Wetenschap Kunst Politiek

Pim Fortuyn en het hoefijzermodel

125 comments
Fortuyn wordt aanbeden door de neoconservatieve Burkianen, en omdat hij net als Wilders van de Burke Stichting  tot “Conservatief van het jaar” werd verkozen.
Men vindt bij Fortuyn elementen van links én van rechts.
Ten dele ben ik het hiermee eens en zal proberen het linkse en rechtse denken van Fortuyn te beschrijven.
Over Fortuyn heb ik het zeer leerrijk boek van Dick Pels in huis, De geest van Pim (2003) . Pels, politicoloog en initiator van de vrijzinnig-linkse denktank Waterland,  kent Fortuyn uit zijn Groningse tijd (net als trouwens blijkbaar ook Kletersteeg).
Als we het hebben over de linkse en rechtse elementen in Fortuyns denken kunnen we het in ieder geval over eens zijn dat hij in het begin van zijn carrière uiterst links was. Naar mijn opvatting heeft hij zich van uiterst links naar uiterst neo/ nationaalliberaal-rechts ontwikkeld.
Om Fortuyn te beschrijven gebruikt Pels niet het traditionele vleugel -model, waarbij links en rechts maximaal van elkaar zijn verwijderd, maar het hoefijzer­model, waar uiterst links en uiterst rechts dicht bij elkaar liggen aan de uiteinden van het hoefijzer.

De uitleg over dit politieke ‘hoefijzermodel’ haal ik even van Wikipedia: Het hoefijzermodel is een model van het politieke spectrum waarin de gebruikelijke twee uitersten, extreemlinks en extreemrechts dichter bij elkaar geplaatst worden dan hun gematigde varianten. Het spectrum is in dit model geen rechte lijn van links naar rechts, maar een open cirkel die aan een hoefijzer doet denken. Redenen voor het gebruik van het hoefijzermodel zijn:

  • Overeenkomsten in methodes (buitenparlementair activisme, soms geweld) en denkbeelden (verwerping van het parlementaire systeem) tussen extreemlinkse en extreemrechtse bewegingen;
  • Overeenkomsten in standpunten
  • De overstap van personen tussen deze bewegingen, die vaker blijkt plaats te vinden dan men bij een lineair spectrum zou verwachten;
  • Het bestaan van hybride stromingen, zoals het Russische nationaal-bolsjewisme.

Met het hoefijzermodel hebben we ook direct aansluiting aan mijn vorige blog over het nationaal-socialisme, dat, zoals de socioloog J.A.A. van Doorn in een nieuw boek betoogt – en vele anderen vóór hem – de elementen van nationalisme en socialisme verenigde.
Redelijke denkbeelden zijn volgens dit model aan de gesloten kant van het hoefijzer te vinden, revolutionaire denkbeelden (zowel rechts alsook links) aan de open kant van het hoefijzer.
[ Excurs boheme: Pels vermengt deze revolutionairen van de ‘open hoefijzerkant’ wederom met de bohème, een vermenging waar ik het helemaal niet eens met ben. De vrijzinnige bohème ( Pels noemt namen als Flaubert, Oscar Wilde,  Beaudelaire) had niets gemeen met rechtsextreme en linksextreme denkers, was politiek gezien niet extreem of autoriair, en Fortuyn was volgens mij hoogstens een would-be bohémien, een kitscherig materialistische man die niets gemeen had met echte kunstenaars behalve een pose.
Net als…als…hoe het hij toch ook weer,  de Duitse would-be kunstenaar….
Er is een fascistische bohème ja, bijvoorbeeld het futurisme enz., maar deze bohème is weer volkomen anders dan de vrijzinnige bohème en Pels gooit dit alles op een hoop]

Over de weg van Fortuyn van links naar rechts schrijft Pels:

“[Fortuyn] begint als een betrek­kelijk radicale marxist, die in zijn pleidooien voor een onverkort sta­kingsrecht en voor directe proletarische actie zelfs flirt met elementen van het klassieke revolutionaire syndicalisme. Daarna ondergaat zijn denken een verzachting, die resulteert in een aanvaarding van de klas­sieke leerstukken van het sociaal-democratisch revisionisme. Ofschoon hij in deze fase, met name in discussie met CPN-intellectuelen, de re­volutionaire weg naar het socialisme afwijst, weigert hij tegelijkertijd mee te gaan met de liberaliserende tendens van PvdA-ideologen als Kalma, en blijft hij in het spoor van Den Uyl vasthouden aan de maak­baarheid van de samenleving en het primaat van de politiek. In de pe­riode rond zijn eerste afscheid van de universiteit maakt hij een draai naar het neoliberalisme en het ondernemende individualisme waar­door zijn voormalige socialisme binnenstebuiten wordt gekeerd. Dit doet echter geen afbreuk aan zijn diepgewortelde crisisbesef zijn ac­tiebereidheid, en zijn blijvende gevoel van politieke urgentie. Rond zijn tweede afscheid van de academie keert Fortuyn in zekere zin weer te­rug naar collectivistisch gekleurde thema’s zoals gemeenschapszin, een gedeeld normen- en waardenbesef en culturele identiteit. Die the­ma’s trekken tegelijkertijd steeds sterker in de richting van een politiek essentialisme met een ‘volks nationalistische’ inslag.

Als we dit traject als geheel overzien, merken we ook dat Fortuyn de politieke economie (zijn oorspronkelijke ‘vak’) gaandeweg vervangt door een brede cultuurtheorie waarin onderbouwen bovenbouw van plaats gewisseld zijn. In plaats van materiële productie- en klassenver­houdingen vormen nu culturele factoren (en tegenstellingen op het vlak van de culturele identiteit) de ‘laatste instantie’ die andere sociale ontwikkelingen vormgeven en bepalen. Door dit alles heen behoudt Fortuyn een radicaal temperament (zijn levens motto is ‘alles of niets!’) dat de sensatie cultiveert van een overgangstijd vol dramatische ver­anderingen, waaraan de zittende politieke kaste door haar gebrek aan visie en daadkracht geen leiding weet te geven. Dit apocalyptische sentiment (to be or not to be, erop of eronder) voedt een ethos van dienstbaarheid (‘At Your Service!’) en een politiek roepingsbesef dat de maakbaarheidsgedachte in ere houdt, en de urgentie verkondigt van vi­sionair leiderschap dat alleen maar afkomstig kan zijn van creatieve en moedige buitenstaanders.

Die laatste verwijzing is cruciaal, omdat het politieke hoefijzer langs zijn verticale as niet alleen temperatuur- en temperamentsverschillen meet tussen politiek extremisme, gematigdheid en behoudzucht, maar tegelijk ruimte biedt aan de klassieke populistische tegenstelling tus­sen gevestigden en buitenstaanders. Die tegenstelling en het ‘grote ge­vecht’ dat hierdoor wordt uitgelokt, vormen het eigenlijke grondmotief van Fortuyns sociaal-politiek denken.” ( p. 28 f)

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief