Wetenschap Kunst Politiek

Winter: Zout is goud

17 comments

Hier een goed gevulde Leidse schatkist.

Zout werd  lange tijd als betaalmiddel gebruikt – het woord salaris betekent letterlijk ‘zoutrantsoen’ en een sol-daat is iemand die zijn salaris als zoutportie ontvangt.

De cultuurgeschiedenis van het zout is intrigerend, uitstekend beschreven van Mark Kurlansky in “Zout, een wereldgeschiedenis”.

Kurlansky’s verhaal begint in 250 voor Christus in China, waar het economisch systeem volledig draaide rond de productie en verkoop van zout.
In de loop van de geschiedenis speelde zout vaak een belangrijke factor in oorlogsvoering en in de machtsuitoefening van de staat. In de keuken (sal-amie, sal-ade) natuurlijk ook.

Europa is doortrokken van zoutstraten en van plekken die op vele manieren aan de zoutwinning herinneren: alle namen met hal-,  gal- (Gallië!), sol-  en natuurlijk Zalt- en Salz- vertellen hun verhalen.

 

 

Wilders en Ehsan Jami met Thucydides ten oorlog?

27 comments

 

Jami en Wilders schrijven samen vandaag 27-9-2007 in de Volkskrant dat zij hun gevecht voor het zogenoemde vrije woord-  dat wil zeggen het recht een hele religie te stigmatiseren-  voort zullen zetten onder de vlag van Thucydides.

Zij halen de Griekse “legeraanvoerder en historicus” Thucydides aan:
“Het geheim van geluk is vrijheid. Het geheim van vrijheid is moed.”
Het citaat is afkomstig uit Thucydides boek De Peloponnesische oorlog ( I 1,42)

De Leidse hoogleraar Ineke Sluiter heeft op 24 februari dit jaar in de Volkskrant een uitstekend artikel geschreven over vrije meningsuiting en Thucydides. Zij schreef: “Sinds de Deense krant Jyllands Posten op 30 september 2005 voor het eerst de Mohammed-cartoons plaatste, is de discussie over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting ongemeen fel geweest. Hoe verhoudt zich dat belangrijke recht tot een right to offend, bijvoorbeeld geclaimd tijdens een rede in Berlijn (de Volkskrant, 10 februari 2006) door Ayaan Hirsi Ali?

De discussie maakt een verwarde indruk: niemand ontkent het belang van vrijheid van meningsuiting, maar zelfbeperking in de uitoefening daarvan heet soms lafheid en hypocrisie, soms de verstandige wellevendheid die samenleven in een pluriforme wereld mogelijk maakt. De discussie doet sterk denken aan Thucydides’ beschrijving van een hevig groepsconflict binnen één samenleving. ‘Wat vroeger onbesuisde overmoed heette’, zegt hij, ‘werd nu beschouwd als loyale moed, zelfbeheersing heet een excuus voor lafheid’. “
“Het protest richt [met betrekking tot de cartoons] richt zich tegen ondemocratische toestanden in het Nabije en Midden-Oosten, tegen de internationale druk en het gevaar van een extremistische vorm van islam. Daartegen past inderdaad grote waakzaamheid. Het zou laf zijn dat probleem uit de weg te gaan, daarin heeft Hirsi Ali gelijk. Maar wat is het moeilijk om het goede instrument te vinden! Vrijheid van meningsuiting is een van de toverwoorden van onze democratie en een van onze allerbelangrijkste verworvenheden, maar het woord van Abraham Maslow dringt zich op: ‘Als je enige gereedschap een hamer is, zullen alle problemen eruit zien als spijkers’.” “Hoe dat ook zij, vrijheid van meningsuiting is in de eerste plaats een recht dat wij binnen onze eigen democratische ruimte willen uitoefenen en daar doet zich een volgende paradox voor. Binnen die eigen democratie zijn óók moslims, en die nemen daar een minderheidspositie in; zij behoren vaak ook sociaal-economisch tot een kwetsbaarder groep in de samenleving. Hier gaat het dus niet om vrijheid van meningsuiting, moedig uitgeoefend tegen een potentieel machtiger partij.”
“Dit is nu precies waarom het zin heeft niet iedere vorm van zelfbeheersing uit te leggen als zelfcensuur of een gebrek aan zedelijke moed. Want als het om het vermijden gaat van het kwetsen van zwakkeren is ‘lafheid’ niet aan de orde. Lompheid als moreel ideaal hoort niet bij de toverwoorden van de democratie.”

Sluiter haalt ook de Cleveringa-ratie van Kees Schuyt aan:
“In zijn Cleveringa-oratie (Democratische deugden, november 2006) geeft Kees Schuyt een prachtige analyse van groepstegenstellingen: de toon van het debat is daarbij zelf een symptoom. Zo stelt ook de claim op een right to offend de discussie op scherp, omdat het een hyperbolische, overdreven gestelde, claim is. Scherpere retorica komt voort uit als ernstig ervaren groepstegenstellingen, maar leidt daar op haar beurt ook weer toe.

Schuyt oppert om bij groepstegenstellingen waar mogelijk te onderscheiden tussen waardenconflicten en belangenconflicten. Over waarden valt slecht te onderhandelen, daar gaat het om wat mensen heilig is. Maar bij belangenconflicten gaat het om de materiële basis van het leven, toegang tot scholing, arbeid en middelen, en daarover valt te praten.

Wanneer zoveel mogelijk de groepstegenstellingen vertaald worden in zulke belangenconflicten (en zich dus laten oplossen), krijgen de groepen er steeds minder belang bij om zwaar in te zetten op de waardenconflicten. Dat maakt het eenvoudiger te komen tot een agreement to disagree, en geloof kan een plaats krijgen in een privédomein, weg van de publieke ruimte. Maar daar moeten groepen elkaar dan wel de ruimte voor geven. Insisteren op een right to offend lijkt dan geen goede opening.”

Benjamin Barber, scherpe criticus van de Amerikaanse neoons, en auteur van “Empire of fear” hield in Leiden een toesprak over moed. Hij zei:

“Er wordt veel gesproken over moed. De moed om democratie te doen slagen. Er wordt meer gepraat over moed dan dat er moed getoond wordt. In de Verenigde Staten heeft de politiek van de moed plaatsgemaakt voor de politiek van de angst. Het lijdt geen twijfel dat angst de doodsteek is voor de democratie en het einde van de vrijheid inluidt.”

 

Oorlog en handel; Nederland en Mutter Courage

32 comments

Marjolein Februari eist in haar Volkskrant-column van vandaag een parlementair onderzoek naar gif- leveranties aan Irak. “In de jaren tachtig van de 20ste eeuw zijn door Nederlandse bedrijven chemicaliën geleverd aan Irak. De stoffen zijn gebruikt voor de aanmaak van gifgassen waarmee aanvallen zijn gepleegd op burgerdoelen, zoals de beruchte aanval in Halabja, waarbij grote aantallen slachtoffers zijn gevallen. Amerika vroeg Nederland indertijd dringend geen toestemming meer te verlenen voor de uitvoer van zulke stoffen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken was daarop bereid de uitvoer te verbieden; het ministerie van Economische Zaken lag ondanks buitenlandse en binnenlandse druk dwars.”

Eerder (6-5-2006) heeft Februari op de obscure handelingen van Bolkestein in de gifgas-affaire gewezen:
“Zodra de Iranoorlog begin jaren tachtig losbrandt is het ministerie van Economische Zaken meteen enthousiast over de financiële mogelijkheden ervan. Het wil graag samenwerken met het olierijke Irak, en eind 1983 reist Frits Bolkestein dan ook af naar Bagdad om een overeenkomst te tekenen. Bolkestein is op dat moment als staatssecretaris van Economische Zaken verantwoordelijk voor de buitenlandse handel. Volgens een verslag verklaart Bolkestein tijdens de ontmoeting met Saddam Hussein en Iraakse ministers dat die ontmoeting plaatsvindt ‘in een setting van sympathie voor het door drie jaar oorlog beproefde Iraakse volk’.

Erg leuk vind ik dat Februari vandaag uitvoerig schrijft over Mutter Courage van Bertolt Brecht, en dat Februari dit stuk gebruik voor haar analyse van thema oorlog en handel.

“Mutter Courage [..] is het verhaal van een marketentster die tijdens de Dertigjarige Oorlog, een godsdienstoorlog die in Europa woedt van 1618 tot 1648, haar handel drijft aan de rand van het slagveld. De soldaten moeten goede schoenen dragen, anders marcheren ze niet lekker, en ze moeten worst en wijn voorgezet krijgen om voldoende aangesterkt de afgrond van de hel tegemoet te lopen. ‘Kanonnen op een lege maag, kapitein, dat is niet gezond.’

Mutter Courage handelt er duchtig op los, hopende dat het nog maar lang oorlog mag blijven. Ze gelooft dat de oorlog haar geluk zal brengen, welvaart en winst, en ook als uiteindelijk al haar drie kinderen dood zijn, gelooft ze nog steeds dat ze zonder de oorlog niet zal overleven. Als het even vrede wordt, schrikt ze hevig. ‘Nee, net nu ik een nieuwe voorraad heb ingekocht!’ “

Wat Februari niet weet: ook Nederland heeft de aan tekst van Brechts toneelstuk bijgedragen. De Leidse Germanist Sjaak Onderdelinden schrijft dat moeder Courages zin aan het einde van ‘Mutter Courage’: “Ik moet weer wat handel zien te krijgen” ( Duits: “”Ich muss wieder in’n Handel kommen”)  ontstond in de samenwerking tussen Brechts medewerker Ruth Berlau en het Rotterdams Toneel in 1950 (zie “Typisch Nederlands”, p. 168)

Deze laatste zin: “Ik moet weer wat handel zien te krijgen” spreekt Courage nadat zij haar kinderen aan de oorlogshandel heeft opgeofferd.

 

Meest recente berichten