservatieve antwoord (een tekst die ook op de website van de Burke Stichting te lezen is) over het verschil tussen verscheidene varianten van conservatisme, namelijk “sceptisch”, “historisch” en “natuurwetgeoriënteerd”.

De tweede vorm, “historisch”, verbindt Spruyt met de namen van Paul Cliteur respectievelijk Roger Scruton:
“Representanten van deze school [de historische school binnen het conservatisme] schuiven, kort gezegd, tussen het eenzame individu en de chaos van de geschiedenis de heilzame bescherming van de traditie. Hayek legde al de nadruk op de waarde van spontaan gegroeide instituties. Of die instituties een waarheid belichamen, is voor deze conservatieven niet de meest prangende vraag. Zij zijn ontstaan en hebben zich in een historisch proces van trial and error (Karl  Popper) als waardevol bewezen. Zij geven het leven iets van orde en een bezield verband. Een beroemd vertegenwoordiger van deze vorm van conservatisme is de Engelse filosoof Roger Scruton, die strijk-en-zet benadrukt dat instituties en sociale verbanden aan de mens voorafgaan en diens leven zinvol bepalen. De modernistische afbraak van instituties en tradities treden zij kritisch tegemoet, omdat na die afbraak volgens hen niets dan een gapende leegte overblijft en moderne mensen in zo’n nihilistisch klimaat eindeloos in de weer zijn zichzelf een identiteit aan te meten.
Van de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur zouden we kunnen zeggen dat hij de woordvoerder is van een bijzondere variant van deze vorm.”

Roger Scruton hield de eerste lezing van de Edmund Burke Stichting, De betekenis van het conservatisme, ingeleid door Livestro en Kinneging.

Scruton en zijn (veelal hard anti-islamitische) teksten figureren veel op de Burke-site. In de eerste Burke lezing heeft Scruton het ook uitgebreid over Edmund Burke. Scruton onderbouwt zijn behoud-conservatisme alsmede zijn herstel-conservatisme in de geest van Burke. Livestro haalt in zijn inleiding van de Burke lezing Scruton aan: “[Ik ben] op zoek … naar een verloren ervaring van thuis-zijn. En onder dat gevoel van verlies ligt, neem ik aan, de blijvende overtuiging dat wat verloren is gegaan ook weer kan worden heroverd – niet noodzakelijk zoals het eerst was, toen het ons ontglipte, maar zoals het zal zijn als het weloverwogen wordt teruggewonnen en opnieuw gemodelleerd.”

Scruton legde in de Burke-lezing uit wat hem bij Burke zo sterk aantrekt- en dezelfde gedachtes zijn duidelijk ook zeer aantrekkelijk voor Kinneging en Cliteur:

“Ten eerste de verdediging van autoriteit en gehoorzaamheid.
Autoriteit was voor Burke allerminst de verfoeilijke zaak die zij in de ogen van mijn tijdgenoten was, maar juist de basis van politieke orde. De samenleving, betoogde hij, wordt niet bijeengehouden door de abstracte rechten van de burger, zoals de Franse revolutionairen veronderstelden, maar door autoriteit een begrip dat primair het recht op gehoorzaamheid aanduidt, en niet alleen maar de macht om die af te dwingen. Gehoorzaamheid is op haar beurt de voornaamste deugd van politieke wezens, de mentale instelling die het mogelijk maakt over hen te regeren, en zonder welke samenlevingen vervallen tot het ‘stof en poeder van de individualiteit’. Deze gedachten waren voor mij even vanzelfsprekend als ze schokkend waren voor mijn tijdgenoten. Burke verdedigde de aloude opvatting dat de mens in samenlevingsverband de onderdaan van een soeverein is, tegen de nieuwe opvatting dat hij burger van een staat is.” ( p 29)
Scruton zegt er ook bij, dat hij de ideeën van Burke uitdrukkelijk tegen de beweging van de jaren zestig wilde inzetten. Ook verdedigt hij in de geest van Burke het vooroordeel, alsmede de “provocerende verdediging” die Burke in dit verband onderneemt van het ‘vooroordeel’ – “de verzameling overtuigingen en ideeën verstaat die instinctief in sociale wezens ontstaan”. Als voorbeeld noemt Scruton de vooroordelen omtrent seksueel gedrag: die moeten er zijn, schaamte en eergevoel moeten waken voor vernieuwingen of valse ideeën van bevrijding.  “En het resultaat [ de seksuele bevrijding]  is precies zoals Burke zou hebben voorzien: niet louter een breuk in het vertrouwen tussen de seksen, maar een teloorgang van heel het voortplantingsproces.” “In die kundige, heldere gedachten gaf Burke een samenvatting van al mijn instinctieve twijfels over de roep om bevrijding […] ” ( p31ff) .

Roger Scruton is met zijn “voorbeeldige leven” (Kinneging) een van de helden van Burke Stichting.

Sjoerd de Jong: “Over Foucault sneert Scruton, in een oprisping van vulgariteit, dat die stierf aan aids, ‘het resultaat van zijn geboemel in de badhuizen van San Francisco, die hij bezocht tijdens zijn zwaar gesubsidieerde tournees als intellectuele beroemdheid’.
Barmhartigheid is een kunst die deze selfmade conservatief niet verstaat, dat is duidelijk.” (NRC, 2-11-2001)

In zijn lezenswaarde nieuwe boek “Een wereld van verschil” – dat ik nog zal bespreken hier op mijn blog- schrijft Sjoerd de Jong:
“In An Intelligent Person’s Guide to Modern Culture schetst Scruton een even sentimenteel als zwartgallig beeld van de moderne massacultuur als een orgie van Nean­derthalers in trainingspak, die opgestuwd door seks, drugs en rock-n-roll, op hun ondergang afstrompelen. De vrije geesten die nog niet zijn besmet door het virus van relativisme, materi­alisme en egalitarisme, moeten als kloosterlingen het vuur van de beschaving brandend houden.” ( p 74)

Ik ben ook tegen consumptiemaatschappij en voor beschaving. Alleen verkoop ik mijn mening niet aan grote bedrijven (op het moment verkoop ik mijn mening helemaal niet…), en sentimentaliteit plus zwartgallige cultuurkritiek, die combinatie verdraag ik niet.

Het probleem van al die vermeend “voorbeeldige” conservatieven is, dat zij toch relatief makkelijk van hun voetstuk kunnen vallen.

Sjoerd de Jong: “De Engelse conservatieve filosoof Roger Scruton, bekend door zijn verdediging van de vossenjacht, zijn heimwee naar ouderwetse loyaliteit, en zijn afkeer van popmuziek, is in opspraak geraakt door zijn bijverdiensten als consultant voor de Japanse tabaksindustrie. Scruton, vorig jaar nog in Nederland voor een lezing bij de Edmund Burke stichting, heeft de academische wereld de rug toegekeerd en leeft van zijn boeken en de inkomsten van een adviesbureau dat hij drijft samen met zijn vrouw.
In de Britse pers is nu een email uitgelekt waarin Scruton aan Japan Tobacco International, een van de grootste tabaksconcerns ter wereld, vraagt of zijn maandelijkse honorarium van 4.500 pond niet kan worden verhoogd met duizend pond. In ruil daarvoor zal hij zijn best doen regelmatig artikelen tegen de anti-rooklobby geplaatst te krijgen in prominente Britse kranten, ‘sommige daarvan geschreven door RS’.” (NRC, 2-2-2002).

Ja,  Scruton maakt ons precies voor wat het probleem met het conservatisme is: cynisme achter een brave facade.

 

Lees de koran met historische afstand!

36 comments

Dit is vandaag de oproep van Burke-Stichting- vice-voorzitter Bart Jan Spruyt in de Volkskrant.
Ik val hem van harte bij.

Al jaren pleiten de Leidse oud-Cleveringa-hoogleraar Nasr Abu Zayd en anderen, zoals Mohammed Arkoun, in Nederland en internationaal voor een contextuele lezing van de koran.

Helaas worden de mensen zoals Abu Zayd, die voor een contextuele lezing van de koran  en voor een liberale islam pleiten niet alleen van de radicale islamieten afgewezen, maar ook van anti-islamitisch Nederland. Anti-islamitisch Nederland ( Cliteur, Ellian, Hirsi Ali, Hans Jansen, Ehsan Jami, Wilders) pleit namelijk voor een letterlijke lezing van de koran.

Spruyts Burke-collega Paul Cliteur bijvoorbeeld, Nasr Abu Zayds collega in Leiden, heeft nooit de dialoog gezocht met Abu Zayd.  Wel valt hij graag Abu Zayd en diens liberale visie op de islam persoonlijk aan.

In de NRC van 29-8-2006 vraagt Elsbeth Etty aan Afshin Ellian:” als er geen gematigde islam bestaat, maar er bestaan wel gematigde moslims […] , zijn dezen dan afvallig?” Paul Cliteur, die Ellian naar Leiden heeft gehaald, heeft al een zeer duidelijk antwoord op Ettys vraag gegeven, namelijk: ja.

In twee uitgebreide artikelen in Civis mundi[1] heeft hij de moeite genomen de Leidse oud-Cleveringa-hoogleraar en inmiddels WRR-auteur, de liberale moslim Nasr Abu Zayd als moslim en als wetenschapper onderuit te halen ( onderuit te schoppen, zou ik liever willen schrijven). Cliteur schrijft over Abu Zayd, die in Egypte door de moslimfundamentalisten werd vervolgd: “Het is natuurlijk wrang wanneer iemand [die, M.T.] in zijn eigen land zoveel problemen heeft ondervonden met moslim-fundamentalisme in zijn nieuwe gastland te horen krijgt dat de fundamentalisten in zekere zin gelijk hadden. Toch moet ik dat doen.” (Civis mundi 41, p. 221) Cliteur weigert Abu Zayd als gelovige moslim te beschouwen. Voor Cliteur is Abu Zayd een afvallige en een atheïst- en het maakt voor hem niet uit wat Abu Zayd zelf hierover zegt. (p.222). Ook kunnen “wij” volgens Cliteur Abu Zayd niet serieus nemen als wetenschapper (p. 225) .
Cliteur baseert overigens zijn kritiek op één autobiografisch boek, hij haalt de wetenschappelijke publicaties van Abu Zayd niet aan.

In het tweede artikel When in Rome… herhaalt Cliteur zijn vijandige argumentatie tegen Abu Zayd. Maar deze keer heeft hij ook een Goede Moslim aan te bieden, die hij als kontrast tegenover de Slechte Moslim Abu Zayd kan stellen: Afshin Ellian. Wat Cliteur bij Ellian zo bevalt, dat is het feit dat hij bij Ellian een kritiek “op de islam an sich” aantreft- “niet alleen op de verschillende interpretaties van de islam […] “. “Dat [de kritiek op de islam an sich] betekent kennelijk dat de zaak niet helemaal hopeloos is .” ( p. 21)   De Goede Moslim Ellian is de volledig geseculariseerde moslim die bovendien slecht spreekt over de islam. Ellian over de islam: “De islam is een structurele wantoestand die al ruim veertienhonderd jaar alle aspecten van opvoeding, cultuur, economie, politiek en omgangsvormen overheerst. [….] Het lijkt op de pest: waar de islam ook komt overheerst armoede, gebrekkige ontwikkeling, analfabetisme, onderdrukking, corruptie, frustratie en vooral geweld.”[2] Oud-marxist Ellian vervalt hier in een typische denktrant van oud-marxisten: in plaats van de economie als allesbepalende factor, wordt nu de religie als allesbepalende factor gezien. De Parijse hoogleraar arabistiek Mohammed Arkoun: “De overvloedige politieke literatuur vervalt in dezelfde fouten [als het marxisme] als zij van de verdinglijkte, verstarde, tijdloze en gebanaliseerde islam de belangrijkste en onoverkomelijke bron maakt voor alle ideologische afwijkingen, geweld, intolerantie en mislukking in al die samenlevingen waar deze ‘religie’wordt aangehangen.”[3]

Paul Cliteurs kritiek op Nasr Abu Zayd is opmerkelijk, zowel inhoudelijk alsook formeel. Om te beginnen met formele aspecten: Cliteur heeft nooit contact of dialoog gezocht met Abu Zayd. Hij spreekt niet met hem, hij schrijft over zijn Leidse collega. Een subject wordt tot object gemaakt.

Mohammed Arkoun, de Parijse hoogleraar Arabisch zegt: “De islam is geen uitdaging van het andere, geen bron van reflectie, geen gesprekspartner, geen samenwerkingspartner voor de Europeaan, het blijft deze derde persoon, het object waarover men spreekt, dat men onder de microscoop legt, reïficeert, opblaast of banaliseert tot er en ideologisch monster overblijft […] ” (p.13)  Arkoun heeft het hier niet eens over een mens, hij heeft het over de islam, die hij graag als gesprekspartner behandeld zou willen zien. Maar Abu Zayd is eens mens en een wetenschapper die van Cliteur tot belachelijk en verachtelijk object wordt gemaakt. Cliteur baseert zijn kritiek op één boek van Abu Zayd. Hij noemt Abu Zayd een balling, maar vertelt er niet bij, dat Abu Zayd professor is in Leiden, en zelfs Cleveringa-hoogleraar was. Het verzwijgen van deze relevante context-informatie heeft een beledigend karakter, te meer omdat Cliteur Abu Zayd de wetenschappelijke competentie meent te kunnen ontzeggen. Het is bijna komisch te noemen, dat Cliteur zich achter de veroordeling van de fundamentalisten stelt, en deze inzake Abu Zayd gelijk geeft. Daarmee geeft Cliteur zichzelf als fundamentalist – verlichtingsfundamentalist- te kennen. Mohammed Arkouns opmerking over fundamentalistische intellectuelen treft ook Cliteur:
“[…] elke verwijzing naar de leer van de geschapen koran [wordt] krachtig verworpen door de huidige bewakers van de ‘orthodoxie’.  Heel wat intellectuelen zijn medeverantwoordelijk voor deze verwerping omdat ze geen theoretisch belang zien in de modernisering van het islamitische denken en de heropening van het zeer rijke theologische en antropologische debat.” (p. 38)

Over Nasr Abu Zayd zie o.a. mijn blog Verlichting in het islamitisch denken


[1] God houdt niet van vrijzinnigheid , In: Civis mundi; vol. 41 (2002), afl. 4, en When in Rome, do as the Romans do In: Civis mundi; vol. 42 (2003), afl. 1.
[2] Wie is die vrolijke ketter? In: Brieven van een Pers, p. 227. [3] Bolkestein en Arkoun: Islam en de democratie, 1994, p. 14.

Het beroep op Voltaire

32 comments


Ik vind het onverteerbaar hoe politiek-rechts Voltaire misbruikt, Voltaire, die juist een pleitbezorger was van religieuze tolerantie en verdraagzaamheid.
 

Maarten Doorman bekritiseert in de Volkskrant de vermeende Voltaire-erfgenamen: “Nu zien strijders voor de vrijheid van meningsuiting steeds een belangrijk ding over het hoofd. Want als je daarvoor strijdt, is dan niet de eerste vraag die je je moet stellen, wie de meeste vrijheid van meningsuiting heeft, en wie de minste? En ligt het dan niet voor de hand je strijd te beginnen bij wie de minste vrijheid hebben, degenen die nauwelijks in het parlement vertegenwoordigd zijn, die geen eigen landelijke kranten of omroepen hebben, laat staan columns, podia, netwerken, geld, welbespraaktheid en succes? Wat beweegt publicisten als Afshin Ellian, Joost Zwagerman, Max Pam, Leon de Winter e tutti quanti zulke zwakke tegenstanders op te zoeken?

Zouden deze heren, die de erfenis van de Verlichting menen te verdedigen en zichzelf zien strijden in het voetspoor van de grote Voltaire, hun geluid niet wat moeten dempen in het besef dat Voltaire, althans in zijn betere momenten, voor de zwakken zonder stem opkwam, al streed hij daarbij dan, inderdaad, vaak tegen het geloof en was hij in die strijd soms even koket? Waarom voegen ook nieuwe rekruten als Zwagerman zich nu bij het leger van de sterken en luidruchtigen? Wie kan hier steun gebruiken? Het is een vraag die al die dappere publicisten zich vanaf de barricaden der vrije meningsuiting eens wat grondiger mochten stellen.”

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier,  proberen Ellian en Cliteur een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

Een reden voor Voltaire aanhangers om Voltaire op handen te dragen is diens schelden op Mohammed.  “Voltaire [schilderde] de figuur van Mohammed […] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006) Al sinds de Christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld. “Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed die in de lijn ligt met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed  uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren. “Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

Sjoerd de Jong: “Kritiek op religie – nu vooral de islam-  waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire: “Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” (NRC 6-4-2004)
De minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur verabsoluteerd wordt: “Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om hete zeggen.’
Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ ”

John Gray, volgens Paul Cliteur een “demagoog” die “vreselijke dingen” beweert, opent zijn boekje over Voltaire met de volgende alinea: “If, despite its history, we think of philosophy as the disinterested pursuit of truth, then Voltaire was no philosopher. He lived and died, the exemplay philosophe, a partisan. Nothing is further from Voltaire’s thought than the spirit f inquiry. Nor, despite his excoriating sarcasm and the unquenchable vivacity of his pessimism, was Voltaire’s view of humankind detached or cynical. He was a lifelong propagandist for a secular faith. The object of Voltaire’s ‘philosophy’ was not to advance inquiry, still less to foster sceptical doubt. It was to found a new creed. Voltaire sought to supplant the Christian religion by the faith of the Enlightenment. His tireless raillery was meant in deadly earnest. His opposition to Christian fanaticism had itself a fanatical bent. Voltaire’s life work was to set European life on a new foundation by constructing a successor to Christianity.” (Voltaire, p.1).

John Gray gaat zowel met kritiek als ook met hoogachting in op het werk van Voltaire. Hij onderkent twee verschillende componenten in Voltaires werk: het fanatieke verlichtingsfundamentalisme, dat een seculiere religie wilde stichten, en het kritische denken, dat voor de emancipatie opkwam. Het is mijn stelling dat Cliteur en Ellian erven zijn van de eerste component bij Voltaire, dus van het fanatieke secularisme, maar niet van de emancipatoire gedachte.

Cyrille Offermans over de kritische component bij Voltaire:  “Voltaire was geen geharnast atheïst en ook geen vooruitgangsoptimist, hij geloofde niet in de vervolmaakbaarheid van de wereld noch in een intellectuele of morele superioriteit van het Westen. En ja, Voltaire zou met genoegen gehakt hebben gemaakt van de militante conservatieven die zich tegenwoordig op hem beroepen als ze de superieure zegeningen van onze verlichte westerse wereld bezingen in schril contrast met de achterlijkheden van de moslims.” (Voltaire, opgewekt en multicultureel, Trouw 27-3-2004)

Voltaire beledigde de machtige katholieke kerk, terwijl Ellian en Cliteur een kwetsbare minderheid kwetsen

P.S.
ALS  rechts zich op überhaupt Voltaire wil beroepen kan dat het beste gebeuren door zich in de traditie van Voltaire’s racisme te stellen. In zijn Traité de métaphysique (1734) verklaarde Voltaire, dat de “blanken superieur waren aan de negers, zoals de negers superieur zijn aan de apen” (geciteerd naar Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid, p. 294)
.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Paul Cliteur, Voltaire en de islam

49 comments

 Paul Cliteur, Voltaire en de islam

voltaire islam kritiek

Voltaire islam kritiek

De naam ‘Voltaire’  komt vaak voor in de schriften van islam-criticus Paul Cliteur, zo ook in zijn nieuwe boek Moreel Esperanto. Cliteur identificeert zich vergaand met Voltaire, en een van Cliteurs lievelingszinnen is dan ook:

“Waarom zou kritiek ‘van binnen’[de islam] en ‘van buiten’ elkaar uitsluiten? Waarom mag Luther niet ondersteund worden door Voltaire? […] kan kritiek van binnenuit wel tot ontwikkeling komen zonder steun van buiten?”

( Moreel Esperanto, p. 325; Ongewenste goden, p. 263)

Cliteur plaatst zijn generaliserende en stigmatiserende kritiek van de islam in de traditie van Voltaire.

Niet ten onrechte.

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier, proberen Cliteur en zijn maatje Ellian een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

“Voltaire [schilderte] de figuur van Mohammed […] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006)

Al sinds de christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld.

“Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Wikipedia over Voltaire en de islam/Mohammed

Evolving views of Islam and its prophet, Muhammad, can be found in Voltaire’s writings. In a 1740 letter to Frederick II of Prussia, Voltaire ascribes to Muhammad a brutality that “is assuredly nothing any man can excuse” and suggests that his following stemmed from superstition and lack of enlightenment.[34] In a 1745 letter recommending his play Fanaticism, or Mahomet to Pope Benedict XIV, Voltaire described the founder of Islam as “the founder of a false and barbarous sect” and “a false prophet.”[35]

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed in de lijn met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren.

Mohammed openbaring

Mohammed openbaring

“Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

En Voltaire was óók een man van religieuze tolerantie:

Wikipedia over Voltaire en religieuze tolerantie:

In a 1763 essay, Voltaire supported the toleration of other religions and ethnicities: “It does not require great art, or magnificently trained eloquence, to prove that Christians should tolerate each other. I, however, am going further: I say that we should regard all men as our brothers. What? The Turk my brother? The Chinaman my brother? The Jew? The Siam? Yes, without doubt; are we not all children of the same father and creatures of the same God?”[39]

Sjoerd de Jong:

“Kritiek op religie – nu vooral de islam- waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”

De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire:

“Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” ( NRC 6-4-2004

De [voormalige] minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur vaak herhaalt wordt:

“Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om het zeggen.’

Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ “(de Volkskrant, 4-5- 2006)

 www.passagenproject.com

www.passagenproject.com


 

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief