Christiaan Huygens over de zintuigen van mensen en planetenbewoners
In zijn laatste tekst “ Cosmotheoros ” (1698) schrijft Christiaan Huygens uitvoerig over het zonnestelsel en de planeten, maar ook over de mogelijkheden van de mens, en over de eigenschappen van de planetenbewoners, die hij hieruit afleidt.
Hieronder volgt een bewerking van een originele passage uit de Cosmotheoros. Deze passage komt later op een leuke manier terug in Voltaires kleine sciencefiction “Micromegas”, die op veel manieren aanspeelt op Huygens’ Cosmotheoros. Waar Huygens de planetenbewoners maar vijf zinnen toestaat, vertelt Voltaire over meer dan duizend zintuigen bij de buitenaardse wezens….
Over de zintuigen
Uit Christiaan Huygens’ Cosmotheoros:
(bewerking/vertaling Maria Trepp)
“[…] Ik voel wel dat ik te snel doorga, want eerst moeten de lichamelijke zintuigen van de planetenbewoners worden onderzocht, zonder welke zij nauwelijks als levend kunnen worden beschouwd, zoals de dieren zijn; en anders zouden zij ook niets hebben waarvoor zij de rede zouden kunnen gebruiken of oefenen.
Ik denk dat we voldoende bewijs kunnen leveren dat die (planeten)dieren, zowel de rationele alsook irrationele, ten opzichte van de zintuigen met alles op Aarde overeenstemmen. Als we kijken waartoe de dieren in staat zijn met behulp van de visuele waarneming, en dat zij zich zonder deze niet zouden konden voeden en ook niet ontsnappen aan gevaren, en niet anders zouden leven dan mollen en regenwormen, zullen we noodzakelijkerwijs moeten aannemen dat, als de dieren beter zullen functioneren dan mol en de aardworm, zij het zintuig van het zien moeten bezitten, die voor het behoud en het genieten van het leven het meest belangrijke is.
Als we namelijk de wonderbaarlijke natuur van het licht beschouwen, en de buitengewone kunst, hoe de ogen zijn gemaakt om dit licht te genieten, zullen we makkelijk begrijpen dat men de kennis van verre dingen, en de beschrijving van verre figuren, of het begrip van hoe ver verwijderd deze zijn, op geen andere manier kan bereiken dan door het zien.
Het zien kan niet zijn zonder een van buiten komende beweging. Deze beweging, waardoor het zien mogelijk wordt, komt (zoals we elders hebben uitgelegd) van de zon, de sterren of door het vuur, waarbij deeltjes worden opgewekt door een snelle beweging, die de hemelse materie die hen omringt voortdurend stoot en drijft. Deze beweging wordt van de dichtst bij gelegen dingen overgedragen op de ver weg gelegen dingen door de lucht, bijna op dezelfde wijze als het geluid.
——Huygens heeft het hier over zijn golftheorie van het licht-——
Als deze beweging en de materie van de ether die de ruimte van de hemel vult niet zou bestaan, zouden we noch de zon noch de sterren, nog andere hemellichamen zien, omdat de beweging van de kleinste deeltjes in hun richting terug wordt kaatst en naar ons toe komt; en dit, opgevangen met het zintuig van de ogen, wordt het licht genoemd.
Dit zintuig is meer dan de andere zintuigen te bewonderen, omdat dit zintuig zo gevoelig is gemaakt dat men de geringste beweging van de hemelse materie waarneemt, en zelfs waar vandaan deze beweging komt. Verder is het ook wonderbaarlijk hoe de beweging van het licht, die zich bolvormig in alle richtingen tegelijk uitbreid, andere beweging niet hindert. Al deze dingen zijn zo mooi en mysterieus geordend, dat het verstand van mensen dit nooit zou hebben kunnen bedenken, en men kan ook nauwelijks begrijpen hoe dit allemaal mogelijk is.
Want het is gewoon geweldig dat er een deel van het lichaam van de dieren is, dat zeer vakkundig is ontworpen, en waarmee een dier waarneemt, hoe de verre lichamen zijn ontworpen, waar dan ook ze gesitueerd zijn; hoe ze bewegen; hoe ver weg ze zijn; en – zodat er niets aan duidelijk begrip ontbreekt- , wat voor verschillende kleuren ze hebben.
——“vakkundig is ontworpen”: Huygens gelooft in de 17e-eeuwse variante van “intelligent design”, physico-theologie. ———-———————————-
Dus de wereld kan het mechanisme in het oog niet genoeg bewonderen, waar zich op de holle ruimte van het netvlies alle dingen uit de omgeving afbeelden en inprenten, en het is waarschijnlijk niets anders te vinden waar God de kunst van de geometrie duidelijker heeft gebruikt. Dit alles wordt bedacht en vormgegeven met veel kunst, en als je zorgvuldig naar de zaak kijkt lijkt het ook erop dat het op geen andere manier zou kunnen worden gemaakt dan zoals we het hier op Aarde zien.
Het licht zou de dingen die ver weg gelegen zijn aan onze zintuigen niet anders dan door middel van de beweging van hemelse materie kunnen overbrengen; en zo kan ook voor een duidelijke voorstelling van de vorm van alle dingen niets vakkundiger dan het oog worden bedacht.
Ik ben van mening dat degenen zich vergissen die menen dat alles op een andere manier geordend is. Het lijkt zeer waarschijnlijk dat het licht en het zien op dezelfde manier werkt in de planetenlanden als bij ons, en dat het zien met ogen bij de dieren die daar wonen niet anders is dan bij ons. Bijgevolg zullen zij ogen hebben, ten minste twee, waarmee ze kunnen zien hoe ver dingen van hun voeten verwijderd zijn, en zich dus naar voren kunnen bewegen zonder te botsen. Alle planetendieren zullen voor hun levensonderhoud van ogen moeten zijn voorzien. In ieder geval moet men ervan uitgegaan dat degenen die verstand en zintuigen hebben, met het gezichtsvermogen, deze prachtige parel, moeten zijn toegerust omdat dit kan worden gebruikt voor nog veel meer.
Met het gezichtsvermogen nemen we de schoonheid van de kleuren waar, de subtiele vormen van gestaltes, lezen en schrijven wij, kijken we naar de hemel, de sterren en hun loop en meten hun grootte.

Of en hoe we deze dingen van de planetenbewoners kunnen verwachten, we zullen nog zien. Maar eerst laten we eens kijken naar de vraag of het waarschijnlijk is dat ze ook onze andere zintuigen hebben.
Wat het gehoorvermogen betreft, hebben we reden om te veronderstellen dat het bij alle dieren op de planeten aanwezig is. Het gehoor is met name nuttig om te beschermen tegen gevaar, omdat men een op handen zijnde ongeluk als geluid en lawaai waarneemt, vooral ‘s nachts als men niets ziet. We zien ook dat de meeste dieren hun soortgenoten met hun stem roepen, en hiermee veel voor elkaar aanduiden dat wij niet begrijpen, maar waarmee misschien meer wordt uitgedrukt dan wij denken.
Als we bedenken, hoe rationele wezens de stem en het gehoor zo geweldig gebruiken, zo is het bijna onmogelijk om te geloven dat een dergelijk onvergelijkbaar zintuig en de gave van het woord alleen maar omwille van onze planeet was uitgevonden. En hoeveel minder welzijn en comfort hadden de planetenbewoners, die dit zintuig niet hadden, en waarmee zouden zij het kunnen vervangen?
Als we doorgaan te beschouwen hoe prachtig en bekwaam de natuur het heeft geregeld dat juist de lucht waarin wij ademen en leven ook met haar beweging de schepen aandrijft en de vogels de gelegenheid geeft om in het rond te vliegen, maar tegelijkertijd zodanig van aard is, dat in haar het geluid wordt uitgedrukt en voortgeplant, zullen we niet gemakkelijk geloven dat het grote voordeel van de lucht in die planetenlanden ontbreekt. Want dat er lucht is in die landen, die is gelegen op het oppervlak van de planeet, daaraan kan niet worden getwijfeld nu we we weten dat er wolken zijn op Jupiter.
Wolken bestaan uit kleine waterdruppels en uit kleine waterdeeltjes, die zich hiervan afzonderen en rondzweven; zo wordt grotendeels de lucht gegenereerd, die de aarde omringt. Een dergelijke atmosfeer veronderstellen wij dan ook rond de planeten, omdat met de adem het leven van alle dieren om ons heen wordt onderhouden, en het lijkt erop dat de natuur het zo heeft besteld, net zoals het voedsel uit de vruchten van de aarde.
Ik ga door over de andere zintuigen van dieren. Het lijkt erop dat de gevoelszin of de gevoeligheid van aanraking aan alle wezens gegeven is die bedekt zijn met een zachte en beweeglijke huid, zodat zij wonden kunnen vermijden door te kunnen ontsnappen. Zonder dit zintuig zouden zij anders vaak gewond, geslagen en geduwd worden. De natuur is hierbij zo voorzichtig geweest dat ze ook nog het kleinste stukje huid gevoeligheid voor pijn heeft verleend. Vandaar moet men geloven dat deze juist voor het behoud van de gezondheid zo noodzakelijke kracht ook aan de planetenbewoners wordt gegeven.
Maar wie zal ontkennen dat geur en smaak onmisbaar zijn voor degenen die voeding tot zich nemen, zodat ze het nuttige en schadelijke kunnen onderscheiden. Indien dieren in de planetenlanden zich voeden met kruiden, zaden, of vlees, is het waarschijnlijk dat ze ook dit zintuig bezitten, zonder welke er geen lust of walging bestaat.
Ik weet dat sommigen zich afvragen of er niet van nature nog meer zintuigen bestaan dan de genoemde vijf zintuigen. Indien men dit idee beaamt, zouden de planetendieren totaal andere zintuigen hebben dan wij. Ik zie niet in waarom men inderdaad niet ook op andere manier sensuele waarnemingen zou kunnen doen; maar als men zich afvraagt voor welk gebruik wij elk van de vijf zintuigen hebben, dan lijkt het niet noodzakelijk dat er nog een ander zintuig bijkomt of zou moeten bijkomen. Goddelijke Voorzienigheid heeft verordend dat we de samenstelling van de nabije en verre objecten met de ogen waarnemen. Verder, wat er achter ons is, of wat we niet kunnen zien in de duisternis, moet het gehoor waarnemen. En dan, wat we noch kunnen horen noch kunnen zien, dat zou ons een ander zintuig overbrengen, dat in de neus zit, zoals we ook weten van de heerlijk scherpe reukzin van honden. Wat deze vier zintuigen niet registreren dat laat de Goddelijke Voorzienigheid overbrengen door het gevoel, zodat we met ons lichaam niet ergens op schadelijke wijze tegenaan botsen.
De Goddelijke Voorzienigheid heeft dus de dieren alles voor welzijn en behoud noodzakelijke gegeven, en het lijkt erop dat men meer niet zou kunnen willen noch vragen, en de Goddelijke Voorzienigheid zou in het bovengenoemde geval (meer zintuigen dan vijf) de planetenbewoners dus iets overbodigs hebben gegeven.”
