Wetenschap Kunst Politiek

Spinoza en het ‘right to offend’

20 comments


Afshin Ellian beroept zich, net als Hirsi Ali, op een recht om te beledigen en meent bovendien zich daarmee op Spinzoa te kunnen beroepen.
Inderdaad heft de prominente Spinoza-kenner Jonathan Israël zelf Hirsi Ali met Spinoza vergeleken.

Velen hebben hem en/of Ellian weersproken.

Bas van Stokkom: “Ellian en De Winter maken […] stemming jegens ‘de’ islam, en doen vele discutabele en enkele evident onjuiste beweringen. In navolging van Hirsi Ali claimen ze een ‘right to offend’. […] Ellian en De Winter pogen Erasmus en Spinoza voor hun karretje te spannen door hen tot onruststokers en dwarsliggers te betitelen. Maar deze evenwichtige filosofen staan mijlen af van het moderne ‘kwetsen om het kwetsen’.” ( de Volkskrant 4-1-2007)
Stokkoms Nijmeegse collega Marin Terpstra betwijfelt of Spinoza zich zou kunnen vinden in wat Ayaan Hirsi Ali gedaan heeft. “Ze was een fel pleitbezorger van de vrijheid van meningsuiting, maar zij ging nog een stapje verder. Zij claimde het recht anderen te mogen beledigen. Spinoza zou dit laatste in ieder geval niet met Hirsi Ali delen. Bij Spinoza moet het denken een constructieve bijdrage leveren aan de collectieve meningsvorming; een belediging daarentegen is een oorlogsverklaring aan de ander.” (Trouw, 9-11-2006)

Gied ten Berge is ook zeer kritisch over de vergelijking tussen Spinoza en Hirsi Ali:
”De wijze waarop Yoram Stein in een gesprek met de historicus Jonathan Israel, het VVD-kamerlid Hirsi Ali opvoert als vergelijkbaar met Spinoza vind ik misleidend […]
Dat Spinoza de gangmaker zou zijn van het moderne ongeloof, klopt niet. De grote Joodse filosoof bevrijdde zich van de toenmalige bekrompenheid in eigen joodse kring, waarmee hij een conflict had over zijn vermeend pantheïsme. Spinoza verdedigde de stelling dat God niet alleen de grond van het bestaan is, maar ook van het wezen der wereld. Het legde een verband tussen schepper en het geschapene, dat later door sommigen ten onrechte als het begin van de verdamping van het idee van God is gezien. Dat tijdgenoten hem voor atheïst uitmaakten, heeftSpinoza zelf al van de hand gewezen.

Hij werd uit de synagoge verbannen, maar Spinoza was daarmee zeker niet van God los. Hij dacht intens na over God. De liefde tot God en ratio hield hij stevig bij elkaar. Degenen die zich nadien van God losgemaakt hebben, kunnen zich niet op hem beroepen. […]

De gedachte dat Hirsi Ali op een islamitische basisschool, waar zij de kindertjes voor de keus stelde tussen Allah of de grondwet, in de voetstappen zou zijn getreden van Spinoza, is absurd. Ze stelde kinderen voor een valse keuze tussen grootheden die Spinoza helemaal niet als strijdig zag. Hirsi Ali riep daarmee herinneringen op aan aan de pedagogie van de Kindergarten in de DDR.

Het is al even absurd om je op Spinoza te beroepen in je afkeer van bijzonder onderwijs, omdat juist het openbaar onderwijs het gesprek over God, dat Spinoza hoog had, nog altijd niet tot haar vrijheden mag rekenen.
De lijfspreuk van de zachtmoedige, voorzichtige Spinoza was ‘Caute’: ‘Behoedzaam!’ Hij blijft in deze tijden een lichtend voorbeeld voor een tolerant vredesklimaat in eigen land, dat gediend is met voorzichtigheid, respect en dialoog. Hij staat haaks op het soort confrontatie dat door politici als Hirsi Ali wordt gezocht.” ( Trouw 11-5-2005)
Later heeft Jonathan Israël zich overigens krachtig van Hirsi ali gedistantieerd:

“Ik ben er fel tegen om te suggereren – zoals onder anderen Ayaan Hirsi Ali heeft gedaan – dat het fundamentele conflict gaat tussen de westerse waarden en de islam. Daar ben ik het absoluut niet mee eens. Het is niet waar, het is een afschuwelijke simplificatie en het kan verdeeldheid zaaien en conflicten veroorzaken. […]
Het conflict is niet zozeer tussen westerse waarden en islamitische waarden als wel tussen theologisch en filosofisch denken, of beter gezegd: tussen geloof en rede. Daarom steun ik alle secularistische humanisten in de islamitische wereld. Daar zijn er tegenwoordig, ook in Nederland, heel wat van. Bovendien komen die voort uit een traditie van filosofie en Verlichting die teruggaat tot de Middeleeuwen. Veel radicale Verlichters uit de achttiende eeuw zagen de middeleeuwse islam als het begin van het radicale denken over tolerantie en theologiekritiek. Daar zit zeker een kern van waarheid in.’” De Groene Amsterdammer 8-6-2007)

 

 

Meest recente berichten