Ensor schilderde exotische schelpen die zijn moeder in haar winkeltje verkocht.


Maar stillevens met schelpen zijn klassikers in de Vlaamse schilderkunst.

en hier nog een eigentijdse poging met inheems spul

Ensor schilderde exotische schelpen die zijn moeder in haar winkeltje verkocht.


Maar stillevens met schelpen zijn klassikers in de Vlaamse schilderkunst.

en hier nog een eigentijdse poging met inheems spul

Bij “wildernis” moet ik aan een blogtitel van mij zelf denken, ik had ooit een blog geplaatst “Wuivende ruigte” over wilde rietlandschappen.
En nu hier op deze blog krijgen jullie geschilderde duinlandschappen uit de 20ste eeuw voorgeschoteld, te beginnen met James Ensor.

James Ensor, Duinlandschap

Jan Toorop, Duinen en zee in Zoutelande, 1907

Piet Mondriaan, Duin II, 1909
Toorop en Mondriaan waren van af 1908 beviend met elkaar. Toorop was bekend met het pointillisme van Seurat, en dat is hier op deze schilderijen ook terug te zien.
De abstractie van Toorop en van Mondriaan is in veel aspecten symbolistisch. Ze schilderden de natuur vanuit een bepaalde opvatting van de kunst en de wereld. Meer dan een getrouwe weergave van de werkelijkheid zijn de landschappen van symbolisten een reflectie van de gevoelens die de natuur opriep bij de kunstenaar. ( zie ook: Dreams of nature. Symbolisme van Van Gogh tot Kandinsky). Zowel Toorop alsook Mondriaan waren bezig met een zoektocht naar een manier om het hogere en het spirituele uit te drukken. “De veranderingen die omstreeks 1908 in Mondriaans werk aan de dag treden hangen nauw samen met zijn ideeën over de rol van de kunst in het bewustwordingsproces van de mensheid. Onder invloed van theosofische ) literatuur probeerde hij vanaf die tijd steeds meer los te komen van de zichtbare werkelijkheid en vorm te geven aan de essentie van de dingen. (…)“
In de tentonstelling “Voorbij de horizon” in het Gemeentemuseum Den Haag hingen meerdere schitterende duin-schilderijen van Mondriaan.
“Felgekleurd, stemmig, woest, vriendelijk, vlak, glooiend, figuratief, abstract twee- én driedimensionaal: het landschap doet zich in de moderne kunst op vele manieren voor. Van landschappen vol dramatiek en emotie in de romantiek tot volledig abstracte werken in de jaren zestig van de twintigste eeuw, waarbij de land art kunstenaars het fysieke landschap gebruiken als drager voor een kunstwerk. De tentoonstelling Voorbij de horizon toont hoe de verbeelding van het landschap de laatste twee eeuwen is veranderd en hoe de manier waarop het landschap werd weergegeven exemplarisch was voor de gedachten over kunst en de verbeelding van de realiteit in een bepaalde tijdgeest.
Mondriaan vervaardigde aan het begin van de twintigste eeuw enkele zonovergoten luministische duinlandschappen. In deze werken experimenteerde hij met de weergave van licht, zowel boven de horizon als gereflecteerd in zee.”
“Duin I”, “DuinII”en “Duin III” hangen hier naast elkaar:

Piet Mondriaan, Duin I

Piet Mondriaan, Duin II

Piet Mondriaan, Duin III
In de tentoonstelling “Cézanne Picasso Mondriaan in nieuw perspectief”, ook in het Haagse Gemeentemuseum, waren twee schitternde duinlandschappen van Mondriaan in zeer groot formaat te zien:

Piet Mondriaan, Duinen bij Domburg, 1910

Piet Mondriaan, Duinlandschap, 1911
Uit de Catalogus bij de tentoonstelling:
“[..] Duinlandschap is een [..] voorbeeld van wat Modriaan begreep als ‘kubisme’.
Zoals in het luminisme de schildertoets, de kleur, uit elkaar genomen en ‘gedivisioneerd’ werd (zoals dat heette), zo ‘divisioneerde’ Mondriaan de vorm van het uitgestrekte en kale duingebied bij Vrouwenpolder, met uitzicht over het Veerse gat op de kust van Noord-Beveland. De opbouw van deze voorstelling is een combinatie van schichtige hardgroene en fel blauwe driehoeken, doorschoten met zacht violette banen,in de lucht voor de wolken en in het landschap voor de duinen.
Opvallend zijn de vinnige, korte, evenwijdig lopende verfstreken waaruit alle facetten zijn opgebouwd. Met name de harde combinatie van het blauw en het groen bracht hem in de buurt van de door hem bewonderde Van Dongen en van Sluijters. Ook zij maakten in hun recente werk gebruik van die harde, vlakke kleurencombinatie. Maar juist de ontstane afwijking van de natuurlijke vorm bracht Mondriaan in Duinlandschap ook dicht in de buurt van een streven naar abstractheid, van meer en meer vergeestelijking. Want het moderne, het vergeestelijkte, moet zich niet alleen in symbolen, maar ook in lijnen openbaren.” ( p 64)
En hier Jan Sluijters met zijn duinlandschap van 1909:

en hier nog een duinlandschap van Paul Klee:

Paul Klee duinlandschap
Het fantastische werk van Ensor (nu tentoongesteld in Den Haag) herinnert in sommige aspecten aan Jeroen Bosch.
Net als Bosch heeft Ensor de val der opstandige engelen geschilderd.

Jeroen Bosch, Val van de opstandige engelen
Jeroen Bosch maakt een overgang van engel naar duivel door de vallende engelen tot insectenmensen te transformeren.

Jeroen Bosch, Gevallen engel/insectenmens

Jeroen Bosch, Insectenmens
In Ensors val van de engelen zijn engelen noch duivels te onderscheiden; het schilderij is een Turneriaanse licht-vuurzee.

James Ensor, Val der opstandige engelen
Maar in een vrolijk zelfportret heet Ensor zichzelf als
insectenmens weergegeven.

De informatie van het museum bij deze prent luidt:
“In de prent “Zonderlinge insecten” refereert Ensor aan een passage uit “Die Launen der Verliebten” van Henrich Heine, waarin een kever verliefd is op een vlieg. De libel links, met de kop van Mariette Rousseau kijkt in de richting van een kever met de kop van Ensor, die verlegen voor zich uit blikt.”
|
Die Launen der Verliebten Heinrich Heine
Mich lockt Ich weiß, daß Reichtum nicht glücklich macht. Nach Idealen Weil ich eine stolze Fliege bin. – Der Käfer Die Fliege ging ein Bad zu nehmen. Wo ist denn Daß sie beim Waschen mich bediene; Daß sie mir streichle Denn ich bin eines Käfers Braut. Wahrhaftig, Viel schöneren Käfer gab es nie. Sein Rücken Da flammt der Rubin, da glänzt der Smaragd. Sein Bauch Vor Neid wird bersten gar manche Schmeißfliege. Spute dich, Und schnüre die Taille und parfümier mich; Reib mich Lavendelöl auf meine Füße, Damit ich Wenn ich in des Bräutgams Armen ruh. Schon Und huldigen mir als Ehrenmamsellen. Sie winden Die weiße Blüte der Pomeranz. Viel Auch Sängerinnen, vornehme Zikaden. Rohrdommel Die sollen trompeten und schlagen die Trummel; Sie sollen Schon kommen die bunt beflügelten Gäst, Schon kommt Gemeine Insekten sind viele darunter. Heuschrecken Sie kommen heran – Die Trompeten blasen. Der Pastor Da kommt er gleichfalls – es ist schon spat. Die Glocken Wo bleibt mein liebster Bräutigam? – – Bim-bam, Der Bräutgam aber flog fort ins Weite. Die Glocken Wo bleibt mein liebster Bräutigam? Der Auf einem fernen Misthaufen gesessen. Dort blieb Bis daß die Braut verfaulet war. |
Voor literaire voorbeelden van insecten met menselijk gedrag uit de tijdsperiode van Ensor zie ook (voor een vrolijke variante) Lewis Carroll, Alice in Spiegelland, hoofdstuk “Looking-Glass Insects”; en voor de klassieke nachtmerrie over een menselijk insect zie Kafka’s Gedaanteverwisseling.

In zijn atelier bewaarde James Ensor (zie de tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag) doodshoofden, maskers en hoofddeksels, die vanaf 1888 regelmatig in zijn werk voorkomen. In Ensors werk had de schedel een morbide, ironische en fantastische connotatie en komt vaak als zelfportret voor. De schedel is blijkbaar de “ik”-vorm van Ensors maskers: Ensors eigen lachend masker.
Mij bevalt het als de dood een deel van het leven is, en als de doden vrolijk meedoen in het leven. Magisch, fantastisch, menselijk.
Op 27 april 2011 schrijft Joost Zagerman in de Volkskrant uitgebreid over dit schilderij “Het schilderend geraamte”.
Uit zijn artikel:
“Achter het schildersezel staat, palet in de hand, een geraamte. De schilder mag dood zijn – maar gelukkig ziet ‘ie nog goed in het pak. En is hij omringd met kunst. Voor het schilderend geraamte op het doek is dat misschien een troost.
De Vlaamse kunstenaar James Ensor (1860-1949) maakte Het schilderend geraamte omstreeks 1895. Uit een foto blijkt dat Ensor zijn eigen atelier minutieus heeft nageschilderd. En om te onderstrepen dat dit toch echt de werkomgeving is van de schilder zelf, voegde hij er rondslingerende maskers aan toe, de maskers waar Ensor in later werk zijn handelsmerk van zou maken. “
“De kunstenaar achter zijn ezel: het is een beproefd genrestuk, en eeuwenlang diende het onder meer om de maatschappelijke positie van de schilder te onderstrepen.”
Ook Vincent van Gogh heeft kort daarvoor een soortgelijk zelfportret gemaakt:

Vincent van Gogh, Schedel met brandende sigaret, 1885
De schedel van Van Gogh houdt het midden tussen (zelf)portret en stilleven.
Zwagerman:
“Theo van Gogh – en ik heb het hier nu niet over Vincents broer, maar over de vermoorde filmer uit onze eigen tijd – heeft zich in een interview eens laten ontvallen dat hij zich vaak betrapte op de gedachte dat het een groot misverstand is te denken dat wij hier op aarde in leven zijn. We zijn allemaal zo dood als een pier, alleen is er niemand die ons dit vertelt. Doodgaan betekent niet dat je je levensadem uitblaast en naar het dodenrijk verhuist, nee, het is de finale bekrachtiging van onze zijnstoestand, met als enige uiterlijke verandering het vergaan van het vlees op onze botten. Ons kloppend hart en onze polsslag geven het ritme aan waarmee ons geraamte zal uitbotten. Zoiets. “
De schedel is klassiek in de kunst als Memento Mori.
Hier een afbeelding van de Heilige Hieronymus. Ik kies een schilderij van Albrecht Dürer, omdat ik nu met Dürer bezig ben in verband met de Lucas van Leyden tentoonstelling in de Leidse Lakenhal (blog volgt).

James Ensor, Intrige, 1911
Maskers fascineren mij als een van de associatieve links tussen volkenkunde en kunst, maar ook tussen lage en hoge kunst, schilderkunst, beeldende kunst, literatuur en toneel.
James Ensor, die nu getoond wordt in het Haagse Gemeentemuseum, was de grote schilder van de maskers. Bij hem geen exotische volkenkundige maskers, maar carnavalmaskers. In een vroeg schilderij van 1880 laat hij carnavalsmaskers naar een “primitive” kijken- een ironisch commentaar?

Ensors maskers zijn paradox: ze verhullen niet, maar onthullen de heimelijke emoties verborgen achter de burgerlijke façade. Hier Ensor zelf met zijn verenhoed tussen de maskers.

James Ensor, Portret van de schilder omringd door maskers

Ensor en de maskers 1935
Lees het boeiende essay Masker, mensch en kunst door A.M. Hammacher, en kijk naar schitterende Aztekenmaskers op mijn blog.
Hier zijn ironisch zelfportret met bloemenhoed.


Rembrandt zelfportret

Vincent van Gogh, zelfportret

Eduard Manet, zelfportret

Cezanne zelfportret

August Macke zelfportret
…en hier nog Joseph Beuys:

Joseph Beuys zelfportret
zie hier een overzicht met de zelfportretten van Vincent van Gogh, met en zonder hoed
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Vuurtoren in Scheveningen 29-12-2010

Vuurbaak Katwijk

James Ensor, Vuurtoren van Oostende

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle, 1909
Mondriaan heeft er nog meer versies van gemaakt, zowel tekeningen als schilderijen.

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle, 1909
en hier nog een vuurtoren van Edward Hopper.

Edward Hopper, Lighthouse Hill, 1927 (detail)
en hier nog een uit de 19e eeuw:

William Turner, Vuurtoren van Shields met volle maan, 1826
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits