Kunst Wetenschap Politiek

Archive for the ‘ Uncategorized ’ Category

Boodschappen doen bij de Nedermoslims

2 comments

Mijn Croissants haal

Ik bij Ak-Al

coissants nedermoslims Boodschappen doen bij de Nedermoslims

Mijn groente en vlees komen van

Mabroek (Beestenmarkt)

 

lamsnek nedermoslims Boodschappen doen bij de Nedermoslims

Lamsnek met paprika en pepers

Mijn postzegels haal ik bij de SPAR,

Waar

Een Turks gezin regie voert

 

postzegels nedermoslims Boodschappen doen bij de Nedermoslims

Nederland, Europa, Wereld!

 

Zie ook: Tulpen_voor_Wilders_De_islam_is_van_Europa

De verrechtsing van de VVD

32 comments

5757 banner uitkering vvd De verrechtsing van de VVDPieter van Os zet vandaag in de NRC de al lang gaande verrechtsing van de VVD op een rijtje, van Bolkestein via Hirsi Ali naar Wilders en Rutte.


Hiermee beschrijft hij op VVD-niveau wat ik in mijn Edmund Burke documentatie en in vele blogs op het niveau van de VVD’ers aan de universiteit Leiden (Kinneging, Cliteur, Ellian, Bolkestein, Spits) beschrijf.


Wilders komt uit de schoot van de VVD, hij is en blijft hun kindje. Niets beter dan een provocerende rechtsbuiten voor al die rechtse lui, die af en toe “Ts , ts, ts“ kunnen zeggen en stiekem erg blij zijn.


Pieter van Os heeft eerder ook uitstekende artikelen over de Edmund Burke Stichting geschreven (in De Groene Amsterdammer) ; ook deze zijn verwerkt in mijn documentatie en in mijn vele blogs.


Zee en sneeuw

no comment

zee en sneeuw Zee en sneeuwduinen met sneeuw Zee en sneeuw

gras met sneeuw Zee en sneeuw

schelpen en sneeuw Zee en sneeuw

nico met sneuw Zee en sneeuw

Schitterend Wereldmuseum in Rotterdam

23 comments

Er is veel kritiek op het nieuwe Wereldmuseum in Rotterdam, bijvoorbeeld vanwege neokolonialisme, commercie, mogelijke verkleutering, mondiaal vormingswerk…

Ik ben er geweest en ik ben helemaal weg.
wereldmuseum rotterdam2 Schitterend Wereldmuseum in Rotterdam

Dit is top; dit is super, dit is op alle manieren toegankelijk.

Gratis, maar haalt toch het geld uit de zakken van de rijken; het heeft ontzettend veel te bieden voor jong en oud en iedereen en is pér-fékt gelegen.
Ik had niet veel tijd en ben er zo ongeveer doorheen gerend.

Wat het meest opviel: de sterke relatie tussen de kunst van Oceanië en de moderne kunst.

wereldmuseum rotterdam Schitterend Wereldmuseum in Rotterdam

antropomorfe figuren nieuw guinea Schitterend Wereldmuseum in Rotterdam

Adembenemend hoe deze antropomorfe figuren zijn opgesteld met hun schaduwen…

vogel vis gevangen nieuw ierland Schitterend Wereldmuseum in Rotterdam

De tentoonstelling “Oceanië” is alleen gratis voor museumkaarthouders, maar ook de vaste collectie heeft zeer veel schitterende Oceanië-voorwerpen.

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.


Zonsondergang en volle-maan-opgang in de duinen

20 comments

Terwijl ik vandaag ten zuiden van Katwijk door de duinen naar de zee liep zag ik links de zon ondergaan, en rechts van mij de maan opgaan.

De foto’s zijn iets donkerder dan de werkelijkheid. Het was 16.15.

zonsondergang in de duinen Zonsondergang en volle maan opgang in de duinen

Zonsondergang Katwijk 1 december 2009 16.15

volle maan over de duinen Zonsondergang en volle maan opgang in de duinen

Maanopgang Katwijk 1 december 2009 16.15


Andere volle-maan-blogs van mij:
Maanspiegelingen (ondergaande maan over de zee in Katwijk)
Maan en haven/Manet
Lentemaan
Maneschijn/Van Gogh/Corot/Hiroshige
Volle maan over het Holocaust-monument Berlijn De maan bij Vincent van Gogh
Maanspiegelingen ( Katwijk)
Wintermaan Maannacht in het Gemeentemuseum/ Jan sluiters etc
Vogelwolken voor de maan Novembermaan
De maan en Japan: De vertelling van Genji
Molen en maan in Leiden
De sterrenbode: Galilei en de telescoop
Maan en zwaan in Leiden
Zwarte zwaan onder de volle maan
Maan en zwaan/ Empty paradise Hond en maan
Midzomernachtsdroom: de vrouw in de maan
Volle maan .. bij Mondrian…
Betovering: rode maan en sterren(Meret Oppenheim)

Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc

no comment

zwaanleda charlotte mutsaers Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc
 
 
 
in de volkskrant (27-11) zag in een mooie afbeelding van een tekening van charlotte mutsaers “leda”.
 
hier een paar moderne leda’s:
 

paul cezanne leda au cygne Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc

 Paul Cezanne, Leda
 
gustav klimt leda detail Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc

Bij Klimt is de zwaan zwart- apart!

andre lhote leda 1930a Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc

 Andre Lhote, Leda, 1930 (mijn favoriet)
 
gerrit bolhuis leda tekening 1955a Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc
 
gerrit bolhuis, leda (tekening 1955)
 
leda gerrit bolhuis Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc
 
gerrit bolhuis, leda (gezien museum beelden aan zee juli 2009)
 
william turnbull leda 1985 Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc

William Turnbull, Leda, 1985 ( Museum Beelden aan Zee)
 
Leda en de zwaan zijn hier een eenheid

Nog een Leda uit Beelden aan Zee, zie hier bij Solvejg

constant leda 1993a Leda in de moderne kunst/ Charlotte Mutsaers, Cezanne, Klimt etc

Constant, Leda, 1993
  

P.S. In Oostende is nu een een overzichtstentoonstelling van het  werk van Charlotte Mutsaers te zien (de tentoonstelling verhuist in april 2010 naar Den Haag, Letterkundig Museum).
 

Zie ook: Zwanen in de moderne kunst

 

 

Herman van Gunsteren over de multiculturele samenleving: Vertrouwen in democratie

no comment

herman van gunsteren Herman van Gunsteren over de multiculturele samenleving: Vertrouwen in democratiede leidse emeritus rechtsfilosofie herman van gunsteren staat vandaag op de opiniepagina met een interessant artikel over de pvv.
 
ik heb veel gebruik gemaakt van van gunsterens boeken in mijn documentatie over de leidse edmund burke stichting, waar van gunsterens rechtse rechtsfilosofen-collega’s cliteur, ellian en kinneging verzameld zijn.
 
eerder heb ik al over de bijdrage van kinneging en van van gunsteren in de martelkwestie geblogged (leidse hoogleraren over het marteldilemma: kinneging, mertens, van gunsteren)
vandaag hier citaten uit van gunsterens interessant boek vertrouwen in democratie, waar hij tegen een identiteitspolitiek en voor diversiteit in plaats van monocultuur.
 
als men in de democratie tot hoogwaardige oordelen en besluiten wil komen, zijn volgens hem een aantal randvoorwaarden vereist, waaronder diversiteit.
 
toch zegt ook hij dat een multiculturele samenleving tot problemen kan leiden, namelijk dan, als er geen uitwisseling van informatie tussen onafhankelijke individuen plaats vindt. als groepen in de multiculturele samenleving hun gang gaan zonder confrontatie en uitwisseling met anderen kan de democratie niet werken. intelligente zelforganisatie – en de democratie kan in het beste geval een intelligente zelforganisatie zijn – stagneert zonder voldoende diversiteit, maar ook zonder voldoende uitwisseling.
 
van gunsteren pleit voor diversiteit en ervoor “de boel bij elkaar te houden”- hij gebruikt de formulering van de amsterdamse burgemeester cohen (die door ellian tot “de grote ayatollah” werd benoemd, die maar beter naar teheran kan vertrekken). “de boel bij elkaar houden” vertaalt van gunsteren met: “rechtvaardig vorm te geven aan lotsverbondenheid” (p. 129)
 
van gunsteren schrijft over de praktische maatregelen waarmee burgerschap wordt gecreëerd:
 
“de mix van mechanismen waardoor burgerschap verzekerd wordt kan per regiem verschillen en mettertijd veranderen. recent worden in nederland in een viertal kwesties van burgerschap de accenten anders gelegd:

  1. Waar mag de eigen versie van het goede leven gestalte worden gegeven: onzichtbaar achter de voordeur of erkend in de publieke ruimte?
  2. Is er ruimte voor multiculturaliteit of dient iedere burger zich in de Nederlandse cultuur in te voegen
  3. Waar wordt burgerschap geleerd: in de praktijk, door te doen, of via cursussen en examens?
  4. Geldt loyaliteit van burgers jegens allen, of alleen jegens gelijkgezinden van goede wil?

 
In alle vier kwesties is recent het accent naar het laatstgenoemde alternatief verschoven, d.w.z. naar identiteitspolitiek, assimilatie, inburgering en gelijkgezindheid. De vraag is of hiermee gepaard gaande nieuwe mix van regels en instituties van burgerschap voldoende diversiteit produceert.” (p.132f.)
 
De huidige regering voert in vergaande overeenstemming met de eisen van Ellian/Cliteur een beleid om het Nederlands burgerschap te bevorderen. Daarmee, zo Van Gunsteren “ doet zij in feite mee aan een identiteitspolitiek die met de neutraliteit van de staat op gespannen voet staat. Burgerschap behelst in deze opvatting meer dan je aan de wet houden en de taal spreken. Het vraagt ook vertrouwdheid met en je invoegen in de Nederlandse cultuur. Wat die cultuur is wordt bepaald in cursussen en examens, alsmede in voorbeeldig gedrag van machthebbers die demonstreren hoe het in Nederland hoort. Burger zijn in deze visie verplicht zich normaal te gedragen. Wie afwijkt doet eigenlijk niet goed mee. Hij is een voorwerp van zorg en aandacht. Zeker nu in de veiligheidsstaat risicoburgers- dat zijn mensen die volgens de experts een gevaar vormen- verdacht zijn.
 
Vanuit de principes van zelforganisatie bezien betekent dit intomen van diversiteit een ernstig verlies van zelforganiserend vermogen van de democratie.” (p.139)
 
“De huidige nadruk op Nederlands burgerschap, op burgerzin en op assimilatie in de Nederlandse cultuur, leidt echter al gauw tot een disciplinering in braafheid waardoor het genereren van de voor zelforganisatie onmisbare diversiteit stagneert. “(p. 141)
 
“De nadruk op wat burgers bindt, op ‘elkaar vasthouden’, heeft een schaduwkant. De mensen van kwade wil, de afwijkenden en onverschilligen worden eigenlijk buiten de kring van burgers geplaatst. Zij zijn misschien wel burgers, maar geen goede, bruikbare burgers. Zij missen burgerzin. Ze beantwoorden niet  aan het plaatje van de gewone, fatsoenlijke burger.
Een alternatief voor deze eindplaatjes-benadering van het kabinet Balkenende [en van de Burkianen,M.T]  is een meer processuele en conflictuele visie op burgerschap als kernelement van vreedzame zelforganisatie. Die ziet vertrouwen als een bijproduct van de mogelijkheid om gezond te wantrouwen. Medeburgers hoeven niet allen het beste met elkaar voor te hebben. Het is voldoende dat ze zich in het maatschappelijke verkeer niet als vijanden gedragen, maar bereid zijn als tegenstanders binnen een geregeld speelveld conflicten uit te vechten.” (p.143)
 
 

Wuivende ruigte

8 comments

 Wuivende ruigte

Warmond, Broekpolder/ De Strengen 20 november 2009

riet ruigte2 Wuivende ruigte

riet ruigte3 Wuivende ruigte

Susan Neiman over realisme en idealisme, over Kant en over Edmund Burke

22 comments

susan neiman Susan Neiman over realisme en idealisme, over Kant en over Edmund BurkeEvelien Tonkens schrijft over Susan Neiman, wiens boek “Morele helderheid” ik met veel interesse heb gelezen en in mijn Burke-Stichting-documentatie heb gebruikt.

Ik citeer uit mijn hoofdstuk over “realisme”:


Het Wilderiaanse Nieuw-realisme met zijn wortels bij Wilders-peetvader Bolkestein is in feite een hobbesiaans realisme. De wereld wordt beschouwd als het toneel van een niet-aflatende strijd om  macht.[1] Volgens Hobbes is  de mens van  nature niet geneigd  tot het goede (altruïsme en samenwerking), maar eerder tot het kwade (egoïsme en machtsstrijd).

“Realistisch” is een hobbesiaanse houding inzoverre als ervan uit wordt gegaan dat de wereld, en de vijandige menselijke verhou­dingen daarin, op dit fundamentele niveau niet te veranderen is.

In de ogen van Susan Neiman is het hobbeaans realisme gevaarlijk omdat het de mens als een hopeloos geval ziet, dat je maar het beste zo strak mogelijk aan banden kunt leggen. De ‘oorlog van allen tegen allen’, die volgens Hobbes de natuurlijk staat van de mens verbeeldt, doet Neiman af als bovenmatig zwartgallig.
“De notie dat de mens van nature goed is, mag onzinnig zijn, het tegenovergestelde is net zo goed niet waar. Mensen zijn in staat tot onbaatzuchtige handelingen ten dienste van hun medemensen; sommige zetten daarbij zelfs hun leven op het spel. Dat zijn de morele helden die wij volgens Neiman nodig hebben, de voorbeelden die ons eigen idealisme vorm kunnen geven. Die helden zijn geen supermensen; ze zijn feilbaar, soms zwak en altijd heel erg menselijk.” NRC 2-1- 2009.

In haar boek “Morele helderheid” stelt Neiman betreffende het neoconservatieve “realisme”, dat conservatieven aan een overdaad van mogelijke metafysica’s lijden en een slingerpad bewande­len tussen een realisme dat de slechtste kanten van menselijke en ande­re naturen als ankerpunten neemt, en een idealisme dat blind is voor al­les behalve de weerspiegelingen van zijn eigen dromen (p 129).

Neiman beschrijft ook het realisme van Edmund Burke dat volgens haar typisch is voor het conservatief realisme:

“Zoals de meeste conservatieven maakt Burke gebruik van de retorische kunstgreep om zijn visie niet zozeer als een visie maar als een mix van gezond verstand en nuchtere observatie te presenteren. Ideeën en ideo­logieën zijn iets voor progressieven; conservatieven zijn simpelweg re­alisten die zich tevreden stellen met erop te wijzen hoe de wereld nu eenmaal in elkaar steekt. Het genoegen waarmee Burke de ‘bazelaars en avonturiers’ belachelijk maakt, verbergt op effectieve wijze dat zijn po­sitie eveneens stoelt op een specifieke en invloedrijke metafysica met haar eigen karakteristieke opvatting over de menselijke natuur.” ( p 137)

Neiman is Kant-specialiste en zij voert Kant aan tegen Burkiaanse nieuw-realisten:

“Een jaar nadat Burkes boek over revolutie was verschenen, publiceer­de Kant zijn antwoord in een pamflet genaamd ‘Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk’. (….) Kant schreef dat conservatieven zoals Burke karig zijn met hun ar­gumentatie maar scheutig met hun ‘voorname hooghartige toon’. Ze menen ermee te kunnen volstaan radicale standpunten te bespotten zonder die van henzelf te bevragen. Erger nog is dat ze niet opmerken in welke mate onze ervaring is geconstrueerd – en vaak opzettelijk – ter be­stendiging van een maatschappelijk systeem dat precies die mensen be­gunstigt die het als onvermijdelijk bestempelen. ` (p 137)

Net als Boukje Prins (“Voorbij de onschuld”) en met Kant zegt Neiman, dat de sociale werkelijkheid niets is is dat onafhankelijk van de mens bestaat, maar gemaakt wordt:
“Van nog groter belang is dat degenen die zichzelf realist noemen op verschillende manieren over het hoofd zien dat je de werkelijkheid op meer dan één manier kunt bezien. je visie op de werkelijkheid bepaalt je visie op wat je in die werkelijkheid tot stand kunt brengen.”( p 138)

Neiman pleit met Kant voor een idealisme dat de spanning tussen ideal en werkelijkheid vasthoudt. Zij keert zich zowel tegen plat realisme alsook tegen puur idealisme. Zij pleit voor een leven tussen ideaal en werkelijkheid, waarbij de werkelijkheid niet simpel kan worden waargenomen, omdat mensen de werkelijkheid altijd “door een bril” zien, en waar ook de idelaen niet makkelikk bereikbaar zijn (zoals de neoconservatieve nationalistisch-populistische idalen) maar geduld en een grote tolerantie voor frustraties eisen.




[1] Vgl het hobbesiaans realisme bij G.W. Bush, zie Rob Wijnberg, Nietzsche & Kant lezen de krant, p 92 ff; Susan Neiman, Morele helderheid.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Symbolistische boekillustraties: Jan Toorop en anderen

17 comments

Er is recentelijk een bijzonder hoogleraar “Illustratie” benoemd, Saskia de Bodt.

Illustraties zijn inderdaad een bijzondere vorm van kunst.

Aan de vele boekillustraties die ik op mijn blog heb staan voeg bij deze gelegenheid nog een paar mooie jugendstil/symbolisme-illustraties toe.


jan toorop metamorfoze louis couperus Symbolistische boekillustraties: Jan Toorop en anderen

Jan Toorop, Metamorfoze (Louis Couperus)

karel de neree tot babberich inleiding tot extaze couperus Symbolistische boekillustraties: Jan Toorop en anderen

Karel de Neree tot Babberich, Inleiding tot Extaze (Couperus)

passion flower aubrey beardsley malory Symbolistische boekillustraties: Jan Toorop en anderen


en een mooie gestileerde passiebloem van Beardsley


.

De melancholieke engel van de tijd/Erwin Mortier Godenslaap

22 comments

godenslaap De melancholieke engel van de tijd/Erwin Mortier GodenslaapDe prachtige roman van Erwin Mortier “Godenslaap” is een fantastische reflectie op de geschiedenis, op het herinneren en op het schrijfproces zelf.
 
De titelillustratie is in feite een illustratie van de tekst op pagina 142:
 
 
“[...] Toen vlamde, in het uiterste noorden, tegen de kust aan, min of meer op de plek waar mijn vader ons als kind had aangewezen waar Nieuwpoort moest liggen, ineens een rode gloed op uit de nevel. De mistbanken weerkaatsten dat geflakker, dat bijna meteen weer doofde.[..]
‘Lichtkogels,’zei iemand. ‘Ze steken boven de linies lichtkogels af.’ “

  
Uit Godenslaap (vijfde pagina van het verhaal, dat geschreven is uit het perspectief van een oude vrouw):
 
“’De engel van de tijd heeft me al meegenomen,’ zeg ik te­gen Rachida, de verzorgster, wanneer ze me ‘s ochtends uit bed helpt. Ik zeg het om haar te zien lachen. ‘Je kent de engel van de tijd toch? Hij zou de engel van de wraak kunnen zijn of de engel der victorie. Maar hij is ook de engel van de slaap en de Melancholie van Dürer.’
‘Ja, mevrouw Helena. Uw engelen zijn ingewikkeld.’  ( p 11)
 
De engel van de tijd, dat is de engel van de melancholieke kunstfilosoof Walter Benjamin, die een schilderij van Paul Klee bezat, Angelus Novus.
Hij schrijft erover (ik heb nog geen vertaling gevonden, en wil mezelf hieraan niet de vingers verbranden) :
 
paul klee angelus novus De melancholieke engel van de tijd/Erwin Mortier Godenslaap
Paul Klee, Angelus Novus
 
 
“Es gibt ein Bild von Klee, das Angelus Novus heißt. Ein Engel ist darauf dargestellt, der aussieht, als wäre er im Begriff, sich von etwas zu entfernen, worauf er starrt. Seine Augen sind aufgerissen, sein Mund steht offen und seine Flügel sind ausgespannt. Der Engel der Geschichte muß so aussehen. Er hat das Antlitz der Vergangenheit zugewendet. Wo eine Kette von Begebenheiten vor uns erscheint, da sieht er eine einzige Katastrophe, die unablässig Trümmer auf Trümmer häuft und sie ihm vor die Füße schleudert. Er möchte wohl verweilen, die Toten wecken und das Zerschlagene zusammenfügen. Aber ein Sturm weht vom Paradiese her, der sich in seinen Flügeln verfangen hat und so stark ist, daß der Engel sie nicht mehr schließen kann. Dieser Sturm treibt ihn unaufhaltsam in die Zukunft, der er den Rücken kehrt, während der Trümmerhaufen vor ihm zum Himmel wächst. Das, was wir den Fortschritt nennen, ist dieser Sturm.”-
Walter Benjamin, Über den Begriff der Geschichte, 1938.
 
Wat kunnen we, wat weten we eigenlijk als we de puinhoop van de geschiedenis proberen te overzien en te herinneren? 
 
durer melancholia i 1514 De melancholieke engel van de tijd/Erwin Mortier Godenslaap
 
Een melancholieke engel zit ook op Dürers beroemde en hierboven in Godenslaap genoemde ets “Melancholia I”, die de zwaarmoedigheid van het moderne geleerdenleven laat zien, en die  later door Goethe’s Faust zo goed in woorden werd gevat:
 
“Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
Da steh ich nun, ich armer Tor!
Und bin so klug als wie zuvor;
Heiße Magister, heiße Doktor gar
Und ziehe schon an die zehen Jahr
Herauf, herab und quer und krumm
Meine Schüler an der Nase herum-
Und sehe, daß wir nichts wissen können!
Das will mir schier das Herz verbrennen.
Zwar bin ich gescheiter als all die Laffen,
Doktoren, Magister, Schreiber und Pfaffen;
Mich plagen keine Skrupel noch Zweifel,
Fürchte mich weder vor Hölle noch Teufel-
Dafür ist mir auch alle Freud entrissen,
Bilde mir nicht ein, was Rechts zu wissen,
Bilde mir nicht ein, ich könnte was lehren,
Die Menschen zu bessern und zu bekehren.
Auch hab ich weder Gut noch Geld,
Noch Ehr und Herrlichkeit der Welt;
Es möchte kein Hund so länger leben!”

 
Uit teleurstelling met de schoolse wetenschap begint Faust aan magie; hij gaat dus op zoek naar het “Wilde denken”.
 
Ook de “Godenslaap’ is een zoektocht naar een andere werkelijkheid dan de alledaags-rationele; een zoektocht naar het tijdloze paradijs van het kind en naar het geluk van het lezen. De ‘Godenslaap’ is een filosofische roman die in de Walter Benjamin/Proust-traditie staat.

De oude vertelster: “Elke ochtend ga ik met mijn tong over mijn gebit, trots dat ik nog alle mijn kiezen heb, en lees in braille de grijns van de doodskop af in mijn vlees. Als memento mori volstaat dat.” Prachtig geformuleerd. Later gaat het zelfs over de schedel en het stilleven – zie mijn blog Stillevens van Picasso - :” [..] het hoofd van een dode dat in mijn hand lag als de welving van een gebroken kruik” (p 203).
 

Godenslaap’ vertelt in zorgvuldige, intieme beelden over de verschrikkingen van de oorlog.
 
Een belangrijk thema is de “obsceniteit“ van de dood en de oorlog:
 
“OBSCEEN was ook  de dood van Amélie Bonnard, als uit het niets getroffen [...]” (p 189)
 
“Obsceen is het woord dat ik herhaal. Obsceen de aanblik van Amélie Bonnard, ‘s middags nog een kind dat voor de spiegel haar lokken achter haar oren zal hebben ge­legd voor ze de rouge van haar moeder op haar wangen smeerde, tegen de avond een dood kindvrouwtje in een bruidsjurk. Haar schoenen leken niet te passen, te ruim om haar hielen te liggen, de handschoentjes te precieus, de paternoster te pathetisch, de sluier die we over haar hoofd en het verband getrokken hadden te etherisch in het licht van de kaarsvlam.” (p 205)
 
Mortier volgt hier Coetzee’s alter ego Elisabeth Costello en haar bespiegelingen over de obsceniteit van geweld en van de literatuur die geweld beschrijft (“Het probleem van het kwaad” in: “Elisabeth Costello”)
 

Stillevens/composities van Theo van Doesburg

no comment

In de grote internationale tentoonstelling over Theo van Doesburg in de Leidse Lakenhal, Van Doesburg and the International Avant-Garde: Constructing a New World zijn een aantal mooie kleurijke stillevens/ composities van Van Doesburg te zien.

Eerder heb ik over de stillevens van Picasso geblogged (Stillevens van Picasso/ Gemeentemuseum Den Haag) , en nu ik zie dat een stilleven in zijn abstracte vorm “compositie” wordt genoemd, denk ik, ja, daarom houd ik zo van stillevens, ze zijn in wezen al abstract.

theo van doesburg composition i still life 1916 Stillevens/composities van Theo van Doesburg

Theo van Doesburg, Composition I (Still Life) 1916

theo van doesburg composition ii still life 1916 Stillevens/composities van Theo van Doesburg

Theo van Doesburg, Composition II (Still Life) 1916

theo van doesburg composition iii still life 1916 Stillevens/composities van Theo van Doesburg

Theo van Doesburg, Composition III (Still Life) 1916

Zwanenveer

11 comments

een veertje kwam aan

als herinnering

aan de zwaan

veertje1 Zwanenveer

veertje2 Zwanenveer

veertje3 Zwanenveer

zwaan Zwanenveer

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Het wilde denken van Lévi-Strauss

112 comments

levi strauss Het wilde denken van Lévi StraussClaude Lévi-Strauss wordt niet gewaardeerd door brave burgers die hun libido vooral investeren in aanpassing, en die een verkorte rationaliteit prefereren boven zintuiglijkheid.
Lévi-Strauss waardeert namelijk het “wilde denken”.

Het zogenaamde wilde denken – magie en  mythe – ( “La Pensée Sauvage”)  is voor de net overleden Lévi-Strauss niet tegengesteld aan het wetenschappelijke denken maar loopt er parallel aan: beide vertalen zintuiglijke indrukken in verstandelijke begrippen en beide geven betekenis aan de culturen waartoe ze behoren.




Het ‘wilde denken’ is op de keper beschouwd even rationeel als het wetenschappelijke.

Net als Horkheimer en Adorno (en als Walter Benjamin die het Passagenproject de naam heeft gegeven)  wil Lévi-Strauss geen tegenstelling construeren tussen het voorwetenschappelijk magische denken en het wetenschappelijke denken, maar laat beide denkvormen in hun waarde. (Zie ook mijn blog Magie zonder magie ).

Vorig jaar verscheen een zeer leesbaar, verhelderend en kort boek over het denken van Lévi-Strauss van Ton Lemaire “Claude Lévi-Strauss. Tussen Mythe en muziek”.

Het wilde denken” noemt Lemaire het moeilijkste en meest theoretische boek van Lévi-Strauss.

Lemaire:
“Om te beginnen is het ‘wilde denken’ niet het ‘denken van de wilden’. Er wordt mee bedoeld een universele eigenschap van de menselijke geest, die ook bij ons, modernen, nog bestaat, zij het meer in de marge van onze samenleving: in kunst en poëzie, bij het knutselen en in sommige vormen van weten bij het volk. Deze vorm van denken is sinds de opkomst van filosofie en wetenschap in onze geschiedenis meer en meer verdrongen en mis­kend geraakt, maar ze is niet minder redelijk, alleen haar midde­len verschillen. ‘Wild’ denken en wetenschap zijn geen ongelijke stadia in de ontwikkeling van de geest, maar ‘twee strategische niveaus’ waarop de werkelijkheid gekend kan worden, de een dichtbij zintuiglijke waarneming en verbeelding blijvend, de andere op een zekere afstand begrippen construerend.’ Elke denkwijze heeft de neiging haar eigen objectiviteit te overschat­ten en andere te onderschatten; maar ‘de mens heeft altijd even goed gedacht’, alleen doel en middelen kunnen verschillen.[...]

Lévi-Strauss benadrukt hoezeer het wilde denken nieuwsgie­rig is, geïnteresseerd is in zo veel mogelijk kennis, los van prak­tisch nut. De kennis die inheemse samenlevingen van bijvoor­beeld hun omgeving hebben, is verbluffend. Vaak onderscheiden ze meer dier- en plantsoorten dan de wetenschappelijke zoölogie en botanie. Alle dingen en wezens worden onderscheiden, gedif­ferentieerd, geclassificeerd in complexe en verfij nde taxonomieën. Met andere woorden: men brengt voortdurend orde aan in de waarneembare wereld, net als 00 k de westerse wetenschap primair begint met het opstellen van taxonomieën. Maar dit ordenende denken, dat bovendien niet rust voor het een totaalbeeld van de wereld heeft, beweegt zich op het vlak van een ‘concrete logica’, namelijk een logica van de ‘zintuiglijke kwaliteiten’ en niet – zo­als onze wetenschap – met formaliseerbare, abstracte, kwantita­tieve concepten.

Een dergelijk denken is dus alles behalve een ‘mystieke parti­cipatie’ vanuit een soort oer-eenheid van mens en wereld. Men classificeert en men verkent de werkelijkheid in termen van de zintuiglijkheid zelf, in een denken dat nog niet begrippen con­strueert op afstand. Het lijkt onwetenschappelijk omdat de we­tenschap vanaf de i zde eeuw zich heeft gericht op de ‘primaire’ eigenschappen van de dingen (kwantificeerbaar) en de ‘secun­daire’ aspecten (geur, kleur enzovoort) – dus al dat wat zintuigen en verbeelding het meest treft – terzijde heeft geschoven als sub­jectief en oppervlakkig. Het is nu de basis intuïtie van Lévi­Strauss om de ratio aan te tonen van deze secundaire kwaliteiten en daardoor de logica van het concrete, die opereert in het veld van de zintuiglijke kwaliteiten, te integreren in de hoofdstroom van het (natuur)wetenschappelijk denken. Op die manier her­ontdekt en rehabiliteert de wetenschap de ‘onuitputtelijke les­sen van een zinruiglij ke wereld die ze eerst had gemeend te moe­ten afwijzen’.’ Zo schrijdt de moderne wetenschap voort door haar kaders te verruimen en zodoende datgene te integreren wat ze eerst als irrationeel had afgewezen. De rationaliteit van het wilde denken wordt beseft op het historische moment dat de na­tuurwetenschappen deze secundaire kwaliteiten weer gaan be­trekken in hun onderzoek en de geschiedenis van de kennis wordt zo een ‘gesloten systeem”. Vooruitgang van de weten­schap (als die er al is) vindt alleen plaats, stelt Lévi-Strauss, door­dat ze’ een poging doet om archaïsche etappen van haar ontwik­keling weer toe te eigenen’.”” ( p 60 ff)

————————————————–

NRC columniste Louise Fresco schrijft mooi over Lévi-Strauss ( 10-11-2009)

Lévi-Strauss is [...] een van de wetenschappers die ons wereldbeeld blijvend veranderd heeft, op hetzelfde niveau als Darwin. Zoals Darwin aantoonde dat wij deel uitmaken van een lange evolutionaire keten, liet Lévi-Strauss de eenheid zien in de verrassende verscheidenheid van de mensheid. In beide gevallen gaat het erom dat wij niet uniek zijn, niet als dier en niet als sociaal wezen.

Door die eenheid in mentale modellen hebben mensen de mogelijkheid elkaar werkelijk te begrijpen, hoe bizar, primitief of afwijkend de ander op het eerste gezicht lijkt. Daarmee heeft Lévi-Strauss tevens de basis gelegd voor een universeel humanisme dat de grenzen van ras en religie overstijgt. Hij gaf daarmee ook een uitwerking van het gedachtengoed van de Unesco, de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur, die zich na de Tweede Wereldoorlog mede tot doel stelde om het racisme en de ontmenselijking die leiden tot genocide voor altijd uit te bannen.
De inzichten van Claude Lévi-Strauss krijgen een nieuwe actualiteit in deze tijd waarin de nadruk weer ligt op verschillen tussen bevolkingsgroepen en op de eigen identiteit. De wijze waarop uiterst rechts de islam en islamistische medeburgers demoniseert, is niet veel anders dan hoe er in de jaren dertig in Brazilië over indianen werd gedacht (om maar over het fascisme van die tijd te zwijgen). Niet alleen delen bijna alle mensen ter wereld het identieke verlangen naar decent werk en de vrijheid om hun kinderen naar eigen inzicht op voeden, de manier waarop zij over de wereld denken verschilt niet fundamenteel. Lévi-Strauss stelde dat etnische afkomst en ras mentale constructies zijn. Daarin wordt hij nu volledig bevestigd door het modernste dna-onderzoek naar de evolutie van de mens.”

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Novemberdag/ Jan Toorop

9 comments

Koud, regen.
Spit in mijn rug.
Hond mag niet eten
vanwege operatie vandaag.

Oh bahhhhhh.


Ik houd me redelijk vrolijk met mijn passiebloemen count down.
Ze geven het nog niet op.
Echt waar.
Minimaal zes heb ik vanochtend gezien door natte brillenglazen.

passiebloem leiden 4 nov 2009 Novemberdag/ Jan Toorop

Passiebloem, Leiden 4 nov 2009

Ik maak nu elke dag foto’s en zal hier nog de laatste dag vermelden dat er passiebloemen waren (met foto!)

jan toorop novembermiddag 1885 Novemberdag/ Jan Toorop
Jan Toorop, Novembermiddag, 1885

Nu te zien in het Gemeentemuseum Den Haag in  ”Voorbij de horizon”


———————————————————————–

passiebloem leiden 6 nov 2009 Novemberdag/ Jan Toorop

6 nov 2009 Passiebloem Leiden

Xantolo- De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico

10 comments

In vele huizen in Mexico is het in de nacht van 1 november feest; dodenfeest.  De mexicanen vieren die nacht dat hun overleden familieleden en vrienden tijdelijk terug keren naar huis.

In de huizen staan prachtige altaars met kaarsen, bloemen en wierook . Ook is er eten en drinken zodat de geesten van de overledenen op krachten kunnen komen van hun reis en zich kunnen voorbereiden op het komende jaar. Het dodenfeest duurt de hele nacht en wanneer de zon opkomt gaan de zielen van de overledenen weer rusten en de levenden naar huis.

In het in Museum Volkenkunde Leiden staat een prachtig Mexikaans dodenaltaar ( tot en met zondag 8 november).

xantolo dood 1 Xantolo  De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico

Xantolo altaar

xantolo dood 2 Xantolo  De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico

Xantolo altaar

xantolo dood 3 Xantolo  De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico

Xantolo altaar

xantolo dood 4 Xantolo  De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico

Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees Schuyt

64 comments

Volgens Leidse wetenschappers ondermijnt Wilders de sociale cohesie.
 
wilders Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees SchuytWilders-aanhangers kunnen het hiermee nauwelijks oneens zijn, lijkt me, alleen zullen zij zeggen dat het nodig is de sociale cohesie te ondermijnen teneinde het multiculturalisme te verzwakken.

 
 
 
 
 
ellian Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees Schuyt
 
 
Wrang is wel dat een van de belangrijkste intellectuele steunposten van Wilders, de Leidse  hoogleraar Afshin Ellian, uitgerekend hoogleraar sociale cohesie is. Hij werd benoemd onder volkomen onduidelijke omstandigheden. Zijn kwalificatie voor hoogleraar “sociale cohesie” is niet bekend.
 
 
 
 
 
 
 
 keesschuyt Sociale cohesie en pluriformiteit: Wilders, Ellian, Kees SchuytEen andere Leidse hoogerlaar (Cleveringahoogleraar 2007), Kees Schuyt, energieke tegenstander van Ellian en van de Edmund Burke stichting die Wilders groot heeft gemaakt, heeft veel gepubliceerd over sociale cohesie.
 
Het is helemaal niet zo dat Schuyt pleit voor een sociale cohesie. Nee, hij zegt dat er ook te  veel sociale cohesie kan bestaan. Dan ontstaat er een “schier onontkoombaar wij-gevoel, en iedereen die daarbuiten valt wordt beschouwd en behandeld als vijandig.” ( Trouw, 3-2-2007) In die zin klopt het wel dat een man als Ellian, die de islam beschouwt als de pest, hoogleraar sociale cohesie is.
 
“Kees Schuyt: In de politieke discussies worden sociale cohesie en integratie vaak als synoniemen gebruikt. Dat is niet terecht en veroorzaakt veel verwarring. Vaak wordt niet beseft dat cohesie een chemisch begrip is dat iets zegt over de aantrekkingkracht tussen moleculen, over de mate waarin die aan elkaar kleven. Wanneer je zegt dat mensen aan elkaar kleven, dan heeft dat snel een negatieve connotatie. Het is een goed bewaard sociologisch geheim dat er ook te veel sociale cohesie kan zijn. Wanneer de neuzen allemaal één richting uit wijzen, wanneer er een sterk wij-gevoel heerst, is dat nadelig voor groepen die daar niet bijhoren. In nazi-Duitsland was in de jaren dertig sprake van een sterke sociale cohesie, zonder ruimte voor afwijkingen en kritiek, waarbij één groep en enkele andere afwijkende groepen zoals de zigeuners nadrukkelijk werden buitengesloten en vervolgd. Integratie daarentegen is iets anders. In een goed geïntegreerde samenleving is de verhouding tussen ik en wij, tussen het individu en de groep, in evenwicht. De individualiteit van mensen wordt niet door het collectief onderdrukt. Bovendien bestaat de samenleving niet uit één collectief, maar uit verschillende groepen, waartussen ook een evenwicht bestaat. Wanneer er één dominante groep is, is er tevens ruimte voor diverse minderheden. In tegenstelling tot sociale cohesie is integratie een dynamisch evenwicht binnen een systeem.“ (De Groene Amsterdammer, 15-12-2006)
 
 
Kees Schuyt, en ik met hem, pleit voor pluriformiteit in plaats van sociale cohesie.

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Schone slaapsters/ Edward Burne-Jones/Leighton

21 comments

frederic leighton schone slaapster 1895 Schone slaapsters/ Edward Burne Jones/Leighton

Frederic Leighton, Schone slaapster

Frederic Leighton schilderde zijn meesterlijke Flaming June rond 1895.

Een slapende vrouw met een sterke erotische lading… een soort doornroosje in oranje.
In dezelfde tentoonstelling in het Gemeentemuseum worden dan ook nog drie doornroosje-schilderijen getoond, gemaakt door Edward Burne-Jones.

edward burne jones doornroosje sleeping beauty Schone slaapsters/ Edward Burne Jones/Leighton

Edward Burne-Jones, Doornroosje


Waarschuwing: deze tentoonstelling met een tiental Prerafaëlieten is alleen geschikt voor romantische zielen….

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

De geschiedenis van Iran

no comment

Henk Müller recenseert vandaag in de Volkskrant “Het andere Iran” van Peyman Jafari.

“[...] Een aanzienlijk breder perspectief biedt ‘Het andere Iran’ van de Nederlandse politicoloog Peyman Jafari. De laatste twee eeuwen van de Iraanse geschiedenis beschrijft hij als een cyclus van winters die op lentes volgen. Het is een treffend beeld: de eerste lente is de Constitutionele Revolutie van 1905, waarin een gekozen parlement de macht van de sjah inperkte. Daarna volgen steeds experimenten met democratie en hervorming, die slecht aflopen. Nu zit Iran in de winter van Ahmadinejad, na de lente van Khatami.
Toch is Jafari niet pessimistisch. Iran is een bruisende samenleving met ‘genoeg interne krachten’ om haar eigen lot te kunnen bepalen – een zomer is niet uitgesloten. Jafari biedt een helder inzicht in de krachten die Iran maken tot wat het is, en tot wat het hopelijk eens zal worden.”


En in de NRC van 5 juni schreef Carolien Roelants:

“De Nederlands-Iraanse politicoloog Peyman Jafari bekijkt zijn onderwerp [...] op afstand; hij gaat bij niemand langs, maar laat de geschiedenis van het land spreken. Aan de hand daarvan wil hij tegengif verschaffen tegen niet alleen het beeld van Iran als totalitaire, fundamentalistische staat, maar ook tegen het tegenovergestelde clichébeeld van een eigenlijk westers Iran met hippe jongens en meisjes die de islamitische regels negeren. Iran is anders, is eigen, betoogt Jafari. De ondertitel van zijn nuttige boek, – ‘van de revolutie tot vandaag’ – duidt niet op de islamitische, maar op de constitutionele revolutie van begin vorige eeuw waarmee de Perzen al een hele vroege aanzet gaven tot democratisering. De islamitische republiek is de erfgenaam van de moderne idealen die toen werden geboren, al heeft ze die bepaald niet gerealiseerd. Niettemin is er een bruisende samenleving, die in staat is haar eigen lot te bepalen. Laat het buitenland in vredesnaam niet tussenbeide komen, is zijn boodschap.”


In zijn boek gaat Peyman Jafari onder meer in op

-        de ontwikkeling in Perzie: zoroastrisme en de opkomst van de islam; Iran en het sji’isme;

-       de ontmoeting en relatie met het westen en economische ontwikkeling; religie, filosofie en verlichting: bijdragen van Iraanse intellectuelen aan algebra, natuurkunde, geneeskunde;

-       de Constitutionele Revolutie (1905-1909): ondermijnde democratisering;

-       de autoritaire modernisering onder de Pahlavi’s;

-       de revolutie van 1979, Khomeini;

-       Rafsanjani en de wederopbouw; van populisme naar neoliberalisme;

-       Khatami en politieke hervormingen; religieuze intellectuelen en secularisering; vrouwenrechten; arbeidersbeweging;

-       Ahmadinejad en de terugkeer van het populisme; Iran, de vs en het nucleaire programma.


Uit de inleiding:

“Sinds de revolutie van 1979 die de sjah van zijn Pauwentroon stoot­te, staat Iran onafgebroken in de schijnwerpers.
[...] Drie decennia later blijft de Iraanse Revolutie intrigeren, vooral door de paradoxen waarmee ze het land heeft opgezadeld. De krachten die ze losmaakte, zijn nog lang niet uitgewerkt.”

Jafari keert zich tegen het door rechtse denktanks ( AEI; Edmund Burke Stichting) uitgedragen Samuel-Huntington-“clash-of-civilazations”-model:

“De aanhangers van de ‘botsing tussen beschavingen’ gaan uit van een mythische essentie in de islam die landen als Iran in de richting van dictatuur, terrorisme en botsing met het dernocrati­sche en seculiere Westen drijft. Terwijl het Westen gekenmerkt wordt door dynamiek, worden de islamitische landen als statisch gezien. Alles wat zich voordoet, wordt uiteindelijk tot de islam te­ruggevoerd. Deze overdreven obsessie met de islam heeft ervoor gezorgd dat de rol van politiek, sociale tegenstellingen en econo­mische ontwikkelingen aan onze ogen onttrokken wordt.  Iro­nisch genoeg zijn het juist de conservatieven in Iran die denken dat hun versie van de islam het allesbepalende zou moeten zijn. Ook zij geloven, net als hun neoconservatieve collega’s in het Westen, in de uitzonderlijkheid van de islamitische land en die de­mocratie, vrouwenrechten en allerlei vrijheden onmogelijk zou maken.
Wie de ‘botsing tussen beschavingen’ als vertrekpunt neemt, komt onvermijdelijk uit bij banale ‘analyses’ of eindigt met oor­logsverklaringen.’” ( p 11)


….Inderdaad “Bombardeer Iran” kopte het bladje van de Burke Stichting ‘Opinio’.


Peyman Jafari beschrijft niet alleen het fundamentalistisch Iran.

“ ’Het andere Iran’ zijn de vrouwen en mannen, met en zonder reli­gieuze ideeen, die dat project [van de onvoltooide revolutie] vandaag voortzetten. De obstakels die ze op hun weg vinden zijn niet gering. Aan de ene kant bevin­den ze zich tegenover hun eigen politici die keer op keer de roep om fundamentele veranderingen met repressie beantwoorden. Aan de andere kant worden hun pogingen ondermijnd door de economische sancties en de militaire dreigementen door het Wes­ten.
Ondanks deze problemen is er een bruisende samenleving in Iran ontstaan, die hunkert naar verandering en waarover de Isla­mitische Republiek steeds minder controle heeft.” ( p 186)


Jafari noemt in hoofdstuk 1 de architectuur van steden als Persepolis en de ingenieuze Perzische irrigatie- en communicatiesystemen.

Hier twee foto’s uit de (inmiddels afgelopen) tentoonstelling ‘Iran in vogelvlucht’ (in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden), gemaakt door de Zwitserse fotograaf Georg Gerster.

persepolis iran De geschiedenis van Iran

Persepolis

qanat iran De geschiedenis van Iran

Qanat ( irrigatiesysteem)


Katholicisme en antisemitisme

110 comments

jodenvraagstuk Katholicisme en antisemitismeAntisemitische en anti-joodse opvattingen zijn helaas verbonden met  de centrale leerstukken van het traditionele katholicisme.

Wie zich interesseert voor de geschiedenis van het Nederlandse katholicisme en antisemitisme, moet het dikke boek van Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Een donkere spiegel (2006)  gaan lezen. Dit valt in eerste instantie niet mee omdat het 1000 pagina’s betreft, maar in tweede instantie weer wel, omdat elk hoofdstuk voorzien is van een uitstekende beknopte samenvatting.

Poorthuis/Salemink  betogen en tonen aan, dat weliswaar katholiek antisemitisme niet gezichtsbepalend is geweest is voor het katho­licisme in zijn geheel vanaf 1870 in Nederland, maar desalniettemin structureel voorkwam bij een niet al te kleine minderheid katholieken. Terwijl binnen de kerk vaak principiële kritiek werd uitgeoefend op het binnendringen van het moderne antisemi­tisme in kerk en maatschappij, hield zich een “katholieke mengsel” van religieus antisemitisme en modern antisemitis­me bij bepaalde katholieke groeperingen.

Enkele conculsies van Poorthuis Salemink betreffende het katholiek antisemitisme ( p 799-803) :

1. “In de laatste decennia van de 19de eeuw heeft er een felle vorm van katholiek antisemitisme bestaan, gevoed door buitenlandse bronnen, waarin moderne (quasi)wetenschappelijke beschouwingen een rol speelden, naast religieuze motieven zoals de mythen over ‘godsmoord’, vermeende immoraliteit van de Talmoed en rituele moord. Dit felle antisemitisme kwam voor in ultracon­servatieve katholieke kring en was een mengeling van oudere religieuze en modernere seculiere motieven.”

2. “Het religieus geïnspireerde katholieke antisemitisme aan het einde van de 19de eeuw bleef, anders dan vaak gedacht is, niet verschoond van raciale motieven; het sprak over de etnische ‘vreemdheid’ van de joelen en pleitte op grond daarvan nadrukkelijk voor beperking van joodse burgerrechten bin­nen de nieuwe nationale staat. “

3. “De – nog steeds niet formeel herroepen – kerkelijke verordeningen van het Provinciaal Concilie van 1865, herhaald in 1924, over het verbod op familiale omgang met joden en op een vast dienstverband bij joodse werkgevers had­den aanvankelijk het doel om katholieken af te grenzen tegen ‘andersden­kenden’ [...] , maar werden eind 19de eeuw door onder anderen pater Gerlachus van den EIsen gebruikt als legitimatie voor een sociaal-economisch antisemitisme.”

4. “Binnen de sociale en politieke organisaties van de katholieke zuil ontwikkel­de zich tijdens het interbellum in bepaalde kringen een sociaal-economisch en politiek antisemitisme, dat onder de invloed stond van de zogenaamde ‘Oostenrijkse school’ van professor Eberle. Raciale motieven ontbraken, reli­gieuze motieven niet (bijvoorbeeld ‘aards messianisme’ van de joden toen en nu). Dit antisemitisme was ingebed in een radicaal moreel antikapitalisme.”

5. “Binnen het katholiek-culturele milieu bestonden groeperingen, met name te lokaliseren binnen de beweging van de ‘Katholieke Jongeren’, die in de jaren dertig hun afkeer van de democratie en keuze voor een corporatieve staat gingen verbinden met een felle vorm van antisemitisme, soms met inbegrip van raciale motieven. In dit antisemitisme speelden religieuze ele­menten geen rol van betekenis.”

6. “In het kerkelijk-theologisch milieu traden bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog auteurs als Johannes van der Ploeg en Tonny Ariëns naar voren die pleitten voor een politieke oplossing van het zogenaamde ‘joodse vraag­stuk’ op grond van een etnisch-raciale visie. Zij wilden de burgerrechten van de ‘vreemde’ joodse minderheid beperken. Religieuze motieven speelden hier geen rol. Men kan het een extreem-rechtse modernisering noemen. “

7. “Na 1945 verdween het antisemitisme niet onmiddellijk in katholieke kring. Het kreeg zelfs een nieuw (derde) leven in bepaalde katholieke kringen die de politieke afwijzing van de staat Israël legitimeerden met een hernemen van bepaalde anti-joodse vooroordelen. “


Van Alib de tip: “Een goed vervolg: Dr LMH Joosten; Katholieken en facisme in Nederland, 1920 – 1940.” Klik hier voor inleiding en samenvatting!\

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

De slangenvrouwen van Iris van Dongen

20 comments

iris van dongen suspicious iii 2008 De slangenvrouwen van Iris van Dongeniris van dongen suspicious iii 2008 De slangenvrouwen van Iris van Dongen
Vandaag opende in het Stedelijk Museum in Schiedam een tentoonstelling met monumentale schilderachtige tekeningen van “slangenbezweerder” Iris van Dongen, “Suspicious”.

Deze tekeningen zijn niet alleen mooi, maar ook technisch zeer interessant. Sacha Bronwasser schrijft in de bijhorende catalogus dat de tekeningen bestaan uit een ondertekening in felle kleuren pastelkrijt, waar dan lagen van krijt en houtkool overheen worden gezet, die met de vingers in het papier worden gepoetst.

Deze tekeningen sluiten ook sterk aan bij mijn eigen thema’s in mijn gedichten en foto’s op het blog (zie kader rechts voor mijn slangenblogs).
Toch kan ik mij niet vinden in de interpretatie die zowel de site van het museum alsook de begeleidende catalogus geven van deze schilderijen .  Daar worden de afgebeelde vrouwen beschreven als heldinnen, die de controle hebben over zichzelf, de natuur en het beest in de mens.
“Zij zijn de hogepriesteressen van de vrouwenmacht.”

Dit is – gelukkig-  niet op alle tekeningen zo; er zijn ook tekeningen mit passieve of melancholieke vrouwen te zien. Ik kan mezelf niet vinden in een simpel vrouwen-als-heldinnen-en-godinnen-verhaal net zo min als ik een mannen-als-goden-en-helden-verhaal interessant vind.

Hier dus een tekening (2008) van een mythologische vrouw met wie niet goed afliep: de nimf “Echo”.
iris van dongen echo 2008 De slangenvrouwen van Iris van Dongen

En hier ook nog een tekening (2008)  van een mooie, maar niet al te blije “heldin”: “Dionisis”.

iris van dongen dionisis 2008 De slangenvrouwen van Iris van Dongen

De gothic-culture is mij zeer sympathiek en ligt dicht bij mijn eigen voorkeur van motieven, maar ik houd afstand van een makkelijk en commercieel succesvol flirten met dood en zonde.

Ik houd van slangen, maar juist vanwege de ambivalentie die zij oproepen. Slangen zijn voor mij veel meer dan sierraad of huisdier.
Ze zijn ambivalente androgyne natuurwezens en cultuurdragers.

medusa2 De slangenvrouwen van Iris van Dongen

Ik houd van gevaarlijke slangenvrouwen, zoals van Medusa.

 

En hier…mijn nieuwste eigen slangenkuil…

slangenkuil maria trepp De slangenvrouwen van Iris van Dongen

———————————————————————————————————————
Vandaag 20 februari 20009 staat een interessante recensie van Lennart Dorst in de Volkskrant over deze tentoonstelling: “Tragische romantiek maakt plaats voor decoratieve plaatjes”. Ook Dorst ziet net als ik het probleem van oppervlakkige decoratie. Hij schrijft: “Mede door de donkere romantiek en dat voortdurende gedweep met de kunstgeschiedenis krijg je als toeschouwer al gauw het idee dat Van Dongen je mee wil trekken naar het verleden, rechtstreeks de 19de eeuw in.Maar wie beter kijkt, ziet dat Van Dongen ook oog houdt voor het heden. Dat blijkt uit haar vroege schilderijen, zoals Zola’s Daughter (2004) en She’s the night (2004), waarin sjaals, doodskoppen en polsbandjes verwijzen naar de gothic-, punk- en voetbalcultuur. Duistere en zwaarmoedige jeugdculturen die voortkomen uit onzekerheid en onvrede met de eigen positie.Uit die fascinatie voor het zware en voor de in zichzelf gekeerde blikken, zou je kunnen concluderen dat de kunstenares uiterlijke schoonheid niet per se als iets moois ziet, maar eerder als iets tragisch. Van Dongen probeert niet alleen te behagen, ze heeft ook iets te vertellen; schoonheid houdt mensen op afstand, en isoleert op die manier.”“In later werk, zoals Suspicious III (2008; zie boven met de slangen, M.T.) en Pin-up (2008), ontbreekt die grimmige ondertoon en kritische spiegel, waardoor de tekeningen al gauw verworden tot decoratieve plaatjes vol met romantische verlangens. Prachtige plaatjes, dat wel.”

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Maanspiegelingen

18 comments

maanondergang katwijk jan2009 Maanspiegelingen

maanondergang katwijk jan2009 2 Maanspiegelingen

Maanondergang Katwijk, 11 januari 2009, 8.00

volle maan rijn schie kanaal Maanspiegelingen

Maanopgang, Rijn-Schiekanaal Leiden, spoorwegbrug, 11 januari 2009, 18.30

Wintermaan

15 comments

wintermaan Wintermaan

8 januari voor mijn huis

wintermaan cronesteyn Wintermaan

9 januari Cronesteyn

maanlicht en witte ganzen Wintermaan

10 januari, Cronesteyn: maanlicht, witte ganzen, meerkoeten

Winter in Leiden zie ook:

Sneeuwslangen, schaduwslangen, droomslangen, zandslangen
Leiden in zwart/wit..sneeuw op de Begraafplaats Groenesteeg..
Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus
Door het ijs gezakt: Georg Heym
Wintermaan

Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus

10 comments
frost in de leidse hortus hopbel Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus 

Hopbel

frost in de leidse hortus oostenrijkste den Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus

Oostenrijkse den

frost in de leidse hortus blauwe regen Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus

Blauwe regen

Meer foto’s plus muziek op You Tube

De spiegelingen van Foucault

20 comments

Voor deel drie in de Foucault-discussie heb ik een kort hoofdstuk uit Foucaults boek  ”De woorden en de dingen” gelinked, dat gaat over het schilderij “De hofdames” (Las meninas) van Velazquez.

velazquez las meninas1 De spiegelingen van Foucault

Dit heb ik gedaan omdat ik graag verder wil met deel drie van het door Arjan Fernhout gestimuleerd debat, maar omdat ik toch ook iets voor de ogen en het gevoel zocht, en niet alleen voor het verstand.

Het Foucault -debat dreigt anders te droog te worden.

Ook is het Velazquez-schilderij – dat ik eerder niet kende – hoogst intrigerend, en schrijft Foucault hier bijzonder goed over.

Ik heb vaak moeite om Foucault te begrijpen, ik en vind hem vaag, op het idealistische af. Maar als zijn woorden aan een empirische realiteit gebonden zijn, zoals het hier in de interpretatie van dit schilderij het geval is, kan ik hem beter begrijpen.

Het werd vaak gezegd, dat de postmoderne denkers zoals Foucault zich tussen wetenschap en kunst bevinden. Tussen wetenschap en kunst, dat kan een probleem zijn, namelijk als het geheel noch het een noch het ander is.
Maar Foucaults keuze voor dit schilderij en zijn interpretatie, die bevallen mij zeer, alsmede de conclusie dat subject en object van plaats kunnen wisselen en vaak niet absoluut gescheiden zijn. ( Ina Dijstelberge: “Ander ben ik”)

Hier een paar citaten uit/ parafraseringen van Foucaults interpretatie (voor wie het niet allemaal zelf wil lezen):

“De schilder staat een klein stukje terug van het schilderij. Even kijkt hij op naar het model; misschien wil hij nog een laatste streek neerzetten, maar het is ook mogelijk dat de allereerste nog niet op het doek is geplaatst. De arm, waarmee hij zijn penseel vasthoudt, is wat naar links gebogen, in de richting van het palet; voor een kort ogenblik bevindt hij zich daar tussen het doek en de verschil­lende kleuren verf, onbeweeglijk. Die bekwame hand daar wordt in spanning gehouden door de blik; en omgekeerd rust de blik ge­spannen op de onderbroken beweging van arm en hand. Tussen het puntje van het penseel en het staal van de blik zal het schouwspel straks zijn ganse omvang uitbreiden.

Maar niet zonder een verfijnd systeem van ontsnappingsmogelijk­heden. Doordat de schilder een weinig afstand heeft genomen is hij vlak naast het doek waaraan hij bezig is komen te staan. Dat wil zeggen, dat hij voor de toeschouwer die nu naar hem kijkt, rechts staat van zijn schilderij, dat de uiterste linkerzijde geheel in beslag neemt. Het schilderij keert diezelfde toeschouwer de rug toe; je kunt er alleen de achterkant van zien, en ook het enorm grote hou­ten raam waarop het is gespannen. De schilder daarentegen is, in zijn volle lengte, zeer duidelijk zichtbaar; hij is in elk geval niet gemaskeerd door het hoge doek, dat hem straks wellicht geheel zal verbergen als hij een pas vooruit zal doen om weer aan zijn werk te gaan; hij is waarschijnlijk eerst éven tevoren in het gezichtsveld van de toeschouwer verschenen, toen hij tevoorschijn kwam uit die imaginaire kooi, die het oppervlak dat hij bezig is te beschilderen achterwaarts projecteert. Nu is hij een ogenblik opgehouden en ge kunt hem daar, in het neutrale midden van die slingering, zien staan. Zijn donkere gestalte en zijn lichte gelaat zijn halverwege het zichtbare en het onzichtbare: nu hij van achter dat, voor ons on­Zichtbare, doek vandaan komt, duikt hij even op voor onze ogen; maar wanneer hij zo dadelijk een pas naar rechts zal doen, waar­door hij aan onze blik wordt onttrokken, zal hij recht tegenover het doek dat hij bewerkt komen te staan; dan zal hij in de strook terecht komen, waar zijn schilderij, dat een ogenblik aan zijn aandacht ont­snapt is, weer zonder donkerte of verzwegen geheim voor hem te zien zal zijn. Alsof de schilder niet gelijktijdig gezien zou kunnen worden op het schilderij waarop hij is afgebeeld, en: zélf het schilderij zien, waarop hij bezig is iets af te beelden. Hij heerst op de drempel van die twee niet met elkaar te rijmen zichtbaarheden.

Daar staat de schilder te kijken, met zijn gelaat enigszins afge­wend en met zijn hoofd naar de schouder toe gebogen. Hij kijkt naar een punt dat niet zichtbaar is, maar dat wij, toeschouwers, gemakkelijk kunnen aangeven. Want dat punt, dat zijn wijzelf: ons lichaam, ons gelaat, onze ogen. Dat, wat hij waarneemt, is dus tweemaal onzichtbaar: omdat het niet in de ruimte van het schil­derij staat afgebeeld, én omdat het zich nu juist daar bevindt, waar die blinde vlek aanwezig is, daar in die essentiële schuilhoek waar voor onszelf onze blik verdwijnt op het ogenblik waarop wij kijken.
[....]

Geen enkele blik is stabiel of, beter gezegd, in het neutrale spoor van de blik, die dwars door het doek heengaat, wisselen subject en object, toeschouwer en model, eindeloos van rol.
[..]

Worden we gezien, of zien we zelf?

[Achter in de kamer hangen schilderijen en een spiegel]

Deze weerspiegelt inderdaad niets van hetgeen zich in dezelfde ruimte als hijzelf bevindt: noch de schilder die hem de rug toekeert, noch de in de kamer aanwezi­ge personen. Het is niet iets zichtbaars, wat hij daar in zijn heldere diepte weerspiegelt. In de Nederlandse schilderkunst was het ge­woonte, dat spiegels een verdubbelende rol speelden: ze herhaalden, wat reeds een eerste maal op het schilderij aangegeven was, maar dan binnen een irreële, gewijzigde, meer beperkte en even gebogen ruimte. Er was hetzelfde op te zien als wat in eerste instantie op het schilderij stond, maar dan uit de compositie gelicht en opnieuw ge­componeerd volgens een andere wet. Hier zegt de spiegel niets van wat reeds is gezegd.
[...]

Maar die spiegel [op dit schilderij] laat niets zien van wat het schilderij zelf voorstelt. Zijn bewegingloze blik zal ergens vóór het schilderij, in die noodzakelijkerwijs onzichtbare strook die er de buitenkant van vormt, de personen die daar zijn geplaatst, gaan bevatten.
[....]

Het schilderij in zijn geheel kijkt naar een toneel waarvoor het, op zijn beurt, ‘to­neel’ is. De kijkende en bekeken spiegel openbaart zuivere weder­kerigheid.


[...En wie zijn de toeschouwers, die in de spiegel te zien zijn, en die tegelijk bekeken worden door de figuren op het schilderij?]

Het zijn de vorst en zijn ge­malin. …Je kunt ze achterin het schilderij ontwaren in de gestalte der twee sil­houetjes die de spiegel doen opglanzen.”

De toeschouwer van het schilderij valt samen met de vorst en de vorstin, en met de schilder Velazquez zelf.


Een intrigerende interpretatie, die wij kunnen gebruiken om deel 3 van het Foucault-debat van stapel te laten gaan.

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Het spiegel-eldorado van Yayoi Kusama

11 comments

De Japanse kunstenares Yayoi Kusama

maakt ruimtevullende (spiegel-)installaties waar de toeschouwer geheel ondergedompeld wordt.

Tot 19 oktober heeeft men de kans om in het Museum Boijmans haar tentoonstelling “Mirrored years” te zien waar alles draait om zintuiglijke ervaring en visuele waarneming.
ingang kusama Het spiegel eldorado van Yayoi Kusama

Groot, consistent, overtuigend, zeer aansprekend  werk. Men zou het glad en oppervlakkig kunnen vinden, als het niet zo overweldigend was.

Volkomen intrigerend zijn de twee gesloten spiegelruimtes: “Infinity mirror rooms”. De een: “Fireflies on the water” (2000)  met duizenden kleurige lampjes….
kusama fireflies mirror Het spiegel eldorado van Yayoi Kusama

 

…en de ander: “Phalli’s Field”( 1965/1998) …

kusama phalli fields Het spiegel eldorado van Yayoi Kusama

.

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Verleiding om te lezen: Lolita

11 comments

P.F. Thomése noemt vandaag in Cicero vijf boeken die een onuitwisbare indruk op hem hebben gemaakt. Op nummer 2 staat bij hem Vladimir Nabokov met Lolita.
Ik heb net Lolita gelezen, voor het eerst, en ben er diep van onder de indruk. Natuurlijk, van een wereldberoemd boek verwacht je niets anders dan hoge kwaliteit …maar toch.

Lolita hoort "men" te hebben gelezen, maar ik had het boek nog niet gelezen, en dat was waarschijnlijk ook nu nog zo, als ik niet een maand geleden op Station Den Haag Hollands Spoor een zeer mooi meisje had gezien dat liggend lezend op de trein wachtte. Ik vroeg of ik een foto van haar mocht maken, en het mocht. Pas toen ik haar van dichtbij voor de lens had, zag ik dat zij Lolita las, en ik nam dat als gelegenheid deze roman eindelijk zelfs eens te lezen.
lolita1 Verleiding om te lezen: Lolita

lolita2 Verleiding om te lezen: Lolita
Ik ben sowieso een grote fan van bekentenisliteratuur ( zie ook mijn eigen Biecht voor een Academie). Mijn favoriet uit de Duitse literatuur is ‘Bekentenissen van den oplichter Felix Krull’  van Thomas Mann, een boek waarover binnenkort nog meer.

Al het voorwoord van Lolita is een parel, met de ironische opmerkingen over lezers, die de ‘echte’ mensen achter het ‘ware’ verhaal zoeken. De psychopathologie van de fictieve dagboekschrijver wordt gecontrasteerd met het feit dat een tijdige psychopathologische behandeling van deze man het boek had ongeschreven laten blijven. Wie verteld hier over wie en wat? Het is van begin af aan een dolhof.

Het perspectief van een terugblikkend moordenaar en pedofiel kan literair niets anders opleveren dan tragikomiek. De tragiek wordt dan ook gecompenseerd, vooral in het begin, door komische en ironische passages. Al in de eerste alinea schrijft Humbert Humbert (alleen de naam al!):
"Bij een moordenaar kan je altijd vertrouwen op een zwierige prozastijl".

Zoals iedereen – het is Westers cultuurarf- wist ik waar Lolita over ging. Maar ik was toch erg verbaast over de leeftijd van Lolita- twaalf! – en over de explicietheid van de verleidingscènes. Vóór het zover is wendt zich Humbert Humbert schijnheilig aan de lezers:

"Alstublieft, lezer: hoezeer u zich ook ergert aan de teerhartige, ziekelijk gevoelige, oneindig omzichtige held van mijn boek, sla deze wezenlijke bladzijden niet over! Stelt u zich mij voor; ik zal niet bestaan als u zich mij niet voorstelt; probeer de hinde in mij te bespeuren, bevend in het bos van mijn eigen zondigheid; laten we zelfs wat glimlachen. Ten­slotte kan een glimlach geen kwaad. Ik had bijvoorbeeld (ik schreef bijna ‘bevobbeld’) geen plaats om mijn hoofd te laten steunen, en mijn ongerief werd nog verergerd door een aan­val van maagzuur [...] " ( p 158 in mijn uitgave, Bezige Bij 2008)

Krijsen van het lachen kan ik ook bij de passages waar Humbert zich aan de psychiater wendt die het boek als dossier gebruikt:

"[....]
De bekwame psychiater die mijn geval bestudeert – en die dankzij Dr. Humbert inmiddels, naar ik aanneem, in de toe­stand van gebiologeerd konijn is beland – wil ongetwijfeld graag dat ik mijn Lolita meeneem naar zee en daar, eindelijk, de ‘bevrediging’ vind van een levenslange behoefte, en bevrij­ding van de ‘onderbewuste’ obsessie van een onvolkomen jeugdromance met de oorspronkelijke kleine juffrouw Lee.
Welnu, makker, laat ik je dan zeggen dat ik héb gezocht naar een strand…" (p 203)

Het is een boek om te lachen en om te huilen. Zeer nauwkeurig beschrijft Nabokov uit het perspectief van Humbert  dat Lolita zelf weinig plezier beleeft aan de seks en helemaal geen intimiteit zoekt. Met een referentie aan Lewis Carroll en Alice schrijft hij:

"Ze was binnengekomen in mijn wereld, het duistere en zwar­te Humberland, met onstuimige nieuwsgierigheid; ze keek er rond met schouderophalende geamuseerde afkeer; en nu leek ze me op het punt te staan zich ervan af te wenden met iets wat grensde aan uitgesproken walging. Nooit sidderde ze on­der mijn aanraking, en een snerpend ‘hoe haal je het in je hoofd?’ was alles wat ik voor mijn moeite kreeg. Boven het wonderland dat ik te bieden had, gaf mijn domoor de voor­keur aan de meligste films, de meest weeë flauwekul.[...] "
  (p 203)

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

De eenhoorn in kunst en literatuur/ Pat Andrea

24 comments

In de laatste tijd ben ik een paar keer het sympathieke fabeldier Eenhoorn

tegengekomen.
 

 

stephan balkenhol unicorn De eenhoorn in kunst en literatuur/ Pat Andrea
Stephan Balkenhol, Unicorn (2001), Olieverf en wa-wahout

  • Bij Rainer Maria Rilke:

 

… Sie nährten es mit keinem Korn
 nur immer mit der Möglichkeit, es sei.
 Und die gab solche Stärke an das Tier,
 daß es aus sich ein Stirnhorn trieb. Ein Horn.
 Zu einer Jungfrau kam es weiß herbei
 - und war im Silber-Spiegel und in ihr.
 
  •  Bij Pat Andrea

pat andrea alice unicorn De eenhoorn in kunst en literatuur/ Pat Andrea

  • …En dus bij Lewis Carroll, Through the looking-glass, waar de eenhoorn Alice als een fabeldier beschouwt:
CHAPTER VII. The Lion and the Unicorn
 [...]
‘Who are at it again?’ she ventured to ask.
‘Why the Lion and the Unicorn, of course,’ said the King.
‘Fighting for the crown?’
‘Yes, to be sure,’ said the King: ‘and the best of the joke is, that it’s MY crown all the while! Let’s run and see them.’ And they trotted off, Alice repeating to herself, as she ran, the words of the old song:–
   ‘The Lion and the Unicorn were fighting for the crown:
    The Lion beat the Unicorn all round the town.
    Some gave them white bread, some gave them brown;
    Some gave them plum-cake and drummed them out of town.’

‘Does–the one–that wins–get the crown?’ she asked, as well as she could, for the run was putting her quite out of breath.
‘Dear me, no!’ said the King. ‘What an idea!’
‘Would you–be good enough,’ Alice panted out, after running a little further, ‘to stop a minute–just to get–one’s breath again?’
‘I’m GOOD enough,’ the King said, ‘only I’m not strong enough. You see, a minute goes by so fearfully quick. You might as well try to stop a Bandersnatch!’
Alice had no more breath for talking, so they trotted on in silence, till they came in sight of a great crowd, in the middle of which the Lion and Unicorn were fighting. They were in such a cloud of dust, that at first Alice could not make out which was which: but she soon managed to distinguish the Unicorn by his horn.
[...]
There was a pause in the fight just then, and the Lion and the Unicorn sat down, panting, while the King called out ‘Ten minutes allowed for refreshments!’ [...]
At this moment the Unicorn sauntered by them, with his hands in his pockets. ‘I had the best of it this time?’ he said to the King, just glancing at him as he passed.
‘A little–a little,’ the King replied, rather nervously. ‘You shouldn’t have run him through with your horn, you know.’
‘It didn’t hurt him,’ the Unicorn said carelessly, and he was going on, when his eye happened to fall upon Alice: he turned round rather instantly, and stood for some time looking at her with an air of the deepest disgust.
‘What–is–this?’ he said at last.
‘This is a child!’ Haigha replied eagerly, coming in front of Alice to introduce her, and spreading out both his hands towards her in an Anglo-Saxon attitude. ‘We only found it to-day. It’s as large as life, and twice as natural!’
‘I always thought they were fabulous monsters!’ said the Unicorn. ‘Is it alive?’
‘It can talk,’ said Haigha, solemnly.
The Unicorn looked dreamily at Alice, and said ‘Talk, child.’
Alice could not help her lips curling up into a smile as she began: ‘Do you know, I always thought Unicorns were fabulous monsters, too! I never saw one alive before!’
‘Well, now that we HAVE seen each other,’ said the Unicorn, ‘if you’ll believe in me, I’ll believe in you. Is that a bargain?’
‘Yes, if you like,’ said Alice.
[...] The Lion looked at Alice wearily. ‘Are you animal–vegetable–or mineral?’ he said, yawning at every other word.
‘It’s a fabulous monster!’ the Unicorn cried out, before Alice could reply.
[...] ”

… Geen graankorrel gaven zij het te eten
 maar bleven het voor mogelijk houden dat het bestond.
 En dat gaf het dier zo’n kracht
 dat het uit zijn voorhoofd een hoorn deed groeien. Eén hoorn.
 Wit liep het naar een maagd toe -
en was in de zilveren spiegel en in haar.
(vertaling W. Leenders)

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea

9 comments

Paddestolen schieten omhoog in dit warm-vochtige weer, en vergaan net zo snel als zij zijn verschenen. 
paddestoel 1 Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea

 
oudepaddestoel Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea


oude paddesteol 3 Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea

oudepaddestoel 4 Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea“Een schijnsolide compromis van vorm en ontbinding”, wat ontzettend goed gezegd.

De paddestoel speelt ook in Alice in Wonderland een belangrijke rol, als magisch middel voor snelle groei en krimp:
There was a large mushroom growing near her, about the same height as herself; and when she had looked under it, and on both sides of it, and behind it, it occurred to her that she might as well look and see what was on the top of it.
She stretched herself up on tiptoe, and peeped over the edge of the mushroom, and her eyes immediately met those of a large caterpillar, that was sitting on the top with its arms folded, quietly smoking a long hookah, and taking not the smallest notice of her or of anything else.[...]

In a minute or two the Caterpillar took the hookah out of its mouth and yawned once or twice, and shook itself. Then it got down off the mushroom, and crawled away in the grass, merely remarking as it went,
‘One side will make you grow taller, and the other side will make you grow shorter.’
‘One side of WHAT? The other side of WHAT?’ thought Alice to herself.
‘Of the mushroom,’ said the Caterpillar, just as if she had asked it aloud; and in another moment it was out of sight.
Alice remained looking thoughtfully at the mushroom for a minute, trying to make out which were the two sides of it; and as it was perfectly round, she found this a very difficult question. However, at last she stretched her arms round it as far as they would go, and broke off a bit of the edge with each hand.
‘And now which is which?’ she said to herself, and nibbled a little of the right-hand bit to try the effect: the next moment she felt a violent blow underneath her chin: it had struck her foot!
She was a good deal frightened by this very sudden change, but she felt that there was no time to be lost, as she was shrinking rapidly; so she set to work at once to eat some of the other bit. Her chin was pressed so closely against her foot, that there was hardly room to open her mouth; but she did it at last, and managed to swallow a morsel of the lefthand bit. [...] ”

Bij Menno ter Braak, in Démasqué der Schoonheid, vond ik een schitterende formulering:

“[...] De paddestoel [...] staat even te figureren als een schijnsolide compromis van vorm en ontbinding en zinkt weer weg in de oerpap, waaruit hij voortkwam; hij heeft zijn rol volmaakt en magistraal gespeeld, ook als hij de mens niet diende in de champignonsoep; men kan hem niets verwijten.”

“[..]

Pat Andrea heft ook hiervan een mooie illustratie gemaakt, waar Alice zelf samenvalt met de paddestoel.
alicepaddestoelpatandrea Vorm en ontbinding: Démasqué der Schoonheid/ Pat Andrea

Alice in Wonderland is absoluut geen sentimenteel boek, en wie goed leest zal zien dat de dood dus ook vaak om de hoek komt kijken.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Alice zelf…. een schijnsolide compromis van vorm en ontbinding, zoals wij allemaal.

.

 

Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee

26 comments

De surrealiste Meret Oppenheim is net als ik gefascineerd door slangen, dromen en bloemen.

Bij mijn bezoek in Zürich zag ik in het Kunsthaus Zürich, in de afdeling dada en surrealisme,  een mooie collage, waarbij mij de combinatie slang en bloem opviel.

meretoppenheimerwhywhy Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee
Why-why (1968)

Slangen en bloemen – daar houd ik van.

Over slangen en bloemen heb ik al een paar blogs geschreven:
Sneeuwslangen, schaduwslangen, droomslangen
Morbide slangen: het leven is maar een droom
Over slangenbomen, slangenvrouwen, sprookjes en muziek
De goede slang bij Goethe en E.T.A. Hoffmann

Inmiddels heb ik nog veel meer slangen bij Meret Oppenheim gevonden, hier en paar mooie.

oppenheimschlangeundschwarzesteineweb Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee

Schlange und schwarze Steine (1972)

oppenheimzweischlangenweb Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee

Zwei Schlangen, die eine blau-grün, die andere rot ( 1960)

…en hier mijn eigen blauwe en rode slang:

rodeblauweslang Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee


een een rode slang bij Paul Klee:

paul klee snake paths schlangenwege serpent slang Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee

Paul Klee, Schlangenwege

Op naar München,’Hauptstadt der Bewegung’

30 comments
Fortuyn en zijn navolgers, zoals Verdonk en Wilders, willen geen partijen meer, maar bewegingen, je kunt je bij hun rechtse bewegingen aansluiten, maar dat zijn geen partijen waar je lid van wordt. Dus het lijkt me toch uiterst nuttig voor Fortuyn-fan Leo om naar de geschiedenis van de belangrijkste rechtse “beweging” uit de geschiedenis te kijken.

We beginnen onze rondwandeling aan de Geschwister Scholl Platz in
München, hoofdingang van de Universiteit München.  

Er lijken flyers op de grond de liggen… universitaet weisse rose Op naar München,Hauptstadt der Bewegung

….maar nee het is een herinnering in steen aan de verzetsgroep Weisse Rose.
Aansluitend lopen we naar binnen om de tentoonstelling
Denkstätte Weisse Rose te kijken.

 

 

schelling4,jpg Op naar München,Hauptstadt der BewegungWe lopen dan naar de Schellingstraße, waar we naar de schietgaten uit de Tweede Wereldoorlog kijken, “Wunden der Erinnerung”

mu feldherrn Op naar München,Hauptstadt der Bewegung

 

We lopen naar de Feldherrnhalle aan de Odeonsplatz, een belangrijk monument in de nazi-geschiedenis.
We lopen door naar het voormalig machtscentrum van de nationaalsocialisten rondom de Karolinenplatz: de resten van het “
Braune Haus“, de partijcentrale van de NSDAP . We gaan naar de huidige Musikhochschule, de vroegere Führerbau.

 Op naar München,Hauptstadt der Bewegung

We kijken naar  de Königsplatz, de grote militaire exerceerplaats waar de nazi’s boeken hebben verbrand.

 

 

Zonder de intellectuelen waren de nazi’s nergens geweest.

 

 

Maurits Berger over de sharia

no comment

( als alles gaat zoals gepland…)mberger Maurits Berger over de sharia

Berger is jurist en Arabist, en een zeer gedifferentieerde denker, die een geheel andere positie inneemt dan zijn (toekomstige) Leidse juristencollega’s Ellian en Cliteur.
Berger is gespecialiseerd op de sharia. Een uitvoerige WRR-publicatie van zijn hand, Klassieke sharia en vernieuwing,  is te lezen op internet.
Hier gaat Berger in op de klassieke sharia, familierecht en strafrecht volgens de sharia, moderne ontwikkelingen en op sharia en mensenrechten.

Berger heeft veel jaren in het Midden-Oosten gewoond en verzet zich tegen het Zwart-Wit -denken over de islam.

Dus voor “rechts” is de benoeming van Berger vanzelfsprekend een ergernis.

Een uitgebreid artikel in Trouw van 11 juni 2003 geeft een overzicht van het denken van Maurits Berger:

“Om het islamistisch recht te doorgronden, woonde en werkte Berger in Egypte en later in Syrie. Nederland komt sterk overeen met een islamitische modelstaat, ontdekte hij tijdens zijn sjariastudie. ‘Eis is dat er wordt geregeerd volgens consensus en raadpleging, en onze democratie voldoet daaraan. De sjaria komt voor 98 procent overeen met het Nederlands recht.’

Het verschil is slechts twee procent, meent Berger; het zijn de straffen die staan op overspel, diefstal, alcoholgebruik, afvalligheid van de islam en laster, en enkele regelingen in het familierecht, over vrouwen- en mannenrechten.

Berger belicht graag de ‘andere kant van de sjaria‘, maar wordt tot zijn ergernis ‘onmiddellijk om de oren geslagen met de onderdrukking van de vrouw’. Haar positie was -en is soms nog altijd- in de sjaria gelijk aan de christelijk-Europese. Dat het vrouwen slecht gaat in moslimlanden komt niet door de islam. Ze delven het onderspit omdat ze tot de lagere klassen van arme, onderontwikkelde, traditionele en conservatieve samenlevingen horen. “Hoe kan het toch dat juist moslimvrouwen uit de hogere klassen het vaak vele malen beter doen dan hun zusters in Nederland?”

Het beeld van vrouwonderdrukkende islam is misplaatst, vindt Berger. Het is ontleend aan kledingvoorschriften en het autorijdverbod in Saoedie-Arabie. In de sjaria is het niet terug te vinden. “Saoediers verpesten het voor de moslims.”

[...]
Tegen de heersende opvattingen in, is Berger ervan overtuigd dat de integratie van moslims in Nederland niet is mislukt. Er zijn wel problemen, maar die hebben ‘alle migranten over de hele wereld’. De achterstand van moslims ‘is zowel voor ons als voor hen een probleem’. “Wij zien vrouwenbesnijdenis en bloedwraak als typische aberraties van de islam omdat zij toevallig in moslimlanden plaatsvinden, terwijl zij niets met de islam van doen hebben. Omgekeerd noemen wij Italiaanse maffiapraktijken geen christelijk verschijnsel, net zomin als wij het afbinden van vrouwenvoeten in China confuciaans noemen. De vraag is dus: wil je het wel weten?”

[...]
Moslims, stelt Berger bezorgd vast, willen zelf ook niet op hun religie worden aangesproken, iets wat na 11 september wel gebeurt. Ze moeten zelfs verantwoording afleggen voor ‘de daden van een paar gekken’. Berger ‘veroordeelt’ de aanslagen. “Tegelijkertijd begrijp ik de achtergronden. Ik bedoel niet de psychologische roerselen van de zelfmoordenaars, maar de politiek-sociale omgeving die hen ertoe heeft aangezet. Ik was geschokt, maar niet verbaasd.” Berger vreest een self-fulfilling prophecy: “Als moslims constant als monsters worden afgeschilderd, gaan ze zich er misschien ook naar gedragen of op z’n minst provoceren.”

Nederland creëert en koestert zijn monster uit ‘angstlust’, zoals Berger het noemt. We doen wel alsof we ervanaf willen door kennis op te doen, maar lezen dan boeken van onderdrukte en mishandelde moslimvrouwen, van radicale imams. Zo blijft de ‘oprukkende’ islam lekker eng. Die angst is ook Berger niet vreemd. Toen hij, na jaren islam- en taalstudie voor het eerst in Damascus het vrijdagmiddaggebed bijwoonde, “stond ik daar met trillende benen van angst. Ik kreeg beelden voor me van een massa moslims die me wilde lynchen. De angst ging dwars door mijn buik. Daar had ik dus tien jaar voor doorgeleerd.”

Onlangs verscheen Bergers ‘Islam onder mijn huid’. De reacties erop vindt de auteur onthullend. “Men vraagt naar feiten over de islam, maar hangt daar altijd een waardeoordeel aan: ‘Is het niet zo dat in Nigeria…?’ en nooit: ‘Wat vind je van Nigeria?’ Men vraagt om bevestiging van een negatief beeld. En ik moet wel van zeer goeden huize komen om dat beeld te ontkrachten.”

[...]
Het Westen vreest de halve maan, maar moslims hebben historisch meer reden bang te zijn voor het christelijke Westen. “Het Westen heeft wel degelijk schuld aan de problemen van de moslimwereld, om de simpele reden dat nagenoeg de hele moslimwereld tot het einde van de jaren veertig gekolonialiseerd was. Het Westen grijpt nog steeds krachtig in in de jonge onafhankelijke moslimstaten wanneer de westerse belangen in het geding raken. Dat wil niet zeggen dat moslimlanden achterover kunnen leunen en hun handen mogen wassen in onschuld. Integendeel. Zij zijn absoluut verantwoordelijk voor de puinhoop die zij er zelf van maken. Maar wat ik westerse landen kwalijk neem is hun pretentie alsof zij onafhankelijke toeschouwers zijn en het beste voor hebben met de moslimwereld. De moslimwereld heeft meer reden tot angst en wantrouwen. Dat kan een motivatie zijn van moslimextremisten.”

Maurits Berger heeft ook in 1995 een lang artikel geschreven over Nasr Abu Zayd en de juridische details van het absurde proces tegen Abu Zayd in Egypte.


Meer tekst uit het boek van Maurits Berger is te vinden hieronder in mijn eigen reacties!


——————————————————————————-
Op 8 juli 2009 schreef Maurits Berger en artikel in de NRC over de eventuele sharia-rechtbanken in Nederland:

“De commotie van vorige week rondom sharia-rechtbanken in Engeland, die zelfs tot Kamervragen heeft geleid, doet sterk denken aan het pandemonium over de ‘invoering van sharia’ in Canada in 2004. Het woord ‘sharia’ blijkt voldoende te zijn om mensen de stuipen op het lijf te jagen.
Laten we eerst vaststellen dat shariarechtbanken in Nederland niet bestaan. Hoogstens gaan moslims voor sommige problemen en geschillen naar een imam, of raadplegen zij internet.
Maar stel dat de rechtbanken er wel zouden zijn. Men zegt dan te vrezen voor parallelle vormen van conflictbeslechting in Nederland. Maar die bestaan al. Is dat verboden? Neen. Is het wenselijk? Daarover zijn de meningen verdeeld, maar het is wel onderdeel van onze democratische rechtsstaat.
In West-Europese landen is immers altijd al sprake van twee systemen: rechtbanken die uitspraak doen over de wet en andere geschillencommissies die door mensen op basis van vrijwilligheid worden gebruikt. Het gaat dan om arbitrage (zoals in de bouw), mediation (zoals bij echtscheidingen) of religieuze ‘rechtbanken’(zoals katholieken en joden die hebben).
Deze geschillencommissies hebben hun eigen regels en hun eigen ‘rechters’, en dienen als alternatief voor de gewone rechtbank.
Dus zelfs áls de moslimgemeenschap in Nederland shariarechtbanken zou willen, kan hun dat moeilijk ontzegd worden. Want katholieken en joden hebben ook hun eigen rechtbanken. En daar gelden ook regels die indruisen tegen de Nederlandse rechtsorde: van de katholieken mag je niet scheiden en bij de joden heeft de vrouw toestemming nodig van de man om te mogen scheiden.
Deze vrijheid van religie heeft wel grenzen. Steniging, uithuwelijken van minderjarigen, handen afhakken: uitvoering van deze testamentische en koranische regels is absoluut verboden. Maar religieuze rechtbanken gaan vooral over kwesties van huwelijksrecht voor volwassenen. Als die zich vrijwillig willen onderwerpen aan religieuze regels die bijvoorbeeld de ongelijkheid van man en vrouw stellen, dan is dat hun religieuze vrijheid, zoals ook de SGP die mag uitdragen.
Een ander probleem is het woord ‘rechtbank’: door te spreken van shariarechtbanken is het alsof zij dezelfde rechtsmacht hebben als gewone rechtbanken. Dat is in Nederland niet het geval. De Nederlandse rechter zal religieuze huwelijken en echtscheidingen niet erkennen, alleen het burgerlijke huwelijk.
Maar dat de wet het niet erkent wil niet zeggen dat de wet het verbiedt. Men mag dus wel degelijk religieus trouwen en scheiden. Alleen heeft de rechter daar geen boodschap aan. Net zo min als de rechter een boodschap heeft aan Anton Heyboer die met vier vrouwen leefde, of communes die er vrije seksuele omgangsvormen op na houden.
De katholiek is dan gescheiden volgens de wet, maar blijft gehuwd volgens kerkelijk recht, evenals het joodse stel gescheiden kan zijn voor de wet, terwijl de vrouw nog wacht op toestemming van haar man om ook volgens joods recht gescheiden te zijn.
Het naast elkaar bestaan van wereldlijke en religieuze rechtspraak leidt vaak tot begripsverwarring. In het geval van een shariarechtbank, bijvoorbeeld, zal de vraag of polygamie is toegestaan in de islam bevestigend worden beantwoord. Dat betekent niet dat het ook mag volgens de nationale wet van het land waar men woont. Maar als men een vraag voorlegt aan een religieus instituut krijgt men ook een religieus antwoord.
Verwarrend in deze kwestie is voorts dat in Angelsaksische rechtssystemen, zoals in Groot-Brittannië en Canada, de geschillenbeslechting in familiekwesties de vorm kan aannemen van door de staat erkende arbitrage. Dat betekent dat de uitspraak van de religieuze arbitragecommissie wel wordt erkend door de rechtbank. Dit was bijvoorbeeld het geval in de Canadese staat Ontario, waar joodse en christelijke arbitragecommissies hun eigen wetten toepasten.
Dat was jarenlang het geval, totdat de moslims in 2004 hetzelfde wilden doen. Toen werden opeens de tekortkomingen van het systeem belicht. Er werden kanttekeningen geplaatst bij de ‘vrijwilligheid’ waarmee religieuze partijen zich tot deze arbitragecommissies zouden wenden. Op zich terecht. Onterecht was echter dat dit alles werd gezien als een exclusief islamitisch probleem. De moslims wilden niet meer dan wat al lang werd gedaan door andere religieuze gemeenschappen in Ontario.
Ditzelfde verschijnsel dreigt zich nu in Nederland voor te doen. Want als moslims ons systeem van parallelle religieuze geschillenbeslechting zouden navolgen en er dus ‘shariarechtbanken’ ontstaan, zou de verontwaardiging groot zijn. Op zichzelf is dat misschien terecht, maar men moet zich dan wel de vraag stellen waarom alle zorg zich alleen op hen richt.
Het is dan van tweeën één: of de moslims wordt toegestaan hetzelfde te doen wat hun religieuze collega’s al eeuwen doen, of het gehele systeem van religieuze rechtspraak moet ontmanteld worden.
Het gaat er dus niet om dat moslims iets typisch islamitisch doen wat op eigen merites beoordeeld moet worden. Nee, zij volgen de begane paden van de maatschappij waarin zij leven en moeten dus naar nationaal geldende maatstaven beoordeeld worden. Daar ontbreekt het nogal eens aan.”

Een Stockhausen-parodie: Tristanakkoord

no comment

Bij de dood van de Duitse componist Karlheinz Stockhausen een leesaanbeveling: de roman Tristanakkoord van de Duitse schrijver (en literatuurwetenschapper) Hans-Ulrich Treichel, waar de figuur Bergmann een leuke Stockhausen-karikatuur is.
Ik vind deze roman uit 2000, die – net als andere leuke romans van Treichel –  ook in het Nederlands is vertaald, schitterend, amusant, geestig, en om tranen te lachen. Een ironische kritiek op heldenvertoon en heldenallures.

De roman leeft van de tegenstelling tussen de klungelige Kafkaëske germanist-promovendus Georg en de Übervater Bergmann/Stockhausen.

Uit de recensie van Anneriek de Jong: “Bergmann is een Duitse componist van wereldfaam, ‘een soort Brahms of Beethoven’, schat Georg, die een klusje voor hem mag doen. Bergmann heeft alles wat Georg niet heeft: vrouwen, lef, roem, geld, ideeen en een aristocratisch profiel. Georg corrigeert Bergmanns memoires. Boven hem zoemt de elektrische puntenslijper van zijn baas. Die componeert zo snel dat het Georg ‘euforisch verkwikt’. Maar niet heus. Vergeefs probeert de dichter een gedicht te schrijven over de vergeefse poging een gedicht te schrijven.
Via Schotland en New York reizen we achter de componist en zijn assistent aan naar Sicilië. Stuk voor stuk excentrieke locaties die Treichel nuchter beschrijft. Zoals hij ook de excentrieke kanten van Bergmann bijna droogkomisch weergeeft.[...] ” (NRC 2-3-2001)

Hier als smaakproef een scène , die gaat over Bergmann en zijn concurrenten en de kwestie wie wel en wie niet in de memoires en het bijhorende persoonregister van Bergmann moet worden opgenomen:

“[...] wel waren er ook nog Scheer en Witte, die beiden ongeveer van dezelfde leeftijd waren als Bergmann en Nerlinger, en die sinds tientallen ja­ren werkzaam waren en internationale bekendheid genoten, maar Scheer noch Witte was werkelijk een concurrent. Bergmann had hem [de germanist Georg, M.T.] op een van de avonden bij het haardvuur over zijn generatiegeno­ten verteld en Georg had aanvankelijk de indruk dat hij uiterst welwillend tegenover hen stond. Vooral Scheer en Witte loofde hij nadrukkelijk vanwege hun consequente eigenzinnigheid, zoals Bergmann het noemde. Scheers eigenzinnigheid bestond erin dat hij zelfs bouwkranen en sloopkogels in zijn composities gebruikte, wat in een normale concert­zaal natuurlijk niet te doen was. Witte daarentegen was in zoverre eigenzinnig dat hij verschillende on­derzoeksinstituten en rekencentra voor zijn com­posities nodig had. Voor een van zijn beroemdste orkeststukken, Pythagoras’ Wortel uit Een, had hij zelfs de CERN in Genève in de arm genomen. ‘Zonder atoomonderzoek doet Witte het niet meer,’ zei Bergmann. Hijzelf had alleen papier, een potlood en een puntenslijper nodig. Maar Witte een deel­tjesversneller. Bergmann zei dat hij hoopte dat Wit­te en Scheer nog veel composities voor sloopkogel, bouwkraan, deeltjesversneller en onderzoekscen­trum zouden schrijven. ‘Ik juich dat van harte toe,’ zei Bergmann. Dat maakte de speelplannen en con­certzalen vrij voor zijn eigen werken, en daarmee was immers iedereen gediend. En dus kon Berg­mann ook betrekkelijk onbewogen Witte en Scheer lof toezwaaien in zijn memoires. Nerlinger daaren­tegen kon hij minder onbewogen lof toezwaaien. Nerlinger schreef net als Bergmann opera’s en sym­fonieën. Met potlood en geschikt voor opera- en concertzalen. Het liefst zou Bergmann Nerlinger helemaal niet noemen. Maar dat zou opvallen. Dus hij had hem wel genoemd, maar slechts één keer en alleen omdat ze in de jaren zestig eens beiden bij een receptie van de bondspresident waren geweest en Nerlinger voor hem in de rij had gestaan. ‘Voor me stond Nerlinger,’ luidde de passage, ‘en achter me Sepp Herberger.’ Natuurlijk was dat niet groot­moedig, maar kleingeestig, dat wist ook Bergmann, hoewel hij Georg verzekerde dat het precies zo ge­gaan was. Georg was eveneens van mening dat Berg­mann niet Nerlinger níet kon noemen. Daar zou de pers ogenblikkelijk op afvliegen, Een moment over­woog Georg of Bergmann Nerlinger misschien zou kunnen vergeten. Maar hoe kon je het vergeten van Nerlinger onderscheiden van het bewust niet-noe­men van Nerlingen? Een literair stijlmiddel voor dit onderscheid moest nog worden uitgevonden. Georg nam zich voor deze problematiek in zijn achter­hoofd te houden voor zijn proefschrift. Maar Bergmanns probleem met Nerlinger kon in elk geval niet door vergeten worden opgelost. Restte alleen een andere benadering: Nerlinger veel noemen. Georg stelde Bergmann voor de naam Nerlinger op andere plaatsen in het boek te verwerken. Om de tien bladzijden zou in Bergmanns memoires de naam Nerlinger moeten voorkomen. Zoals elke tien minuten in de Tristan het Tristanakkoord klinkt. Toen Bergmann Georgs voorstel hoorde, antwoord­de hij onmiddellijk wat geïrriteerd: ‘Onmogelijk’, zweeg vervolgens een tijdje en zei ten slotte dat hij een idee had. Omdat het boek eindigde met het ver­blijf in Schotland en de voltooiing van Pyriphlegethon voor groot orkest, zou hij ook de overhandiging van de vleugel, de persconferentie, de journalisten met hun rode gezichten en de vraag over Nerlinger en natuurlijk ook zijn briljante antwoord daarop in het boek opnemen. ‘Dat is de oplossing,’ zei Berg­mann en ook Georg was het met hem eens en zei dat in dat geval Nerlinger natuurlijk ook in het namen­register moest worden opgenomen. ‘Geen pro­bleem,’ vond Bergmann, zodat Georg ook meteen nog naar Sepp Herberger vroeg. ‘Ook opnemen,’ zei Bergmann genereus.
( pagina 84 ff)

Islamofobie toen en nu

45 comments

9064454655 Islamofobie toen en nu
“De angst voor moslims en de islam is toegenomen in Europa, ook in Nederland. Dat concludeert het Europese Netwerk tegen Racisme (ENAR) in het jaarrapport over 2006

Volgens het in Brussel gevestigde netwerk nemen sommige vormen van racisme in Europa nog steeds toe. De onderzoekers vermelden in het bijzonder de islamofobie, de angst voor de islam. [...] Er is volgens ENAR in de EU nog steeds sprake van een stijging van het aantal extremistische organisaties en van politieke partijen met racistische standpunten. Dit speelt zich af “niet alleen in de marges van de politiek maar steeds meer bij de grote partijen en zelfs binnen regeringen”.

ENAR vindt de “voortdurende trend waarin moslims en de islam worden beschouwd als gevaar voor de Nederlandse samenleving” zorgwekkend. (NRC 22-11-2007)

Ook de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa wil de intolerantie tegenover moslims aanpakken.

De neoconservatieve beweging kan tevreden zijn, zo concludeerden veel sprekers. Hun boegbeeld Samuel Huntington is er met zijn boek Clash of Civilizations in geslaagd de latente angst voor de moslims in het Europese bewustzijn nieuw leven in te blazen. “Er is geen strijd tussen beschavingen, maar een politieke oorlog”, meende de secretaris-generaal van de Arabische Liga, Amr Moussa. Na het einde van de Koude Oorlog is de islam als vijandbeeld in de plaats gekomen van het rode gevaar, aldus de secretaris-generaal.

Hoogleraar Humayun Ansari, die doceert aan de Royal Holloway universiteit van Londen: “De idee dat de islam per definitie een godsdienst is van fanatiekelingen, die gepaard gaat met geweld, is sinds de ondergang van het Ottomaanse rijk niet meer zo rechtstreeks geventileerd.” Extreemrechts is erin geslaagd om de angst voor moslims door te laten dringen in de mainstream politieke partijen, zo meent zijn collega hoogleraar Hisham Hellyer.” ( NRC, 11-10-2007)

In het nieuwe boek van Lucas Catherine Van Morendoders tot botsende beschavingen wordt een interessant overzicht gegeven over de eeuwenoude traditie van islamofobie.
De kruistochten komen langs, de humanisten, de kolonisatie, Bernard Lewis, Samuel Huntington.

Interessant vond ik een lang citaat over Erasmus. Dit viel me op omdat ik kort geleden  in het boek Islamisten en naïvisten had gezien dat Afshin Ellian zijn eigen islamofobie ook rechtvaardigt met een beroep op Erasmus:
Ellian:
“Erasmus, die nog geen last had van politieke correctheid, kwalificeerde in Consultatio de bello Turcis inferendo de islamitische veroveringen als volgt: ‘Terwijl het minste lapje grond voor ons aanleiding is om als razenden met elkaar in de clinch te gaan, verleggen zich intussen onophoude­lijk de grenzen van wat ik veeleer een schurkenstaat dan een rijk zou willen noemen. In het noorden reiken ze tot de Zwarte Zee, in het oosten tot de Eufraat.’[...]
‘De oor­sprong van het volk laat een combinatie zien van obscuriteit en bar­baarsheid. Traceer je het begin van hun machtsontplooiing, dan vind je een huurlingenleger en de perfide moord op een prins wie ze eeu­wige trouw hadden gezworen. Het is één doorlopend verhaal van door wreedheid verworven rijkdom, vermeerderd door roof. Van verderfelijke huwelijkspolitiek, goddeloze broedermoord, afzetting van vaders door zonen; van flagrante trouweloosheid en onmenselij­ke wreedheid. Om nog te zwijgen over hun zeden en geloof.’ [1]

Ellian-vriend Bolkestein, die oorlog tegen de islam graag als een “heilige oorlog” gekwalificeerd ziet, en bang is dat de islamitische bezetter binnenkort zijn land in bezit neemt, heeft dit boek Islamisten en naïvisten zeer lovend besproken. Geen wonder, naast de inleiding door de Leidse vriend Ellian komt ook Bolkestein-held Bernard Lewis zeer regelmatig langs in dit paranoïde boek dat het vermeend wereldwijde complot van islamisten beschrijft, dat bezig zou zijn Europa te veroveren.
Uit Islamisten en naïvisten:
“De opkomst van het islamisme onder moslims in Europa is bovenal van verstrekkende betekenis omdat moslims een snelgroeiend deel van de Europese bevolkingen uitmaken. In een reeks grote steden zullen ze binnen afzienbare tijd een meerderheid vormen. Volgens islamoloog Ber­nard Lewis zal Europa een islamitische meerderheid hebben tegen het einde van deze eeuw als de huidige ontwikkeling in immigratie en bevolkingssamenstelling doorgaat. ( p.30)

Bernard Lewis verwijst naar het feit dat er altijd karikaturen van Mohammed in Europa hebben bestaan – ook die veel confronteren­der waren dan de cartoons in Jyllands-Posten: Dit heeft echter niet tot opstand geleid in de moslimwereld, juist omdat deze zaken al­leen als strafbaar werden beschouwd als ze plaatsvonden in de mos­limwereld. De cartoonkwestie laat zien dat dit veranderd is. Lewis concludeert: ‘Er bestaat slechts één verklaring: ze zien Europa nu als een deel van het moslimgebied, Dar al- Islam.’ “( p. 49)

Bernard Lewis ziet de cartoonkwestie als een stap in de richting van het doel dat de Europeanen dhimmi’s worden: ‘De Denen zijn voor hen dhimmi’s geworden. Historisch gezien waren de dhimmi­bevolkingen in eerste instantie een meerderheid, die toen geleidelijk een minderheid werden. Zoals vandaag de dag in Europa.:” (p. 53)

Lewis’ ( en Bolkesteins)  paranoïde ideeën over een te verwachten islamitische autoritaire meerderheid in Europa of Nederland worden niet gesteund door demografisch onderzoek, zie mij blog De fata morgana van een moslim-tsunami: Bolkestein en Bernard Lewis

 


[1] Inleiding in: Karen Jespersen,  Islamisten en naïvisten, 2007

De wereldverbeteraar/ Biecht voor een Academie/ cobra slangen

no comment

George Knight meent in mij de Wereldverbeteraar van Thomas Bernhard te herkennen.
Niet slecht.
Hier eerst een paar Thomas Bernhard-citaten, en dan een tekst van mij,
“Biecht voor een Academie”.

Thomas Bernhard:
De Wereldverbeterar spreekt over zijn “Traktat zur Verbesserung der Welt”:
“Es ist ja kein Kunstwerk einerseits
weil es sich um Philosophie handelt
andererseits ist es das Kunstvollste

[...] Musik sollte es sein
einerseits
Aber die Musik gibt der Philosophie die Geistesblöße
So wie es ist gehört es gelesen
vollkommen unmusikalisch einerseits
hochmusikalisch andererseits [...]

Wenn ich es höre bin ich glücklich [...]

Wir rennen einer Idee nach und verirren uns
Labyrinthisch
sehr labyrinthisch [...]
Alle Wege führen unweigerlich
in die Perversität
und in die Absurdität
Wir können die Welt nur verbessern
wenn wir sie abschaffen

[...]
Einmal habe ich Montaigne vertraut
zuviel
dann Pascal
zuviel
dann Voltaire
dann Schopenhauer
Wir hängen uns so lange an diese philosophische Mauerhaken
Bis sie locker sind [...]

… [...] Ich danke für Ihre Aufmerksamkeit Herr Rektor ehrwürdige Magnifizenzen.”

Zo ver Thomas Bernhard.
Ik schrijf op het moment aan een eigen tekst met foto’s  met de titel

Biecht voor een Academie
 De wereldverbeteraar/ Biecht voor een Academie/ cobra slangen

[...] “Heren en beestuurders van de Academie,

U wilt me niet horen,
maar ik schreeuw, kreun en kerm
het allemaal over de gracht.
Biechten lucht op,
vooral in de buitenlucht,
en als een grachtenbiecht
al helemaal.

Wat ik wil vertellen dat kan ik niemand vertellen omdat het de mensen niets aangaat, zij het niet begrijpen en zich in afkeer zouden afwenden. De enige manier om het wél te vertellen is het om het allemaal over de grachten te schreeuwen.

Alles liegt offen zutage; nichts ist zu verbergen; kommt es auf Wahrheit an, wirft jeder Großgesinnte die allerfeinsten Manieren ab.
[...]“

[...] Der Teufel kam
und bot mir an
alles, was ich mir immer gewünscht.
Und ich wollt’s unbedingt haben.

Met hem kwam
ik terecht op een glijbaan
En dat terwijl ik nooit snoepjes eet
alleen koekjes
(snoepjes geef ik heks aan anderen
- dit tussen haakjes)
en ik geen snoepjes kleuren draag
noch tracht me te amuseren
en conventies probeer te accepteren
en alleen maar decadent ben
omdat ik verplichtingen uit de weg wil gaan. [...]

Ora
boven labora:
Een
con
tem
platieve
non
weet niets van
werk-werk-werken
alleen van
gebed in bed

[...]
Werken zal nooit lukken,
zolang ik dagenlang
lig te denken
aan
mijn
am
bitie
loze
am
bivalen
ties.

Werken zal nooit lukken,
alleen vuurwerken.
Al krijst
Ciska Dresselhuys nog zo luid:
“De zweep erover!”

[...] Ik bega veel zonden, maar niet allemaal.

Ik ken
bijvoorbeeld geen
ongeduld
omdat ik van het verlangen houd
ben dus een geduldige onschuld.

Mijn hoofdzonde is:
polymorf pervers.
Narcistisch,
exhibitionistisch
expressionistisch
voyeuristisch
en nog veel meer
andere enge dingen
waar ik nu niet aan toe kom
en waar u en ik de namen van
niets eens kennen. [...]

Rijmende
slangen
-zinnen
zingen
spinnen
hummen
zoemen:
ik noem het ‘nunnen’.

Soms denk ik:
“Panta rhei:
alles rijmt. ” [...]

Als het Academiegebouw klaar is:
Daar krijg ik een eigen kluis!
Ik word
hier ingemetseld met mijn fluit.
Slangen kruipen
in een heiligdom
natuurlijk in en uit!
tsuslangiweb De wereldverbeteraar/ Biecht voor een Academie/ cobra slangen
Ook aliens in vreemde pakken
komen de kluis in. En zwanenhalsen
reiken door de tralies.
Ook engelen vliegen in
en uit boodschappen
vergeefs verkondigend
aan een onwillige gewezen
maagd. [...]

Bij mijn inkluizing
zingen we dan samen
het requiem van
Verdi en
ik zing
alleen
het ‘Libera me’.

Wie wil komt dan
langs voor een leuk verhaal:
een biecht van
de Universiteits
kluizenares
(mijn kluis
is met een stukje
Hortus incluis
- dit tussen haakjes)
hoofdzondares
belezen gewezen maagd
Maria Anna.

U mag ook zelf biechten,
of anders horen wat andere
heren en nonnen hebben gebiecht.
Ook zal ik u precies adviseren
hoe u het best nonnetjes kunt versieren!

adviesweb De wereldverbeteraar/ Biecht voor een Academie/ cobra slangenadviesweb De wereldverbeteraar/ Biecht voor een Academie/ cobra slangen

Leidse hoogleraren over het marteldilemma: Andreas Kinneging, Mertens, Van Gunsteren

79 comments

Amanda Kluveld schrijft in de Volkskrant over het marteldilemma: populaire tv-series suggereren ten onrechte dat tikkende bommen elk moment af kunnen gaan en dat martelen dus nodig is.

De Leidse hoogleraar rechtsfilosofie [!], en directeur van de neoconservatieve Edmund Burke Stichting Andreas Kinneging is ook zo iemand die gecharmeerd is van het marteldilemma: Kinneging verdedigt zowel de gebeurtenissen in Abu Ghraib als ook martelpraktijken. Hij begint met een obligate vaststelling: “Natuurlijk moet je [over Abu Ghraib] zeggen dat het schandalig is wat daar gebeurd is. Iedereen moet zich houden aan het internationale recht en daarin staat dat je gevangenen behoorlijk dient te behandelen.”
Maar Kinneging denkt daar eigenlijk toch anders over: “Maar dan. Het is makkelijk praten als je niet in een oorlogssituatie zit, een emotionele hogedrukpan, waarin je iedere dag kunt worden opgeblazen. Het is niet verbazingwekkend dat mensen hun zelfcontrole verliezen. De verleiding om tot hardhandige middelen over te gaan wordt dan groot. Dan ontstaan problemen als: mag je iemands voeten niet stukslaan als dat de dood van je kameraden kan voorkomen? [...]
Dit is dilemma het dilemma van de schone handen. Zo zeggen nu degenen die zich kwaad maken: je mag niet martelen. Maar geldt dat ook als je een Al-Qaedaterrorist te pakken hebt en je vermoedt dat hij ergens in Parijs een atoombom heeft liggen?”[1] Kinnegings logica is niet: omdat dit soort gevangenissen tot mishandelingen leidt, moeten we deze gevangenissen niet hebben en deze oorlogen niet voeren. Nee, hij probeert tortuur te rechtvaardigen uit het bestaan van dergelijke gevangenissen en oorlogen. Helemaal op de lijn van de Amerikaanse neocons: Ook George W. Bush en Dick Cheney, die net aan de macht waren toen 24 begon, hebben vaak gepleit voor ‘flexibiliteit’ inzake de informatievergaring van terreurverdachten.

Bij de Burke Stichting denkt men lichtvaardig over martelen. Oud-Burke-dircteur Livestro bagatelliseerde in Vrij Nederland de ‘paar obscene incidenten in Abu Ghraib’, de gevangenis waar Irakezen zijn gemarteld. Volgens hem doen deze taferelen slechts denken aan een uit de hand gelopen studentenfeestje. Omdat zij niet te vergelijken zijn met de systematische massamoord onder Saddam, stellen de martelingen niets voor, betoogt Livestro. ( Elsbeth Etty, NRC 25-5-2004)
De Leidse neoconservatieve professoren weten de studenten te bekoren met hun autoritaire en populistische argumenten. Diederik van Hoogstraten : “De politicologe Kelly Greenhill bevestigt de indruk dat jongere generaties anders zijn gaan denken over martelen. Nieuw onderzoek onder studenten, schreef zij onlangs, laat zien dat 44 procent marteling steunt in een ‘tijdbomscenario’, [...). Voor 'softe' methoden, zoals 'nepverdrinking', is 62 procent te porren, als dit onschuldige doden zou kunnen voorkomen." (de Volkskrant, 23-7-2007)

Maar afgezien van de morele kant van het martelen, wordt onder deskundigen niet geloofd in de effectiviteit van martelen of hard ondervragen:  "Hard ondervragen van verdachten of arrestanten lijkt zo voor de hand te liggen. Zeker in een oorlog. Maar respect en inspelen op menselijke praatzucht leveren veel meer op, zeggen kenners." "Ondervragers moeten inhaken op die natuurlijke praatzucht, schrijven ook dr. Ulf Holmberg en prof. dr. Sven Christianson van de universiteit van Stockholm. Zij bestudeerden ondervragingen in zware gewelds- en zedendelicten. Zakelijke en vriendelijke rechercheurs die de verdachte met respect behandelen, halen inderdaad meer informatie en meer bekentenissen dan dominante verhoorders die verdachten angst inboezemen." (de Volkskrant, 25-11-2006)

Uitvoerig bespreken de Nijmeegse rechtswetenschapper Sebastiaan Garvelink en de Leidse hoogleraar mensenrechten Thomas Mertens in Filosofie Magazine 6/2007 het (o.a. door Kinneging) geschetste schone-handen-dilemma , dat in de VS argumentatief veel door de neocon Yoo van het American Enterprise Instituut  wordt gebruikt.
"[...] Toch meent ook Bush zich in een situatie te bevinden waarin de geldende normen tegen marte­ling moeten worden heroverwogen. De rechtvaardiging daarvoor is te vinden in de dreiging van dat terrorisme en in Bush’s doctrine van de ‘As van het Kwaad’. In het licht van de apocalyptische strijd tegen het kwaad is een gewelddadige ondervraging te zien als het ‘geringere kwaad’. De juridi­sche onderbouwing is afkomstig van het Office of legal Council (OlC), een elite­clubje van topjuristen op het Amerikaanse Ministerie van Justitie. Het OlC legde het begrip ‘torture’ uit de genoemde Conventie zo beperkt uit, dat alleen de meest extreme vormen van geweld er onder vielen. Zelfs wanneer een ‘behandeling’ ondanks deze hoge drempel toch als ‘marteling’ zou moe­ten worden aangemerkt, zou het gebruik hiervan gerechtvaardigd kunnen worden met een beroep op ‘zelfverdediging’ en op de constitutionele bevoegdheden van de president als opperbevelhebber van het leger. De Amerikaanse regering heeft zich inmiddels genoodzaakt gezien dit stand­punt te matigen. Toch keert het terug in de vorig jaar aangenomen Military Commissi­ons Act, op grond waarvan de president in laatste instantie beslist over de interpreta­tie van de Geneefse Conventies. Zo bepaalt de president nog steeds wat ‘torture’ is. Een fervent voorvechter van deze presiden­tiële War Powers is John Yoo, voormalig lid van het OlC en destijds als (co-)auteur betrokken bij de martelmemo’s. Yoo is inmiddels weer hoogleraar in Berkeley, maar hij beroept zich in interviews en publicaties uitdrukkelijk op de eventuali­teit van een tikkende bom. Terrorismebe­strijding is voor hem niet alleen een zaak van politie en justitie. De terrorist bevindt zich in een toestand van oorlog met de samenleving, en dan geldt: ‘als de wapens spreken, zwijgen de wetten’. En als de wapens spreken, heeft de president het laatste woord. [...] Voor een ‘tikkende bom scenario’ is het niet voldoende dat er sprake is van een ze­kere kans op terroristische aanslagen, zoals vandaag de dag het geval is. Zelfs een acute dreiging is niet voldoende. Het scenario is pas aanwezig als de kennis van die dreiging zo compleet is, dat we precies weten welke ramp aanstaande is, welke informatie we nodig hebben om deze ramp af te wenden en wie we moeten martelen om die informa­tie te verkrijgen – én bovendien: dat er geen andere manier is om die ramp te voorkomen. Het veronderstelt met andere woorden een compleet overzicht waarin niet één cruciaal element mag ontbreken. Een dergelijke situatie kun je eigenlijk alleen maar op kunstmatige wijze creëren, bijvoorbeeld als scenarioschrijver van een film of van een televisieserie. [...]Zouden de aanslagen van 11 september voorkomen hebben kunnen worden, wan­neer de Amerikaanse veiligheidsdiensten op het juiste moment bereid waren geweest iemand te martelen? Misschien. Maar dan had men op de hoogte moeten zijn van wat er op handen was en had men de juiste persoon te pakken moeten hebben. Bij mar­teling gaat het echter bijna altijd om men­sen die min of meer verdacht zijn, die mis­schien beschikken over kleine stukjes relevante informatie die zich misschien wel – maar misschien ook niet – tot een zinvol geheel laten ordenen, op grond waarvan wellicht een nabij of verder gelegen toe­komstig gevaar kan worden afgewend. Mar­teling vindt dan ook meestal plaats in het kader van zogeheten sleepnetoperaties, waarbij grote hoeveelheden individuen worden opgepakt en ondervraagd, zoals in de Algerijnse oorlog, tijdens de Palestijnse intifada of nu in Irak. Buiten de studio is marteling nooit een precisie-instrument ter voorkoming van een terroristische aanslag, maar een grof mid­del dat zonder veel beperkingen en op basis van gebrekkige informatie wordt toegepast. Dat betekent dat het vaak voorkomt dat de verkeerde op de pijnbank zal worden ge­legd. Het is al eeuwen bekend dat verkla­ringen die onder dwang zijn afgelegd, onbe­trouwbaar zijn. Recent werd dat in Nederland nog eens bevestigd in de zoge­naamde Schiedamse parkmoord. Bovendien brengt ‘marteling’ kosten met zich mee voor de samenleving die haar aanvaardt. Er moet informatie verzameld worden, daar zijn gebouwen voor nodig en personeel. Verder vraagt marteling om autorisatie en controle. Uiteindelijk lijkt er maar één alternatief te zijn voor een absoluut verbod op martelen: een absolute staat. “

Ook de Leidse hoogleraar Herman van Gunsteren is buitengewoon kritisch over de Amerikaanse wetgeving ten opzichte van martelen: “Anthony Lewis’ ‘Making Torture Legal’ (‘Legalisatie van martelen’) analyseert memoranda van de hand van juristen in het Bush-bestuur over de behandeling van krijgsgevangenen. Zij geven, als waren ze advocaten van een maffiabaas, trucs aan waardoor vervolging vermeden kan worden. 11 September, zo argumenteert een memorandum van het ministerie van Justitie, heeft het recht van de natie op zelfverdediging geactiveerd. Iemand die bij een ondervraging martelt kan strafbaarheid ontlopen als zijn handelen ertoe dient om verdere aanvallen te voorkomen. Daarnaast ontwikkelen de regeringsjuristen een doctrine over de bevoegdheid van de president als opperbevelhebber die hem in feite boven de grondwet stelt. ‘Restricting the President’s plenary power over military operations (including the treatment of prisoners)’ zou ‘constitutionally dubious’ zijn, aldus een memorandum van William J. Haynes II van het ministerie van Justitie. (‘Het beperken van de presidentiële oppermacht over militaire operaties (inclusief de behandeling van gevangenen) zou wel eens strijdig met de grondwet kunnen zijn.’) Een later (6 maart 2003) geheim memorandum voor minister van Defensie Rumsfeld, geschreven door een ad-hoccollectief van juristen, voegt daar een handreiking voor prospectieve (de oorlog in Irak zou net beginnen) martelaars aan toe: ‘As this authority is inherent in the President, exercise of it by subordinates would be best if it can be shown to have been derived from the President’s authority, through Presidential directive or other writing.’ (‘Aangezien deze bevoegdheid inherent is aan het presidentschap, zou het het beste zijn als aangetoond kan worden dat de uitoefening ervan door ondergeschikten, blijkens een presidentiële aanwijzing of ander schriftelijke stuk, is afgeleid uit de presidentiële bevoegdheid.’) De wet die de leider en degenen die namens hem handelen boven de wet stelt, dat is een bekend gevaarlijke vorm van tirannie.” Martelen en dood van gevangenen zijn het eindresultaat van ‘coollegal abstractions’ (koele juridische abstracties) aldus Lewis. ‘For me,’ schrijft de oud-columnist van de New York Times ‘the twisting of the law by lawyers is especially troubling. I have spent my life believing that the safety of this difficult, diverse country lies to a significant extent in the good faith of lawyers – in their commitment to respect the rules. But the Bush lawyers have been brazen in their readiness to twist, dissemble, and invent in the cause of power.’ ” ( Gevaarlijk veilig, p 111 ff.) Van Gunsteren verwijst terecht ook naar de nazi jurist Carl Schmitt, die door de Burke Stichting ongenuanceerd wordt aangehaald.


[1] In: Filosofisch elftal, p. 193 f.; ook in Trouw, 12-5-2004.

Meer blogs over Andreas Kinneging, voorzitter van de Leidse Edmund Burke Stichting

http://passagenproject.com/blog/2011/04/27/10976/

http://passagenproject.com/blog/2008/03/07/het-racisme-en-seksisme-van-burke-voorzitter-prof-dr-kinneging/

http://passagenproject.com/blog/2007/11/17/leidse-hoogleraren-over-het-marteldilemma-kinneging-mertens-van-gunsteren/

http://passagenproject.com/blog/2007/11/05/atheistisch-bijgeloof-carotta-en-zijn-volgelingen/

http://passagenproject.com/blog/2009/02/17/economie-moraal-neocons/

http://passagenproject.com/blog/2009/06/19/polarisatie/

 

Commissie VS: martelpraktijken CIA waren zinloos

Het beroep op Voltaire

32 comments

voltaire werner horvath Het beroep op Voltaire
Ik vind het onverteerbaar hoe politiek-rechts Voltaire misbruikt, Voltaire, die juist een pleitbezorger was van religieuze tolerantie en verdraagzaamheid.
 

Maarten Doorman bekritiseert in de Volkskrant de vermeende Voltaire-erfgenamen: “Nu zien strijders voor de vrijheid van meningsuiting steeds een belangrijk ding over het hoofd. Want als je daarvoor strijdt, is dan niet de eerste vraag die je je moet stellen, wie de meeste vrijheid van meningsuiting heeft, en wie de minste? En ligt het dan niet voor de hand je strijd te beginnen bij wie de minste vrijheid hebben, degenen die nauwelijks in het parlement vertegenwoordigd zijn, die geen eigen landelijke kranten of omroepen hebben, laat staan columns, podia, netwerken, geld, welbespraaktheid en succes? Wat beweegt publicisten als Afshin Ellian, Joost Zwagerman, Max Pam, Leon de Winter e tutti quanti zulke zwakke tegenstanders op te zoeken?

Zouden deze heren, die de erfenis van de Verlichting menen te verdedigen en zichzelf zien strijden in het voetspoor van de grote Voltaire, hun geluid niet wat moeten dempen in het besef dat Voltaire, althans in zijn betere momenten, voor de zwakken zonder stem opkwam, al streed hij daarbij dan, inderdaad, vaak tegen het geloof en was hij in die strijd soms even koket? Waarom voegen ook nieuwe rekruten als Zwagerman zich nu bij het leger van de sterken en luidruchtigen? Wie kan hier steun gebruiken? Het is een vraag die al die dappere publicisten zich vanaf de barricaden der vrije meningsuiting eens wat grondiger mochten stellen.”

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier,  proberen Ellian en Cliteur een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

Een reden voor Voltaire aanhangers om Voltaire op handen te dragen is diens schelden op Mohammed.  “Voltaire [schilderde] de figuur van Mohammed [...] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006) Al sinds de Christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld. “Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed die in de lijn ligt met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed  uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren. “Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

Sjoerd de Jong: “Kritiek op religie – nu vooral de islam-  waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire: “Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” (NRC 6-4-2004)
De minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur verabsoluteerd wordt: “Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om hete zeggen.’
Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ ”

John Gray, volgens Paul Cliteur een “demagoog” die “vreselijke dingen” beweert, opent zijn boekje over Voltaire met de volgende alinea: “If, despite its history, we think of philosophy as the disinterested pursuit of truth, then Voltaire was no philosopher. He lived and died, the exemplay philosophe, a partisan. Nothing is further from Voltaire’s thought than the spirit f inquiry. Nor, despite his excoriating sarcasm and the unquenchable vivacity of his pessimism, was Voltaire’s view of humankind detached or cynical. He was a lifelong propagandist for a secular faith. The object of Voltaire’s ‘philosophy’ was not to advance inquiry, still less to foster sceptical doubt. It was to found a new creed. Voltaire sought to supplant the Christian religion by the faith of the Enlightenment. His tireless raillery was meant in deadly earnest. His opposition to Christian fanaticism had itself a fanatical bent. Voltaire’s life work was to set European life on a new foundation by constructing a successor to Christianity.” (Voltaire, p.1).

John Gray gaat zowel met kritiek als ook met hoogachting in op het werk van Voltaire. Hij onderkent twee verschillende componenten in Voltaires werk: het fanatieke verlichtingsfundamentalisme, dat een seculiere religie wilde stichten, en het kritische denken, dat voor de emancipatie opkwam. Het is mijn stelling dat Cliteur en Ellian erven zijn van de eerste component bij Voltaire, dus van het fanatieke secularisme, maar niet van de emancipatoire gedachte.

Cyrille Offermans over de kritische component bij Voltaire:  “Voltaire was geen geharnast atheïst en ook geen vooruitgangsoptimist, hij geloofde niet in de vervolmaakbaarheid van de wereld noch in een intellectuele of morele superioriteit van het Westen. En ja, Voltaire zou met genoegen gehakt hebben gemaakt van de militante conservatieven die zich tegenwoordig op hem beroepen als ze de superieure zegeningen van onze verlichte westerse wereld bezingen in schril contrast met de achterlijkheden van de moslims.” (Voltaire, opgewekt en multicultureel, Trouw 27-3-2004)

Voltaire beledigde de machtige katholieke kerk, terwijl Ellian en Cliteur een kwetsbare minderheid kwetsen

P.S.
ALS  rechts zich op überhaupt Voltaire wil beroepen kan dat het beste gebeuren door zich in de traditie van Voltaire’s racisme te stellen. In zijn Traité de métaphysique (1734) verklaarde Voltaire, dat de “blanken superieur waren aan de negers, zoals de negers superieur zijn aan de apen” (geciteerd naar Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid, p. 294)
.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

De cultuurgeschiedenis van de hagedis (3) : Ovidius en de hagedis

3 comments

Terwijl veel mensen, ook ik, de hagedis als een kwetsbaar, aandoenlijk en “lief” beestje beleven, is de hagedis in de Westerse cultuurgeschiedenis eerder met het slechte, lage, duivelse verbonden geweest. Dat heeft misschien me te mee te maken dat de hagedis en overblijfsel is uit een verleden, toen er nog lang geen mensen waren en de aarde nog “woest en leeg” was, of in ieder geval woester en leger dan nu.

De afkeer van de hagedis is niet puur christelijk, maar ook al bij Ovidius te vinden. In zijn Metamorphosen vertelt hij in het vijfde boek in een passage over de godin van de vruchtbaarheid, Ceres, die te drinken krijgt van een oude vrouw, vervolgens uitgelachen wordt door een brutale kleine jongen, en hem voor straf in een hagedis verwandelt:

“Beledigd met de halfvolle beker in haar handen,
Plenst de godin het gerstemengsel bij de praatjesmaker
pal in ’t gezicht. Hij raakt doordrenkt, en waar eerst
zijn armen zaten krijt hij poten en er groeit een staart
aan zijn veranderd lichaam; hij wordt klein, zodat hij niet
veel kwaad kan doen, nog kleiner dan een kleine hagedis.
Het oudje barst ontzet in tranen uit, wil dat mirakel
Nog pakken, maar hij schiet een donker hoekje in. Zijn naam
– sterhagedis- past bij zijn huid vanwege al die spetters.”
[Vertaling M. D’Hane-Scheltema]

Zoals veel verwandelingen van Ovidius werd ook deze verwandeling graag verbeeld door kunstenaars: 

eidechse krauss 5,10 De cultuurgeschiedenis van de hagedis (3) : Ovidius en de hagedis

Bokito en Kafka

30 comments

Naar aanleiding van Bokito’s uitbraak is het zeer zinvol Kafka’s vertelling Bericht für eine Akademie te herlezen. Bokito deed waarvan Kafka’s braaf getemde monologiserende aap alleen maar kon dromen: ten minste te proberen te ontsnappen, en zijn treiteraars te pakken.

Ik citeer uit de Duitse tekst ( ik haal de Nederlandse vertaling van de bieb, en zal vanmidaag ook de Nederlandse teksten op mijn blog zetten).

In Bericht an eine Akademie spreekt een getemde aap, en wel uit het perspectief van een enigszins tevreden getemde aap, dus een aap die het één en ander bereikt heeft, en het één en ander graag voor heeft opgeofferd:

“[…] Gerade Verzicht auf jeden Eigensinn war das oberste Gebot, das ich mir auferlegt hatte.”

Hij kan zich niet meer aan zijn vrijheid herinneren, en de wens te ontsnappen is bij hem ook bijna verdwenen, alleen een klein restje van ontsnappingsdromen is er nog:

“An der Ferse aber kitzelt es jeden, der hier auf Erden geht: den kleinen Schimpansen wie den großen Achilles.”

Toch probeert hij zich en zijn toehoorders te overtuigen dat hij tevreden is, en niet meer naar vrijheid verlangt:

“Was mich aber anlangt, verlangte ich Freiheit weder damals noch heute. Nebenbei: mit Freiheit betrügt man sich unter Menschen allzuoft.”

Het effect van zijn overtuigingspogingen op de lezer is paradox en tragisch-komisch, omdat hij juist niet overtuigt.

Hij verdedigt zijn treiteraars:
“Spucken konnte ich schon in den ersten Tagen. Wir spuckten einander dann gegenseitig ins Gesicht; der Unterschied war nur, daß ich mein Gesicht nachher reinleckte, sie ihres nicht. Die Pfeife rauchte ich bald wie ein Alter; drückte ich dann auch noch den Daumen in den Pfeifenkopf, jauchzte das ganze Zwischendeck; nur den Unterschied zwischen der leeren und der gestopften Pfeife verstand ich lange nicht. Die meiste Mühe machte mir die Schnapsflasche. Der Geruch peinigte mich; ich zwang mich mit allen Kräften; aber es vergingen Wochen, ehe ich mich überwand. Diese inneren Kämpfe nahmen die Leute merkwürdigerweise ernster als irgend etwas sonst an mir. “

Kafka heeft een boze visie op het zogenaamde beschavingsprozes. Beschaven is bij hem treiteren ( ter zijde: de Burke Stichting, die meent dat de Westerse beschaving zo ontzettend “superieur”is aan alle “barbaren”, kan nog het één en ander van Kafka leren):
“Allzuoft nur verlief so der Unterricht.”

Kafka’s aap maakt carrière. Anders dan Bokito haalt hij het variété:
“Zoologischer Garten ist nur ein neuer Gitterkäfig; kommst du in ihn, bist du verloren.”

Tevreden constateert hij:
“Im ganzen habe ich jedenfalls erreicht, was ich erreichen wollte. Man sage nicht, es wäre der Mühe nicht wert gewesen.”

En dat is toch wat de meeste van ons zouden willen zeggen- of niet soms??

Ach, waarom zouden we toch
blauwe plekken
halen bij het
ontsnappen

Liever bouwen we
een mooi
ere kooi

 

Proust en de roze meidoorn

13 comments

meijendoornroze Proust en de roze meidoorn

In de Haagse duinen bloeit nu overal de meidoorn. Niet alleen de witte maar ook de roze en de rode. Ik heb al eerder  Proust aangehaald over de meidoorn, en ik ga nu door:

“Ik keerde naar de meidoorn terug als naar een kunstwerk waarvan men meent dat men het beter ziet als men er een ogenblik niet naar gekeken heeft, maar het gaf niet of ik mijn ogen met mijn handen afschermde om niets anders te zien, het gevoel dat ze in mijn opwekten bleef onbestemd en vaag, trachtte vergeefs zich los te maken en met de bloemen te verbinden.[…]

[De grootvader zei:] ‘Je houdt toch zo veel van meidoorns, kijk dan eens naar deze met roze bloemen; wat is die mooi! ‘ Inderdaad was het een meidoorn, maar dan roze, nog mooier dan de witte. Ook deze was voor een feest versierd – voor een van die echte feesten wat alleen kerkelijke feesten kunnen zijn, omdat ze immers niet zoals de wereldlijke door een gril van het toeval aan een of andere willekeurige dag geplakt worden, die er niet speciaal toe voorbestemd is en die niet iets essentieel feestelijks heeft- maar nog rijker, want de bloemen die zo dicht op elkaar aan de takken zaten dat ze, zoals de pompons rondom een rococo herdersstaf, geen plaats onversierd lieten, waren ‘in kleur’ […] “

Uit: Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd, De kant van Swann , [Uitgeverij De bezige Bij, 2002, p. 189]

De opmerking over de kerkelijke feesten moet volgens mij ironisch opgevat worden, omdat Proust hier in feite een natuurreligie verkoopt….

Paul Cliteur: Moreel Esperanto

no comment

Koen Haegens heeft in De Groene Amsterdammer van 9-3-2007 een uitstekende recensie geschreven van Cliteurs nieuwste boek, Moreel Esperanto.

Ik wil het debat over Cliteurs Moreel Esperanto openen met citaten uit Haegens’ artikel uit De Groene.

 
Cliteurs pleidooi voor een atheïstisch-humanistisch “Moreel Esperanto” ziet de Leidse hoogleraar godsdienstwetenschap Willen B. Drees als een “naïeve wensdroom” van een spanningsvrije morele taal. “Moreel beraad kan zeer wel leven met argumenten die niet gedeeld en niet geheel begrepen worden, inclusief verwijzingen naar een particuliere achtergrond en religieuze traditie. Moreel beraad vraagt geduld en begrip, niet instemming.”[1] Drees merkt ook op dat Esperanto geen succes was, en dat Esperanto ver van waardevrij was: Het was een taal georiënteerd aan Europese talen, en werd ook – niet geheel toevallig- dwangs-gepromoot door Khomeini, omdat hij het Engels wilde vermijden.
Cliteur zoekt spanningsvrije volmaaktheid, maar het gaat erom randvoorwaarden te scheppen voor pluriformiteit en diversiteit.

Maar hier eerst Haegens:

“In heksen, kabouters en zeemeerminnen mag van rechtsfilosoof en opiniemaker Paul Cliteur iedereen geloven, ‘maar wanneer wereldleiders oorlogen beginnen op basis van berichten die zij menen te hebben ontvangen uit een andere wereld, heb je wel een serieus probleem’. Dat probleem heet bij Cliteur de ‘goddelijke-bevelstheorie’, de religieuze ethiek van christendom, jodendom en islam die het goede definieert als datgene wat God wil. Hét klassieke voorbeeld van waar dat toe kan leiden, is het in alle monotheïstische godsdiensten voorkomende verhaal van Abraham. Uit gehoorzaamheid aan God was hij bereid zijn zoon Izaäk te offeren.

Het is deze goddelijke-bevelstheorie die volgens Cliteur de hoofdoorzaak is van de huidige problemen met religieus fundamentalisme. Hij hekelt de mensen die alle mogelijke andere verklaringen voor bijvoorbeeld de moord op Theo van Gogh aanvoeren – van cultuur tot discriminatie op de arbeidsmarkt – behalve de religie van de dader. Waarom de verklaring van Mohammed B. zelf, die zegt dat zijn daad voortkomt uit zijn geloof, niet serieus nemen?

[…]
Wat de multireligieuze samenleving nodig heeft is daarom geen geïnstitutionaliseerd religieus pluralisme, maar een autonome, niet-religieuze ethiek. Zo’n autonome ethiek is volgens Cliteur niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk in een samenleving waarin verschillende religies naast elkaar bestaan. Discussiëren over goed en kwaad gaat het best in een voor iedereen verstaanbare taal, redeneert hij, een soort ‘moreel Esperanto’ dus.

Dat is even redelijk als dat het vaag is. Nadat Cliteur tweederde van zijn boek heeft uitgetrokken om de nadelige kanten van religieuze ethiek te bespreken – waarbij hij de herhaling helaas niet schuwt – handelt hij de door hem aangedragen alternatieven wat al te makkelijk af.

Het probleem van de multireligieuze samenleving, zo stelt Cliteur, is dat mensen ‘hardnekkig blijven doorpraten in een taal die alleen wordt verstaan door de eigen groep’. Helaas laat Cliteur na zelf het goede voorbeeld te geven. Samen met zijn intellectuele maatjes als Jaffe Vink, Afshin Ellian, Chris Rutenfrans en Andreas Kinneging staat hij nu al jarenlang luid in het neoconservatieve dialect te schreeuwen. Om degenen die daar niet aan meedoen er vervolgens van te beschuldigen dat ze het debat ontlopen en de problemen bagatelliseren.

Ook in Moreel Esperanto fulmineert Cliteur honderden pagina’s achtereen tegen zijn critici. Wie dit precies zijn blijft onbekend, laat staan dat er naar goed wetenschappelijk gebruik concrete citaten en verwijzingen gegeven worden. Cliteur spreekt over ‘vrijzinnigen, multiculturalisten en postmodernen’.
[…]

Cliteur cum suis voeren geen echt debat. Ze creëren voortdurend zelf een ideaaltypische tegenstander in hun ideeënstrijd. Die is van alles tegelijk – van oud-linkse betonsocialist tot liberale postmodernist – maar bovenal vatbaar voor hun favoriete ‘argument’: ze zijn soft in het allesbepalende gevecht tussen westerse conservatieve liberalen en fundamentalisten.
[…]

Wat telt is de letterlijke tekst, een uitgangspunt dat de neocons overigens delen met de fundamentalisten. Het hangt samen met hun filosofisch idealisme. De fysieke omstandigheden zijn volgens het idealisme afhankelijk van de geest. Anders gezegd: niet de materiële omstandigheden bepalen hoe onze wereld eruitziet, maar louter de ideeën en gedachten van mensen.[...] ”

 
Susan Neiman onderneemt in haar boek Morele helderheid/ Goed en kwaad in de eenentwintigste eeuw (Moral clarity) een poging om – net als Cliteur- een moraal zonder religie te verdigen, maar anders dan Cliteur doet zij dat met respect vor religies en met een scherpe kritiek op neoconservatieven (neocons dus zoals Cliteur zelf).
 
 
De Leidse hoogleraar Oude Testament Bas ter Haar Romeny die tijdens NWO-Huygenslezing 2007 over Cultuur en identiteit sprak over het thema “Religie en Cultuur : wie is de baas?” keerde zich tegen de doelstelling van zijn Leidse collega Paul Cliteur voor een “Moreel Esperanto”:
We hebben volgens Ter Haar Romeny geen moreel Esperanto nodig, waar de religie overboord wordt gegooid. Het gaat om dialoog, debat en wisselwerking tussen culturen en religies.



[1] Willem B. Drees “Religies in een pluriforme samenleving – stellingen, VU –podium Wat ons bindt: Op zoek naar de overeenkomsten”.
 

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Peter Sloterdijk: Kritiek van de cynische rede (1)

12 comments

“Kritik der zynischen Vernunft”; met dat boek bracht Peter Sloterdijk de filosofenwereld even in beroering- aan het lachen.” […] “Uitgangspunt voor Sloterdijk is de impasse waarin de maatschappijkritiek – de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule- momenteel beland is. Nooit is de impuls tot kritiek zo sterk overmand geweest door onmacht, onverschilligheid, verlammende onlustgevoelens. ‘In ons denken is geen vonkje meer van verheven gedachtegangen, van de extase van het inzicht. We zijn verlicht- ‘aufgeklärt’- we zijn apathisch.’ “ ( Sloterdijk geciteerd na Rob Devos) 

Sloterdijk maakt een verschil tussen cynisme en kynisme. Cynisme is machtsdenken. Cynisme is kritiek van de sterke op de zwakke, is onderwerping, is top-down- georiënteerd. Kynisme is provocatie zonder formele macht. Kynisme ( in de traditie van Diogenes) beweegt bottom up ( in alle opzichten) . 

De inspiratie voor de kritiek moet voor Sloterdijk komen vanuit het levende lichaam. Geen naakt geweld […] maar het geweld van het naakte- “naakt” wordt hier ook overdrachtelijk bedoeld. Naakt is kynisme in actie. Cynisme, dat is de oude moeë slachtofferige of agressieve kritiek. Kynisme, dat is lichamelijke kritiek die het aandurft zichzelf in het spel te brengen en dus vaak een pak slagen riskeert. Deze kynische kritiek is een vrijpostige filosofie, een verrassende ontbloting die onomwonden en offensief de dingen bij name noemt. 
De kritiek van de cynische rede verwacht veel van “opvrolijkende activiteiten, waarbij tevoren reeds vaststaat dat dit niet zozeer activiteit is als wel ontspanning na geleverde arbeid.” (Sloterdijk)

Ik ben begonnen aan een bestandje met belangrijke citaten uit Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, klik hier.

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Verhalen vertellen als een deugd/Kees Schuyt, Primo Levi, Walter Benjamin

14 comments

Fatsoenrakkers hechten grote waarde aan een klassieke deugdenethiek, met zware en heroïeke deugden zoals eer en moed.

Een veel aansprekender model heeft Kees Schuyt voorgesteld, in navolging van Robert S.C. Gordon en Primo Levi. (In: Steunberen van de samenleving) Deze alledaagse deugdenethiek van kleine deugden omvat bijvoorbeeld: goed kijken en observeren; zorgvuldig en precies taalgebruik; een gevoel voor maat en grens; vindingrijkheid; het durven maken van fouten; herinneren en ervaringen vastleggen; humor en speelsheid. Deze kleine deugden maken maatschappelijke kritiek mogelijk, maar bemoedigen, anders dan Kinnegings grote deugden, geen maatschappelijk polariserend gedrag.

Een van de door Robert Gordon en Primo Levi beschreven deugden is het vertellen. Ik weet niet of ik vind dat het nodig is het vertellen als een deugd op te poetsen, maar ik zal hier een paar van de gedachten van Gordon weergeven, belangrijk voor alle bloggers die ten slotte vertellers zijn. Gordon beroept zich in dit hoofdstuk over vertellen sterk op Walter Benjamin.

”Friends tell each other stories; by telling each other stories […] two interlocutors become friends. The ethics of friendship and the ethics of storytelling are deeply intertwined. In Primo Levi […] stories, real or invented[…] are his best defense against reductive generalization and over-simplification , and at the same time they foment his ethical inquiry, never stalling at the merely anecdotal. “
Walter Benjamin heeft ook de morele dimensies van het vertellen onderstreept, de verborgen moraal die in elk verhaal ligt.

Zijn er dan geen slechte verhalen? Ja wel: “A bad storyteller tells us much about storytelling, as figures such as Tristan Shandy or Boccaccio’s Madonna Oretta.” (Gordon, Robert S.C., Primo Levi’s ordinary virtues)

Verhalen vertellen is naar mijn mening alleen maar een deugd als er voldaan wordt aan een paar belangrijke criteria: openheid, kwetsbaarheid, complexiteit van mens- en wereldbeeld, en ook voldaan wordt aan de overige “kleine deugden” van Primo Levi, zoals humor en speelsheid.
 

Ilan Pappe over The ethnic cleansing of Palestine

no comment

Op vrijdag middag sprak de Israëlische “new historian” Ilan Pappe aan de Universiteit van Amsterdam over The ethnic cleansing of Palestine . Dit is tevens de titel van zijn nieuwe boek, besproken ook in Cicero, de Volkskrant van vrijdag.

Stan van Houcke heeft zijn hele tape van de lezing van gisterenmiddag op zijn audioblog gezet! Je kunt het beluisteren onder de rubriek Lectures
of via: http://www.stanvanhoucke.net/audioblog/index.php

Van mijn vriendin Friduwih kreeg ik nog het volgende verslag van haar interview met Pappe ( het zal nog gepubliceerd worden in De Brug van SIVMO )

The making of The Ethnic Cleansing

De nieuwste publicatie van de Israëlische “new historian” Ilan Pappe, The ethnic cleansing of Palestine, levert opnieuw bewijs voor de verdrijving van de Palestijnse bevolking uit hun land in 1948. Op zaterdag 27 oktober, de internationale Holocaust memorial day, presenteerde Pappe zijn boek in de American Book Center in Amsterdam. De presentatie was tegelijk een oproep om in te grijpen in het beleid van Israël, want de verdrijving van de Palestijnen uit hun gebieden is niet een historische gebeurtenis maar een actueel feit, dat bovendien zowel ontkend als gerechtvaardigd wordt.

Ilan Pappe groeide op in Haifa, tussen de Arabieren zodat z’n van afkomst Duitse moeder was blij als hij ’s avonds heelhuids thuiskwam, in de tijd dat het een vanzelfsprekende waarheid was dat de Zionisten hun ‘Jewish home’ stichtten in een land zonder mensen. In de jaren 70 was deze geschied¬schrijving door de universiteiten intelligenter uitgewerkt en studenten leerden een geschiedenis zonder Palestijnen. Op het moment dat Pappe moest afstuderen, ging juist een archief over 1948 open en een Arabische professor raadde hem aan deze nieuwe documenten te bestuderen. Met zijn collega’s, de historicus Benny Morris en de journalist Tom Segev, en rende Ilan Pappe in een horde historici op de archieven af – maar geen Palestijnse historicus was geïnteresseerd. De nieuwe documenten doorkruisten ieder ander archief, dat van Engeland, van de Verenigde Naties, van Israël en zovoorst, wat eerst een professionele schok was en pas later een morele schok. Immers het beeld heerste van de hoge morele standaard van Israël, een mythe geboren in de Israëlisch-Arabische oorlog van 1848. De Deir Yasin Massacre in Palestina in 1948, waar de Irgun Zvai Leumi en de Stern Gang troepen de 254 Palestijns-Arabische inwoners van het dorp Deir Yasin, mannen, vrouwen en kinderen, systematisch doodden, was erkend maar toegeschreven aan extreem-rechtse Joden. Dat er veel bloedbaden geweest waren, was onbekend.

In ’89 vroeg de Israëlische televisie Pappe’s advies over een geschiedenisserie en veel waarheden zijn toen onderuitgehaald. In de erop volgende jaren, midden in het vredesproces, stond het historisch establishment en het publiek opener voor de ‘new historians’ die gevraagd werden zich uit te spreken voor krant en tv. Maar vanaf ’94, door het mislukken van de vredesonderhandelingen, door de voorzichtigheid van de ‘new historians’ die de om te mogen blijven doorpraten de helft van de waarheid vertelden, wat later ineffectief bleek, en doordat er weer nieuwe documenten opengingen, heeft de openheid van Israël voor andere geschiedenissen dan de zionistische lezing, maar kort geduurd. En gezien de agressie waarmee wetenschappelijke kritiek, laat staan politieke en morele, wordt bejegend, is het buitengewoon dapper dat Ilan Pappe The ethnic cleansing na het opengaan van de politieke archieven en de militaire- en veiligheidsarchieven – de eerst na 30, de laatste pas na 50 jaar – heeft herschreven.

1948, over dit jaar gaat het boek, moest wel een cruciaal gezichtspunt zijn, zegt Pappe, immers Israël noemt het ‘t beste jaar van hun hele geschiedenis, de Palestijnen noemen het ’t slechtste jaar van hun geschiedenis en de VN slagen er niet in om probleem van de ’48-vluchtelingen op te lossen. De nieuwe documenten toonden niet alleen méér misdaden en bloedbaden, wat een gradueel verschil maakt in de geschiedschrijving, maar een gedetailleerde planning van de misdaden tegen de Palestijnse bevolking, wat onherroepelijk leidt tot een radicaal verschil in de geschiedenisinterpretatie. Het gaat nu beslist niet meer om een Nakba, wat ramp betekent, iets onvermijdelijks en ongericht, maar om een ethische zuivering. Dit is een moreel, politiek en historisch concept, dat betekent dat één etnische groep de misdaad bedenkt en uitvoert tegen een andere etnische groep, ongeacht de wijze waarop de zuivering bereikt wordt, zelfs als het middel het scheppen van een atmosfeer van angst is, is er sprake van etnische zuivering.

Omdat de VN etnische zuivering veroordeeld als een misdaad is Pappe bij het herschrijven van het boek op zoek gegaan naar de daders. Hij vond er elf, die allen beschouwd worden als Israëls helden. Deze groep ontwierp een plan dat zij langzaam omzetten in commando’s en dat na het afwijzen van het Partition Plan van de VN in ’47, resulteerde in het met de grond gelijk maken van elf steden en ruim vijfhonderd dorpen, door jonge Israëlische soldaten, en met de een dieptragisch einde toen in oktober ’48 de troepen Galilea in het noorden bereikten, waar de Palestijnen wisten wat er zou gaan gebeuren en, zonder wapens, terugvochten. Pappe is terughoudend in het beschrijven van wreedheden, die onbeschrijflijk zijn; de Palestijnse documenten en de oral history leveren overtuigend bewijs en de Israëlische rapporten onthullen niets, als was het, zegt Pappe, om de Palestijnen te waarschuwen dat als toch niemand het ziet, ze net zo goed niets kunnen doen.

Het volgende deel van het boek gaat over de reactie van de internationale gemeenschap. Het Rode Kruis, Engeland, Amerika en de VN wisten van de misdaad, maar herinnerden zich op tijd de Holocaust en grepen niet in. Het zionisme is een uiterst taaie ideologie: een joodse staat kan niet bestaan met Palestijnen. De zogenaamde liberal-zionists stellen voor om Israël kleiner te maken zodat er minder Arabieren wonen. En omdat Israël in voortdurend gevaar zou zijn, is dit niet het moment om je druk te maken over burgerrechten, mensenrechten en politieke rechten. In de jaren 70 paste Israël zijn etnische zuiveringsstrategie aan opdat deze door kan gaan tot op heden. Routines werden opgezet om het leven in de Palestijnse gebieden langzamerhand onmogelijk te maken – het langzame stap voor stap inbedden van gebruiken zodat ze organisch gegroeid lijken en hun onrechtmatigheid ons niet opvalt, is iets waar Pappe steeds op wijst – zoals het plaatsen van wegversperringen lang voor de eerste zelfmoordterrorist. In Gaza wordt voortzetten van hetzelfde beleid zelfs betitelt als vredesproces, ex-premier Sharon won bijna de Nobelprijs voor de vrede door Gaza in een gevangenis. Wat Europa kan en moet doen is zeggen: “Wij hebben onder ogen gezien wat we de Joden deden; jullie moeten onder ogen zien wat je doet met de Palestijnen.”

De Burke Stichting en het nazisme

no comment

Qabouter vindt dat ik niet zo lichtzinnig een verband mag leggen tussen het nazisme en Wilders, en het nazisme en de Burke Stichting.
Ik begin zelf nooit over het nazisme, of over Hitler, ik vind dat namelijk smakeloos, en ik ben niet – HELEMAAL NIET ! – van mening dat de Burkianen of Wilders de nieuwe Hitlers zijn.

Maar ik permiteer het me wél over het nazisme te beginnen als bepaalde lieden ZELF over het nazisme beginnen. De Burke Stichting doet dit op veel manieren, niet alleen maar door zich achter het gedachtegoed van de nazi en antisemiet Carl Schmitt te stellen.

Bart Jan Spruyt vergelijkt de huidige tijd met het nazi –tijdperk, waarbij volgens hem de correcte vergelijking is: moslims = Hitler: “Hitler maakte in de jaren dertig misbruik van ‘de deur van Weimar’ om die om te vormen tot ‘een triomfboog van zijn intocht’ (Carl Schmitt). Hoe kunnen wij voorkomen dat ‘de poort van het Binnenhof’ wordt gebruikt tot een ‘triomfboog’ van de politieke theologie van de islam, die zal leiden tot een opheffing van veel van wat ons dierbaar is? Hoe kunnen wij de toekomst van de stad, van onze politieke gemeenschap, veilig stellen?” (Trouw 20-10-2004; vergelijk ook de opmeringen van Peter Louter)
Het is wel heel erg wrang, dat Bart Jan Spruyt, zelf een uitgesproken aanhanger van de nazi en antisemiet Carl Schmitt, Schmitts naam gebruikt om de moslims als de nieuwe nazi’s te kunnen neerzetten (en bovendien de verkeerde indruk probeert te wekken dat Schmitt een criticus en niet een belangrijke intellectuele steun van Hitler was!) . Kees Schuyt: “Het lijkt me een tour de force om de antidemocraat Schmitt als gids te nemen om de liberale democratie te redden, zoals Spruyt voorstelt.” (Democratische deugden, p. 19)

Voor Ellian, Cliteur c.s. zijn de moslims en hun nog gevaarlijkere vrienden, de multiculturalisten, de nieuwe nazi’s . Maar het is belangrijk niet uit het oog te verliezen dat ook de neoconservatieve islamofobie parallellen vertoont met de historische jodenhaat. Cliteur baseert zich bijvoorbeeld expliciet op de filoloog Ernest Renan, die de ongelijkheid van de rassen en de noodzakelijke overheersing van velen door enkelen als het vanzelfsprekend bewijs van een antidemocratische wet van natuur en samenleving zag en de Semitische ras (dus moslims en joden!) als minderwaardig beschouwde.

Ook de Trouw-columnist en Leidse docent Willem Breedveld ziet de analogie van bepaalde antisemitische denkpatronen en het harde anti-islamisme van Geert Wilders: ”Deze Wilders is levensgevaarlijk. Hij is er heilig van overtuigd dat alle ellende in deze wereld herleidbaar is tot de islam. Dat betekent dat hij achter alle problemen, variërend van het mondiale milieuprobleem tot de files in dit land, vrijwel automatisch de hand vermoedt van de islam en zijn miljoenen volgelingen.
Kortom, Wilders gelooft in een complot, in een wereldwijde samenzwering van islamieten tegen de rest van de wereld. Dit ligt in dezelfde lijn als het geloof waarmee de nazi’s de joden en het jodendom brandmerkten als de oorzaak van alle ellende, met als logisch sluitstuk de vernietiging van alle joden. Zover zal Wilders niet willen gaan, maar het is wel de uiteindelijke consequentie van zijn complotdenken. Daarom verdient hij voor alles ontmaskering en wat mij betreft wordt hij daarna volkomen genegeerd.” (Trouw 20-10-2004)

Paul Cliteur heeft het in zijn boeken veel over de nazi’s en de joden. Hij schrijft bijvoorbeeld over de monocultuur waar wij volgens hem naar moeten streven, en zegt in dat verband het volgende over het Duitse Derde Rijk:
“[...] ook het Duitse Derde Rijk was een multiculturele samenleving. Zelfs wanneer de poging om de cultuur van joden, zigeuners en homoseksuelen te elimineren uit Duitsland gelukt was, dan was het nog geen monocultuur geworden. [...] De monoculturele droom is dus in zijn radicaalste vorm een illusie.” (Moderne Papoea’s , p 17)
Cliteur zegt: “elimineren uit Duitsland”. Maar het was: vermoorden. Cliteur geeft dus eigenlijk toe dat de nazi’s een monocultuur hebben nagestreefd en dat in het kader van dit streven een paar (of waren het miljoenen?) mensen gesneuveld zijn. Cliteur denkt dat hijzelf zich fundamenteel van de nazi’s onderscheidt, omdat hij niet de onrealistische droom van de totale monocultuur aanhangt. En zeker, daar ligt een bepaald verschil tussen hem en de nazi’s . Maar vergeet niet, dat de nazi’s ondanks hun waanzinnige ideeën altijd ook zeer praktisch en rationeel waren, en op elk moment alleen datgene hebben gedaan, wat politiek en praktisch uitvoerbaar was. Ze hebben bijvoorbeeld altijd een stapje terug gedaan wat het antisemitisme betrof, toen zij op echte weerstand zijn gestoten (zie hiervoor Helmut Berding, Antisemitismus in Deutschland) .
Het streven naar een monocultuur was bij de nazi’s niet statisch, maar dynamisch; ze hebben gekeken hoe ver ze kunnen gaan.
Mijn stelling is, dat elk streven naar een monocultuur levensgevaarlijk is, en dat de monoculturalisten geconfronteerd, dus begrensd moeten worden, met alle democratische middelen.

De moraal van de nazi’s : antwoord op de Schmitt-apologeten (1)

no comment

Astroloog : “Maar wie hem [Schmitt] volledig leest ontdekt ook dat hij een intelligente, serieuze man was (vijand van ‘de lolbroek’), die in de nazi-ideologie ‘het goede’ meende te ontdekken, omdat die ideologie de schone schijn afwees.”
De nazi’s hadden bijna allemaal goede bedoelingen. Dat is toch juist het probleem! Het is niet zo als men vaak denkt, dat de nazi’s geen moraal hadden. Een zeer belangrijk boek in de context van het thema Het cynisme van Goed en Kwaad is Claudia Koonz The Nazi Conscience ( 2003) . Koonz laat zien dat de nazi’s , anders dan vaak wordt gedacht, niet gewetenloos waren, en zelfs nadrukkelijk moreel hebben geargumenteerd. Alleen: hun moraal gold allen voor degenen die zij als “vriend” hadden gedefinieerd. Voor de “vijand”gold deze moraal niet. Geert Wilders, die door de Burkianen direct en indirect wordt gesteund, en die via Bart Jan Spruyt sterk door Carl Schmitt is geïnspireerd, wil inmiddels ook het grondwettelijke gelijkheidbeginsel opgeven. Moslims kunnen nu, als het aan hem ligt, niet meer op gelijke rechten rekenen. Tegelijkertijd bedient Wilders zich, net als de Burkianen, van een zwaar moreel discours.
De vijand van Carl Schmitt was, zoals Kees Schuyt in zijn Cleveringa-oratie 2006 helemaal terecht zegt, de vijand uit Hitlers Mein Kampf: “Het vriend-vijanddenken werd tot het uiterste aangescherpt door de nationaal-socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt die in1932 de legale machtsovername juridisch voorbereidde en legitimeerde […] . Scherpe tegenstellingen vormen het wezen van de politiek, beweerde Schmitt, en de vijand die een existentiële bedreiging van het eigen ik vormde moest met alle geweld bestreden worden. De theoretische vijand in zijn rechtsleer was de eeuwige vijand uit Hitlers Mein Kampf” (p. 16, vaste link).
Vergeefs zoekt men bij de Burke-moralisten naar een reflectie over de kwestie dat veel moordenaars (bijvoorbeeld vele nazi’s en communisten) een prima huwelijk en gezin hadden en graag uitgebreide speeches gaven over MORAAL, vooral de moraal van HET GEZIN. Kinneging hecht grote waarde aan een klassieke deugdenethiek, met zware en heroïeke deugden zoals eer en moed. Een veel aansprekender model heeft de Burke –tegenstander en Leidse Cleveringa-hoogleraar Kees Schuyt voorgesteld, in navolging van Robert S.C. Gordon en Primo Levi.( In: De steunberen van de samenleving) Deze alledaagse deugdenethiek van kleine deugden omvat bijvoorbeeld: goed kijken en observeren; zorgvuldig en precies taalgebruik; een gevoel voor maat en grens; vindingrijkheid; het durven maken van fouten; herinneren en ervaringen vastleggen; humor en speelsheid. Deze kleine deugden maken maatschappelijke kritiek mogelijk, maar bemoedigen, anders dan Kinnegings grote deugden en Carl Schmitts grote woorden, geen maatschappelijk polariserend gedrag.

Carl Schmitt en het gedachtegoed van de Leidse Burkianen

no comment

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de Burke Stichting is om verschillende redenen zeer belangrijk. Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn oratie. [1] Cliteur en Ellian bespreken Schmitt uitvoerig in Encyclopedie van de rechtswetenschap deel 1 ( 2006) .

Op de website van de Edmund Burke Stichting staat over Carl Schmitt:
“ Schmitt was een briljant en controversieel jurist, één van de meest invloedrijke Duitse politieke denkers. Zijn radicale en systematische kritiek van liberaal-democratische idealen is nog steeds hoogst relevant. Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus geeft een haarscherpe analyse van de inconsistenties van de representatieve democratie. Het boek is geschreven in 1923 en werd door critici beschouwd als een poging om de parlementaire democratie te ondermijnen. Het was echter Schmitt’s poging de Weimar constitutie te verdedigen. Schmitt zal vanwege zijn nazi-verleden altijd omstreden blijven, maar onderdelen van zijn werk staan in het beste van de Westerse beschavingstraditie.”[2]

Ten tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.

Oud-Burke-directeur Bart Jan Spruyt haalde Carl Schmitt instemmend aan in zijn artikel Amerika bombardeert het Kwaad weg[3] en pleitte na de moord op Theo van Gogh “voor een Ausnahmezustand na het recept van de Duitse politiek denker Carl Schmitt om ‘onze democratie weerbaar te maken’ tegen ‘de islam als zodanig’.”[4] Spruyt maakte in zijn recente publicaties, o.a. in het door Afshin Ellian publiekelijk uit de hand van Spruyt in ontvangst genomen boek De toekomst van de stad ( en Ellian staat in maart 2006 nog steeds met Spruyt en diens Schmitt-verheerlijking afgebeeld op de website van de Burke Stichting) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne.[5] Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[6]

Burkiaan Jerker Spits noemt ook Carl Schmitt als een groot voorbeeld. Schmitts nazi-verleden is voor Spits geen reden om het gedachtegoed van Schmitt te mijden:
” Wie Schmitt in het nazistische klimaat van de jaren dertig opsluit, gaat voorbij aan de zeggingskracht van zijn politieke filosofie voor onze tijd. […] De vrijheid van het denken mag niet ten prooi vallen aan politieke correctheid.” (Trouw, 14-4-2005)

Ook Paul Cliteur staat met zijn opvatting, dat de rechtsstaat secundair is tegenover een autoritaire staat, en dat het ordescheppend staatsgezag belangrijker is dan de democratie[7] geheel in de denktraditie van Carl Schmitt. Paul Cliteur stelt in zijn boek Nederlands recht : “Een vraag die men kan stellen is waarin de geheimzinnige kracht schuilt die een volk ‘tezamen houdt’?”[8] Cliteur geeft een aantal antwoorden op deze vraag, zoals taal, geschiedenis en cultuur. Hij vergeet een belangrijke, griezelige, maar zeer effectieve “geheimzinnige kracht” “ te noemen “die een volk ’tezamen houdt’”: het creëren van een vijand. Dit is wat Carl Schmitt bepleitte. Schmitt kort en cru samengevat: ”Everybody needs a scapegoat.”[9]
Cliteurs pleidooi voor een monocultuur past ook in de denktrant van Schmitt.
“Schmitt condemned diversity because a monolithic Volk could more successfully compete against rivals than a fractionalized state.”[10]


[1] “Terecht constateert Carl Schmitt in zijn Politische Theologie, dat alle pregnante begrippen van de moderne staatsleer geseculariseerde theologische begrippen zijn:[…]” Sociale cohesie en islamitische terreur, oratie 18-4-2006.
[2] http://www.burkestichting.nl/nl/studenten/boeken20steeeuw.html
[3] de Volkskrant, 19-4-2003, Reflex (deze artikel is  niet vinden in het online-archief, alleen op microfiche)
[4] Ger Groot, De boel uit elkaar trekken, NRC Dossier Moslimterreur; zie Bart Jan Spruyt, Conservatieve identiteit tegen linkse uitverkoop, In: Hoe nu verder (2004) , p.42.
[5] Vg. ook Dick Pels, Een zwak voor Nederland, p. 228.
[6] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[7] Hutspot Holland,p. 175.
[8] Nederlands recht, p. 55.
[9] Nasr Abu Zaid, Voice of an Exile, p. 193.
[10] Claudia Koonz, The Nazi Conscience, p. 56.

Carl Schmitt zelf aan het woord ( in het Duits)

no comment

Raphael Gross gaat in zijn boek Carl Schmitt und die Juden (herziene oplage 2005) uitvoerig in op Schmitts nationaal-socialistisch en antisemitisch gedachtegoed. Hij beschrijft ook de intense inspanningen van verscheidene apologetische onderzoekers om Schmitt in bescherming te nemen tegen kritiek. Hij beschrijft de grote aarzelingen in de mainstream wetenschap om niet alleen het straatantisemitisme maar ook het intellectueel antisemitisme aan de kaak te stellen: “Stets war man bereit, den primitiven Radau-Antisemitismus und seine Folgen zu verurteilen und einzelne antisemitische Äußerungen als opportunistische Charakterlosigkeiten zu verdammen. Ursache und Bedeutung eines ´weniger primitiven´ Antisemitismus – nämlich desjenigen, der unter anderem von der juristisch/bürokratischen Elite innerhalb der SS und des SD vertreten wurde – sind aber nur sehr zögernd untersucht worden.“ (p. 15)
Schmitt wordt vaak verdedigd met het argument dat hij persoonlijk vriendelijke relaties onderhield met een aantal joden. Er zijn talrijke nazi’s voor wie dit ook geldt en het maakt hen structureel antisemitisme niet minder erg. Schmitt heeft in ieder geval zijn antisemitisme ook tegen joodse kennissen en collega’s in de praktijk gebracht. Gross: “[Schmitt weigerte sich], eine Resolution zu Gunsten seines ambtsenthobenen [jüdischen] Kollegen Hans Kelsen zu unterschreiben. Dese Weigerung kann entweder als Zeichen für Schmitts grenzenlosen Opportunismus oder als Zeichen für seine tatsächliche nationalsozialistische Gesinnung interpretiert werden, denn gerade Kelsen verdankte Schmitt seine erst kurz zuvor erfolgte Berufung nach Köln. Weitaus schwerwiegender liegen die Dinge aber in Bezug auf Schmitts Verhalten gegenüber seinem einstigen Bonner Kollegen Erich Kaufmann. Schmitt hatte sich hier emsig agiert, um durch eine antisemitische Attacke Kaufmanns weitere Lehrtätigkeit zu verhindern. Er schrieb an das Kultusministerium: ‚Eine solche, ganz auf Verschweigung der Abstammung und auf Tarnung angelegte Existenz’ sei für ‚deutsches Empfinden’ nur ‚schwer begreiflich’ und es sei nicht nur ‚eine schlimme Verwirrung’, sondern auch eine ‚seelische Schädigung’ der deutschen Studenten, wenn der nationalsozialistische Staat einem ‚besonders ausgesprochenem Typus jüdischen Assimilantentums’ heute von neuem die Möglichkeit gebe, sich an der größten deutschen Universität zu betätigen.’“(p. 48f. )

Schmitt heeft onmiddellijk nadat de nazi’s aan de macht kwamen theoretisch en praktisch partij genomen voor de nationaal-socialisten. In maart 1933 stelde zich Carl Schmitt in een artikel geheel aan de zij van de nazi’s. Hij beschrijft in een nationaal-socialistisch publicatieorgaan uitvoerig het belang van het gevecht tegen het jodendom. (p. 60). “Führertum und Artgleichheit” zijn voor Schmitt “Grundbegriffe des nationalsozialistischen Rechts“ dat hij zich inspande theoretisch te onderbouwen. (p.71).
Gross: „Unmittelbar nach dem Nürnberger ‚Reichsparteitag der Freiheit’ begrüßte Schmitt in einem Kommentar die drei neuen [Rassen-]gesetze. ‚Sie sind die Verfassung der Freiheit, der Kern unseres heutigen deutschen Rechts’. Die drei einzelnen Gesetze seien nicht bloß ‚wichtige Gesetze neben anderen’ sondern aus ihnen bestimme sich nun‚ was für uns Sittlichkeit und öffentliche Ordnung, Anstand und gute Sitten genannt werden’ könne.
Gegen die ‚Feinde und Parasiten Deutschlands’ gegen die ’typischen Tarnungsformen der Fremdherrschaft, den Dämon der Entartung’ und die geistige Fremdherrschaft würden nun erstmals seit vielen Jahrhunderten der Begriffe der Verfassung ‚wieder deutsch’. Das deutsche Volk sei nun, nachdem die Gesetze vom 15. September‚deutsches Blut und deutsche Ehre zu Hauptbegriffen des Rechts gemacht hätten, auch im Rechtssinne wieder ‚deutsches Volk’. In einem anderen, längeren Artikel in dem sich Schmitt ebenfalls vorwiegend mit den Nürnberger Gesetzen beschäftigt, hob er zudem den wesentlich defensiven [!!, M.T.] Charakter ‚unserer Rassengesetzgebung’ hervor: ’Der völkisch-defensive Grundcharakter nicht nur dieser Gesetze, sondern der ganzen nationalsozialistischen Weltanschauung überhaupt tritt hier in einer überzeugenden Weise zutage’. (p. 117/118).
In zijn Rede Das Judentum in der Rechtswissenschaft 1936 sprak Schmitt over de noodzaak van een wetenschappelijk gevecht tegen “die Herrschaftsansprüche jüdischen Wesens und jüdischen Geistes“ ( Gross, p. 123). Gross: „Schmitt […] stellte [seinem Vortrag] als ersten Leitsatz den pseudoreligiösen ‚Satz des Führers’ voran: ’Indem ich mich des Juden erwehre, kämpfe ich für das Werk des Herrn’ […] Die zwei weiteren von Schmitt für die Tagung gewählten Leitsätze wiesen in dieselbe Richtung. […] Sie warnten das ‚deutsche Volk’ vor der ‚jüdischen Gefahr’ und vor einer ‚Flut undeutscher Bestrebungen, das Staatsgefüge’ zu lockern“. En Schmitt gaat nog verder. Hij stelt: „’Mit einem nur gefühlsmäßigen Antisemitismus und der allgemeinen Ablehnung einiger besonders aufdringlicher und unangenehmer jüdischer Erscheinungen ist es nicht getan; es bedarf einer erkenntnismäßig begründeten Sicherheit.’ Eine solche ‚erkenntnismäßig begründete Sicherheit’ habe ‚ein einsamer, armer junger Deutscher vor dem Krieg in Wien gewonnen, als die offizielle Wissenschaft noch tief im Banne jüdischen Geiste stand und wohl fast alle von uns noch in der Blindheit gefangen waren, die durch sämtliche Begriffe und Einrichtungen der damaligen bürgerlichen Bildung herbeigeführt wurde.’“ (p. 125) Voor wie het niet door heeft: Schmitt heeft het hier over Hitler en diens mening over de noodzaak van een “Antisemitismus der Vernunft” (p.126, Hitler-citaten bij Schmitt zie ook p. 133)
Schmitt heeft zichzelf ook telkens weer als slachtoffer van de joden gezien: “Ich weiß aus eigener Erfahrung, welchen Beleidigungen und Verleumdungen man ausgesetzt ist, wenn man in diesen Kampf [gegen die Juden] eintritt.“ (p. 128) Na de oorlog ziet hij zichzelf als slachtoffer van zowel de nazi’s als ook van de joden (p. 352) .

Gross: “Schmitt wollte die bürokratischen Voraussetzungen schaffen, um Juden aus allen Bereichen der Rechtswissenschaft auszugrenzen. An die erste Stelle setzte er die Erfassung aller jüdischen Autoren. Mit Hilfe dieses ‚exakten Verzeichnisses’ sollten dann in einem weiteren Schritt ‚Säuberungen der Bibliotheken’ vorgenommen werden, damit ‚unsere Studenten vor der Verwirrung bewahrt würden, die darin liege‚ daß wir sie einerseits auf den notwendigen Kampf gegen den jüdischen Geist hinweisen, andererseits aber eine normale juristische Seminarbibliothek am Ende des Jahres 1936 immer noch so aussieht, als ob der größere Teil de rechtswissenschaftlichen Literatur von Juden produziert würde.’ […] ‚Ein jüdischer Autor hat für uns keine Autorität, auch keine rein ‚wissenschaftliche’ Autorität.’ (p.129) ’Uns beschäftigt der Jude nicht seiner selbst wegen. Was wir suchen und worum wir kämpfen, ist unser[e] unverfälschte eigene Art, die unversehrte Reinheit unseres deutschen Volkes.’“ (p. 133) ’Gerade der assimilierte Jude ist der wahre Feind.’” (p. 312) .

Burke-held Carl Schmitt: nazi en antisemiet

no comment

Meer over Carl Schmitt- met originaal Schmitt-citaten vertaald in het Engels. Astroloog merkt terecht op, dat Carl Schmitt niet zeer gewaardeerd werd door de SS. Carl Schmitt had vijanden binnen de SS, die vonden dat hij teveel joodse vrienden had en te katholiek was. Dit leidde in 1936 tot en bepaalde carrièrebreuk bij Schmitt. Zoals bekend vielen de nazi’s elkaar vaak aan en brachten elkaar ook om het leven. Hieruit kan naar mijn mening een rehabilitatie van de naziejurist Carl Schmitt niet worden afgeleid! Ook na zijn afscheid als officiële naziejurist heeft Schmitt nog de Duitse “Grossraumordnung” verdedigd (1939) en ook jodenvijandige opstellen gepubliceerd (1941) . Hij publiceerde na 1940 in Goebbels tijdschrift Das Reich.

Belangrijk informatie over Schmitt vindt men in het boek van de historica Claudia Koonz The Nazi Conscience ( 2003) . Koonz laat zien dat de nazi’s , anders dan vaak wordt gedacht, niet gewetenloos waren, en zelfs nadrukkelijk moreel hebben geargumenteerd. Alleen: hun moraal gold allen voor degenen die zij als “vriend” hadden gedefinieerd. Voor de “vijand” gold deze moraal niet. Over Carl Schmitt schrijft zij: “[…] the political theorist Carl Schmitt made a crucial contribution to a version of anti-Semitism that was both respectable and ruthless. (p.14)
“In 1933 Carl Schmitt, a distinguished political theorist and avid Hitler supporter, paraphrased a slogan used often in Nazi circles, when he denounced the idea of universal human rights, saying: Not every being with a human face is human.” (p.1 f.)
“Within days of Schmitt’s joining the Nazi Party, on May 10 [1933] Nazi students at all German universities burnt books by Jewish authors. Schmitt cheered them on in an article for a regional National Socialist newspaper. He rejoiced that that the ‘un-German spirit’ and ‘anti-German filth’ of a decadent [ note the use of the word ‘decadent’, that is often used by the Burkeans to describe their enemies! M.T] age had been burned out and urged the government to annul the citizenship of German exiles (whose books were burnt) because they aided the ‘enemy’ .[…] Schmitt sneered that anyone who appreciated Jewish authors as unmanly.“ Koonz cites Schmitt: “ ‘Our educated grandmothers and aunts would read, with tears in their bourgeois eyes, verses by Heinrich Heine that they mistook for German’ “ . “Schmitt had only one criticism to the book burners: that they had consigned too few authors to the flames. Instead of burning only ‘un-German’ writer’s books, they should have included writings by non-Jewish authors who had been influenced by Jewish ideas in the sciences and professions. […]
Schmitt’s next contribution was a cogently written pamphlet for general readers, State, Volk, and Movement: The Threefold Division of Political Unity, in which he justified Hitler’s dictatorship in theoretical terms. First, he defined politics itself as the battle between ethnic friend and foe. Schmitt succinctly branded political liberalism and ‘asphalt culture’ (code for Jewish influence) as a weakness that only the ‘ruthless will’ of a decisive Führer could eliminate. Second, he asked what Nazi society would look like. Its two constituent qualities were ‘homogeneity’ and ‘authenticity’. In place of squabbling politicians, German power would impose a single ethnic (völkisch) will. Avoiding the term ‘Jew’ and using ‘non-Aryan’ sparingly, Schmitt celebrated the ‘essential sameness’ and ‘homogeneity’ (Artgleichheit und Gleichartigkeit which unified ethnic Germans in the new community. (Volksgemeinschaft) The imperative that all citizens be gleich ( which means both ‘same’ and ‘equal’) vindicated the expulsion of Germans with Jewish ancestors from public institutions. The demand for homogeneity, he wrote, evoked a ‘deeper’ meaning than administrative ‘Nazification’ (Gleichschaltung) . He welcomed ‘ the purification of public life of all non-Aryan, essentially foreign elements so that …coming generations of Germans will be pure…No alien type can interfere with this great and profound, but also inner- I would almost say intimate- process to grow. Our most important task is to learn how to distinguish friend from enemy…[We must] cleanse public life of non-Aryan foreign elements.’ With democracy crushed, Schmitt called for an ethnically pure nation.
In opposition to the universalist moral beliefs […] Schmitt worked out a theory of justice bound to the Volk, not to legal codes. Every ethnic community develops the legal values appropriate to its ‘blood and soil’ (Blut und Boden). In Schmitt’s view, authenticity, defined as allegiance to one’s Volk , accounted for more than abstract universals as the bass of morality and the law. “ (p. 58ff.)
“Carl Schmitt explained that because Hitler’s will was the supreme law of the land, ‘the true Führer is always also judge. The status of the judge flows from he status of Führer…The Führer’s deed was, in truth, the genuine exercise of justice. It is not subordinate to justice, but rather itself supreme justice.’” ( p. 98)

“Carl Schmitt […] praised the Nuremberg Race Laws for restoring ‘German constitutional freedom’. ‘For the first time ‘[Carl Schmitt said] ‘our conception of constitutional principles is again German. German blood and German honor have become the basic principles of German law, while the state has become an expression of racial strength and unity.’ In his remarks at the [ de-Judaization-] conference Schmitt endowed the racial purge with a lofty moral purpose and translated the convoluted tirades of crude antisemites into his crisp prose. ‘The Jew’s relationship to our intellectual work is parasitical, tactical, and commercial…Being shrewd and quick, he knows how to say the right thing at the right time. That is his instinct as a parasite and a born trader.’ Praising Nazi leaders’ call for ‘healthy exorcism’ Schmitt welcomed ‘the genuine battle of principles‘ between Jews’ ’cruelty and impudence’ and Germans’ ethnic honor.
‘The Jew is sterile and unproductive,’ he has nothing to say to us, – no matter how ‘energetically he assimilates or how shrewdly he assembles information.’ He is ‘dangerous’ because, like all parasites, he diagnoses our weakness. When borderline cases and anomalies confused jurists, they blamed Jews ( and supposedly Jewish attitudes) for their confusion. In keeping with the ethos of white-collar persecution Schmitt criticized ‘emotional antisemitism that does not accomplish the task the task of driving out Jewish influence’ and closed the conference by quoting Mein Kampf, ‘In defending myself against the Jew … I am doing the work of the lord. ‘ “(p.208)

 

Afshin Ellian en de nazi Carl Schmitt

no comment

ellian Afshin Ellian en de nazi Carl SchmittIn zijn NRC-column van vandaag heeft Afshin Ellian het weer eens over de nazi Carl Schmitt, een denker die hij aanduidt als “Duitse jurist en politiek-filosoof”. In zijn column brengt Ellian het Schmittianse denken correct in verbinding met de radicale islam.
Helaas verzwijgt Ellian de populariteit van het Schmittianse denken bij hemzelf en bij zijn vrienden van de Burke Stichting. Ook verzwijgt Ellian dat Carl Schmitt een nazi en antisemiet was; de aanduiding van “ jurist en politiek-filosoof” dus een hoogst merkwaardige is.

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de Burke Stichting is om verschillende redenen zeer belangrijk. Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn Leidse oratie (citaat zie hieronder)

carl schmitt Afshin Ellian en de nazi Carl SchmittTen tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen die Schmitt niet expliciet noemen (Kinneging, Cliteur) duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon in het openbar debat, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.

Kees Schuyt gaat in zijn Leidse Cleveringa –oratie 2006 Democratische deugden (vaste link) uitgebreid in op Spruyt, het neoconservatisme en Carl Schmitt. Carl Schmitt heeft, zoals ook Schuyt beklemtont, een grote involed gehad op de neoconservatieve revolutie.
Over Schmitt schrijft Schuyt verder:
“Het vriend-vijanddenken werd tot het uiterste aangescherpt door de nationaal-socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt die in1932 de legale machtsovername juridisch voorbereidde en legitimeerde […] . Scherpe tegenstellingen vormen het wezen van de politiek, beweerde Schmitt, en de vijand die een existentiële bedreiging van het eigen ik vormde moest met alle geweld bestreden worden. De theoretische vijand in zijn rechtsleer was de eeuwige vijand uit Hitlers Mein Kampf” (p. 16).
De vermenging van politiek en theologie, die men Schmitt aantreft, en die Schuyt hard bekritiseert, wordt door Afshin Ellian in zijn Leidse oratie van 2006 wél goedgekeurd. Ellian: “Terecht constateert Carl Schmitt in zijn Politische Theologie, dat alle pregnante begrippen van de moderne staatsleer geseculariseerde theologische begrippen zijn:[…]” (Sociale cohesie en islamitische terreur, oratie 18-4-2006).

Paul Cliteur en Frederik de Grote

no comment

0,1886,2385478,00 Paul Cliteur en Frederik de Grote

Een lezer vroeg me meer te schrijven over Paul Cliteurs bewondering voor Frederik de Grote.
Cliteur is naar eigen zegen een man van de verlichting. Hij stelt zich- naar mijn mening grotendeels terecht – in de traditie van het denken van Voltaire. Wel is Cliteur, meer nog dan Voltaire, een representant van de autoritaire Verlichting.
Verlichtingsfundamentalisten als Cliteur zijn er (in tegenstelling tot wat zij zelf beweren) niet aan geïnteresseerd om mensen aan te moedigen zelf te denken en zich te emanciperen (wat altijd een langzaam en moeizaam proces is) , maar willen de Verlichting aan de mensen opleggen, desnoods met dwang. Interessant is dat Cliteur de uitspraak van een verlichte absolutist, van Frederik de Grote, – namelijk dat iedereen op zijn eigen manier zalig moet kunnen worden – de voorkeur geeft voor Kants echt verlichte, niet alleen verlicht-absolutistische essay Beantwortung der Frage was ist Aufklärung. (Moderne Papoea’s p 20). Cliteur heeft gelijk, dat Frederik de Grote de islam naast het christendom min of meer gelijk liet gelden, en in die zin een positief voorbeeld kan zijn ( “Frederik wilde alle religies op voet van gelijkheid met elkaar behandelen”, p 157) maar juist in dat opzicht is Cliteur zelf geen opvolger van Frederik!
Het (Burkiaanse) verlichtingsfundamentalisme sluit belangrijke verworvenheden van de Verlichting uit, bijvoorbeeld het “plaatsen van gedrag, moraal en samenlevingsvormen in een historische context” en “de sterke nadruk op empirie en niet op dogma” (Sjoerd de Jong, In: Vrijheid als ideaal, p. 84.)
Het verlichtingsfundamentalisme staat in de traditie van de verlichte vorst (Frederik) of ook in de traditie van de Jacobijnen, maar niet in de traditie van het kritisch zelfstandig denken en emancipatie dat met de naam Kant verbonden is.
Roy Porter over Frederik de Grote: “Certainly, Frederick held advanced views ( he was flagrantly irreligious), and he modernized the administration of his kingdom. Yet despite the façade of sophisticated humanity, Frederick’s Prussia – a militarized, war-hungry state indifferent to individual civil and political liberties – resembles a perversion of the true goals of the ‘party of humanity’ rather than their fulfilment. When rulers and administrators heeded the promptings of ‘reason’, it was to increase their power and enhance their authority in ways which often penalized the poor, weak and inarticulate.” ( The Enlightenment, p.7)
Porter schrijft over de verhouding tussen Voltaire,(Cliteurs groote voorbeeld) and Frederik: “[…] the relative silence of these intellectuals [Voltaire en Diderot] when confronted with the internally oppressive and externally bellicose policies pursued by both autocrats [Frederick and Katharina], leaves many questions to be answered.” (p.23)

 

Islamitische filosofie: Michiel Leezenberg over Averroës

no comment

IMichiel Leezenberg Islamitische filosofie (2002).
over Averroës (= Ibn Rushd; = Ibn Roesjd).

Wat Leezenberg over hem schrijft trekt me niet aan. In principe is Averroës, zo is mijn indruk, een katholieke soort denker, die zwaar leunt op Aristoteles-commentaar. Aan de ene kant rationalist, aan de andere kant gelooft hij in de absoluutheid van de openbaring.

Leezenberg over Averroës: “Sinds de negentiende eeuw is Ibn Roesjd een van de favorieten van Europese positivisten en Arabische modernisten, die de rede en de wetenschap hoog in hun vaandel hebben staan. Door hen wordt hij gevierd als een wetenschappelijke rationalist, die eigenlijk een ongelovige vrijdenker was maar dat niet hardop durfde te zeggen. Maar deze interpretatie van zijn werk berust grotendeels op wishful thinking. In de Arabische wereld en in Frankrijk is in de laatste jaren zelfs een war Averroës-revival op gang gekomen, die niet alleen nieuwe vertalingen, studies en biografieën omvat, maar ook een […] film, La destinée/al-Masier. In deze revival wordt Ibn Roesjd, om overduideljike politieke redenen, steevast geportretteerd als een lichtend voorbeeld van een rationele, wetenschappeljjk georiënteerde en humanistische islam.


Sympathiek en goed bedoeld als zulke pogingen mogen zijn, ze halen Ibn Roesjd wel uit zijn elitaire context, die rationaliteit (fikr) aan een streng ingeperkt publiek voorbehield, en voor de massa’s slechts navolging of tacqlied te bieden had, en rationeel onderzoek zelfs expliciet verbod. Kwalijker is dat zulke weergaven de volstrekt onjuiste veronderstelling bevestigen, dat andere vormen van islam niet rationeel, wetenschappelijk of humanistisch zouden zijn. De islam heeft nooit de spanning tussen rede en geopenbaard geloof gekend, die in Europa in de Middeleeuwen, met name sinds de Verlichting, gepostuleerd is. “ (p.191f.)

 

(On)gezellige kerst: kerstmis als dodendans: Kalervo Palsa

5 comments

Bijna de helft van de mensen zou met kerst de benen willen nemen, schrijft Aleid Truijens in de Volkskrant. De plicht tot oergezelligheid drukt zwaar op de mensen…

kalervo palsa kerstspel (On)gezellige kerst: kerstmis als dodendans: Kalervo Palsa

Kalervo Palsa, Kerstspel

Voor iedereen die de kerstdagen de hals uithangen dit schilderij van Kalervo Palsa. De NRC had een treffende kop voor Palsa: “De dood als terugkerende huisvriend”.
Naast het schilderij “Kerstspel” hing in de Hallen in Haarlem er nog eentje met de dood als kerstman.

Palsa is niets voor gevoelige zielen, hij is geobsedeerd en pervers. Maar sommige van zijn schilderijen zijn zeer aansprekend. Expressief.

Palsa is sterk beïnvloed door James Ensor (voor Ensor-blogs klik op de tag)

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Maria, Martha en Vermeer

5 comments

Ik heet Maria. Niet genoemd naar de moeder van Jezus, maar, zoals bij Lutheranen gebruikelijk, naar Maria, de zus van Martha. Ik kom uit een Luthers domineesgezin, en onder Lutheranen is Maria, de zus van Martha, DE Maria en de tegenstelling Maria /Martha een symbolische tegenstelling van protestantisme en katholicisme.

Vermeer heeft een mooi schilderij gemaakt, dat nu in de tentoonstelling “De jonge Vermeer” in het Mauritshuis in den Haag te zien was.
vermeer marthamariajezus Maria, Martha en Vermeer


Vermeer, Christus bij Martha en Maria

In dit schilderij heeft Vermeer geprobeerd de tegenstelling Maria/ Martha  te overwinnen.
Hij gaf beide vrouwen een belangrijke plaats aan de zij van Jezus.

Op een meer algemeen niveau is de tegenstelling Martha/ Maria te begrijpen als een tegenstelling tussen de vita activa en de vita contemplativa. Vermeers schilderij kan begrepen worden als een synthese van de vita activa en de vita contemplativa, of ook van de tegenstelling tussen katholicisme en protestantisme. (Vermeer had zich tot het katholicisme bekeerd- vandaar de opwaardering van Martha!).

Misschien kende Vermeer de Martha/Maria–preek van de mysticus Meister Eckart. In deze preek heeft Eckart ook aangegeven dat het bijbels verhaal niet zo begrepen mag worden, dat Maria de betere is. Naar zijn mening moet Maria het actieve leven nog leren.

Maria Trepp

 

Leo Strauss en de neocons

14 comments

Er is een duidelijk verschil tussen het denken van de joodse filosoof Leo Strauss, en hetgeen veel volgelingen – de neocons “leocons”- hiervan hebben gemaakt. Weliswaar is het denken van Strauss zelf op verschillende punten ( het Platonisme, het elitarisme) te bekritiseren (Gerbert van Loenen “[…] het gedachtegoed van Strauss bevat, anders gezegd, een kiem van overmoed, een kiem van geweld”; Trouw, L&G, 26-11-2005) , maar er blijft soms ook een belangrijk verschil tussen Strauss en de Strauss-interpretatie van de neocons.
Dick Pels: “Het zou immers kunnen zijn dat [Bart Jan] Spruyt, door het conservatisme te radicaliseren met fortuynistische thema’s als ‘eigen cultuur eerst’, de superioriteit van het Westen en vijandschap jegens de islam, het beschaafde, zichzelf relativerende conservatisme van zijn leermeester Leo Strauss definitief in diskrediet heeft gebracht. Terwijl matiging en zelfrelativering juist behoren tot de kernwaarden van de westerse beschaving die hij zo graag te vuur en te zwaard verdedigt.” ( de Volkskrant 27-10-2006, boeken) .
Anne Norton maakt in Leo Strauss and the politics of American Empire (2004) ook expliciet een groot onderscheid tussen “students” of Strauss and “Straussians”. De laatste zijn volgens haar een sekte, en zijn degenen die een grote politieke invloed hebben.(p. 6 f) Norton geeft ook aan, dat de politieke, rancuneuze sekte van de Straussians meer beïnvloed is van de simplistische Strauss –discipel Alan Bloom ( auteur van The Closing of the American mind) dan van Strauss. Over Bloom zegt Norton: “Philosophy deferred to convention”- iets dat ook op de Straussianen/Burkeanen van toepassing is. (p.58)

De Leidse Burkianen kunnen als Straussianen gecharakteriseerd worden, al vanwege hun steun voor de Irak-oorlog en hun politieke verbintenis met Wilders ( via Bart Jan Spruyt).
De filosofie van Leo Strauss vormt de achtergrond van het denken van de Nederlandse Burkianen. Andreas Kinneging verdedigt in zijn Geografie van Goed en Kwaad in het voetspoor van Leo Strauss het klassieke natuurrechtdenken. Anne Norton: “Nature speaks to the Straussians in the dulcet accents of mid-twentieth-century popular culture. Nature says that marriage ( and what could nature know of marriage?) is between a man and a woman, and sex is for procreation. Nature says that it is natural for men to have authority over woman […]”( Leo Strauss and the politics of American Empire, p. 77) Dit is een goede samenvatting van Kinnegings denken over man, vrouw, en natuur. Kinneging: “Het is niet verboden een ouderwetse opvatting over homoseksualiteit te hebben, integendeel .” “Wat ik constateer is dat de meeste vrouwen met kinderen handiger en liever en veiliger zijn dan de meeste mannen […]”
Kinneging over het huwelijk: “Het huwelijk is hiërarchisch: de man is het hoofd van het gezin.[...] ” en “Mannelijke ontrouw vormt dus in een aantal opzichten geen grote bedreiging voor het huwelijk en het gezin.” Norton: “Marriage and manliness are two of the natural things dearest to the most political Straussians, two of the things most often given as natural, yet two congeries of practice most governed by convention. For the Straussians marriage is a natural institution.” (p. 82)

 

Leo Strauss (1)

17 comments

Ruud Zweistra schreef gisteren in een reactie aan mij: “Schrijf eens een blog over Leo Strauss. Ik heb er eens over gehoord tijdens een serie van de BBC, iets over moderne politieke ontwikkelingen. Als ik het goed herinner was hij ook een sterke inspiratiebron voor types als Perle, Wolfowitz, Cheney en Bush. Die Strauss is actueler dan Carl Schmitt.”
Dus:
Kees Schuyt zei terecht in zijn Leidse Cleveringa-oratie van vorige week, dat er nauw verband is tussen de ideeën van Carl Schmitt en die van Leo Strauss: “De conservatieven Wilders en Spruyt keerden zich, in navolging van Fortuyn, tegen artikel 1 van de Grondwet, het artikel dat de juridische bescherming van minderheidsgroepen vastlegt. In het kielzog van de ex-directeur van de Burke Stichting kan men spreken van een dubbele terugkeer van de rechtsgeleerde Carl Schmitt, die eerst via Leo Strauss en diens leerlingen grote invloed
heeft gehad op de neoconservatieve revolutie in de Verenigde Staten en wiens
denken en invloed van daaruit weer over de oceaan is teruggekeerd naar Europa en naar ons land.”

Bart Jan Spruyt is een grote aanhanger van de Amerikaanse neoconservatieve filosoof Leo Strauss. In Lof van het conservatisme, in meerdere recente artikelen en in zijn essay Marianne en Mohammed met de fasces. De noodzaak van een aangescherpte handhaving van onsobere ordening (In: Ongewenste goden p. 267 ff.) haalt hij verschillende schriften van Strauss instemmend aan. Wilders en Spruyt halen Strauss ook aan in hun filosofisch programma Een Nieuw-realistische visie ( te lezen op de Wilders-site).
Ook de Leidse Burkiaan en Schmitt-fan Jerker Spits is een aanhanger van Strauss( Trouw L&G, 25-6-2005)

Yoram Stein schrijft in Trouw, dat Amerikaanse de neocons zich niet langer beroepen op Edmund Burke als voornaamste inspiratiebron van het conservatisme, maar op het natuurrecht van Plato. “Waar Burke, in zijn poging om het gedachtegoed van de Franse Revolutie een halt toe te roepen, de standaard voor goed en kwaad in de historische traditie zocht, pleitte Plato juist voor een eeuwige standaard, die los staat van alles wat op het historische toneel zoal verandert. Die standaard is het natuurrecht. Wat de natuur ons eeuwig en altijd leert, is dat de mens het goede leven alleen kan bereiken als de maatschappij hem helpt om bepaalde deugden te ontwikkelen (zoals zelfbeheersing en wilskracht). Aan deze wending van Burke naar Plato is de naam van de filosoof Leo Strauss verbonden.
Op binnenlands gebied heeft de regering-Bush van Strauss de gedachte overgenomen dat het ontwikkelen van klassieke deugden, zoals verantwoordelijkheidsgevoel, zelfbeperking en doorzettingsvermogen, essentieel is voor het goed functioneren van de samenleving.
Straussiaans aan de buitenlandse politiek van Bush is de opvatting dat politiek behoort te gaan om het verdedigen van goede politieke regimes en om het bestrijden van kwaadaardige regimes. ”(Trouw,7-6-2003)
De filosofie van Leo Strauss vormt ook de achtergrond van het denken van de Nederlandse Burkianen. Andreas Kinneging verdedigt in zijn Geografie van Goed en Kwaad in het voetspoor van Leo Strauss het klassieke natuurrechtdenken (Geografie van Goed en Kwaad, p.460.)

Wordt vervolgd…

De Leidse Cleveringa-oratie van Kees Schuyt: Democratische deugden

no comment

Op maandag 27 november sprak prof.dr. Kees Schuyt de Cleveringa-rede uit aan de Universiteit Leiden, met de titel Democratische deugden.

Ik ben heel erg blij met deze rede die zeer veel gemeen heeft met mijn kritisch onderzoek over de Burke Stichting. Dit is geen toeval. Mijn onderzoek over de Leidse Burke Stichting en het intellectueel rechtspopulisme is sterk geïnspireerd door Schuyt, die zich op 1 juli 2005 in de Leidse Pieterskerk tegen een simpele veroordeling van de jaren ’60 door Leidse hoogleraren keerde. Hij eindigde toen met de woorden:
“Telkens opnieuw verzet aantekenen
Nieuwe rebelse tijden ontketenen!”

In zijn Leidse Cleveringa-oratie Democratische deugden keert zich Kees Schuyt tegen het vijand-denken van de Burke Stichting en de neoconservatieven. Mijn onderzoek ligt in het verlengde van hetgeen Kees Schuyt in de Pieterskerk en in zijn Leidse oratie zei, en hetgeen hij schreef in zijn columns en boeken zoals zijn recent verscheen Steunberen van de samenleving (2006).

Kees Schuyt gaat in zijn Leidse Cleveringa–oratie ook uitgebreid in op Bart Jan Spruyt, het neoconservatisme en Carl Schmitt ( vgl mijn eerdere blog over Schmitt en mijn onderzoek) . Over de nazi Schmitt, die het denken van sommigen Burkianen sterk heeft beïnvloed, schrijft hij: “Het vriend-vijanddenken werd tot het uiterste aangescherpt door de nationaal-socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt die in1932 de legale machtsovername juridisch voorbereidde en legitimeerde […] . Scherpe tegenstellingen vormen het wezen van de politiek, beweerde Schmitt, en de vijand die een existentiële bedreiging van het eigen ik vormde moest met alle geweld bestreden worden. De theoretische vijand in zijn rechtsleer was de eeuwige vijand uit Hitlers Mein Kampf.” (p. 16)

Andere belangrijke citaten uit Schuyts rede:
“Groepstegenstellingen kunnen worden gecreëerd, aangewakkerd, gemanipuleerd en uitgebuit, zoals de geschiedenis talloze malen heeft laten zien”. (p.14)
“Polarisatie staat tegenover pluralisme en het verdragen van complexiteit. ‘De complexe, gelaagde, naar alle kanten pluralistisch bepaalde problemen van de werkelijkheid verlangen dikwijls gelaagde en complexe oplossingen die conflictspanningen voorlopig verdragen, gecompliceerde kwesties openhouden en verschillende alternatieven beproeven’[Hacker] . Vereenvoudigingen […] leiden tot monocausale verklaringen, die gaan werken als zichzelf waarmakende voorspellingen.” ( p.33)
“Het kwaad komt in een sociaal gewaad; als aanvulling op de sterk moraalfilosofische analyse dient een sociologische en sociaal-psychologische analysen van de mechanismen die het kwaad conditioneren en/of begeleiden.”
“Het kwaad [komt] bijna nooit als een openlijke ontkenning van de morele wet, maar wordt het als iets goeds voorgesteld, als een gerechtvaardigde onderneming met eigen idealen en principes, waar velen achter kunnen staan en ook achteraan willen lopen.” (p.11)

Recente berichten

Populaire berichten

Astrologie en astronomie

Kees van Dongen in Museum Boijmans

Sterrennacht bij Millet, Van Gogh, Munch

Libel in Art Noveau

Theo van Hoytema Illustraties/ Het lelijke jonge eendje

Maria, Martha en Vermeer

Marxisme, ideologiekritiek, humanisme, emancipatie

Passiebloem in kunst en werkelijkheid

Nietzsche en het anti-antisemitisme

Atheïstisch bijgeloof: Carotta en zijn volgelingen

Christiaan Huygens over buitenaardse wezens

Alexander Calder: Cirque Calder en speelgoed

Het symbolisme van Vincent van Gogh

Latent antisemitisme

Jan Sluijters- my favorites

Insectenmensen bij Jeroen Bosch, James Ensor e

James Ensor en de maskers

De lente bij Vincent van Gogh

Maans- en Zonsverduisteringen

Man Ray

Volle maan-kunst en fotografie

Alice in Wonderland: Lewis Carroll en Pat Andrea

Iris bloem in de kunst

Alle zelfportretten van Vincent van Gogh

Mijn kunstslangen

Christiaan Huygens en de ringen van Saturnus

Het symbolisme van Edvard Munch: dromen en visioenen

De geschiedenis van het rechtse liberalisme

De meidoorn bij Marcel Proust/Op zoek naar de verloren tijd

Wisteria in de Leidse Hortus en bij Monet

Liberale joden versus Wilders

Frida Kahlo en Diego Rivera

Kandinsky, Klee, Mondriaan: kleurrijke flexibele schaakborden

Maria Sibylla Merian: insectenmetamorphose en bloemen

Paul Cliteur, Voltaire en de islam

Vrouw en hond bij Pierre Bonnard

Kwal/Jelly-fish/ Qualle

De Akelei (Dürer/Gerhardt) 

Klaprozen, in de berm en in de kunst

Tussen wetenschap en kunst: Anish Kapoor/ Svayambh

Japanse brug met Wisteria: Clingendael, Monet, Hiroshige

Bloesem/ Vincent van Gogh

Pioenrozen: foto, haiku, Manet
Pim Fortuyn en het hoefijzermodel

Scepsis en hoop- Peter Sloterdijk over de islam/ Het heilig vuur

Zonnebloemen in de kunst: MariaRoosen, Vincent van Gogh etc
Stillevens van Picasso/ Gemeentemuseum Den Haag: Cezanne, Picasso, Mondriaan

De Hollandse wildernis, geschilderde duinlandschappen in de 20ste eeuw

Boeiende borduur-schilderkunst van Michael Raedecker

Vrouw in kimono bij Vincent van Gogh, Georg Breitner, Claude Monet
 

 

Categories

Tags

Archives