Wetenschap Kunst Politiek

De apocalyptische Bijbelse slang in de kunst

7 comments

Als aanvulling op mijn apocalyptisch slangenblog van gisteren: niet alleen de Azteken maar ook Christenen kennen een fantastische apocalyptische slang. 

De theoloog Joost S. reageerde gisteren op mijn blog: 
“[…] durf ik in dit verband ook te wijzen naar Johannes’ ‘Vrouw met haar pasgeboren kind’  door de draak, eertijds ‘Slang’, achtervolgd. Toen spuwde de Slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren. Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de Slang had uitgespuwd.”

Hier de tekst uit de Bijbel, Openbaring 12

De vrouw, de draak en de twee beesten
1 Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. 2 Ze was zwanger en schreeuwde het uit in haar weeën en haar barensnood. 3 Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon. 4 Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde. De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was. 5 Maar toen ze het kind gebaard had – een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden –, werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon. 6 De vrouw zelf vluchtte naar de woestijn. God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt, waar twaalfhonderdzestig dagen lang voor haar gezorgd zou worden.
7 Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand 8 maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. 9 De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid. 10 Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias. Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht. 11 Zij hebben hem dankzij het bloed van het lam en dankzij hun getuigenis overwonnen. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard. 12 Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald! Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.’
13 Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was, achtervolgde hij de vrouw die een zoon gebaard had. 14 Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar om naar haar plaats in de woestijn te vliegen, waar gedurende een tijd en twee tijden en een halve tijd voor haar gezorgd zou worden, buiten het bereik van de slang. 15 Toen spuwde de slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren. 16 Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de draak had uitgespuwd. 17 De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven.
18 Hij ging op het strand bij de zee staan.

 

Ik heb lang op internet gezocht of ik deze scene uit de Openbaring van Johannes in de kunst vind. En ja, ik ben blij: Dürer, Rubens, en Franse en Engelse oude boekillustraties.

 

Dürer, Apocalyps: vrouw en slang

Rubens, Apocalyps: vrouw en slang

Apocalyps: vrouw en slang, vloed,  boekillustratie

Apocalyps: vrouw en slang, vloed, boekillustratie

William Blake apocalypse

William Blake vrouw en draak

Joost schrijft bovendien ook, en ik vind dit erg goed gezegd en heb er zelf nooit op deze manier aan gedacht:
Clou van een Apocalyps is altijd en overal troost en al het goede gewenst voor het heden!”

Ach dáarom zijn de mensen zo gek op de Apocalyps! Dit was nooit in mij opgekomen.
Hoe het ook zij, de Apocalyps is ontegenzeglijk een enorme prikkeling voor de fantasie en dus de kunst.

In de Volkskrant van 3 januari schrijft Maarten Keulemans over het “Zwelgen in eindtijd”: Maya’s, 2012 enz. 
Hij haalt cultuursocioloog Stef Aupers aan, die het apocalyptisch denken wijt aan een lineair Westers tijdsbeeld, dus een begin en een einde van de tijd.

Doodshoofd als zelfportret bij James Ensor en Vincent van Gogh

8 comments
Doodshoofd als zelfportret bij James Ensor In zijn atelier bewaarde James Ensor (zie de tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag) doodshoofden, maskers en hoofddeksels, die vanaf 1888 regelmatig in zijn werk voorkomen. In Ensors werk had de schedel een morbide, ironische en fantastische connotatie en komt vaak als zelfportret voor. De schedel is blijkbaar de “ik”-vorm van Ensors maskers: Ensors eigen lachend masker.Doodshoofd als zelfportret bij James Ensor Mij bevalt het als de dood een deel van het leven is, en als de doden vrolijk meedoen in het leven. Magisch, fantastisch, menselijk.Ook Vincent van Gogh heeft kort daarvoor een soortgelijk zelfportret gemaakt:
Doodshoofd als zelfportret bij Vincent van Gogh
Vincent van Gogh, Schedel met brandende sigaret, 1885
De schedel van Van Gogh houdt het midden tussen (zelf)portret en stilleven.

Doodshoofd als zelfportret bij James Ensor en Vincent van Gogh

8 comments


In zijn atelier bewaarde James Ensor (zie de tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag) doodshoofden, maskers en hoofddeksels, die vanaf 1888 regelmatig in zijn werk voorkomen. In Ensors werk had de schedel een morbide, ironische en fantastische connotatie en komt vaak als zelfportret voor. De schedel is blijkbaar de “ik”-vorm van Ensors maskers: Ensors eigen lachend masker.

Mij bevalt het als de dood een deel van het leven is, en als de doden vrolijk meedoen in het leven. Magisch, fantastisch, menselijk.

 

Op 27 april 2011 schrijft Joost Zagerman in de Volkskrant uitgebreid over dit schilderij “Het schilderend geraamte”.

Uit zijn artikel:

“Achter het schildersezel staat, palet in de hand, een geraamte. De schilder mag dood zijn – maar gelukkig ziet ‘ie nog goed in het pak. En is hij omringd met kunst. Voor het schilderend geraamte op het doek is dat misschien een troost.

De Vlaamse kunstenaar James Ensor (1860-1949) maakte Het schilderend geraamte omstreeks 1895. Uit een foto blijkt dat Ensor zijn eigen atelier minutieus heeft nageschilderd. En om te onderstrepen dat dit toch echt de werkomgeving is van de schilder zelf, voegde hij er rondslingerende maskers aan toe, de maskers waar Ensor in later werk zijn handelsmerk van zou maken. “

“De kunstenaar achter zijn ezel: het is een beproefd genrestuk, en eeuwenlang diende het onder meer om de maatschappelijke positie van de schilder te onderstrepen.”

“Misschien wil Het schilderend geraamte ons het volgende meedelen: ik, de onbegrepen grootmeester uit Oostende, laat alle kleuren baden in het kleurrijkst denkbare licht. De dood is niet zwart- de dood is onder ons, in ons, en begoochelt ons met alle kleuren van de regenboog. Ik, Ensor, weet dit, maar u nog niet. Ik vertel het u, niet voor mijn plezier, maar omdat de waarheid gezegd, geschilderd moet worden. De dood, grimmig en geniepig, is grijs noch zwart maar schenkt ons met satanisch genoegen de meest uitbundige kleuren. Voor wie dit niet gelooft biedt mijn alter ego, het schilderend geraamte, inzicht in deze waarheid. Kijk naar wat het geraamte in zijn atelier heeft staan: de meest kleurige meesterwerken – de meest kleurige doodsaanzeggingen. “

Ook Vincent van Gogh heeft kort daarvoor een soortgelijk zelfportret gemaakt:

Vincent van Gogh, Schedel met brandende sigaret, 1885



De schedel van Van Gogh houdt het midden tussen (zelf)portret en stilleven.

Zwagerman:

“Theo van Gogh – en ik heb het hier nu niet over Vincents broer, maar over de vermoorde filmer uit onze eigen tijd – heeft zich in een interview eens laten ontvallen dat hij zich vaak betrapte op de gedachte dat het een groot misverstand is te denken dat wij hier op aarde in leven zijn. We zijn allemaal zo dood als een pier, alleen is er niemand die ons dit vertelt. Doodgaan betekent niet dat je je levensadem uitblaast en naar het dodenrijk verhuist, nee, het is de finale bekrachtiging van onze zijnstoestand, met als enige uiterlijke verandering het vergaan van het vlees op onze botten. Ons kloppend hart en onze polsslag geven het ritme aan waarmee ons geraamte zal uitbotten. Zoiets. “

 

De schedel is klassiek in de kunst als Memento Mori.

Hier een afbeelding van de Heilige Hieronymus. Ik kies een schilderij van Albrecht Dürer, omdat ik nu met Dürer bezig ben in verband met de Lucas van Leyden tentoonstelling in de Leidse Lakenhal (blog volgt).

De Pasen van Goethes Faust

30 comments

In de eerste scene van Goethes Faust speelt Pasen een belangrijke rol.

Faust is zich scherp en pijnlijk bewust van de grenzen van de menselijke kennis, en spreekt hierover met zijn assistent Wager.

Delacoix, Faust

Het is al laat in de nacht, en de braaf-naieve Wagner neemt afscheid met de woorden:

“Vergun mij morgen, de eerste der paasdagen,
Nog een en ander u te vragen.
Met ijver heb ‘k mij van de studietaak gekweten:
Wel weet ik veel, doch ‘k zou graag alles weten.”

Faust wordt in de nacht door gevoelens van zinloosheid overweldigd:

“Is het niet stof, waarmee deez’ hoge wand
En honderd vakken mij benauwen;
De rommel, die met tuig van allerhand
Mij in deez’ mottenweerld wil douwen?
Staat wat me ontbreekt dáár opgesteld?
Moet ik misschien in duizend boeken lezen,
Dat steeds de mens zichzelve heeft gekweld,
Dat enklen maar gelukkig mochten wezen? –
Wat anders grijnst gij, schedel, uit uw nis,
Dan dat uw brein eens als het mijne faalde,
Het lichte dagen zocht en in de duisternis,
Naar waarheid dorstend, jammerlijk verdwaalde?“

Albrecht Dürer, Melancholia I, 1514

Faust ziet ineens een flesje met gif en wil een einde aan zijn leven maken.

Op dat moment klinkt een engelenkoor, die zingt dat Christus is opgestaan.

Faust is niet gelovig maar wordt toch geraakt:

“Ik hoor de boodschap wel, maar ‘k kan haar niet geloven
’t Geloof ziet liefst naar wonderen en schijn.
Naar gene sferen waag ik niet te streven,
Vanwaar hij daalt, die milde toon;
En toch, aan dit geluid van kind af aan gewoon,
Roept hij ook thans mij weer terug in ’t leven.”

De herinnering aan zijn jeugd die de engelen oproepen weerhoudt hem van “de laatste stap”:

“Dit lied sprak mij weleer van ’t jeugdig vrolijk woelen,
Van ’t lentefeest der jonglingschap:
Herdenking houdt mij thans met kinderlijk gevoelen
Terug van de’ allerlaatste stap.“

In de volgende scene wandelt Faust met Wagner op de eerste paasdag, en Faust voelt en ziet de lente:

“FAUST
Van het ijs bevrijd zijn stroom en beken
Door der lente weldadige levensschijn;
Groen wordt in ’t dal weer groot en klein:
[…] Overal heft zich wording en streven,
Alles wil zij met kleuren doorweven […]

Of veel mooier in het Duits:

Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden Blick;
Im Tale grünet Hoffnungsglück;
[..]Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben […]”

“Bildung und Streben, mit Farben beleben”- mijn motto.

Millet, Lente, 1872


Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

De melancholieke engel van de tijd/Erwin Mortier Godenslaap

22 comments

De prachtige roman van Erwin Mortier “Godenslaap” is een fantastische reflectie op de geschiedenis, op het herinneren en op het schrijfproces zelf.
 
De titelillustratie is in feite een illustratie van de tekst op pagina 142:
 
 
“[…] Toen vlamde, in het uiterste noorden, tegen de kust aan, min of meer op de plek waar mijn vader ons als kind had aangewezen waar Nieuwpoort moest liggen, ineens een rode gloed op uit de nevel. De mistbanken weerkaatsten dat geflakker, dat bijna meteen weer doofde.[..]
‘Lichtkogels,’zei iemand. ‘Ze steken boven de linies lichtkogels af.’ “

  
Uit Godenslaap (vijfde pagina van het verhaal, dat geschreven is uit het perspectief van een oude vrouw):
 
“’De engel van de tijd heeft me al meegenomen,’ zeg ik te­gen Rachida, de verzorgster, wanneer ze me ’s ochtends uit bed helpt. Ik zeg het om haar te zien lachen. ‘Je kent de engel van de tijd toch? Hij zou de engel van de wraak kunnen zijn of de engel der victorie. Maar hij is ook de engel van de slaap en de Melancholie van Dürer.’
‘Ja, mevrouw Helena. Uw engelen zijn ingewikkeld.’  ( p 11)
 
De engel van de tijd, dat is de engel van de melancholieke kunstfilosoof Walter Benjamin, die een schilderij van Paul Klee bezat, Angelus Novus.
Hij schrijft erover (ik heb nog geen vertaling gevonden, en wil mezelf hieraan niet de vingers verbranden) :
 

Paul Klee, Angelus Novus
 
 
“Es gibt ein Bild von Klee, das Angelus Novus heißt. Ein Engel ist darauf dargestellt, der aussieht, als wäre er im Begriff, sich von etwas zu entfernen, worauf er starrt. Seine Augen sind aufgerissen, sein Mund steht offen und seine Flügel sind ausgespannt. Der Engel der Geschichte muß so aussehen. Er hat das Antlitz der Vergangenheit zugewendet. Wo eine Kette von Begebenheiten vor uns erscheint, da sieht er eine einzige Katastrophe, die unablässig Trümmer auf Trümmer häuft und sie ihm vor die Füße schleudert. Er möchte wohl verweilen, die Toten wecken und das Zerschlagene zusammenfügen. Aber ein Sturm weht vom Paradiese her, der sich in seinen Flügeln verfangen hat und so stark ist, daß der Engel sie nicht mehr schließen kann. Dieser Sturm treibt ihn unaufhaltsam in die Zukunft, der er den Rücken kehrt, während der Trümmerhaufen vor ihm zum Himmel wächst. Das, was wir den Fortschritt nennen, ist dieser Sturm.”-
Walter Benjamin, Über den Begriff der Geschichte, 1938.
 
Wat kunnen we, wat weten we eigenlijk als we de puinhoop van de geschiedenis proberen te overzien en te herinneren? 
 

 
Een melancholieke engel zit ook op Dürers beroemde en hierboven in Godenslaap genoemde ets “Melancholia I”, die de zwaarmoedigheid van het moderne geleerdenleven laat zien, en die  later door Goethe’s Faust zo goed in woorden werd gevat:
 
“Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
Da steh ich nun, ich armer Tor!
Und bin so klug als wie zuvor;
Heiße Magister, heiße Doktor gar
Und ziehe schon an die zehen Jahr
Herauf, herab und quer und krumm
Meine Schüler an der Nase herum-
Und sehe, daß wir nichts wissen können!
Das will mir schier das Herz verbrennen.
Zwar bin ich gescheiter als all die Laffen,
Doktoren, Magister, Schreiber und Pfaffen;
Mich plagen keine Skrupel noch Zweifel,
Fürchte mich weder vor Hölle noch Teufel-
Dafür ist mir auch alle Freud entrissen,
Bilde mir nicht ein, was Rechts zu wissen,
Bilde mir nicht ein, ich könnte was lehren,
Die Menschen zu bessern und zu bekehren.
Auch hab ich weder Gut noch Geld,
Noch Ehr und Herrlichkeit der Welt;
Es möchte kein Hund so länger leben!”

 
Uit teleurstelling met de schoolse wetenschap begint Faust aan magie; hij gaat dus op zoek naar het “Wilde denken”.
 
Ook de “Godenslaap’ is een zoektocht naar een andere werkelijkheid dan de alledaags-rationele; een zoektocht naar het tijdloze paradijs van het kind en naar het geluk van het lezen. De ‘Godenslaap’ is een filosofische roman die in de Walter Benjamin/Proust-traditie staat.

De oude vertelster: “Elke ochtend ga ik met mijn tong over mijn gebit, trots dat ik nog alle mijn kiezen heb, en lees in braille de grijns van de doodskop af in mijn vlees. Als memento mori volstaat dat.” Prachtig geformuleerd. Later gaat het zelfs over de schedel en het stilleven – zie mijn blog Stillevens van Picasso – :” [..] het hoofd van een dode dat in mijn hand lag als de welving van een gebroken kruik” (p 203).
 

Godenslaap’ vertelt in zorgvuldige, intieme beelden over de verschrikkingen van de oorlog.
 
Een belangrijk thema is de “obsceniteit“ van de dood en de oorlog:
 
“OBSCEEN was ook  de dood van Amélie Bonnard, als uit het niets getroffen […]” (p 189)
 
“Obsceen is het woord dat ik herhaal. Obsceen de aanblik van Amélie Bonnard, ’s middags nog een kind dat voor de spiegel haar lokken achter haar oren zal hebben ge­legd voor ze de rouge van haar moeder op haar wangen smeerde, tegen de avond een dood kindvrouwtje in een bruidsjurk. Haar schoenen leken niet te passen, te ruim om haar hielen te liggen, de handschoentjes te precieus, de paternoster te pathetisch, de sluier die we over haar hoofd en het verband getrokken hadden te etherisch in het licht van de kaarsvlam.” (p 205)
 
Mortier volgt hier Coetzee’s alter ego Elisabeth Costello en haar bespiegelingen over de obsceniteit van geweld en van de literatuur die geweld beschrijft (“Het probleem van het kwaad” in: “Elisabeth Costello”)
 

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief