Wetenschap Kunst Politiek

Archive for the ‘ Religie, moraal, humanisme& atheïsme ’ Category

Economie, moraal, neocons

53 comments

“Het kwaad komt bijna nooit als een openlijke ontkenning van de morele wet, maar wordt het als iets goeds voorgesteld, als een gerechtvaardigde onderneming met eigen idealen en principes, waar velen achter kunnen staan en ook achteraan willen lopen.” (Aldus Kees Schuyt in zijn Leidse Cleveringalezing 2006, Democratische deugden p.11)

En verder: “Het kwaad komt in een sociaal gewaad; als aanvulling op de sterk moraalfilosofische analyse dient een sociologische en sociaal-psychologische analyse van de mechanismen die het kwaad conditioneren en/of begeleiden.”

Het zware deugden-moralisme van Roger Scruton en de heren van de Edmund Burke Stichting laat de vrije markt en het ongebreideld kapitalisme volledig buiten schot. De markt was voor Edmund Burke, en is nu voor de Burkianen: heilig. Het feit dat familie en moraal ondergraven worden door een ongebreideld kapitalisme is voor deze moralisten geen probleem.

De rechts-liberale moraal die de blind is voor de demoraliserende werking van de markt is niet pas ontstaan sinds de Leidse heren zich verbonden hebben in de Burke Stichting. Al in 1995 verscheen een zwaar moralistisch geschrift van de Teldersstichting, met de titel Tussen vrijblijvendheid en paternalisme, waarvan zowel Kinneging alsook Cliteur medeauteurs waren.

Marel ten Hooven: “De deugden die de Teldersstichting als behartigenswaardig opsomt, wekken de associatie met Greshoffs heren: fatsoen, gehoorzaamheid aan regels, respect voor andermans bezit, eigen verantwoordelijkheid, zelfredzaamheid. Toch ligt het iets genuanceerder, om niet te zeggen doortrapter. Het addertje komt elders in het boekje onder het gras vandaan, waar de auteurs het liberale stelsel en de markt als doelen van deugdzaamheid formuleren: ‘Bepaalde deugden zijn noodzakelijk voor het voortbestaan van een liberale maatschappij. Zo kan de markt niet adequaat functioneren als mensen zich niet aan afspraken houden of elkaars bezit niet respecteren.’
Ook bij nadere beschouwing van het rijtje te bevorderen deugden rijst het vermoeden dat behoud van de liberale maatschappij de moraal van het verhaal is. In het oog springt dat de auteurs beginselen als eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid opeens tot deugden verheffen. Sterker nog, wie in het geschrift van de Teldersstichting op zoek gaat naar de consequenties die het liberale ethos voor het concrete beleid zou hebben, ontdekt dat ze vooral betrekking hebben op deze twee ‘deugden’. Het betoog mondt uit in een pleidooi voor de waarborgstaat, waarin de overheid slechts minimale bestaanszekerheid biedt en de burger voor elke aanvullende zekerheid is aangewezen op zijn zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid. […]
De werkelijke moraal van het verhaal blijkt dan ook Weg met de verzorgingsstaat te zijn. In de woorden van de auteurs: ‘Een groot probleem van de verzorgingsstaat is dat burgers de verantwoordelijkheid voor zaken op de overheid afschuiven en anderen voor hun fouten laten opdraaien. Als men mensen wil aansporen tot fatsoenlijk gedrag, is het confronteren van hen met de consequenties van de eigen handelwijze van wezenlijk belang.’
Klaas Groenveld, de directeur van de Teldersstichting, vatte bij de presentatie van het geschrift de analyse in bondiger woorden samen: ‘De verzorgingsstaat is de bron van cynisme, afwentelend gedrag en excessieve regelgeving.’ “[1]

De (rechts)liberalen beschouwen de verzorgingsstaat als de bron van cynisme –  niet hun eigen dubbele moraal. Peter Bakker, GroenLinks Breda: “Het voornaamste wat de mensen in [de Burke] stichting lijkt te binden, is de behoefte om met een intellectualistisch rookgordijn een gezamenlijke karakterfout te maskeren: het onvermogen om voorspoed te delen met de medemens.” (de Volkskrant, 20-9-2004)

De Burkiaanse kritiek op egoïsme en materialisme is blind voor de eigen onwil om welvaart voor achtergestelde groepen te creëren.

Kinneging zet zwaar in op de moraal van het gezin. Tegelijkertijd vindt men bij hem geen reflectie op het feit dat door hem en/of anderen (Bolkestein)  aanbevolen liberale maatregelen zoals de afschaffing van het minimumloon en de versoepeling van de ontslagregels gevolgen hebben voor de gezinsvorming van vooral laaggeschoolde partners.  Als beide partners zich gedwongen zien tot werken, om het hoofd boven water te houden, wordt het moeilijk de Europese bevolking op peil te houden tegen het oprukkende Aziatische gevaar, zoals Kinneging dat wil: “Als de Europeanen zich niet voortplanten – wat ze niet doen – hebben we niet genoeg kinderen om ons te vervangen. Uiteindelijk zal Europa dan Afrikaniseren en Azianiseren. Is dat slecht? Ik vind van wel, omdat ik de Europese cultuur hoger acht dan die van Afrika en Azië. Het zou echt de ondergang van het avondland zijn. En dat moeten we, denk ik, zien te voorkomen.”[2]

Het cynisme van goed en kwaad reduceert alle problemen tot private deugden en tot de handhaving van de openbare orde. De sociale en economische politiek wordt principieel niet kritisch bekeken, en behalve op het gebied van Law en Order mag de overheid niet actief zijn. Dick Pels: “[Volgens Kinneging moeten], anders dan in de persoons- en gezinsethiek, waarin de kwade aandriften van de mens door morele opvoeding moeten worden beteugeld, de ondeugden bij de inrichting van de markt en de staat juist tegen elkaar worden uitgespeeld. In de economie zorgt het najagen van eigenbelang (hebzucht) immers voor welvaart via de onzichtbare hand van de markt (Adam Smith). In de staat wordt tirannie vermeden door ambitie (machtswellust) tegenover ambitie te stellen, en de machten te scheiden en tegenover elkaar te balanceren (de Amerikaanse Founding Fathers).”

Theo Brand (Groen Links):”Ruimte voor eigen initiatieven van burgers en een actieve overheid sluiten elkaar niet uit, maar hebben elkaar juist nodig om de vrije markteconomie te begrenzen. De wereldwijde economische globalisering vormt immers de revolutionaire kracht bij uitstek en is op dit moment de ultieme bedreiging voor traditionele waarden en gemeenschappen. Een waarachtige antirevolutionaire politiek kan in de 21ste eeuw kan niet anders dan gericht zijn tegen ongebreideld kapitalisme.
De contradictie van het conservatisme is dat deze op geen enkele wijze duidelijk maakt hoe de revolutionaire kracht van het wereldwijde kapitalisme -die onvermijdelijk is- in goede banen geleid kan worden. Het pleidooi voor een terugtredende overheid vergroot daarentegen juist de mogelijkheden van deze mondiale revolutie. Wie traditionele waarden en gemeenschappen wil beschermen en tegelijk ruim baan biedt aan ongebreideld kapitalisme, komt in een spagaat terecht die elke maatschappelijke progressie onmogelijk maakt.” (Trouw, 5-12-2003)

Ter afsluiting nog een bijzonder aardig Scruton-citaat: “Al dat gezeur over de armen… nu iedereen twee auto’s heeft en op vakantie gaat naar het Caribisch gebied. Het is flauwekul om over ‘de armen’ te praten. Iedereen in West-Europa is té welvarend, ze weten niet wat ze met hun geld moeten doen en vervelen zich te pletter…’ (de Volkskrant, 6-1-2006)

Eigenlijk zou men moeten lachen als het niet zo treurig was.

 



[1] Trouw, 20-6-1995. [2] Trouw, 25-1-2006, religie&filosofie.

Meer blogs over Andreas Kinneging, voorzitter van de Leidse Edmund Burke Stichting

 

http://passagenproject.com/blog/2011/04/27/10976/

 

http://passagenproject.com/blog/2008/03/07/het-racisme-en-seksisme-van-burke-voorzitter-prof-dr-kinneging/

 

http://passagenproject.com/blog/2007/11/17/leidse-hoogleraren-over-het-marteldilemma-kinneging-mertens-van-gunsteren/

 

http://passagenproject.com/blog/2007/11/05/atheistisch-bijgeloof-carotta-en-zijn-volgelingen/

 

http://passagenproject.com/blog/2009/02/17/economie-moraal-neocons/

 

http://passagenproject.com/blog/2009/06/19/polarisatie/

 

 


De fanatieke volgelingen van Carotta

226 comments
Mijn eerdere Carotta-blog heeft veel los gemaakt.

Op mijn blog Atheïstisch bijgeloof: Carotta en zijn volgelingenlaten de fanatieke Carotta-volgelingen zich helemaal kennen. Zij beschuldigen de Carotta-criticus Anton van Hooff van psychische ziekte.

De Nijmeegse classicus Anton van Hooff is auteur van een recent kritisch artikel over Carotta in de Academische boekengids. Hij  is met zijn zeer goed gefundeerde kritiek op Carotta ook regelmatig te horen op radio en televisie. Klik hier voor de recente Teleac-uitzending “Was Jezus eigenlijk Caesar?Een les in de pseudowetenschap”

Het speurwerk aanhand van IP-nummers heeft geresulteerd in de bevinding dat de aantijgingen op mijn blog in richting van Van Hooff afkomstig zijn van de psycholoog Tommie Hendriks.

Bernard Vermet [die ik via mijn blog over Carotta heb leren kennen, en met wie ik onlangs samen met Anton van Hooff in Leeuwwarden was op bezoek bij het “Carotta-gymnasium” waar de film van Jan van Friesland getoond werd] heeft de feiten betreffende Hendriks’ gedrag op mijn blog op een rijtje gezet.

—————————————————————————————————–

De “zieke” spelletjes van Tommie Hendriksdoor Bernard Vermet

Wie is eigenlijk de “Fulvius” of “Bavink” op Maria Trepps Carotta-blog?
Wel, voor wie al wat langer meedraait in de discussies rond de perceptie van Carotta in Nederland, is die vraag niet moeilijk te beantwoorden: het is niemand anders dan Tommie Hendriks

(hier te zien op een vrolijke foto, gemaakt door zijn vriend Jan van Friesland).

Niet alleen zijn stijl, woordgebruik en IPadres verraden hem, maar ook b.v. het feit dat het stuk van Fulvius inmiddels twee maal is verbeterd en de nieuwste versie alleen op de eigen blog van Tommie te vinden is.

(Ter zijde: De oudste versie is nog terug te vinden op de blog van Marcel van Zoggel en werd daar gepost door ene “Thomas” op 18/04. Een sterk geredigeerde versie werd door “Fulvius” zelve op 21/04 gepost op Maria’s blog. De derde versie, met slechts kleine verbeteringen – b.v. verschijningsdata i.p.v. verschijningdata – werd op 22/04 om 10:14 uur door Tommie Hendriks aan zijn eigen blog gehangen en om 14:22 uur andermaal door “Thomas” op de Van Zoggelblog geplaatst. Een en ander valt eenvoudig en snel te verifiëren met de “compare documents”-functie onder “track changes” in het Toolsmenu van Word).

In december 1999 leerde Hendriks het werk van Carotta kennen en sindsdien heeft het hem niet meer losgelaten. Hij vertaalde Carotta’s boek in het Nederlands en voert sindsdien een verbeten strijd voor verdere erkenning.

Als Bavink schreef Hendriks “Alle anderen, of ze de theorie van Carotta nu verdedigen of aanvallen, schrijven hun mening één- of tweemaal op. Alleen amokmaker Van Hooff kan er maar niet mee ophouden“, maar hij vergeet daarbij zichzelf te noemen: Telkens wanneer de discussie rond Carotta weer opflakkert – laatstelijk afgelopen november n.a.v. de presentatie van Jan van Frieslands documentaire over Carotta – bewerkt hij de media en het internet met, let wel, anonieme [!!] brieven. Zo opperde Tommie onder de naam Richard al op 3 nov. dat Van Hooff op http://www.psychosis.nl/ moest publiceren op een forum van de EO. Hij deed hetzelfde op diezelfde dag nog eens als anonymus op de blog van Marc van Zoggel, waar hij later als Thomas en waarschijnlijk ook als Xantippe postte. Andere door hem in het verleden gebezigde namen zijn  onder andere j.j., Octavianus, Daniël P., M. Anthonius, Marc A., Marc, Simon, Maria en Philo. Daarbij is het overigens niet altijd duidelijk of het alleen om Tommie gaat, of ook om zijn maatje Jan van Friesland – niet voor niets hebben we ook nu, bij Maria Trepp, in “Bavink” en “Siep,” met twéé Utrechtse IPadressen te maken – terwijl op de achtergrond ook altijd Carotta zelf aanwezig is en vaak ook meeschrijft.

Een héél enkele maal schrijft Tommie onder zijn eigen naam, zoals in het geval van een ingezonden brief aan het AD, dd. 7 nov. j.l.:
…Jacobine Geel schrijft in haar column over Van Frieslands documentaire ‘Het evangelie van Caesar’ … dat veel meer wetenschappers deze theorie afwijzen dan omarmen. Dat is onjuist. Als de vertaler van Carotta heb ik de stand positieve – negatieve ‘wetenschappelijke publicaties’ nauwkeurig bijgehouden. Voor Nederland luidt die: 71%-29%. Internationaal: 100%-0%. De tegenstanders schreeuwen luid, dat wel.Tommie Hendriks, Utrecht.

Daarbij valt direct een belangrijk, repeterend punt in de teksten van Tommie op: het – tegen beter weten in – blijven volhouden dat er zoiets als een positieve ontvangst van Carotta’s theorie zou bestaan.

[uitwijding
In het stuk van Fulvius op Marias blog lezen we daar b.v. over:
Carotta beroept zich bijvoorbeeld op Prof. Ethelbert Stauffer, een bekende Duitse theoloog, wiens zoon in de documentaire een tekst van zijn vader voorleest. In de film zie je hem verder in gesprek met Prof. Francisco Rodriguez Pascual, antropoloog van de Pontificia Universiteit van Salamanca, als ook met Prof. Antonio Piñero, theoloog en hoogleraar Nieuwtestamentische Filologie van de Complutense Universiteit van Madrid. … Je ziet Carotta als een onderzoeker die zijn waarnemingen aan andere geleerden duidelijk maakt, ze in vaktijdschriften publiceert (Quaderni di Storia, uitgegeven door Prof. Luciano Canfora, Caesar-biograaf), sommigen zijn het met hem eens, anderen geven kritiek. … Als hij aanhang krijgt en wel van “eerzame” bekende academici, archeologen, linguïsten, epigrafici, historici, rechtsfilosofen, cultuurhistorici, experimenteel psychologen, antropologen, theologen, juristen etc. dan zijn ze allemaal daarom ongeloofwaardig, omdat ze geloofwaardig zijn.”.

Merk op dat Tommie de beroepen allemaal in meervoud opsomt, terwijl het toch alleen in het geval van de rechtsfilosofen met Prof. dr Paul Cliteur en Prof. dr Andreas Kinneging om meer dan één persoon gaat. Verder hebben we het, bewezen, over één linguist, Fotis Kavoukopoulos, één epigraficus, Gert Lüderitz, één (cultuur)historicus, Thomas von der Dunk, één experimenteel psycholoog, Tommie Hendriks zelve, en één classicus, Gerard Janssen, docent oude talen aan het Piter Jelles Gymnasium te Leeuwarden. De anderen die Fulvius Hendriks hier met name noemt ondersteunen de theorie van Carotta niet. Carotta beroept zich op Stauffer en spreekt met diens zoon, maar vader lief zou zich in zijn graf omdraaien als hij wist dat zijn werk op deze wijze werd misbruikt. Dat zelfde geldt voor de vorig jaar overleden professor Rodriguez Pascual, van wie een beleefdheidsfrase nu zelfs het persbericht bij Jan van Frieslands documentaire siert. Zelfs het nawoord van Erika Simon bij het boek is, bij zorgvuldige lezing, niet veel meer dan een beleefdheidstekst. Verder commentaar op haar woorden wil zij in ieder geval niet geven. En dan zijn er tenslotte de professoren Piñero en Cafora. Beiden hebben Carotta de gelegenheid gegeven zijn theorie uiteen te zetten, zónder die echter te delen, zo lieten beiden mij weten. Piñero, die ik pas enkele dagen geleden contacteerde, was zelfs zéér verbolgen over het feit dat zijn naam nu op deze wijze werd misbruikt. “Es horrible cómo la gente tergiversa las opiniones“, “het is een schande hoe mensen meningen verdraaien“, liet hij mij weten en voegde daaraan toe dat binnenkort de verhandelingen uitkwamen van het symposium waarin hij de theorie van Carotta besprak, zodat iedereen dan zijn vernietigend oordeel kan nalezen]

Twee andere constanten in de teksten van Tommie Hendriks zijn, tot vervelens toe, dat Carotta’s tegenstanders:
a) nooit met argumenten komen en b) diens boek niet gelezen hebben. Beide zijn uiteraard uitgebreid terug te vinden in de tekst van Fulvius de Boer:
ad a) “Je bent toch altijd weer benieuwd naar zijn argumenten – maar jammer genoeg ook weer teleurgesteld. Hij levert namelijk geen enkel bewijs.; … de even verbeten als lege argumentatie van Van Hooff…” etc.
ad b) “… als hij het boek zou hebben opengeslagen, dan …; … zou hij dan daar gelezen hebben …; … hij leest Carotta in geen enkele taal …; … Let wel: hij leest nog steeds het boek niet…;  … ook op dit punt niet heeft gelezen …; … Als hij het had nagelezen …; … waarmee hij bewees dat hij het boek niet had gelezen …; … dat hij kritiek leverde zonder gelezen te hebben …” etc.

[ uitwijding
Een derde constante in het werk van Tommie, en dus ook Fulvius, is een even kromme redenatietrant als die van Carotta zelf. Dat moet ook wel, want voor ieder ander zou het vertalen van Carotta’s teksten een onmogelijkheid zijn geweest. Ter illustratie één van mijn favoriete passages, afkomstig van p. 300 (1ste druk) van Tommies vertaling: “Het koloriet – het tweemaal kraaien van de haan, dat de drievoudige verloochening aankondigt – wordt geleverd door de namen: de naam van de tempel, waarin vóór het aanbreken van de dag de buitengewone senaatszitting plaatsvond, de Tellus, de ‘moederaarde’, die gezien het tijdstip – ‘vierde nachtwacht’, quarta vigilia, in de volksmond ook secundus galliciniis, ‘bij het tweede hanenkraaien’ genoemd – als gallus, ‘haan’ verkeerd werd begrepen – tellus, telluris wordt alektor, ‘haan’ -, waardoor Cinna’s naam uitgelegd kon worden alsof hij van cecini, ‘zong, kraaide’ kwam“.

Zelfs Gary Courtney, die nota bene een boek schreef waarin vrijwel dezelfde theorie wordt verdedigd, schreef mij over Carotta: “It took me quite some time to realise that my ability to translate his writing was being hampered by the way he writes. When a sentence did not make sense, I thought there was something wrong with my translation. I finally realised that it was impossible to translate what he writes and make it make sense in English. But that it’s not due to differences in the English and German languages, it is because of his style. Most of his arguments are sheer gobbledy-gook because he does not know how to think logically – I could provide a thousand examples“.
Het beste voorbeeld van Carotta’s onvermogen om logisch na te kunnen denken staat al direct halverwege de éérste pagina van zijn boek: “Daar [!!!] dergelijke voorstellingen [van diep lijden] typisch voor Jezus Christus zijn en niet voor Julius Caesar, rees de vraag of Jezus nog andere elementen van de vóór hem geboren Caesar zou hebben overgenomen.” (p. 5)
Goed, logica behoort dan misschien niet tot de kernvakken van de rechtsfilosofie, maar deze zin alleen zou voor de professoren Cliteur en Kinneging en cultuurhistoricus Von der Dunk toch al voldoende moeten zijn geweest, om te beseffen dat er iets heel, héél, hééél erg mis is met het denken van Francesco Carotta].

Maar de belangrijkste constante is het verwijt dat Carotta’s tegenstanders uitsluitend op de man spelen, terwijl diens medestanders de waardigheid zelve zijn en de wetenschappelijke mores hoog proberen te  houden.
In”De Zwarte Hand” formuleerde Tommie Hendriks het als volgt:
Zo tekende zich in het ‘debat’ een klare lijn af. Aan de ene kant de lezers van het boek, die in een geserreerde toonzetting, verklaarden wel wat in de theorie te zien en nader onderzoek bepleitten. Aan de andere kant van het ravijn de geharnaste tegenstanders, de niet-lezers, die, luidkeels hun beledigingen schreeuwend, het boek op de Index plaatsten.
En als Fulvius formuleert Tommie het als volgt:
Intussen probeert onze zelfbenoemde wetenschappelijke censor de promotors van Carotta’s boek ad hominem in diskrediet te brengen

Zodra Tommie echter onder een van zijn talrijke pseudoniemen schrijft valt er van die “geserreerde toon” weinig te merken, scheldt hij er lustig op los en rolt de ene ad hominem over de andere. Nota bene als Fulvius laat hij op zijn adhomverwijt aan Van Hooff volgen:
-dat men vergeefs naar Van Hooffs wetenschappelijke publicaties zult zoeken in boekhandels en bibliotheken [Sic!]
dat deze classicus niet eens het Latijn machtig is
– dat hij in Athene niet eens een ijsje kan bestellen
dat men in de oudheid niet zo racistisch als Van Hooff was

dat hij een slechte hoofddocent is geweest, aangezien hij er geen reguliere betrekking meer heeft [hij ging, als 62jarige met de VUT …], maar nu gewoon leraar klassieke talen aan een gymnasium is [… en geeft nu nog les voor de lol]
– dat hij lijdt aan totale onkunde en geestelijke verwarring

En als Bavink voegt daar nog aan toe:

-dat Van Hooff zich aanmatigt te schrijven zonder te hebben gelezen
-dat hij kolderiek, maar pervasief en inflexibel gedrag vertoont
-dat hij een amokmaker, een ijdeltuit, gefrustreerd en dwangneurotisch is
-dat hij mogelijk psychisch ziek is of gedreven door zelfdestructie.

-dat men fluistert dat Van Hooff van de universiteit is verwijderd omdat hij met zijn scheldpartijen die te schande maakte.

Die laatste typering komt uit een één-tweetje met alter ego en eveneens Utrechts IPadreshouder Siep Oker, die op Marias blog zelf schreef:
Van Hooff is een tiepies produkt van de demokratiese jaren zestig en zeventig. Geen wonder dat hij niet is doorgegroeid en geen prof is geworden. Hij is altijd in Nijmegen blijven hangen als ‘ zij-instromer’ en heeft de omslag in de samenleving niet meer meegemaakt. Maar als fossiel maakt hij wel veel lawaai“.

Die laatste zin , “Maar als fossiel maakt hij wel veel lawaai“, doet sterk denken aan de laatste zin van Tommie Hendriks in zijn brief aan het AD: “De tegenstanders schreeuwen luid, dat wel.” Bovendien past de carrièrebeschrijving niet die van Van Hooff, maar wel die van Tommie Hendriks zelf. Immers, in de Utrechtse Binnenstadskrant van november 2004, lezen we:  “Zijn aanstelling als wetenschapper werd van jaar tot jaar verlengd, tot hij in 1997 definitief op een zijspoor werd gezet”.

Hierdoor sluit ik niet uit dat “Bavink” op Marias blog misschien toch Jan van Friesland is en “Siep Oker” Tommie Hendriks. De tekst van Fulvius de Boer zou dan gepost zijn door Jan, maar lijkt mij toch goeddeels van Tommie, daarbij geassisteerd door Carotta en/of Gerard Janssen.

Maar eigenlijk doet dat niet zo veel ter zake. De Carottianen wisselen al hun teksten uit en staan in permanent contact met hun spiritueel leider, Francesco Carotta.

———————————————————————————–
Zover Berard Vermet.

Mijn avatars wisselen met elke blog. Ten tijde vn dit Carottablog zag mijn avatar zo uit ( vgl ook de reacties hierover)

Bernard heeft overigens ook een verslag geschreven van ons bezoek in Leeuwwarden:
Carotta op het Leeuwarder Piter Jelles Gymnasium

en een recensie van de film van Jan van Friesland
‘Het Evangelie van Caesar’

Discussie Bernard Vermet met Gerard Janssen, docent aan het Piter Jesses Gymnasium te Leeuwarden deel 1

deel 2 [ Deel 2 is aardig voor wie het onzalige idee zou hebben om “Rouw en razernij rond Caesar” van Tommie Hendriks te gaan lezen]

 


www.passagenproject.com

Racisme zonder ras

212 comments

Dit is de titel van een artikel in de Volkskrant van vandaag, geschreven door Halleh Ghorashi (foto links) en Thomas Spijkerboer, beiden hoogleraar aan de VU.

Halleh Ghorashi is de auteur vaan een aantal interessante teksten die ook op internet te vinden zijn. Op Ruud Zweistras Rijjnland-site is de artikel te vinden Nederlander, ga eens opzij met je dikke identiteit (al snap ik niet waarom racist Ruud dit artikel opneemt) .

Halleh Ghorashi zei in haar oratie Paradoxen van culturele erkenning (2006) over cultuur en identiteit:
“Om te beginnen is de statische basis van het denken in culturele en/of religieuze contrasten zeer problematisch. Aan deze benadering ligt een specifieke definitie van cultuur ten grondslag, namelijk dat culturen als elkaar uitsluitende entiteiten worden beschouwd, met duidelijk getrokken grenzen en een eenduidige inhoud. In deze benadering wordt cultuur gezien als iets statisch en alomvattends waar individuen eerder de dragers van zijn dan de makers. Anders gezegd, cultuur is in deze zienswijze eerder wat ons maakt, dan wat door ons wordt gemaakt. Binnen deze essentialistische benaderingswijze van culturele identiteit [ zie mijn blogs over het Platoonse essentialisme, bijvoorbeeld Generaliseren en stigmatiseren in de naam van Plato, M.T.]  wordt de culturele inhoud als allesbepalend gezien voor de handelingen van individuen. Hieruit komt de (impliciete) gedachte voort dat de essentie van een cultuur gelijkstaat aan de essentie van alle handelingen van individuen uit die cultuur. Deze benaderingswijze laat weinig ruimte open voor individuele interpretaties en creativiteit ten opzichte van culturele achtergrond. Bovendien worden op deze manier alle andere mogelijke factoren die het handelen kunnen verklaren buiten beschouwing gelaten. Het idee van onverenigbare culturen (de islamitische en de westerse cultuur) met de verwijzing naar praktijkvoorbeelden van cultuurgebonden geweld, is een duidelijk voorbeeld van een essentialistische benadering van cultuur. Maar ook de recente nadruk op de inhoud van cultuur ter verklaring van criminaliteit onder migrantenjongeren is een voorbeeld hiervan.” (p.5 f)

Terecht merkt Ghorashi op dat het essentialisme automatisch ook verbonden is met het dualisme:

“De [..] dichotomie tussen wij en zij vloeit voort uit een essentialistische benadering van de eigen groep en de anderen […] ( p.6)

En verder zegt zij over categoriaal en essentialistisch denken:
“De voornaamste kritiek op het categorale denken is niet gericht op het categoriseren zelf. Een leven zonder categorieën is niet mogelijk. De kritiek heeft te maken met de situatie waarin categorieën tot absolute contrasten worden gemaakt. In het geval van culturele contrasten is de gedachte dat culturen elkaar eerder uitsluiten dan insluiten. Binnen deze essentialistische benadering wordt cultuur gezien als een afgebakend geheel, en het idee is dat de culturele inhoud – waarden en normen, betekenissen, rituelen en symbolen – bepalend is voor de handelingen van individuen uit die cultuur. Binnen de sociale wetenschappen is al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw kritiek geleverd op deze cultuuropvatting. Toen al beweerde Fredrik Barth (1969) dat de etnische grenzen niet door de culturele inhoud tot stand komen en in stand worden gehouden, maar dat deze grenzen worden geconstrueerd om een ‘politiek’ doel na te streven. De culturele kenmerken worden juist aangedikt wanneer ze kunnen worden gebruikt om een verschil tussen wij en zij aan te tonen. Dit houdt in dat de etnische grenzen tussen groepen vooral als een constructie moeten worden gezien die situationeel, contextueel en veranderlijk is, en niet als iets wat afhankelijk is van de essentie van de verschillende culturen.” ( p.18)

Ook ziet Ghorashi terecht een verband tussen essentialisme en de cultuur van het beledigen:
“Ook de Nederlandse ‘bespreekbaarheidsideologie’ blijkt door ‘hyperrealisme’ gereduceerd te zijn tot beledigen en choqueren. De paradox hier is dat juist in een tijd van het construeren van een essentialistische Nederlandse identiteit waarin canonvorming en waarden en normen centraal staan, belangrijke historische Nederlandse deugden zoals bespreekbaarheid en tolerantie met voeten worden getreden.” ( p. 48)

 

Meer over racisme op dit blog

Laïcité versus positieve godsdienstvrijheid

72 comments

Eén van de redenen dat Ayaan Hirsi Ali zo geliefd is in Frankrijk is vermoedelijk omdat zij een harde missionaris is van de Franse laïcité die zij dan ook graag in Nederland wil invoeren (een andere reden zou kunnen zijn dat de Fransen niet weten hoe nauw Hirsi Ali met Geert Wilders heeft samengewerkt en bijvoorbeeld samen met Wilders heeft verkondigd  dat “elementaire rechten en wetten” voor de “liberale jihad” “opzij moeten worden gezet” (NRC 12-4-2003).

Is het een goed idee de Franse vorm van secularisme, de laïcité, in Nederland in te voeren?

Ik heb al eerder over de sociaal-democratie en de religie geblogged, en heb daar ook Thijs Wöltgens genoemd die over de laïcité schrijft in zijn opstel “De staat als jaloerse god Op weg naar een staatskerk?”  ( In: ‘Ongewenste goden’, 2006)

Wöltgens begint met de Franse geschiedenis en de verhouding tussen wereldlijke en geestelijke macht.

“[…] Het lijkt wel alsof voor vele Franse republikeinen de staat zelf de belichaming is van hun wereldbeschouwing. Frankrijk heeft een mis­sie die het niet gemakkelijk verdraagt dat er ook nog andere missies zijn. Fransman zijn is geen geografische toevalligheid. Het is deelne­men aan het cultureel project van La France éternelle. Fransman wor­den betekent assimileren.

Verlichtingsadepten kijken vaak met enige jaloezie naar de Franse
laï­cité.


Het woord klinkt strijdbaarder dan de termen waarin wij, Nederlanders, de relatie tussen kerk en staat beschrijven. Toch moe­ten zij zich afvragen met wie ze zich daar identificeren. In onze canon staat de Verlichting weliswaar voor de scheiding van kerk en staat, maar in feite waren de voornaamste denkers uit die periode voorstanders van een staatskerk. Hobbes, Locke, Rousseau en zelfs Kant pleitten voor een staatsreligie. De vorm daarvan kon verschil­lend zijn: de Lutherse staatskerk, de koning als hoofd van de kerk of een’ civiele religie’. Het idee van een nationale burgerreligie bereikte een hoogtepunt bij Auguste Comte 1798-1857), die een volledig uitgewerkt ontwerp maakte van een humaniteitsreligie. In de twin­tigste eeuw heeft het atheïsme van de Sovjet-Unie de status van een staatsreligie gehad.

De scheiding van kerk en staat op basis van de Verlichting is mij om in ieder geval twee redenen te gemakkelijk. De eerste reden is dat deze scheiding wel eens meer aan het christelijke geloof dan aan de Ver­lichting te danken zou kunnen zijn. Na de Verlichting is het de staat die telkens weer greep probeert te krijgen op het geloof. In de ogen van de staat is de religie ofwel een concurrent, ofwel een instrument. De staat is een jaloerse god, die niet kan begrijpen dat een paus zonder divisies nog steeds invloed heeft. Je kunt hem niet ontwapenen – hij heeft immers geen divisies en je kunt hem niet inlijven, want zijn kerk is overal.

De tweede reden is dat zelfs een positieve beoordeling van de Ver­lichting ons nu niet meer verder helpt. Die positieve beoordeling vloeit voort uit de gedachte dat de Verlichting ons heeft bevrijd van de wereldlijke macht van de kerk. De secularisering heeft de kerk armer gemaakt, maar daarmee ook geloofwaardiger. De Verlichting als bevrijding van klerikale overheersing verdient nog steeds waarder­ing. Maar vandaag is de kerk in onze contreien geen macht meer, een klerikale carrière is allang niet meer de weg naar macht, geld en aan­zien. De kerk is sociaal gemarginaliseerd, bijna een roepende in de woestijn, waarover de echte carrièremakers alleen nog maar superieu­re ironie ten toon spreiden. Je bent wel wat laat, als je nu nog de poli­tiek probeert te bevrijden van het geloof. Juist nu de kerk machteloos is, onthult zich de ware aard van het verlichte antiklerikalisme. In feite gelooft het niet dat religieuze over­tuigingen en democratie samengaan (tenzij die religieuze overtuigin­gen zich verschuilen in de privésfeer). In dat geval is dit verlichte anti­klerikalisme zelf een religieuze overtuiging geworden. […]

[Ik heb] een andere invalshoek gekozen voor de verhouding kerk-staat dan gebruikelijk is in de politieke discussie. In die discussie speelt vooral de vraag: hoe houd ik de verschillende reli­gies binnen de grenzen van onze staatkundige uitgangspunten? Ik probeer aandacht te vragen voor het omgekeerde probleem: hoe ver­mijdt de staat dat hij stelling neemt in godsdienstige overtuigingen? Want dat vermijden is immers de vrijheid van godsdienst. Voor die vrijheid was de scheiding van kerk en staat bedoeld. Maar in de recen­te discussies wordt deze scheiding vooral gebruikt om de vrijheid van de staat te verruimen.

Wij zijn sterk op weg om van het Nederlanderschap een civiele re­ligie te maken, met een eigen canon en met vaste rituelen. Het onder­wijs moet onze kinderen voorzien van een vast rijtje vaderlandse hel­den, op te dreunen als de tafel van vier. Wij zijn bezig onze identiteit opnieuw uit te vinden, we construeren opnieuw onze volksaard, we willen ons oriënteren op typisch Nederlandse waarden.

Op die manier volgen we de Fransen en de Amerikanen. Voor hen is hun nationaliteit een soort geloof. Naturalisatie en inburgering is een vorm van bekering die geen andere loyaliteit verdraagt. De over­lapping consensus is de consensus van de bekende wereldbeschouwin­gen. De oecumene van geloven die de test van de vaderlandse ge­schiedenis hebben doorstaan. In die context spreken over herstel van waarden en normen krijgt dan gemakkelijk de betekenis van het uit­sluiten van nieuwe, geïmporteerde waarden en normen en de uitslui­ting van nieuwe geloven en hun ethische stelsels. [….]

De staat gedraagt zich alsof de mensen dankbaar moeten zijn voor de ruimte die de staat aan de godsdienst geeft – en wie geeft kan ook nemen. Wie zo denkt vergeet iets essentieels. De godsdienstvrijheid wordt niet gelegiti­meerd door de staat, maar de (rechts-)staat wordt gelegitimeerd door de godsdienstvrijheid. Die vrijheid constitueert (samen met andere grondrechten) de staat. Voor wie dit verrassend klinkt, geldt dat hij in elk geval meer staats gelovig dan gewoon gelovig is.

De meest beperkende interpretatie van de godsdienstvrijheid is dat het een negatieve vrijheid is: de vrijheid om niet lastig gevallen te worden vanwege je geloof. […] Maar zelfs deze minimale interpretatie ligt onder vuur. Want achter die voordeur gebeurt van alles: het gezin spreekt Turks, de vrouw mag geen mannen ontvangen, de jongens worden tot kleine macho’s opgevoed, de meisjes tot voorhuwelijkse maagdelijkheid en uithuwelijking gedwongen. Is zo’n voordeur niet een gevangenishek? En moet de overheid zich niet ook achter die voordeur begeven? Ja, als kinderen de school verzuimen, ja, als ze regelmatig met blauwe vlekken of ondervoed op school verschijnen, ja, als meisjes zich tever­geefs verzetten tegen een huwelijksarrangement – maar dit zijn alle­maal algemene regels, die net zo goed voor atheïsten gelden. Maar nee en nogmaals nee, als het motief is dat een moslimopvoeding de integratie belemmert of dat elk gezin onmiddellijk de geëmancipeerde catechismus moet volgen. Anders dan vroegere feministen dachten, is een intact gezinsleven (ook dat van moslims) de beste voorwaarde om evenwichtig volwassen te worden. Daarbij kunnen ambtelijke boven­ouders gemist worden als kiespijn.

Als de godsdienstvrijheid als negatieve vrijheid al niet wordt geres­pecteerd, dan zal een pleidooi voor positieve godsdienstvrijheid nog minder gehoor krijgen. Positieve godsdienstvrijheid geeft de gods­dienst de ruimte om zich te ontplooien in het publieke domein. Onze onderwijsvrijheid, dat wil zeggen: de financiële gelijkstelling van bij­zonder en openbaar onderwijs, is een element van zo’n positieve vrij­heid. Het is volstrekt in strijd met deze positieve vrijheid dat juist de komst van islamitische scholen deze vrijheid ter discussie stelt. Wees blij met iedere betrokkenheid – ook van onze nieuwe medeburgers ­bij de uitoefening van publieke taken! De overheid noch het bedrijfsleven kent vrijwilligers, de kerken wel. Staatsgelovigen kennen alleen maar overheid of bedrijfsleven. De maatschappij kent tal van vrijwillige organisaties, waaronder de ker­ken niet de minste zijn. De overdracht van publieke taken was de weg van de positieve godsdienstvrijheid.
Daar staat het staatsgeloof tegenover, dat in het Frans de veel te vriendelijke naam laïcité heeft gekregen. Dit acht de vrijheid van zijn eigen geloof belangrijker dan de vrijheid van andere geloven. Dat lijkt een democratische opvatting: de meerderheid beslist over welke ruimte de religies mogen beschikken. Maar als het over grond­rechten gaat (de vrijheid van meningsuiting, gelijkheid voor de wet, de vrijheid van vereniging en vergadering en dus ook de godsdienst­vrijheid) dan liggen de zaken eerder omgekeerd. Niet de democratische meerderheid van stemmen bepaalt wat een grondrecht is, maar de grondrechten (dus ook de godsdienstvrijheid) bepalen of wij wel een echte democratie zijn. We hebben de vrije gelovigen dus hard nodig om een democratie te blijven.

Atheïstisch bijgeloof: Carotta en zijn volgelingen Andreas Kinneging en Paul Cliteur

63 comments

Was Jezus Christus eigenlijk Julius Caesar?

De Leidse Burkianen denken met Francesco Carotta en Jan van Friesland van wel.
Jan van Friesland, voormalig eindredacteur van Buitenhof, maakte een documentaire over de Italiaanse taalkundige Francesco Carotta , die beweert dat Jezus Christus eigenlijk Julius Caesar is -een omstreden theorie. Van Friesland financieerde zijn documentaire, Het Evangelie van Caesar – Zoektocht naar de ware Christus, ten dele zelf.

Zie ook het artikel van classicus Anton van Hooff hierover.

Vier jaar geleden hebben Paul Cliteur en Andreas Kinneging het opgenomen voor de theorieën van Francesco Carotta.

Merkwaardig obscurantisme!

De Leidse Universiteitskrant  MARE, schreef toen (6 februari 2003) over Carotta en zijn Leidse aanhangers:

“‘Boek van het jaar’ of ‘verzameling apekool’

Jezus Christus, alias Julius Caesar

Jezus als timmermanszoon uit Nazareth moeten we vergeten. In feite is de verering van Jezus een voortzetting van de cultus van Divus Julius, de na zijn dood tot God verklaarde Julius Caesar. Die gewaagde stelling van de Italiaan Francesco Carotta heeft in Nederland voor heel wat beroering gezorgd. Ook binnen Leiden zijn de gemoederen inmiddels aardig verhit geraakt. ‘De verdediging van dit boek door Paul Cliteur is weerzinwekend.’
Heel veel vertrouwen geeft de inleiding van ‘Was Jezus Caesar?’ niet. De auteur meldt dat hij het onderzoek voor het boek aanvankelijk moest uitvoeren ‘naast zijn werk als ondernemer in de informatica en uitgever van boeken’. Op zich hoeft dat nog geen probleem te zijn, want Francesco Carotta blijkt wel opgeleid als taalkundige en filosoof. Maar vervolgens begint hij mogelijk gebrek aan bijval voor zijn boek meteen maar te verklaren. Zijn ontdekking dat Jezus Christus in feite de vergoddelijkte Julius Caesar is, vergt ‘een verandering van paradigma: niet langer staat de aarde centraal, maar de zon; niet langer gaan we uit van het Heilig Land, maar van het tegenwoordig graag vergeten Romeinse Imperium’. Menigeen, meent Carotta, zal weigeren ‘een blik te werpen in de telescoop van Galilei’. Behalve een staaltje grootspraak is het ook een gemakkelijke methode om zich tegen alle kritiek in te dekken. Is hier een dilettant aan het werk? Verderop in het boek wordt duidelijk dat Carotta in ieder geval een vorm van wetenschappelijk onderzoek heeft verricht, maar dan wel met een van tevoren vaststaande conclusie: door verschrijvingen en verkeerde vertalingen veranderde de cultus van Julius Caesar in die van Jezus Christus. Dat moet wel, omdat de parallellen in hun levensgeschiedenissen te frappant zijn. Zo is zelfs het kruis geen exclusief christelijk attribuut: Marcus Antonius voerde een wassen beeld van de vermoorde Caesar rond, bevestigd aan een tropaeum, een T-vormige houten constructie waaraan normaliter de wapens van de overwonnen vijand werden opgehangen.
‘In eerste instantie denk je: dit is helemaal niets, dit kan niet waar zijn, dus ik schuif het terzijde’, merkte de Leidse rechtsfilosoof dr. Andreas Kinneging op in het Radio 1 Journaal van 24 december. ‘Maar ik moet u zeggen dat ik na lezing geheel van mening veranderd ben. Volgens mij is dit het boek van het jaar 2002!’ Ook Kinnegings collega mr. Paul Cliteur, pas benoemd tot hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap, nam het voor het boek op. Zijn column in het tv-programma Buitenhof van 1 december wijdde hij aan Carotta’s ‘ontdekking, die de hele cultuurgeschiedenis omver gooit’. ‘Even kijken wat er allemaal gaat veranderen. In de troonrede bidt de majesteit om hulp van Caesar, Balkenende leidt voortaan het Caesaristisch Democratisch Appel en Rouvoet de CaesarUnie.’ Cliteur heeft het geweten. Hij werd onder meer door de Nijmeegse classicus Antoon van Hooff per mail gekapitteld:’Ook gij, Paulus? Jij, mederepublikein, rationalist, verdediger van de westerse wetenschap, jij gelooft in het kruidenvrouwtje Carotta?’ In kringen van Leidse oudhistorici en nieuwtestamentici klinken soortgelijke geluiden. Prof.dr. Henk Jan de Jonge: ‘Als ik Cliteur was, beperkte ik me tot het terrein van mijn eigen deskundigheid. Zijn verdediging van het boek van Carotta is weerzinwekkend. Er staan niets dan klinkklare nonsens in, ongefundeerde speculaties op basis van toevallige overeenkomsten tussen de weergaves van het leven van Julius Caesar en Jezus. Zo kun je nog veel meer parallelle levens construeren.’ Hoewel Carotta zegt het historische bestaan van Jezus niet te betwijfelen – Jezus heette alleen Julius Caesar – valt hij natuurlijk wel degelijk de basis van het christendom aan. Volgens De Jonge ketst de aanval echter af op de consensus in de wetenschappelijke gemeenschap. ‘De historiciteit van Jezus is zeker, naar de strengste normen van de wetenschappelijke geschiedschrijving. Ik zou voor geen enkel woord van Jezus in de evangeliën mijn hand in het vuur willen steken, maar dat hij heeft bestaan staat vast met honderd procent onaanvechtbare zekerheid. Er zijn drie onderlinge onafhankelijke bronnen voor: de brieven van de apostel Paulus, de evangelist Marcus, en de bron Q, waaruit de evangelisten Lucas en Matheus hebben geput. Ook over zijn boodschap in grote lijnen bestaat eenstemmigheid: dat het oude tijdperk ten einde liep en hij een nieuwe periode aankondigde.’ Carotta verdient in De Jonge’s ogen daarom ‘geen seconde aandacht’. ‘In ons vak word je ongeveer drie keer per jaar opgeschrikt door een hype. Vorige keer was dat de zogenaamde vondst van de botten van de broer van Jezus, Jacobus. Als we ons daarmee gaan bemoeien, komen we niet meer aan ons werk toe.’ De Jonge staat als theoloog en fervent bestrijder van het atheïsme misschien nog onder de verdenking het christendom te willen beschermen. Maar hoe staat het met Henk Versnel, oudhistoricus van naam en faam, die in het verleden de strijd aanbond met theologen als H.W. Kuitert die kost wat kost historische werkelijkheid in de Bijbel probeerden terug te vinden. ‘Dit is een verzameling apekool’, zegt hij met de van hem bekende stelligheid. ‘Het is te vergelijken met de negentiende eeuwse theorie dat de Odyssee in Zeeland speelde omdat Circe naar Zierikzee verwees.’ De wetenschappelijke consensus over Jezus’ bestaan is voor hem veel minder zeker dan voor De Jonge. ‘De communis opinio is dat er geen communis opinio over zijn historiciteit bestaat. Uiteindelijk geloof ik dat het haast niet mogelijk is zo’n cultus op te hangen aan een fantasiefiguur. Jezus was waarschijnlijk een van de zeer vele wonderdoeners die er in die tijd rondgingen. Hij had een bepaalde overtuiging, benadrukte de joodse cultuur en identiteit tegenover de Romeinse en gaf een eigen interpretatie van het Oude Testament.’ En Romeinse trekken in het Evangelie aanwijzen mag best. ‘Ik heb zelf geprobeerd aan te tonen dat het plaatsvervangend lijden in de brieven van Paulus ontleend is aan een heidense, namelijk Romeinse gedachte. Dat is me door de nieuwtestamentici ook niet in dank afgenomen.’
Maar dan moet het wel deugdelijk onderzoek zijn. ‘Carotta noemt zich taalkundige, maar hij presenteert een soort middeleeuwse taalkunde waarin gelijkenissen al voldoen bij wijze van verklaring. Dat Galilea van Gallië komt, Kafarnaüm van Corfinium en Judea van Ionië, zoals Carotta beweert, is volstrekte onzin. Dat zijn allemaal prachtige Aramese en Israelitische namen.’ Veel meer dan wat bladeren in het boek heeft hij niet gedaan, zegt hij. ‘Toen wist ik wat voor vlees ik in de kuip had. Ik pieker er niet over het echt te gaan lezen. Dat is het ergste wat je van me kunt vragen. Cliteur, die ik altijd graag lees, moet een vlaag van verstandsverbijstering hebben gehad. Hij ziet waarschijnlijk te graag bewezen dat het christendom wetenschappelijk onhoudbaar is.’ Paul Cliteur zelf ondertussen verbaast zich over de heftige bewoordingen waarin de Carotta-tegenstanders zich uitdrukken. ‘De reacties zijn af en toe bij de spinnen af. Ik heb ook wel mijn kanttekeningen bij het boek. Het zou bijvoorbeeld sterker zijn geworden als er concurrerende theorieën aan bod waren gekomen. Maar ik schrik niet terug voor een wilde hypothese en het bewijs voor het bestaan van Jezus lijkt me niet overtuigend. Als onafhankelijk publiek intellectueel heb je de plicht er onbevangen naar te kijken. En dat mis ik bij de tegenstanders. Hun reactie doet me denken aan het wetenschapsfilosofische werk van Thomas Kuhn: als wetenschappers eenmaal een bepaald paradigma omarmd hebben, willen ze dat niet meer bloot stellen aan kritiek.’ ” [zo ver Mare]

Dus Paul Cliteur beschouwt de Carotta-nonsens als een waardevolle paradigma-shift in de wetenschap.

Dat is het wat me  zo stoort aan Cliteur c.s.: wel religiekritiek, maar veel te veel obsurantisme en veel te weinig scepticisme.

Lees ook het Carotta-debat in MARE.Vandaag verschijnt de volgende column van Anton van Hooff in de Gelderlander:

Toegevoegd op 13 november:

Val van CliteurWaar maak ik me toch kwaad om? Weer is de ‘theorie’ opgedoken dat Jezus van Nazareth eigenlijk Julius Caesar is. Het idee is opgekomen in het brein van de Italiaanse ex-seminarist Francesco Carotta. Elk gezond verstand herkent meteen de pseudowetenschap à la Von Däniken, volgens wie buitenaardse wezens in de prehistorie de aarde hebben bezocht. Echte wetenschap begint met een aannemelijke theorie. Zo is de theorie dat apen van mensen afstammen niet erg waarschijnlijk. Ook de veronderstelling dat de Eiffeltoren in Londen staat, is geen onderzoek waard. Maar wetenschappelijke charlatans slaan de fase van een deugdelijke werkhypothese gewoon over. Zij beginnen meteen met hun ‘bewijsvoering’. Zit ‘Londen’ niet in ‘Eiffeltoren’? De oplettende lezer merkt natuurlijk meteen dat die constatering niet helemaal klopt. Maar dat is ook zo met de argumenten van nepwetenschappers. Jezus Christus en Julius Caesar beginnen allebei met een J en C. Die toevallige overeenkomst gaat alleen in het Latijn op, niet in het Grieks, de taal van het Nieuwe Testament. Daarin is de eerste letter van Christos een chi, geschreven als X. En als die overeenkomst er al was, wat dan nog? Ook Johan Cruijff en Job Cohen beginnen met een J en een C. Ja, maar er zijn zo veel van zulke toevalligheden. Daar gaan we: Jezus wordt in de Jordaan gedoopt en Caesar trekt de Rubico over. Beiden worden door een vriend verraden, respectievelijk door Judas en Brutus. En lijkt Galilea, waar Jezus preekte, niet verrassend veel op Gallia, dat Caesar veroverde? En als je de medeklinkers van Pilatus door elkaar gooit krijg je Lepidus. Evangelist Marcus moet wel aan ernstige dyslexie hebben geleden. Denkt u niet dat ik expres de zwakste argumenten heb uitgezocht. Ze waren de allersterkste die televisiemaker Jan van Friesland mij vijf jaar geleden voorlegde. Vergeefs heb ik deze ex-priester van Carotta’s dwaalleer proberen af te brengen. Hij heeft in de afgelopen jaren een filmdocumentaire gemaakt om Carotta’s gelijk te bewijzen. Deze productie, godbetert gefinancierd door het productiefonds van de publieke omroepen, wordt door de VARA uitgezonden – Marx draait zich in zijn graf om: nu krijgt het volk de opium van een vals geloof toegediend. Door zijn contacten had Van Friesland niet alleen geld voor zijn geloofsfilm, hij kreeg ook een maximale publiciteit voor de voorvertoning op 2 november. Die werd door leerlingen van het Piter Jelles Gymnasium in Leeuwarden bijgewoond. De film laat namelijk zien dat Carotta’s leer ‘zelfs’ op een gymnasium wordt geleerd. Op dat soort bevestiging zijn pseudowetenschappers tuk. Aan de ene kant schoppen ze tegen de ‘gevestigde’ wetenschap, maar ze zijn dolblij als iemand van die kant hen steunt. Zo liepen in 2002 enkele vooraanstaande intellectuelen in val. Via alle media hebben Paul Cliteur en Thomas von der Dunk, columnist van deze krant, verkondigd dat Carotta een bom onder het christendom had gelegd. Paul Cliteur, de zelfbenoemde kampioen van de Verlichting, wordt in de Metro van 29 oktober 2007 aangehaald: Carotta´s ontdekking overtreft die van Newton en Darwin. “Ben je nog steeds in Carotta, Paul?” mailde ik hem plagerig. Zijn reactie? Schelden: “ Je bent een stalker.” Wie heeft het meeste recht om kwaad te zijn? ———————————————————————————————

Er heerst nu verwarring of Cliteur Carotta heeft vergeleken met Newton en Galilei ( zie ook Pieter Steinz) , of met Newton en Darwin. Ik hou het voorlopig op dat Carotta én Jezus Christus, én Newton én Galilei én Darwin is.

In een hilarisch artikel betoogt Jacques Kraaijeveld dat het “geen toeval kan zijn” dat zo veel beroemde mensen de initialen JC hebben, zoals Jezus Christus en Julius Cesar…..

 

Maria Trepp

 

 

transcendentie

30 comments

Ik ben niet religieus. Ik ben wel spiritueel- religieus in die zin dat de profane en banale werkelijkheid mij niet interesseert, en ik naar transcendentie zoek. Niet transcendentie naar een God, maar een spirituele en existentiële verbintenis met andere mensen, levende en niet levende, en met hun ideeën.

Le spinozisme eudémoniste de Robert

Autonomie is voor mij niet het hoogste doel. “Interzijn”, transcendentie, dat vind ik belangrijk.
Maar voor de transcendentie die ik nastreef hoeven we niet buiten de Westerse cultuur te gaan kijken.

In feite is het Spinozisme een zeer interessante Westerse transcendentie-leer.

Hierover binnenkort meer..

Le spinozisme eudémoniste de Robert Le spinozisme eudémoniste de Robert

Pseudoreligieuze leiders: Pim Fortuyn

8 comments

In het verband met een debat over religieuze leiders werd door Betty – mijns inziens terecht- gesteld dat Hitler een religieuze leider was- een pseudo-religieuze leider volgens mij.

Ook Pim Fortuyn heeft zich op een buitengewoon problematische manier als een religieuze leider gepresenteerd.
Extreem-rechtsen in België en Duitsland weten wat zij aan Fortuyn hebben: een verlosser en een voorbeeld. De Duitse extreemrechtse NPD’er Pastörs: “Hij [Fortuyn] hoorde het hulpgeroep dat uit de bevolking opklonk. Hij was hun verlosser.” (de Volkskrant 29-9-2006) Uit Fortuyns werk De verweesde samenleving ( subtitel: een sociologisch-religieus tractaat [!] ):

”Een leider van formaat is Vader en Moeder ineen. Hij stelt de Wet en waakt over de samenhang in de kudde. De bekwame leider is de bijbelse goede herder. Hij is normsteller en bruggenbouwer. Hij is streng en barmhartig. Hij is ongenaakbaar en begripvol.(. . .) Ik ben gereed? U ook? Op weg naar het beloofde land!” (p.238)
Dick Pels schrijft daarover in De geest van Pim: “[…] over het algemeen neigt hij [Fortuyn] ertoe om zijn roeping in klassiek-messiaanse gedragenheid te aanvaarden als een heilige missie. In 1994 schrijft hij [Fortuyn] […] : “Ik moet op weg. Wellicht ligt daarin de opgave van mijn leven. Als je nadenkt over Moses op deze manier begrijp je pas hoe smartelijk hij moet hebben geleden. We weten waar dat thuis is, het gezien hebben, de weg ernaar toe kenen, maar nooit arriveren. Dat is niet alleen smartelijk, maar ook wreed. Ik hoop dat ik geen Moses hoef te zijn.” (p. 66) Fortuyn citeert ook de profeet Jesaja: “Zij roepen mij niet aan, en toch zeg ik: hier ben ik, hier ben ik.” (Pels, p. 66)

Gezien Fortuyns pseudoreligeuze leiderschapsmythos vind ik het buitengewoon problematisch dat de Leidse hoogleraar Paul Cliteur, net als anderen van de neoconservatieve Burke Stichting, Fortuyn als een groot voorbeeld beschouwen. De zelfverklaarde Mozes/Messias en manicheïstisch denker Fortuyn is een positief voorbeeld voor de Burkianen.

Paul Cliteur: “Is niet de kortstondige carrière van Pim Fortuyn één lange demonstratie geweest van tolerantie? […] Fortuyn verdient postuum de Voltaire-prijs.” (Trouw 17 januari 2004) Cliteur, die op bijeenkomsten van de LPF ter ere van Fortuyn verschijnt, heeft ook in Civis Mundi een uitvoerige Fortuyn-apologie geschreven Pim Fortuyn en de multiculturele samenleving (Civis Mundi , vol. 43 (2004), afl. 2, p. 82)

 

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief