Wetenschap Kunst Politiek

Platoons semi-racisme

13 comments

Marcel Hulspas schrijft vandaag een uitstekende column over Thierry Baudet en diens onzinnige oproep om over de islam te generaliseren.

Ik wil deze column aanvullen met informatie over Paul Cliteur, de leermeester van Thierry Baudet,  een fervente advocaat van het stigmatiserende generaliseren.

Ik herhaal hieronder een oude blog van mij uit 2007.

Wie zich over de conservatieve en semi-racistische broedplaats van Nederlands uiterst rechts aan de Leidse Rechtenfaculteit (Baudet, Cliteur, Kinneging, Ellian) wil informeren, kan dit doen op mijn talrijke blogs over dit thema en op mijn internetpublicatie over de Leidse Edmund Burke Stichting.

 

——————————————————————————

Generaliseren en stigmatiseren in de naam van Plato

(herhaling van 12-12-2007)

 

De neocon Paul Cliteur probeert zijn polariserende generalisaties te verkopen als wetenschap:

“Wetenschap is generaliseren. Filosofie ook. Wie bij de particuliere geaardheid van de dingen wil blijven staan  zal nooit wetenschapper worden.”[1]

Daarop zeg ik: Ook wie alleen maar of te veel generaliseert is geen goede wetenschapper. De wetenschap bestaat in een dialectisch proces dat afwisselend generaliseert en specificeert/nuanceert/differentieert. Wie over maatschappelijke tegenstellingen alleen maar generaliseert, die polariseert en discrimineert.
Kritiek mag en moet, polemiek ook. Kritiek moet specifiek zijn, en zo min mogelijk generaliseren. Cliteur:

“Wat mij ergert, is dat men mij het recht om generaliserende uitspraken te doen, wil ontzeggen.”[2]

 

Niemand wil hem een recht ontzeggen. Maar kritiek op hem moet geoorloofd zijn, omdat generaliserende uitspraken maatschappelijk onnodig polariserend werken.

Trots zegt Cliteur over zijn eigen doelstellingen:

“Stigmatiseren is zeker ook de bedoeling!”( Tegen de decadentie, p 41)

De tot maxime verheven generalisaties van Cliteur en zijn mede-Burkianen zijn filosofisch een gevolg van een radicaal Platoons denken, ook wel “essentialisme” genoemd.


“[Cliteur]: Ik ben een idealist.”

“Cliteur [vindt]  De Staat van Plato nog altijd één van de belangrijkste filoso­fieboeken aller tijden. Hij beaamt de kritiek die vaak op De Staat te horen is, dat het een anti­democratisch en zelfs een totalitair geschrift is. ‘In dat boek zijn de meest krankzinnige dingen te vinden.’ Maar wat hem zo aanspreekt, is de gedachte dat de staat gericht moet zijn op een bepaald ideaaltype van de staat, in ons geval de rechtsstaat. Dat idealisme vindt Cliteur ‘een mooi contrapunt voor een wijdverbreid cynisme dat in de samenleving aanwezig is. De meeste commentaren die tegenwoor­dig op de internationale politiek worden gegeven zijn doordrongen van een heel diep pessimisme. […] Achter zo’n humanitaire actie in Irak bijvoorbeeld, kán daarom [volgens critici]  niets anders zitten dan oliebelangen. Het idealistische wereldbeeld staat daar tegenover. Daarin wordt aangenomen, dat ook staten zich kunnen laten leiden door ideële overwegingen. Het verbreiden van democratie, mensen­rechten en de scheiding van kerk en staat als universele uitgangspunten, dat gaat uiteindelijk terug op platoons erfgoed, in die zin dat het idealen in deze wereld wil verwerkelijken.’ ” (Filosofie Magazine, 9-2004)

Cliteur:”‘Ik ben steeds radicaler geworden. Ik heb wat dat betreft een omgekeerde ontwikke­lingsgang als Plato doorgemaakt. Plato schreef eerst De Staat, een erg radicaal boek, en daarna De Wetten, dat veel gema­tigder is. Ik begin juist steeds meer onvol­komenheden te zien. Sommige zaken zijn zo structureel verkeerd, dat je hard moet rammen om er doorheen te komen. Dat is een taak die ik mijzelf gesteld heb.‘ ”  “(Filosofie Magazine, 9-2004)

Karl Popper heeft in zijn The open society and its enemies –  een zeer kritische bespreking van Plato’s Staat – het begrip ‘essentialisme’  voor het Platoonse denken gebruikt. Daarom is het interessant de argumentatie en definitie bij Popper nog eens na te lezen:

Karl Popper Plato kritiek

Karl Popper: harde Plato kritiek

“I use the name methodological essentialism to characterize the view, held by Plato and many of his followers, that it is the task of pure knowledge or ‘science’ to discover and to describe the true nature of things, i.e. their hidden reality or essence. It was Plato’ s peculiar belief that the essence of sensible things can be found in other and more real things-in their primogenitors or Forms. Many of the later methodological essential­ists, for instanee Aristotle, did not altogether follow him in this; but they all agreed with him in determining the task of pure knowledge as the discovery of the hidden nature or Form or essence of things. All these methodological essentialists also agreed with Plato in holding that these essences may be discovered and discerned with the help of intellectual intuition; that every essence has a name proper to it, the name af ter which the sensible things are called; and that it may be des cri bed in words. And a description of the essence of a thing they all called a ‘definitiori’ . According to methodological essentialism, there can be three ways of knowing a thing: ‘I mean that we ean know its unchanging reality or essence; and that we can know the definition of the essence; and that we can know its name. Accordingly, two ques­tions may be formulated about any real thing … : A person may give the name and ask for the definition; or he may give the de finition and ask for the name.’ As an example of this method, Plato uses the essence of ‘even’ (as opposed to ‘odd”): ‘Number … may be a thing capable of division into equal parts. If it is so divisible, number is named “even”; and the definition of the name “even” is “a number divisible into equal parts” … And when we are given the name and asked about the defin­ition, or when we are given the definition and asked about the name, we speak, in both cases, of one and the same essence, whether we call it now “even” or “a number divisible into equal parts”.’ After this example, Plato proceeds to apply this method to a ‘proef concerning the real nature of the soul, about which we shall hear more later.
Methodological essentialism, i.e. the theory that it is the aim of science to reveal essences and to describe them by means of def­initions, can be better understood when contrasted with its opposite, methodological nominalism. Instead of aiming at finding out what a thing really is, and at defining its true nature, methodological nominalism aims at describing how a thing behaves in various circumstances, and especially, whether there are any regularities in its behaviour. In other words, methodological nominalism sees the aim of science in the description of the things and events of our experience, and in an ‘explanation’ of these events, i.e. their description with the help of universal laws.” ( p 29 f)
“As indicated by our example, methodological nominalism is now­adays fairly generally accepted in the natural sciences. The problems of the social sciences, on the other hand, are still for the most part treated by essentialist methods. This is, in my opinion, one of the main reasons for their backwardness.”
The most important meaning which he attaches to it is, I believe, practically identical with that which he attaches to the term ‘essence’. This way of using the term ‘nature’ still survives among essentialists even in our day; they still speak, for instance, of the nature of mathematics, or of the nature of inductive inference, or of the ‘nature of happiness and misery. When used by Plato in this way, ‘nature’ means nearly the same as ‘Form or ‘Idea’: for the Form or Idea of a thing, as shown above, is also its essence. ‘” ( p 75 f)
“Thus the terms ‘nature’ and ‘race’ are frequently used by Plato as synonyms, for instance, when he speaks of the ‘race of philosophers’ and of those who have ‘philosophic natures’: so that both these terms are closely akin to the terms ‘essence’ and ‘soul’. ” ( p. 77)

Bij Plato al is de term “ras” gebonden aan dit idealistische denken. Naar mijn mening is veel van het huidige dualistische cultuur- en religie-denken en vorm van cultuurracisme.

 

Zie ook mijn veelgelezen blog “Racisme zonder ras


[1] De onuitstaanbare leegte van links, Trouw 17-1-2004, http://www.civismundi.nl/Civis_Mundi_opinie/Cliteur_opinie_De_onuitstaanba/body_cliteur_opinie_de_onuitstaanba.html [2] Hutspot Holland, p. 182.

Maria Trepp

Scepsis en hoop- Peter Sloterdijk over de islam/ Het heilig vuur

35 comments


Peter Sloterdijk is voor mij de belangrijkste hedendaagse denker.
 
 Zijn “Kritiek van de cynische rede” is  een poging om neo-Nietzscheaanse filosofie en Vrolijke Wetenschap in de praktijk te brengen.
 
Sloterdijk sluit in zijn schriften ook sterk aan bij Walter Benjamin, die het Passagenproject de naam heeft gegeven.
 
Sloterdijk publiceert regelmatig over religie. Zijn boek “Het heilig vuur, Over de strijd tussen jodendom, christendom en islam  biedt een schat aan provocerende beschouwingen.
 
Wat ik bijzonder interessant vind bij Sloterdijk dat is dat hij een meedogenloze kritiek op de islam a la Bernard Lewis combineert met een zeer gedifferentieerde visie op de ontwikkeling van de islam, die helemaal niet op de lijn ligt van Lewis en de neocons.
 
In “Het heilig vuur” gaat het in de kern om de “domesticatie van jodendom, chris­tendom en islam in de geest van de goede samenleving” ( p 118).
 
In de eerste plaats ziet Sloterdijk, net als de neocons, de islam als een militante godsdienst, die historisch gezien militanter was dan het christendom:
 
De plicht om te groeien was aan deze godsdienststichting [de islam] niet minder inherent dan aan de zendingsopdracht van Paulus, met dit verschil dat de politiek-militaire dynamiek hier a priori een onlos­makelijke eenheid vormde met de religieuze. Mohammed knoopte aan bij de verscherping van het post-Babylonische jodendom, die voortleefde in de fanatieke toespitsing van Paulus, en ontwikkel­de vanuit deze richtlijnen een integraal militantisme.”( p. 71)
 
“De constitutieve rol van de militaire factor wordt be­vestigd door het feit dat binnen de canonieke geschriften over de profeet een aparte groep, de zogenaamde maghazi-literatuur, over niets anders gaat dan de veldtochten van Mohammed.”( p. 71)
“De islamitische geloofsijver wordt van meet af aan gekenmerkt door de vroomheid van de zwaardridder, ondersteund door een rijk opgetuigde mystiek van het martelaarschap.”( p 76)
 
“Wat zich afspeelt in de islamitische gebedshuizen, deze gymnasia van de godsvrucht, dient dus niet alleen om het geloof tot uitdruk­king te brengen. De betrokkenheid op het transcendente, die da­gelijks met lichaam en ziel wordt gevierd, heeft evenzeer het effect dat men in vorm blijft voor projecten van heilige strijdbaarheid. In ethisch en pragmatisch opzicht is de islam er met deze voor alle moslims geldende plicht tot het rituele gebed in geslaagd om het leven van alledag volkomen te laten doordringen door het heilig vuur. De allerhoogste plicht is geheugenactiverende fitness: deze staat gelijk met de geest van de wet zelf. “ ( p 72)
 
Toch maakt zich al meteen een bepaalde ironie geldend als Sloterdijk schrijft:
“De explosieve uitbreiding van de islam in de anderhalve eeuw na de dood van de profeet behoort ontegenzeglijk tot de po­litiek-militaire wereldwonderen, en wordt alleen overtroffen door de in omvang en intensiteit nog belangrijker uitbreiding van het Britse wereldrijk tussen de zeventiende en de negentiende eeuw. Dat deze razendsnelle, zij het regionaal begrensde wereldverove­ring werd gevoed door de authentieke intenties van de islam en zijn Heilige Schrift, kan geen ogenblik betwijfeld worden.” ( p 72)
 
Volstrekt anders dan Bernard Lewis en de neocons, die de islam vanuit een apocalyptische visie benaderen, kijkt Sloterdijk in de toekomst:
 
“Omstreeks 2050 zul­len ontwikkelde Europeanen bij het zien van de chronische stuip­trekkingen van islamitische ‘maatschappijen’ misschien af en toe moeten terugdenken aan de strijd uit de periode van de reformatie -meer nog echter aan de antimoderne koppigheidsfase van het ka­tholicisme, die duurde van 1789 tot aan het Tweede Vaticaans Con­cilie en die, zoals we ons nog altijd met verbazing voor de geest ha­len, tot voordeel van alle betrokkenen eindigde met de verzoening tussen theocentrisme en democratie. “ ( p 79)
 
Centraal in de beschouwing van Sloterdijk is dat hij af wil van het Zwart-Wit denken; van het of-of–denken, dat in de logica “Tertium non datur” wordt genoemd.
 
“Tertium datur”: er is een derde weg, dat is Peter Sloterdijks credo, of liever gezegd, misschien is die derde weg er nog niet, maar we gaan hem bouwen.
 
“Meerwaardigheidsdenken” noemt Sloterdijk deze derde weg. Zwart-wit-denken (= binair denken) kent maar twee toestanden;  zwart en wit;  goed en kwaad;  terwijl meerwaardigheidsdenken een scala van grijs kent en zoekt.
 
Over het meerwaardigheidsdenken in de islam schrijft Sloterdijk:
 
“Ook op het terrein van de monotheïstische geloofsijver zijn er redenen voor de overgang naar het meerwaardige denken. Juist de islam, die verder toch vooral bekendstaat om zijn hartstocht voor de strikte eenwaardigheid, heeft een exemplarische doorbraak be­reikt naar het scheppen van een derde waarde. Dit gebeurde toen voor de aanhangers van de boekreligies de dwang werd opgeheven om te kiezen tussen de Koran of de dood. Met de invoering van de dhimmi-status, die in feite een onderwerping zonder bekering be­tekent, ontstond er een derde mogelijkheid tussen het ja en het nee tegen de moslimgodsdienst. Dit wordt soms verkeerd opgevat als een vorm van verdraagzaamheid-dat begrip is tamelijk onislami­tisch, en ook tamelijk onkatholiek-, terwijl het eerder als een pri­mitieve uiting van meerwaardig denken moet worden beoordeeld. Voor de onderworpenen betekende dit hetzelfde als overleven, voor de onderwerpers betekende het de ontdekking van een mogelijk­heid om de plicht tot massamoord te ontlopen.” ( p 106)
 
Als disciplines die het offi­ciële meerwaardige denken hebben voorbereid, noemt Sloterdijk vooral “het principe van de trapsgewijze hiërarchische ordening en de nega­tieve theologie […] , daarnaast ook de hermeneutiek als kunst van het meerzinnige lezen en last but not least de ontwikkeling van de monotheïstische humor. “ ( p 110/111)
 
Vooral de nadruk op de hermeneutiek is voor mij belangrijk, omdat de hier vaak genoemde oud-Cleveringa-hoogleraar Nasr Abu Zayd degene is die de hermeneutiek op de islam toepast. (zie Verlichting in het Islamitisch denken)
 
Sloterdijk:
“De vormen van hermeneutiek, zoals die in de omgang met de heilige geschriften ontwikkeld worden, kunnen eveneens gelden als leerschool voor meerwaardig denken. Dit komt vooral door de omstandigheid dat de beroepsmatige schriftuitleggers zich met een gevaarlijk alternatief geconfronteerd zien. Het handwerk van het interpreteren vraagt uit zichzelf alom derde wegen, want zo­dra het goed en wel begonnen is, komt het voor de onaanvaardbare keuze te staan om de goddelijke boodschap ofwel te goed, ofwel te slecht te begrijpen. Beide opties zouden noodlottige consequenties met zich meebrengen. Zou de uitlegger het heilige boek zo goed begrijpen als alleen de schrijver dat zou kunnen, dan zou hij de in­druk wekken God op de schouder te willen kloppen en verklaren het geheel met hem eens te zijn-een pretentie die de hoeders van heilige tradities niet bepaald appreciëren. Zou hij het daarentegen in strijd met de consensus begrijpen, of sterker nog het boek vol­strekt duister of onzinnig vinden, dan zou er wel eens demonische verstoktheid in het spel kunnen zijn. In beide gevallen voldoet de uitlegger niet aan de norm en stelt hij zich bloot aan de reactie van de orthodoxie, die zoals bekend nooit kleinzerig was wanneer het erop aankwam ketters te laten zien wat de grenzen zijn. De religi­euze hermeneutiek is dan ook a priori op het tussengebied tussen twee vormen van godslastering aangewezen en moet zich daar in evenwicht zien te houden. In geen andere situatie is er een beter motief om voor een derde mogelijkheid te kiezen. Als je niet zo­danig met de bedoelingen van de schrijver mag versmelten dat je de indruk wekt hem beter te begrijpen dan hij zichzelf bij het dic­teren van de tekst begreep, maar ook zijn boodschap niet zo mag miskennen alsof hij een vreemde was die ons niets te zeggen heeft, dan is het uitwijken naar een middenpositie voorspelbaar. Het tus­senrijk van de uitlegging is de vertrouwde omgeving voor het zoe­ken naar een juist begrip van de heilige tekens; principiële onvol­maaktheid biedt voor zulk begrip alle kans. Ik hoef niet omstandig uit te leggen dat deze arbeid in de schemering van een altijd slechts gedeeltelijk onthulde betekenis bij uitstek geschikt is om het extre­misme te breken “(p 112/113)
  
 

Bolkestein: moslims geen recht op eigen scholen

115 comments

Lees hier het huidig artikel in het Nederlands Dagblad

Uitvoerig heb ik in mijn
documentatie over de Edmund Burke Stichting de continuïteit beschreven in het denken van Frits Bolkestein met de gedachten van Geert Wilders; en de tussenlink tussen beiden, de Leidse Edmund Burke Stichting, die Wilders in het zadel heeft geholpen. Frits Bolkestein is geestelijke vader van Wilders, met wie de Burke Stichting via Burke-directeur Bart Jan Spruyt in 2004/2005 een politiek samenwerkingsverband is aangegaan.

Interessant en sprekend is het feit dat Wilders zijn werkkamer in het gebouw van de Tweede Kamer in 2006 heeft ingericht met het meubilair dat hij overnam van Frits Bolkestein (NRC 24-2-2007).

Tot nu toe heeft men altijd gemeend een groot verschil te kunnen vaststellen tussen “echte liberalen” zoals Bolkestein, en autoritaire verbods-populisten zoals Wilders. Ik ben al lang van overtuigd dat dit verschil niet zo groot is als velen denken, en mijn mening wordt bevestigd door de dingen de Leidse hoogleraar prof. dr. Bolkestein in het Nederlands Dagbald vertelt. De vrijheid van onderwijs is van Bolkestein niet voor moslims:

“De vrijheid van onderwijs die aan christenen het recht op eigen scholen geeft, biedt moslims niet automatisch hetzelfde recht. ‘Wij leven in een gelijkheidscultuur. Maar mensen zijn ongelijk. En godsdiensten ook.’

Dat zegt VVD-prominent Frits
Bolkestein vandaag in een interview met het Nederlands Dagblad . Volgens de liberaal is de vrijheid van onderwijs door jarenlange schoolstrijd nauw verweven met de Nederlandse samenleving. ‘Er is geen enkele reden om dat recht ook aan andere scholen zoals islamitische te gunnen.’ ”

De vrijheid van onderwijs wordt in Nederland niet iedereen gegund; scholen moeten aan kwaliteitscriteria voldoen, en dat is goed zo.
De kwaliteit van vele islamitische scholen is onder de maat; en dat kan en mag niet zo blijven.

Van Bolkestein geldt vanaf nu niet het kwaliteitscriterium, maar wordt het criterium van de religie gebruikt.

Geen scholen voor moslims.

Het rechtse liberalisme was nooit liberaal en laat nu zijn anti-liberale tanden zien.

Dank aan degene die mij op het artikel in het Nederlands Dagblad heeft geattendeerd…het is zeker niet mijn gewoonte om op zaterdag ochtend naar de site van het ND te sufen…

Islamisten aan de tand voelen

30 comments

  “Sturen bij de moslimburen – hoe Europa de democratie kan bevorderen” heet een nieuw inspirerend boek van Joost Lagendijk (GroenLinks) en Jan Marinus Wiersma (PvdA) . Beiden zijn lid van het Europees Parlement. In dit boek ( besproken op 8 november in de Volkskrant en de NRC) stellen de auteurs dat wij niet bang moeten zijn voor islamisten, maar de dialoog met hen aangaan en bewijzen dat democratie loont.


De auteurs pleiten voor een vergaande dialoog, ook bijvoorbeeld met de Hamas. (Dit gaat veel PvdA’ers, zo bijvoorbeeld minister Bert Koenders te ver, die zegt alleen te willen praten met organisaties die geweld afzweren). Ook de moslimbroederschap in Egypte verdient volgens het boek ten dele een positievere waardering. De Wasat-partij moet erkend worden om daarmee een steun te geven aan duidelijk gematigde islamisten.

Toch is er in het boek ook een kritische lijn uitgezet. In dialoog gaan met islamisten betekent juist niet alles te pikken. Joost Lagendijk is als voorzitter van de Turkije-delegatie van het Parlement nauw betrokken bij de gesprekken tussen de Unie en de Turken over het EU-lidmaatschap van Turkije. Voor hem is het vanzelfsprekend dat Turkije de afspraken over vrijheid van meningsuiting en rechtstaat moet nakomen voordat Turkije lid van de EU kan worden. Door het onderhandelingsproces heeft de EU juist een positie om Turkije de goede kant op te helpen.

De auteurs geven in het hoofdstuk “Islamisten aan de tand voelen” – in navolging van de Amerikaanse denktank Carnegie Endowment for International Peace – een nuttige waslijst van kritische hoofdpunten, die gebruikt kunnen worden om islamitische organisaties of politici onder de loep te nemen ( ik heb de verklarende tekst ingekort en bijwerkt, in het boek worden veel meer voorbeelden gegeven)

1 Wat heeft voorrang, de sharia of de constitutionele democratie? Zijn de islamisten bereid zich te houden aan de regels van de con­stitutionele democratie? Ook wanneer er wereldse wetten worden aangenomen die zij niet in overeenstemming achten met de wet van Allah, de sharia? Zullen zij zich in hun verzet daartegen beper­ken tot democratische middelen? In navolging van de Turkse Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) vergelijken mediterra­ne islamisten zichzelf steeds vaker met de christendemocratische stroming in Europa, om hun democratische gezindheid te onder­strepen. Maar accepteren zij dan ook, net als de christendemocra­ten, dat het aan de parlementen en rechters is om te bepalen welke wetten toelaatbaar zijn? Of zullen zij, eenmaal aan de macht geko­men, deze toetsing toevertrouwen aan islamitische geleerden, die de wereldlijke autoriteiten kunnen overrulen?

2 Wordt een splitsing van religieuze beweging en politieke partij na­gestreefd? […] Godsdienst en politiek zijn twee zeer verschillende domeinen. Religie draait om absolute waarheden en de vrijwillige onderwerping daaraan door gelovi­gen. Politiek is een zaak van botsende meningen en belangen, van discussie en compromissen met andersdenkenden. Krijgen de po­litieke vertegenwoordigers […] van de religieuze leiding de vrijheid om hun oor te luisteren te leggen bij de kiezers, eigen standpunten te ontwikkelen en compromissen te sluiten? Die politieke ruimte is van levensbelang, want zij bepaalt in hoge mate of islamisten pragmatisch om kunnen gaan met morele kwesties die raken aan de sharia. Vraagstukken zoals het dragen van sluiers of het gebruik van alcohol, waarvan modale kiezers doorgaans minder wakker liggen dan religieuze scherpslijpers.

3 Hoe verloopt de interne besluitvorming? […] Deze vraag slaat ook  terug op de EU zelf. In openheid en de­mocratische controle blijft haar buitenlandpijler achter bij andere Europese beleidsterreinen. Europese diplomaten en islamisten kunnen wederzijds vraagtekens plaatsen bij elkaars geloofwaar­digheid.

4 Houden religieuze en etnische minderheden gelijke rechten? […] Kunnen zich ook niet-moslims aansluiten bij een pratij/organisatie? Interne pluriformiteit moet nagestreefd worden.

5 Welke rechten hebben vrouwen? […] Hoe is de opstelling ten opzichte van  scheidingsrecht, erfenissen en de toegang tot publieke functies? In sommige landen leveren de islamisten meer vrouwelijke parlementariërs dan de seculiere partijen. Om te be­oordelen wat vrouwen te vrezen hebben van de islamisten, moeten we hun standpunten en praktijken afmeten aan de standaarden van de regio, niet aan onze Europese maatstaven. Tegelijk mag Europa haar eigen opvattingen over gelijkberech­ting van vrouwen en seksuele minderheden niet verloochenen. Een debat hierover met islamisten is niet per se zinloos. We kun­nen erop wijzen dat het beroep op de universele mensenrechten de islamisten een politiek wapen in handen geeft tegen hun onder­drukkers. De EU-eis van respect voor de mensenrechten helpt de AKP in Turkije om, heel voorzichtig, belemmeringen voor gelovi­gen weg te nemen. Maar dat beroep op mensenrechten verliest aan geloofwaardigheid als deze rechten uitsluitend de vrijheid van de islam is ten mogen dienen, niet die van mensen met modernere le­vensstijlen. Egypte heeft zich aan het Internationaal Verdrag inza­ke Civiele en Politieke Rechten gebonden, maar ook aan het Ver­drag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie tegen Vrouwen. Als zij selectief keuzes maken uit deze verplichtin­gen doen de islamisten hetzelfde als de zittende regimes.

6 Worden internationale verplichtingen nageleefd? Die vraag geldt voor mensenrechtenverdragen, maar ook voor de akkoorden tussen Egypte en Israël.

7 Wat is het sociaaleconomische programma? Een liefdadigheidsnetwerk runnen is iets anders dan een staat be­sturen en een economie draaiende houden. Welke instrumenten willen de islamisten inzetten voor een eerlijker spreiding van inko­men? Hoe staan zij tegenover privatiseringen? Welke waarborgen komen er tegen cliëntelisme. Geen land is autarkisch. Economi­sche keuzes kunnen grote gevolgen hebben voor internationale handel en investeringen.
Zo ver “Islamisten aan de tand voelen”.

Ik vind deze lijst prima, alleen voldoen tal van Europese organisaties en partijen niet aan deze criteria….

 

Paul Cliteur, Voltaire en de islam

49 comments

 Paul Cliteur, Voltaire en de islam

voltaire islam kritiek

Voltaire islam kritiek

De naam ‘Voltaire’  komt vaak voor in de schriften van islam-criticus Paul Cliteur, zo ook in zijn nieuwe boek Moreel Esperanto. Cliteur identificeert zich vergaand met Voltaire, en een van Cliteurs lievelingszinnen is dan ook:

“Waarom zou kritiek ‘van binnen’[de islam] en ‘van buiten’ elkaar uitsluiten? Waarom mag Luther niet ondersteund worden door Voltaire? […] kan kritiek van binnenuit wel tot ontwikkeling komen zonder steun van buiten?”

( Moreel Esperanto, p. 325; Ongewenste goden, p. 263)

Cliteur plaatst zijn generaliserende en stigmatiserende kritiek van de islam in de traditie van Voltaire.

Niet ten onrechte.

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier, proberen Cliteur en zijn maatje Ellian een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

“Voltaire [schilderte] de figuur van Mohammed […] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006)

Al sinds de christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld.

“Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Wikipedia over Voltaire en de islam/Mohammed

Evolving views of Islam and its prophet, Muhammad, can be found in Voltaire’s writings. In a 1740 letter to Frederick II of Prussia, Voltaire ascribes to Muhammad a brutality that “is assuredly nothing any man can excuse” and suggests that his following stemmed from superstition and lack of enlightenment.[34] In a 1745 letter recommending his play Fanaticism, or Mahomet to Pope Benedict XIV, Voltaire described the founder of Islam as “the founder of a false and barbarous sect” and “a false prophet.”[35]

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed in de lijn met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren.

Mohammed openbaring

Mohammed openbaring

“Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

En Voltaire was óók een man van religieuze tolerantie:

Wikipedia over Voltaire en religieuze tolerantie:

In a 1763 essay, Voltaire supported the toleration of other religions and ethnicities: “It does not require great art, or magnificently trained eloquence, to prove that Christians should tolerate each other. I, however, am going further: I say that we should regard all men as our brothers. What? The Turk my brother? The Chinaman my brother? The Jew? The Siam? Yes, without doubt; are we not all children of the same father and creatures of the same God?”[39]

Sjoerd de Jong:

“Kritiek op religie – nu vooral de islam- waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”

De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire:

“Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” ( NRC 6-4-2004

De [voormalige] minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur vaak herhaalt wordt:

“Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om het zeggen.’

Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ “(de Volkskrant, 4-5- 2006)

 www.passagenproject.com

www.passagenproject.com


 

Meest recente berichten