Wetenschap Kunst Politiek

Maanbewoners of planetenbewoners: Kepler versus Christiaan Huygens

14 comments

Maanbewoners of planetenbewoners: Kepler versus Christiaan Huygens

Kijk naar de volle maan vannacht: er lijken er toch echt gebouwen op te staan!  (zie ook deze overtuigende blog)            

Christiaan Huygens had voor zijn populair-wetenschappelijk verhaal Cosmotheoros  (1695, uitgebreid zie hier) intelligente planetenbewoners nodig, als didactisch hulpmiddel, voor de aanschouwelijkheid en voor de perspectivische beschrijving. Huygens beweert dat de planetenbewoners astronomische waarnemingen doen zoals wij, en kan dus het zonnestelsel vanuit hun perspectief beschrijven.

 

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto: Maria Trepp

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto: Maria Trepp

 

Buitenaardse astronoom

Huygens is niet de eerste die het perspectief van buitenaardse wezens gebruikt om een aanschouwelijke wetenschappelijke beschrijving te geven, die het copernicaans systeem ondersteunt en uitlegt. Johannes Kepler, de ontdekker van planetaire beweging, heeft in zijn kleine wetenschapsfictie Somnium Astronomicum “(1634, postuum, download hier de Duitse Tekst van Keplers Somnium (pdf)), waarnaar Huygens in Cosmotheoros verwijst, wetenschappelijke kennis, mythologie en fantasie gecombineerd. Kepler werd hierbij geïnspireerd door de antieke auteur Lucian, en in het bijzonder door Plutarchus’ “Maangezicht“. Beide teksten, en dan vooral Plutarchus, dienden ook Huygens als klassieke bronnen.

De leer van Copernicus wordt aanschouwelijk en begrijpelijk als men bedenkt hoe het zonnestelsel voor een buitenaardse waarnemer uitziet. Kepler en Huygens hebben met hun visies en met speelse en verbazingwekkende details al geanticipeerd op de huidige ruimtemissies.

Keplers  Somnium, gepubliceerd in 1634, maar geschreven in 1609 en handschriftelijk in omloop, is het eerste literaire werk, dat – geïnspireerd door de copernicaanse wetenschap-  buitenaardse wezens in de ruimte tot thema maakt, in Keplers geval maanbewoners.

Hoewel Keplers schrift in tegenstelling tot Christiaan Huygens’ Cosmotheoros duidelijk fantastische trekken heeft,

kan men ook belangrijke parallellen tussen de teksten vaststellen. De eerste zin van Kepler, waarmee hij zijn “droom” introduceert is: “Toen in het jaar 1608 de ruzies tussen de broers Keizer Rudolph en aartshertog Matthias hun hoogtepunt bereikten, […]”

De context van oorlog en ellende verbindt Kepler en Huygens, net als de kritiek op de samenleving en de afkeer van gewapende conflicten. Huygens is altijd een optimist, die zich bijna waant in een Leibnizianische “beste van alle werelden“, en hij kan in alle euvel nog wel iets goeds vinden. Het optimisme laat hem echter bij de gedachte aan het buskruit in de steek:

Wy hebben ook het Buskruid, een stoffe, met zwavel en salpeter gemengd, en wy kennen daar van ’t verscheiden gebruik ’t welk men met regt mag twijfelen of het meer goed dan quad doet. Want door derzelver wondere kragt, en door de konstrijke wetenschap van de Vestingbouwkonst  der steden, scheen men een wisser toeverlaat, dan oulinks bekend was, tegen viandlijke aanvallen gevonden te hebben: maar teffens zien wy, dat ook het geweld der vianden is aangegroeit, en dat de Dapperheid en kragt in ’t strijden nu minder in achting komt, dan voorhenen [….] zoo dat men daarom alleen mag zeggen, dat de menschen de uitvinding van het Buskruid liever mogten ontbeert hebben.”

Buskruit en bommen schieten bijna Huygens’ niet aflatend optimisme kapot: een echte uitdaging. Voor Huygens net als voor Kepler geeft het buitenaards perspectief de gelegenheid om de aardse conflicten te relativeren, en biedt dit perspectief een kans om de zinloosheid van de oorlog aan de kaak te stellen. Huygens:

Hier uit kan men verstaan hoe groot de ruimtens van die ronde lichamen zijn, en hoe klein, ten haren opzigte, het Klootje der Aarde is, waar in wy menschen zoo veel voor hebben, zoo veel t’ scheep varen, en zoo vele oorlogen voeren. ’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen.”

Kepler beschrijft de maan als het land “Levania”. Hij maakt een onderscheid tussen de maanbewoners die aan degene kant van de maan wonen, die de naar de aarde wijst, en de bewoners die op de andere zijde wonen, die afgekeerd is van de aarde, en die dus de aarde nooit zien. De eerste noemt hij “Subvolvaner,” de laatste “Privolvaner”. “Volva” is bij Kepler de aarde die zich om de eigen as draait voor de ogen van de bewoners van de maan, van Latijns volvere (draaien): in tegenstelling tot de maan draait de aarde “pirouettes” om haar eigen as. 

De passage van Huygens in de Cosmotheoros over de eventuele maanbewoners en hun kijk op de aarde is zeer vergelijkbaar met degene van Kepler, maar Huygens is sceptisch over de existentie van maanbewoners;  hij vindt maanbewoners veel onwaarschijnlijker dan planetenbewoners, omdat hij, anders dan Kepler, ervan overtuigt is dat op de maan geen water is. Ook gelooft Huygens in tegenstelling tot Kepler niet in gebouwen op de maan:

 Kepler nam uit die rondheid der dalen een bewijs, dat dit overgroote gebouwen waren van de Maanlingen, die met Reden werken: dog dat is teenemaal ongeloofelijk, eensdeels om de al te groote grootheid van die gevaartens, ten anderen, om dat dergelijke ronde holtens uit natuurlijke oorzaken konnen gemaakt werden. Maar ik vind ’er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [Starrekenners] het  tegendeel gevoelen.”

Maar in de volgende passage – waar Huygens beschrijft dat de aarde vanuit de maan gezien altijd op dezelfde plek “hangt” – volgt Huygens Keplers beschrijving:

“De Maan-kloot is by henluiden in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien, zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voorkomt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder [=horizont] afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen [=polen] ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven.”

De Aarde vanuit de maan

In maanbewoners en hun gebouwen wil Huygens niet echt geloven, maar dat zit anders met planetenbewoners en hun gebouwen. Volgens Huygens hebben de planetenbewoners mogelijk nog veel mooiere gebouwen dan wij. We mogen niet denken, dat de “dwaalsterrelingen” alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen: “Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?

 

 

In de Cosmotheoros  verwijst Huygens meerdere malen naar Kepler. Niet alleen naar Keplers vertelling “Somnium“, maar ook – uiteraard- naar de belangrijke wetten van Kepler,

“[,,,] de zonderlinge waarneming van Kepler, hoe dat de afstandigheden der Dwaalstarren (onder die des Aardrijks) van de Zon met de tijden der Omloopen van my gemeld, in een zekere evenredigheid overeenkomen, welke evenredigheid men daarna bevonden heeft, dat ook de Trawanten van Jupiter en Saturnus ten haren opzigte behouden.”

Maar Huygens uit zich ook zeer kritisch en uitvoerig over Keplers voorstelling van het universum en de vaste sterren. Hij protesteert tegen de mening van Kepler, dat “de zon iets speciaals zou zijn in verhouding tot alle andere sterren”. Kepler verdedigde nog steeds de bijzondere positie van de mens, van de aarde en van de zon in het universum; hij neemt dus nog niet het radicaal gedecentraliseerde standpunt van Huygens in

Een andere versie van deze tekst staat ook op mijn Duitse blog over Huygens


Read more..

Christiaan Huygens over buitenaardse wezens

16 comments

Vanavond gaat het op Labyrint radio over buitenaardse wezens en hoe met hen te communiceren.

 In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) stelt Christiaan Huygens dat de planeten bewoond zijn.

Net als veel van zijn tijdgenoten was Huygens overtuigd van het bestaan van buitenaardse wezens, zelfs op de andere planeten van ons zonnestelsel. Volgens hem gaat het hierbij om vernuftige wezens, die in alles, van lichaamsbouw tot zinnesorganen, sociale organisatie, wetenschappelijke en artistieke vermogens vergelijkbaar zijn met mensen:

“Ik zie, dat byna niemand der gener, die maar ter loops hier over hunne bedenking nemen, in twijfel getrokken heeft, of men in de Dwaalstarren eenige aanschouwers mag stellen; juist niet menschen, gelijk wy zijn, maar nogtans dieren, die reden gebruiken.[…] “

Het gene my derhalven meest beweegt te gelooven, dat in de Dwaalstarren geen redelijke dieren ontbreken, is dit, dat de voortreffelijkheid en heerlijkheid van onze Aarde al te groot boven andere zou zijn, indien zy alleen van dat Dier voorzien was, ’t welk zoo verre alle dieren, ik zwijge de aardgewassen. te boven gaat, dat Dier; ’t welk in zig iets goddelijks heeft, waar door het weet, verstaat, en ontallijke dingen geheugt; dat Dier; het welk bequaam is om de waarheid te overwegen, en te oordeelen; eindelijk om wiens wille alles wat de Aarde voortbrengt, schijnt toebereid.”

Huygens denkt ook na over verschillen tussen de planetenbewoners: zullen degene die dichter bij de zon wonen slimmer zijn dan anderen? (uitvoerig zie hier).
Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros”  (hier de tekst online) lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

(zie hier meer over de ironie in “Cosmotheoros”)

Met de hulp van analogie-”bewijzen” kan Huygens aantonen, dat de buitenaardse wezens astronomie en wiskunde bedrijven en ook musiceren en zich bezig houden met details van de muziektheorie, in mooie huizen wonen en zich ook moreel op ons niveau bevinden.

 

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

 

Later hebben Lessing en Immanuel Kant weer leuke parodieën op Huygens en zijn buitenaardsen en zijn analogie-“bewijzen” geschreven; wie hier meer over wil weten kan het nalezen in mijn Duitse tekst over Huygens.

Brandpunt had een paar maanden geleden een item over het SETI-institituut ( “Search for Extraterrestrial Intelligence”) in California en de zoektocht naar buitenaards leven.

Kosmoloog Paul Davies, een medewerker van het SETI heeft een boekje geschreven over de vergeefse speurtocht van het SETI-institituut:

The eerie silence/ Are we alone in the universe? (2010)

Davies bekritiseert het SETI  vanwege de antropocentrische en naïeve werkwijze van het instituut. Hij beargumenteert dat buitenaards leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet kunnen voorstellen.

Maar omdat wij nog helemaal niet weten hoe leven ontstaat en ook niet hoe waarschijnlijk het is dat het leven überhaupt ontstaat kunnen we helemaal niets zeggen over de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.

In het hoofdstuk A brief history of aliens komt ook Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros langs.  

Een filosofisch en artistiek interessante en uitermate hilarische vraag – die blijkbaar ook vanavond in het Labyrintradio zal worden aangeraakt-  is : wat zouden wij aardbewoners willen mededelen aan de eventueel gevonden extraterrestrials, en in welke taal, op welke wijze?

Bijvoorbeeld zo: Pioneer Gouden Plaat ?

Davies is van mening dat de beste taal voor communicatie met aliens de wiskunde zou zijn.

Wiskunde als de taal van het universum. Ook Galilei en Huygens waren al ervan overtuigd, dat het universum geschreven is in de taal van de wiskunde. De wiskunde was voor Huygens en voor zijn vriend Leibniz al belangrijker dan God, omdat God volgens hen niet zonder de wiskunde kon.

Over buitenaardse wezens, Christiaan Huygens, Leibniz enz. zie ook Voltaires filosofische vertelling Micromégas


Read more..

Onze tweelingen op tweelingplaneet Kepler-22b (satire)

2 comments

Johannes Kepler en Christiaan Huygens schreven allebei –half schertsend, half serieus- over eventuele astronomen op andere planeten. Huygens onderstreepte in zijn Cosmotheoros dat wij mensen nooit mogen veronderstellen dat de planetenbewoners minder kunnen of minder ontwikkeld zijn dan wij, dus zullen ze ook wel de astronomie bedrijven.

Astronoom op Kepler 22-b buitenaardse astronoom foto: Maria Trepp

Astronoom op Kepler 22-b buitenaardse astronoom foto: Maria Trepp

Dus, de astronomen op onze tweelingplaneet Kepler-22b, wat zien zij, als zij, net als wij,  nu op dit moment hun tweeling planeet hebben ontdekt? Laat ons aannemen dat zij betere telescopen hebben dan wij, en heel goed kunnen inzoomen op de Aarde.

Kepler-22b is 600 lichtjaren van de Aarde verwijderd.

Ze zien de Aarde aan het begin van de 15e eeuw.

Ze zien de ontdekkingsreizigers varen over de zeeën.

Dat zal hun hart sneller laten kloppen, want vast kennen onze tweelingen dat ook: ontdekkingsreizen, schipvaart.

Christiaan Huygens in zijn Cosmotheoros:

“Voorts indien het oppervlak van hun kloot bij henluiden [=planetenbewoners] zo verdeeld is, dat een gedeelte van ’t zelve in land, een gedeelte in zee bestaat, […] hebben wij zeer grote reden om te denken, dat zij ook t’ scheep varen: anderzins zouden wij zoo groot en zo nut een zaak niet zonder laatdunkendheid onzen Aardkloot alleen toeschrijven.”

 

Dit blog staat ook op mijn Duitse webblog over Huygens:

Unsere Zwillinge auf dem Zwillingplaneten Kepler-22b

en op mijn Engelse blog

Our twins on twin planet Kepler-22b


Brandpunt en Paul Davies over buitenaards leven

16 comments

Brandpunt had gisteren een item over het SETI-institituut ( “Search for Extraterrestrial Intelligence”) in California en de zoektocht naar buitenaards leven.

SETI?? Dat was toch opgeheven dacht ik?

SETI is al jarenlang op zoek naar buitenaards leven, maar moest in april wegens financiële problemen noodgedwongen de deuren sluiten. Maar ik zie nu dat het instituut de zoektocht kan voortzetten door donaties onder meer van Jodie Foster.

Kosmoloog Paul Davies, een medewerker van het SETI heeft een boekje geschreven over de vergeefse speurtocht van het SETI-institituut:

The eerie silence/ Are we alone in the universe? (2010)

Davies bekritiseert het SETI  vanwege de antropocentrische en naïeve werkwijze van het instituut. Hij beargumenteert dat buitenaards leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet kunnen voorstellen.

Maar omdat wij nog helemaal niet weten hoe leven ontstaat en ook niet hoe waarschijnlijk het is dat het leven überhaupt ontstaat kunnen we helemaal niets zeggen over de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.

In het hoofdstuk A brief history of aliens komt ook Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros langs, zie ook mijn blogs over aliens bij Huygens
Christiaan Huygens en Immanuel Kant over Hermapolieten/Mercuriusbewoners
Christiaan Huygens: ironie over de Nieuwe Aarde

Een filosofisch en artistiek interessante en uitermate hilarische vraag – die ook bij Brandpunt wordt aangeraakt-  is : wat zouden wij aardbewoners willen mededelen aan de eventueel gevonden extraterrestrials, en in welke taal, op welke wijze?

Pioneer Gouden Plaat

Davies is van mening dat de beste taal voor communicatie met aliens de wiskunde zou zijn.

Wiskunde als de taal van het universum. Ook Galilei en Huygens waren al ervan overtuigd, dat het universum geschreven is in de taal van de wiskunde. De wiskunde was voor Huygens en voor zijn vriend Leibniz al belangrijker dan God, omdat God volgens hen niet zonder de wiskunde kon.
Tweet

Christiaan Huygens en Immanuel Kant over Hermapolieten/Mercuriusbewoners

4 comments

De planeet Mercurius wordt het komende jaar minutieus doorgelicht en opgemeten door de ruimtesonde Messenger.



Mercurius


In de 17e eeuw waren veel onderzoekers en filosofen van mening dat op de planeten intelligent leven existeert.

Christiaan Huygens neemt in zijn “Cosmotheoros“, zijn laatste tekst (1698), planeet voor planeet onder de loep en denkt na of en hoe intelligent leven op zo’n planeet eruit ziet.

Huygens ergert zich zeer aan de jezuiet Athanasius Kircher die de karakter van planeten schetst met de astrologisch-mythologische kennis in zijn hoofd:

In Merkurius vond hy [Athanasius Kircher] ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden.”

Huygens daarentegen gebruikt zijn astronomische kennis om tot gissingen over de aard van de Mercuriusbewoners te komen.

Op Mercurius moet het erg heet zijn, schrijft Huygens, omdat deze zich zo dicht bij de zon bevindt. Maar hij sluit niet uit de wezens op Mercurius aan die hitte zijn aangepast, en dus over ons op Aarde een beetje zo denken als wij over de Saturnus -bewoners: hoe koud en donker moet het daaaar voor hen niet zijn!

Huygens:

 

“…wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [de zon] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middellijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen?”

 


Dus zijn de Mercuriusbewoners soms slimmer dan de Saturnusbewoners? Nee, dat wil Huygens niet geloven:

“Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert.”

 

Immanuel Kant heeft een tekst over het Heelal geschreven (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels) , waar hij bewonderend op Huygens ingaat. Een satirisch aanhangsel bij deze tekst “Von den Bewohnern der Gestirne“ wordt door veel mensen serieus genomen, maar ik lees deze tekst als parodie op Huygens.

Kant draait hier Huygens’ argumentatie [=de afstand van de zon maakt voor de intelligentie niets uit] parodistisch om: hoe verder weg van de zon, hoe intelligenter de planetenbewoners. Kant komt tot de satirische conclusie, dat voor de domme Mercurianer een hottentot al een genie zoals Newon zou zijn,  en de Saturnusbewoners Newton als een domme aap zouden beschouwen…

Buitenaards cultuurrelativisme. Met de impliciete verachting voor de Afrikanen bij Huygens en Kant moeten we maar leven.

 

Uitvoeriger over Kants Huygens-parodie: klik hier voor mijn Duitse tekst

 

 

zie ook

 

Meer over Christiaan Huygens

 

 

www.passagenproject.com

The Journal of Extraterrestrial Studies

2 comments

Maarten Keulemans meldt vandaag in de Volkskrant dat hij een wetenschappelijk tijdschrift zal beginnen, het Journal of Extraterrestrial Studies.

Buitenaardse microben, virussen uit de ruimte, verdachte codeboodschappen in uw dna. Ook voor al uw ontkrachtingen van relativiteitstheorie en bewijzen voor koude kernfusie.”

Ik heb alvast een historische bijdrage voor zijn tijdschrift: “Christiaan Huygens over buitenaardse astronomen en musici”.

In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) stelt Huygens dat de planeten bewoond zijn.


Met de hulp van analogie-”bewijzen” kan Huygens aantonen, dat de buitenaardse wezens astronomie en wiskunde bedrijven en ook musiceren en zich bezig houden met details van de muziektheorie, in mooie huizen wonen en zich ook moreel op ons niveau bevinden.


Alien ontbijt

Huygens werd door veel denkers en wetenschappers serieus genomen.

Ik lees Huygens’ teksten over buitenaardse wezens als een mooie satire, en als een parodie op Descartes. Huygens is net zo serieus als Keulemans.

Huygens was Cartesiaan en ging in veel van zijn onderzoeken uit van de theorieën van Descartes, maar eindigt in zijn laatste tekst met een scherpe kritiek op verschillende aspecten van het denken van Descartes. Een van de dingen die Huygens het meest afstoten aan Descartes is het feit dat Descartes zijn gissingen en ficties als waarheden verkocht. Naar mijn mening geeft Huygens aan zijn Descartes-kritiek een ironische vorm door het cartesiaanse denken (= verwarren van hypotheses en zekerheden) in de praktijk te brengen in zijn eigen  argumentatie over buitenaardse wezens.


Alien Muziek

Later hebben Lessing en Immanuel Kant weer leuke parodieën op Huygens en zijn buitenaardsen en zijn analogie-“bewijzen” geschreven; wie hier meer over wil weten kan het nalezen in mijn Duitse tekst over Huygens.

Christiaan Huygens: ironie over de Nieuwe Aarde

5 comments

Vandaag 5-2-1011 schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”

Hij schrijft:

“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”

Zijn ironie is prachtig en doet mij denken aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.

Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.

Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros”  lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

alien_music_astronomer_buitenaards_astronoom_astronomie-extraterrestrials_teleskoop-teleskop-telescope.jpg

Alien astronoom na Christiaan Huygens. Foto: Maria Trepp

In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.

Alien foto Maria Trepp Christiaan Huygens Cosmotheoros

Alien foto Maria Trepp

Alien ontbijt

Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“

Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef – hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.

alien_music_astronomer_buitenaards_astronoom_astronomie-extraterrestrials_teleskoop-teleskop-telescope

Alien music Foto Maria Trepp

 

Zie ook:

Meer over Christiaan Huygens

www.passagenproject.com

 

Kerstvraag: Is Jezus ook voor de buitenaardse wezens geboren?

13 comments

In de teksten over buitenaardse wezens vindt men bijna altijd ironie, vaak  onvrijwillige ironie. Descartes bijvoorbeeld moest zich uitspreken, gedwongen door de vrome Zweedse koningin Christina, over de vraag of Jezus ook voor eventuele aliens is gestorven. Hij vond van wel, al vond hij het veiliger om zich niet echt vast te leggen.

Kort geleden heeft blijkbaar de door velen zo ongeveer heilig verklaarde Stephen Hawking gezegd dat de buitenaardsen ons wellicht vijandig gezind zijn, en wij ons dus beter maar niet konden melden bij hun. Shit, nu hebben we mensen tientallen jaren lang signalen uitgezonden, en dan komen de buitenaardsen ons voor dank maar vernietigen!

Christiaan Huygens schrijft in zijn Cosmotheoros (1698) uitvoerig over buitenaardse wezens. Hij is van hun existentie overtuigd. Daarom wordt Huygens weleens irrationale en onwetenschappelijke speculatie verweten.
Ik denk dat Huygens ten dele zeer bewust ironisch was in de dingen die hij over de planetenbewoners schrijft. Zeker geloofde hij in intelligent leven buiten de aarde. Maar hij gaat extreem ver door in detail, en schrijft de planetenbewoners juist alles toe wat hij zélf deed en kon, zoals telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziektheorie bedrijven.

: alien_music_astronomer_buitenaards_astronoom_astronomie-extraterrestrials_teleskoop-teleskop-telescope.jpg

Alien astronoom volgens Christiaan Huygens’ Cosmotheoros, foto: Maria Trepp

Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken.

Huygens stelt zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of een haast goddelijk wezen moeten zijn, die zijn gelijke in het gehele universum niet kent. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan ook aan de andere “Planetenbewoners” toe, met komisch-ironisch resultaat.

zie ook:

Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Meer over Christiaan Huygens

 

Meest recente berichten