Wetenschap Kunst Politiek

Ger Groot over de nut van religie

84 comments

Men kan op twee heel verschillende manieren aankijken tegen religie. Men kan religie opvatten als een in wezen onveranderlijke ideologie of als een verzameling van gevarieerde, veranderlijke rituelen en tradities.

De filosoof Ger Groot heeft deze week over dit thema een goed artikel over geschreven in de NRC (12-9) :
“De radicaliserende baardjongens van Bos en Lommer in Amsterdam en de seculariserende profeten van de Verlichting hebben een te essentialistisch beeld van de godsdienst, die zij allereerst als een verzameling leerstellingen en daaruit ondubbelzinnig afgeleide leefregels zien. Als dát de godsdienst is, dan kan men hem inderdaad heel goed privé of achter het beeldscherm beleven. Maar wie kijkt naar het religieuze leven zoals dat in concreto functioneert, ziet een bontgeschakeerde verzameling van gewoonten, gezegdes, prevelementjes en automatismen die maar een zeer losse verbinding vertonen met de dogmatische kern waarom het allemaal zou moeten draaien.”

Uitvoeriger beschrijft Ger Groot zijn visie op religies in zijn boek Het krediet van het credo, waar hij  vanuit een atheïstische overtuiging probeert  iets te begrijpen van de kracht en aantrekkelijkheid van de godsdienst:

“Dat de godsdienstige voorstellingen teruggaan op een grote illusie, mag aan het begin van de eenentwintigste eeuw geen verrassing meer heten […] Met godsdienst heeft de ontnuchterde rede die ooit door de Verlichting is heen gegaan dan ook weinig geduld meer. En als het objectieve bestaan van een opperwezen zo goed als definitief is ontkracht, lijkt er voor de dienst aan hem weinig toekomst wegge­legd.[…] Toch blijkt de godsdienst opmerkelijk hardnekkig te zijn – en dat niet alleen bij mensen aan wier intellectuele vermogens de verlichte rede openlijk meent te mogen twijfelen. […] Niet wat de gelovige gelooft (zijn credo) is in mijn visie het doorslaggevende in de godsdienst als reëel en praktisch verschijnsel, maar de meerwaarde (het krediet) die die feitelijke praktijk aan het leven van de gelovige verleent.[…] Deze oefening in wat je religieus materialisme zou kunnen noemen, probeert dus het gedachte, ideële of verzonnene te schei­den van het werkelijke en zichtbare: de kerkelijke en religieuze praktijk die kennelijk vanuit zichzelf krachtig genoeg is om een hele godsdienstige mythologie in de lucht te houden. […] Een pleidooi voor een godsdienstige belijdenis is dit boek dus zeker niet. Maar het probeert wel de plausibiliteit van de religie te achterhalen voor een bestaan dat zich nu eenmaal niet alleen in kennis en redelijkheid afspeelt en op sommige momenten met de mond vol tanden staat.”

Niet de mythe maar de rite vormt de eigenlijke basis van de godsdienst.

Net als ik ziet Ger Groot dan ook de verlichte geesten Philipse, Hirsi Ali, Cliteur, die de religie helemaal naar de privé-sfeer terug willen dringen, als verlichtingsfundamentalisten ( en Cliteur ziet zichzelf trouwens ook zo). De belangrijkste inzicht in Ger Groots betoog over het verlichtingsfundamentalisme en moslimfundamentalisme is, dat beide soorten fundamentalisme de historische dimensie niet willen zien. Het fundamentalisme wil alleen het pure dogma bestuderen. Gebondenheid in tijd en ruimte en daarmee veranderlijkheid is oninteressant voor elk fundamentalisme.
Maar de meerwaarde van religie ligt nu juist in al die tijd-en ruimte-gebonden factoren. In traditie, en in het gegeven dat zij, de religie, gewoon een historisch en sociaal – maar zeker ook veranderlijk –  feit is. De verlichtingsfundamentalisten kunnen hoog of laag springen, en honderd keer het mantra “Voltaire!” aanroepen, voor veel mensen wereldwijd is religie van belang en is de uitoefening van religie een rituele, emotionele en sociale bezigheid.

 

Het beroep op Voltaire

32 comments


Ik vind het onverteerbaar hoe politiek-rechts Voltaire misbruikt, Voltaire, die juist een pleitbezorger was van religieuze tolerantie en verdraagzaamheid.
 

Maarten Doorman bekritiseert in de Volkskrant de vermeende Voltaire-erfgenamen: “Nu zien strijders voor de vrijheid van meningsuiting steeds een belangrijk ding over het hoofd. Want als je daarvoor strijdt, is dan niet de eerste vraag die je je moet stellen, wie de meeste vrijheid van meningsuiting heeft, en wie de minste? En ligt het dan niet voor de hand je strijd te beginnen bij wie de minste vrijheid hebben, degenen die nauwelijks in het parlement vertegenwoordigd zijn, die geen eigen landelijke kranten of omroepen hebben, laat staan columns, podia, netwerken, geld, welbespraaktheid en succes? Wat beweegt publicisten als Afshin Ellian, Joost Zwagerman, Max Pam, Leon de Winter e tutti quanti zulke zwakke tegenstanders op te zoeken?

Zouden deze heren, die de erfenis van de Verlichting menen te verdedigen en zichzelf zien strijden in het voetspoor van de grote Voltaire, hun geluid niet wat moeten dempen in het besef dat Voltaire, althans in zijn betere momenten, voor de zwakken zonder stem opkwam, al streed hij daarbij dan, inderdaad, vaak tegen het geloof en was hij in die strijd soms even koket? Waarom voegen ook nieuwe rekruten als Zwagerman zich nu bij het leger van de sterken en luidruchtigen? Wie kan hier steun gebruiken? Het is een vraag die al die dappere publicisten zich vanaf de barricaden der vrije meningsuiting eens wat grondiger mochten stellen.”

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier,  proberen Ellian en Cliteur een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

Een reden voor Voltaire aanhangers om Voltaire op handen te dragen is diens schelden op Mohammed.  “Voltaire [schilderde] de figuur van Mohammed […] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006) Al sinds de Christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld. “Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed die in de lijn ligt met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed  uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren. “Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

Sjoerd de Jong: “Kritiek op religie – nu vooral de islam-  waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire: “Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” (NRC 6-4-2004)
De minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur verabsoluteerd wordt: “Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om hete zeggen.’
Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ ”

John Gray, volgens Paul Cliteur een “demagoog” die “vreselijke dingen” beweert, opent zijn boekje over Voltaire met de volgende alinea: “If, despite its history, we think of philosophy as the disinterested pursuit of truth, then Voltaire was no philosopher. He lived and died, the exemplay philosophe, a partisan. Nothing is further from Voltaire’s thought than the spirit f inquiry. Nor, despite his excoriating sarcasm and the unquenchable vivacity of his pessimism, was Voltaire’s view of humankind detached or cynical. He was a lifelong propagandist for a secular faith. The object of Voltaire’s ‘philosophy’ was not to advance inquiry, still less to foster sceptical doubt. It was to found a new creed. Voltaire sought to supplant the Christian religion by the faith of the Enlightenment. His tireless raillery was meant in deadly earnest. His opposition to Christian fanaticism had itself a fanatical bent. Voltaire’s life work was to set European life on a new foundation by constructing a successor to Christianity.” (Voltaire, p.1).

John Gray gaat zowel met kritiek als ook met hoogachting in op het werk van Voltaire. Hij onderkent twee verschillende componenten in Voltaires werk: het fanatieke verlichtingsfundamentalisme, dat een seculiere religie wilde stichten, en het kritische denken, dat voor de emancipatie opkwam. Het is mijn stelling dat Cliteur en Ellian erven zijn van de eerste component bij Voltaire, dus van het fanatieke secularisme, maar niet van de emancipatoire gedachte.

Cyrille Offermans over de kritische component bij Voltaire:  “Voltaire was geen geharnast atheïst en ook geen vooruitgangsoptimist, hij geloofde niet in de vervolmaakbaarheid van de wereld noch in een intellectuele of morele superioriteit van het Westen. En ja, Voltaire zou met genoegen gehakt hebben gemaakt van de militante conservatieven die zich tegenwoordig op hem beroepen als ze de superieure zegeningen van onze verlichte westerse wereld bezingen in schril contrast met de achterlijkheden van de moslims.” (Voltaire, opgewekt en multicultureel, Trouw 27-3-2004)

Voltaire beledigde de machtige katholieke kerk, terwijl Ellian en Cliteur een kwetsbare minderheid kwetsen

P.S.
ALS  rechts zich op überhaupt Voltaire wil beroepen kan dat het beste gebeuren door zich in de traditie van Voltaire’s racisme te stellen. In zijn Traité de métaphysique (1734) verklaarde Voltaire, dat de “blanken superieur waren aan de negers, zoals de negers superieur zijn aan de apen” (geciteerd naar Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid, p. 294)
.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Meest recente berichten