Wetenschap Kunst Politiek

Adolf Eichmann en het zionisme

3 comments

[Vervolg op mijn Eichmann-blog van gisteren]

Een van de vele moeilijke hoofdstukken in het leven en streven van Eichmann is zijn intense samenwerking met de zionisten.

Voordat Eichmann tot organisator  werd van de Holocaust zette hij zich lange tijd in voor een emigratie van alle joden naar Palestina. Hiervoor werkte hij nauw samen met zionisten.

David Cesarani in zijn Eichmann-biografie:

“[Men] wilde ernaar streven ‘het joodse vraagstuk’ in Duitsland op te lossen door een ordentelijke joodse emigratie naar Palestina te bepleiten. In 1936 en 1937 had Eichmann intensieve contacten met joden binnen de zionistische be­wegingen in Duitsland. Hij had een ontmoeting met Feivel Polkes, een Palestijnse jood, die voorstelde dat de nazi’s en de zionisten zouden samenwerken om de joodse emigratie te bevorderen. In november 1937 reisde Eichmann naar het Midden-Oosten om deze mogelijkheid te onderzoeken en hij bracht een kort be­zoek aan wat later de staat Israel zou worden. In deze fase combineerde hij een re­latiefwelwillende kijk op het zionisme met een traditioneel antisemitisch wereld­beeld.” (p 17)

“Recentelijk opgedoken rapporten en lezingen die hij in 1937 schreef, tonen hem in de greep van een fantasie waarin sprake is van een wereldomvattende jood­se samenzwering tegen Duitsland. Eichmann zag, net als zijn kameraden in de 5D, de joden als een ‘vijandelijke’ macht. Ditwas een buitengewoon onpartijdige, afgeleide vorm van jodenhaat die hem in staat stelde normale relaties met indivi­duele joden te onderhouden, in het bijzonder met zionisten, terwijl hij onver­moeibaar werkte aan een plan het Rijk te bevrijden van zijn joodse inwoners en de strijd tegen de ‘macht’ van een mythisch, mondiaal jodendom.”

“In 1940 was Eichmann betrokken bij andere massa-verdrijvingen en hij ont­wierp plannen om vier miljoen Europese joden naar Madagaskar te deporteren.”

Eichmann noemde zichzelf zelfs de nieuwe Herzl.

“Eichman zag zichzelf in die tijd zeker niet als een jodenmoorde­naar. Hij was nog steeds een voorstander van joodse emigratie en hij werkte het hele jaar 1940 samen met zionistische groeperingen en joodse mensensmokke­laars die heimelijk joden naar Palestina zonden” (p 19)

 

“Nieuw onderzoek ont­hult dat de voorbereidingen voor het proces [in Jeruzalem] aan politieke bemoeienis waren onderworpen. De Israëliërs ontweken gevoelige zaken zoals het contact tussen de zionisten en Eichmann in de jaren dertig en de onderhandelingen over het lot van de Hongaarse joden in 1944 waarbij Ben-Goerion zelf was betrokken.” (p 24)

De samenwerking tussen nazi’s en zionisten is een donker hoofdstuk in de geschiedenis, ook is het nog zo goed te begrijpen dat de joden een veilige plek zochten.

Ik heb mij eerder in ander verband bezig gehouden met de problematische geschiedenis van het zionisme, waarbij ik met racistische en antisemitische gedachten bij Max Nordau, de tweede man van het zionistisch verbond na Theodor Herzl.

Ik heb met schrik vastgesteld dat Hitlers begrip van de “ontaarding” en “ontaarde kunst” een denkbeeld was die op 1000 pagina’s was uitgewerkt door een jood, de zionist Max Nordau.

Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoi, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.

De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierswerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau  het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit “maatschappelijke ongedierte” moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.

Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde “Muskeljuden” . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.

Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: ‘Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004)

Tot besluit: ik zeg NIET dat alle zionisten fascisten zijn of erger. Er zijn zeer verschillende vormen van zionisme.

Ik zeg alleen dat ook de geschiedenis van het zionisme donkere hoofdstukken bevat.

 

Literatuur: Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani

Zie ook hier over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis

Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde,  verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.

Maria Trepp www.passagenproject.com

John Everett Millais en de prerafaëlieten

24 comments

 

In het Van Gogh museum kon men in 2008 de werken van John Millais bewonderen. 

John Everett Millais (1829-1896) was de belangrijkste schilder van het Engelse genootschap der Prerafaëlieten en de meest succesvolle Britse kunstenaar uit de tweede helft van de 19de eeuw.
In september 1848 richtte Millais met Hunt, Rossetti en anderen de Pre-Raphaelite Brotherhood op. Deze groep zette het gangbare idee overboord dat de kunstenaar diende te streven naar de ideale schoonheid. De natuur diende volgens Millais en Hunt zo waarheidsgetrouw mogelijk te worden weergegeven.

Alison Smith schrijft over “Het poëtische beeld van Millais” ( in de catalogus van het Van Gogh Museum) :
“Die vele dynamische ontwikkelingen in het werk van Millais maken het onmogelijk om zijn oeuvre te classificeren. Zijn werk werd nu eens als romantisch, dan weer als realistisch, of als esthetiserend, impressionistisch of symbolistisch getypeerd, terwijl het in feite in geen van deze categorieën thuishoort. Millais kan het beste worden omschreven als een ‘realistische symbolist’, door de unieke wijze waarop hij de doodgewone details van het bestaan gebruikte om naar een betekenis achter de waarneembare werkelijkheid te speuren.”

“Het prerafaëlitisme speelde een cruciale rol in Millais’ ontwikkeling als kunstenaar. Zijn hartstochtelijke betrokkenheid in die beweging maakte van hem een rebel die bereid was om de troeven van zijn artistieke vroegrijpheid te verspelen en de afkeuring van critici en artistiek establishment te ondergaan. Als avant-gardestroming streefde het prerafaëlitisme naar een breuk met de traditie en had het de toekomst van de kunst voor ogen.

‘Isabella’ ( 1848) is beladen met visuele toespelingen op het verleden­ van Hans Memling tot Paolo Veronese -, maar die verwijzingen worden overschaduwd door het symbolische witte been dat dwars door de compositie snijdt. Deze kunst­greep choqueerde het publiek en maakte het meteen duidelijk dat de jonge schilder schoon schip wilde maken.”

“Millais en zijn medestanders van de Prerafaëlitische Broederschap beschouwden de middeleeuwse kunst als een authentiek model voor vernieuwing, omdat die kunst volgens hen minder aan formules was onderworpen dan de stijlen die sinds de renais­sance dominant waren geweest. Schilderijen als Isabella en Ophelia waren revolutionair omdat de manier waarop zij waren gemaakt geheel in strijd was met de gangbare aca­demische regels voor het vervaardigen van schilderijen.”

John_Everett_Millais_-_Ophelia

John_Everett_Millais_-_Ophelia

“Gedurende zijn hele carrière bleef hij bezield door dit verlangen om de vitaliteit en complexiteit van natuurverschijnselen weer te geven. Om die reden had hij trouwens een afkeer van het classicisme als stijl. In 1875, in een toespraak tot kunststudenten, drukte hij zijn opvatting daarover uit: ‘Niemand is echt een goede tekenaar als hij zich niet van de klassieke orde kan ont­doen … en als hij niet in staat is om indien nodig de eigenaardigheden en oneindige variëteit van de natuur voor te stellen.”

“De prerafaëlieten waren van mening dat karakterexpressie in de schilderkunst steunde op rechtstreekse observatie van het echte leven. Zij verwierpen het academi­sche principe van de idealisering en beschouwden de individualisering als de sleutel tot de weergave van emoties en innerlijke ervaringen. Millais ontpopte zich als een voorloper van de moderne psychologie, in de manier waarop hij onbewuste verlangens en impulsen (wat Freud de ‘psychische energie’ zou noemen) probeerde te doorgronden via de uiterlijke verschijning. Kenmerkend voor zijn personages is hun ‘in beslag genomen zijn’ door een of andere activiteit, alsof zij zich niet bewust zijn van onze blik.”

“MilIais’ kunst is niet illustratief in de conventionele zin, omdat zij meer doet dan een tekst illustreren of een verhaal uitbeelden. Anderzijds is zij te werkelijkheidsgetrouw om te ressorteren onder het idealiserende estheticisme of symbolisme waarvan zijn tijdgenoten Frederic Leighton, James McNeill Whistler en Rossetti wegbereiders waren. Toch mogen we zeggen dat Millais in wezen een symbolist was die via zijn inspanningen om de vluchtige wereld der waarneembare fenomenen vast te leggen, op zoek was naar een subjectief begrip van de impact van tijd en herinnering op de menselijke psychologie.”

Het laatste, de invloed van tijd en herinnering op de psyche, wordt zeer mooi uitgebeeld in Millais’ schilderij “Mijmeringen” ( 1855) , een van de schilderijen die ik als voorbeeld neem voor eigen fotografische zelf– en vrouwenportraits.

Ik ken Maillais en de prerafaëlieten uit mijn onderzoek over Max Nordaus pre-fascistisch werk “Entartung” ( “Ontaarding”; 1892/3) . Max Nordau beschrijft de moderne Kunst van Monet tot Baudelaire, van Tolstoj tot Ibsen als ziekelijk “ontaard”. Ook over de Prerafaëlieten en hun vermeende ontaarding heeft Nordau een heel hoofdstuk geschreven.

Nordau schrijft in “Ontaarding”, (vertaald en bewerkt door F.M. Jaeger):

“Drie schilders, Dante Gabriël Rossetti, Holman Hunt en Millais vereenigden zich in 1848 tot een club, waaraan zij den naam gaven van “praerafaëlietische broederschap”,. […] In het voorjaar van 1849 hielden zij in Londen eene ten­toonstelling van schilderijen en beeldhouwwerken, die be­halve met de namen van de makers ook voorzien werden met het merk P. R. B. Hunne werken maakten een totaal fiasco. Het publiek, dat nog niet lastig gevallen werd door de fanatieke geloovers ‘aan een zekere soort van schoon en ook niet onder den invloed stond van eene ziekelijke mode, haalde voor deze kunstproducten de schouders op; men maakte zich er vroolijk of boos over, naar gelang van de stemming.”….”zij schilderden geene werkelijke aanschouwingen, maar alleen gewaarwordingen. Zij brachten in hun ‘werk van die geheimzinnige toespelingen en duistere symbolen, die met het teruggeven van de werkelijkheid niets te maken hebben.”

Nordau verwijt de prerafaëlieten onder meer hun niet-academisch werk, waarbij ook de achtergrond zeer detailbewust wordt geschilderd. Volgens Nordau is dit een “ziekelijke echolalie met de penseel” en het bewijs dat de schilder niet in staat is te concentreren. Ook de “geilheid” en erotiek in de schilderijen van de Prerafaëlieten is een steen des aanstoots voor Nordau.

Hitlers kunst- en “ontaardings”-theorie was sterk beïnvloed door Nordau, al werd Nordau door de nazi’s niet genoemd, om dat Nordau zionist en jood was.

 

John_Everett_Millais Prerafaëlieten

John_Everett_Millais Prerafaëlieten

1

Millais-_Mariana  Prerafaëlieten

Millais-_Mariana Prerafaëlieten

2

3

4

5

6

7

8

 

 

www.passagenproject.com

Nietzsche en het anti-antisemitisme

62 comments

 

Nietzsche1882 antisemitisme

Nietzsche en het antisemitisme

Hoewel Nietzsche door sommigen als een voorloper van het nazisme wordt beschouwd bekritiseerde hij antisemitisme,  pan-Germanisme  en nationalisme. Zo brak hij met zijn uitgever in 1886 als gevolg van verzet tegen diens antisemitische standpunten, en zijn breuk met  Richard Wagner  beschreven in  Het geval Wagner  en  Nietzsche contra Wagner (beiden geschreven in 1888), had veel te maken met Wagners goedkeuring  van pan-Germanisme en antisemitisme.

In een brief  van 29 maart 1887 aan  Theodor Fritsch  bespotte Nietzsche antisemieten als  Fritsch,  Eugen Dühring , Wagner, Ebrard, Wahrmund  en de leidende voorstander van het pan-Germanisme,  Paul de Lagarde , die, samen met Wagner en  Houston Chamberlain , de belangrijkste officiële invloeden van het nazisme werden.  Deze brief aan Fritsch eindigt:

 – En tenslotte, hoe denk je dat ik me voel wanneer de naam Zarathoestra in de mond wordt genomen door anti-semieten?  …

Hoofdstuk VIII van  Voorbij goed en kwaad  getiteld “Volk en vaderland” bekritiseert pan-Germanisme en patriottisme, en bepleit in plaats daarvan de eenwording van Europa (§ 256, etc.).

In  Ecce Homo  (1888), bekritiseerde Nietzsche de “Duitse natie”, de “wil tot macht (= tot Reich)”, en keurde een verkeerde interpretatie van de Wille zur Macht  af, net zo als de opvatting van de Duitsers als een “ras”,  en de “antisemitische manier van schrijven van de geschiedenis”.

Nietzsche uitte harde kritiek op de man van zijn zuster,  Bernhard Förster en op zijn zuster zelf , en sprak afwijzend over de “antisemitische canaille”: “Nadat ik de naam van Zarathoestra in de anti-semitische correspondentie lees komt mijn verdraagzaamheid tot einde.  Ik verkeer nu in een positie van noodweer tegen de partij van jouw echtgenoot. Deze vervloekte antisemitische misvormingen zullen mijn ideaal  niet bezoedelen!” .

Georges Bataille  was een van de eersten die de opzettelijke verkeerde interpretatie van Nietzsche door de nazi’s aan de kaak stelde.  Bataille wijdde in januari 1937 een nummer van  Acéphale , getiteld “Herstelbetalingen aan Nietzsche” aan het thema “Nietzsche en de fascisten”,  Hij noemde Elisabeth Förster-Nietzsche  “Elisabeth Judas-Förster,” daarbij aan Nietzsches verklaring refererend:   “…nooit meer iemand te bezoeken die betrokken is bij dit naakte bedrog met betrekking tot rassen. 

Nietzsches aforisme 377  in het vijfde boek van  De vrolijke wetenschap  (Gepubliceerd in 1887) bekritiseert nationalisme and patriottisme en pleit ervoor goede Europeanen te zijn:

„.. wir sind der Rasse und Abkunft nach zu vielfach und gemischt, als “moderne Menschen”, und folglich wenig versucht, an jener verlogenen Rassen-Selbstbewunderung und Unzucht teilzunehmen, welche sich heute in Deutschland als Zeichen deutscher Gesinnung zur Schau trägt und die bei dem Volke des historischen “Sinns” zwiefach falsch und unanständig anmutet. Wir sind, mit einem Worte – und es soll unser Ehrenwort sein! – gute Europäer, die Erben Europas, die reichen, überhäuften, aber auch überreich verpflichteten Erben von Jahrtausenden des europäischen Geistes: als solche auch dem Christenthum entwachsen und abhold, und gerade, weil wir aus ihm gewachsen sind, weil unsre Vorfahren Christen von rücksichtsloser Rechtschaffenheit des Christentums waren, die ihrem Glauben willig Gut und Blut, Stand und Vaterland zum Opfer gebracht haben.“

http://gutenberg.spiegel.de/buch/3245/8

 

“Nietzsche was zijn gehele leven aan een vloed van antisemitische propaganda blootgesteld: van de zijde van zijn zuster en zijn zwager, Bernhard Förster, een prominent vertegenwoordiger van de Duitse antisemitische be­weging, die na een schandaal in een tram, waarbij hij joodse passagiers had mishandeld, naar Paraguay emigreerde om daar de teutoonse kolonie ‘Nueva Germania’ te stichten; van de zijde van Wagner; van zijn uitgever Schmeitzner en van lieden die hem de Antisemitische Korrespondenz toezonden. Hierin ligt onge­twijfeld mede de verklaring voor zijn voortdurende bestrijding van dit gif. “

Dit citaat komt uit het boek van Henk van Gelre, “Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving” (band 1, p 108) , aanbevolen op mijn vorige blog door An van den Burg.

Nietzsche: “‘Het hele probleem van de joden bestaat alleen binnen de nationale staten, in zover hun daadkracht en grotere intelligentie, hun in een lange lijdensschool van generatie op generatie opgestapeld geestes- en wilska­pitaal, hier wel overal in een afgunst en haat opwekkende mate het overwicht moet verkrijgen, zodat de literaire onhebbelijkheid in alle naties van vandaag de overhand neemt – en wel méér naarmate deze zich weer nationaal gedragen -, om de joden als zondebok, voor alle moe­lijke openbare en innerlijke misstanden naar de slachtbank te leiden.’

Rüdiger Safranski heeft in zijn uitvoerige Nietzsche- biografie ook over het thema “Nietzsche en het antisemitisme” geschreven (p 331 ff):

Het is onbetwist­baar dat Nietzsche een anti-anti-semiet was, al is het maar omdat het antisemitisme hem in zulke gehate figuren als zijn zwager Bernhard Förster en zijn zuster voor ogen stond. Hij verachtte de Duits-nationale, volkse componenten. Hij zag in de anti-semitische beweging van de jaren tachtig de opstand van de middelmatigen, die zich onrechtmatig voor heersersnaturen uitgaven, alleen omdat ze zich Ariërs voelden.

Tegenover zulke antisemieten was Nietzsche zelfs bereid het joodse ras te verdedigen door te beweren dat het meer waard was. Zijn argument luidt: Omdat ze zich eeuwenlang tegen aanvallen hebben moeten verdedigen, zijn ze taai en geraffi­neerd geworden, ze hebben de defensieve kracht van de geest ver­sterkt en zodoende een onmisbare rijkdom in de Europese geschie­denis ingebracht. Het joodse volk, schreef Nietzsche, heeft van alle volkeren de smartelijkste geschiedenis achter de rug, en juist daarom hebben we aan dit volk de edelste mens (Christus), de zuiverste wij­ze (Spinoza), het machtigste boek en de invloedrijkste zedenwet ter wereld […]  te danken. Hij keert zich tegen de verblinding van de nationalisten die de joden als zondebokken van alle mogelij­ke publieke en private misstanden naar de slachtbank leiden.”

“In zijn aantekeningen uit de herfst van 1888 zet Nietzsche een aan­tal gedachten voor een psychologie van het antisemitisme op een rijtje. Het gaat daarbij meestal om lui, schrijft hij, die te zwak zijn om hun leven een zin te geven en die zich in panische angst bij de eerste de beste partijen aansluiten die hun tirannieke behoefte aan zin bevredigen. Ze worden bijvoorbeeld anti-semieten louter en al­leen omdat de anti-semieten het op het schaamteloze af op dat ene voor de hand liggende doel gemunt hebben – het joodse geld . Aan die waarneming knoopt Nietzsche zijn psychogram van de ordinai­re anti-semiet vast: instinctieve afgunst, ressentiment, machteloze woede als I ei d mot i e f: de aanspraak van de ‘uitverkorene’; door en door moralistische leugenachtigheid tegenover zichzelf -die per­manent de mond vol heeft van deugdzaamheid en alle andere gro­te woorden. Dit als typisch kenmerk: ze merken niet eens op wie ze daardoor als twee druppels water lijken? Een anti-semiet is een afgunstige, dat wil zeggen de meest stupide jood. “

“Toch ontwikkelde hij [Nietzsche]  in De genealogie van de moraal, in Afgodenschemering en in De antichrist een theorie vol­gens welke het religieuze jodendom een beslissende en leidingge­vende rol heeft gespeeld bij het initiëren van de slavenopstand van de moraal. “

“De door Nietzsche verachte antisemieten konden dus in ieder geval een aantal van zijn gedachten als bron van inspiratie gebrui­ken, ook al strookte het beeld van de Arische heersersnatuur dat zij ontwierpen niet met het beeld van voornaamheid dat Nietzsche als leididee voor ogen stond. Dat hebben ze bij de nationaal-socialisten op een gegeven moment ook gemerkt. Ze bleven Nietzsche welis­waar voor hun karretje spannen, maar er gingen daarnaast steeds meer stemmen op die voor de vrijdenker Nietzsche waarschuwden. Ernst Krieck, een invloedrijke nationaal-socialistische filosoof, oor­deelde ironisch: ‘Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstan­der van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten be­schouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn’  “.

De pre-fascist Max Nordau, auteur van “Entartung/Ontaarding” (1892) haatte Nietzsche, die hij (terecht) als een vrijdenker en als een antinationalist beschouwde. Dus heeft Max Nordau aan Nietzsche een van zijn haat-hoofdstukken gewijd, wat achteraf bezien eigenlijk een hommage is, omdat Nietzsche hier naast andere “ontaarde” en dus “dood te slaande” geesten staat: Tolstoi, Beaudelaire, Ibsen, Zola.

Harry Mulisch behandelt de kwestie “Nietzsche en het antisemitisme” uitvoerig in zijn boek over Eichmann “De zaak 40/61” waarbij hij ook tot de conclusie komt:

“hij [Nietzsche] zou ongetwijfeld tot Hitlers felste tegenstan­ders behoord hebben”

 

Maria Trepp

 

Leo Tolstoi – een ontaarde denker?

9 comments
Tolstoij is voor mij een belangrijke denker.
Tolstoi is bovendien – en niet toevallig- het doelwit van de uitgesproken haat van de zionist en prefascist Max Nordau. Nordau heeft in zijn werk “Entartung” ( Ontaarding) van 1892 een groot hoofdstuk over Tolstoi geschreven, waarin hij uitlegt waarom Tolstoij een “ontaarde” denker is.
Nordau zegt in zijn hoofdstuk over Tolstoi (Entartung, Bd.1, p 257 ff), dat Tolstois Weltschauung “eine geistige Verirrung” is. Het ontaarde mysticisme van Tolstoij meent de psychiater Max Nordau te kunnen diagnosticeren als een zich-verliezen in details en een onvermogen de aandacht te richten. Tolstoij kan zich volgens Noradua gewoon niet concentreren (hetzelfde verwijt hij trouwens ook vele andere dichters, o.a. Maeterlinck) . Geheel correct zegt Nordau dat bij Tolstoij sprake is van een soort buddhistisch pantheïsme en spinozisme- iets waar de positivist en sociaaldarwinist Nordau een ongelofelijke hekel aan heeft. Vooral verwijt hij Tolstoij dat deze niet, zoals Nordau zelf, vindt dat de zieken en zwakkeren (=”de parasieten” ) uit de samenleving moeten worden verwijdert.
Het is tragisch om te lezen hoe de jood en zionist Max Nordau het gedachtegoed van Hitler vormgeeft.
Frederic Spotts in Hitler and the power of aesthetics (2002):
„In Hitler‘s speeches, as in his private remarks, the concepts of Nordau […] can be heard.“ (p.24)
Zie ook :

The Last Days of Leo Tolstoy Captured on Video

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief