Wetenschap Kunst Politiek

De spiegelingen van Foucault-Velazquez

20 comments

Voor deel drie in de Foucault-discussie heb ik een kort hoofdstuk uit Foucaults boek  “De woorden en de dingen” gelinked, dat gaat over het schilderij “De hofdames” (Las meninas) van Velazquez.

Dit heb ik gedaan omdat ik graag verder wil met deel drie van het door Arjan Fernhout gestimuleerd debat, maar omdat ik toch ook iets voor de ogen en het gevoel zocht, en niet alleen voor het verstand.

Het Foucault -debat dreigt anders te droog te worden.

Ook is het Velazquez-schilderij – dat ik eerder niet kende – hoogst intrigerend, en schrijft Foucault hier bijzonder goed over.

Ik heb vaak moeite om Foucault te begrijpen, ik en vind hem vaag, op het idealistische af. Maar als zijn woorden aan een empirische realiteit gebonden zijn, zoals het hier in de interpretatie van dit schilderij het geval is, kan ik hem beter begrijpen.

Het werd vaak gezegd, dat de postmoderne denkers zoals Foucault zich tussen wetenschap en kunst bevinden. Tussen wetenschap en kunst, dat kan een probleem zijn, namelijk als het geheel noch het een noch het ander is.
Maar Foucaults keuze voor dit schilderij en zijn interpretatie, die bevallen mij zeer, alsmede de conclusie dat subject en object van plaats kunnen wisselen en vaak niet absoluut gescheiden zijn. ( Ina Dijstelberge: “Ander ben ik”)

Hier een paar citaten uit/ parafraseringen van Foucaults interpretatie (voor wie het niet allemaal zelf wil lezen):

“De schilder staat een klein stukje terug van het schilderij. Even kijkt hij op naar het model; misschien wil hij nog een laatste streek neerzetten, maar het is ook mogelijk dat de allereerste nog niet op het doek is geplaatst. De arm, waarmee hij zijn penseel vasthoudt, is wat naar links gebogen, in de richting van het palet; voor een kort ogenblik bevindt hij zich daar tussen het doek en de verschil­lende kleuren verf, onbeweeglijk. Die bekwame hand daar wordt in spanning gehouden door de blik; en omgekeerd rust de blik ge­spannen op de onderbroken beweging van arm en hand. Tussen het puntje van het penseel en het staal van de blik zal het schouwspel straks zijn ganse omvang uitbreiden.

Maar niet zonder een verfijnd systeem van ontsnappingsmogelijk­heden. Doordat de schilder een weinig afstand heeft genomen is hij vlak naast het doek waaraan hij bezig is komen te staan. Dat wil zeggen, dat hij voor de toeschouwer die nu naar hem kijkt, rechts staat van zijn schilderij, dat de uiterste linkerzijde geheel in beslag neemt. Het schilderij keert diezelfde toeschouwer de rug toe; je kunt er alleen de achterkant van zien, en ook het enorm grote hou­ten raam waarop het is gespannen. De schilder daarentegen is, in zijn volle lengte, zeer duidelijk zichtbaar; hij is in elk geval niet gemaskeerd door het hoge doek, dat hem straks wellicht geheel zal verbergen als hij een pas vooruit zal doen om weer aan zijn werk te gaan; hij is waarschijnlijk eerst éven tevoren in het gezichtsveld van de toeschouwer verschenen, toen hij tevoorschijn kwam uit die imaginaire kooi, die het oppervlak dat hij bezig is te beschilderen achterwaarts projecteert. Nu is hij een ogenblik opgehouden en ge kunt hem daar, in het neutrale midden van die slingering, zien staan. Zijn donkere gestalte en zijn lichte gelaat zijn halverwege het zichtbare en het onzichtbare: nu hij van achter dat, voor ons on­Zichtbare, doek vandaan komt, duikt hij even op voor onze ogen; maar wanneer hij zo dadelijk een pas naar rechts zal doen, waar­door hij aan onze blik wordt onttrokken, zal hij recht tegenover het doek dat hij bewerkt komen te staan; dan zal hij in de strook terecht komen, waar zijn schilderij, dat een ogenblik aan zijn aandacht ont­snapt is, weer zonder donkerte of verzwegen geheim voor hem te zien zal zijn. Alsof de schilder niet gelijktijdig gezien zou kunnen worden op het schilderij waarop hij is afgebeeld, en: zélf het schilderij zien, waarop hij bezig is iets af te beelden. Hij heerst op de drempel van die twee niet met elkaar te rijmen zichtbaarheden.

Daar staat de schilder te kijken, met zijn gelaat enigszins afge­wend en met zijn hoofd naar de schouder toe gebogen. Hij kijkt naar een punt dat niet zichtbaar is, maar dat wij, toeschouwers, gemakkelijk kunnen aangeven. Want dat punt, dat zijn wijzelf: ons lichaam, ons gelaat, onze ogen. Dat, wat hij waarneemt, is dus tweemaal onzichtbaar: omdat het niet in de ruimte van het schil­derij staat afgebeeld, én omdat het zich nu juist daar bevindt, waar die blinde vlek aanwezig is, daar in die essentiële schuilhoek waar voor onszelf onze blik verdwijnt op het ogenblik waarop wij kijken.
[….]

Geen enkele blik is stabiel of, beter gezegd, in het neutrale spoor van de blik, die dwars door het doek heengaat, wisselen subject en object, toeschouwer en model, eindeloos van rol.
[..]

Worden we gezien, of zien we zelf?

[Achter in de kamer hangen schilderijen en een spiegel]

Deze weerspiegelt inderdaad niets van hetgeen zich in dezelfde ruimte als hijzelf bevindt: noch de schilder die hem de rug toekeert, noch de in de kamer aanwezi­ge personen. Het is niet iets zichtbaars, wat hij daar in zijn heldere diepte weerspiegelt. In de Nederlandse schilderkunst was het ge­woonte, dat spiegels een verdubbelende rol speelden: ze herhaalden, wat reeds een eerste maal op het schilderij aangegeven was, maar dan binnen een irreële, gewijzigde, meer beperkte en even gebogen ruimte. Er was hetzelfde op te zien als wat in eerste instantie op het schilderij stond, maar dan uit de compositie gelicht en opnieuw ge­componeerd volgens een andere wet. Hier zegt de spiegel niets van wat reeds is gezegd.
[…]

Maar die spiegel [op dit schilderij] laat niets zien van wat het schilderij zelf voorstelt. Zijn bewegingloze blik zal ergens vóór het schilderij, in die noodzakelijkerwijs onzichtbare strook die er de buitenkant van vormt, de personen die daar zijn geplaatst, gaan bevatten.
[….]

Het schilderij in zijn geheel kijkt naar een toneel waarvoor het, op zijn beurt, ‘to­neel’ is. De kijkende en bekeken spiegel openbaart zuivere weder­kerigheid.


[…En wie zijn de toeschouwers, die in de spiegel te zien zijn, en die tegelijk bekeken worden door de figuren op het schilderij?]

Het zijn de vorst en zijn ge­malin. …Je kunt ze achterin het schilderij ontwaren in de gestalte der twee sil­houetjes die de spiegel doen opglanzen.”

De toeschouwer van het schilderij valt samen met de vorst en de vorstin, en met de schilder Velazquez zelf.


Een intrigerende interpretatie, die wij kunnen gebruiken om deel 3 van het Foucault-debat van stapel te laten gaan.

zie ook

Michel Foucault: Free Lectures on Truth, Discourse & The Self

Drie belangrijke gedachten van Michel Foucault

71 comments

De naam Michel Foucault valt vaak op mijn blog, dus had ik me voorgenomen een paar dingen op een rijtje te zetten die Foucault heeft gezegd en die mij enigszins interessant lijken.

Foucault is erg moeilijk te lezen en degenen die graag vertellen wat Foucault heeft gezegd zijn zelf ook weer moeilijk te lezen (zie ook de inleiding die Arjan Fernhout voor ons heeft geschreven op mijn vorige blog; nog eens afgedrukt hieronder).

Volgens mij zijn dit de drie belangrijkste gedachten van Foucault:

  • In navolging van Nietzsche zegt Foucault dat het waarheidsstreven in de wetenschap vermengd is met machtsstreven; objectiviteit dus niet zo maar gegeven is.


Mijn mening: dat is zeker zo, maar disciplines verschillen hierin sterk. Objectiviteit bestaat niet, maar wel een eerlijke reflexiviteit en een streven naar intersubjectiviteit. Veel postmodernen laten dit helemaal los, en daar sta ik niet achter.

  • Foucault problematiseert de kennis van experts (professoren enz.) en wil de subjectieve ervaring van iedereen opwaarderen.

 

Mijn mening: er lopen genoeg professoren rond die waardeloze dingen verkondigen (Fortuyn en zijn Leidse volgelingen…..) , en er lopen heel veel mensen rond die nooit hebben gestudeerd en die veel kennis hebben. Toch roep ik niet zo makkelijk: “Weg met de experts!” – dat is me toch te kort door de bocht en te populistisch.

  • Foucault neemt het op voor de gekken, voor degenen die gemarginaliseerd worden omdat zij niet “normaal” zijn en hij toont de machtsmechanismen aan die mensen buitensluiten die “anders” zijn.


Mijn mening: ik heb er zelf ooit ervaring mee gemaakt dat een autoriteitspersoon mij (zonder succes trouwens) de kritische mond wilde snoeren door overal te vertellen dat ik gek ben. Dat was een heel nare ervaring. Bewijs dan eens dat je NIET gek bent! Dat kan natuurlijk nooit. Mijn stelling is daarom ook, dat iedereen gehoord moet worden, ook vermeende gekken. Ik heb zelf ervaring met kennissen die psychotisch werden, en zij hadden vaak (niet altijd)  belangrijke dingen te zeggen, en lieten soms een grote sensibiliteit zien.  Ook is er veel waardevolle kunst bekend van vermeende of echte gekken.

……………………………

Als ik inspirerende, ietsje anarchische en moeilijke hedendaagse teksten wil lezen uit de Nietzsche-traditie, dan pak ik eerlijk gezegd niet Foucault, maar veel en veel liever Peter Sloterdijk, die niet heel ver afstaat van Foucault en die voor mij persoonlijk veel toegankelijker is.

Arjan Fernhout: [..] …ik zal nu een min of meer ongecorrigeerd uittreksel geven ter inleiding op “De orde van het vertoog” (L’ordre du discours) van Foucault. Het betreft hier zijn inaugurele rede bij het toetreden aan het College de France. Daarna geef ik een voorbeeld hoe de ideeën van Foucault in de praktijk worden toegepast.

I.

F. spreekt zich uit over het verlangen niet te hoeven beginnen; dat er geen begin zou zijn; dat hij zich slechts hoefde te nestelen in de kleine, lege gaten van een voorafgaand vertoog van een naamloze stem. Het betreden van de orde van het vertoog beschouwt hij als hachelijk. Liever zag hij de orde van het vertoog als een hem omhullende transparantie, waarin anderen hem antwoord zouden geven op zijn wachten. Hij concretiseert wat de ongerustheid in de vraag, wat het vertoog in zijn materiële werkelijkheid van gesproken of geschreven woord toch eigenlijk is. Daarnaast is hij omgerust over het vluchtige karakter van het vertoog, de grauwe activiteit van het dagelijks spreken en de versleten macht van het woord. Hij neemt enige afstand van het instituut (d.w.z. de groepering van subjecten, instanties, het historisch belang etc. die hem de macht tot spreken verleent), wiens beschermde/bevoogdende hand hij met de nodige scepsis aanvaart.
Het instituut immers antwoordt op zijn ongerustheid als volgt: “begin nu maar, wij zorgen dat uw vertoog binnen de wetten van de orde valt. Eer voor diegene die het instituut heiligt, en, mocht u enige macht vergaren door uw handelen, bedenkt dat u die macht uitsluitend aan ons verleent”. Binnen dit antwoord ziet hij een ongerustheid, die, hoewel anders geformuleerd, congruent is aan zijn eigen ongerustheid: “Wat is er gevaarlijk in het spreken van mensen en de voortdurende woekering van hun vertogen?” En komt tot een hypothese:
Ten eerste veronderstelt F. dat in elke maatschappijvorm de productie van het gesproken en geschreven woord gecontroleerd en gereorganiseerd wordt en vervolgens geherdistribueerd: een ritueel, welke tot dienst heeft de initiële macht van het woord te bezweren. Binnen dit ritueel, die het vertoog treffen ziet hij drie grote vormen van uitsluiting:

1. het verbod
2. tegenstelling tussen rede en waanzin
3. streven naar waarheid.

1)Omhelst al datgene wat onder bepaalde omstandigheden door bepaalde personen niet gesproken c.q. geschreven mag worden. Dit verbod is drieledig: het onderwerp kan taboe zijn, het vertoog voldoet niet aan de rituele handelingen van de desbetreffende discipline, de autoriteit missen. Meestal is het verbod het eindresultaat van het spel tussen deze 3 geledingen die elkaar compenseren, versterken etc. F. drukt dit prachtig uit door te stellen dat dit krachtenspel een soort rooster vormt die op bepaalde plekken zwart en ondoorschijnend is, b.v. de ontwapening van de seksualiteit of het tot rust komen van de politiek. Het verbod kan derhalve wellicht als tweeledig worden opgevat: het treft niet alleen het vertoog in zijn poging een bepaalde probleemstelling transparant te maken, het heeft ook tot doel de macht die aan een vertoog ontleent kan worden te treffen.

2)F. stelt dat de scheidslijn tussen gek en niet gek, zoals deze van het begin van de middeleeuwen af bestaat en waarbij het spreken van een gek tot geluid gereduceerd wordt, niet zo vervaagd is als de moderne medische wetenschap wil doen voorkomen. F. stelt dat deze scheidingslijn op andere wijze en langs ander wegen via nieuwe instellingen blijft bestaan. F. veronderstelt het luisteren van de arts niet onbevangen kan zijn, maar slechts aandacht geeft aan het vermeend emotioneel vervoerde, dan wel het vermeend megalomane etc.

3)F. vermeldt zelf dat wat hij beschouwt als de derde vorm van uitsluiting, nl. de tegenstelling tussen waar en onwaar als gewaagd en moeilijk hanteerbaar vanuit de vraag: “Wat is toch altijd die wil tot waarheid geweest en waarom onze zucht naar kennis” acht hij dit derde systeem tot uitsluiting (een historisch, veranderlijk en institutioneel dwanguitoefendheid systeem) als waarachtig. F. ziet een scheiding ontstaan in de beleving van het woord voor en na deze tijd bij de Grieken. Voor de scheiding was het woord van de aangewezen macht niet alleen de waarheid maar werd ook de toekomstige waarheid (selffulfilling prophecy). Na de scheiding werd het woord meer een beschrijving, een analyse, en werd het niet meer verbonden aan macht, omdat het woord kon worden gewogen als waar of onwaar. Ziehier de geboorte van onze wil tot kennis c.q. waarheid. Nu komt volgens F. de derde vorm van uitsluiting als reëel naar voren: de wil tot waarheid wordt binnen de perken gehouden door de waardering, verspreiding en toebedeling aan bepaalde groepen (nomenclatura) F. noemt een voorbeeld. De Grieken veronderstelden dat rekenkunde (betrekkingen van gelijkheden) wel in democratieën kon worden beoefend. Meetkunde (verhoudingen binnen de ongelijkheid) kon alleen in oligarchieën worden onderwezen. (Meetkunde was landmeetkunde. Wat er boven bij de ingang van de Academie van Plato stond geschreven moet begripsinhoudelijk gelezen worden: “Alleen voor landeigenaren. Met slaven en ander gewoon volk loopt het hier slecht af” A.F.)

F. meldt dat hij bij de verschillende methoden tot uitsluiting die een vertoog treffen, het langst over de derde methode heeft uitgewijd. De reden hiervoor is dat de eerste en tweede steeds meer naar de derde afdrijven. De derde neemt steeds meer van het eerste en het tweede voor zijn rekening. Achter blijft een dilemma: het ware vertoog (dat niet meer het vertoog is dat antwoord geeft op het verlangen en macht) d.w.z. voor de scheiding, b.v. bij de Grieken is niet in staat om het streven naar waarheid – in de zin van de machinerie die uitsluiting tot doel heeft – dat door het vertoog loopt, te herkennen.
Met andere woorden is het vertoog al dan niet, geheel of deels, slachtoffer van ingeslopen uitsluitingen d.m.v. de derde methode en gevangen door een a-priori van het streven naar de waarheid. F. noemt enkele personen van wie hij veronderstelt dat deze op de hoogte waren van dit gevaar. Namelijk:

– Nietzsche
– Artaud
– Bataille

en spoort aan om het gevecht tegen deze a-priori’s aan te gaan, vooral op het moment dat “de waarheid” het verbodene begint te rechtvaardigen en de krankzinnigheid verbindend begint te stellen.

Tot zover deze inleiding. Wel aardig is het feit dat ik het boek in de afgelopen dagen nergens heb weten te lenen. Ik heb het boek niet in bezit en dus heb ik mijn uittreksel niet alsnog geverifieerd. Mijn verzoek is dan ook aan ieder om dit even rustig te laten inwerken c.q. te overwegen of deze poging zinvol is c.q. wellicht enige administratieve handelingen te verrichten t.a.v. al het overige geschrevene op dit overvolle blog.

Maria, deze inleiding is niet compleet. Het is een proeve. Indien je dit alles interessant vindt volgt hierna een nadere analyse over een andere manier om het vertoog af te bakenen en te controleren, namelijk de interne procedures, t.w.

1)Het commentaar
2)De auteur, d.w.z. niet het individu, maar het geheel van groeperingen van woorden, eenheid en oorsprong der betekenissen en samenhang.
3)De discipline: indien een vertoog classificeerbaar zijn wil zijn, dan dient het in zich de mogelijkheid tot het formuleren van nieuwe stellingen te bergen. Echter….

II

De praktijk

De marginaliserende macht van concepten

Foucault heeft veel geschreven over kennisproductie: Wat is kennis? Hoe komt het tot stand? Hoe verhoudt kennis zich tot andere kennis? Foucault laat in zijn werken zien dat er een constante strijd woedt over verschillende soorten kennis en de inzet daarvan. In deze strijd wordt bepaald welke kennis wel relevant is en welke niet. Het veronderstellen van een scherpe scheiding tussen wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke kennis is illustratief voor deze kennisstrijd. De classificatie ‘wetenschappelijk’ bestempelt bepaalde kennis immers superieur ten opzichte van andere soorten kennis.

Foucault (2003) maakt een onderscheid tussen twee soorten ondergeschikte kennis (“subjugated knowledges”). De eerste is die kennis waarvan men zich in een zekere tijd, binnen een bepaalde context, bewust is maar welke wordt gemaskeerd, verborgen of onzichtbaar gemaakt. De tweede is volgens Foucault “a whole series of knowledges that have been disqualified as nonconceptual knowledges, as insufficiently elaborated knowledges: naive knowledges, hierarchically inferior know-ledges, knowledges that are below the required level of erudition or scientificity.” Dit type kennis wordt in een hiërarchische kennisverhouding geplaatst ten opzichte van andere soorten kennis: “They are located low down on most official hierachies of ideas (…). Certainly they are ranked ‘beneath’ science. They are the discourses of the madman, the delinquent, the pervert and other persons (…).” Voorbeelden daarvan geeft Foucault in zijn boek: ‘Madness and civilization: a history of insanity in the Age of Reason’ (Foucault, 2001). Hij laat daarin zien hoe, door de geschiedenis heen veranderlijk gebleken, categorieën zijn ingezet om het denken, spreken en handelen van ‘de normale’ mens van ‘de gek’ te onderscheiden. De tegenstelling tussen rede en waanzin is en wordt gebruikt om te reguleren welke subjecten, uitspraken en praktijken binnen een maatschappij als redelijk worden gezien en welke niet. Bijvoorbeeld door verbale en andere uitingen van mensen die niet binnen ‘normale’ denkbeelden passen als gestoord te categoriseren. De consequentie daarvan kan zijn dat de ‘abnormale’ mens het spreken wordt ontnomen, door hem op te sluiten bijvoorbeeld.

Hoewel burgers, leken, amateurs en andere niet-experts in allerlei concepten, theorieën en beleidsnota’s niet met gekken worden vergeleken, zijn in de wijze waarop hun kennis en waarden ten opzichte van experts worden gepositioneerd min of meer dezelfde mechanismen te herkennen. De niet-expert worden, inclusief de door hun geproduceerde kennis en waarden, in een hiërarchische verhouding ten opzichte van experts geplaatst. In de gesuggereerde hiërarchie staan de juist veronderstelde objectieve en universele wetenschappelijke kennis en waarden boven de onjuist veronderstelde emotionele, subjectieve kennis en waarden van niet-experts. De kennis en waarden van niet-experts worden daardoor ten opzichte van expertkennis gemarginaliseerd en zo weten experts hun eigen superieure posities als producenten van objectieve kennis en gegronde waarden te bevestigen. De vooronderstelling laat zich daarom interpreteren als een factor die de macht van experts om uitspraken te doen over de waarde en betekenis van en de gewenste omgang met de ruimte in stand houdt en misschien zelfs versterkt.

Uit: For experts only

http://library.wur.nl/file/wurpubs/LUWPUBRD_00350546_A502_001.pdf

Michel Foucault: Free Lectures on Truth, Discourse & The Self

Meest recente berichten