Kunst Wetenschap Politiek

Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees Schuyt

64 comments

Volgens Leidse wetenschappers ondermijnt Wilders de sociale cohesie.
 
wilders Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees SchuytWilders-aanhangers kunnen het hiermee nauwelijks oneens zijn, lijkt me, alleen zullen zij zeggen dat het nodig is de sociale cohesie te ondermijnen teneinde het multiculturalisme te verzwakken.

 
 
 
 
 
ellian Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees Schuyt
 
 
Wrang is wel dat een van de belangrijkste intellectuele steunposten van Wilders, de Leidse  hoogleraar Afshin Ellian, uitgerekend hoogleraar sociale cohesie is. Hij werd benoemd onder volkomen onduidelijke omstandigheden. Zijn kwalificatie voor hoogleraar “sociale cohesie” is niet bekend.
 
 
 
 
 
 
 
 keesschuyt Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees SchuytEen andere Leidse hoogerlaar (Cleveringahoogleraar 2007), Kees Schuyt, energieke tegenstander van Ellian en van de Edmund Burke stichting die Wilders groot heeft gemaakt, heeft veel gepubliceerd over sociale cohesie.
 
Het is helemaal niet zo dat Schuyt pleit voor een sociale cohesie. Nee, hij zegt dat er ook te  veel sociale cohesie kan bestaan. Dan ontstaat er een “schier onontkoombaar wij-gevoel, en iedereen die daarbuiten valt wordt beschouwd en behandeld als vijandig.” ( Trouw, 3-2-2007) In die zin klopt het wel dat een man als Ellian, die de islam beschouwt als de pest, hoogleraar sociale cohesie is.
 
“Kees Schuyt: In de politieke discussies worden sociale cohesie en integratie vaak als synoniemen gebruikt. Dat is niet terecht en veroorzaakt veel verwarring. Vaak wordt niet beseft dat cohesie een chemisch begrip is dat iets zegt over de aantrekkingkracht tussen moleculen, over de mate waarin die aan elkaar kleven. Wanneer je zegt dat mensen aan elkaar kleven, dan heeft dat snel een negatieve connotatie. Het is een goed bewaard sociologisch geheim dat er ook te veel sociale cohesie kan zijn. Wanneer de neuzen allemaal één richting uit wijzen, wanneer er een sterk wij-gevoel heerst, is dat nadelig voor groepen die daar niet bijhoren. In nazi-Duitsland was in de jaren dertig sprake van een sterke sociale cohesie, zonder ruimte voor afwijkingen en kritiek, waarbij één groep en enkele andere afwijkende groepen zoals de zigeuners nadrukkelijk werden buitengesloten en vervolgd. Integratie daarentegen is iets anders. In een goed geïntegreerde samenleving is de verhouding tussen ik en wij, tussen het individu en de groep, in evenwicht. De individualiteit van mensen wordt niet door het collectief onderdrukt. Bovendien bestaat de samenleving niet uit één collectief, maar uit verschillende groepen, waartussen ook een evenwicht bestaat. Wanneer er één dominante groep is, is er tevens ruimte voor diverse minderheden. In tegenstelling tot sociale cohesie is integratie een dynamisch evenwicht binnen een systeem.“ (De Groene Amsterdammer, 15-12-2006)
 
 
Kees Schuyt, en ik met hem, pleit voor pluriformiteit in plaats van sociale cohesie.

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Jami-historie

123 comments

ehsan jami Jami historieEhsan Jami bij de PVV: surprise, surprise!
 
 “Ehsan Jami heeft zaterdag deelgenomen aan een sessie van de PVV voor toekomstige gemeenteraadsleden. Dat schrijft het AD. In een reactie zegt Jami: ‘Ik heb de afspraak dat ik nog niks ga zeggen.’” (de Volkskrant 8-9-2008)
 
Hier een stukje Jami-historie, op een rijtje gezet met behulp van mijn oude Jami-blogs:
bijvoorbeeld: Vrijheid en moed: met Thucydides ten oorlog ?

en met informatie uit het  boek van Janny Groen en Annieke Kranenberg “Opstand der gematigden”.
 
In 2007 werd Jami, toen nog PvdA-raadslid van Leidschendam-Voorburg, binnen zeer korte tijd een Bekende Nederlander. Maar nog geen jaar na zijn geruchtmakende entree zag Jami zich genoodzaakt zijn comité van ex-moslims dood te verklaren.
“Volgens Jami’s critici was niet zozeer de angst voor bedreigin­gen de reden dat zijn comité werd gemeden door afvalligen, maar veeleer zijn reputatie van provocateur en zijn openlijke flirt met pvv-leider Geert Wilders.” (Opstand der gematigden, p 17)
 
Jami werd vooral gesteund door de Wilders-sympathisanten, zoals de Leidse Burke-professoren. Met name Afshin Elian speelde de rol van “freelance zieleherder”. Het steuncomité voor Jami kon aanvakelijk een aantal mensen winnen die niet tot de kring van Wilders-sympathisanten hoorden; maar de meesten van hen, zoals Dick Pels, De Beus en Bijlo, zeg­den later hun steun voor Jami op.
 
Steeds werd duidelijker dat Jami bij Wilders thuis hoorde.
wilders Jami historie“In een gezamenlijk opiniestuk, gepu­bliceerd in de Volkskrant van 27 september 2007, vergeleek het duo [Jami/Wilders] Profeet Mohammed met AdolfHitler. Ze hekelden de uitspra­ken van Nationaal Coördinator TerrorismebestrijdingJoustra. Die had gezegd dat radicale uitlatingen over de islam ‘individuen die op de rand van geweld staan, het laatste duwtje kunnen geven’.
‘Naïeve en levensgevaarlijke’ uitlatingen, schreven Jami en Wil­ders. Ze vergeleken de islam met het nazisme. ‘Als wij nu niet op­treden tegen vergaande islamisering van Nederland, herleven de jaren dertig van de vorige eeuw. Alleen was het toen Hitler en nu Mohammed.’ “( p 31/32)
 
In het voetspoor van als Wilders en Wilders-vriendin Hirsi Ali kondigde Jami aan een eigen antikoranfilm te gaan maken, een ”pikante” tekenfilm over het leven van de Profeet Mohammed, The Life of Mohammed.
 
Eind maart 2008 liet Jami een aanstootgevende sneakpreview van zijn animatiefilm op de Nederlandse televisie zien.
“Hij toonde een shot van de Profeet met aan zijn hand zijn negenjarige vrouw Aïcha, die een knuffelbeertje bij zich heeft. De Profeet en Aïcha zijn op weg naar de moskee, waar zij seksuele gemeenschap zullen hebben. De Profeet is afgebeeld met een erectie. Op een van de torens van de moskee staat een hakenkruis.“ ( p 33)
 
Uiteindelijk besloot Jami om af te zien van zijn ‘aanstootgevende’ film en een andere film te gaan maken.
Eind november 2008 liet Jami weer van zich horen met zijn film ‘An interview with Mohammed’, volgens Afshin Ellian “een film van ‘bijzonder intellectueel gehalte’ en een ‘diepzinnige en veelzeggende film’.“ (Bert Wagendorp, 10-12-2008)
 
Marokkaanse en islamitische organisaties reageerden op deze nieuwe film van Jami:
“ ‘De film is een krachteloos niemendalletje zonder heldere boodschap, of het moet zijn dat de Koran moet worden gelezen in de context van de tijd waarin die is geschreven. En daar is ieder weldenkend mens het mee eens. De film levert dan ook geen bijdrage aan de discussie over gevoelige thema’s op het snijvlak van islam en samenleving. Wij wensen Ehsan Iarni verder veel succes met zijn carrière als filmmaker.’ “ ( p 35)
 
 

Afshin Ellian: ‘Vergeet Gaza’

32 comments

Vandaag debatteren Frank en Maarten Meester in de Volkskrant/het Vervolg over de kwestie of je ten opzichte van Gaza prioriteiten mag stellen: men hoeft over Gaza niet zo veel kletsen, er zijn tenslotte gebieden waar veel meer doden vallen, zoals in Darfur (Meesters in de actualiteit, p. 33).

Afshin Ellians mening over deze kwestie is duidelijk: “Vergeet Gaza!”

Het is weliswaar anderhalf jaar geleden dat Ellian opriep om Gaza te vergeten vanwege Darfur, maar hij herhaalt zijn harteloze argumentatie vandaag weer in de NRC:
De enorme aandacht voor de Palestijnen roept de vraag op: zijn de Palestijnen het zieligste volk op aarde? Beslist niet. De Palestijnen, in vergelijking met andere volkeren in conflictgebieden, krijgen de meeste aandacht van internationale organisaties, staten en media. Afrikanen of Tsjetsjenen worden soms massaal en opzettelijk – echt onvergelijkbaar met wat de Palestijnen meemaken – afgeslacht door ondemocratische regiems of groepen.”

Maarten Meester betoogt (speels?) in deze trant:

“De Australische filosoof Peter Singer pleit in zijn boek Eén wereld terecht voor een ethiek die uitstijgt boven zelfzuchtige, nationalistische en/of racistische overwegingen.
‘Moreel maakt het geen verschil of de persoon die ik help een kind van de buren is’, schrijft hij, ‘tien meter bij mij vandaan, of een Bengalees wiens naam ik nooit zal weten, tienduizend mijl ver.’

Om mensen op afstand te kunnen helpen, moet je ook weten wie er het meest lijden en wie het hardst hulp nodig hebben.”

 Ik ben het met Ellian en met Maarten Meesters argumentatie zeer oneens.

Ten eerste is het bij het helpen en in de kwesties van medemenselijkheid gerechtvaardigd om naar leed te kijken ongeacht ander leed. Misschien is het op het vlak van politiek en lange termin strategie belangrijk om uiteindelijk  bepaalde afwegingen van resources te maken. Maar noch voor de media noch voor individuen geldt deze noodzaak tot top-down-afweging. Ik mag me om mijn buurvrouw druk maken die migraine heeft ook al gaan miljoenen mensen dood, daar is moreel niets mis mee.

Ten tweede is het in de kwestie Gaza van belang dat de Nederlandse regering het buitenproportionele Israëlische geweld niet heeeft veroordeld.
Ten opzichte van Darfur geldt dat bijvoorbeeld niet.
In Nederland is er een controverse rond Gaza, maar niet, of niet in dezelfde mate rond Darfur.

Ellian c.s. willen schijnbaar Darfur helpen, omdat daar het grote onrecht gebeurt. Wat zij in werkelijkheid doen, dat is onrecht goed praten met verwijs naar nog groter onrecht.
Dit is in mijn ogen amoreel.

Het beroep op Voltaire

32 comments

voltaire werner horvath Het beroep op Voltaire
Ik vind het onverteerbaar hoe politiek-rechts Voltaire misbruikt, Voltaire, die juist een pleitbezorger was van religieuze tolerantie en verdraagzaamheid.
 

Maarten Doorman bekritiseert in de Volkskrant de vermeende Voltaire-erfgenamen: “Nu zien strijders voor de vrijheid van meningsuiting steeds een belangrijk ding over het hoofd. Want als je daarvoor strijdt, is dan niet de eerste vraag die je je moet stellen, wie de meeste vrijheid van meningsuiting heeft, en wie de minste? En ligt het dan niet voor de hand je strijd te beginnen bij wie de minste vrijheid hebben, degenen die nauwelijks in het parlement vertegenwoordigd zijn, die geen eigen landelijke kranten of omroepen hebben, laat staan columns, podia, netwerken, geld, welbespraaktheid en succes? Wat beweegt publicisten als Afshin Ellian, Joost Zwagerman, Max Pam, Leon de Winter e tutti quanti zulke zwakke tegenstanders op te zoeken?

Zouden deze heren, die de erfenis van de Verlichting menen te verdedigen en zichzelf zien strijden in het voetspoor van de grote Voltaire, hun geluid niet wat moeten dempen in het besef dat Voltaire, althans in zijn betere momenten, voor de zwakken zonder stem opkwam, al streed hij daarbij dan, inderdaad, vaak tegen het geloof en was hij in die strijd soms even koket? Waarom voegen ook nieuwe rekruten als Zwagerman zich nu bij het leger van de sterken en luidruchtigen? Wie kan hier steun gebruiken? Het is een vraag die al die dappere publicisten zich vanaf de barricaden der vrije meningsuiting eens wat grondiger mochten stellen.”

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier,  proberen Ellian en Cliteur een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

Een reden voor Voltaire aanhangers om Voltaire op handen te dragen is diens schelden op Mohammed.  “Voltaire [schilderde] de figuur van Mohammed [...] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006) Al sinds de Christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld. “Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed die in de lijn ligt met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed  uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren. “Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

Sjoerd de Jong: “Kritiek op religie – nu vooral de islam-  waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire: “Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” (NRC 6-4-2004)
De minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur verabsoluteerd wordt: “Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om hete zeggen.’
Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ ”

John Gray, volgens Paul Cliteur een “demagoog” die “vreselijke dingen” beweert, opent zijn boekje over Voltaire met de volgende alinea: “If, despite its history, we think of philosophy as the disinterested pursuit of truth, then Voltaire was no philosopher. He lived and died, the exemplay philosophe, a partisan. Nothing is further from Voltaire’s thought than the spirit f inquiry. Nor, despite his excoriating sarcasm and the unquenchable vivacity of his pessimism, was Voltaire’s view of humankind detached or cynical. He was a lifelong propagandist for a secular faith. The object of Voltaire’s ‘philosophy’ was not to advance inquiry, still less to foster sceptical doubt. It was to found a new creed. Voltaire sought to supplant the Christian religion by the faith of the Enlightenment. His tireless raillery was meant in deadly earnest. His opposition to Christian fanaticism had itself a fanatical bent. Voltaire’s life work was to set European life on a new foundation by constructing a successor to Christianity.” (Voltaire, p.1).

John Gray gaat zowel met kritiek als ook met hoogachting in op het werk van Voltaire. Hij onderkent twee verschillende componenten in Voltaires werk: het fanatieke verlichtingsfundamentalisme, dat een seculiere religie wilde stichten, en het kritische denken, dat voor de emancipatie opkwam. Het is mijn stelling dat Cliteur en Ellian erven zijn van de eerste component bij Voltaire, dus van het fanatieke secularisme, maar niet van de emancipatoire gedachte.

Cyrille Offermans over de kritische component bij Voltaire:  “Voltaire was geen geharnast atheïst en ook geen vooruitgangsoptimist, hij geloofde niet in de vervolmaakbaarheid van de wereld noch in een intellectuele of morele superioriteit van het Westen. En ja, Voltaire zou met genoegen gehakt hebben gemaakt van de militante conservatieven die zich tegenwoordig op hem beroepen als ze de superieure zegeningen van onze verlichte westerse wereld bezingen in schril contrast met de achterlijkheden van de moslims.” (Voltaire, opgewekt en multicultureel, Trouw 27-3-2004)

Voltaire beledigde de machtige katholieke kerk, terwijl Ellian en Cliteur een kwetsbare minderheid kwetsen

P.S.
ALS  rechts zich op überhaupt Voltaire wil beroepen kan dat het beste gebeuren door zich in de traditie van Voltaire’s racisme te stellen. In zijn Traité de métaphysique (1734) verklaarde Voltaire, dat de “blanken superieur waren aan de negers, zoals de negers superieur zijn aan de apen” (geciteerd naar Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid, p. 294)
.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Carl Schmitt en het gedachtegoed van de Leidse Burkianen

25 comments

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de Burke Stichting is om verschillende redenen zeer belangrijk. Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn oratie. [1] Cliteur en Ellian bespreken Schmitt uitvoerig in Encyclopedie van de rechtswetenschap deel 1 ( 2006) .

Op de website van de Edmund Burke Stichting staat over Carl Schmitt:
“ Schmitt was een briljant en controversieel jurist, één van de meest invloedrijke Duitse politieke denkers. Zijn radicale en systematische kritiek van liberaal-democratische idealen is nog steeds hoogst relevant. Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus geeft een haarscherpe analyse van de inconsistenties van de representatieve democratie. Het boek is geschreven in 1923 en werd door critici beschouwd als een poging om de parlementaire democratie te ondermijnen. Het was echter Schmitt’s poging de Weimar constitutie te verdedigen. Schmitt zal vanwege zijn nazi-verleden altijd omstreden blijven, maar onderdelen van zijn werk staan in het beste van de Westerse beschavingstraditie.”[2]

Ten tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.

Oud-Burke-directeur Bart Jan Spruyt haalde Carl Schmitt instemmend aan in zijn artikel Amerika bombardeert het Kwaad weg[3] en pleitte na de moord op Theo van Gogh “voor een Ausnahmezustand na het recept van de Duitse politiek denker Carl Schmitt om ‘onze democratie weerbaar te maken’ tegen ‘de islam als zodanig’.”[4] Spruyt maakte in zijn recente publicaties, o.a. in het door Afshin Ellian publiekelijk uit de hand van Spruyt in ontvangst genomen boek De toekomst van de stad ( en Ellian staat in maart 2006 nog steeds met Spruyt en diens Schmitt-verheerlijking afgebeeld op de website van de Burke Stichting) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne.[5] Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[6]

Burkiaan Jerker Spits noemt ook Carl Schmitt als een groot voorbeeld. Schmitts nazi-verleden is voor Spits geen reden om het gedachtegoed van Schmitt te mijden:
” Wie Schmitt in het nazistische klimaat van de jaren dertig opsluit, gaat voorbij aan de zeggingskracht van zijn politieke filosofie voor onze tijd. […] De vrijheid van het denken mag niet ten prooi vallen aan politieke correctheid.” (Trouw, 14-4-2005)

Ook Paul Cliteur staat met zijn opvatting, dat de rechtsstaat secundair is tegenover een autoritaire staat, en dat het ordescheppend staatsgezag belangrijker is dan de democratie[7] geheel in de denktraditie van Carl Schmitt. Paul Cliteur stelt in zijn boek Nederlands recht : “Een vraag die men kan stellen is waarin de geheimzinnige kracht schuilt die een volk ‘tezamen houdt’?”[8] Cliteur geeft een aantal antwoorden op deze vraag, zoals taal, geschiedenis en cultuur. Hij vergeet een belangrijke, griezelige, maar zeer effectieve “geheimzinnige kracht” “ te noemen “die een volk ’tezamen houdt’”: het creëren van een vijand. Dit is wat Carl Schmitt bepleitte. Schmitt kort en cru samengevat: ”Everybody needs a scapegoat.”[9]
Cliteurs pleidooi voor een monocultuur past ook in de denktrant van Schmitt.
“Schmitt condemned diversity because a monolithic Volk could more successfully compete against rivals than a fractionalized state.”[10]


[1] “Terecht constateert Carl Schmitt in zijn Politische Theologie, dat alle pregnante begrippen van de moderne staatsleer geseculariseerde theologische begrippen zijn:[…]” Sociale cohesie en islamitische terreur, oratie 18-4-2006.
[2] http://www.burkestichting.nl/nl/studenten/boeken20steeeuw.html
[3] de Volkskrant, 19-4-2003, Reflex (deze artikel is  niet vinden in het online-archief, alleen op microfiche)
[4] Ger Groot, De boel uit elkaar trekken, NRC Dossier Moslimterreur; zie Bart Jan Spruyt, Conservatieve identiteit tegen linkse uitverkoop, In: Hoe nu verder (2004) , p.42.
[5] Vg. ook Dick Pels, Een zwak voor Nederland, p. 228.
[6] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[7] Hutspot Holland,p. 175.
[8] Nederlands recht, p. 55.
[9] Nasr Abu Zaid, Voice of an Exile, p. 193.
[10] Claudia Koonz, The Nazi Conscience, p. 56.

Afshin Ellian en de nazi Carl Schmitt

no comment

ellian Afshin Ellian en de nazi Carl SchmittIn zijn NRC-column van vandaag heeft Afshin Ellian het weer eens over de nazi Carl Schmitt, een denker die hij aanduidt als “Duitse jurist en politiek-filosoof”. In zijn column brengt Ellian het Schmittianse denken correct in verbinding met de radicale islam.
Helaas verzwijgt Ellian de populariteit van het Schmittianse denken bij hemzelf en bij zijn vrienden van de Burke Stichting. Ook verzwijgt Ellian dat Carl Schmitt een nazi en antisemiet was; de aanduiding van “ jurist en politiek-filosoof” dus een hoogst merkwaardige is.

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de Burke Stichting is om verschillende redenen zeer belangrijk. Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn Leidse oratie (citaat zie hieronder)

carl schmitt Afshin Ellian en de nazi Carl SchmittTen tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen die Schmitt niet expliciet noemen (Kinneging, Cliteur) duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon in het openbar debat, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.

Kees Schuyt gaat in zijn Leidse Cleveringa –oratie 2006 Democratische deugden (vaste link) uitgebreid in op Spruyt, het neoconservatisme en Carl Schmitt. Carl Schmitt heeft, zoals ook Schuyt beklemtont, een grote involed gehad op de neoconservatieve revolutie.
Over Schmitt schrijft Schuyt verder:
“Het vriend-vijanddenken werd tot het uiterste aangescherpt door de nationaal-socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt die in1932 de legale machtsovername juridisch voorbereidde en legitimeerde […] . Scherpe tegenstellingen vormen het wezen van de politiek, beweerde Schmitt, en de vijand die een existentiële bedreiging van het eigen ik vormde moest met alle geweld bestreden worden. De theoretische vijand in zijn rechtsleer was de eeuwige vijand uit Hitlers Mein Kampf” (p. 16).
De vermenging van politiek en theologie, die men Schmitt aantreft, en die Schuyt hard bekritiseert, wordt door Afshin Ellian in zijn Leidse oratie van 2006 wél goedgekeurd. Ellian: “Terecht constateert Carl Schmitt in zijn Politische Theologie, dat alle pregnante begrippen van de moderne staatsleer geseculariseerde theologische begrippen zijn:[…]” (Sociale cohesie en islamitische terreur, oratie 18-4-2006).

Recente berichten

Categories

Tags

Archives