Wetenschap Kunst Politiek

Archive for the ‘ oud-vkblog-2007-03 ’ Category

Paul Cliteur, Voltaire en de islam

49 comments

 Paul Cliteur, Voltaire en de islam

voltaire islam kritiek

Voltaire islam kritiek

De naam ‘Voltaire’  komt vaak voor in de schriften van islam-criticus Paul Cliteur, zo ook in zijn nieuwe boek Moreel Esperanto. Cliteur identificeert zich vergaand met Voltaire, en een van Cliteurs lievelingszinnen is dan ook:

“Waarom zou kritiek ‘van binnen’[de islam] en ‘van buiten’ elkaar uitsluiten? Waarom mag Luther niet ondersteund worden door Voltaire? […] kan kritiek van binnenuit wel tot ontwikkeling komen zonder steun van buiten?”

( Moreel Esperanto, p. 325; Ongewenste goden, p. 263)

Cliteur plaatst zijn generaliserende en stigmatiserende kritiek van de islam in de traditie van Voltaire.

Niet ten onrechte.

Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier, proberen Cliteur en zijn maatje Ellian een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

“Voltaire [schilderte] de figuur van Mohammed […] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006)

Al sinds de christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld.

“Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

Wikipedia over Voltaire en de islam/Mohammed

Evolving views of Islam and its prophet, Muhammad, can be found in Voltaire’s writings. In a 1740 letter to Frederick II of Prussia, Voltaire ascribes to Muhammad a brutality that “is assuredly nothing any man can excuse” and suggests that his following stemmed from superstition and lack of enlightenment.[34] In a 1745 letter recommending his play Fanaticism, or Mahomet to Pope Benedict XIV, Voltaire described the founder of Islam as “the founder of a false and barbarous sect” and “a false prophet.”[35]

Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed in de lijn met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren.

Mohammed openbaring

Mohammed openbaring

“Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

En Voltaire was óók een man van religieuze tolerantie:

Wikipedia over Voltaire en religieuze tolerantie:

In a 1763 essay, Voltaire supported the toleration of other religions and ethnicities: “It does not require great art, or magnificently trained eloquence, to prove that Christians should tolerate each other. I, however, am going further: I say that we should regard all men as our brothers. What? The Turk my brother? The Chinaman my brother? The Jew? The Siam? Yes, without doubt; are we not all children of the same father and creatures of the same God?”[39]

Sjoerd de Jong:

“Kritiek op religie – nu vooral de islam- waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”

De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire:

“Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” ( NRC 6-4-2004

De [voormalige] minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur vaak herhaalt wordt:

“Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om het zeggen.’

Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ “(de Volkskrant, 4-5- 2006)

 www.passagenproject.com

www.passagenproject.com


 

Paul Cliteur: Moreel Esperanto

40 comments

Koen Haegens heeft in De Groene Amsterdammer van 9-3-2007 een uitstekende recensie geschreven van Cliteurs nieuwste boek, Moreel Esperanto.

Ik wil het debat over Cliteurs Moreel Esperanto openen met citaten uit Haegens’ artikel uit De Groene.

 
Cliteurs pleidooi voor een atheïstisch-humanistisch “Moreel Esperanto” ziet de Leidse hoogleraar godsdienstwetenschap Willen B. Drees als een “naïeve wensdroom” van een spanningsvrije morele taal. “Moreel beraad kan zeer wel leven met argumenten die niet gedeeld en niet geheel begrepen worden, inclusief verwijzingen naar een particuliere achtergrond en religieuze traditie. Moreel beraad vraagt geduld en begrip, niet instemming.”[1] Drees merkt ook op dat Esperanto geen succes was, en dat Esperanto ver van waardevrij was: Het was een taal georiënteerd aan Europese talen, en werd ook – niet geheel toevallig- dwangs-gepromoot door Khomeini, omdat hij het Engels wilde vermijden.
Cliteur zoekt spanningsvrije volmaaktheid, maar het gaat erom randvoorwaarden te scheppen voor pluriformiteit en diversiteit.

Maar hier eerst Haegens:

“In heksen, kabouters en zeemeerminnen mag van rechtsfilosoof en opiniemaker Paul Cliteur iedereen geloven, ‘maar wanneer wereldleiders oorlogen beginnen op basis van berichten die zij menen te hebben ontvangen uit een andere wereld, heb je wel een serieus probleem’. Dat probleem heet bij Cliteur de ‘goddelijke-bevelstheorie’, de religieuze ethiek van christendom, jodendom en islam die het goede definieert als datgene wat God wil. Hét klassieke voorbeeld van waar dat toe kan leiden, is het in alle monotheïstische godsdiensten voorkomende verhaal van Abraham. Uit gehoorzaamheid aan God was hij bereid zijn zoon Izaäk te offeren.

Het is deze goddelijke-bevelstheorie die volgens Cliteur de hoofdoorzaak is van de huidige problemen met religieus fundamentalisme. Hij hekelt de mensen die alle mogelijke andere verklaringen voor bijvoorbeeld de moord op Theo van Gogh aanvoeren – van cultuur tot discriminatie op de arbeidsmarkt – behalve de religie van de dader. Waarom de verklaring van Mohammed B. zelf, die zegt dat zijn daad voortkomt uit zijn geloof, niet serieus nemen?

[…]
Wat de multireligieuze samenleving nodig heeft is daarom geen geïnstitutionaliseerd religieus pluralisme, maar een autonome, niet-religieuze ethiek. Zo’n autonome ethiek is volgens Cliteur niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk in een samenleving waarin verschillende religies naast elkaar bestaan. Discussiëren over goed en kwaad gaat het best in een voor iedereen verstaanbare taal, redeneert hij, een soort ‘moreel Esperanto’ dus.

Dat is even redelijk als dat het vaag is. Nadat Cliteur tweederde van zijn boek heeft uitgetrokken om de nadelige kanten van religieuze ethiek te bespreken – waarbij hij de herhaling helaas niet schuwt – handelt hij de door hem aangedragen alternatieven wat al te makkelijk af.

Het probleem van de multireligieuze samenleving, zo stelt Cliteur, is dat mensen ‘hardnekkig blijven doorpraten in een taal die alleen wordt verstaan door de eigen groep’. Helaas laat Cliteur na zelf het goede voorbeeld te geven. Samen met zijn intellectuele maatjes als Jaffe Vink, Afshin Ellian, Chris Rutenfrans en Andreas Kinneging staat hij nu al jarenlang luid in het neoconservatieve dialect te schreeuwen. Om degenen die daar niet aan meedoen er vervolgens van te beschuldigen dat ze het debat ontlopen en de problemen bagatelliseren.

Ook in Moreel Esperanto fulmineert Cliteur honderden pagina’s achtereen tegen zijn critici. Wie dit precies zijn blijft onbekend, laat staan dat er naar goed wetenschappelijk gebruik concrete citaten en verwijzingen gegeven worden. Cliteur spreekt over ‘vrijzinnigen, multiculturalisten en postmodernen’.
[…]

Cliteur cum suis voeren geen echt debat. Ze creëren voortdurend zelf een ideaaltypische tegenstander in hun ideeënstrijd. Die is van alles tegelijk – van oud-linkse betonsocialist tot liberale postmodernist – maar bovenal vatbaar voor hun favoriete ‘argument’: ze zijn soft in het allesbepalende gevecht tussen westerse conservatieve liberalen en fundamentalisten.
[…]

Wat telt is de letterlijke tekst, een uitgangspunt dat de neocons overigens delen met de fundamentalisten. Het hangt samen met hun filosofisch idealisme. De fysieke omstandigheden zijn volgens het idealisme afhankelijk van de geest. Anders gezegd: niet de materiële omstandigheden bepalen hoe onze wereld eruitziet, maar louter de ideeën en gedachten van mensen.[…] ”

 
Susan Neiman onderneemt in haar boek Morele helderheid/ Goed en kwaad in de eenentwintigste eeuw (Moral clarity) een poging om – net als Cliteur- een moraal zonder religie te verdigen, maar anders dan Cliteur doet zij dat met respect vor religies en met een scherpe kritiek op neoconservatieven (neocons dus zoals Cliteur zelf).
 
 
De Leidse hoogleraar Oude Testament Bas ter Haar Romeny die tijdens NWO-Huygenslezing 2007 over Cultuur en identiteit sprak over het thema “Religie en Cultuur : wie is de baas?” keerde zich tegen de doelstelling van zijn Leidse collega Paul Cliteur voor een “Moreel Esperanto”:
We hebben volgens Ter Haar Romeny geen moreel Esperanto nodig, waar de religie overboord wordt gegooid. Het gaat om dialoog, debat en wisselwerking tussen culturen en religies.



[1] Willem B. Drees “Religies in een pluriforme samenleving – stellingen, VU –podium Wat ons bindt: Op zoek naar de overeenkomsten”.
 

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Peter Sloterdijk: Kritiek van de cynische rede (1)

no comment

“Kritik der zynischen Vernunft"; met dat boek bracht Peter Sloterdijk de filosofenwereld even in beroering- aan het lachen.” […] “Uitgangspunt voor Sloterdijk is de impasse waarin de maatschappijkritiek – de Kritische Theorie van de Frankfurter Schule- momenteel beland is. Nooit is de impuls tot kritiek zo sterk overmand geweest door onmacht, onverschilligheid, verlammende onlustgevoelens. ‘In ons denken is geen vonkje meer van verheven gedachtegangen, van de extase van het inzicht. We zijn verlicht- ‘aufgeklärt’- we zijn apathisch.’ “ ( Sloterdijk geciteerd na Rob Devos) 

Sloterdijk maakt een verschil tussen cynisme en kynisme. Cynisme is machtsdenken. Cynisme is kritiek van de sterke op de zwakke, is onderwerping, is top-down- georiënteerd. Kynisme is provocatie zonder formele macht. Kynisme ( in de traditie van Diogenes) beweegt bottom up ( in alle opzichten) . 

De inspiratie voor de kritiek moet voor Sloterdijk komen vanuit het levende lichaam. Geen naakt geweld […] maar het geweld van het naakte- “naakt” wordt hier ook overdrachtelijk bedoeld. Naakt is kynisme in actie. Cynisme, dat is de oude moeë slachtofferige of agressieve kritiek. Kynisme, dat is lichamelijke kritiek die het aandurft zichzelf in het spel te brengen en dus vaak een pak slagen riskeert. Deze kynische kritiek ( die ikzelf geprobeerd heb aan de Universiteit Leiden in de praktijk te brengen) is een vrijpostige filosofie, een verrassende ontbloting die onomwonden en offensief de dingen bij name noemt. 
De kritiek van de cynische rede verwacht veel van “opvrolijkende activiteiten, waarbij tevoren reeds vaststaat dat dit niet zozeer activiteit is als wel ontspanning na geleverde arbeid.” (Sloterdijk)

Juni 2009:

Omdat ik in de statistieken zie dat het interesse voor dit thema en dit blog groot is, ben ik begonnen aan een bestandje met belangrijke citaten uit Peter Sloterdijk, Kritiek van de cynische rede, klik hier.

Binnekort meer blogs over Peter Sloterdijk…

Jean Baudrillard en Walter Benjamin

8 comments

Vandaag een artikel in de Volkskrant van Paul Depondt over Jean Baudrillard, de deze week overleden “wijsgerig socioloog”. “[…] voor veel lezers was hij een barokke taalacrobaat, een onverbeterlijke grappenmaker en cynicus, een pessimist en nihilist” .

Voor mij is het denken van Baudrillard interessant, juist vanwege deze negatief bedoelde beschrijving – Baudrillard bedreef in feite ‘vrolijke wetenschap’- , maar ook omdat hij de door mij zeer geliefde Duitse auteurs Bertolt Brecht en Peter Weiss heeft vertaald, en omdat hij sterk beïnvloed was door Nietzsche en door Walter Benjamin.

Bekend is de “simulacrumtheorie” van Baudrillard. Het Latijnse woord simulacrum stond oorspronkelijk voor een beeld dat verwees naar iets in de materiële werkelijkheid. In de 19de eeuw veranderde dat in een ‘lege vorm zonder ziel’ en dat is ook de wijze waarop Baudrillard de term hanteert. Wij kennen de wereld alleen via de media. Tweedehands, als een kopie van een kopie van een kopie, waarbij het origineel verloren is gegaan, aldus de Franse filosoof. De media storten een beelden, geluid, schrift en signalen uit over het anonimeme publiek. De informatie-explosie leidt zo meer tot een implosie aan betekenis. Het publiek is anoniem, en het zwijgt volgens Baudrillard.

Baudrillards mediatheorie gaat sterk terug op Walter Benjamin en zijn essay Het kunstwerk in het tijdperk van technische reproduceerbaarheid. Volgens Benjamin en Baudrillard bevinden zich de culturele uitingen, en met name de beeldende kunsten, in een herfsttij van kwantitatieve massaliteit en van reproduceerbaarheid. Het kunstwerk als teken verliest zijn origine (“aura”) .

Kunsttheoretisch staat nu de verhouding tussen schijn en werkelijkheid in de voorgrond.
Media-illusies worden gepresenteerd als objectieve werkelijkheid. Als remedie hiertegen moet het denken volgens Baudrillard de wereld niet begrijpelijk maken, maar een beetje meer onbegrijpelijk. Het denken moet radicaal zijn en het illusoir karakter van de wereld bloot leggen.

Literatuur: Kritisch Denkers Lexikon

 

Goethe over de Vesuvius

no comment

Turner, Vesuvius

Goethe schrijft in zijn Italienische Reise over de Vesuvius:


“Neapel, Dienstag, den 20. März 1787.
Die Kunde einer soeben ausbrechenden Lava, die, für Neapel unsichtbar,
nach Ottajano hinunterfließt, reizte mich, zum dritten Male den Vesuv zu
besuchen. […] und wir gingen mutig auf einen ungeheuren Dampf los,
der unterhalb des Kegelschlundes aus dem Berge brach; sodann schritten wir
an dessen Seite her gelind hinabwärts, bis wir endlich unter klarem Himmel
aus dem wilden Dampfgewölke die Lava hervorquellen sahen.
Man habe auch tausendmal von einem Gegenstande gehört, das Eigentümliche
desselben spricht nur zu uns aus dem unmittelbaren Anschauen. Die Lava war
schmal, vielleicht nicht breiter als zehn Fuß, allein die Art, wie sie
eine sanfte, ziemlich ebene Fläche hinabfloß, war auffallend genug; denn
indem sie während des Fortfließens an den Seiten und an der Oberfläche
verkühlt, so bildet sich ein Kanal, der sich immer erhöht, weil das
geschmolzene Material auch unterhalb des Feuerstroms erstarrt, welcher die
auf der Oberfläche schwimmenden Schlacken rechts und links gleichförmig
hinunterwirft, wodurch sich denn nach und nach ein Damm erhöht, auf
welchem der Glutstrom ruhig fortfließt wie ein Mühlbach. Wir gingen neben
dem ansehnlich erhöhten Damme her, die Schlacken rollten regelmäßig an den
Seiten herunter bis zu unsern Füßen. Durch einige Lücken des Kanals
konnten wir den Glutstrom von unten sehen und, wie er weiter hinabfloß,
ihn von oben beobachten.
Durch die hellste Sonne erschien die Glut verdüstert, nur ein mäßiger
Rauch stieg in die reine Luft. Ich hatte Verlangen, mich dem Punkte zu
nähern, wo sie aus dem Berge bricht; dort sollte sie, wie mein Führer
versicherte, sogleich Gewölb und Dach über sich her bilden, auf welchem er
öfters gestanden habe. Auch dieses zu sehen und zu erfahren, stiegen wir
den Berg wieder hinauf, um jenem Punkte von hintenher beizukommen.
Glücklicherweise fanden wir die Stelle durch einen lebhaften Windzug
entblößt, freilich nicht ganz, denn ringsum qualmte der Dampf aus tausend
Ritzen, und nun standen wir wirklich auf der breiartig gewundenen,
erstarrten Decke, die sich aber so weit vorwärts erstreckte, daß wir die
Lava nicht konnten herausquellen sehen.
Wir versuchten noch ein paar Dutzend Schritte, aber der Boden ward immer
glühender; sonneverfinsternd und erstickend wirbelte ein unüberwindlicher
Qualm. Der vorausgegangene Führer kehrte bald um, ergriff mich, und wir
entwanden uns diesem Höllenbrudel.
Nachdem wir die Augen an der Aussicht, Gaumen und Brust aber am Weine
gelabt, gingen wir umher, noch andere Zufälligkeiten dieses mitten im
Paradies aufgetürmten Höllengipfels zu beobachten. Einige Schlünde, die
als vulkanische Essen keinen Rauch, aber eine glühende Luft fortwährend
gewaltsam ausstoßen, betrachtete ich wieder mit Aufmerksamkeit. Ich sah
sie durchaus mit einem tropfsteinartigen Material tapeziert, welches
zitzen- und zapfenartig die Schlünde bis oben bekleidete. Bei der
Ungleichheit der Essen fanden sich mehrere dieser herabhängenden
Dunstprodukte ziemlich zur Hand, so daß wir sie mit unsern Stäben und
einigen hakenartigen Vorrichtungen gar wohl gewinnen konnten. Bei dem
Lavahändler hatte ich schon dergleichen Exemplare unter der Rubrik der
wirklichen Laven gefunden, und ich freute mich, entdeckt zu haben, daß es
vulkanischer Ruß sei, abgesetzt aus den heißen Schwaden, die darin
enthaltenen verflüchtigten mineralischen Teile offenbarend.
Der herrlichste Sonnenuntergang, ein himmlischer Abend erquickten mich auf
meiner Rückkehr; doch konnte ich empfinden, wie sinneverwirrend ein
ungeheurer Gegensatz sich erweise. Das Schreckliche zum Schönen, das
Schöne zum Schrecklichen, beides hebt einander auf und bringt eine
gleichgültige Empfindung hervor. Gewiß wäre der Neapolitaner ein anderer  Mensch, wenn er sich nicht zwischen Gott und Satan eingeklemmt fühlte
.

“[…] beides hebt einander auf “
Merkwaardige, Hegeliaanse en ongeloofwaardige reactie van Goethe, die zich blijkbaar geen raad weet met de heftige emoties. …

Goethe kijkt en luistert ook naar de mensen die eindeloos over de vulkaan spreken ,” ihres Deutens, Erzählens, Vergleichens, Streitens, wohin die Lava strömen werde”

Het stromen van de lava wordt voor Goethe een metafoor voor het vertellen.

Lees ook: Susan Sontag over Goethe en de Vesuvius: The Volcano lover.

 

Meest recente berichten