Volgens nieuwe bevindingen is er mogelijk water op de maan (lees hier meer)
Christiaan Huygens overpeinst in zijn Cosmotheoros (1698) de vraag, of er water op de maan is. Anders dan Kepler denkt hij niet dat dit het geval is. De “maria” (maanzeeën, inslagkraters die men voor zeeën aanzag) herkent hij als holtes.

“Maar ik vind ’er niets dat na zeeën gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [Starrekenners] het tegendeel gevoelen. Want in de grote vlakke landstreken, die veel duisterder als de bergachtige zijn, en welke ik zie dat gemeenlijk voor Zeen gehouden, ja met de benamingen van oceanen verheerlijkt worden, in die landstreken zelve, zegge ik, met een langer Verrekijker bekeken zijnde, bevinde ik, dat zekere kleine ronde holtes zijn, met binnen invallende schaduwen; en dat kan met de oppervlakte van de Zee niet over een komen: daarenboven die zelve ruime velden, als wij haar wat aandachtiger beschouwen, vertonen geen oppervlak, dat geheel effen is. Zoo kunnen het dan geen Zeen wezen, maar moeten bestaan uit een stoffe, zoo blank niet, als die, welke in de oneffener delen is; waar in wederom sommige met een krachtiger ligt boven anderen uitmunten. Ook schijnt het mij niet toe dat ’er enige Rivieren in de Maan zijn: want zoo z’ er waren, zij zouden de scherpzichtigheid van mijne kijkglazen niet kunnen ontslippen; ten minsten, indien zij, gelijk de meeste by ons, tussen bergen, of zeer hoge rotsen, stroomden. Daar zijn ook geen Wolken, waar uit regen zou spruiten, om aan de Rivieren vocht te verschaffen: want indien z’ er waren, men zou dezelve dan het een, dan het ander Maangewest zien bedekken, en voor ons gezicht verbergen; ’t welk geenszins geschied, maar daar blijft een gedurige helderheid.”
Huygens redeneert vervolgens vanuit een analogiegedachte, dat er op de andere manen in het zonnestelsel waarschijnlijk ook geen water te vinden is.
Hij zou wel heel erg verbaasd geweest zijn als hij had geweten dat men met de hulp van ruimtesonde Cassini nu methaanmeren op de door hem ontdekte Saturnusmaan Titan zou vinden.

Wel argumenteert Huygens dat er mogelijk vloeibare stoffen, “iets anders dan water”, op de manen te vinden zouden zijn:
“Misschien zou daar ’t een of ’t ander, dat heel anders als ons Water is, de Aardgewassen en Dieren kunnen doen leven. Misschien zou een weinig vocht in de aarde, niet als d’ onze het Water indrinkende, voor de Zonnestralen genoeg zijn, om daar uit een dauw te trekken, die tot voeding van kruiden en bomen bekwaam was: ’t welk ik zie dat ook Plutarchus mening is geweest, in zijn Samenspraak van de Gedaante in het Maan-rond [-> Plutarchus, De face in orbe lunae] .”
Deze tekst staat ook op mijn Duitse blog over Huygens
Meer over Christiaan Huygens

Christiaan Huygens www.passagenproject.com
Christiaan Huygens: wetenschap als religie
In Christiaan Huygens’ Cosmotheoros (1698) neemt een christelijke rechtvaardiging van een niet-antropocentrische kosmologie een prominente plaats in.
De mens wordt bij Huygens beroofd van de hoofdrol in het universum, maar God blijft de schepper van alles.
Ook de Neurenbergse astronoom Johann Philipp von Wurzelbau, vertaler/auteur van de Duitse versie van Huygens’ Cosmotheoros (1703), vindt in een aantal Pauluscitaten een (phyico)-theologische rechtvaardiging voor de wetenschappelijke verkenning van de hemel.
Wurzelbau en Huygens ervaren een sterk religieus gevoel als zij kijken naar Gods “wonder”werken. Beiden zien de specifieke rol van de voorzienigheid van God in de orde van de natuur. In de 17e eeuw hebben veel denkers, zo ook Huygens, een symbiose gevonden tussen theologie en wetenschap met een theologische interpretatie van wetenschappelijke bevindingen, die de vooruitgang van de wetenschap mogelijk maakte.

Huygens verdedigde zich tegen eventuele religieuze tegenstanders:
[...] Daar zullen andere zijn, die zeggen, dat dat gene, ’t welk wy getragt hebben te toonen waarschijnelijk te wezen, tegen de Heilige Schriften strijd, zoo haast als zy bemerken, dat wy spreken van Aardklooten, en Dieren, zelfs met reden begaafd; van welker oorsprong, of wezendheid in de natuur der dingen, niets, maar veel eer iets waar uit het tegendeel blijkt, in den Bibel geschreven is: want (zeggen zy) daar in word alleenlijk van deze Aarde, met hare dieren, kruiden, en van den mensch, aller dingen heer, gewag gemaakt. Dezen antwoorde ik, gelijk andere voor my reeds gedaan hebben, dat het genoeg blijkt, dat God van alles wat Hy gemaakt heeft, stuk voor stuk, ons geen berigt heeft willen geven [....] “
“[..] Maar anderen zullen hetgeen wij als waarschijnlijk beschrijven willen begrijpen als iets dat in strijd is met de Schrift, als wij het hier hebben over andere planeten met dieren, waarvan zelfs een aantal begiftigd zijn met verstand. Van deze dingen spreekt de Bijbel niet, integendeel, zij gaat alleen over deze aarde met haar planten en dieren en de mens als Heer over alles. Op deze bezwaren antwoord ik zo als ook anderen het voor mij hebben gedaan, dat God niet over alle details van de schepping wilde onderwijzen.”

Galilei over religie
Op veel punten wandelt Huygens in de voetsporen van Galilei. De relatie tussen kosmologie en religie, die Huygens in de Cosmotheoros bespreekt, heeft ook Galilei in detail bediscussieerd. Galilei heeft zich bezig gehouden met de relatie tussen wetenschap en geloof, en in het bijzonder met de compatibiliteit van het copernicaanse systeem met de getuigenis van de Schrift. In zijn brief aan Castelli D. Benetto van 21 December 1613 benadrukt Galilei dat de Bijbel inderdaad altijd onbetwistbaar waar is; echter kan de menselijke interpretatie verkeerd zijn. Bij de menselijke interpretatie mag men zich bijvoorbeeld niet vastklampen aan bepaalde woorden, omdat dit leidt tot misverstand. God heeft de mensen de kracht van het oordeel en de rede gegeven, zodat zij hier gebruik van maken. Over de astronomie staat bijna niets in de Bijbel, en daarom heeft God de mens in deze zaak niets middels de Schrift mede te delen.
Bij Huygens net als bij Galilei is God een opperwezen, de schepper van de wereld. Maar hij is geen persoonlijke God, geen redder, geen God van de verlossing.
Huygens’ God is vergelijkbaar met Galilei’s God en de God van Leibniz. Huygens gaat echter niet zo ver als Spinoza (die Huygens persoonlijk kende en met wie hij correspondeerde over het lensslijpen). God en Natuur vallen niet samen voor Huygens, zoals voor Spinoza; Huygens is geen pantheïst. De teleologie en predestinatie in beeld Huygens’ Godsbeeld passen niet in het wereldbeeld van Spinoza. Jonathan Israel beschrijft de persoonlijke tegenstellingen tussen Spinoza en Huygens, die gebaseerd waren op een groot aantal factoren, onder meer op Spinoza’s cartesiaanse (Radical Enlightenment, p. 246-252). Helaas is Huygens’ antwoord op de vraag van Leibniz (1679), wat Huygens van Spinoza’s Ethiek heeft gevonden, niet overleverd.
Opvallend is bij Christiaan Huygens dat hij de wetenschap als ‘godsdienst’ ervaart: je kunt God te dienen door het bestuderen en bewonderen van zijn werken.
Huygens:
“[...] En hieruit kunnen we concluderen dat de vaardigheiden en de scherpe zinnen de mensen werden gegeven, zodat zij daarmee de kennis van de natuur geleidelijk verwerven, en zij zouden zich ervan niet moeten laten weerhouden deze dingen te onderzoeken en ijverig te verkennen.”
“Maar hoe zou een mens God niet aanbidden en hoog prijzen, die deze dingen gemaakt en geschapen heeft, en wiens voorzienigheid en prachtige wijsheid hier keer op keer wordt verdedigd, en wel tegen degenen die zeggen dat de aarde werd gevormd uit willekeurige stofdeeltjes, of nooit een begin heeft gehad.”
Huygens’ natuurlijke theologie , die die schepping leest als een “boek van de natuur” kan verwijzen naar orthodox gereformeerde teksten die stellen dat we God kennen op twee manieren: ten eerste [!] door de schepping en ten tweede [!], door Gods woord (mijn markering; zie ook Eric Jorink, Het ‘Boeck der Natuere’, Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715, p 31).
Zie ook mijn blogs:
Zie ook Albert Einstein over wetenschap en religie
Meer over Christiaan Huygens
Read more..
Christiaan Huygens paste zijn theoretisch interesse voor de optica en zijn praktisch interesse voor het slijpen van lenzen niet alleen toe op telescopen, maar ook op microscopen. De microscoop gaf in de 17e eeuw een belangrijke toegang tot een nieuwe wonderwereld.
Vorig jaar werden in het Museum Boijmans en in het Museum Boerhaave in Leiden mooie foto’s ‘getoond, onder meer van micro-organismen, in de tentoonstelling “Schoonheid in de wetenschap”.

Zijn leven lang heeft Huygens zich samen met zijn broer Constantijn jr. geïnteresseerd voor microscopen; een belangstelling en fascinatie, die zij overnamen van en deelden met hun vader Constantijn. Vader Constantijn Huygens was bevriend met Descartes en studeerde, net als zijn zoon Christiaan, theorie en praktijk van de optica. Huygens onderzocht ook zelf microscopisch kleine plantjes en diertjes, en ontwierp ook een speciale microscoop om de haarvaten in vissestaarten te kunnen bekijken, de zgn. aalkijker.
In zijn Cosmotheoros schrijft Christiaan over de fascinerende wereld onder het microscoop: aderen, bloedkringloop, zaadcellen (“zeer levendig diertjes”): “een zaak, die verwonderlijk is, en van alle eeuwen onbekend was”.
“[…] Voornamentlijk ook [noemen wij] dat wonder gebruik van ’t glas, in de natuur der dingen te doorzien, na de uitvindingen van het Verrekijk- en Vergroot glas [Microscopium].
[...] lk zoude hier nog veel konnen aanlassen wegens de veelvuldige leering en kennisse van de natuur der dingen […] van den omloop des bloeds door slag- en bloedaderen, die voor dezen wel begrepen wierd, maar onlangs door het Vergrootglas zelfs met de oogen begonnen is gezien te werden in de staarteinden van sommige Vissen: gelijk ook van de voortteling der Dieren, waar omtrent bevonden is dat ’er geen geboren worden dan uit zaad van haar’ s gelijken; en dat het zelve ook waar is van de Kruiden: zelfs dat in het mannelijk zaad ontallijke duizenden van zeer levendige diertjes bespeurt worden, welke, naar alle waarschijnelijkheid, de regte afzetzels der Dieren zijn: een zaak, die verwonderlijk is, en van alle eeuwen onbekend was.”
Huygens onderhield contact met de microscopenbouwer en microbioloog Antoni van Leeuwenhoek(1632-1723).
Huygens heeft voor de Académie Royale des Sciences een Franse samenvatting vervaardigd van de eerste brief van Van Leeuwenhoek over micro-organismen (1676) en liet hij ook aan zijn mede-leden van de Académie zaaddiertjes en diverse microorganismen zien met een door hemzelf ontworpen en vervaardigde microscoop.

Volgens de toen populaire theorie van de spontane generatie ontstaat leven uit levenloos materiaal (Huygens noemt het geloof dat muizen uit aarde ontstaan). Van Leeuwenhoek, die zelf zaadcellen onder de microscoop kon waarnemen, verwierp net als Huygens deze theorie.
(Over Huygens en de microscoop zie ook de publicatie van Museum Boerhave)
Christiaan Huygens, evenals zijn vader Constantijn en Huygens’ vriend Leibniz, werden geïnspireerd door de collecties van de natuuronderzoeker Jan Swammerdam, die als eerste systematisch gebruik maakte van de microscoop en 1675 een natuurgeschiedenis van de insecten publiceerde. Voor Swammerdam was de natuur een bijbel, en was het bestuderen van de wonderwerken der natuur godsdienst. Bij hem, net als bij Christiaan Huygens, vindt men de physicotheologische gedachte dat Gods bestaan kan worden afgeleid uit de structuur van de natuur zelf.

Jan Swammerdam, Bijbel der Nature, Oog van en bij
Voltaires sciencefiction Micromégas knoopt aan bij Christiaan Huygens, Jan Swammerdam en Leeuwenhoek die in Voltaires verhaal op verschillende manieren (thema: de wereld onder het microscoop en in het telescoop) impliciet en expliciet genoemd worden.
Zie mijn vertaling von Voltaires Micromégas met kommentaar.
Meer over Christiaan Huygens
Read more..
Maanbewoners of planetenbewoners: Kepler versus Christiaan Huygens
Kijk naar de volle maan vannacht: er lijken er toch echt gebouwen op te staan! (zie ook deze overtuigende blog)
Christiaan Huygens had voor zijn populair-wetenschappelijk verhaal Cosmotheoros (1695, uitgebreid zie hier) intelligente planetenbewoners nodig, als didactisch hulpmiddel, voor de aanschouwelijkheid en voor de perspectivische beschrijving. Huygens beweert dat de planetenbewoners astronomische waarnemingen doen zoals wij, en kan dus het zonnestelsel vanuit hun perspectief beschrijven.

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto: Maria Trepp
Buitenaardse astronoom
Huygens is niet de eerste die het perspectief van buitenaardse wezens gebruikt om een aanschouwelijke wetenschappelijke beschrijving te geven, die het copernicaans systeem ondersteunt en uitlegt. Johannes Kepler, de ontdekker van planetaire beweging, heeft in zijn kleine wetenschapsfictie “Somnium Astronomicum “(1634, postuum, download hier de Duitse Tekst van Keplers Somnium (pdf)), waarnaar Huygens in Cosmotheoros verwijst, wetenschappelijke kennis, mythologie en fantasie gecombineerd. Kepler werd hierbij geïnspireerd door de antieke auteur Lucian, en in het bijzonder door Plutarchus’ “Maangezicht“. Beide teksten, en dan vooral Plutarchus, dienden ook Huygens als klassieke bronnen.
De leer van Copernicus wordt aanschouwelijk en begrijpelijk als men bedenkt hoe het zonnestelsel voor een buitenaardse waarnemer uitziet. Kepler en Huygens hebben met hun visies en met speelse en verbazingwekkende details al geanticipeerd op de huidige ruimtemissies.
Keplers Somnium, gepubliceerd in 1634, maar geschreven in 1609 en handschriftelijk in omloop, is het eerste literaire werk, dat – geïnspireerd door de copernicaanse wetenschap- buitenaardse wezens in de ruimte tot thema maakt, in Keplers geval maanbewoners.
Hoewel Keplers schrift in tegenstelling tot Christiaan Huygens’ Cosmotheoros duidelijk fantastische trekken heeft,
kan men ook belangrijke parallellen tussen de teksten vaststellen. De eerste zin van Kepler, waarmee hij zijn “droom” introduceert is: “Toen in het jaar 1608 de ruzies tussen de broers Keizer Rudolph en aartshertog Matthias hun hoogtepunt bereikten, [...]“
De context van oorlog en ellende verbindt Kepler en Huygens, net als de kritiek op de samenleving en de afkeer van gewapende conflicten. Huygens is altijd een optimist, die zich bijna waant in een Leibnizianische “beste van alle werelden“, en hij kan in alle euvel nog wel iets goeds vinden. Het optimisme laat hem echter bij de gedachte aan het buskruit in de steek:
Wy hebben ook het Buskruid, een stoffe, met zwavel en salpeter gemengd, en wy kennen daar van ’t verscheiden gebruik ’t welk men met regt mag twijfelen of het meer goed dan quad doet. Want door derzelver wondere kragt, en door de konstrijke wetenschap van de Vestingbouwkonst der steden, scheen men een wisser toeverlaat, dan oulinks bekend was, tegen viandlijke aanvallen gevonden te hebben: maar teffens zien wy, dat ook het geweld der vianden is aangegroeit, en dat de Dapperheid en kragt in ’t strijden nu minder in achting komt, dan voorhenen [….] zoo dat men daarom alleen mag zeggen, dat de menschen de uitvinding van het Buskruid liever mogten ontbeert hebben.”
Buskruit en bommen schieten bijna Huygens’ niet aflatend optimisme kapot: een echte uitdaging. Voor Huygens net als voor Kepler geeft het buitenaards perspectief de gelegenheid om de aardse conflicten te relativeren, en biedt dit perspectief een kans om de zinloosheid van de oorlog aan de kaak te stellen. Huygens:
„Hier uit kan men verstaan hoe groot de ruimtens van die ronde lichamen zijn, en hoe klein, ten haren opzigte, het Klootje der Aarde is, waar in wy menschen zoo veel voor hebben, zoo veel t’ scheep varen, en zoo vele oorlogen voeren. ’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen.”
Kepler beschrijft de maan als het land “Levania”. Hij maakt een onderscheid tussen de maanbewoners die aan degene kant van de maan wonen, die de naar de aarde wijst, en de bewoners die op de andere zijde wonen, die afgekeerd is van de aarde, en die dus de aarde nooit zien. De eerste noemt hij “Subvolvaner,” de laatste “Privolvaner”. “Volva” is bij Kepler de aarde die zich om de eigen as draait voor de ogen van de bewoners van de maan, van Latijns volvere (draaien): in tegenstelling tot de maan draait de aarde “pirouettes” om haar eigen as.
De passage van Huygens in de Cosmotheoros over de eventuele maanbewoners en hun kijk op de aarde is zeer vergelijkbaar met degene van Kepler, maar Huygens is sceptisch over de existentie van maanbewoners; hij vindt maanbewoners veel onwaarschijnlijker dan planetenbewoners, omdat hij, anders dan Kepler, ervan overtuigt is dat op de maan geen water is. Ook gelooft Huygens in tegenstelling tot Kepler niet in gebouwen op de maan:
“Kepler nam uit die rondheid der dalen een bewijs, dat dit overgroote gebouwen waren van de Maanlingen, die met Reden werken: dog dat is teenemaal ongeloofelijk, eensdeels om de al te groote grootheid van die gevaartens, ten anderen, om dat dergelijke ronde holtens uit natuurlijke oorzaken konnen gemaakt werden. Maar ik vind ’er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [Starrekenners] het tegendeel gevoelen.”
Maar in de volgende passage – waar Huygens beschrijft dat de aarde vanuit de maan gezien altijd op dezelfde plek “hangt” – volgt Huygens Keplers beschrijving:
“De Maan-kloot is by henluiden in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien, zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voorkomt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder [=horizont] afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen [=polen] ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven.”

De Aarde vanuit de maan
In maanbewoners en hun gebouwen wil Huygens niet echt geloven, maar dat zit anders met planetenbewoners en hun gebouwen. Volgens Huygens hebben de planetenbewoners mogelijk nog veel mooiere gebouwen dan wij. We mogen niet denken, dat de “dwaalsterrelingen” alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen: “Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?”

In de Cosmotheoros verwijst Huygens meerdere malen naar Kepler. Niet alleen naar Keplers vertelling “Somnium“, maar ook – uiteraard- naar de belangrijke wetten van Kepler,
“[,,,] de zonderlinge waarneming van Kepler, hoe dat de afstandigheden der Dwaalstarren (onder die des Aardrijks) van de Zon met de tijden der Omloopen van my gemeld, in een zekere evenredigheid overeenkomen, welke evenredigheid men daarna bevonden heeft, dat ook de Trawanten van Jupiter en Saturnus ten haren opzigte behouden.”
Maar Huygens uit zich ook zeer kritisch en uitvoerig over Keplers voorstelling van het universum en de vaste sterren. Hij protesteert tegen de mening van Kepler, dat “de zon iets speciaals zou zijn in verhouding tot alle andere sterren”. Kepler verdedigde nog steeds de bijzondere positie van de mens, van de aarde en van de zon in het universum; hij neemt dus nog niet het radicaal gedecentraliseerde standpunt van Huygens in
Een andere versie van deze tekst staat ook op mijn Duitse blog over Huygens
Read more..
Vanavond gaat het op Labyrint radio over buitenaardse wezens en hoe met hen te communiceren.
In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) stelt Christiaan Huygens dat de planeten bewoond zijn.
Net als veel van zijn tijdgenoten was Huygens overtuigd van het bestaan van buitenaardse wezens, zelfs op de andere planeten van ons zonnestelsel. Volgens hem gaat het hierbij om vernuftige wezens, die in alles, van lichaamsbouw tot zinnesorganen, sociale organisatie, wetenschappelijke en artistieke vermogens vergelijkbaar zijn met mensen:
“Ik zie, dat byna niemand der gener, die maar ter loops hier over hunne bedenking nemen, in twijfel getrokken heeft, of men in de Dwaalstarren eenige aanschouwers mag stellen; juist niet menschen, gelijk wy zijn, maar nogtans dieren, die reden gebruiken.[…] “
Het gene my derhalven meest beweegt te gelooven, dat in de Dwaalstarren geen redelijke dieren ontbreken, is dit, dat de voortreffelijkheid en heerlijkheid van onze Aarde al te groot boven andere zou zijn, indien zy alleen van dat Dier voorzien was, ’t welk zoo verre alle dieren, ik zwijge de aardgewassen. te boven gaat, dat Dier; ’t welk in zig iets goddelijks heeft, waar door het weet, verstaat, en ontallijke dingen geheugt; dat Dier; het welk bequaam is om de waarheid te overwegen, en te oordeelen; eindelijk om wiens wille alles wat de Aarde voortbrengt, schijnt toebereid.”
Huygens denkt ook na over verschillen tussen de planetenbewoners: zullen degene die dichter bij de zon wonen slimmer zijn dan anderen? (uitvoerig zie hier).
Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros” (hier de tekst online) lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.
In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp
(zie hier meer over de ironie in “Cosmotheoros”)
Met de hulp van analogie-”bewijzen” kan Huygens aantonen, dat de buitenaardse wezens astronomie en wiskunde bedrijven en ook musiceren en zich bezig houden met details van de muziektheorie, in mooie huizen wonen en zich ook moreel op ons niveau bevinden.

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp
Later hebben Lessing en Immanuel Kant weer leuke parodieën op Huygens en zijn buitenaardsen en zijn analogie-“bewijzen” geschreven; wie hier meer over wil weten kan het nalezen in mijn Duitse tekst over Huygens.
Brandpunt had een paar maanden geleden een item over het SETI-institituut ( “Search for Extraterrestrial Intelligence”) in California en de zoektocht naar buitenaards leven.
Kosmoloog Paul Davies, een medewerker van het SETI heeft een boekje geschreven over de vergeefse speurtocht van het SETI-institituut:
The eerie silence/ Are we alone in the universe? (2010)
Davies bekritiseert het SETI vanwege de antropocentrische en naïeve werkwijze van het instituut. Hij beargumenteert dat buitenaards leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet kunnen voorstellen.
Maar omdat wij nog helemaal niet weten hoe leven ontstaat en ook niet hoe waarschijnlijk het is dat het leven überhaupt ontstaat kunnen we helemaal niets zeggen over de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.
In het hoofdstuk A brief history of aliens komt ook Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros langs.
Een filosofisch en artistiek interessante en uitermate hilarische vraag – die blijkbaar ook vanavond in het Labyrintradio zal worden aangeraakt- is : wat zouden wij aardbewoners willen mededelen aan de eventueel gevonden extraterrestrials, en in welke taal, op welke wijze?
Bijvoorbeeld zo: Pioneer Gouden Plaat ?
Davies is van mening dat de beste taal voor communicatie met aliens de wiskunde zou zijn.
Wiskunde als de taal van het universum. Ook Galilei en Huygens waren al ervan overtuigd, dat het universum geschreven is in de taal van de wiskunde. De wiskunde was voor Huygens en voor zijn vriend Leibniz al belangrijker dan God, omdat God volgens hen niet zonder de wiskunde kon.
Over buitenaardse wezens, Christiaan Huygens, Leibniz enz. zie ook Voltaires filosofische vertelling Micromégas
Read more..
Volle maan: het oranje maangezicht
Christiaan Huygens schrijft in zijn tekst “Cosmotheoros” veel over de maan, en hij verwijst instemmend naar de schrift van Plutarchus over het maangezicht “De facie in orbe Lunae”.

maangezicht Plutarchus
Oranje volle maan boven Leiden 18-4-2011

Plutarchus maangezicht/Mondgesicht Christiaan Huygens Cosmotheoros
Het maangezicht – zie je het?
Plutarchus zelf verwijst wederom naar andere denkers, die voor hem die over de maan hadden gefilosofeerd, en hij komt met een mooi gedicht, toegeschreven aan Hegesianax. Ik citeer het hier in het Engels (vertalen van poëzie is een vak dat ik helaas niet beheers):
“With fire she shines all round, but in the midst
More blue than black appears a maiden’s face
And moisten’d cheeks, that blush to meet the gaze.”
In het Duits klinkt het zo:
“Herrlich glänzt der Mond
Von feurigen Strahlen um geben
Aber ein Frauenaug erscheint in der Mitte der Scheibe
Blauer als Saphir, und eine Stirn, mit lieblicher Röte
Prangend….“
En laten we het even in het Nederlands proberen:
“Prachtig straalt de maan.
Omgeven door vurige stralen
kijkt een gezicht met blauwe ogen
en blozende wangen
ons aan.”
Plutarchus bespreekt uitvoerig de oppervlakte van de maan, die ons als menselijk gelaat kan voor komen. Overigens is het erg mooi in het Engels, dat het woord voor oppervlakte [van de maan] en het woord voor“gezicht” samenhangt als surface/face.
Zie ook mijn blog over de vrouw in de maan, en Shakespeare’s Midzomernachtsdroom
www.passagenproject.com
www.passagenproject.com
De planeet Mercurius wordt het komende jaar minutieus doorgelicht en opgemeten door de ruimtesonde Messenger.

Mercurius
In de 17e eeuw waren veel onderzoekers en filosofen van mening dat op de planeten intelligent leven existeert.
Christiaan Huygens neemt in zijn “Cosmotheoros“, zijn laatste tekst (1698), planeet voor planeet onder de loep en denkt na of en hoe intelligent leven op zo’n planeet eruit ziet.
Huygens ergert zich zeer aan de jezuiet Athanasius Kircher die de karakter van planeten schetst met de astrologisch-mythologische kennis in zijn hoofd:
“In Merkurius vond hy [Athanasius Kircher] ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden.”
Huygens daarentegen gebruikt zijn astronomische kennis om tot gissingen over de aard van de Mercuriusbewoners te komen.
Op Mercurius moet het erg heet zijn, schrijft Huygens, omdat deze zich zo dicht bij de zon bevindt. Maar hij sluit niet uit de wezens op Mercurius aan die hitte zijn aangepast, en dus over ons op Aarde een beetje zo denken als wij over de Saturnus -bewoners: hoe koud en donker moet het daaaar voor hen niet zijn!
Huygens:
“…wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [de zon] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middellijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen?”

Dus zijn de Mercuriusbewoners soms slimmer dan de Saturnusbewoners? Nee, dat wil Huygens niet geloven:
“Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert.”
Immanuel Kant heeft een tekst over het Heelal geschreven (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels) , waar hij bewonderend op Huygens ingaat. Een satirisch aanhangsel bij deze tekst “Von den Bewohnern der Gestirne“ wordt door veel mensen serieus genomen, maar ik lees deze tekst als parodie op Huygens.
Kant draait hier Huygens’ argumentatie [=de afstand van de zon maakt voor de intelligentie niets uit] parodistisch om: hoe verder weg van de zon, hoe intelligenter de planetenbewoners. Kant komt tot de satirische conclusie, dat voor de domme Mercurianer een hottentot al een genie zoals Newon zou zijn, en de Saturnusbewoners Newton als een domme aap zouden beschouwen…
Buitenaards cultuurrelativisme. Met de impliciete verachting voor de Afrikanen bij Huygens en Kant moeten we maar leven.
Uitvoeriger over Kants Huygens-parodie: klik hier voor mijn Duitse tekst
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
Christiaan Huygens schrijft in zijn laatste filosofische tekst “Cosmotheoros” veel over ons zonnestelsel, maar ook over onze aarde, de mens en de variatie van soorten van dieren en planten op aarde.
Huygens bestudeerde de hemel met zelfgemaakte telescopen en bestudeerde aardse details met zelfgemaakt microscopen, waar hij met grote verwondering de juist door anderen gemaakte ontdekking (Antonie van Leeuwenhoek) van zaadcellen en bacteriën kon na voltrekken.
Huygens dacht ook veel na over voortplanting.
Hij brengt daarbij een legende ter sprake waar ik nog nooit van had gehoord: boomganzen. Het blijkt dat tijdens de gehele middeleeuwen een discussie gaande was over een boom aan welke mosselen groeiden, waaruit dan eenden werden geboren
Er zou dus een overgang plaats vinden tussen de categorieën plant en dier.
Adriaen Coenen vertelt in het 16e eeuwse Visboeck van over zogenaamde boomganzen die uit mosselen afkomstig zouden zijn.

Christiaan Huygens gelooft er niet in dat dieren uit bomen kunnen ontstaan.
Van Fulps Valstar (zie commentaar hieronder) komt nog de tip dat ook Jacob van Maerlant over boomganzen heeft geschreven, zie link.
Hier de illustraties van Van Maerlant:


Huygens keert zich scherp tegen de argumenten van de zogenaamde “ Spontane generatie “, een school van denken die al is sinds Aristoteles herhaalt, dat levende wezens spontaan kunnen ontstaan uit levenloze materie.
Huygens verwerpt in Cosmotheoros niet alleen de boomganzen maar ook de populaire legende van spontane generatie van muizen en reptielen uit Nijlmodder:
“[…] By aldien men nu in de dieren andere geboortewegen wilde gaan verzinnen, gelijk als uit boomen, uit welker zeker soort men langen tijd gelooft heeft, dat in Brittanje Endvogels geboren werden; straks blijkt hoe verre dit afwijkt van de Reden, wegens het bijster groot onderscheid, dat tussen vlees en hout is. Of zoo wij wanen dat er dieren uit slijk voortkomen, gelijk vele van de Muizen in Egypten vertelt hebben, wie dog, die een weinig kennisse van de Natuur heeft, ziet niet, dat dit geheel buiten en tegen hare wetten is?[…] “
Nog bij Shakespeare en bij Huygens’ tijdgenoot Izaak Walton vindt men de gedachte, dat uit de modder in Egypte onder de werking van de zon reptielen voortkomen.
Shakespeare, Antonius en Cleopatra, 2,7 :
Lep. Your Serpent of Egypt, is bred now of your mud
by the operation of your Sun: so is your Crocodile.”
Deze tekst staat ook op mijn Duitse blog
Maria Trepp
.
“Wetenschap en schoonheid” is een actueel thema (zie de tentoonstelling in het Museum Boijmans).
Het waarnemen en beschrijven van schoonheid is een hoofdelement in Christiaan Huygens’ laatste tekst, “Cosmotheoros” (1698, zie hier voor een uitvoerige inleiding en samenstelling van eerdere blogs).
“Cosmotheoros” is een lange brief van Christiaan Huygens aan zijn oudere broer Constantijn jr., Christiaans vriend, vertrouwde en naaste medewerker. In het begin van deze openbare brief geeft Huygens zijn motivatie om te schrijven. Hij haalt hierbij de astronoom Archytas aan, die had gezegd:
“By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen”.
Dus Huygens wil in zijn laatste tekst vooral vertellen over al de schoonheid die hij had waargenomen.
Hij beschrijft de schoonheid en de versieringen (planten, beesten) op Aarde, en het vermogen van de mens om schoonheid te genieten: “[De mens] bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; [hj] eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; [..] schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen.”

schoonheid Foto Maria Trepp
Tegelijk komt Huygens er altijd op terug: deze schoonheid kan niet alleen voorbehouden zijn aan onze Aarde, deze schoonheid zal zeker op de andere planeten en in andere sterrenstelsels ook te vinden zijn:
“Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde?”
En schoonheid alleen op de planeten is niet genoeg, Huygens is er van overtuigd dat er ook bewoners moeten zijn die de schoonheid kunnen waarnemen:
“[…] dat in die gewesten [=op de planeten] aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen”.

Alien astronoom foto: Maria Trepp
En om schoonheid waar te kunnen nemen moet men kunnen zien (al schrijft Huygens later ook uitvorig over de schoonheid van muziek). Het vermogen om te zien is voor Huygens van hoogste waarde; bij de mensen, en bij de “planetenbewoners”, die naar zijn mening dus ook zeker ogen moeten hebben:
‘”En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.”
De ware schoonheid wordt naar Huygens niet door de naïeve beschouwer waargenomen, maar door de wetenschapper:
“Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnigere denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten?”
Het criterium van schoonheid past hij toe als hij nadenkt over het voorkomen van water op andere planeten: het zou vanwege de schoonheid doorzichtig moeten zijn:
“Ik zegge nogtans niet dat dat Water [op de planeten] het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is.”
Toch vindt hij dat men schoonheid niet met conventie moet verwarren. Als de planetenbewoners anders uitzien dan wij, dan mogen wij hun niet om esthetische redenen kleineren:
“Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt, die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.”
We mogen ook niet denken, dat de “dwaalsterrelingen”, de planetenbewoners, alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen:
“Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?”

foto: Maria Trepp
Ergerlijk vindt Huygens het, als men, zoals de jezuïet-astroloog Athanasius Kircher, alleen de planeet Venus schoonheid toe wil schrijven, en Huygens’ lievelingsplaneet Saturnus als vies en lelijk neerzet. Nee, juist de grote planeten Saturnus en Jupiter met vele manen en Saturnus met zijn ring- die zijn pas mooi!

En Huygens besluit zijn laatste tekst “Cosmotheoros” met het beschrijven van andere sterrenstelsels:
“Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.”
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
Christiaan Huygens schreef zijn laatste tekst “Cosmotheoros” in het landgoed dat zijn vader Constantijn had gebouwd: Hofwijck, nu een charmant museum (zie ook hier)

Tekening Christiaan Huygens


De barokke tuin met strakke lijnen en “buitenkamers” van beukenheggen.

De bibliotheek

De keuken
Meer over Christiaan Huygens
Vandaag 5-2-1011 schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”
Hij schrijft:
“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”
Zijn ironie is prachtig en doet mij denken aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.
Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.
Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros” lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

Alien astronoom na Christiaan Huygens. Foto: Maria Trepp
In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.
Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.

Alien foto Maria Trepp
Alien ontbijt
Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“
Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef – hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.

Alien music Foto Maria Trepp
Zie ook:
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com

Descartes Discours de la Methode
Christiaan Huygens is Cartesiaan, ten minste, hij wandelt in de voetstappen van Descartes, met een “Mechanisering van het wereldbeeld”. Veel van Huygens’ onderzoeken en gedachten borduurt verder op de schriften van Descartes. In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) schrijft Huygens uitgebreid en kritisch over Descartes. Huygens was bevriend met de Duitse anti-cartesiaan Leibniz, en de gedachten van Huygens in de “Cosmotheoros” liggen zeer dicht in de buurt van Leibniz.
Woedend keert zich Huygens tegen de rationalistische visie van Descartes, uitgewerkt in de Discours de la Methode, dat dieren zielloze “automaten” zijn:

Descartes Discours de la Methode Dieren hebben geen ziel
“[…] zekere nieuwe Wijsgeren [Te weten de Kartezianen], die alle andere Dieren, behalven den Mensch, alle gevoel ontnemen, der mate, dat zy die voor enkele van-zelfs-bewegende konststukken [Automata], of goochelpoppen [Neurospasta] willen gerekent hebben; welker ongerymde en harde meining ik verwondere dat van iemand kan aangenomen werden; voornamentlijk daar de Beesten zelve met haar stem, en met slagen te ontwyken, en alzins, het tegendeel toonen. Ja ik twijfele naauwlijks, of de Vogels voelen dat dat wonderlijk en aardig vliegen door de Lucht haar vermaakt; t welk zy nog meer zouden voelen, indien zy verstonden, hoe verre onze loome en lage gang voor haar snelheid en hooge vlugt moet wyken.”
Maar Huygens gaat nog veel verder dan de meeste verdediger van de dieren. Hij wil de dieren zelfs boven degene mensen plaatsen, die een geroutineerd leven leiden:
“Mijns erachtens, voor zoo verre de menschen alleen bezig zijn, om hun zelven van noodige zaken te verzorgen; namentlijk dat zy tegen de ongemakken van de Lucht beveiligde woningen hebben; dat zy in vestingen besloten tegen hunne vianden wagt houden; dat zy hunne kinderen op voeden; en voor die, en voor hun zelven, de kost winnen; in dit alles schijnt het gebruik der Reden niets groots te hebben, waarom wy ons boven de redenlooze dieren zouden stellen: want zy doen de meeste van die dingen met meer gemak, en eenvoudigheid, dan wy; en sommige hebben zy niet van nooden. Wat anders dog maakt de bevatting [Sensus] van Deugd, en Regtvaardigheid, om welke wy terstond zeiden dat het menschelijk verstand [Mens] uitmuntte, desgelijks van Vriendschap, Dankbaarheid, en Eerlijkheid; dan dat daar door de gebreken der menschen worden tegengegaan, of het leven gerust en vry gemaakt word van t ongelijk dat men elkanderen aandoet? t welke onder de Beesten van zelfs, en door de leiding van de Natuur, geschied. By aldien wy nu ons voor oogen stellen de veelvuldige bekommeringen, t hartzeer, de begeerlijkheid, en vreeze des doods, welke altemaal onze Reden vergezelschappen; en indien wy die met het gemakkelijk, stil, en onnoozel, leven der Beesten vergelijken: zoo schynen de meeste derzelver, en voornamentlijk uit het geslagt der Vogelen, vermakelijker te leven, en een beter lot te genieten, dan de Menschen. Want wat de lijffelijke wellusten aangaat, de Beesten worden zonder twijfel daar door zoo wel bekoort als wy”
Met andere woorden: de mens die alleen voor het noodzakelijke leeft, voor het alledaagse, heeft tegenover beesten een minderwaardige positie.
Ik kan Huygens geen ongelijk geven!

Hond en kat foto: Maria Trepp
Voltaire keert zich, in navolging van Christiaan Huygens, satirisch tegen Descartes’ gedachte dat dieren geen ziel hebben, In Voltaires sciencefiction Micromégas komen buitenaardse reuzen naar de aarde en zien de mensen als insecten. De buitenaardse reuzen denken in eerste instantie, dat deze mensen-insecten vast geen ziel zullen hebben!
Zie mijn vertaling van Micromégas , waar zowel Huygens alsook Descartes figureren naast twee reuzen-aliens….
Meer over Christiaan Huygens zie hier
maria trepp
In zijn “Cosmotheoros” (1698) keert zich Christiaan Huygens scherp tegen de astrologie. Dit verbaasde mij omdat ik dacht dat astrologie en astronomie in de 17e eeuw nog goed samen gingen.

astrologie en astronomie in de 17e eeuw
Bij mijn speurtocht naar historische kritiek op de astrologie vond ik veel interessant materiaal. Niet alleen natuurkundigen zoals Descartes en Huygens keerden zich tegen de astrologische volksverlakkerij. Ik vond ook dat een aantal Lutherse dominees al in het begin van de 17e eeuw fel ten strijde was getrokken tegen de dwaalleer van de astrologie (voorbeeld: Henning Friedrich, Gründliche Widerlegung der Abergläubischen Astrologorum, 1624).

De indruk dat astronomie en astrologie nog goed samen gingen in de 17e eeuw ontstaat vooral door Kepler en door Newton. Maar Kepler had een beperkend-kritische visie op astrologie, en Newton was weliswaar theoloog en alchimist, maar keerde zich toch tegen de astrologie.
Wikipedia: “It is a commonly held belief among astrologers that Isaac Newton had an interest in astrology. However, Newton’s writings fail to mention the subject and the handful of books in his possession that contained references to astrology were primarily concerned with other subjects such as the writings of Hermes Trismegistus (and mentioned astrology only in passing). In an interview with John Conduitt, Newton said that as a young student, he had read a book on astrology, and was “soon convinced of the vanity & emptiness of the pretended science of Judicial astrology”.
Huygens schrijft in de Cosmotheoros:
“[…]de Starrekragtkunde [=Astrologie] om daar uit aanstaande dingen te voorspellen, welke geen wetenschap, maar een zekere ellendige dweepery is, achte ik niet noemenswaardig […]

Athanasius Kircher “Ekstatische reis”
Boos gaat Huygens tekeer tegen de jezuïet Athanasius Kircher, die astrologie en astronomie vermengt in zijn boek “Ekstatische reis‘ (titelblad zie hierboven):
“Van daar vervalt hy [Athanasius Kircher] tot nog andere grooter ongerijmdheden. Want om dat hy zelfs van de Dwaalstarren, in ons Stelsel begrepen, geen ander gebruik weet, keert hy zig tot overlang uitgestampte beuzelingen van de starrekijkers [=Astrologen] , en wil dat zoo vele en zoo groote gevaartens van lichamen ten dien einde gemaakt zijn op dat door haren Verscheiden, en door zekere wetten geregelden, invloed het Heelal behouden werde, en duurzaam blijve; en op dat dezelve invloejingen daarenboven ook op de gemoederen der menschen hare kragten zouden oeffenen. Hy [Athanasius] vertelt dan, ten welgevalle van de Voorzeggingkunst uit de Starren [=Astrologie], dat in de Dwaalstarre Venus hem een geneugelijke en schoone gedaante der dingen voorquam, met een liefelijk ligt, zoetstroomend Water, zeer aangename reuk, en van alle kanten schitterend kristal, In Jupiter een gezonde en zoetriekende Lucht, zeer helder Water, en zilverglanssige Aarde: namentlijk op dat van den invloed dezer twee Starren alle voorspoedige en heilzame dingen op de Aarde en de Menschen zouden afzakken; zulks dat ze die of mooy, en minnelijk, of tot voorzigtigheid, en deftigheid genegen, zouden maken. In Merkurius vond hy ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden. Maar in Mars vertelt hy alles vuil, verderfelijk, stinkend; vlammen, en rook van pik, gezien te hebben. In Saturnus niets als droevige, afschuwelijke, leelijke, en donkere dingen [...] “
Dit vond Huygens het allerergste, dat zijn geliefde schitterend mooie Saturnus onder de astrologen in zo’n kwaad aanzien stond.

Rubens Saturnus vreet zijn kinderen
De mythologische Saturnus vreet zijn kinderen, dus staat Saturnus in de astrologie voor melancholie en ziekte.
Dat vindt Saturnus-onderzoeker en Saturnus-fan Huygens maar nix.
Hier links Saturnus van Rubens.
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
In de teksten over buitenaardse wezens vindt men bijna altijd ironie, vaak onvrijwillige ironie. Descartes bijvoorbeeld moest zich uitspreken, gedwongen door de vrome Zweedse koningin Christina, over de vraag of Jezus ook voor eventuele aliens is gestorven. Hij vond van wel, al vond hij het veiliger om zich niet echt vast te leggen.
Kort geleden heeft blijkbaar de door velen zo ongeveer heilig verklaarde Stephen Hawking gezegd dat de buitenaardsen ons wellicht vijandig gezind zijn, en wij ons dus beter maar niet konden melden bij hun. Shit, nu hebben we mensen tientallen jaren lang signalen uitgezonden, en dan komen de buitenaardsen ons voor dank maar vernietigen!
Christiaan Huygens schrijft in zijn Cosmotheoros (1698) uitvoerig over buitenaardse wezens. Hij is van hun existentie overtuigd. Daarom wordt Huygens weleens irrationale en onwetenschappelijke speculatie verweten.
Ik denk dat Huygens ten dele zeer bewust ironisch was in de dingen die hij over de planetenbewoners schrijft. Zeker geloofde hij in intelligent leven buiten de aarde. Maar hij gaat extreem ver door in detail, en schrijft de planetenbewoners juist alles toe wat hij zélf deed en kon, zoals telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziektheorie bedrijven.

Alien astronoom volgens Christiaan Huygens’ Cosmotheoros, foto: Maria Trepp
Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken.
Huygens stelt zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of een haast goddelijk wezen moeten zijn, die zijn gelijke in het gehele universum niet kent. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan ook aan de andere “Planetenbewoners” toe, met komisch-ironisch resultaat.
zie ook:
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Meer over Christiaan Huygens
Op ons gedeelte van de aarde is de winter begonnen. In zijn Cosmotheoros (1698) beschrijft Christiaan Huygens hoe de jaargetijden op de aarde tot stand komen, en hij schrijft ook over de seizoenen op andere planeten. Omdat hij daar bewoners veronderstelt, wordt het geheel zeer aanschouwelijk: God hoe koud moeten zij het daar op Saturnus niet hebben in HUN winter!!
Eerst over de jaargetijden op aarde. Huygens legt uit:
De Aarde beweegt rond de Zon op een baanvlak dat ecliptica wordt genoemd. De as van de Aarde staat scheef op dit vlak (met een hellingshoek tussen equator en omloopvlak van 23,45°).
De gekantelde as blijft in een evenwijdige stand, terwijl de Aarde zich om de zon beweegt.


Licht van de zon op de aarde in de seizoenen
Huygens bespreekt ook de seizoenen op de andere planeten.
Eerst Merkurius. Deze planeet staat dicht bij de zon en is erg moeilijk te observeren. Huygens wist niet of er jaargetijden op Merkurius waren, dus of de as van Merkurius scheef staat- maar naar wat we nu weten heeft Merkurius geen ashelling en geen seizoenen. Over de jaargetijden van Venus zegt Huygens niets. We weten nu dat deze ook bijna geen ashelling heeft. Op Mars is er volgens Huygens geen verschil tussen winter en zomer omdat Mars volgens Huygens niet “scheef” staat- maar dit klopt niet, Mars is ongeveer net zo gekanteld als de Aarde. Maar wél klopt het wat Huygens over Jupiter schrijft: deze planeet heeft volgens hem geen jaargetijden, en inderdaad, Jupiter heeft bijna geen askanteling; de rotatie-as staat bijna loodrecht op het omloopvlak.
En Saturnus dan, Huygens’ lievelingsplaneet:
Daar zijn de verschillen tussen zomer en winter nog groter dan op de Aarde, omdat de as van Saturnus sterker gekanteld is dan die van de Aarde. Huygens, die overtuigd is van de existentie van “Saturnusborgers” maakt zich toch een beetje zorgen of de polen van Saturnus wel bewoonbaar kunnen zijn…

Winter in op aarde in Leiden
Meer over Christiaan Huygens
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros

partiële maansverduistering in Leiden december 2011 eclipse foto: Maria Trepp

Zonsverduistering solar eclipse Sonnenfinsternis_4_Jan_2011,Duitsland

Zonsverduistering solar eclipse Sonnenfinsternis_04_01_2011 Duitsland
Bij een totale en maansverduistering bevindt de maan zich in de schaduw van de aarde, de aarde staat dus tussen zon en maan.

Maansverduistering 2004
Op 4 januari 2011 vond een gedeeltelijke zonsverduistering plaats, hier een plaatje uit Leiden:

4 januari 2011 gedeeltelijke zonsverduistering Leiden foto Maria Trepp
In Christiaan Huygens’ Cosmotheoros wordt op de grote betekenis van de maans- en zonsverduisteringen voor de geschiedenis van de astronomie gewezen: deze verschijningen zetten de mensen aan het denken.
De Oude Grieken concludeerden bijvoorbeeld dat de aarde een bol was omdat tijdens maansverduisteringen de rand van de schaduw altijd rond was.
Huygens had zich bij het schrijven van zijn wetenschapsfictie “Cosmotheoros” georiënteerd aan een wetenschappelijk-fantastisch verhaal van Johannes Kepler , “Somnium”. Ondanks veel verschillen tussen Cosmotheoros en Somnium zijn heel wat overlappingen te vinden. Beide verhalen “verkopen” het Copernicaanse systeem aan een breed publiek, met wetenschappelijke én imaginaire middelen. Beide boekjes gebruiken een sterk pedagogische kneep om het zonnesysteem aanschouwelijk te maken: zij plaatsen bewoners op planeten of maanden en beschrijven in detail wat men vanuit een andere planeet, of vanuit onze maan kan waarnemen.
Zowel Kepler alsook Huygens beschrijven hoe de aarde (bij Kepler “Volva” genoemd) vanuit de maan uitziet. Maar Kepler neemt aan, dat op de maan water vloeit, en er ook fantastische levende wezens rondspoken. Huygens gelooft niet in water op de maan en is sceptisch tegenover de gedachte van maanbewoners.
Kepler schrijft daarom uitvoeriger over het perspectief “de aarde gezien vanuit de maan” dan Huygens, en hij neemt, anders dan Huygens, ook ruimte voor een schildering van hetgeen de maanbewoners bij een maansverduistering zien: een partiële zonsverduistering.
Hier de passage uit Huygens’ “Cosmotheoros” van 1698 over wat men vanuit de maan van de aarde ziet. Huygens begint uit te leggen dat de bewoners aan de “achterkant” van de maan de aarde nooit zien, aan de “voorkant”deze altijd zien. Net als Kepler beschrijft hij ook dat de maanlingen de aarde in schijngestalten zien, en dat de aarde voor hun ogen rond draait, waarbij zij meer van de aarde kunnen zien dan mensen zelf konden zien ten tijde van Huygens.

Aarde vanuit de maan gezien
“De Maan-kloot is by henluiden [=eventuele maanbewoners, M.T.] in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien, zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voor komt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder [horizon] afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven. Daarenboven zien zy haar ook in ligt aangroeijende, en in den maandelijken omloop verminderd; en aldus by beurten vol, half, en tot hoornen verkleind, met dezelve verandering van gedaantens, die de Maan-kloot aan ons vertoont.”

Halve aarde, zie tekst
“Maar het ligt, dat de Maanlingen van onze Aarde krygen, is vyftienmaal grooter als dat wy van haar ontfangen; zulks dat zy in het beste Halfrond, na ons toegekeerd, uitstekende heldere nagten hebben: nogtans kan die helderheid hen geen warmte geven, schoon Kepler van andere gedagten was. De Zon gaat by hen op, en onder, yder van onze maanden eens, en dus hebben zy dagen en nagten vyftienmaal langer als wy, en met elkanderen eenparig in een geduurige nagtevening: door welke lange dagen, nademaal de Zon van henluiden niet verder af is als van ons, noodzakelijk moet volgen, dat die gene, by welke de Zon nog boven den Gezigteinder klimt, door een ongemakkelijke hitte gebraden werden, indien hunne lichamen zoo gevoelig als de onze zijn. By die genen nu, die omtrent de gezeide samengrenzingen van de Halfronden wonen, klimt de Zon wel meest; maar die daar verre van af zijn, en omtrent landstreken wonen, welke onder de Aspunten van de Maan leggen, zullen om die lange dagen niet meer warmte voelen, als de menschen, die in de Zomer by Ysland of Nova Zembla Walvissen vangen…”
zie ook
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
maria trepp
NASA heeft deze week een nieuwe nauwkeurige maankaart gepresenteerd.
Een mooie gelegenheid om ook eens met de ogen van de 17e eeuw, dus uit het perspectief van de tijd van de eerste telescopen, naar onze maan te kijken.
De eerste mens die de maan een beetje meer in detail kon zien en de maan mooi gedetailleerd heeft getekend was Galilei (zie hieronder links)

zie mijn blog hierover De sterrenbode: Galilei en de telescoop.
In 1647 publiceerde de Duits-Poolse astronoom en burgemeester van Danzig/ Gdansk Johannes Hevelius (een belangrijke briefpartner van Christiaan Huygens), een atlas van de maan: Selenographia sive Lunae descriptio.

Hevelius, Selenographia
Dit werk bevat 133 zeer nauwkeurige kopergravures met kaarten van de maan en van de gebruikte astronomische instrumenten.

Johannes Hevelius en zijn vrouw Elisabeth Koopmann (genoemd “de moeder van de maankaarten”) aan het observeren. Ik kom terug met een blog over haar, de eerste vrouwelijke astronoom.
Christiaan Huygens schrijft uitvoerig in zijn beroemde laatste tekst “Cosmotheoros” uit 1698 [waarvan ik nu een Duitse geannoteerde versie met inleiding maak] over de landschappen op de maan. Hij wijst de gedachte aan water op de maan af; hij schrijft dat de zogenoemde maanzeeën (=Maria ! hehehe! meervoud van mare) geen water bevatten, en hij beschrijft nauwkeurig de gaten van meteoritinslagen (zonder deze zo te benoemen natuurlijk).
Volgens Wikipedia zijn de maria eigenlijk grote vulkanische vlakten opgebouwd uit basalt.
Ook geeft Huygens aan, dat de maan geen atmosfeer heeft (dit in tegenstelling tot de van hem ontdekte Saturnusmaan Titan, maar dat kon Huygens toen nog niet weten).
[Uit Cosmotheoros, Nederlandse vertaling van Pieter Rabus op de site van de Universiteit Utrecht]
“Dit blijkt in onze Maan (zelfs met kleine Kijkers, drie of vier voeten lang) dat haar oppervlakte in vele gebergten, en wederom met zeer breede vlakke dalen verdeeld is. Want men ziet er de schaduwen der bergen aan die zyde, die zy tegen over de Zon hebben; en dikwils word men daar in zekere kleine dalen gewaar, die in bergtoppen, welke byna kringswijze staan, besloten zijn: daar dan weder een of meer bergjes in t midden uitsteken. […] ik vind er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [astronomen] het tegendeel gevoelen. Want in de groote vlakke landstreken, die veel duisterder als de bergachtige zijn, en welke ik zie dat gemeenlijk voor Zeen gehouden, ja met de benamingen van Oceanen verheerlijkt, worden, in die landstreken zelve, zegge ik, met een langer Verrekijker bekeken zijnde, bevinde ik, dat zekere kleine ronde holtens zijn, met binnen invallende schaduwen; en dat kan met de oppervlakte van de Zee niet over een komen: daarenboven die zelve ruime velden, als wy haar wat aandagtiger beschouwen, vertoonen geen oppervlak, dat geheel effen is. Zoo konnen het dan geen Zeen wezen, maar moeten bestaan uit een stoffe, zoo blank niet, als die, welke in de oneffener deelen is; waar in wederom sommige met een kragtiger ligt boven anderen uitmunten. Ook schijnt het my niet toe dat er eenige Rivieren in de Maan zijn: want zoo zij er waren, zy zouden de scherpzigtigheid van mijne Kijkglazen niet konnen ontslippen; ten minsten, indien zy, gelijk de meeste by ons, tussen bergen, of zeer hooge rotsen, stroomden. Daar zijn ook geen Wolken, waar uit regen zou spruiten, om aan de Rivieren vogt te verschaffen: want indien zij er waren, men zou dezelve dan het een, dan het ander Maangewest zien bedekken, en voor ons gezigt verbergen; t welk geenzins geschied, maar daar blijft een geduurige helderheid.
Het is ook blijkelijk, dat de Maan van zoodanig een Lucht, of Dampgewest, als rondom ons Aardrijk gaat, niet omringt word: om dat, zoo het daar ergens was, de uiterste rand van de Maan zoo nettelijk rondgetrokken niet zou schijnen, als ze dikwils door t onder heen gaan van eenige Starren gezien is; maar ze zou in een zeker verdwynend ligt, en gelijk als met een vezelachtigheid, eindigen: om hier nog niet te zeggen, dat de dampen van ons Dampgewest meerendeels uit waterdeeltjes bestaan, en derhalven, daar geen Zeen nog Stroomen zijn, dat daar geen overvloed van water kan opgetrokken werden. Dit groot onderscheid, het welk tussen de Maan en onze Aarde gevonden word, laat ons naauwlijks toe iets daar van te gissen. Want zoo d er Zeen en Vloeden in gezien wierden, t zoude geen klein bewijs zijn, dat het overige cieraad der Aarde haar ook wel voegde, en dat het gevoelen van Xenofanes waaragtig was, zeggende dat de Maan bewoont wierd, en een Aardrijk was van vele steden en bergen. Maar nu dunkt my niet, dat in een dorre, en ganschelijk van water beroofde, grond Kruiden of Dieren konnen leven; dewyl die haar stoffe en voedsel uit vocht moeten krijgen.”
De nieuwste maankaart van de NASA is gebaseerd op gegevens van de Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO), die sinds een jaar om de maan draait, zie hierover www.astronieuws.nl en NASA’s LRO Creating Unprecedented Topographic Map of Moon.
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Maria Trepp