Wetenschap Kunst Politiek

Bolkestein, de Burkianen, het Westen en het zelfvertrouwen

no comment

in de volkskrant schrijft de leidse hoogleraar frits bolkestein vandaag over het verloren zelfvertrouwen van het westen. dit thema is een geliefd neocon-thema, en bolkestein, die heeft geholpen de leidse neoconservatieve edmund burke stichting op te richten, heeft van begin aan met de burke-professoren over dit thema overlegd.
bolkestein in sein grensverkenningen, waar de burkianen livestro, kinneging, michiel visser en cliteur herhaaldelijk ter sprake komen: “vrijdag 31  maart 2000, lunch met een stel slimme academici in nieuwspoort, allen leer­lingen van andreas kinneging, die er ook was; georganiseerd door joshua livestro, die nu mijn persoonlijke medewerker in brussel is […] . onderwerp van gesprek was het liberalisme, het postmodernisme (en wat daar­tegen te doen) en het verlies aan zelfvertrouwen van de europese eli­te..” 
 
bolkestein heeft naar mening gelijk: matiging en zelfrelativering behoren tot de kernwaarden van de westerse beschaving (en de intellectuele beschaving), en zijn zeer zeker door de christelijke cultuur sterk beïnvloed.
 
hans boutellier over bolkestein-zoon wilders en de westerse zelfrelativerende zwakte:
 
“hij [wilders] heeft de gespletenheid van het westerse relativisme tot spreken gebracht. die kent verschillende varianten: we verdedigen het recht op zijn film, maar willen hem niet uitzenden. we omarmen de tolerantie, maar verafschuwen wilders’ radicalisme. we verwijten hem de provocatie, maar verdedigen het recht op vrije meningsuiting.
we zien de noodzaak van verdediging van onze waarden, maar deze verhinderen ons te kunnen kiezen. het westerse relativisme – een historisch hoogtepunt van beschaving – ontbreekt het aan het idioom om het te beschermen tegen de fundamentalistische ondermijning ervan. wilders confronteert ons met deze essentiële zwakte, en noemt dat ten onrechte lafheid. wat we te verdedigen hebben, is de westerse verworvenheid om zwak te kunnen zijn.
deze gespletenheid verdraagt geen koste-wat-het-kost-waarheden. zij ligt ten grondslag aan de ontwikkeling van de wetenschap, aan de democratie en aan de emancipatie van individuen en gemeenschappen onder de conditie dat zij zich voegen naar de gespleten ziel van de vrijheid.” (de volkskrant 27-3- 2008)
 
 
 
“prettige” kerstdagen gewenst:
de burke stichting als kerstboom

overige Bolkestein-blogs:
Oorlog en handel; Nederland en Mutter Courage
[over Bolkestein en het gifgas, nu zeer actueel zie http://www.vkblog.nl/bericht/293110/Slachtoffers_willen_geld_van_Van_Anraat)]

verder:
Bolkestein: moslims geen recht op eigen scholen
De fata morgana van een moslim-tsunami: Bolkestein en Bernard Lewis
Tegen en voor het consumentisme: Benjamin Barber, Peter Sloterdijk, Frits Bolkestein
Bolkestein, Wilders en Turkije
Guido Derksen over Bolkesteins anti-intellectuele integratiedenken
De deugden van prof. dr. Bolkestein ( 3)
De deugden van Frits Bolkestein (2)
De deugden van Frits Bolkestein (1)
Wilders, het kind van vader Bolkestein/ Turkije

zie ook mijn documentie over de rol die Bolkestein heeft gespeeld in de achtergrond van Edmund Burke Stichting en bij de opkomst van Wilders
http://www.passagenproject.com/conservatisme.html
 

Roger Scruton en de Edmund Burke Stichting

60 comments

Roger Scruton staat in hoog aanzien bij de neocons.

“Dat mag”,  zult u zeggen, en dat is ook zo.

Alleen vind ik het leuk het een en ander nog eens op een rijtje te zetten.

Bart Jan Spruyt, directeur van de Burke Stichting en medeoprichter van de PVV, schrjift in De crisis in Nederland en het conservatieve antwoord (een tekst die ook op de website van de Burke Stichting te lezen is) over het verschil tussen verscheidene varianten van conservatisme, namelijk “sceptisch”, “historisch” en “natuurwetgeoriënteerd”.

De tweede vorm, “historisch”, verbindt Spruyt met de namen van Paul Cliteur respectievelijk Roger Scruton:
“Representanten van deze school [de historische school binnen het conservatisme] schuiven, kort gezegd, tussen het eenzame individu en de chaos van de geschiedenis de heilzame bescherming van de traditie. Hayek legde al de nadruk op de waarde van spontaan gegroeide instituties. Of die instituties een waarheid belichamen, is voor deze conservatieven niet de meest prangende vraag. Zij zijn ontstaan en hebben zich in een historisch proces van trial and error (Karl  Popper) als waardevol bewezen. Zij geven het leven iets van orde en een bezield verband. Een beroemd vertegenwoordiger van deze vorm van conservatisme is de Engelse filosoof Roger Scruton, die strijk-en-zet benadrukt dat instituties en sociale verbanden aan de mens voorafgaan en diens leven zinvol bepalen. De modernistische afbraak van instituties en tradities treden zij kritisch tegemoet, omdat na die afbraak volgens hen niets dan een gapende leegte overblijft en moderne mensen in zo’n nihilistisch klimaat eindeloos in de weer zijn zichzelf een identiteit aan te meten.
Van de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur zouden we kunnen zeggen dat hij de woordvoerder is van een bijzondere variant van deze vorm.”

Roger Scruton hield de eerste lezing van de Edmund Burke Stichting, De betekenis van het conservatisme, ingeleid door Livestro en Kinneging.

Scruton en zijn (veelal hard anti-islamitische) teksten figureren veel op de Burke-site. In de eerste Burke lezing heeft Scruton het ook uitgebreid over Edmund Burke. Scruton onderbouwt zijn behoud-conservatisme alsmede zijn herstel-conservatisme in de geest van Burke. Livestro haalt in zijn inleiding van de Burke lezing Scruton aan: “[Ik ben] op zoek … naar een verloren ervaring van thuis-zijn. En onder dat gevoel van verlies ligt, neem ik aan, de blijvende overtuiging dat wat verloren is gegaan ook weer kan worden heroverd – niet noodzakelijk zoals het eerst was, toen het ons ontglipte, maar zoals het zal zijn als het weloverwogen wordt teruggewonnen en opnieuw gemodelleerd.”

Scruton legde in de Burke-lezing uit wat hem bij Burke zo sterk aantrekt- en dezelfde gedachtes zijn duidelijk ook zeer aantrekkelijk voor Kinneging en Cliteur:

“Ten eerste de verdediging van autoriteit en gehoorzaamheid.
Autoriteit was voor Burke allerminst de verfoeilijke zaak die zij in de ogen van mijn tijdgenoten was, maar juist de basis van politieke orde. De samenleving, betoogde hij, wordt niet bijeengehouden door de abstracte rechten van de burger, zoals de Franse revolutionairen veronderstelden, maar door autoriteit een begrip dat primair het recht op gehoorzaamheid aanduidt, en niet alleen maar de macht om die af te dwingen. Gehoorzaamheid is op haar beurt de voornaamste deugd van politieke wezens, de mentale instelling die het mogelijk maakt over hen te regeren, en zonder welke samenlevingen vervallen tot het ‘stof en poeder van de individualiteit’. Deze gedachten waren voor mij even vanzelfsprekend als ze schokkend waren voor mijn tijdgenoten. Burke verdedigde de aloude opvatting dat de mens in samenlevingsverband de onderdaan van een soeverein is, tegen de nieuwe opvatting dat hij burger van een staat is.” ( p 29)
Scruton zegt er ook bij, dat hij de ideeën van Burke uitdrukkelijk tegen de beweging van de jaren zestig wilde inzetten. Ook verdedigt hij in de geest van Burke het vooroordeel, alsmede de “provocerende verdediging” die Burke in dit verband onderneemt van het ‘vooroordeel’ – “de verzameling overtuigingen en ideeën verstaat die instinctief in sociale wezens ontstaan”. Als voorbeeld noemt Scruton de vooroordelen omtrent seksueel gedrag: die moeten er zijn, schaamte en eergevoel moeten waken voor vernieuwingen of valse ideeën van bevrijding.  “En het resultaat [ de seksuele bevrijding]  is precies zoals Burke zou hebben voorzien: niet louter een breuk in het vertrouwen tussen de seksen, maar een teloorgang van heel het voortplantingsproces.” “In die kundige, heldere gedachten gaf Burke een samenvatting van al mijn instinctieve twijfels over de roep om bevrijding […] ” ( p31ff) .

Roger Scruton is met zijn “voorbeeldige leven” (Kinneging) een van de helden van Burke Stichting.

Sjoerd de Jong: “Over Foucault sneert Scruton, in een oprisping van vulgariteit, dat die stierf aan aids, ‘het resultaat van zijn geboemel in de badhuizen van San Francisco, die hij bezocht tijdens zijn zwaar gesubsidieerde tournees als intellectuele beroemdheid’.
Barmhartigheid is een kunst die deze selfmade conservatief niet verstaat, dat is duidelijk.” (NRC, 2-11-2001)

In zijn lezenswaarde nieuwe boek “Een wereld van verschil” – dat ik nog zal bespreken hier op mijn blog- schrijft Sjoerd de Jong:
“In An Intelligent Person’s Guide to Modern Culture schetst Scruton een even sentimenteel als zwartgallig beeld van de moderne massacultuur als een orgie van Nean­derthalers in trainingspak, die opgestuwd door seks, drugs en rock-n-roll, op hun ondergang afstrompelen. De vrije geesten die nog niet zijn besmet door het virus van relativisme, materi­alisme en egalitarisme, moeten als kloosterlingen het vuur van de beschaving brandend houden.” ( p 74)

Ik ben ook tegen consumptiemaatschappij en voor beschaving. Alleen verkoop ik mijn mening niet aan grote bedrijven (op het moment verkoop ik mijn mening helemaal niet…), en sentimentaliteit plus zwartgallige cultuurkritiek, die combinatie verdraag ik niet.

Het probleem van al die vermeend “voorbeeldige” conservatieven is, dat zij toch relatief makkelijk van hun voetstuk kunnen vallen.

Sjoerd de Jong: “De Engelse conservatieve filosoof Roger Scruton, bekend door zijn verdediging van de vossenjacht, zijn heimwee naar ouderwetse loyaliteit, en zijn afkeer van popmuziek, is in opspraak geraakt door zijn bijverdiensten als consultant voor de Japanse tabaksindustrie. Scruton, vorig jaar nog in Nederland voor een lezing bij de Edmund Burke stichting, heeft de academische wereld de rug toegekeerd en leeft van zijn boeken en de inkomsten van een adviesbureau dat hij drijft samen met zijn vrouw.
In de Britse pers is nu een email uitgelekt waarin Scruton aan Japan Tobacco International, een van de grootste tabaksconcerns ter wereld, vraagt of zijn maandelijkse honorarium van 4.500 pond niet kan worden verhoogd met duizend pond. In ruil daarvoor zal hij zijn best doen regelmatig artikelen tegen de anti-rooklobby geplaatst te krijgen in prominente Britse kranten, ‘sommige daarvan geschreven door RS’.” (NRC, 2-2-2002).

Ja,  Scruton maakt ons precies voor wat het probleem met het conservatisme is: cynisme achter een brave facade.

 

De fanatieke volgelingen van Carotta

no comment

Mijn eerdere Carotta-blog heeft veel los gemaakt.

Op mijn blog Atheïstisch bijgeloof: Carotta en zijn volgelingen laten de fanatieke Carotta-volgelingen zich helemaal kennen. Zij beschuldigen de Carotta-criticus Anton van Hooff van psychische ziekte.

De Nijmeegse classicus Anton van Hooff is auteur van een recent kritisch artikel over Carotta in de Academische boekengids. Hij  is met zijn zeer goed gefundeerde kritiek op Carotta ook regelmatig te horen op radio en televisie. Klik hier voor de recente Teleac-uitzending "Was Jezus eigenlijk Caesar?Een les in de pseudowetenschap"

Het speurwerk aanhand van IP-nummers heeft geresulteerd in de bevinding dat de aantijgingen op mijn blog in richting van Van Hooff afkomstig zijn van de psycholoog Tommie Hendriks.

Bernard Vermet [die ik via mijn blog over Carotta heb leren kennen, en met wie ik onlangs samen met Anton van Hooff in Leeuwwarden was op bezoek bij het "Carotta-gymnasium" waar de film van Jan van Friesland getoond werd] heeft de feiten betreffende Hendriks’ gedrag op mijn blog op een rijtje gezet.

—————————————————————————————————–

De "zieke" spelletjes van Tommie Hendriks

door Bernard Vermet

Wie is eigenlijk de "Fulvius" of "Bavink" op Maria Trepps Carotta-blog?
Wel, voor wie al wat langer meedraait in de discussies rond de perceptie van Carotta in Nederland, is die vraag niet moeilijk te beantwoorden: het is niemand anders dan Tommie Hendriks

 

(hier te zien op een vrolijke foto, gemaakt door zijn vriend Jan van Friesland).

Niet alleen zijn stijl, woordgebruik en IPadres verraden hem, maar ook b.v. het feit dat het stuk van Fulvius inmiddels twee maal is verbeterd en de nieuwste versie alleen op de eigen blog van Tommie te vinden is.
 
(Ter zijde: De oudste versie is nog terug te vinden op de blog van Marcel van Zoggel en werd daar gepost door ene "Thomas" op 18/04. Een sterk geredigeerde versie werd door "Fulvius" zelve op 21/04 gepost op Maria’s blog. De derde versie, met slechts kleine verbeteringen – b.v. verschijningsdata i.p.v. verschijningdata – werd op 22/04 om 10:14 uur door Tommie Hendriks aan zijn eigen blog gehangen en om 14:22 uur andermaal door "Thomas" op de Van Zoggelblog geplaatst. Een en ander valt eenvoudig en snel te verifiëren met de "compare documents"-functie onder "track changes" in het Toolsmenu van Word). 

In december 1999 leerde Hendriks het werk van Carotta kennen en sindsdien heeft het hem niet meer losgelaten. Hij vertaalde Carotta’s boek in het Nederlands en voert sindsdien een verbeten strijd voor verdere erkenning. 

Als Bavink schreef Hendriks "Alle anderen, of ze de theorie van Carotta nu verdedigen of aanvallen, schrijven hun mening één- of tweemaal op. Alleen amokmaker Van Hooff kan er maar niet mee ophouden", maar hij vergeet daarbij zichzelf te noemen: Telkens wanneer de discussie rond Carotta weer opflakkert – laatstelijk afgelopen november n.a.v. de presentatie van Jan van Frieslands documentaire over Carotta – bewerkt hij de media en het internet met, let wel, anonieme [!!] brieven. Zo opperde Tommie onder de naam Richard al op 3 nov. dat Van Hooff op http://www.psychosis.nl/ moest publiceren op een forum van de EO. Hij deed hetzelfde op diezelfde dag nog eens als anonymus op de blog van Marc van Zoggel, waar hij later als Thomas en waarschijnlijk ook als Xantippe postte. Andere door hem in het verleden gebezigde namen zijn  onder andere j.j., Octavianus, Daniël P., M. Anthonius, Marc A., Marc, Simon, Maria en Philo. Daarbij is het overigens niet altijd duidelijk of het alleen om Tommie gaat, of ook om zijn maatje Jan van Friesland – niet voor niets hebben we ook nu, bij Maria Trepp, in "Bavink" en "Siep," met twéé Utrechtse IPadressen te maken – terwijl op de achtergrond ook altijd Carotta zelf aanwezig is en vaak ook meeschrijft.

Een héél enkele maal schrijft Tommie onder zijn eigen naam, zoals in het geval van een ingezonden brief aan het AD, dd. 7 nov. j.l.:
"…Jacobine Geel schrijft in haar column over Van Frieslands documentaire ‘Het evangelie van Caesar’ … dat veel meer wetenschappers deze theorie afwijzen dan omarmen. Dat is onjuist. Als de vertaler van Carotta heb ik de stand positieve – negatieve ‘wetenschappelijke publicaties’ nauwkeurig bijgehouden. Voor Nederland luidt die: 71%-29%. Internationaal: 100%-0%. De tegenstanders schreeuwen luid, dat wel.Tommie Hendriks, Utrecht."

Daarbij valt direct een belangrijk, repeterend punt in de teksten van Tommie op: het – tegen beter weten in – blijven volhouden dat er zoiets als een positieve ontvangst van Carotta’s theorie zou bestaan.

[uitwijding
In het stuk van Fulvius op Marias blog lezen we daar b.v. over:
"Carotta beroept zich bijvoorbeeld op Prof. Ethelbert Stauffer, een bekende Duitse theoloog, wiens zoon in de documentaire een tekst van zijn vader voorleest. In de film zie je hem verder in gesprek met Prof. Francisco Rodriguez Pascual, antropoloog van de Pontificia Universiteit van Salamanca, als ook met Prof. Antonio Piñero, theoloog en hoogleraar Nieuwtestamentische Filologie van de Complutense Universiteit van Madrid. … Je ziet Carotta als een onderzoeker die zijn waarnemingen aan andere geleerden duidelijk maakt, ze in vaktijdschriften publiceert (Quaderni di Storia, uitgegeven door Prof. Luciano Canfora, Caesar-biograaf), sommigen zijn het met hem eens, anderen geven kritiek. … Als hij aanhang krijgt en wel van "eerzame" bekende academici, archeologen, linguïsten, epigrafici, historici, rechtsfilosofen, cultuurhistorici, experimenteel psychologen, antropologen, theologen, juristen etc. dan zijn ze allemaal daarom ongeloofwaardig, omdat ze geloofwaardig zijn."

Merk op dat Tommie de beroepen allemaal in meervoud opsomt, terwijl het toch alleen in het geval van de rechtsfilosofen met Prof. dr Paul Cliteur en Prof. dr Andreas Kinneging om meer dan één persoon gaat. Verder hebben we het, bewezen, over één linguist, Fotis Kavoukopoulos, één epigraficus, Gert Lüderitz, één (cultuur)historicus, Thomas von der Dunk, één experimenteel psycholoog, Tommie Hendriks zelve, en één classicus, Gerard Janssen, docent oude talen aan het Piter Jelles Gymnasium te Leeuwarden. De anderen die Fulvius Hendriks hier met name noemt ondersteunen de theorie van Carotta niet. Carotta beroept zich op Stauffer en spreekt met diens zoon, maar vader lief zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist dat zijn werk op deze wijze werd misbruikt. Dat zelfde geldt voor de vorig jaar overleden professor Rodriguez Pascual, van wie een beleefdheidsfrase nu zelfs het persbericht bij Jan van Frieslands documentaire siert. Zelfs het nawoord van Erika Simon bij het boek is, bij zorgvuldige lezing, niet veel meer dan een beleefdheidstekst. Verder commentaar op haar woorden wil zij in ieder geval niet geven. En dan zijn er tenslotte de professoren Piñero en Cafora. Beiden hebben Carotta de gelegenheid gegeven zijn theorie uiteen te zetten, zónder die echter te delen, zo lieten beiden mij weten. Piñero, die ik pas enkele dagen geleden contacteerde, was zelfs zéér verbolgen over het feit dat zijn naam nu op deze wijze werd misbruikt. "Es horrible cómo la gente tergiversa las opiniones", "het is een schande hoe mensen meningen verdraaien", liet hij mij weten en voegde daaraan toe dat binnenkort de verhandelingen uitkwamen van het symposium waarin hij de theorie van Carotta besprak, zodat iedereen dan zijn vernietigend oordeel kan nalezen].

Twee andere constanten in de teksten van Tommie Hendriks zijn, tot vervelens toe, dat Carotta’s tegenstanders:
a) nooit met argumenten komen en b) diens boek niet gelezen hebben. Beide zijn uiteraard uitgebreid terug te vinden in de tekst van Fulvius de Boer:
ad a) "Je bent toch altijd weer benieuwd naar zijn argumenten – maar jammer genoeg ook weer teleurgesteld. Hij levert namelijk geen enkel bewijs.; … de even verbeten als lege argumentatie van Van Hooff…" etc.
ad b) "… als hij het boek zou hebben opengeslagen, dan …; … zou hij dan daar gelezen hebben …; … hij leest Carotta in geen enkele taal …; … Let wel: hij leest nog steeds het boek niet…;  … ook op dit punt niet heeft gelezen …; … Als hij het had nagelezen …; … waarmee hij bewees dat hij het boek niet had gelezen …; … dat hij kritiek leverde zonder gelezen te hebben …" etc.

[ uitwijding
Een derde constante in het werk van Tommie, en dus ook Fulvius, is een even kromme redenatietrant als die van Carotta zelf. Dat moet ook wel, want voor ieder ander zou het vertalen van Carotta’s teksten een onmogelijkheid zijn geweest. Ter illustratie één van mijn favoriete passages, afkomstig van p. 300 (1ste druk) van Tommies vertaling: "Het koloriet – het tweemaal kraaien van de haan, dat de drievoudige verloochening aankondigt – wordt geleverd door de namen: de naam van de tempel, waarin vóór het aanbreken van de dag de buitengewone senaatszitting plaatsvond, de Tellus, de ‘moederaarde’, die gezien het tijdstip – ‘vierde nachtwacht’, quarta vigilia, in de volksmond ook secundus galliciniis, ‘bij het tweede hanenkraaien’ genoemd – als gallus, ‘haan’ verkeerd werd begrepen – tellus, telluris wordt alektor, ‘haan’ -, waardoor Cinna’s naam uitgelegd kon worden alsof hij van cecini, ‘zong, kraaide’ kwam".

Zelfs Gary Courtney, die nota bene een boek schreef waarin vrijwel dezelfde theorie wordt verdedigd, schreef mij over Carotta: "It took me quite some time to realise that my ability to translate his writing was being hampered by the way he writes. When a sentence did not make sense, I thought there was something wrong with my translation. I finally realised that it was impossible to translate what he writes and make it make sense in English. But that it’s not due to differences in the English and German languages, it is because of his style. Most of his arguments are sheer gobbledy-gook because he does not know how to think logically – I could provide a thousand examples".
Het beste voorbeeld van Carotta’s onvermogen om logisch na te kunnen denken staat al direct halverwege de éérste pagina van zijn boek: "Daar [!!!] dergelijke voorstellingen [van diep lijden] typisch voor Jezus Christus zijn en niet voor Julius Caesar, rees de vraag of Jezus nog andere elementen van de vóór hem geboren Caesar zou hebben overgenomen." (p. 5)
Goed, logica behoort dan misschien niet tot de kernvakken van de rechtsfilosofie, maar deze zin alleen zou voor de professoren Cliteur en Kinneging en cultuurhistoricus Von der Dunk toch al voldoende moeten zijn geweest, om te beseffen dat er iets heel, héél, hééél erg mis is met het denken van Francesco Carotta]. 

Maar de belangrijkste constante is het verwijt dat Carotta’s tegenstanders uitsluitend op de man spelen, terwijl diens medestanders de waardigheid zelve zijn en de wetenschappelijke mores hoog proberen te  houden.
In"De Zwarte Hand" formuleerde Tommie Hendriks het als volgt:
"Zo tekende zich in het ‘debat’ een klare lijn af. Aan de ene kant de lezers van het boek, die in een geserreerde toonzetting, verklaarden wel wat in de theorie te zien en nader onderzoek bepleitten. Aan de andere kant van het ravijn de geharnaste tegenstanders, de niet-lezers, die, luidkeels hun beledigingen schreeuwend, het boek op de Index plaatsten."
En als Fulvius formuleert Tommie het als volgt:
"Intussen probeert onze zelfbenoemde wetenschappelijke censor de promotors van Carotta’s boek ad hominem in diskrediet te brengen"

Zodra Tommie echter onder een van zijn talrijke pseudoniemen schrijft valt er van die "geserreerde toon" weinig te merken, scheldt hij er lustig op los en rolt de ene ad hominem over de andere. Nota bene als Fulvius laat hij op zijn adhomverwijt aan Van Hooff volgen:
-dat men vergeefs naar Van Hooffs wetenschappelijke publicaties zult zoeken in boekhandels en bibliotheken [Sic!]
dat deze classicus niet eens het Latijn machtig is
– dat hij in Athene niet eens een ijsje kan bestellen
dat men in de oudheid niet zo racistisch als Van Hooff was
dat hij een slechte hoofddocent is geweest, aangezien hij er geen reguliere betrekking meer heeft [hij ging, als 62jarige met de VUT …], maar nu gewoon leraar klassieke talen aan een gymnasium is [… en geeft nu nog les voor de lol]
– dat hij lijdt aan totale onkunde en geestelijke verwarring

En als Bavink voegt daar nog aan toe:

-dat Van Hooff zich aanmatigt te schrijven zonder te hebben gelezen
-dat hij kolderiek, maar pervasief en inflexibel gedrag vertoont
-dat hij een amokmaker, een ijdeltuit, gefrustreerd en dwangneurotisch is
-dat hij mogelijk psychisch ziek is of gedreven door zelfdestructie.
-dat men fluistert dat Van Hooff van de universiteit is verwijderd omdat hij met zijn scheldpartijen die te schande maakte.

Die laatste typering komt uit een één-tweetje met alter ego en eveneens Utrechts IPadreshouder Siep Oker, die op Marias blog zelf schreef:
"Van Hooff is een tiepies produkt van de demokratiese jaren zestig en zeventig. Geen wonder dat hij niet is doorgegroeid en geen prof is geworden. Hij is altijd in Nijmegen blijven hangen als ‘ zij-instromer’ en heeft de omslag in de samenleving niet meer meegemaakt. Maar als fossiel maakt hij wel veel lawaai".

Die laatste zin , "Maar als fossiel maakt hij wel veel lawaai", doet sterk denken aan de laatste zin van Tommie Hendriks in zijn brief aan het AD: "De tegenstanders schreeuwen luid, dat wel." Bovendien past de carrièrebeschrijving niet die van Van Hooff, maar wel die van Tommie Hendriks zelf. Immers, in de Utrechtse Binnenstadskrant van november 2004, lezen we:  "Zijn aanstelling als wetenschapper werd van jaar tot jaar verlengd, tot hij in 1997 definitief op een zijspoor werd gezet".

Hierdoor sluit ik niet uit dat "Bavink" op Marias blog misschien toch Jan van Friesland is en "Siep Oker" Tommie Hendriks. De tekst van Fulvius de Boer zou dan gepost zijn door Jan, maar lijkt mij toch goeddeels van Tommie, daarbij geassisteerd door Carotta en/of Gerard Janssen.

Maar eigenlijk doet dat niet zo veel ter zake. De Carottianen wisselen al hun teksten uit en staan in permanent contact met hun spiritueel leider, Francesco Carotta.

———————————————————————————–
Zover Berard Vermet.

mijn avatars wisselen met elke blog. ten tijde vn dit carottablog zag mijn avatar zo uit ( vgl ook de reacties hierover)

bernard heeft overigens ook een verslag geschreven van ons bezoek in leeuwwarden:
Carotta op het Leeuwarder Piter Jelles Gymnasium

en een recensie van de film van Jan van Friesland
‘Het Evangelie van Caesar’

Discussie Bernard Vermet met Gerard Janssen, docent aan het Piter Jesses Gymnasium te Leeuwarden deel 1


deel 2 [ Deel 2 is aardig voor wie het onzalige idee zou hebben om "Rouw en razernij rond Caesar" van Tommie Hendriks te gaan lezen]

De fanatieke volgelingen van Carotta

no comment

Mijn eerdere Carotta-blog heeft veel los gemaakt.

Op mijn blog Atheïstisch bijgeloof: Carotta en zijn volgelingen laten de fanatieke Carotta-volgelingen zich helemaal kennen. Zij beschuldigen de Carotta-criticus Anton van Hooff van psychische ziekte.

De Nijmeegse classicus Anton van Hooff is auteur van een recent kritisch artikel over Carotta in de Academische boekengids. Hij  is met zijn zeer goed gefundeerde kritiek op Carotta ook regelmatig te horen op radio en televisie. Klik hier voor de recente Teleac-uitzending "Was Jezus eigenlijk Caesar?Een les in de pseudowetenschap"

Het speurwerk aanhand van IP-nummers heeft geresulteerd in de bevinding dat de aantijgingen op mijn blog in richting van Van Hooff afkomstig zijn van de psycholoog Tommie Hendriks.

Bernard Vermet [die ik via mijn blog over Carotta heb leren kennen, en met wie ik onlangs samen met Anton van Hooff in Leeuwwarden was op bezoek bij het "Carotta-gymnasium" waar de film van Jan van Friesland getoond werd] heeft de feiten betreffende Hendriks’ gedrag op mijn blog op een rijtje gezet.

—————————————————————————————————–

De "zieke" spelletjes van Tommie Hendriks

door Bernard Vermet

Wie is eigenlijk de "Fulvius" of "Bavink" op Maria Trepps Carotta-blog?
Wel, voor wie al wat langer meedraait in de discussies rond de perceptie van Carotta in Nederland, is die vraag niet moeilijk te beantwoorden: het is niemand anders dan Tommie Hendriks

 

(hier te zien op een vrolijke foto, gemaakt door zijn vriend Jan van Friesland).

Niet alleen zijn stijl, woordgebruik en IPadres verraden hem, maar ook b.v. het feit dat het stuk van Fulvius inmiddels twee maal is verbeterd en de nieuwste versie alleen op de eigen blog van Tommie te vinden is.
 
(Ter zijde: De oudste versie is nog terug te vinden op de blog van Marcel van Zoggel en werd daar gepost door ene "Thomas" op 18/04. Een sterk geredigeerde versie werd door "Fulvius" zelve op 21/04 gepost op Maria’s blog. De derde versie, met slechts kleine verbeteringen – b.v. verschijningsdata i.p.v. verschijningdata – werd op 22/04 om 10:14 uur door Tommie Hendriks aan zijn eigen blog gehangen en om 14:22 uur andermaal door "Thomas" op de Van Zoggelblog geplaatst. Een en ander valt eenvoudig en snel te verifiëren met de "compare documents"-functie onder "track changes" in het Toolsmenu van Word). 

In december 1999 leerde Hendriks het werk van Carotta kennen en sindsdien heeft het hem niet meer losgelaten. Hij vertaalde Carotta’s boek in het Nederlands en voert sindsdien een verbeten strijd voor verdere erkenning. 

Als Bavink schreef Hendriks "Alle anderen, of ze de theorie van Carotta nu verdedigen of aanvallen, schrijven hun mening één- of tweemaal op. Alleen amokmaker Van Hooff kan er maar niet mee ophouden", maar hij vergeet daarbij zichzelf te noemen: Telkens wanneer de discussie rond Carotta weer opflakkert – laatstelijk afgelopen november n.a.v. de presentatie van Jan van Frieslands documentaire over Carotta – bewerkt hij de media en het internet met, let wel, anonieme [!!] brieven. Zo opperde Tommie onder de naam Richard al op 3 nov. dat Van Hooff op http://www.psychosis.nl/ moest publiceren op een forum van de EO. Hij deed hetzelfde op diezelfde dag nog eens als anonymus op de blog van Marc van Zoggel, waar hij later als Thomas en waarschijnlijk ook als Xantippe postte. Andere door hem in het verleden gebezigde namen zijn  onder andere j.j., Octavianus, Daniël P., M. Anthonius, Marc A., Marc, Simon, Maria en Philo. Daarbij is het overigens niet altijd duidelijk of het alleen om Tommie gaat, of ook om zijn maatje Jan van Friesland – niet voor niets hebben we ook nu, bij Maria Trepp, in "Bavink" en "Siep," met twéé Utrechtse IPadressen te maken – terwijl op de achtergrond ook altijd Carotta zelf aanwezig is en vaak ook meeschrijft.

Een héél enkele maal schrijft Tommie onder zijn eigen naam, zoals in het geval van een ingezonden brief aan het AD, dd. 7 nov. j.l.:
"…Jacobine Geel schrijft in haar column over Van Frieslands documentaire ‘Het evangelie van Caesar’ … dat veel meer wetenschappers deze theorie afwijzen dan omarmen. Dat is onjuist. Als de vertaler van Carotta heb ik de stand positieve – negatieve ‘wetenschappelijke publicaties’ nauwkeurig bijgehouden. Voor Nederland luidt die: 71%-29%. Internationaal: 100%-0%. De tegenstanders schreeuwen luid, dat wel.Tommie Hendriks, Utrecht."

Daarbij valt direct een belangrijk, repeterend punt in de teksten van Tommie op: het – tegen beter weten in – blijven volhouden dat er zoiets als een positieve ontvangst van Carotta’s theorie zou bestaan.

[uitwijding
In het stuk van Fulvius op Marias blog lezen we daar b.v. over:
"Carotta beroept zich bijvoorbeeld op Prof. Ethelbert Stauffer, een bekende Duitse theoloog, wiens zoon in de documentaire een tekst van zijn vader voorleest. In de film zie je hem verder in gesprek met Prof. Francisco Rodriguez Pascual, antropoloog van de Pontificia Universiteit van Salamanca, als ook met Prof. Antonio Piñero, theoloog en hoogleraar Nieuwtestamentische Filologie van de Complutense Universiteit van Madrid. … Je ziet Carotta als een onderzoeker die zijn waarnemingen aan andere geleerden duidelijk maakt, ze in vaktijdschriften publiceert (Quaderni di Storia, uitgegeven door Prof. Luciano Canfora, Caesar-biograaf), sommigen zijn het met hem eens, anderen geven kritiek. … Als hij aanhang krijgt en wel van "eerzame" bekende academici, archeologen, linguïsten, epigrafici, historici, rechtsfilosofen, cultuurhistorici, experimenteel psychologen, antropologen, theologen, juristen etc. dan zijn ze allemaal daarom ongeloofwaardig, omdat ze geloofwaardig zijn."

Merk op dat Tommie de beroepen allemaal in meervoud opsomt, terwijl het toch alleen in het geval van de rechtsfilosofen met Prof. dr Paul Cliteur en Prof. dr Andreas Kinneging om meer dan één persoon gaat. Verder hebben we het, bewezen, over één linguist, Fotis Kavoukopoulos, één epigraficus, Gert Lüderitz, één (cultuur)historicus, Thomas von der Dunk, één experimenteel psycholoog, Tommie Hendriks zelve, en één classicus, Gerard Janssen, docent oude talen aan het Piter Jelles Gymnasium te Leeuwarden. De anderen die Fulvius Hendriks hier met name noemt ondersteunen de theorie van Carotta niet. Carotta beroept zich op Stauffer en spreekt met diens zoon, maar vader lief zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist dat zijn werk op deze wijze werd misbruikt. Dat zelfde geldt voor de vorig jaar overleden professor Rodriguez Pascual, van wie een beleefdheidsfrase nu zelfs het persbericht bij Jan van Frieslands documentaire siert. Zelfs het nawoord van Erika Simon bij het boek is, bij zorgvuldige lezing, niet veel meer dan een beleefdheidstekst. Verder commentaar op haar woorden wil zij in ieder geval niet geven. En dan zijn er tenslotte de professoren Piñero en Cafora. Beiden hebben Carotta de gelegenheid gegeven zijn theorie uiteen te zetten, zónder die echter te delen, zo lieten beiden mij weten. Piñero, die ik pas enkele dagen geleden contacteerde, was zelfs zéér verbolgen over het feit dat zijn naam nu op deze wijze werd misbruikt. "Es horrible cómo la gente tergiversa las opiniones", "het is een schande hoe mensen meningen verdraaien", liet hij mij weten en voegde daaraan toe dat binnenkort de verhandelingen uitkwamen van het symposium waarin hij de theorie van Carotta besprak, zodat iedereen dan zijn vernietigend oordeel kan nalezen].

Twee andere constanten in de teksten van Tommie Hendriks zijn, tot vervelens toe, dat Carotta’s tegenstanders:
a) nooit met argumenten komen en b) diens boek niet gelezen hebben. Beide zijn uiteraard uitgebreid terug te vinden in de tekst van Fulvius de Boer:
ad a) "Je bent toch altijd weer benieuwd naar zijn argumenten – maar jammer genoeg ook weer teleurgesteld. Hij levert namelijk geen enkel bewijs.; … de even verbeten als lege argumentatie van Van Hooff…" etc.
ad b) "… als hij het boek zou hebben opengeslagen, dan …; … zou hij dan daar gelezen hebben …; … hij leest Carotta in geen enkele taal …; … Let wel: hij leest nog steeds het boek niet…;  … ook op dit punt niet heeft gelezen …; … Als hij het had nagelezen …; … waarmee hij bewees dat hij het boek niet had gelezen …; … dat hij kritiek leverde zonder gelezen te hebben …" etc.

[ uitwijding
Een derde constante in het werk van Tommie, en dus ook Fulvius, is een even kromme redenatietrant als die van Carotta zelf. Dat moet ook wel, want voor ieder ander zou het vertalen van Carotta’s teksten een onmogelijkheid zijn geweest. Ter illustratie één van mijn favoriete passages, afkomstig van p. 300 (1ste druk) van Tommies vertaling: "Het koloriet – het tweemaal kraaien van de haan, dat de drievoudige verloochening aankondigt – wordt geleverd door de namen: de naam van de tempel, waarin vóór het aanbreken van de dag de buitengewone senaatszitting plaatsvond, de Tellus, de ‘moederaarde’, die gezien het tijdstip – ‘vierde nachtwacht’, quarta vigilia, in de volksmond ook secundus galliciniis, ‘bij het tweede hanenkraaien’ genoemd – als gallus, ‘haan’ verkeerd werd begrepen – tellus, telluris wordt alektor, ‘haan’ -, waardoor Cinna’s naam uitgelegd kon worden alsof hij van cecini, ‘zong, kraaide’ kwam".

Zelfs Gary Courtney, die nota bene een boek schreef waarin vrijwel dezelfde theorie wordt verdedigd, schreef mij over Carotta: "It took me quite some time to realise that my ability to translate his writing was being hampered by the way he writes. When a sentence did not make sense, I thought there was something wrong with my translation. I finally realised that it was impossible to translate what he writes and make it make sense in English. But that it’s not due to differences in the English and German languages, it is because of his style. Most of his arguments are sheer gobbledy-gook because he does not know how to think logically – I could provide a thousand examples".
Het beste voorbeeld van Carotta’s onvermogen om logisch na te kunnen denken staat al direct halverwege de éérste pagina van zijn boek: "Daar [!!!] dergelijke voorstellingen [van diep lijden] typisch voor Jezus Christus zijn en niet voor Julius Caesar, rees de vraag of Jezus nog andere elementen van de vóór hem geboren Caesar zou hebben overgenomen." (p. 5)
Goed, logica behoort dan misschien niet tot de kernvakken van de rechtsfilosofie, maar deze zin alleen zou voor de professoren Cliteur en Kinneging en cultuurhistoricus Von der Dunk toch al voldoende moeten zijn geweest, om te beseffen dat er iets heel, héél, hééél erg mis is met het denken van Francesco Carotta]. 

Maar de belangrijkste constante is het verwijt dat Carotta’s tegenstanders uitsluitend op de man spelen, terwijl diens medestanders de waardigheid zelve zijn en de wetenschappelijke mores hoog proberen te  houden.
In"De Zwarte Hand" formuleerde Tommie Hendriks het als volgt:
"Zo tekende zich in het ‘debat’ een klare lijn af. Aan de ene kant de lezers van het boek, die in een geserreerde toonzetting, verklaarden wel wat in de theorie te zien en nader onderzoek bepleitten. Aan de andere kant van het ravijn de geharnaste tegenstanders, de niet-lezers, die, luidkeels hun beledigingen schreeuwend, het boek op de Index plaatsten."
En als Fulvius formuleert Tommie het als volgt:
"Intussen probeert onze zelfbenoemde wetenschappelijke censor de promotors van Carotta’s boek ad hominem in diskrediet te brengen"

Zodra Tommie echter onder een van zijn talrijke pseudoniemen schrijft valt er van die "geserreerde toon" weinig te merken, scheldt hij er lustig op los en rolt de ene ad hominem over de andere. Nota bene als Fulvius laat hij op zijn adhomverwijt aan Van Hooff volgen:
-dat men vergeefs naar Van Hooffs wetenschappelijke publicaties zult zoeken in boekhandels en bibliotheken [Sic!]
dat deze classicus niet eens het Latijn machtig is
– dat hij in Athene niet eens een ijsje kan bestellen
dat men in de oudheid niet zo racistisch als Van Hooff was
dat hij een slechte hoofddocent is geweest, aangezien hij er geen reguliere betrekking meer heeft [hij ging, als 62jarige met de VUT …], maar nu gewoon leraar klassieke talen aan een gymnasium is [… en geeft nu nog les voor de lol]
– dat hij lijdt aan totale onkunde en geestelijke verwarring

En als Bavink voegt daar nog aan toe:

-dat Van Hooff zich aanmatigt te schrijven zonder te hebben gelezen
-dat hij kolderiek, maar pervasief en inflexibel gedrag vertoont
-dat hij een amokmaker, een ijdeltuit, gefrustreerd en dwangneurotisch is
-dat hij mogelijk psychisch ziek is of gedreven door zelfdestructie.
-dat men fluistert dat Van Hooff van de universiteit is verwijderd omdat hij met zijn scheldpartijen die te schande maakte.

Die laatste typering komt uit een één-tweetje met alter ego en eveneens Utrechts IPadreshouder Siep Oker, die op Marias blog zelf schreef:
"Van Hooff is een tiepies produkt van de demokratiese jaren zestig en zeventig. Geen wonder dat hij niet is doorgegroeid en geen prof is geworden. Hij is altijd in Nijmegen blijven hangen als ‘ zij-instromer’ en heeft de omslag in de samenleving niet meer meegemaakt. Maar als fossiel maakt hij wel veel lawaai".

Die laatste zin , "Maar als fossiel maakt hij wel veel lawaai", doet sterk denken aan de laatste zin van Tommie Hendriks in zijn brief aan het AD: "De tegenstanders schreeuwen luid, dat wel." Bovendien past de carrièrebeschrijving niet die van Van Hooff, maar wel die van Tommie Hendriks zelf. Immers, in de Utrechtse Binnenstadskrant van november 2004, lezen we:  "Zijn aanstelling als wetenschapper werd van jaar tot jaar verlengd, tot hij in 1997 definitief op een zijspoor werd gezet".

Hierdoor sluit ik niet uit dat "Bavink" op Marias blog misschien toch Jan van Friesland is en "Siep Oker" Tommie Hendriks. De tekst van Fulvius de Boer zou dan gepost zijn door Jan, maar lijkt mij toch goeddeels van Tommie, daarbij geassisteerd door Carotta en/of Gerard Janssen.

Maar eigenlijk doet dat niet zo veel ter zake. De Carottianen wisselen al hun teksten uit en staan in permanent contact met hun spiritueel leider, Francesco Carotta.

———————————————————————————–
Zover Berard Vermet.

mijn avatars wisselen met elke blog. ten tijde vn dit carottablog zag mijn avatar zo uit ( vgl ook de reacties hierover)

bernard heeft overigens ook een verslag geschreven van ons bezoek in leeuwwarden:
Carotta op het Leeuwarder Piter Jelles Gymnasium

en een recensie van de film van Jan van Friesland
‘Het Evangelie van Caesar’

Discussie Bernard Vermet met Gerard Janssen, docent aan het Piter Jesses Gymnasium te Leeuwarden deel 1


deel 2 [ Deel 2 is aardig voor wie het onzalige idee zou hebben om "Rouw en razernij rond Caesar" van Tommie Hendriks te gaan lezen]

Onder pyromanen

60 comments

Mark Rutte gisteren 1-4-2008: ‘Meneer Wilders, u bent een politieke pyromaan: u steekt steeds het vuur aan en daarna rent u weg. Vervolgens wordt u nog boos ook als de eigenaar van de woning de brandweer belt.’
Naar wat nu blijkt uit de verklaring van minister van Justitie Hirsch Ballin was Wilders aanvankelijk wel degelijk van zins in ‘Fitna’ delen uit de Koran voor de camera te verbranden.

Mijn gedachten gaan naar de boekenverbranding van de nazi’s, op de foto aan de Universiteit van München waar ik zelf ooit heb gestudeerd. 
Mijn gedachten gaan ook naar de fascismeparabel “Biedermann und Brandstifter” (Nederlands: ‘Bal van de Pompiers’/ ‘Biederman en Brandstichters’) van de Zwitserse auteur Max Frisch.

Mijn gedachten gaan ook naar de intellectuele Wilders-vriend, de Leidse professor Afshin Ellian, die in het voorwoord in het boek van Karen Jespersen en Ralf Pittelkow ‘Islamisten en Naïvisten’  uitvoerig over dit toneelstuk schreef onder de titel ‘Capitulatie versus polemiek’” .
Volgens Ellian zijn de islamieten de huidige fascisten en brandstichters. Ellian:

“Wie geeft de lucifers aan de islamistische brandstichter? […] Het islamisme (de politieke islam) vormt een ernstige bedreiging van de vrijheid en van zowel de regionale als de internationale vrede in en buiten de islamitische wereld […] ‘Biedermann en de brandstichters’ verheldert op uitstekende wijze de geestelijke en politieke toestand van Europa. Met een bui­tengewoon scherp inzicht beschrijft Max Frisch het machteloze Eu­ropa tegenover het nazisme. Biedermann en zijn vrouw worden ver­rast door twee gasten die zij, ondanks het legitieme wantrouwen dat zij koesteren, ruimhartig ontvangen. De gasten willen brandstichten in het huis van hun gastheer. De machteloosheid van de Biederman­nen jegens de kwaadwillende gasten heeft te maken met het feit dat de brandstichters appelleren aan hun medelijden voor de slacht­offers van de maatschappij. Hoe aardiger en vredelievender de brandstichters worden bejegend, des te eerder het gevaar kan wor­den gemeden, dachten de Biedermannen. Dat dacht Europa. De angst voor conflicten resulteerde in een soort capitulatie in naam van het goede: ‘Want hij hoopt dat het goede ontstaat uit goedmoe­digheid’, aldus het koor brandweermannen in het toneelstuk. Er be­staan geen vijanden, en er moeten evenmin vijanden worden ge­maakt. Vandaar dat Biedermann zegt: ‘Als ik hen aangeef, die twee kerels, dan weet ik dat ik hen tot mijn vijanden maak. Wat heb je daaraan? Een lucifer, en het huis staat in de fik.’ Uiteindelijk geeft de machteloze Biedermann de lucifers aan zijn gasten. […]
Wie zijn de brandstichters nu? De islamisten, de politieke islam.”
En wie is de Biederman volgens Ellian? Mensen als Geert Mak, die zich tegen een zwart-wit -denken en de demonisering van de islam verzetten.

Voor zijn eigen islamfobie beroept zich Ellian trots op de eeuwenoude islamhaat in het Westen, zoals hij die her en der bij Erasmus, Hegel en anderen kan vinden ( zie ook Afshin Ellian,Terug naar de middeleeuwen)

Ellian vindt ook ruimte voor een paar schijnheilige woorden. Hij lijkt waardering te hebben voor de islamitische traditie als hij schrijft “Hoe konden moslimfilosofen als Averroës (Ibn Rushd) en Avicenna (Ibn Sina) in hun tijd de hellenisti­sche cultuur verzoenen met de islamitische denkwereld?”
Maar Ellian heeft geen enkel interesse aan moderne vertegenwoordigers van de liberale islam, die zich beroepen op juist deze Averroës. Zijn Leidse collega en islam-reformator Nasr Abu Zayd (Ibn Rushd -leerstoel aan de Universiteit voor Humanistiek), wordt door Ellian als “charlatan” neergezet en in het debat gemeden.

Ik zie het al jaren me grote zorg hoe de Leidse intellectuele achterban van Geert Wilders, Frits Bolkestein en de heren van de Edmund Burke Stichting (Ellian, Cliteur, Kinneging, Jerker Spits, Bart Jan Spruyt ) op een stigmatisering van een hele religie en bevolkingsgroep aanstuurt.

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief