Wetenschap Kunst Politiek

Susan Neiman over realisme en idealisme, over Kant en over Edmund Burke

22 comments

Evelien Tonkens schrijft over Susan Neiman, wiens boek “Morele helderheid” ik met veel interesse heb gelezen en in mijn Burke-Stichting-documentatie heb gebruikt.

Ik citeer uit mijn hoofdstuk over “realisme”:

Het Wilderiaanse Nieuw-realisme met zijn wortels bij Wilders-peetvader Bolkestein is in feite een hobbesiaans realisme. De wereld wordt beschouwd als het toneel van een niet-aflatende strijd om  macht.[1] Volgens Hobbes is  de mens van  nature niet geneigd  tot het goede (altruïsme en samenwerking), maar eerder tot het kwade (egoïsme en machtsstrijd).

“Realistisch” is een hobbesiaanse houding inzoverre als ervan uit wordt gegaan dat de wereld, en de vijandige menselijke verhou­dingen daarin, op dit fundamentele niveau niet te veranderen is.

In de ogen van Susan Neiman is het hobbeaans realisme gevaarlijk omdat het de mens als een hopeloos geval ziet, dat je maar het beste zo strak mogelijk aan banden kunt leggen. De ‘oorlog van allen tegen allen’, die volgens Hobbes de natuurlijk staat van de mens verbeeldt, doet Neiman af als bovenmatig zwartgallig.
“De notie dat de mens van nature goed is, mag onzinnig zijn, het tegenovergestelde is net zo goed niet waar. Mensen zijn in staat tot onbaatzuchtige handelingen ten dienste van hun medemensen; sommige zetten daarbij zelfs hun leven op het spel. Dat zijn de morele helden die wij volgens Neiman nodig hebben, de voorbeelden die ons eigen idealisme vorm kunnen geven. Die helden zijn geen supermensen; ze zijn feilbaar, soms zwak en altijd heel erg menselijk.” NRC 2-1- 2009.

In haar boek “Morele helderheid” stelt Neiman betreffende het neoconservatieve “realisme”, dat conservatieven aan een overdaad van mogelijke metafysica’s lijden en een slingerpad bewande­len tussen een realisme dat de slechtste kanten van menselijke en ande­re naturen als ankerpunten neemt, en een idealisme dat blind is voor al­les behalve de weerspiegelingen van zijn eigen dromen (p 129).

Neiman beschrijft ook het realisme van Edmund Burke dat volgens haar typisch is voor het conservatief realisme:

“Zoals de meeste conservatieven maakt Burke gebruik van de retorische kunstgreep om zijn visie niet zozeer als een visie maar als een mix van gezond verstand en nuchtere observatie te presenteren. Ideeën en ideo­logieën zijn iets voor progressieven; conservatieven zijn simpelweg re­alisten die zich tevreden stellen met erop te wijzen hoe de wereld nu eenmaal in elkaar steekt. Het genoegen waarmee Burke de ‘bazelaars en avonturiers’ belachelijk maakt, verbergt op effectieve wijze dat zijn po­sitie eveneens stoelt op een specifieke en invloedrijke metafysica met haar eigen karakteristieke opvatting over de menselijke natuur.” ( p 137)

Neiman is Kant-specialiste en zij voert Kant aan tegen Burkiaanse nieuw-realisten:

“Een jaar nadat Burkes boek over revolutie was verschenen, publiceer­de Kant zijn antwoord in een pamflet genaamd ‘Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk’. (….) Kant schreef dat conservatieven zoals Burke karig zijn met hun ar­gumentatie maar scheutig met hun ‘voorname hooghartige toon’. Ze menen ermee te kunnen volstaan radicale standpunten te bespotten zonder die van henzelf te bevragen. Erger nog is dat ze niet opmerken in welke mate onze ervaring is geconstrueerd – en vaak opzettelijk – ter be­stendiging van een maatschappelijk systeem dat precies die mensen be­gunstigt die het als onvermijdelijk bestempelen. ` (p 137)

Net als Boukje Prins (“Voorbij de onschuld”) en met Kant zegt Neiman, dat de sociale werkelijkheid niets is is dat onafhankelijk van de mens bestaat, maar gemaakt wordt:
“Van nog groter belang is dat degenen die zichzelf realist noemen op verschillende manieren over het hoofd zien dat je de werkelijkheid op meer dan één manier kunt bezien. je visie op de werkelijkheid bepaalt je visie op wat je in die werkelijkheid tot stand kunt brengen.”( p 138)

Neiman pleit met Kant voor een idealisme dat de spanning tussen ideal en werkelijkheid vasthoudt. Zij keert zich zowel tegen plat realisme alsook tegen puur idealisme. Zij pleit voor een leven tussen ideaal en werkelijkheid, waarbij de werkelijkheid niet simpel kan worden waargenomen, omdat mensen de werkelijkheid altijd “door een bril” zien, en waar ook de idelaen niet makkelikk bereikbaar zijn (zoals de neoconservatieve nationalistisch-populistische idalen) maar geduld en een grote tolerantie voor frustraties eisen.



[1] Vgl het hobbesiaans realisme bij G.W. Bush, zie Rob Wijnberg, Nietzsche & Kant lezen de krant, p 92 ff; Susan Neiman, Morele helderheid.

Paul Cliteur en Frederik de Grote

21 comments

Een lezer vroeg me meer te schrijven over Paul Cliteurs bewondering voor Frederik de Grote.
Cliteur is naar eigen zegen een man van de verlichting. Hij stelt zich- naar mijn mening grotendeels terecht – in de traditie van het denken van Voltaire. Wel is Cliteur, meer nog dan Voltaire, een representant van de autoritaire Verlichting.
Verlichtingsfundamentalisten als Cliteur zijn er (in tegenstelling tot wat zij zelf beweren) niet aan geïnteresseerd om mensen aan te moedigen zelf te denken en zich te emanciperen (wat altijd een langzaam en moeizaam proces is) , maar willen de Verlichting aan de mensen opleggen, desnoods met dwang. Interessant is dat Cliteur de uitspraak van een verlichte absolutist, van Frederik de Grote, – namelijk dat iedereen op zijn eigen manier zalig moet kunnen worden – de voorkeur geeft voor Kants echt verlichte, niet alleen verlicht-absolutistische essay Beantwortung der Frage was ist Aufklärung. (Moderne Papoea’s p 20). Cliteur heeft gelijk, dat Frederik de Grote de islam naast het christendom min of meer gelijk liet gelden, en in die zin een positief voorbeeld kan zijn ( “Frederik wilde alle religies op voet van gelijkheid met elkaar behandelen”, p 157) maar juist in dat opzicht is Cliteur zelf geen opvolger van Frederik!
Het (Burkiaanse) verlichtingsfundamentalisme sluit belangrijke verworvenheden van de Verlichting uit, bijvoorbeeld het “plaatsen van gedrag, moraal en samenlevingsvormen in een historische context” en “de sterke nadruk op empirie en niet op dogma” (Sjoerd de Jong, In: Vrijheid als ideaal, p. 84.)
Het verlichtingsfundamentalisme staat in de traditie van de verlichte vorst (Frederik) of ook in de traditie van de Jacobijnen, maar niet in de traditie van het kritisch zelfstandig denken en emancipatie dat met de naam Kant verbonden is.
Roy Porter over Frederik de Grote: “Certainly, Frederick held advanced views ( he was flagrantly irreligious), and he modernized the administration of his kingdom. Yet despite the façade of sophisticated humanity, Frederick’s Prussia – a militarized, war-hungry state indifferent to individual civil and political liberties – resembles a perversion of the true goals of the ‘party of humanity’ rather than their fulfilment. When rulers and administrators heeded the promptings of ‘reason’, it was to increase their power and enhance their authority in ways which often penalized the poor, weak and inarticulate.” ( The Enlightenment, p.7)
Porter schrijft over de verhouding tussen Voltaire,(Cliteurs groote voorbeeld) and Frederik: “[…] the relative silence of these intellectuals [Voltaire en Diderot] when confronted with the internally oppressive and externally bellicose policies pursued by both autocrats [Frederick and Katharina], leaves many questions to be answered.” (p.23)

 

Meest recente berichten