Archive for the ‘ OBA ’ Category
Pestwortel Groot Hoefblad Allemansverdriet Petasites
.. is er weer, aan de oever van rivieren en sloten.
Waterwereld.nu:
Groot hoefblad/ Pestwortel is een forse oeverplant met mooie grote bladeren .
Om deze reden is groot hoefblad ideaal bij vijvers . Vroeg in
het voorjaar bloeit Groot hoefblad met grote roze bloemen op
lange aren.

Groot hoefblad 15-4-2013

Groot Hoefblad Allemansverdriet Petasites foto Maria Trepp
Hoefblad: In de Middeleeuwen geloofde men dat door de onaangename reuk van de etherische oliën de pest verdreven kon worden.
Het voornaamste medicinaal gebruik nu is tegen migraine, bij hoesten en tegen astma.

Groot Hoefblad Allemansverdriet Petasites foto Maria Trepp
Neerlands tuin:
De in het wild voorkomende groot hoefblad (Petasites albus) behoort tot de Compositae. Het is typisch een plant die van een grenssituatie houdt: op de scheiding van land en water voelt hij zich het beste thuis. Het is een uitstekende plant om oevers die niet zijn beschoeid, vast te houden. De kruipende, dikke wortelstokken houden de grond goed bij elkaar.

Pestwortel Groot Hoefblad Allemansverdriet Petasites
Nicolas Robert, Groot Hoefblad met Blauwe Winde, 1695

Pestwortel heeft vele vrienden!
Rondom groot hoefblad zijn veel lagere planten en dieren
te vinden. Wormen en slakken voelen zich er thuis, en
vochtminnende geleedpotigen, zoals pissebedden en
duizendpoten. Padden zoeken verkoeling onder de grote
bladeren op hete dagen.
De grote , uiterst dunne bladeren verdampen veel water.
Ze zijn ook kwetsbaar voor scheurtjes. (Waterwereld.nu)
www,passagenproject.com
Maria Sibylla Merian, insecto-theoloog
[blogherhaling] In het Rembrandthuis zag ik een paar jaar geleden de schitterende tentoonstelling over Maria Sibylla Merian, een Duits-Nederlandse vrouw tussen kunst en wetenschap.
“Maria Sibylla Merian (1647-1717) is de belangrijkste en meest invloedrijke natuurhistorische tekenaar die in de zeventiende eeuw in Nederland (en Suriname) werkzaam is geweest.
Een representatief overzicht van circa 100 meesterwerken, afkomstig uit tientallen prentenkabinetten en hier voor de eerste maal bijeengebracht, geeft de bezoeker inzicht in Merians wetenschappelijke onderzoek, observatie en minutieuze registratie van bloemen, insecten en reptielen.

-butterflies-insecten-metamorphose.jpg
Merian wordt tegenwoordig algemeen beschouwd als de eerste vrouwelijke entomoloog (insectenkenner), omdat zij haar onderzoek buitengewoon zorgvuldig registreerde en documenteerde. Even bijzonder als haar wetenschappelijke werk is haar avontuurlijke levensloop. Zo reisde zij op 53-jarige leeftijd naar Suriname om de insecten in het regenwoud te bestuderen. Ook als zelfstandig ondernemer onderscheidde zij zich van haar tijdgenoten door met haar dochters een succesvolle uitgeverij en drukkerij van boeken en prenten op te zetten.”
Voor Merian, net zoals voor haar beroemde voorganger Jan Swammerdam, was het onderzoeken en beschrijven van insecten een manier van godsdienst, zie ook uitvoerig mijn blog over “Insecto-theologie“.

Duroia eriopila_

Guavetak met spin

Duroia


Caiman_crocodil


Ananas

tulp



Granaatappelboom

voorjaarsbloemen tulpen

rood-geel gevlamde lelie

Iris Susiana (1700)

witte narcissen
www.passagenproject.com
www.passagenproject.com

Gustav Meyrink is een in Nederland niet erg bekende schrijver.
Voor mensen die van fantastische verhalen houden, van Schwarze Romantik, van E.T.A. Hoffmann en van Edgar Allen Poe, is Meyrink (1868-1932) een grote aanrader.
Read more..

Uit de Volkskrant van 19 september 2012:
“‘Bram Moszkowicz is niet geschikt voor zijn functie‘”
“De deken van de Orde van Advocaten ging er hard in. Moszkowicz heeft volgens hem lak aan zijn cliënten en de beroepsregels. Hij eiste tegen de raadsman de zelden voorkomende straf van een jaar schorsing”.
Uit de NRC van 19 september 2012:
“Moszkowicz laat zijn meeste cliënten bij het intakegesprek tienduizenden euro’s betalen, meestal contant. …Vervolgens moeten cliënten lang aandringen om een verantwoording voor de werkzaamheden te krijgen….Moszkowicz belooft zich helemaal in te zetten voor de cliënt, maar stuurt vaak een medewerker naar de rechtbank. Voor ontevreden cliënten is hij ook telefonisch onbereikbaar….Vertragen, uitstel vragen en vervolgens de afspraken niet nakomen, dat is volgens Kemper de terugkerende handelswijze van Moszkowicz.”
Deze passage doet sterk denken aan de manier waarop Kafka’s advocaat Huld zijn cliënten afhankelijk en hulpeloos maakt. Een van Hulds cliënten kruipt dan ook als en hond door Hulds kantoor.
De hoofdfiguur Josef K. in Kafka’s Proces wordt pas echt goed meegesleurd in het voor hem uiteindelijk dodelijke proces, toen zijn oom hem overtuigt dat K. niet zonder advocaat kan.
Een belangrijk thema bij Kafka is de manier waarop advocaat Huld zijn cliënten vernedert (lees vooral hoofdstuk 7) . Als Het Proces niet een tragisch verhaal was zou men hierover kunnen lachen. Kafka zelf lachte in ieder geval om zijn roman.
De oom neemt K. mee naar advocaat Huld [!] “een belangrijke naam”. Huld woont in een buitenwijk, in een donker huis, en hij ligt ziek in bed.
In de relatie tussen K., zijn oom en de advocaat lopen privé en zakelijk op een chaotische manier door elkaar heen. Belangenverstrengeling, levensverstrengeling, noodlotverstrengeling. (Gezien de verstrengeling is het eigenlijk merkwaardig dat K. uiteindelijk de keel wordt doorgesneden, en dat hij niet wordt opgehangen. Maar het doorsnijden van de keel is natuurlijk ook een referentie aan noodlot en aan de antieke tragedie:
aan het offeren van een offerdier).
De eerste opmerking die de advocaat tegenover K. maakt:
“Neemt u het me niet kwalijk, ik heb u helemaal niet opgemerkt.”
De advocaat maakt de zaak van K. meteen tot een zaak van leven en dood voor zichzelf:
[Hij richt zich tot K.s oom]
“Wat de zaak van je neef betreft zou ik me inderdaad gelukkig prijzen als mijn kracht toereikend zou zijn, in elk geval zal ik niets onbeproefd laten; als ik niet toereikend ben, kan men immers nog iemand anders bijhalen. Eerlijk gezegd stel ik teveel belang in de zaak om afstand te kunnen doen van elke mogelijkheid mij erin te mengen. Als mijn hart het niet uithoudt, vindt het hier tenminste een waardige gelegenheid om te bezwijken.”
De advocaat weet ook al van tevoren een heleboel over K. [vgl Moszkowicz/ Endstra/Holleeder] en op K.s vraag hierover zegt hij:
“..ik ben immers advocaat, ik verkeer in rechtbankkringen, er wordt over allerlei processen gesproken […] u moet toch bedenken dat ik uit zo’n omgang ook grote voordelen voor mijn cliënten weet te halen.”
Leuk toepasselijk citaat uit hoofdstuk 7 Het Proces:
[de advocaat legt uit]: “Nu zou K. wel uit wat hij zelf had beleefd al hebben opgemaakt dat de allerlaagste organisatie van de rechtbank niet helemaal volmaakt is, dat zij plichtvergeten en omkoopbare medewerkers telt, waardoor de strakke omheining van de rechtbank in bepaalde opzichten hiaten vertoont. Op dit punt nu dringen de meeste advocaten binnen, daar wordt omgekocht en uitgehoord, ja, er deden zich, althans in vroeger tijd, wel eens gevallen van documentendiefstal voor. Het valt niet te ontkennen dat er tijdelijk op die manier enige zelfs verrassend gunstige resultaten voor de verdachte kunnen worden bereikt, daarmee pronken die zaakwaarnemers dan ook en lokken nieuwe clientèle aan…”
Het proces dat K. aangedaan wordt is in het begin absurd en ook vrij onschuldig. Het gebeurt K. niets, behalve dat twee bewakers zijn ontbijt wegvreten. Het proces tegen hem blijft eigenlijk zonder gevolgen, en het wordt ook meerdere keren gesteld, dat zo’n proces helemaal niet erg is.
K.s ondergang is sterk door hemzelf geënsceneerd. Omdat hij per se wil bewijzen dat hij onschuldig is (wat gezien het diffuse en existentiële karakter van het proces tegen hem onmogelijk is- hoe kan hij bewijzen dat hij onschuldig is, als hij niet weet wat hem verweten wordt ?) laat hij zich van zijn oom en de advocaat me trekken in een uitzichtloze (maar eigenlijk ook volledig onnodige) verdediging.
Dit is gedeeltelijk een blog uit 2007, die ik nu herplaats.

Iris gele lis

Iris foto Maria Trepp
trof ik ook bij mijn uitstapje na Florence (de stad van de Iris!] een buitengewoon mooie iris aan in de tuin van mijn oom.
Geel-rode iris

Iris foto Maria Trepp
gele iris in de avond

Iris foto Maria Trepp

Iris foto Maria Trepp
De blauwe iris, die erg goed past bij het sprookje van Herman Hesse, “Iris” dat zo begint:
Blauwe iris
`In het ontluikend voorjaar van zijn kindsheid wandelde Johannes door de groene tuin. Onder de bloemen van zijn moeder was er een, die hem bijzonder lief was: zwaardlelie heette zij. Hij vlijde zijn wang tegen haar langwerpige, lichtgroene bladeren, legde zijn vingers tastend tegen haar scherpe punten, snoof diep de geur op van het grote, wonderlijke bloeisel en keek lang achtereen naar binnen. Daar rezen lange reeksen gele vingers omhoog uit de bleekblauwe bloembodem, en daartussendoor leidde een doorschijnend pad naar de diepere regionen van de kelk en het verre, blauwe geheim van het bloeisel. Die was hij ten zeerste toegedaan, langdurig keek hij naar binnen en zag de gele, delicate delen nu eens als een gouden omheining langs de paleistuin en dan weer als een dubbele reeks van fraaie droombomen met daartussenin de geheimzinnige weg naar het inwendige, transparant en doorregen met levende aders, breekbaar als glas. De welving beschreef een boog, en verder naar achteren ging het pad tussen de gouden bomen tot op oneindige diepte verloren tussen onvoorstelbare afgronden, terwijl daaroverheen de violette gewelven een majesteitelijke kromme volgden en toverachtig ijle schaduwen wierpen op het stille, popelende wonder. Johannes wist dat dit de mond was van de bloem, dat voorbij de gele pronkgewassen in de blauwe krocht haar hart en gedachten waren endergebracht, en dat haar adem en haar dromen via deze riante, doorschijnende, glazig geaderde weg in en uit gingen. En naast de grote bloemtuil stonden kleinere, die nog niet open gegaan waren, op stevige, sappige stelen in een kelkje van bruinachtig groene wikkels; daaruit drong de jonge bloesem stil doch vastbesloten naar voren, stevig ingepakt in lichtgroen en lila tot bovenaan toe, waar het jonge, diepe violet in exacte, zorgzame rolletjes zijn tere punten aan het licht bracht. En ook op deze stevig in elkaar gedraaide, jonge bloemblaadjes tekende zich reeds een netwerk van adertjes en honderdvoudige patronen af. `
……………………………………………………………………………………………………………………………………..
Vincent van Gogh heeft de blauwe irissen meerdere malen geschilderd:

Vincent van Gogh, Irissen,1889

Vincent van Gogh, Irissen,1890
De wikmedia-user Jebulon heeft een paar zeer mooie foto’s op wikimedia geplaatst:

Iris_Sig._Na._Chiara_I wikimedia commons Jebulon

Iris_Marcel_Turbat l wikimedia commons Jebulon

Iris_iron_strip wikimedia commons Jebulon

Iris_barbata_elatior wikimedia commons Jebulon

Iris Gay parasol wikimedia commons Jebulon

Iris_japonica wikimedia commons Bouba
user Bouba

Iris variegata wikimedia common user Kor!an
user Kor!an
Hier een moooie Jugendstil-vaas met iris:

en een Tiffany-theescherm met Iris:

Christiaan Huygens’ laatste tekst Cosmotheoros (1698) is een populair-wetenschappelijke tekst die het copernicaanse wereldbeeld verdedigt en illustreert; een tekst uit de vroege Verlichting, die samen met andere geschriften als die van Fontenelle (Entretiens sur la pluralité des mondes Gesprekken over de vele werelden,1686) aan het begin stond van de sterke popularisering van de wetenschap.
De verdediging van het copernicaanse systeem was aan het einde van de 17e eeuw zeker nog nodig.
Hoewel Galilei al overtuigd was dat zijn astronomische waarnemingen het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus ondersteunden was er in de 17e eeuw nog geen dwingend bewijs voor de Copernicaanse visie op de wereld: alle waarnemingen, zoals als de manen rond Jupiter en Saturnus of de Venus-fasen waren ook met het geocentrische model van Tycho Brahe compatibel, waarin de zon en de maan om de aarde draaien, en de andere planeten rond de zon.
Het was pas James Bradley die in 1729 de beweging van de aarde ten opzichte van de sterren kon aantonen, en daarmee het geocentrische model definitief kon weerleggen.
De katholieke Kerk hing in de tijd van Huygens nog het model van Tycho Brahe aan.

Model van Tycho Brahe waarin de zon en de maan om de aarde draaien, en de andere planeten rond de zon
Het model van Copernicus was verboden sinds 1616; dit verbod werd pas in 1822 opgeheven.
Huygens zelf ontmoette met zijn Systema Saturnium (1659) weerstand bij de inquisitie.
Toen Huygens in 1659 zijn waarnemingen aan Saturnus, de nieuwe maan Titan en het ring-systeem, in Systema Saturnium publiceerde, raakte hij in de problemen met de katholieke kerk, en werden zijn bevindingen beoordeeld als ketters, omdat deze het stelsel van Copernicus ondersteunden.
De jezuïet Honoré Fabri en de instrumentmaker Eustachio Divini publiceerden een weerlegging van de waarnemingen en theorieën van Huygens, waarop deze met een verdedigingsschrift kwam.
Uiteindelijk kwam een evaluatiecommissie onder leiding van Giovanni Alfonso Borelli tot de conclusie dat Huygens gelijk had.
Namens de commissie werd een schaalmodel van Saturnus en zijn ring gebouwd, en dit werd dan vanuit de verte met een telescoop bekeken, waarbij men precies de waargenomen verschijningen van Saturnus vond.

Saturnus ringen model Christiaan Huygens Borelli
Deze tekst staat ook op mijn Duitse Huygens-blog
Read more..
Rutte: Mann ohne Eigenschaften?
Zowel Rutte alsook Cohen worden dezer dagen weggezet als „Mann ohne Eigenschaften“ (en letterlijk in het Duits!)
Terecht?
Ronald Plasterk zei over Rutte in de Volkskrant van 24 februari:
“’[...] Hij is een great communicator, maar tegelijkertijd is hij de Mann ohne Eigenschaften. Hij komt niet verder dan het rechtse neoliberale verhaal. Dat verhaal is failliet.”
en ook Maurits Westerberg noemt Rutte “Mann ohne Eigenschaften”

Mark Rutte Mann ohne Eigenschaften ?
Fotograaf Nick van Ormondt
En over Cohen stond in Trouw een paar dagen eerder (21-2):
“ ‘Mann ohne Eigenschaften’ wordt hij wel genoemd: Job Cohen, tot gisteren de politiek leider van de PvdA. Meer een bestuurder dan een politicus, een twijfelaar zonder uitgesproken opvattingen, voorzichtig kijkend vanuit welke hoek de wind waait.”
Ik vind het leuk om in dit verband naar de originele “Mann ohne Eigenschaften” te kijken, degene van Robert Musil: wie lijkt meer op Musils literaire Mann ohne Eigenschaften, Rutte of Cohen?
Op Wikipedia is wat achtergrondinformatie te vinden over de beroemde roman “Mann ohne Eigenschaften” van Robert Musil, een belangrijk, actueel, filosofisch en ironisch boek. In het Duits hier geheel op internet te downloaden.
Wie is nou de man zonder eigenschappen bij Musil? Ik concentreer mij hier nu alleen op de eerste hoofdstukken van deze extreem complexe en bovendien onaffe roman.
De Mann zonder Eigenschappen (Ulrich) wordt bij Musil voor het eerst beschreven in het hoofdstuk Huis en woonvertrekken van de man zonder eigenschappen. Het huis is een “kortvleugelig kasteeltje, een jacht- of liefdespaleisje uit voorbije tijden”. De Mann zonder eigenschappen wordt geintroduceerd als iemand die van achter de gordijnen in zijn kasteeltje naar de wereld kijkt met de zakelijk blik van een fysicus. “…[hij] telde met zijn horloge al tien minuten lang de auto’s, de karren, de trams en de door de afstand uitgevloeide gezichten van de voetgangers, die het net van de blik met een wemelende haast vulden; hij schatte de snelheden, de hoeken, de vitale krachten van de voorbijbewegende massa’s…”
Vanuit de realistische schattingen gaat hij over naar speelse gedachten:
“Als je de sprongen van de aandacht zou kunnen meten, de verrichtingen van de oogspieren, de pendelbewegingen van de ziel en al die inspanningen die een mens zich moet getroosten om in de rivier van een straat overeind te blijven, zou er vermoedelijk – aldus had hij gedacht en spelenderwijs het onmogelijke proberen te berekenen – een grootheid uitkomen waarbij vergeleken de kracht die Atlas nodig heeft om de wereld te torsen gering is, en je zou kunnen meten welk een enorme prestatie tegenwoordig al wordt geleverd door iemand die helemaal niets doet.
Want de man zonder eigenschappen was op dat moment zo iemand.” (p 15)
Dit is de eerste belangrijke passage die de man zonder eigenschappen beschrijft.
Boven het volgende hoofstuk staat: “Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan” en wordt er een eerste schets gegeven van de belangrijke utopische kant van de Mann ohne Eigenschaften.
“Aldus zou de mogelijkheidszin welhaast te definiëren zijn als het vermogen om alles te denken wat evengoed zou kunnen zijn, en om aan wat is geen grotere betekenis te hechten dan aan wat niet is.”
In hetzelfde hoofdstuk lezen we de volgende passage die de “Mann ohne Eigenschaften” verder karakteriseert:
“Een buitengewone onverschilligheid jegens het naar het aas happende leven staat bij hem tegenover het gevaar dat hij volstrekt zonderlinge dingen doet. Een onpraktisch man – en dat lijkt hij niet alleen maar dat is hij ook – blijft onbetrouwbaar en onberekenbaar in de omgang met mensen. Hij zal handelingen verrichten die voor hem iets anders betekenen dan voor anderen, maar hij stelt zichzelf steeds gerust over alles zolang het maar in een buitengewoon idee valt samen te vatten. En bovendien staat hij tegenwoordig nog heel ver af van een consequente houding. Het zou bijvoorbeeld heel goed kunnen dat een misdaad waarvan iemand anders de dupe is, hem alleen maar als een maatschappelijk feilen voorkomt, waar niet de misdadiger de schuld van draagt maar de inrichting van de samenleving. Daarentegen is het nog maar de vraag of hij een oorvijg die hij zelf ontvangt zal opvatten als een belediging van de kant van de maatschappij of als iets dat tenminste even onpersoonlijk is als de beet van een hond; waarschijnlijk zal hij in dat geval eerst de oorvijg vergelden en vervolgens vinden dat hij dat niet had moeten doen. En vooral als men een geliefde van hem afpakt zal hij de werkelijkheid van dit incident voorlopig nog niet helemaal kunnen negeren en zich met een verrassend, nieuw gevoel schadeloos kunnen stellen. Deze ontwikkeling is momenteel nog aan de gang en betekent voor een mens zowel een zwakte als een kracht.” ( p22)
Rutte of Cohen??
Nee Ronald Plasterk, Rutte is juist de doortastende man MET eigenschappen!
Al zal hij niet de harten van de speelse, aarzelende, reflecterende en artistieke mensen kunnen stelen.
Robert Musil, De man zonder eigenschappen, vertaling Ingeborg Lesener, Meulenhoff 1988
Leuk: ik heb een mailtje aan Ronald Plasterk gestuurd met link naar mijn blog, en hij reageerde eerlijk en positief: hij had het boek van Musil niet gelezen, en associeert iets anders met “Mann ohne Eigenschaften”.
Ja dat mag natuurlijk, maar ik als germaniste vind het leuk om naar de bronnen te gaan.
Maria Trepp
www.passagenproject.com
Update 31-3-2013 Rutte, ‘der Mann ohne Eigenschaften’
Straks opent in het Van Gogh museum in Amsterdam de tentoonstelling Dreams of nature. Symbolisme van Van Gogh tot Kandinsky
Het symbolisme is de laatste jaren weer meer in de belangstelling gekomen. Het is een kunststroming die aan het eind van de 19e eeuw ontstond als reactie op het impressionisme. Kunstenaars wilden dromen en visioenen oproepen in plaats van de zichtbare werkelijkheid, als reactie op de groeiende industrialisering en het materialisme in Europa. Hun werken weerspiegelden veelal een verlangen naar schoonheid, esthetisch raffinement, verhevenheid, spiritualiteit, mythologie en abstractie.
Het symbolisme verenigde een klein clubje van kunstenaars die droomden en theoretiseerden over de eenheid van de kunsten.
Ook een aantal werken van Van Gogh kan men symbolistisch noemen, met name de werken die in contact met de symbolist en dromer Gauguin tot stand kwamen (zie bijvoorbeeld de zelfportretten van Van Gogh en Gauguin en de paasschilderijen van beiden). Maar ook het feit dat Van Gogh sterk vanuit ideeën werkte, en lang bezig was met een bepaald thema voordat hij er een schilderij van maakte, brengt hem in de buurt van andere symbolisten. Zijn schilderijen hebben diepere betekenissen, verborgen symboliek en verwijzen naar literatuur en muziek.
Hier een paar voorbeelden van symbolistische thema’s van schilderijen van Vincent van Gogh:
Natuur en suggestie: meer dan een getrouwe weergave van de werkelijkheid zijn de landschappen van de symbolisten een reflectie van de gevoelens die de natuur opriep bij de kunstenaar. Hier “Knotwilgen bij zonsondergang”: let op de zonnestralen.

Vincent van Gogh symbolisme Knotwilgen bij zonsondergang
Dromen en visioenen: Sommige symbolisten schilderden dromen en visioenen, de wereld achter de waarneembare werkelijkheid. Hier Van Goghs “Herinnering aan de tuin in Etten” Arles,1888.

Vincent van Gogh, symbolisme, Herinnering aan de tuin in Etten” Arles,1888
De stad als een mysterieus droomachtig landschap: Caféterras bij nacht

Vincent van Gogh Symbolisme Caféterras bij nacht
De kosmos: in zijn landschappen verbeeldde Van Gogh ideeën over natuurkrachten, kosmische energie en de nietigheid van de mens tegenover de natuur.

Vincent van Gogh, symbolisme, kosmos, Sterrennacht, 1889
Vincent van Gogh, Sterrennacht, 1889
klik hier voor een fantastische interactieve video Starry Night

Vincent van_Gogh, symbolisme, Sterrennacht over de Rhone, 1889
Vincent van Gogh, Sterrennacht over de Rhone
De Nederlandse oorlogsnieuwswebsite nieuws-wo2.tk heeft gisteren grote stukken uit Mein Kampf gepubliceerd. Als ‘flankerende steunoperatie’ aan de Britse uitgever Peter McGee, die in de clinch ligt met de Duitse overheid. Het Beiers ministerie van Financiën gaat vervolging instellen.
Volgens HP/De Tijd is Mein Kampf “het zwarte gat van de uitgeefwereld. Niet alleen is het duivels antisemitisch, maar ook niet leesbaar en is in sommige landen ook nog verboden”.
Ik wil hier iets bijdragen over inhoud, vorm en achtergrond van Hitlers “Mein Kampf”.
Het verbod op “Mein Kampf” is in hoge mate symbolisch, aangezien het boek overal te verkrijgen is, en ook op internet in .pdf -vorm wordt aangeboden. Dat het verbod symbolisch is, maakt het verbod in mijn ogen niet automatisch verkeerd.
Wat historisch belangrijk is, dat is het feit dat Hitler zijn politieke en maatschappelijke ideeën nauwkeurig heeft beschreven in “Mein Kampf”, maar in de dagelijkse politiek jarenlang veel minder radicaal is geweest, zodat bij veel mensen in het binnen- en buitenland de indruk ontstond, dat het allemaal wel mee zou vallen.
Uiteindelijk hebben de nazi’s alles in de praktijk gebracht wat in “Mein Kampf” stond.
“Mein Kampf”wordt ideologisch gedomineerd door rasbiologie, antisemitisme, sociaal-darwinisme en cultuurpessimisme.
* Hitler voert alle complexe maatschappelijke en politieke gebeurtenissen terug op universele, eendimensionale racistische natuurwetten.
,,[Die Menschen gehen] mit wenigen Ausnahmen wie blind an einem der hervorstechendsten Grundsätze [der Natur] vorbei: der inneren Abgeschlossenheit der Arten sämtlicher Lebewesen dieser Erde. Schon die oberflächliche Betrachtung zeigt als nahezu ehernes Grundgesetz all der unzähligen Ausdruckformen des Lebenswillens der Natur ihre in sich begrenzte Form der Fortpflanzung und Vermehrung. Jedes Tier paart sich nur mit einem Genossen der gleichen Art. Meise geht zu Meise, Fink zu Fink, … der Wolf zur Wölfin usw.” (1936, 311).
“Jede Kreuzung zweier nicht ganz gleich hoher Wesen gibt als Produkt ein Mittelding zwischen der Höhe der beiden Eltern. Das heißt also: das Junge wird wohl höher stehen als die rassisch niedrigere Hälfte des Elternpaares, allein nicht so hoch wie die höhere. Folglich wird es im Kampf gegen diese höhere später unterliegen. Solche Paarung widerspricht aber dem Willen der Natur zur Höherzüchtung des Lebens überhaupt. Die Voraussetzung hierzu liegt nicht im Verbinden von Höher- und Minderwertigem, sondern im restlosen Sieg des ersteren” (1936, 312).
* Volgens Hitler wordt een sterkere ras verzwakt door het mengen met een zwakkere.
“Daher entsteht auch der Kampf untereinander weniger infolge innerer Abneigung … als vielmehr aus Hunger und Liebe. In beiden Fällen sieht die Natur ruhig, ja befriedigt zu. Der Kampf um das tägliche Brot läßt das Schwache und Kränkliche … unterliegen .. , Immer aber ist der Kampf ein Mittel zur Förderung der Art und mithin eine Ursache zur Höherentwicklung derselben” (1936, 312f.).
* Hitler probeert de onmogelijkheid van de democratie af te leiden uit het principe van de overwinning van de sterke.
,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schweren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).
* „Natuur” is voor Hitler religie, niet zakelijke natuurwetenschap.
,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schweren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).
“Das Ergebnis jeder Rassenkreuzung ist also … immer folgendes: a) Niedersenkung des Niveaus der höheren Rasse, b) körperlicher und geistiger Rückgang und damit der Beginn eines, wenn auch langsam, so doch sicher fortschreitenden Siechtums. Eine solche Entwicklung herbeiführen heißt … nichts anderes. als Sünde treiben wider den Willen des ewigen Schöpfers. Als Sünde aber wird diese Tat auch gelohnt. Indem der Mensch versucht, sich gegen die eiserne Logik der Natur aufzubäumen, gerät er in Kampf mit den Grundsätzen, denen auch er selber sein Dasein als Mensch allein verdankt. So muß sein Handeln gegen die Natur zu seinem eigenen Untergang führen” (1936, 314).
* De rassenwetten zijn in feite bij Hitler de natuurlijke god, wie tegen deze god ingaat, wordt bestraft.
Het biologistische racisme maakt de taken van de staat simpel en overzichtelijk. De staat moet alleen toezien dat het gedrag van de burgers past bij de vermeende natuurwetten.
“Syphilitikern, Tuberkulosen, erblich Belasteten, Krüppeln und Kretins” ist die “Zeugungsfähigkeit zu entziehen” (1936,445).
Wel heeft de staat een belangrijke taak bij de opvoeding van de jeugd tot krijgers, dus een opvoeding niet alleen maar, maar vooral in lichamelijke ontwikkeling.
Hitler werkt met de Platoonse tegenoverstelling Geest versus Lichaam, maar keert deze om: het lichaam domineert de geest. Vandaar ook Hitlers boosaardig anti-intellectualisme.
Het nationaal-socialisme heeft, zoals al vaak is aangetoond, ook socialistische trekken. Deze zijn het gevolg van dat Hitler een rassenkamp onder gelijken wilde, hij wilde dat de voorwaarden voor iedereen gelijk zouden zijn, en dat zodoende dan de “rassen- besten” herkend konden worden.
* Zeer uitvoerig in Mein Kampf is de apocalyptische kritiek aan maatschappelijk verval, waaronder voor hem zo goed als alle verschijnselen van de Moderne vallen.
” … [Mit] Schrecken sehen wir die krankhaften Auswüchse irrsinniger und verkommener Menschen, die wir unter dem Sammelbegriff des Kubismus und Dadaismus seit der Jahrhundertwende kennenlernten … ” (1936, 283).
* Het ziektemetafoor is bij Hitler van doorslaggevende betekenis: de samenleving is doodziek, vanwege algemene maatschappelijke ontwikkelingen zoals Moderne, vrouwenemancipatie, maar ook vanwege vele individueel zwakke, intellectuele en zieke mensen.
* En in de jood manifesteert zich voor Hitler alles ziekmakende: ras, intellectualiteit, geld, moderniteit .
* De hele geschiedenis is voor Hitler een gevecht van Goed tegen Kwaad, en hij zet het goede gelijk met de Ariër, en het Kwaad gelijk met de Jood.
Hitler is dualistisch religieus- manicheïstisch is in zijn denken en woordkeus:
„Er [der Arier] ist der Prometheus der Menschheit, aus dessen lichter Stirn der göttliche Funke des Genies zu allen Zeiten hervorsprang, immer von neuem jenes Feuer entzündend, das als Erkenntnis die Nacht der schweigenden Geheimnisse aufhellte und den Menschen so zum Beherrscher der anderen Wesen dieser Erde emporsteigen ließ” (1936, 317).
Literatuur: Friedrich Pohlmann, Politische Herrschaftssysteme der Neuzeit
Claudia Koonz, The nazi conscience (2003)
Vandaag besloot het Duitse kabinet dat er een register komt over neonazi’s.
Zie ook hier Over neonazi’s in Duitsland en de recentelijke kritiek op de Verfassungsschutz
en over het misplaatste woord Döner-Morde voor de moorden op negen allochtone middenstanders door drie Duitse neonazi’s
In het Duits (Spiegel) : Bundesweite Datensammlung für Rechtsextreme
Update 10 maart 2012 : Britse uitgever mag niet delen Mein Kampf uitbrengen in Duitsland
Update 12 juni: dit oordeel wordt ook in hoger beroep bevestigd
Meer Updates
De Pariser kunstenar Linda Ellia heeft 534 pagina’s uit “Mijn Kampf”artistiek bewerkt – onder meer als wc-papier. Haar werk wordt in Neurenberg getoond.
Rudolf van den Berg vertelde in P&W over zijn nieuwste film Süskind, het waargebeurde verhaal van verzetsman Walter Süskind, de Nederlandse Oskar Schindler, die honderden joodse volwassenen, kinderen en baby’s redde uit de Hollandse Schouwburg.
De in Duitsland geboren jood Walter Süskind (1906-1945) werkte in Amsterdam voor de Joodse Raad. Door die raad was hij aangesteld als beheerder van de Hollandsche Schouwburg. In deze functie was hij in staat met de persoonsgegevens van vooral kinderen te manipuleren.

Tot 1940 was de Hollandsche Schouwbrug een populair theater in de Plantagebuurt in Amsterdam. In 1941 veranderde de Duitse bezetter de naam van het theater in ‘Joodsche Schouwburg’. Vanaf dat moment mochten alleen joodse musici en artiesten optreden voor uitsluitend joods publiek. In de loop van de jaren kreeg de Schouwburg een andere functie toegewezen door de Duitse bezetter. Vanaf augustus 1942 moesten joden uit Amsterdam en omstreken zich melden voor deportatie, of werden hier onder dwang naar toe gebracht. Vele duizenden mannen, vrouwen en kinderen wachtten vervolgens in de Hollandsche Schouwburg op hun deportatie naar doorgangskamp Westerbork. Van daaruit werden zij op transport gezet naar concentratie- en vernietigingskampen.
Zijn goede relatie met de Duitse autoriteiten (Süskind kende Ferdinand aus der Fünten goed, de SS Hauptsturmführer die in Amsterdam de leiding had over de deportatie van joden) kwam hem in zijn verzetswerk van pas. Süskind, een handige en charmante man, was bijzonder vindingrijk en listig, vervalste lijsten, bedachte honderden trucs.
Samen met de directrice van de crèche op de Plantage Middenlaan, Henriette Rodriques Pimentel, en de Amsterdamse econoom Felix Halverstad zette Süskind een systeem op om joodse kinderen uit de Schouwburg via de crèche te laten ontsnappen. Onder zijn leiding werden honderden volwassenen, kinderen en baby’s gered uit de schouwburg.
Opmerkelijk is dat het verzetswerk dat Süskind en de zijnen verrichtten gebeurde zonder dat de leiding van de Joodse Raad daar iets vanaf wist. De leiding van de Joodse Raad zou dit namelijk hebben verboden.
Regisseur Rudolf van den Berg heeft naar eigen zeggen met zijn film geen heldenmonument voor Süskind willen opzetten, maar eerder uitdrukking willen geven aan zijn verbijstering.
“Voor massamoord heb je geen bloeddorstige beulen nodig” zei hij.
De meeste joden werden weggehaald door Nederlanders.
Verbijsterend is nog steeds de manier waarop de Joodsche Raad heeft gecoöpereerd met de bezetter.
De Joodsche Raad was een op initiatief van de Duitse bezetter in februari 1941 in het leven geroepen Joodse organisatie die de Joodse gemeenschap in Nederland moest besturen. Via deze raad gaf de bezetter bevelen aan de Joodse gemeenschap en haar leiders. De Raad werd zo het doorgeefluik van de anti-Joodse maatregelen.
Zonder de ondersteuning van de Joodsche Raad hadden de nazi’s niet zo veel Nederlandse joden kunnen deporteren, omdat men niet wist wie wel en wie niet een jood was.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft de Joodsche Eereraad uitgesproken: ‘dat de voorzitters van de Joodsche Raad gefaald hebben in een wereld, die zelf in gebreke is gebleven‘, en heeft met name de medewerking bij selectie en deportatie met klem veroordeeld.
De rol van Süskind daarentegen werd door de Joodse Ereraad geprezen:
“De Ereraad wil met erkentelijkheid vermelden het illegale werk door sommige geëmployeerden van de Joodsche Raad verricht, met name op het gebied van het laten ontsnappen van volwassenen en kinderen uit schouwburg en crèche. Zonder anderen te kort te doen brengt de Ereraad hierbij een eresaluut aan Walter Süskind. Tot dit illeagale werk hebben, zover na te gaan, de voorzitters zelf het initiatief niet genomen. Evenmin is gebleken, dat zij dit werk krachtig bevorderd hebben, zoals eigenlijk hun plicht was. Integendeel, dit zou in strijd zijn geweest met hun overige houding. “(Hans Knoop, De Joodsche Raad, p 208)
Een nieuwe studie (besproken in de NRC van 14 januari 2012) probeert antwoord te geven op de vraag waarom niet alleen het aantal maar ook het percentage Joodse slachtoffers in Nederland het hoogst was van West-Europa:
“In hun comparatieve studie beschrijven de auteurs minutieus de overeenkomsten en verschillen tussen de drie bestudeerde landen. Nauwgezet analyseren Griffioen en Zeller onder meer de positie van het autochtone bestuur, de handelingsvrijheid van de Duitse organisaties die zich met de Jodenvervolging bezighielden, de methoden die zij toepasten en de mate van integratie, assimilatie en organisatiegraad van de Joodse bevolkingsgroepen.
De voornaamste oorzaak van het bijzonder hoge aantal en percentages Joodse slachtoffers in ons land, constateren Griffioen en Zeller, was de vrijwel ongelimiteerde macht waarover het Duitse politieapparaat hier beschikte voor het organiseren van deportaties. Zowel het bezettingsbestuur (Reichskommissariat) als de hoogste Nederlandse bestuurders waren buitenspel gezet. Het laatste geschiedde overigens zonder al te veel tegenstribbelen.
De Nederlandse situatie verschilde daardoor radicaal van die in Frankrijk en België. De hoogste Franse autoriteiten, die hun gezag over de politie behielden, waren vanaf het najaar van 1942 nauwelijks bereid mee te werken aan deportaties. […]
Ten slotte werd het aantal en het percentage Joodse slachtoffers in Nederland gedeeltelijk bepaald door de inschakeling van de Joodse Raad bij de deportaties (oproepen voor ‘tewerkstelling in het Oosten’) en de aanvankelijke reacties van de Joodse bevolking op de Duitse methoden van misleiding en intimidatie. Terwijl in Frankrijk en België een aanzienlijk deel van de aanwezige Joden door hun Duitse of Oost-Europese achtergrond zich weinig illusies maakte over het nazi-antisemitisme, was dat bij de sterk geïntegreerde Joodse bevolking hier veel minder het geval. Velen waren daardoor langere tijd geneigd vast te houden aan legale ontsnappingsmogelijkheden: vrijstellingen (waarvoor aanvankelijk bijna een derde deel van de Nederlandse joden in aanmerking kwam) en Arbeitseinsatz in het ‘permanente’ werkkamp Vught. Deze legale ‘ontsnappingsmogelijkheden’ weerhielden veel Joden van onderduiken maar bleken uiteindelijk een verraderlijk onderdeel te vormen van het deportatiesysteem. De vrijgestelden en bewoners van kamp Vught werden alsnog op transport gezet.”
P. Griffioen en R. Zeller: Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België – Overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Boom; 1045 pagina ‘s; € 49,50.
————————————————————————————-
Het verhaal van Süskind werd al eerder eens verfilmd als “Secret Courage — The Walter Suskind Story”
Biografie: Mark Schellekens. Walter Süskind. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 240. € 17,95
Film: Süskind. Regie Rudolf van den Berg. Vanaf 19 januari in de bioscoop.
Roman op basis van film: Alex van Galen, Süskind, Arbeiderspers. 256 pag. € 17,50
Documentaire: De duivelse dilemma’s van Walter Süskind. Zondagavond 15 januari, KRO, 23.30 uur, Nederland 2.
Tentoonstelling: Jodenvervolging 1940-1945. Op de eerste verdieping in de Hollandsche Schouwburg is de permanente tentoonstelling Jodenvervolging 1940-1945 ingericht. In de Hollandsche Schouwburg wordt nu ook uniek materiaal tentoon gesteld rondom Walter Süskind, zoals familiefoto’s en onlangs verworven objecten.
Maria Trepp www.passagenproject.com
Deze tekst staat in vertaling ook op mijn Duitse weblog en op mijn Engelse weblog
Als aanvulling op mijn apocalyptisch slangenblog van gisteren: niet alleen de Azteken maar ook Christenen kennen een fantastische apocalyptische slang.
De theoloog Joost S. reageerde gisteren op mijn blog:
“[…] durf ik in dit verband ook te wijzen naar Johannes’ ‘Vrouw met haar pasgeboren kind’ door de draak, eertijds ‘Slang’, achtervolgd. Toen spuwde de Slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren. Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de Slang had uitgespuwd.”
|
De vrouw, de draak en de twee beesten
1 Er verscheen in de hemel een indrukwekkend teken: een vrouw, bekleed met de zon, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd. 2 Ze was zwanger en schreeuwde het uit in haar weeën en haar barensnood. 3 Er verscheen een tweede teken in de hemel: een grote, vuurrode draak, met zeven koppen en tien horens, en op elke kop een kroon. 4 Met zijn staart sleepte hij een derde van de sterren aan de hemel mee en smeet ze op de aarde. De draak ging voor de vrouw staan die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was. 5 Maar toen ze het kind gebaard had – een zoon, die alle volken met een ijzeren herdersstaf zal hoeden –, werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon. 6 De vrouw zelf vluchtte naar de woestijn. God had daar een plaats voor haar gereedgemaakt, waar twaalfhonderdzestig dagen lang voor haar gezorgd zou worden.
7 Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand 8 maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. 9 De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid. 10 Toen hoorde ik een luide stem in de hemel zeggen: ‘Nu zijn de redding, de macht en het koningschap van onze God werkelijkheid geworden, en de heerschappij van zijn messias. Want de aanklager van onze broeders en zusters, die hen dag en nacht bij onze God aanklaagde, is ten val gebracht. 11 Zij hebben hem dankzij het bloed van het lam en dankzij hun getuigenis overwonnen. Zij waren niet aan het leven gehecht en hebben hun dood aanvaard. 12 Daarom: juich, hemel, en allen die daar wonen! Maar wee de aarde en de zee: de duivel is naar jullie afgedaald! Hij is woedend, want hij weet dat hij geen tijd te verliezen heeft.’
13 Toen de draak zag dat hij op de aarde gegooid was, achtervolgde hij de vrouw die een zoon gebaard had. 14 Maar de vrouw kreeg de twee vleugels van de grote adelaar om naar haar plaats in de woestijn te vliegen, waar gedurende een tijd en twee tijden en een halve tijd voor haar gezorgd zou worden, buiten het bereik van de slang. 15 Toen spuwde de slang een stroom water als een rivier achter de vrouw aan om haar daarin mee te sleuren. 16 Maar de aarde schoot haar te hulp: de aarde sperde haar mond open en dronk de rivier op die de draak had uitgespuwd. 17 De draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met de rest van haar nageslacht, met allen die zich aan Gods geboden houden en bij het getuigenis van Jezus blijven.
18 Hij ging op het strand bij de zee staan.
|
|
Ik heb lang op internet gezocht of ik deze scene uit de Openbaring van Johannes in de kunst vind. En ja, ik ben blij: Dürer, Rubens, en Franse en Engelse oude boekillustraties.

Dürer, Apocalyps: vrouw en slang
Rubens, Apocalyps: vrouw en slang

Apocalyps: vrouw en slang, vloed, boekillustratie
Apocalyps: vrouw en slang, vloed, boekillustratie

William Blake vrouw en draak
Joost schrijft bovendien ook, en ik vind dit erg goed gezegd en heb er zelf nooit op deze manier aan gedacht:
“Clou van een Apocalyps is altijd en overal troost en al het goede gewenst voor het heden!”
Ach dáarom zijn de mensen zo gek op de Apocalyps! Dit was nooit in mij opgekomen.
Hoe het ook zij, de Apocalyps is ontegenzeglijk een enorme prikkeling voor de fantasie en dus de kunst.
In de Volkskrant van 3 januari schrijft Maarten Keulemans over het “Zwelgen in eindtijd”: Maya’s, 2012 enz.
Hij haalt cultuursocioloog Stef Aupers aan, die het apocalyptisch denken wijt aan een lineair Westers tijdsbeeld, dus een begin en een einde van de tijd.
De eindshow van 3FM Serious Request op 24 december vond plaats bij Molen de Valk, en de molen was schitterend opgelicht in rood blauw en paars…

Molen De Valk

En hier de Rode Molen van Mondriaan:

Vandaag wordt in een lezersbrief in de NRC beweerd dat Christiaan Huygens’ slingeruren de geografische breedte op zee hadden moeten bepalen.
Slingeruur Huygens/Coster Museum Boerhaave
Maar dat is niet zo.
Christiaan Huygens en de plaatsbepaling op zee
Het is onjuist dat bij de plaatsbepaling ter zee voor Huygens en zijn tijdgenoten het vaststellen van de geografische BREEDTE het probleem geweest zou zijn. De breedte kon men in de tijd van Huygens namelijk met de hulp van de positie van de sterren en een sextant vaststellen, maar de geografische LENGTE niet.
Aardglobe Willem Blaeu 1670 Museum Boerhaave
Hiervoor moest men de tijd nauwkeurig kunnen meten: op het moment dat de zon de hoogste stand heeft bereikt stelt men vast hoe laat het is op een klok die de tijd laat zien van de haven van waaruit men is vertrokken. Uit het tijdsverschil kan men de lengte berekenen: één uur tijdsverschil staat voor 15 graad verschil in lengte (360 graad = 24 uur) .
Christiaan Huygens deed veel pogingen om de tijd op zee te laten meten met behulp van verschillende modellen van slingerklokken, en ook met klokken met een spiraalveer in plaats van een pendel.

Huygens uurwerk met spiraalveer, Museum Boerhaave
Het lukte meestal niet, vanwege het slingeren van het schip en/of de temperatuurschommeling.
Pas in 1761 heeft John Harrison een chronometer geconstrueerd, waarmee de aardrijkskundige lengte nauwkeurig bepaald kon worden en ontving hij de beloning van 20.000 pond die het Engelse parlement had belooft aan diegene die als eerste een betrouwbare methode zou vinden om de tijd te meten.
———Jeugdboek over Christiaan Huygens: Zoektocht naar een zeeklok————-
Zie ook Christiaan Huygens’ originele tekst K O R T O N D E R W Y S Aengaende het gebruyck Der H O R O L O G I E N Tot het vinden der Lenghten van Oost en West
Op 24 december 2011 werd een versie van deze tekst geplaatst in de wetenschapsbijlage van de NRC als ingezonden brief.
——————————————————————————————-

Christiaan Huygens http://www.passagenproject.com/blog
www.passagenproject.com
www.passagenproject.com
In het Leidse Japanmuseum Sieboldhuis zijn tot 4 maart 2012 topstukken van de Japanse prentkunstenaar Tsukioka Yoshitoshi (1839-1892) te zien in de tentoonstelling “Maanlicht, mysterie en schoonheid”.

Yoshitoshi is een meester van de Japanse kleurenhoutsnede, in het bijzonder van het Ukiyo-e, een vorm van houtsnede die sinds het midden van de 18e eeuw ook in Europa populair werd en een grote invloed had op de Europese kunstwereld van het fin-de-siècle (zie ook mijn vele blogs over het verband tussen Japanse kunst en 19e eeuwse Europese kunst).

Deze prenten zijn boeddhistisch geïnspireerd en drukken vaak het vergankelijke, vluchtige karakter van de werkelijkheid uit. De volgende prent leert dat je NIET naar de vinger van de boeddhistische monnik moet kijken maar naar de maan zelf:

Beroemd zijn Yoshitoshi’s A Hundred Views of the Moon, waar hij motieven uit Chinese en Indiaanse legendes en uit Kabuki en Noh theater illustreert.

Maria Trepp
www.passagenproject.com
deze tekst staat ook op mijn Duitse blog
www.passagenproject.com/blog1
Eergisteren hoorde ik op de radio (Hoe?Zo!) insectofiel professor Marcel Dicke praten over het belang van insecten voor de mensheid. Het lijkt me wel een hele opgave om de missionaris van de insecten te willen zijn- tenslotte niet echt een geliefde soort.
Marcel Dicke had het niet alleen over de biologie maar ook over de cultuurgeschiedenis van de insecten, die hij in zijn nieuw boek Blij met een dooie mug bespreekt.

Kever gesneden in een tand, Japan, Museum Volkenkunde Leiden
Natuur en cultuur van de insecten houden ook mij bezig.
Vrolijke muggedichten en de mug bij in Alice in Spiegelland vindt men in mijn blog Muggedicht.
Maar meestal worden insecten met dood, duivel en bederf geassocieerd: zie bijvoorbeeld een installatie met paspoorten van vluchtelingen, dode muggen en bloedspatten; en duivelse insectenmensen bij Jeroen Bosch.

Jeroen Bosch Mens als insect
In de bloemstukken van de 17e eeuw staan de insecten als herinnering aan de dood (memento mori).
Maar in de wetenschap vindt men in de 17e eeuw juist het tegenovergestelde. Insecten staan dan niet voor dood en duivel, maar voor de vinger Gods. Insecten bestuderen is niet minder dan lezen in de “Bybel der natuure”.
Maria Sybilla Merian liet de wonderbaarlijke metamorphosen van rupsen in vlinders zien .
In zijn zeer lezenswaardig boek “Het ‘Boeck der Natuere’, Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715” (gratis download via dbnl) schrijf Eric Jorink over Jan Swammerdam en diens onderzoek aan insecten.
“Volgens Jan Swammerdam openbaarde God zich bij uitstek in de microscopisch verfijnde structuur van insecten, zoals bijvoorbeeld in de facet-ogen van een bij.”

Swammerdam Insecto-theologie
Dit is een originele tekening van Swammerdam, gemaakt rond 1677, die later werd gereproduceerd in diens postume Bybel der natuure (1737-1738).
Guido Gezelle heeft het later zo verwoord:
|
HET SCHRIJVERKE
O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.
o Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?
Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?
Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?
En t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:
“Wij schrijven,” zoo sprak het, “al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;
wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!”
|
Een zeer geestige satire op “insecto-theologie” vindt men in Voltaires filosofische vertelling Micromégas die onder meer over Swammerdam, Huygens enz gaat.
“Imagine zooming in over the surface of Mars, sweeping over sand dunes and circling around the rims of craters – all from your home desktop.
With HiView, the image-viewing tool recently released by the High Resolution Imaging Science Experiment, or HiRISE, team at the University of Arizona’s Lunar and Planetary Lab, you can do just that. “
Info:
http://www.physorg.com/news/2011-12-google-earth-mars-explore-red.html
Download: http://hirise.lpl.arizona.edu/hiview/
Kijk ook vooral naar de “Syrtis major”
Christiaan Huygens heeft als eerste een oppervlaktedetail van een andere planeet beschreven, de Syrtis Major op Mars.

In zijn Systema Saturnium (1659) heeft hij geschreven en getekend:

“Ook in Mars heb ik in 1656 een enkele zone […] waargenomen, zeer breed, die het middelste deel van de schijf verduisterde, zoals de bijgaande afbeelding laat zien.”
Het leven op Aarde is sterk afhankelijk van het bestaan van seizoenen. Ik heb nog niets kunnen vinden over de ashelling van Kepler-22-b, al lijkt het erop dat deze “tweelingsaarde” mogelijk ook seizoenen kent.

De seizoenen op Aarde komen tot stand door het feit dat de Aardas scheef staat:
De Aarde beweegt rond de Zon op een baanvlak dat ecliptica wordt genoemd. De as van de Aarde staat scheef op dit vlak (met een hellingshoek tussen equator en omloopvlak van 23,45°).
De gekantelde as blijft in een evenwijdige stand, terwijl de Aarde zich om de zon beweegt.


Licht van de zon op de aarde in de seizoenen
Christiaan Huygens bespreekt in zijn Cosmotheoros (zijn laatste boek van 1698 waar hij uitgebreid het leven op andere planeten beschrijft) ook de seizoenen op de andere planeten.
Eerst Merkurius. Deze planeet staat dicht bij de zon en is erg moeilijk te observeren. Huygens wist niet of er jaargetijden op Merkurius waren, dus of de as van Merkurius scheef staat- maar naar wat we nu weten heeft Merkurius geen ashelling en geen seizoenen. Over de jaargetijden van Venus zegt Huygens niets. We weten nu dat deze planeet bijna geen ashelling heeft. Op Mars is er volgens Huygens geen verschil tussen winter en zomer omdat Mars volgens Huygens niet “scheef” staat- maar dit klopt niet, Mars is ongeveer net zo gekanteld als de Aarde. Maar wél klopt het wat Huygens over Jupiter schrijft: deze planeet heeft volgens hem geen jaargetijden, en inderdaad, Jupiter heeft bijna geen askanteling; de rotatie-as staat bijna loodrecht op het omloopvlak.
En Saturnus dan, Huygens’ lievelingsplaneet:
Daar zijn de verschillen tussen zomer en winter nog groter dan op de Aarde, omdat de as van Saturnus sterker gekanteld is dan die van de Aarde. Huygens, die overtuigd is van de existentie van “Saturnusborgers” maakt zich toch een beetje zorgen of de polen van Saturnus vanwege de kou wel bewoonbaar kunnen zijn…
Deze tekst staat ook op mijn Duits blog en op mijn Engelse blog
Maria Trepp www.passagenproject.com
Johannes Kepler en Christiaan Huygens schreven allebei –half schertsend, half serieus- over eventuele astronomen op andere planeten. Huygens onderstreepte in zijn Cosmotheoros dat wij mensen nooit mogen veronderstellen dat de planetenbewoners minder kunnen of minder ontwikkeld zijn dan wij, dus zullen ze ook wel de astronomie bedrijven.

Astronoom op Kepler 22-b buitenaardse astronoom foto: Maria Trepp
Dus, de astronomen op onze tweelingplaneet Kepler-22b, wat zien zij, als zij, net als wij, nu op dit moment hun tweeling planeet hebben ontdekt? Laat ons aannemen dat zij betere telescopen hebben dan wij, en heel goed kunnen inzoomen op de Aarde.
Kepler-22b is 600 lichtjaren van de Aarde verwijderd.
Ze zien de Aarde aan het begin van de 15e eeuw.
Ze zien de ontdekkingsreizigers varen over de zeeën.

Dat zal hun hart sneller laten kloppen, want vast kennen onze tweelingen dat ook: ontdekkingsreizen, schipvaart.
Christiaan Huygens in zijn Cosmotheoros:
“Voorts indien het oppervlak van hun kloot bij henluiden [=planetenbewoners] zo verdeeld is, dat een gedeelte van ’t zelve in land, een gedeelte in zee bestaat, […] hebben wij zeer grote reden om te denken, dat zij ook t’ scheep varen: anderzins zouden wij zoo groot en zo nut een zaak niet zonder laatdunkendheid onzen Aardkloot alleen toeschrijven.”

Dit blog staat ook op mijn Duitse webblog over Huygens:
en op mijn Engelse blog
Brandpunt had gisteren een item over het SETI-institituut ( “Search for Extraterrestrial Intelligence”) in California en de zoektocht naar buitenaards leven.
SETI?? Dat was toch opgeheven dacht ik?
SETI is al jarenlang op zoek naar buitenaards leven, maar moest in april wegens financiële problemen noodgedwongen de deuren sluiten. Maar ik zie nu dat het instituut de zoektocht kan voortzetten door donaties onder meer van Jodie Foster.
Kosmoloog Paul Davies, een medewerker van het SETI heeft een boekje geschreven over de vergeefse speurtocht van het SETI-institituut:
The eerie silence/ Are we alone in the universe? (2010)
Davies bekritiseert het SETI vanwege de antropocentrische en naïeve werkwijze van het instituut. Hij beargumenteert dat buitenaards leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet kunnen voorstellen.
Maar omdat wij nog helemaal niet weten hoe leven ontstaat en ook niet hoe waarschijnlijk het is dat het leven überhaupt ontstaat kunnen we helemaal niets zeggen over de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.
In het hoofdstuk A brief history of aliens komt ook Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros langs, zie ook mijn blogs over aliens bij Huygens
Christiaan Huygens en Immanuel Kant over Hermapolieten/Mercuriusbewoners
Christiaan Huygens: ironie over de Nieuwe Aarde
Een filosofisch en artistiek interessante en uitermate hilarische vraag – die ook bij Brandpunt wordt aangeraakt- is : wat zouden wij aardbewoners willen mededelen aan de eventueel gevonden extraterrestrials, en in welke taal, op welke wijze?

Pioneer Gouden Plaat
Davies is van mening dat de beste taal voor communicatie met aliens de wiskunde zou zijn.
Wiskunde als de taal van het universum. Ook Galilei en Huygens waren al ervan overtuigd, dat het universum geschreven is in de taal van de wiskunde. De wiskunde was voor Huygens en voor zijn vriend Leibniz al belangrijker dan God, omdat God volgens hen niet zonder de wiskunde kon.
Tweet
In het nieuw gerenoveerde planetarium Leidse Sphaera zit de dierenriem verkeerd om, zo meldt de Volkskrant vandaag.
“De fout dateert al van ruim zestig jaar geleden, aldus hoofd collecties Hans Hooijmaijers. De Sphaera raakte tijdens de Tweede Wereldoorlog beschadigd tijdens een bombardement, en moet kort daarna zijn gerepareerd. Op een foto uit 1930 zit de Dierenriem nog goed; een opname uit 1948 laat zien dat de twaalf sterrenbeelden in de verkeerde volgorde zijn gemonteerd. “
De volgorde van de sterrenbeelden moet spiegelbeeldig zijn, zodat het perspectief van buitenaf juist is. Op deze soort hemelsglobe gaat het namelijk om de blik van buiten.
Leidse Sphaera dierenriem met Ram en Vissen
Niemand had de verkeerde, want niet-spiegelbeeldige opstelling opgemerkt… behalve de wetenschapsjournalist van de Volkskrant Govert Schilling.
Leidse Sphaera, dierenriem, Waterman en Steenbok
De dierenriem is bekend uit de astrologie, in verband met het geloof dat de tekens van de dierenriem symbool zouden staan voor de invloed die de sterren en planeten op het leven van de mens kunnen uitoefenen; maar ook de astronomie werkt(e) met de dierenriem, voor de beschrijving van de stand van de planeten.
Christiaan Huygens schrijft bijvoorbeeld in Systema Saturnium (1659) dat het uitzien van Saturnus en zijn ring ervan afhankelijk is in welk sterrenbeeld deze te zien is:
“Wij vinden evenwel dat de meest samengeknepen schijngestalte van de ring valt op 20graden in Virgo en Pisces, zoals wij verderop zullen aantonen, en de breedste derhalve op 20graden in Gemini en Sagittarius.” (zie hier uitvoerig over Christiaan Huygens en zijn verklaringen van de schijngestalten van Saturnus).
In zijn eigen planetarium (zie uitvoeriger hier) heeft Huygens daarom ook de symbolen van de dierenriem aangegeven bij een heel dunne buitencirkel. De dierenriem loopt van rechts naar links, zodat dat het perspectief vanuit de zon en de aarde dus klopt.
Hier een uitsnede uit het planetarium Huygens met het teken Stier/Taurus.

Planetarium Christiaan Huygens dierenriem Taurus
De volgorde op het planetarium Huygens is dezelfde als bij de Leidse Sphaera nu (dus de voor een hemelsglove verkeerde volgorde!) , passend bij een astronomische blik van binnenuit (vanuit de modelaarde).
Hier de schets van de planetarium met dierenriem die Huygens zelf maakte en die qua volgorde overeenkomt met de huidige opstelling van de dierenriem in de Leidse Sphaera:

Met dank aan Govert Schilling voor nadere uitleg!
Read more..
In het museum Boerhaave in Leiden is sinds gisteren een schitterend gerestaureerd planetenmodel te zien: de Leidse Sphaera, het planetarium dat de Rotterdamse klokkenmaker Steven Tracy in 1650 construeerde.

Planetenmodel Jupiter
Planetarium Leidse Sphaera, kleine planeten
Planetarium Leidsche Sphaera, Saturnus met ring, en op de ring bobbeltjes die de manen moeten voorstellen. De ring met manen is een toevoeging van 1710. Het was Christiaan Huygens die de ring van Saturnus had verklaard en de de eerste maan van Saturnus had ontdekt (publicatie 1659), maar Tracey verwerkte deze gegevens blijkbaar niet.
Planetarium Leidse Sphaera, Jupiter met manen.
Vlakbij staat het qua uitzien simpelere planetarium dat Christiaan Huygens zelf in 1682 heeft laten bouwen; niet met bollen, maar kleine halfbolletjes in een vlak. Wel met bewegende planeten in eccentrische kringen, die ellipsen benaderen. Huygens’ planetarium wordt aangedreven door een onrust met spiraalveer; ook een bijzondere uitvinding van Huygens.
Allebei horen bij de bijzondere Copernikaanse schaalmodellen uit de 17e eeuw, waarvan er niet zo heel veel zijn.

planetarium Christiaan Huygens Museum Boerhaave
Planetarium Christiaan Huygens, Museum Boerhaave

planetarium-christiaan-huygens-museum-boerhave binnenplaneten
Planetarium Christiaan Huygens, banen van de kleine planeten
Huygens zelf schrijft hierover:
`Wijzelf echter, … hebben een zoodanig Planetarium laten maken, dat wij daarmede door een klein aantal in elkaar grijpende raderen bereikt hebben, dat op het oppervlak van een platte tafel de lichamen der vijf primaire Planeten rondom de Zon, en evenzoo dat der Maan rondom de Aarde, hunne banen konden beschrijven, in dezelfde tijden waarin zij dat in den hemel) doen, en wel in zoodanige excentrische banen, dat deze de ware afmeting en den waren stand der hemelbanen weergeven, met behoud van de bij elk daarvan bestaande ongelijkheid der bewegingen, waardoor zij zich sneller bewegen in minder ver van de zon verwijderde gedeelten, waarbij wij ook nog rekening gehouden hebben met de kleine afwijking tusschen het vlak hunner banen en dat van de Ecliptica of van de Aarde. Zoodat, afgezien van de bevalligheid van het schouwspel, men daaruit ook de standen van de Planeten kan leeren kennen, niet slechts de oogenblikkelijke, maar ook de toekomende en de verledene, als uit een eeuwigdurenden kalender; en bovendien hun aller conjuncties en opposities, zoowel ten opzichte van de zon als ten opzichte van elkander, en dit des te nauwkeuriger naarmate het werk op grooter schaal is uitgevoerd.`
`Het is dan een achthoek uit hout samengesteld, met een diameter van twee voet en een diepte van zes duimen. Deze is op zoodanige wijze aan den muur opgehangen, en bevestigd aan de zich aan de linkerzijde bevindende assen, dat het toestel, als men dit wenscht, omgekeerd en aan de achterzijde geopend kan worden, waardoor het inwendige zichtbaar wordt.`
`Aan den voorkant ziet men een blad van verguld koper dat de geheele voorzijde van den achthoek vormt en bedekt is met spiegelglas; op dat blad zijn de banen der planeten volgens het systeem van Copernicus, maar volgens de proporties van Kepler, aangegeven en geheel uitgesneden, zoodat door die gleuven kleine pinnen rondgaan, met behulp waarvan de bollen der Planeten, tot halve bollen gereduceerd, boven het blad en als het ware op het oppervlak daarvan rondgevoerd worden, waarbij Saturnus vijf, Jupiter vier satellieten met zich voert, en de Aarde een (welke onze Maan is). Deze satellieten zijn daarbij geplaatst op dezelfde schijfjes als de lichaampjes der Planeten. Ik heb namelijk ook aan de overige Planeten die geen manen hebben, toch zulke schijfjes gegeven die den omringenden aether moeten aangeven en tevens dienen om de Planeten beter zichtbaar te maken.`
Huygens schrijft over manen rond Jupiter en Saturnus, maar ik kan deze niet ontdekken in zijn planetarium. Misschien waren deze gepland maar werden niet ingebouwd?
Het planetarium van Huygens loopt overigens beduidend nauwkeuriger dan de Leidse Sphaera.
Zie ook mijn overige teksten over Christiaan Huygens
Dit blog staat ook in het Duits op mijn Duits webblog over Christiaan Huygens
Literatuur: E. Dekker, De Leidsche Sphaera, Leiden, 1985
Read more..
Christiaan Huygens en het slingeruurwerk
De Volkskrant meldt vandaag (16-11-2011) dat er in het Universiteitsmuseum van Utrecht mogelijk ‘s werelds oudste door een gewicht aangedreven slingerklok is ontdekt. De klok wordt toegeschreven aan Salomon Coster, de klokkenmaker van de Nederlandse natuurkundige Christiaan Huygens.
Christiaan Huygens is beroemd voor zijn ontdekking van het principe van het slingeruurwerk, waarvan hij door Salomon Coster de eerste exemplaren liet maken.

christiaan-huygens-salomon-coster http://passagenproject.com/blog/category/christiaan-huygens/
Christiaan Huygens en Salomon Coster
Huygens’ uurwerken konden de tijd veel nauwkeuriger aangeven dan alle klokken die eerder waren gemaakt. Voor Huygens was een nauwkeurige tijdmeting belangrijk om goede astronomische tijdmeting te kunnen verrichten, en ook om mogelijk de geografische lengte op zee te kunnen bepalen (wat uiteindelijk niet lukte ondanks vele pogingen). Trots noemt Huygens zijn uitvindingen in zijn laatste tekst Cosmotheoros.
C.D. Andriesse: “Galileo Galilei had de slinger al als gangregelaar aanbevolen en Coster was een kundig klokmaker die onder meer een dubbele trommelveer had bedacht. Van Christiaan was het idee gekomen over een lichte vorkkoppeling en over ‘wangen’ om de slinger bij wijde uitslag wat op te tillen. Christiaans uitvinding betrof de koppeling van een slinger aan het toen gebruikelijke raderuurwerk, of, om precies te zijn, aan het over het schakelrad kantelende anker (échappement) […] Zijn foefje was om de aandrijving
van de slinger te ontlenen aan de aandrijving van de klok en om de regelmaat van de klok te ontlenen aan de regelmaat van de slinger. […] De vorkconstructie op het anker die de slinger voldoende aandreef en tegelijk voldoende vrijliet, is uiterst ingenieus.”
Aan de Haagse klokkenmaker Salomon Coster gaf Huygens het alleenrecht – vastgelegd in een officieel octrooi, gedateerd 16 juni 1657 – om deze nieuwe vinding in de handel te brengen.
In Parijs en in Londen werden deze uurwerken onmiddellijk nagebouwd. En ook in Nederland:
“Ook aan het octrooi van Coster, dat dan wel verleend was en waar hij [Huygens] in deelde, beleefde hij echter weinig plezier. Het werd ontdoken door de Rotterdamse klokmaker Simon Douw, die volhield zelf een slingeruurwerk te hebben uitgevonden. Hij was er zelfs in geslaagd ook dit slingeruurwerk door de Staten Generaal te laten octrooieren, en wel op 8 augustus 1658, ruim een jaar na dat van Coster. Deze laatste schreef woedend ‘dat hy met Listicheyt, en allerhande onbehoorelycke middelen deselve Inventie, soo by de Heer Huyghens, als op andere plaetsen was komen te sien, sich verstout van die mede te debiteren’.
Op 9 oktober 1658 kwam het tot een zaak voor de rechtbank van Holland, Zeeland en Friesland […]”.
Uiteindelijk moest Douw aan Coster en aan Christiaan Huygens elk slechts een derde van de opbrengst van zijn klokken betalen. (Andriesse, p 152)
———————-
Literatuur:
Een vernuftig geleerde : de technische vondsten van Christiaan
Huygens / Rob H. van Gent, Anne C. van Helden Leiden : Museum Boerhaave,
1995
Titan kan niet slapen : een biografie van Christiaan
Huygens / C.D. Andriesse Amsterdam [etc.] : Contact, 1993
De ruimte van Christiaan Huygens / Vincent Icke [Groningen]
: Historische Uitgeverij, 2009
———————————————————————————————–
Update
Op 6 december 2011 schrijft Theo Toebosch in de NRC dat er nu nog een tweede oude Huygens/Costerklok is ontdekt. Beide slingerklokken zijn te zien in het Museum van het Nederlandse Uurwerk. Bovendien is er nog heel wat toe te voegen aan de kwestie van het patent voor de slingeruur.
“De vondsten vielen mooi samen met een internationaal symposium afgelopen weekeinde, dat Van Hees ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van zijn museum had georganiseerd. Daarbij ging het onder andere om de vraag of Huygens wel de uitvinder van de slingerklok is. Van Hees: „Enkele Engelse klokkenspecialisten denken dat de Engelsman Ahasverus Fromanteel de slingerklok heeft uitgevonden.”
“Enkele Britse verzamelaars en antiquairs denken dan ook dat Huygens zijn ideeën voor de slingerklok heeft afgekeken van de Londense klokkenmaker Ahasverus Fromanteel, die nu slechts te boek staat als de eerste Engelsman die een slingerklok met gewicht heeft gemaakt. Aanleiding tot deze gedachte is een contract in het Haags Gemeentearchief dat Coster in 1657 met John Fromanteel, de twintigjarige zoon van Ahasverus, heeft gesloten. Fromanteel junior kwam bij Coster in dienst als leerling. In het contract staat dat Coster Fromanteel kost en inwoning zal geven en dat Coster de jonge Brit ‘het geheim’ van de slingerklok zal onthullen. Het contract is echter niet overal goed leesbaar, er zijn doorhalingen en de inhoud is soms voor tweeërlei uitleg vatbaar. Enkele Britten, die de tekst als Bijbelexegeten hebben bestudeerd, komen tot de conclusie dat het juist Fromanteel is die belooft het geheim te onthullen. Dat zou betekenen dat Fromanteel junior die kennis bij zijn vader had opgedaan. De Britten denken dat het ook verklaart waarom Huygens in Engeland geen patent aanvroeg, terwijl hij dat wel, vergeefs, in Frankrijk deed.
Voor Van Hees is het duidelijk: „Ahasverus Fromanteel heeft ook geen patent aangevraagd. Huygens is en blijft voor mij de uitvinder van de slingerklok met gewicht. De uitvinding lijkt me ook eerder het werk van een natuurkundige dan van een commercieel ingestelde klokkenmaker. Pas na 1676 werden bijna alle klokken met een slinger gemaakt.”

Christiaan Huygens slingeruurwerk
Christiaan Huygens en het octrooiverhaal van 16 juni 1657
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
Read more..
Op de radio hoorde ik een interview met astronaut Lodewijk van den Berg en ik hoorde hem een zeer interessante opmerking maken over het pacifisme dat een ruimtereis creëert.
Ik vond ook een interview met hem waar hij hetzelfde stelt:
Vraag: Veroorzaakt zo’n ruimtereis lichamelijke of geestelijke bijwerkingen?
“Lichamelijk niet langdurig, tenminste niet na mijn vrij korte vlucht. Kortstondig is je evenwicht wat verstoord. Dat evenwicht is helemaal afhankelijkvan de zwaartekracht en die valt weg. Dat heeft gevolgen. Het duurt twee tot drie dagen voordat het weer goed komt.
Geestelijk verandert er alles. […]
De hele manier waarop je de aarde beziet, verandert compleet en voorgoed. We praten over de globalisering van de economie, van de media en de politiek. Maar ik heb de aarde echt globaal mogen bekijken. Het ene moment vlogen we over Shanghai, twaalf minuten later boven San Francisco. Daaar beneden wonen totaal verschillende mensen, maar dat vind je dan niet meer. We leven allemaal op die vrij kleine planeet. Je ziet Duitsland en Frankrijk pal naast elkaar liggen, je scheert eroverheen. Waarom hebben die landen ooit eigenlijk oorlog gevoerd, vraag je je dan af.”
Lodewijk van den Berg buigt voorover, alsof hij een geheim met iemand gaat delen. “Verreweg de meeste astronauten zijn voormalige militaire piloten. Die mensen zijn getraind om aan te vallen. Maar voormalige astronauten worden nooit meer door de luchtmacht aangenomen. Want die aandrift om aan te vallen, is compleet weg bij hen.
Ze zien de vijand niet meer na een ruimtevlucht.
Nee, het is geen relativeren. Je krijgt een heel ander gezichtspunt.”
Van den Bergs broer valt hem bij. “Astronauten veranderen totaal. Hun denken ondergaat een totale ommekeer. Relativeren komt een eind in de richting, maar is nog veel te zwak uitgedrukt.“
Astronauten zien ze de wereld waarop wij leven in totaal andere verhoudingen.
“Dan begrijp je hoe ontzettend fragiel de aarde is, en vraag je je af waarom wij er zo n puinhoop van maken, zegt Ton Schoot Uiterkamp. Het verklaart volgens de hoogleraar milieukunde waarom bijna alle astronauten na hun terugkeer op aarde missionarissen voor een duurzame wereld zijn geworden.” [Leids , 9 april 2011]
En ISS-astronaut André Kuipers antwoordde op de vraag of hij de wereld nu op een andere manier zag: “De aarde is mooi, maar haar schoonheid staat in schril contrast met de conflicten die aan de gang zijn.” (de Volkskrant, 10 januari 2012)
zie ook :
Wat ik fascinerend vind is dat Christiaan Huygens in zijn mentale ruimtereis van 1695 “Cosmotheoros” precies hetzelfde schrijft, al heeft hij zelf niet de lichamelijke ervaring van de ruimtereis meegemaakt:
“[…] Hier uit kan men verstaan hoe groot de ruimtens van die ronde [hemels-] lichamen zijn, en hoe klein, ten haren opzigte, het Klootje der Aarde is, waar in wy menschen zoo veel voor hebben, zoo veel t’ scheep varen, en zoo vele oorlogen voeren. ’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen.”
Voltaire sciencefiction Micromégas is ook geschreven met een dergelijk pacifistisch perspectief op de aarde en de mensen.

En hier nog een zeer mooi Duits gedicht van Marie Louise Kaschnitz over de Aarde vanuit een mentaal afstand gezien:
Juni
Schön wie niemals sah ich jüngst die Erde.
Einer Insel gleich trieb sie im Winde.
Prangend trug sie durch den reinen Himmel
Ihrer Jugend wunderbaren Glanz.
Funkelnd lagen ihre blauen Seen,
Ihre Ströme zwischen Wiesenufern.
Rauschen ging durch ihre lichten Wälder,
Grosse Vögel folgten ihrem Flug.
Voll von jungen Tieren war die Erde.
Fohlen jagten auf den grellen Weiden,
Vögel reckten schreiend sich im Neste,
Gurrend rührte sich im Schilf die Brut.
Bei den roten Häusern im Holunder
Trieben Kinder lärmend ihre Kreisel.
Singend flochten sie auf gelben Wiesen
Ketten sich aus Halm und Löwenzahn.
Unaufhörlich neigten sich die grünen
Jungen Felder in des Windes Atem,
Drehten sich der Mühlen schwere Flügel,
Neigten sich die Segel auf dem Haff.
Unaufhörlich trieb die junge Erde
Durch das siebenfache Licht des Himmels.
Flüchtig nur wie einer Wolke Schatten
Lag auf ihrem Angesicht die Nacht.
(1935)
————————————————————————————————-
————————————————————————————————
Zal dan de commerciële ruimtevaart de mensheid meer vrede en geluk brengen?
Ik betwijfel het.
maria trepp
Ik heb niet alleen stokrozen maar ook echte roosjes in mijn tuin staan (al vind ik de stokrozen veel mooier en onpretentieuzer).
De bleekroze kleur van de stokroos hier bij een roos. Minder breekbaar vind ik.

Het kleurenschema voor webdesigners noemt dit “misty rose” .
[Hier een weergave met hoge resolutie http://www.passagenproject.com/misty_rose_blassrosa_roos.jpg ]
Pas nadat ik de foto had genomen zag ik het kleine vliegje… en ja, het ongedierte hoort bij de bloemenstillevens als een memento mori.
Hier een uitsnede uit een bloemstuk van Jan Davidz de Heem.

Ensor schilderde exotische schelpen die zijn moeder in haar winkeltje verkocht.


Maar stillevens met schelpen zijn klassikers in de Vlaamse schilderkunst.

en hier nog een eigentijdse poging met inheems spul

Maria Trepp
Klaprozen groeien bescheiden langs het spoor en in de berm.


In de kunst zijn ze geliefd.

Jacques le Moyne, klaproos ( poppy) 1586

Claude Monet, Poppy field, 1872 (klatschmohn klaprozen, impression)

Claude Monet, Champ des coquelicots, 1881 (papaverveld,poppies)

Claude Monet, Paarse klaprozen (purple poppies), 1883

Claude Monet, Poppy field near Giverny, 1885

Vincent van Gogh, Vaas met klaprozen, 1886

Floris Verster, Papavers/Klaprozen, 1888

Vincent van Gogh, Papaverveld, 1890

Vincent van Gogh, Klaprozen/ Butterflies and poppies, 1890

Paula Modersohn Becker, Maedchen mit Kind, 1902

Ferdinand Toussaint, De zomer, 1903

Paula Modersohn-Becker, Alte Armenhauslerin im Garten, 1906

Emil Nolde, Grote klaprozen, 1908

Georgia O’Keeffe: Oriental poppies (Oosterse papavers/klaprozen) 1927
Voor poezie en gedichten over klaprozen zie hier
maria trepp
Pioenroos/Peony/ Paeonia Leidse Hortus
Pioenroos/Peony/ Paeonia Leidse Hortus
Pioenroos/Peony/ Paeonia Leidse Hortus(14-5-2011)
Deze schitterende pioenrozen lieten me zoeken naar literatuur over pioenrozen.
Gevonden: Bertus Aafjes, De vertrapte pioenrozen, Pearl S. Buck, Peony, en, het mooist: veel haiku’s op pioenrozen.
Bertus Aafjes heeft in zijn verhaal een paar zeer mooie haiku’s vertaald, zoals deze van Kiorokoe:
Op het punt te gaan bloeien
ademt de pioenroos
een regenboog uit
En hier Buson, vertaald door blogger J (veel dank):
de pioenrozen verbieden
de regenwolken dichter bij te komen
dan honderd mijl

In de tentoonstelling Liefde! Kunst! Passie! in het Haagse Gemeentemuseum hing dit mooie schilderij van Alexej von Jawlensky, ‘Meisje met pioenrozen’:
Alexej von Jawlensky, Meisje met pioenrozen 1909
En hier pioenrozen van Manet:
edouard manet pioenroos
edouard manet pioenroos
Floris Verster_stilleven_met_pioenen
Passiebloem in kunst en werkelijkheid
Hier nog een paar voorbeelden van mooie passiflorae in de kunst. Deze bloem was een geliefd voorwerp in symbolisme en jugendstil.
Piet_Mondrian,_passion_flower
Vaas passiflora .
Johannes le Francq van Berkhey,
“Herdenken hoeft niet per se vergezeld te gaan van de obligate waarschuwing tegen herhaling. Het gaat erom niet te vergeten waartoe wij in staat zijn – en daarvoor moeten we de verhalen blijven vertellen” schrijft Bert Wagendorp vandaag in zijn Volkskrant-column.
Primo Levi is bekend als literaire getuige van de Holocaust. Maar hij is meer dan een getuige; zijn werk bevat een impliciete en expliciete moraal, die beschreven werd door de literatuurkundige Robert S.C. Gordon (Primo Levi’s ordinary virtues).
Levi’s gedicht Is dit een mens geeft aan, dat het Levi hier om veel meer gaat dan om over de Holocaust te getuigen. Hij vraagt naar het wezen van de mens:
Is dit een mens
Gij die veilig leeft
In uw beschutte huizen,
Gij die ’s avonds thuiskomt
Bij warme spijs en dierbare gezichten:
Bedenkt of dit een man is
Die werkt in de modder
Die geen vrede kent
Die vecht om een stuk brood
Die sterft om een ja of een nee.
Bedenkt of dit een vrouw is
Zonder haar en zonder naam
Zonder herinnering aan wat was
Met lege ogen en koude schoot
Als een kikvors in de winter.[…]
Levi is een moralist. Hij observeert, analyseert en beoordeelt menselijk gedrag. Hij probeert de Holocaust een onderdeel te maken van de manier hoe wij allemaal tegen de mens aan moeten kijken. Daarbij blijft Levi (tenminste in eerste instantie, hij heeft later veel pessimistischere teksten gepubliceerd) een liberale, verlichte humanist.

‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
Zie ook de tentoonstelling
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam
De Japanse tuin in Clingendael in Den Haag is weer geopend. Hier de Japanse brug met de Wisteria.

De Wisteria/ blauweregen is oorspronkelijk afkomstig uit Japan, en speelt in de Japanse cultuur een belangrijke rol in houtsneden, toneel, dans en poëzie.
Blogger Jacopone blijkt een ervaren vertaler van haiku’s te zijn, en uit zijn schat van haiku’s waarvan ik gebruik mag maken heb ik eentje over blauweregen gevist
waar de lentezon
onder gaat
een blauweregen
(Issa)
Ik ga bewust pas bij zonsondergang naar de Japanse tuin. Dan is het stil en het licht bijzonder intens.
In de Hortus in Leiden zijn prachtige exemplaren van de oude Wisteria’s te zien die de Duitse arts Philipp Franz von Siebold had mee gebracht.
Monet heeft verschillende schilderijen gemaakt van de blauweregen in zijn tuin, die over zijn Japanse voetbrug hing.



Monet (hier meer schilderijen van Monet)heeft zich voor zijn Wisteria-brug laten inspireren door prenten van Hiroshige.

Vertaling van poëzie en haiku’s
Ik ben vertaler, maar het vertalen van poëzie of haiku’s is iets dat ik helemaal niet beheers.
Ik vind de discussie over poëzie en het vertalen ervan spannend en leuk. Op mijn laatste volle-maan blog heb ik zelf het vertalen van een gedichtje geprobeerd.

maan poezie vertalen haiku foto Maria Trepp
Haiku over de maan
Prachtig straalt de maan.
Omgeven door vurige stralen
kijkt een gezicht met blauwe ogen
en blozende wangen
ons aan.
Ik krijg erg leuke reacties van Jacopone sr met een betere vertaling:
Als vuur schijnt ze alom, maar midden in,
Eer donkerblauw dan zwart,
Is daar het gezicht van een meisje
Haar vochtige wangen blozend onder mijn blik
Jacopone blijkt bovendien zelf vertaler van haiku’s te zijn. Hij was kritisch over een eerder door mij geplaatste nachtegaal-haiku. Het is nu weer nachtegalentijd.
In de duinen tussen Den Haag en Leiden (Meijendel, Berkheide) kan men s’avonds nu de nachtegaal horen, die graag haar nesten in de meidoorn bouwt…

maan nachtegaal vertalen haiku Japaanse prent
Haiku’s op de nachtegaal (uit J. van Tooren, Haiku- een jonge maan):
De nachtegaal fluit
zijn kleine spitse snavel
helemaal open
(Buson)
Diep in de dalen,
omhuld door avondnevel
nog nachtegalen
(Shuaoshi)
Luister! als water,
vloeiend in slapende oren,
zingt de nachtegaal.
(Issa)
Jacopone schrifjt over de eerste haiku uit deze reeks:
“De eerste, van Buson, vind ik niet correct vertaald. Hij is illustratief voor het geforceerd vertalen in de reeks 5 – 7 – 5:
De nachtegaal fluit
zijn kleine spitse snavel
helemaal open
Blyth vertaalt hem als:
The uguisu is singing
Its small mouth
Open
Ik [Jacopone sr] zou hem vertalen als:
de rietzanger zingt
zijn kleine bek
wagenwijd open
Ik vond het ritme in Jacopones vertaling mooier, al verliezen we dan wel de nachtegaal.

www.passagenproject.com
www.passagenproject.com

Andreas Kinneging
“Arnold Heertje, die daarna zou discussiëren met filosoof Andreas Kinneging […] had zich kapot geërgerd aan alfa’s met hun gezemel over moraal. Over de Holocaust, het onderwerp waarvoor hij was uitgenodigd, wilde hij evenmin spreken. ‘Al drieduizend jaar zaniken we over de moraal, en dat heeft ons geen haar beter gemaakt. [….]
Het leek Heertje beter om praktische oplossingen te verzinnen.[…]
Hij pleitte voor slimme ‘structuren’ die de samenleving humaner zouden maken.
En toen kwam het bijna tot een handgemeen.
‘Structuren die tot een betere samenleving leiden! Dat vonden de nazi’s ook!’, riep Kinneging. Hij leunde triomfantelijk achterover, alsof hij het zelf een enorme vondst vond.
Heertje zweeg. De zaal ook, beschaamd.
‘Ik voel me door deze uitspraak diep gegriefd’, zei Heertje. De zaal mompelde instemmend.
Wat bezielde Kinneging om moedwillig Heertjes bedoelingen mis te verstaan? Om iemand die familie heeft verloren aan de nazi’s, zo’n dolk in de rug te steken.“
Kinneging, die meent Heertje op nazisme te kunnen betrappen is zelf een racist met zeer bedenkelijke theorieën en is als directeur van de neoconservatieve Edmund Burke Stichting een belangrijke steunpilaar voor Geert Wilders.
Kinneging: “Als de Europeanen zich niet voortplanten – wat ze niet doen – hebben we niet genoeg kinderen om ons te vervangen. Uiteindelijk zal Europa dan Afrikaniseren en Azianiseren. Is dat slecht? Ik vind van wel, omdat ik de Europese cultuur hoger acht dan die van Afrika en Azië. Het zou echt de ondergang van het avondland zijn. En dat moeten we, denk ik, zien te voorkomen.” (Trouw, 25-1-2006, religie&filosofie)
Het koppelen van de wens naar culturele suprematie aan het baren van kinderen is niets anders dan onvervalst racisme.
En verder is het ook inhoudelijk helemaal verkeerd wat Kinneging impliceert, namelijk dat de nazi’s geen moraal hadden. Wie meer wil weten over de moraal van de nazi’s moet het boek van de historica Claudia Koonz lezen, The Nazi Conscience ( 2003) . Koonz laat zien dat de nazi’s , anders dan vaak wordt gedacht, niet gewetenloos waren, en zelfs nadrukkelijk moreel hebben geargumenteerd. Alleen: hun moraal gold allen voor degenen die zij als “vriend” hadden gedefinieerd. Voor de “vijand”gold deze moraal niet.
Kinneging en zijn Schmittiaanse samenwerkingspartners zoals Bart Jan Spruyt zijn de voorhoede in de vijanden-demonisering van deze tijd.
Meer blogs over Andreas Kinneging, voorzitter van de Leidse Edmund Burke Stichting
http://passagenproject.com/blog/2011/04/27/10976/
http://passagenproject.com/blog/2008/03/07/het-racisme-en-seksisme-van-burke-voorzitter-prof-dr-kinneging/
http://passagenproject.com/blog/2007/11/17/leidse-hoogleraren-over-het-marteldilemma-kinneging-mertens-van-gunsteren/
http://passagenproject.com/blog/2007/11/05/atheistisch-bijgeloof-carotta-en-zijn-volgelingen/
http://passagenproject.com/blog/2009/02/17/economie-moraal-neocons/
http://passagenproject.com/blog/2009/06/19/polarisatie/
Ik begrijp niets van al die op hef over Thomas van der Dunk en over de satire op Joop.nl.
PVV-kopstukken en sympathisanten beroepen zich uitdrukkelijk op een nazi en op denkbeelden uit de nazi-geschiedenis.
Bart Jan Spruyt, die Wilders in het zadel heeft geholpen en die het eerste PVV programma samen met Wilders heeft geschreven en ook PVV-kaderleden heeft getraind, is een grote en uitdrukkelijke fan van de nazi Carl Schmitt, die hij uitgebreid als zijn politiek voorbeeld bespreekt.
Spruyt maakte in zijn publicaties, o.a. in het boek De toekomst van de stad (2004) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne. Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[1]
Ook de Wilders-fan Jerker Spits noemt Carl Schmitt als een groot voorbeeld. Schmitts nazi-verleden is voor Spits geen reden om het gedachtegoed van Schmitt te mijden:
” Wie Schmitt in het nazistische klimaat van de jaren dertig opsluit, gaat voorbij aan de zeggingskracht van zijn politieke filosofie voor onze tijd. […] De vrijheid van het denken mag niet ten prooi vallen aan politieke correctheid.” (Trouw, 14-4-2005)
Jan Greven: “Schmitts aantrekkingskracht is dat hij denkt in heldere tegenstellingen: goed/kwaad; mooi/lelijk. Met in de politiek de meest absolute tegenstelling. Die tussen vriend en vijand. Tegenover de vijand past slechts onverzoenlijkheid. Je hoeft hem persoonlijk niet te haten om hem toch te liquideren. […] Schmitts tegenstellingen zijn helder, maar hij voert je op paden waar je niet hoort te zijn. “ (Trouw, 29-3-2005)
Dick Pels over Schmitt:
“Schmitts definitie [van de vijand] legitimeert […] een autoritaire, zo niet totalitaire opvatting van de politieke werkelijkheid, waarin geen enkele ambiguïteit wordt getolereerd en geen ruimte bestaat voor andersoortige onderscheidingen.”[2] Volgens Pels valt bij Schmitt politiek op apocalyptische wijze samen met de oorlog.
Rob Hartmans:
“Tijdens de republiek van Weimar werd Schmitt beschouwd als vertegenwoordiger van de zogenaamde konservative Revolution, een amalgaam van ultranationalistische denkers, partijtjes en groeperingen die zich verzetten tegen de burgerlijke maatschappij en de parlementaire democratie. Schmitt zag niets in een romantisch conservatisme, dat verlangde naar een samenleving die een organische, door oeroude instituties en tradities gevormde eenheid was. Een dergelijke samenleving had nooit bestaan, en alle traditionele instituties waren door de wereldoorlog en de revolutie weggevaagd. Evenmin wilde hij iets weten van het normatieve staatsrecht dat werd uitgedragen door neokantiaanse juristen. In tegenstelling tot de Oostenrijkse staatsrechtsgeleerde Hans Kelsen, die als jood in zijn ogen toch al verdacht was, ontkende Schmitt dat er een bepaalde norm ten grondslag lag aan de rechtsorde. Hoe het recht eruitziet is een kwestie van een op macht gebaseerde beslissing. Schmitt citeerde in dit verband graag Hobbes: «Gezag, niet de waarheid, maakt de wetten.» In dit «decisionisme» stond de uitzonderingstoestand centraal. Normen waren volgens Schmitt alleen van toepassing op normale omstandigheden. Waar het op aan kwam, was de vraag wie in uitzonderlijke omstandigheden de beslissingen kon nemen. Vandaar ook zijn opvatting dat degene die de noodtoestand kan afkondigen, beschikt over de soevereiniteit.
Ook na Schmitts dood, in 1985, leven zijn denkbeelden voort in allerlei bewegingen in Europa en Amerika die tot Nieuw Rechts worden gerekend.
In hun strijd tegen de liberale, pluriforme democratie kunnen zowel extreem-links als extreem-rechts een heel arsenaal aan wapens vinden in de geschriften van Carl Schmitt, die de Verlichting haatte als de pest en die droomde van een autoritaire, homogene staat, waarin geen ruimte is voor verwarrende experimenten die de stabiliteit kunnen ondermijnen.”[3]
Carl Schmitt oefent een grote aantrekkingskracht uit op veel hedendaagse intellectuelen. Rob Hartmans:
“Schmitts werk munt uit door scherpe formuleringen en glasheldere begrippen. Sommigen noemen hem een Begriffsmagier, een goochelaar met definities. […] Met zijn fraaie begrippen, glasheldere analyses en adembenemende abstracties mag Schmitt als politiek theoreticus en rechtsgeleerde dan zeer belangrijk zijn geweest, in de praktijk sloeg hij de plank op een zeer pijnlijke wijze mis. Want als iets opvalt in het werk van Schmitt, dan is het dat het altijd om grootse begrippen en abstracties gaat: staat, natie, uitzonderingstoestand, Großraum, vriend-vijand, de politiek etcetera.”[4]
Maar de kritiek op Carl Schmitt moet zich niet allen richten tegen diens antiliberale opvattingen. Schmitt was een actieve nazi en antisemiet.
De Leidse hoogleraar mensenrechten Thomas Mertens over de “kroonjurist van de nazi’s” Carl Schmitt:
“Schmitt gaf onder de titel ‘Der Führer schützt das Recht’ zijn juridische fiat aan Hitlers moordpartijen bij zogenaamde Röhm-putsch van 1934. Deze van staatswege georganiseerde moorden troffen niet alleen de top van de S.A. maar ook diverse andere tegenstanders van het regime zoals Schmitts vorige patroon Von Schleicher; Schmitt was een van de voormannen van de door de nazi’s het leven geroepen ‘Akademie für Deutsches Recht’. “[5]
“[…; in 1936 riep ] [Schmitt] op tot een zuivering van de bibliotheken van joodse invloeden; hij deed zijn best Hitlers ‘Grossraumgedachte’ te legitimeren […] Schmitts denken maakt duidelijk dat de Westerse cultuur niet bestaat en dat intellectuelen als Schmitt medeverantwoordelijk zijn voor wat er op deze aarde vreselijk fout kan gaan.”[6]
Schmitt was een van de belangrijke denkers van de Duitse “conservatieve revolutie”. Het is moeilijk een harde lijn te trekken tussen de denkers van de conservatieve revolutie en de nazi’s. Een gemeenschappelijke noemer is het anti-liberalisme en het gelijk zetten van joods=liberaal=decadent. Een andere gemeenschappelijke noemer is het nationalisme, dat in ieder geval bij Schmitt kan worden vastgesteld. “Bei Schmitt war die Nation […] eine nicht mehr überbietbare Größe […] ein existentielles Phänomen, das durch Freund-Feind-Bestimmung und damit in letzter Instanz durch den kollektiven Kampf eines Volkes auf Leben und Tod definiert war.“[7] Carl Schmitts nationalisme was racistisch, al was hij daarin niet zo extreem als andere nazi’s.[8] Zeker zijn er verschillen tussen de “echte” nazi’s en de conservatief revolutionairen. Bijvoorbeeld wilden de conservatieven een sterke staat. Hitler was anarchistisch, de staat was ondergeschikt aan zijn impulsen, en dit element past niet bij het conservatisme. Ook de holocaust als zodanig is geen idee of initiatief van de conservatieven geweest.
Meer over Schmitt hier of zoek op tag “Carl Schmitt” hier op mijn blog.
Meer over de geschiedenis van het nationaalsocialisme
[1] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[2] Een zwak voor Nederland, p. 228.
[3] Een gevaarlijke geest, De Groene Amsterdammer, 7-2-2004.
[4] De grote woorden van Carl Schmitt, In : Varwel dan, p. 129, ook De Groene, 1-5-1996.
[5] Fiat aan Hitlers moordpartijen, Filosofie Magazine 02-2002.
[6] NRC 23-11-2001, boeken.
[7] Stefan Breuer, Anatomie der konservativen Revolution, p. 184.
[8] Anatomie der konservativen Revolution, p.191.
Volle maan: het oranje maangezicht
Christiaan Huygens schrijft in zijn tekst “Cosmotheoros” veel over de maan, en hij verwijst instemmend naar de schrift van Plutarchus over het maangezicht “De facie in orbe Lunae”.

maangezicht Plutarchus
Oranje volle maan boven Leiden 18-4-2011

Plutarchus maangezicht/Mondgesicht Christiaan Huygens Cosmotheoros
Het maangezicht – zie je het?
Plutarchus zelf verwijst wederom naar andere denkers, die voor hem die over de maan hadden gefilosofeerd, en hij komt met een mooi gedicht, toegeschreven aan Hegesianax. Ik citeer het hier in het Engels (vertalen van poëzie is een vak dat ik helaas niet beheers):
“With fire she shines all round, but in the midst
More blue than black appears a maiden’s face
And moisten’d cheeks, that blush to meet the gaze.”
In het Duits klinkt het zo:
“Herrlich glänzt der Mond
Von feurigen Strahlen um geben
Aber ein Frauenaug erscheint in der Mitte der Scheibe
Blauer als Saphir, und eine Stirn, mit lieblicher Röte
Prangend….“
En laten we het even in het Nederlands proberen:
“Prachtig straalt de maan.
Omgeven door vurige stralen
kijkt een gezicht met blauwe ogen
en blozende wangen
ons aan.”
Plutarchus bespreekt uitvoerig de oppervlakte van de maan, die ons als menselijk gelaat kan voor komen. Overigens is het erg mooi in het Engels, dat het woord voor oppervlakte [van de maan] en het woord voor“gezicht” samenhangt als surface/face.
Zie ook mijn blog over de vrouw in de maan, en Shakespeare’s Midzomernachtsdroom
www.passagenproject.com
www.passagenproject.com
Toen Japan in 1854 zijn grenzen openstelde geraakte de Westerse kunstwereld in de ban van de Japanse kunst.
Japan toonde zijn nagenoeg onbekende kunst op de Wereldtentoonstelling van 1862 in Londen en 1867 in Parijs. Japanse kunst en gebruiksvoorwerpen, zoals kimono’s, waaiers, gelakte voorwerpen en kamerschermen werden een rage.
De gestileerde motieven in de grafische kunst van kunstenaars als beïnvloedde de stijl van veel Westerse kunstenaars, zoals Vincent van Gogh.
Hier de Courtisane in kimono van Vincent van Gogh (1887, Van Gogh Museum Amsterdam), die hij had overgenomen van een tentoonstellingsaffiche over Japanse kunst.

Courtisane in kimono van Vincent van Gogh


Vincent van Gogh portret portrait portraet Le_Pere_Tanguy japonisme.
Auguste Rodin, grote bewonderaar van Van Gogh, kocht dit portret.
Georg Hendrik Breitner, bevriend met Van Gogh, heeft in dezelfde tijdsperiode (1883-99) een aantal schilderijen gemaakt van meisjes in kimono’s.

Georg Hendrik Breitner heeft een aantal schilderijen gemaakt van meisjes in kimono (1883-99)
Georg Breitner, Meisje in rode kimono

Georg Hendrik Breitner heeft een aantal schilderijen gemaakt van meisjes in kimono (1883-99)
Georg Breitner, Meisje in kimono
In het Museum Boijmans in Rotterdam hangt een bijzonder schilderij van Breitner met een meisje in kimono dat een oorbel vastmaakt:

Georg Hendrik Breitner heeft een aantal schilderijen gemaakt van meisjes in kimono (1883-99)
Breitner, Het oorringetje/ Voor de spiegel

Georg Hendrik Breitner heeft een aantal schilderijen gemaakt van meisjes in kimono (1883-99)

Claude Monet, vrouw in kimono
Claude Monet, Madame Monet in rode kimono, 1876
[Vervolg op mijn Eichmann-blog van gisteren]
Een van de vele moeilijke hoofdstukken in het leven en streven van Eichmann is zijn intense samenwerking met de zionisten.
Voordat Eichmann tot organisator werd van de Holocaust zette hij zich lange tijd in voor een emigratie van alle joden naar Palestina. Hiervoor werkte hij nauw samen met zionisten.
David Cesarani in zijn Eichmann-biografie:
“[Men] wilde ernaar streven ‘het joodse vraagstuk’ in Duitsland op te lossen door een ordentelijke joodse emigratie naar Palestina te bepleiten. In 1936 en 1937 had Eichmann intensieve contacten met joden binnen de zionistische bewegingen in Duitsland. Hij had een ontmoeting met Feivel Polkes, een Palestijnse jood, die voorstelde dat de nazi’s en de zionisten zouden samenwerken om de joodse emigratie te bevorderen. In november 1937 reisde Eichmann naar het Midden-Oosten om deze mogelijkheid te onderzoeken en hij bracht een kort bezoek aan wat later de staat Israel zou worden. In deze fase combineerde hij een relatiefwelwillende kijk op het zionisme met een traditioneel antisemitisch wereldbeeld.” (p 17)
“Recentelijk opgedoken rapporten en lezingen die hij in 1937 schreef, tonen hem in de greep van een fantasie waarin sprake is van een wereldomvattende joodse samenzwering tegen Duitsland. Eichmann zag, net als zijn kameraden in de 5D, de joden als een ‘vijandelijke’ macht. Ditwas een buitengewoon onpartijdige, afgeleide vorm van jodenhaat die hem in staat stelde normale relaties met individuele joden te onderhouden, in het bijzonder met zionisten, terwijl hij onvermoeibaar werkte aan een plan het Rijk te bevrijden van zijn joodse inwoners en de strijd tegen de ‘macht’ van een mythisch, mondiaal jodendom.”
“In 1940 was Eichmann betrokken bij andere massa-verdrijvingen en hij ontwierp plannen om vier miljoen Europese joden naar Madagaskar te deporteren.”
Eichmann noemde zichzelf zelfs de nieuwe Herzl.
“Eichman zag zichzelf in die tijd zeker niet als een jodenmoordenaar. Hij was nog steeds een voorstander van joodse emigratie en hij werkte het hele jaar 1940 samen met zionistische groeperingen en joodse mensensmokkelaars die heimelijk joden naar Palestina zonden” (p 19)
“Nieuw onderzoek onthult dat de voorbereidingen voor het proces [in Jeruzalem] aan politieke bemoeienis waren onderworpen. De Israëliërs ontweken gevoelige zaken zoals het contact tussen de zionisten en Eichmann in de jaren dertig en de onderhandelingen over het lot van de Hongaarse joden in 1944 waarbij Ben-Goerion zelf was betrokken.” (p 24)
De samenwerking tussen nazi’s en zionisten is een donker hoofdstuk in de geschiedenis, ook is het nog zo goed te begrijpen dat de joden een veilige plek zochten.
Ik heb mij eerder in ander verband bezig gehouden met de problematische geschiedenis van het zionisme, waarbij ik met racistische en antisemitische gedachten bij Max Nordau, de tweede man van het zionistisch verbond na Theodor Herzl.
Ik heb met schrik vastgesteld dat Hitlers begrip van de “ontaarding” en “ontaarde kunst” een denkbeeld was die op 1000 pagina’s was uitgewerkt door een jood, de zionist Max Nordau.
Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoi, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.
De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierswerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit “maatschappelijke ongedierte” moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.
Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde “Muskeljuden” . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.
Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: ‘Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004)
Tot besluit: ik zeg NIET dat alle zionisten fascisten zijn of erger. Er zijn zeer verschillende vormen van zionisme.
Ik zeg alleen dat ook de geschiedenis van het zionisme donkere hoofdstukken bevat.
Literatuur: Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani
Zie ook hier over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis
Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde, verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.
Maria Trepp www.passagenproject.com
Eichmann staat opnieuw in het middelpunt van de openbare aandacht, door het openbaar worden van nieuwe feiten en nieuw archiefmateriaal, en door de grote tentoonstelling in Berlijn.
Eichmann is als de gewone mens die de massavernietiging administratief heeft uitgevoerd de icoon geworden van de “banaliteit van het kwaad”. Op dit begrip van Hannah Arendt is veel kritiek geweest, zie bijvoorbeeld het artikel van Peter Giesen in de Volkskrant van 9 april.Nieuw onderzoek toont aan dat Eichmann geenszins de passieve nazi-pop was tot welke bijvoorbeeld Harry Mulisch hem in “De zaak 40/61” heeft gemaakt.
Zoals de biograaf David Cesarani beargumenteert was Eichmann aan de ene kant een gewoon mens, geen satan (die de Israëlische aanklager van hem wilde maken) en was ook tijdens grote delen van zijn carrière geen uitzonderlijk fanatieke antisemiet. Eichmann was een vooral conventionele man, een opportunist en carrièrist, die met de tijd een aantal bewuste historische keuzes heeft gemaakt die hem uiteindelijk in feite een monster lieten worden.
Toen ik het boek van Cesarani las was ik verrast door een detail in Eichmanns leven waar ik weinig van wist: Eichmanns relatie met de (half-) Nederlandse nazi en Waffen-SS man Willem Sassen. [Een SS-man die Sassen heet!]Cesarani: “Sassen was in België bij verstek voor oorlogsmisdaden veroordeeld, maar bereikte in september 1948 op een schoener, en onder de schuilnaam Jacobus Jansen, Argentinië, Daar paste hij naadloos in het milieu van oud- SS’ers. Hij werd redacteur van de nieuwsbrief Der Weg, die zich richtte op de gemeenschap van naziemigranten. Der Weg […] was zo extreem rechts dat zelfs Perón kon worden overgehaald de publicatie ervan te verbieden”.“Behalve als journalist verdiende Sassen ook als ghostwriter voor oud-SS’ers en hij werkte regelmatig met Eberhard Fritsche, een voormalig medewerker van het nazistische rijksministerie van Openbare Voorlichting en Propaganda en een van Goebbels naaste medewerkers, die nu directeur van Durer Verlag was en nauw samenwerkte met Ludwig Freude. In 1955 of 956 stelde hij, met medeweten van Fritsche, Eichmann voor dat ze samen zouden werken aan een volledig verslag van de Endlosung. Het zou de ‘waarheid’ vanuit het nazistandpunt vertellen en hun aardig wat geld opleveren. De bedoeling was Eichmanns herinneringen op band op te nemen, daarbij geholpen door hedendaagse documenten en aangevuld met expertise uit de SS-gemeenschap. De banden zouden vervolgens worden uitgewerkt tot een authentiek verslag van de gebeurtenissen van iemand die daarbij een centrale rol had gespeeld.” ( p 225).Volgens Cesarani hadden Eichmann en Sassen echter elk hun eigen bedoelingen, die in feite niet met elkaar strookten. Eichmann werd volgens Cesarani gedreven door ijdelheid en was verbolgen dat zijn eigen rol in de geschiedenis niet echt was opgemerkt.“Sassen daarentegen wilde de joodse en Israëlische aanspraken op herstelbetalingen van Duitsland ondermijnen en de verantwoordelijkheid van de Duitsers voor de massamoord op de joden bagatelliseren. Een van zijn belangrijkste doelstellingen was het aantal slachtoffers van de genocide verlagen. Het andere was Hitler van blaam te zuiveren. Dus waar Sassen het aantal naar de vernietigingskampen gedeporteerde joden omlaag wilde brengen, wilde Eichmann maar al te graag over zijn succes opscheppen.”
“Ondanks beweringen dat Eichmann niet antisemitisch was, de joden niet persoonlijk haatte en nogal wat joodse medewerkers had, liet hij zich op andere rnomenten kennen als een in alle opzichten onveranderde, geen berouw tonende nazi. ‘Nee, ik heb nergens spijt van en ik ben zeker niet van plan in te binden. In de vier maanden waarin je alles weer boven hebt gehaald, waarin je hebt gepoogd mijn geheugen op te frissen, is weer een heleboel bovengekomen. Het zou voor mij te makkelijk zijn en, gezien de huidige publieke opinie, al te begrijpelijk, het spel van Saulus-wordt-Paulus te spelen. Maar je moet weten dat ik dat niet kan omdat ik in de kern van mijn wezen weiger te erkennen dat we iets verkeerds deden. Nee, laat me je in aIle eerlijkheid zeggen dat als van de 10,3 miljoen joden over wie (de statisticus) Korherr spreekt, zoals we nu weten, als we er 10,3 miljoen hadden vermoord, dan zou ik tevreden zijn. Ik zou zeggen: “Uitstekend. We hebben een vijand uitgeroeid”. “”Alles bijeen namen Sassen en Eichmann in vijf maanden tijd niet minder dan zevenenzestig banden op. Hiervan werd een typo script van 695 pagina’s gemaakt waaraan Eichmann nog tachtig pagina’s handgeschreven aantekeningen toevoegde.”Sassen schreef artikelen voor Der Stern en Life, die later, ondanks Eichmanns protest, als bewijsmateriaal bij het Jeruzalemproces werden gebruikt. Maar de banden zelf met de gesprekken tussen Sassen en Eichmann werden pas zo laat als bewijsmateriaal voor het proces aangedragen, dat de rechters alleen maar een heel klein gedeelte van het materiaal als bewijsmateriaal toelieten namelijk Eichmanns handgeschreven aantekeningen en kanttekeningen.
Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani, citaten p 225 ff.
Zie ook over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis
Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde, verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.
Het Rijksmuseum laat een tentoonstelling zien “De Hollandse wildernis” over duinlandschappen in de 17e eeuw.
Bij “wildernis” moet ik aan een blogtitel van mij zelf denken, ik had ooit een blog geplaatst “Wuivende ruigte” over wilde rietlandschappen.
En nu hier op deze blog krijgen jullie geschilderde duinlandschappen uit de 20ste eeuw voorgeschoteld, te beginnen met James Ensor.

James Ensor, Duinlandschap

Jan Toorop, Duinen en zee in Zoutelande, 1907

Piet Mondriaan, Duin II, 1909
Toorop en Mondriaan waren van af 1908 beviend met elkaar. Toorop was bekend met het pointillisme van Seurat, en dat is hier op deze schilderijen ook terug te zien.
De abstractie van Toorop en van Mondriaan is in veel aspecten symbolistisch. Ze schilderden de natuur vanuit een bepaalde opvatting van de kunst en de wereld. Meer dan een getrouwe weergave van de werkelijkheid zijn de landschappen van symbolisten een reflectie van de gevoelens die de natuur opriep bij de kunstenaar. ( zie ook: Dreams of nature. Symbolisme van Van Gogh tot Kandinsky). Zowel Toorop alsook Mondriaan waren bezig met een zoektocht naar een manier om het hogere en het spirituele uit te drukken. “De veranderingen die omstreeks 1908 in Mondriaans werk aan de dag treden hangen nauw samen met zijn ideeën over de rol van de kunst in het bewustwordingsproces van de mensheid. Onder invloed van theosofische ) literatuur probeerde hij vanaf die tijd steeds meer los te komen van de zichtbare werkelijkheid en vorm te geven aan de essentie van de dingen. (…)“
In de tentonstelling “Voorbij de horizon” in het Gemeentemuseum Den Haag hingen meerdere schitterende duin-schilderijen van Mondriaan.
“Felgekleurd, stemmig, woest, vriendelijk, vlak, glooiend, figuratief, abstract twee- én driedimensionaal: het landschap doet zich in de moderne kunst op vele manieren voor. Van landschappen vol dramatiek en emotie in de romantiek tot volledig abstracte werken in de jaren zestig van de twintigste eeuw, waarbij de land art kunstenaars het fysieke landschap gebruiken als drager voor een kunstwerk. De tentoonstelling Voorbij de horizon toont hoe de verbeelding van het landschap de laatste twee eeuwen is veranderd en hoe de manier waarop het landschap werd weergegeven exemplarisch was voor de gedachten over kunst en de verbeelding van de realiteit in een bepaalde tijdgeest.
Mondriaan vervaardigde aan het begin van de twintigste eeuw enkele zonovergoten luministische duinlandschappen. In deze werken experimenteerde hij met de weergave van licht, zowel boven de horizon als gereflecteerd in zee.”
“Duin I”, “DuinII”en “Duin III” hangen hier naast elkaar:

Piet Mondriaan, Duin I

Piet Mondriaan, Duin II

Piet Mondriaan, Duin III
In de tentoonstelling “Cézanne Picasso Mondriaan in nieuw perspectief”, ook in het Haagse Gemeentemuseum, waren twee schitternde duinlandschappen van Mondriaan in zeer groot formaat te zien:

Piet Mondriaan, Duinen bij Domburg, 1910

Piet Mondriaan, Duinlandschap, 1911
Uit de Catalogus bij de tentoonstelling:
“[..] Duinlandschap is een [..] voorbeeld van wat Modriaan begreep als ‘kubisme’.
Zoals in het luminisme de schildertoets, de kleur, uit elkaar genomen en ‘gedivisioneerd’ werd (zoals dat heette), zo ‘divisioneerde’ Mondriaan de vorm van het uitgestrekte en kale duingebied bij Vrouwenpolder, met uitzicht over het Veerse gat op de kust van Noord-Beveland. De opbouw van deze voorstelling is een combinatie van schichtige hardgroene en fel blauwe driehoeken, doorschoten met zacht violette banen,in de lucht voor de wolken en in het landschap voor de duinen.
Opvallend zijn de vinnige, korte, evenwijdig lopende verfstreken waaruit alle facetten zijn opgebouwd. Met name de harde combinatie van het blauw en het groen bracht hem in de buurt van de door hem bewonderde Van Dongen en van Sluijters. Ook zij maakten in hun recente werk gebruik van die harde, vlakke kleurencombinatie. Maar juist de ontstane afwijking van de natuurlijke vorm bracht Mondriaan in Duinlandschap ook dicht in de buurt van een streven naar abstractheid, van meer en meer vergeestelijking. Want het moderne, het vergeestelijkte, moet zich niet alleen in symbolen, maar ook in lijnen openbaren.” ( p 64)
En hier Jan Sluijters met zijn duinlandschap van 1909:

en hier nog een duinlandschap van Paul Klee:

Paul Klee duinlandschap
Langs het fietspad van Leiden naar Warmond (lange bocht Merenwijk) staan over een lengte van meerdere honderd meters de charmante mooie, fragiele kievietsbloemen.

Kievitsbloem fritillaria Leiden

Kievitsbloem fritillaria Leiden

Kievitsbloem fritillaria Leiden

“Snakes head” heet deze bloem in het Engels
De kievitsbloem die via de natuurwetenschapper Olof Rudbeck van Leiden in Zweden is terecht gekomen dient daar zelfs als symbool en de landschapsbloem “Kungsängsliljan” van Uppland.
In de Leidse Hortus zijn nog meer soorten van fritillaria’s te zien.

Fritillaria Thunbergii uit Japan

Fritillaria verticillata uit China

Fritillaria Imperialis Aurora Keizerskroon

Vincent van Gogh, Fritillarias in een koperen vaas, 1887
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
Inas prachtige blog met magnolia-knoppen als flamingo-koppen brengt me weer terug bij een van mijn lievelingsthema’s: Alice in Wonderland; voor liefhebbers van het surrealisme en van droomwerelden DE basistekst.

Hier de tekst van Lewis Carroll met illustraties van Pat Andrea (gezien in het Gemeentemuseum 2008) over het croquetveld met levende flamingo’s als hamers en egels als ballen:
“Alice thought she had never seen such a curious croquet-ground in her life; it was all ridges and furrows; the balls were live hedgehogs, the mallets live flamingoes […]
The chief difficulty Alice found at first was in managing her flamingo: she succeeded in getting its body tucked away, comfortably enough, under her arm, with its legs hanging down, but generally, just as she had got its neck nicely straightened out, and was going to give the hedgehog a
blow with its head, it WOULD twist itself round and look up in her face, with such a puzzled expression that she could not help bursting out laughing: and when she had got its head down, and was going to begin again, it was very provoking to find that the hedgehog had unrolled itself, and was in the act of crawling away: besides all this, there was generally a ridge or furrow in the way wherever she wanted to send the
hedgehog to, and, as the doubled-up soldiers were always getting up and walking off to other parts of the ground, Alice soon came to the conclusion that it was a very difficult game indeed.
[…]
The hedgehog was engaged in a fight with another hedgehog, which seemed to Alice an excellent opportunity for croqueting one of them with the other: the only difficulty was, that her flamingo was gone across to the other side of the garden, where Alice could see it trying in a helpless sort of way to fly up into a tree.
By the time she had caught the flamingo and brought it back, the fight was over, and both the hedgehogs were out of sight: ‘but it doesn’t matter much,’ thought Alice, ‘as all the arches are gone from this side of the ground.’ So she tucked it away under her arm, that it might not escape again, and went back for a little more conversation with her
friend.
[…]
‘I dare say you’re wondering why I don’t put my arm round your waist,’ the Duchess said after a pause: ‘the reason is, that I’m doubtful about the temper of your flamingo. Shall I try the experiment?’
‘HE might bite,’ Alice cautiously replied, not feeling at all anxious to have the experiment tried.
‘Very true,’ said the Duchess: ‘flamingoes and mustard both bite. And the moral of that is–”Birds of a feather flock together.”‘
‘Only mustard isn’t a bird,’ Alice remarked.
‘Right, as usual,’ said the Duchess: ‘what a clear way you have of putting things!’
‘It’s a mineral, I THINK,’ said Alice.”

Illustratie Pat Andrea
Meer over Alice in Wonderland/Pat Andrea
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
Het fantastische werk van Ensor (nu tentoongesteld in Den Haag) herinnert in sommige aspecten aan Jeroen Bosch.
Net als Bosch heeft Ensor de val der opstandige engelen geschilderd.

Jeroen Bosch, Val van de opstandige engelen
Jeroen Bosch maakt een overgang van engel naar duivel door de vallende engelen tot insectenmensen te transformeren.

Jeroen Bosch, Gevallen engel/insectenmens

Jeroen Bosch, Insectenmens
In Ensors val van de engelen zijn engelen noch duivels te onderscheiden; het schilderij is een Turneriaanse licht-vuurzee.

James Ensor, Val der opstandige engelen
Maar in een vrolijk zelfportret heet Ensor zichzelf als
insectenmens weergegeven.

De informatie van het museum bij deze prent luidt:
“In de prent “Zonderlinge insecten” refereert Ensor aan een passage uit “Die Launen der Verliebten” van Henrich Heine, waarin een kever verliefd is op een vlieg. De libel links, met de kop van Mariette Rousseau kijkt in de richting van een kever met de kop van Ensor, die verlegen voor zich uit blikt.”
|
Die Launen der Verliebten
Heinrich Heine
Mich lockt
nicht Gold, Rubin und Smaragd;
Ich weiß, daß Reichtum nicht glücklich macht.
Nach Idealen
schwärmt mein Sinn,
Weil ich eine stolze Fliege bin. –
Der Käfer
flog fort mit großem Grämen;
Die Fliege ging ein Bad zu nehmen.
Wo ist denn
meine Magd, die Biene,
Daß sie beim Waschen mich bediene;
Daß sie mir streichle
die feine Haut,
Denn ich bin eines Käfers Braut.
Wahrhaftig,
ich mach eine große Partie;
Viel schöneren Käfer gab es nie.
Sein Rücken
ist eine wahre Pracht;
Da flammt der Rubin, da glänzt der Smaragd.
Sein Bauch
ist gülden, hat noble Züge;
Vor Neid wird bersten gar manche Schmeißfliege.
Spute dich,
Bienchen, und frisier mich,
Und schnüre die Taille und parfümier mich;
Reib mich
mit Rosenessenzen, und gieße
Lavendelöl auf meine Füße,
Damit ich
gar nicht stinken tu,
Wenn ich in des Bräutgams Armen ruh.
Schon
flirren heran die blauen Libellen,
Und huldigen mir als Ehrenmamsellen.
Sie winden
mir in den Jungfernkranz
Die weiße Blüte der Pomeranz.
Viel
Musikanten sind eingeladen,
Auch Sängerinnen, vornehme Zikaden.
Rohrdommel
und Horniß, Bremse und Hummel,
Die sollen trompeten und schlagen die Trummel;
Sie sollen
aufspielen zum Hochzeitfest –
Schon kommen die bunt beflügelten Gäst,
Schon kommt
die Familie, geputzt und munter;
Gemeine Insekten sind viele darunter.
Heuschrecken
und Wespen, Muhmen und Basen,
Sie kommen heran – Die Trompeten blasen.
Der Pastor
Maulwurf im schwarzen Ornat,
Da kommt er gleichfalls – es ist schon spat.
Die Glocken
läuten, bim-bam, bim-bam –
Wo bleibt mein liebster Bräutigam? – –
Bim-bam,
bim-bam, klingt Glockengeläute,
Der Bräutgam aber flog fort ins Weite.
Die Glocken
läuten, bim-bam, bim-bam –
Wo bleibt mein liebster Bräutigam?
Der
Bräutigam hat unterdessen
Auf einem fernen Misthaufen gesessen.
Dort blieb
er sitzen sieben Jahr,
Bis daß die Braut verfaulet war. |
Voor literaire voorbeelden van insecten met menselijk gedrag uit de tijdsperiode van Ensor zie ook (voor een vrolijke variante) Lewis Carroll, Alice in Spiegelland, hoofdstuk “Looking-Glass Insects”; en voor de klassieke nachtmerrie over een menselijk insect zie Kafka’s Gedaanteverwisseling.
Ook Voltaire schrijft uitgebreid over de mensen als insecten in zijn sciencefiction Micromégas.
Het hele sciencefiction genre zijn is in feite vol van insectoiden:
Insectoid aliens are commonly found in science fiction, being featured in classic sci-fi novels like Starship Troopers and Ender’s Game, as well as television shows such as Star Trek and Doctor Who. They also make an appearance in classic games such as Starflight, modern games like StarCraft and Warhammer 40,000 as well as the Star Wars universe. Examples of insectoid aliens in sci-fi anime are the “Uchuu Kaijuu” (“Space Monsters”) from Gunbuster and the “Vajra” from Macross Frontier. (wikipedia)
Maria Trepp
Ina Dijstelberge heeft vandaag een wondermooi blog met hertje en stilte.
Hier als aanvulling op Inas blog de episode tussen Alice en het hertje uit “Alice in Spiegelland”.
“Hoe noem jij jezelf?” zei het Hertje tenslotte.
Hij had zo’n lieve stem!
“Ik wou dat ik het wist”, dacht de arme Alice. Ze antwoordde bedroefd:
“Nou, niks.”
“Denk nog eens na”, zei het Hertje,”want dit kan zo niet.”

Pat Andrea heeft de ontmoeting tussen Hertje en Alice erg goed weergegeven, als versmelten tussen mens en beest: zonder taal kan men versmelten met de natuur.
De hele episode in het Engels:
“Alice reached the wood: it lookedvery cool and shady. ‘Well, at any rate it’s a great comfort,’ shesaid as she stepped under the trees, ‘after being so hot, to get into the–into WHAT?’ she went on, rather surprised at not being able to think of the word. ‘I mean to get under the–under the–under THIS, you
know!’ putting her hand on the trunk of the tree. ‘What DOES it call itself, I wonder? I do believe it’s got no name–why, to be sure it hasn’t!’
She stood silent for a minute, thinking: then she suddenly began again.
‘Then it really HAS happened, after all! And now, who am I? I WILLremember, if I can! I’m determined to do it!’ But being determined didn’t help much, and all she could say, after a great deal of puzzling, was, ‘L, I KNOW it begins with L!’
Just then a Fawn came wandering by: it looked at Alice with its large gentle eyes, but didn’t seem at all frightened. ‘Here then! Here then!’ Alice said, as she held out her hand and tried to stroke it; but it only started back a little, and then stood looking at her again.
‘What do you call yourself?’ the Fawn said at last. Such a soft sweet voice it had!
‘I wish I knew!’ thought poor Alice. She answered, rather sadly, ‘Nothing, just now.’
‘Think again,’ it said: ‘that won’t do.’
Alice thought, but nothing came of it. ‘Please, would you tell me what YOU call yourself?’ she said timidly. ‘I think that might help a little.’
‘I’ll tell you, if you’ll move a little further on,’ the Fawn said. ‘I
can’t remember here.’
So they walked on together though the wood, Alice with her arms clasped lovingly round the soft neck of the Fawn, till they came out into another open field, and here the Fawn gave a sudden bound into the air, and shook itself free from Alice’s arms. ‘I’m a Fawn!’ it cried out in a voice of delight, ‘and, dear me! you’re a human child!’ A sudden look of alarm came into its beautiful brown eyes, and in another moment it had darted away at full speed.
Alice stood looking after it, almost ready to cry with vexation at having lost her dear little fellow-traveller so suddenly. ‘However, I know my name now.’ she said, ‘that’s SOME comfort. Alice–Alice–I won’t forget it again.”

Klassieke afbeelding van Tenniel.
Hier mijn eerdere Lewis Carroll/Pat Andrea-blogs

Ik ben erg blij over het nieuwe conceptwetsvoorstel van PH Donner over de partijfinanciering. Politieke partijen moeten duidelijk maken waar zij hun geld vandaan halen en moeten bij giften vanaf duizend euro bekendmaken wie de gever is. De giften en de donateurs moeten in de jaarverslagen worden opgenomen. Daarnaast komt er een openbaar register met alle giften boven de 4.500 euro.
De Raad van Europa en de Algemene Rekenkamer hebben er al vanaf 2008 bij het kabinet aangedrongen om maatregelen te nemen. De meeste andere Europese landen kennen regels voor partijgiften.
Het nieuwe wetsvoorstel is streng: in Duitsland moeten de giften pas vanaf 10.000 euro openbaar worden gemaakt.
De PvdA eist er zelfs dat er een verbod komt voor Nederlandse politieke partijen op het aannemen van giften uit het buitenland, met name omdat de PVV van Geert Wilders veel geld zou krijgen van financiers uit de Verenigde Staten of Israël. De conservatieve islamcriticus Daniel Pipes uit Philadelphia vertelde de NRC dat hij „een bedrag van zes cijfers” voor Wilders had opgehaald.
Volgens PvdA-Tweede Kamerlid Pierre Heijnen kennen verscheidene andere landen al een verbod op buitenlandse sponsoring (ik weet niet welke landen hij bedoelt).
De planeet Mercurius wordt het komende jaar minutieus doorgelicht en opgemeten door de ruimtesonde Messenger.

Mercurius
In de 17e eeuw waren veel onderzoekers en filosofen van mening dat op de planeten intelligent leven existeert.
Christiaan Huygens neemt in zijn “Cosmotheoros“, zijn laatste tekst (1698), planeet voor planeet onder de loep en denkt na of en hoe intelligent leven op zo’n planeet eruit ziet.
Huygens ergert zich zeer aan de jezuiet Athanasius Kircher die de karakter van planeten schetst met de astrologisch-mythologische kennis in zijn hoofd:
“In Merkurius vond hy [Athanasius Kircher] ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden.”
Huygens daarentegen gebruikt zijn astronomische kennis om tot gissingen over de aard van de Mercuriusbewoners te komen.
Op Mercurius moet het erg heet zijn, schrijft Huygens, omdat deze zich zo dicht bij de zon bevindt. Maar hij sluit niet uit de wezens op Mercurius aan die hitte zijn aangepast, en dus over ons op Aarde een beetje zo denken als wij over de Saturnus -bewoners: hoe koud en donker moet het daaaar voor hen niet zijn!
Huygens:
“…wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [de zon] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middellijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen?”

Dus zijn de Mercuriusbewoners soms slimmer dan de Saturnusbewoners? Nee, dat wil Huygens niet geloven:
“Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert.”
Immanuel Kant heeft een tekst over het Heelal geschreven (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels) , waar hij bewonderend op Huygens ingaat. Een satirisch aanhangsel bij deze tekst “Von den Bewohnern der Gestirne“ wordt door veel mensen serieus genomen, maar ik lees deze tekst als parodie op Huygens.
Kant draait hier Huygens’ argumentatie [=de afstand van de zon maakt voor de intelligentie niets uit] parodistisch om: hoe verder weg van de zon, hoe intelligenter de planetenbewoners. Kant komt tot de satirische conclusie, dat voor de domme Mercurianer een hottentot al een genie zoals Newon zou zijn, en de Saturnusbewoners Newton als een domme aap zouden beschouwen…
Buitenaards cultuurrelativisme. Met de impliciete verachting voor de Afrikanen bij Huygens en Kant moeten we maar leven.
Uitvoeriger over Kants Huygens-parodie: klik hier voor mijn Duitse tekst
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
Aanvullend bij Jeroen de Baaijs blog over de Venus van Milo:

Hier de “Gerestaureerde Venus“ van Man Ray (1936/1971)
Man Ray werkte met een afgietsel van een klassiek beeld.
Als “restauratie” snoerde Man Ray de torso in, met touwen als een modern corset.
De touwen staan deze torso bijzonder goed. Zij snoeren niet in; zij spelen om de Venus heen en passen zich aan haar vormen aan.
Het touw lijkt er niet ruw maar zacht en heeft veel van een sieraad of van abstracte plooien.
Man Ray heeft het Venus-motief ook nog op andere wijze verwerkt op foto’s (zie het Man Ray beeld-archief)
Naast deze Venus van Man Ray stonden in het Museum Boijmans twee interessante surrealistische Venus-beelden van Dalí (die ook elders veel met Venusmotieven heeft gespeeld, net zoals of nog meer als Man Ray):
De “Otorhinologische kop van Venus” 1964/1970 waar Dalí bij een Venus-afgietsel oor en neus verruilde


en “Venus van Milo met laden” (1936/1970).
Volgens de uitleg van het museum moeten de laden begrepen worden als een verwijzing naar het model van Sigmund Freud; maar ik vind het veel leuker om te denken, dat Dalí uitging van associaties die het lichaam oproept: tepels, navel, knie als zachte knoppen van laden….
en daarnaast is er misschien ook nog de verwijzing naar de overbekende en veel gekopieerde Venus als een meubelstuk…en of/ de echtgenote als een meubelstuk?
Hier een Venus uit het Museum Beelden aan Zee in Scheveningen.

Jan Meefout, Venus ( Cararra marmer, 1984)
Meefouts Venus ligt er mooi in een bed van golvend zand dat haar haar verlengd, voor het raam dat naar de duinen uitkijkt.

De andere Venus zat voor een spiegel in het Museum Rijswijk en is gemaakt van kranten en plakband.

Richard Mens, Venus 26007 na Willendorf (klik hier voor de Venus van Willendorf)
Dit beeld is één van de vele fascinerende papierkunstwerken die in Rijswijk werden getoond in het kader van de Holland Papier Biënnale

Een zeer geestige Venus heb ik overigens eerder gezien in het Museum Beelden aan Zee:
Yannick Vu, Venus cactus, 1985
Maria Trepp
….en niet te vergeten de “Balloon Venus”van Jeff Koons, vanaf 20 juni 2012 te zien im Liebieghaus in Frankfurt


Arte Povera Lompenvenus

Vuurtoren in Scheveningen 29-12-2010

Vuurbaak Katwijk

James Ensor, Vuurtoren van Oostende

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle, 1909
Mondriaan heeft er nog meer versies van gemaakt, zowel tekeningen als schilderijen.

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle

Piet Mondriaan, Vuurtoren bij Westkapelle, 1909
en hier nog een uit de 19e eeuw:

William Turner, Vuurtoren van Shields met volle maan, 1826
Kranten en blogs berichten over de NASA Stardust-missie langs de komeet Tempel 1- voor mij een gelegenheid om uit het perspectief van de zeventiende eeuw over kometen te schrijven.
In de zeventiende eeuw werden ongewone natuurverschijnselen zoals kometen op een nieuwe wijze geïnterpreteerd.
Eric Jorink over deze tijdsperiode in “Van omineuze tot glorieuze hemeltekens”: “Overal in Europa werd de komeet door natuurfilosofen, theologen en leken nauwlettend gevolgd, en verschenen er honderden verhandelingen waarin men speculeerde over de aard en – vooral- de betekenis van dit wonderbaarlijke hemelteken.”
Jorink citeert ook Christaan Huygens, die op 27 december 1680 vanuit de Académie des Sciences in Parijs aan zijn vader Constantijn schreef:
“Ik heb nog nooit een komeet van een dergelijke grootte gezien. Vandaag was rondom het observatorium hier een enorme menigte mensen verzameld, die geloofde dat de astronomen dit verschijnsel konden verklaren, en de betekenis ervan konden geven”.
En C.D. Andriesse citeert in zijn Huygens-biografie ook uit deze brief van Christiaan Huygens:
“Er is al enige tijd sprake van een komeet, maar tot gisteravond kon men hier niets zien. Tegen 5 uur, toen de hemel was opgeklaard, stond ze daar, verbazend helder en de erg lange staart (praktisch over de halve hemel) was markant. Zo’n sterke komeet heb ik van mijn leven niet gezien.“
Huygens senior wijdde een gedicht, Cometen-werck, aan het opmerkelijke fenomeen:
|
Ick vraegh, waer hoort sij thuijs die vreeslicke Comeet,
Daer elck soo veel af snapt en elck soo weinigh weet
Sij wandelt om en om: wie dreight sij meer of minder
Een Coningh sterft in ‘t Oost: daer over treurt men ginder.
|
Andriesse: “De vraag was of de komeet die in december ineens boven Parijs verscheen, ook al kort gezien was in november. [Huygens] dacht van niet. Evenals Giovanni Cassini en zovele anderen hield hij vast aan het vooroordeel dat kometen langs rechte lijnen gingen. Maar die van november was, langs de zon scherend, van richting veranderd om een maand later weer in de buurt van de Aarde te komen. […] “
In zijn Cosmotheoros en ook in andere schriften valt Huygens Descartes aan, en diens hypothese over kometen, maar zelf had Huygens het ook niet goed doorzien. Het was Newton die in zijn Principia de parabolische baan van de komeet (later genoemd Halley-komeet) beschreef.
Jorink:
“[…] de komeet van 1680-1681 wordt algemeen gezien als een keerpunt in het denken [over kometen]. In deze jaren publiceerden de Franse filosoof Pierre Bayle en de Nederlandse predikant Balthasar Bekker hun geruchtmakende aanvallen op wat zij als achterlijk bijgeloof beschouwden. Hun destijds heftig omstreden geschriften worden dan ook veelal gezien als een radicale breuk met het verleden en als het begin van de Verlichting. Het werk van Bayle en Bekker wordt vaak in direct verband gebracht met de observaties die de befaamde natuurfilosofen Isaac Newton en Edmund Halley van de komeet verrichten. Na veel rekenwerken concludeerden de Engelsen dat deze een parabolische en dus voorspelbare baan moest doorlopen. Ook hun activiteit wordt gezien als een breuk met het verleden.”

Komeet in het het tapijt van Bayeux

Giotto, Komeet over de stal van Bethlehem

William Turner, Komeet, 1858

Wassily Kandinsky, Komet, 1900
Hier nog een prachtige time lapse van komeet Lovejoy;
Maria Trepp
Mijn zwarte hond houdt van zwarte kraaien, net als ik.
Hier hond en kraaien en een blog over de kraai in de kunst.

Zwarte hond en zwarte kraaien

Tussen het Centraalstation in Den Haag en de Academie van de Kunsten zweeft een grote, dreigende maar ook schaduw-gevende kraai in de bomen, gemaakt door Henk Rijzinga, die zegt: “De kraai is een slimme dief, die altijd langer leeft dan het kadaver waar hij bij zit.”

Een andere kunstenaar, Florentijn Hofmann, maakte in 2006 een grote kraai die in Leiden op het waaghoofd stond. Deze zwarte kraai, die in 2006 een zwerftocht maakte langs verschillende steden, staat nu bij het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam .
Een kraai kraait niet, maar krast. Het “kraa-kraa-kraa” werd vroeger begrepen als “cras-cras-cras” wat “morgen” betekent in het Latijn. Deze zondige duivelsvogel moedigde dus de mensen aan om het zondenbekentenis op te schorten tot “morgen” – en dat was voor Christenen zeker niet de bedoeling.
Een symbolische ambivalent-positieve betekenis heeft de kraai in Lewis Carrolls “Alice in spiegelland”.

[Illustratie Pat Andrea]
In het hoofdstuk “Twiedeldum en Twiedeldie” maakt een kraai de ruziemakenden Twiedeldum en Twiedeldie bang zodat zij ophouden te vechten:
“Just then flew down a monstrous crow,
As black as a tar-barrel;
Which frightened both the heroes so,
They quite forgot their quarrel.”
“Een angstaanjagende kraai vloog langs,
Zo zwart als roet en leer.
Dat maakte onze helden bang
En ze ruzieden niet meer.”
(vertaling Sofia Engelsman)
“Toen vloog een zwarte kraai voorbij
Een kraai zo godverlaten
Dat beide helden vechtpartij
En ruzie prompt vergaten.”
(vertaling Nicolaas Matsier- zeer elegant)
Angst voor een derde, dat helpt elke ruzie… tussen vrienden, partners, en in een land…..
Of: het perspectief van de dood maakt heel veel dingen triviaal.
E 
Vincent van Gogh, Korenveld met kraaien, 1889

Ohara Koson, kraai, ca 1910
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
“Wetenschap en schoonheid” is een actueel thema (zie de tentoonstelling in het Museum Boijmans).
Het waarnemen en beschrijven van schoonheid is een hoofdelement in Christiaan Huygens’ laatste tekst, “Cosmotheoros” (1698, zie hier voor een uitvoerige inleiding en samenstelling van eerdere blogs).
“Cosmotheoros” is een lange brief van Christiaan Huygens aan zijn oudere broer Constantijn jr., Christiaans vriend, vertrouwde en naaste medewerker. In het begin van deze openbare brief geeft Huygens zijn motivatie om te schrijven. Hij haalt hierbij de astronoom Archytas aan, die had gezegd:
“By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen”.
Dus Huygens wil in zijn laatste tekst vooral vertellen over al de schoonheid die hij had waargenomen.
Hij beschrijft de schoonheid en de versieringen (planten, beesten) op Aarde, en het vermogen van de mens om schoonheid te genieten: “[De mens] bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; [hj] eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; [..] schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen.”

schoonheid Foto Maria Trepp
Tegelijk komt Huygens er altijd op terug: deze schoonheid kan niet alleen voorbehouden zijn aan onze Aarde, deze schoonheid zal zeker op de andere planeten en in andere sterrenstelsels ook te vinden zijn:
“Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde?”
En schoonheid alleen op de planeten is niet genoeg, Huygens is er van overtuigd dat er ook bewoners moeten zijn die de schoonheid kunnen waarnemen:
“[…] dat in die gewesten [=op de planeten] aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen”.

Alien astronoom foto: Maria Trepp
En om schoonheid waar te kunnen nemen moet men kunnen zien (al schrijft Huygens later ook uitvorig over de schoonheid van muziek). Het vermogen om te zien is voor Huygens van hoogste waarde; bij de mensen, en bij de “planetenbewoners”, die naar zijn mening dus ook zeker ogen moeten hebben:
‘”En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.”
De ware schoonheid wordt naar Huygens niet door de naïeve beschouwer waargenomen, maar door de wetenschapper:
“Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnigere denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten?”
Het criterium van schoonheid past hij toe als hij nadenkt over het voorkomen van water op andere planeten: het zou vanwege de schoonheid doorzichtig moeten zijn:
“Ik zegge nogtans niet dat dat Water [op de planeten] het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is.”
Toch vindt hij dat men schoonheid niet met conventie moet verwarren. Als de planetenbewoners anders uitzien dan wij, dan mogen wij hun niet om esthetische redenen kleineren:
“Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt, die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.”
We mogen ook niet denken, dat de “dwaalsterrelingen”, de planetenbewoners, alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen:
“Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?”

foto: Maria Trepp
Ergerlijk vindt Huygens het, als men, zoals de jezuïet-astroloog Athanasius Kircher, alleen de planeet Venus schoonheid toe wil schrijven, en Huygens’ lievelingsplaneet Saturnus als vies en lelijk neerzet. Nee, juist de grote planeten Saturnus en Jupiter met vele manen en Saturnus met zijn ring- die zijn pas mooi!

En Huygens besluit zijn laatste tekst “Cosmotheoros” met het beschrijven van andere sterrenstelsels:
“Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.”
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
Vandaag 5-2-1011 schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”
Hij schrijft:
“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”
Zijn ironie is prachtig en doet mij denken aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.
Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.
Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros” lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

Alien astronoom na Christiaan Huygens. Foto: Maria Trepp
In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.
Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.

Alien foto Maria Trepp
Alien ontbijt
Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“
Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef – hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.

Alien music Foto Maria Trepp
Zie ook:
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
Het Holocaust-monument in Berlijn is een controversieel monument. Het meest problematisch zijn de duizenden touristen die zich picknickend, zingend, joelend en vermakend om en op het monument bevinden.
Het monument bestaat uit 2711 betonblokken variërend in hoogte van 20 cm tot 4,5 meter met een tussenruimte van 95 cm. Onder het veld met de blokken is een expositieruimte ingericht. De Amerikaanse architect Peter Eisenman heeft het monument ontworpen.
Door toeval bevond ik mij in augustus bij volle maan s’avonds naast dit monument.
Het was heel stil.
We zagen bijna niemand.
Het is zeer moeilijk te beschrijven hoe het voelde.
Ik kan het iedereen aanbevelen om het monument s’nachts te bezoeken.



Ach, arme maan,
wat heb je toch al veel gezien.
,,
Hier nog een tekst van de Leidse Cleveringhoogleraar Hans Blom over de Holocaust:
We werkten mee aan de vervolging
[de Volkskrant 1 mei 2010]
We neigen ertoe de Holocaust te zien als iets dat zich buiten ons om voltrok. Maar het was ook gewoon mensenwerk.
HANS BLOM
Het blijft een schokkend gegeven: van de omstreeks 500 Joden die in 1942/1943 in Leiden woonden zijn er zeker 270 vermoord. Alle reden om voor hen een gedenkteken op te richten. Maar er is meer dan alleen die herinnering aan de vermoorde, gedeporteerde en op de vlucht gedreven medeburgers. Er is het even schokkende gegeven dat dit gebeurde in de stad Leiden, waar zoiets nog maar kort daarvoor volstrekt ondenkbaar was geweest. Bij dát vraagstuk wil ik vandaag kort stil staan. De stad Leiden die een traditie van asielverlening wil hooghouden, dient zich rekenschap te blijven geven van het feit dat deze deportatie zich in de eigen gemeenschap voltrok.
Natuurlijk, het is niet in Leiden bedacht. Het is ook niet in Nederland bedacht. Het is evident een gevolg van het feit dat het in Duitsland aan de macht gekomen nationaal-socialisme Nederland had bezet en de verwijdering en uiteindelijke uitroeiing van de Joden als doelstelling had en tot uitvoering bracht. Daar lag de wil, daar lag het initiatief en de uiteindelijke basis voor de praktijk van registratie, isoleren, beroven, deportatie en tenslotte, meestal buiten Nederland, vermoorden. Maar het is veel te gemakkelijk het te laten bij het wijzen naar de evidente externe daders en hun interne handlangers en die als het ultieme kwaad aan te merken dat alles veroorzaakte.
Het daar bij laten, gaat voorbij aan de gecompliceerdheid van het historisch proces waarin altijd vele factoren een rol spelen. Zoals het feit dat dit nationaal-socialistische vernietigings-antisemtisme tenminste ten dele wortelt in een eeuwenoude Europese traditie van uitsluiting van Joden, ook in Nederland. Het neigt er ook toe de Holocaust of Shoah te zien als iets dat zich min of meer als een natuurramp buiten ons om onontkoombaar voltrok. Maar dat miskent dat geschiedenis in de letterlijke betekenis van het woord mensenwerk is. Geschiedenis gáát niet alleen over mensen, maar wordt ook gemaakt door mensen, individueel en groepsgewijze. De dynamiek van het historisch proces wordt in essentie bepaald door de eindeloze interactie van onuitputtelijke reeksen menselijk handelingen en beslissingen (ook om dingen niet te doen). Die mensen handelen bewust, onbewust en vooral in gecompliceerde mengvormen daarvan. Zij beslissen individueel, maar tegelijk in een enorme variëteit van groepen. Zelfs als het in de uiterlijk vorm om zogenaamde anonieme instituties gaat, gaat het uiteindelijk toch steeds om menselijk handelen. Dat geldt ook voor meestal moeiteloos gehanteerde abstracte begrippen om de werkelijkheid van het verleden aan te duiden, zoals de Shoah: het blijven reeksen van menselijk handelen.
In dit verband is ook van belang vast te stellen dat elke historische situatie in beginsel open is. Het vervolg staat niet vast. De geschiedenis voltrekt zich niet gedetermineerd. Zij is weliswaar niet omkeerbaar, maar zij was nooit bij voorbaat onvermijdelijk, hoezeer dat soms ook zo lijkt. In de praktijk zijn de marges soms smal, maar al die menselijke beslissingen en handelingen, die in interactie de voorzetting van het historisch proces bepalen, beïnvloeden die feitelijke voorzetting. Zij doen er dus toe.
Dit drukt ons met de neus op ieders individuele verantwoordelijkheid in het historisch proces. Indien ons handelen volstrekt gedetermineerd zou zijn, voltrekt de werkelijkheid zich buiten ons om, zijn wij speelbal. Maar de betekenis van beslissingen, keuzen dus, op alle niveaus is aantoonbaar. De ten minste relatieve openheid van elke historische situatie is zo tevens de voorwaarde voor een samenleving waarin mensen ook verantwoordelijk zijn voor hun handelen, de genoemde smalle marges ten spijt. Dat is behalve een mooie ook een beangstigende gedachte. Zij brengt ons na dit rijkelijk abstracte betoog ook terug bij de werkelijkheid van het verleden van oorlog, bezetting en vervolging tot en met massamoord.
Die harde werkelijkheid van toen laat zien dat tal van Nederlandse instellingen, ook in Leiden, hebben meegewerkt aan het proces van vervolging. De locatie van twee koffers van het monument bij het voormalig politiebureau, dat als het zenuwcentrum van de praktische operatie van het ophalen van de Joden in Leiden kan gelden, wil daarop attenderen. Het is van belang er op te wijzen dat dit niet beoogt te zeggen dat de Leidse politie de enige, of zelfs maar de belangrijkste, handelende instantie was.
Integendeel, dat meewerken geldt voor de hele toenmalige overheid als institutie, met de bevolkingsregistratie als ander aansprekend voorbeeld. Het belang van het onderkennen van het element van menselijk handelen springt ook in het oog als men bedenkt dat er tevens individuen in die instituties werkzaam waren die anders kozen: de politiemannen die Joden waarschuwden of weigerden aan het ophalen van Joden mee te werken bijvoorbeeld.
Het zou ook onjuist zijn alleen op de instellingen te wijzen. Houding en gedrag van de bevolking in brede zin, in feite dus tienduizenden individuele inwoners van de stad, was even belangrijk. Zij kozen – in de woordkeus van zojuist – soms bewust, soms onbewust maar meestal in een ingewikkelde mengvorm daarvan, er op grote schaal voor niet te handelen, vaak tegen hun gevoel in of menend geen andere keus te hebben. Mede daarom kon het allemaal gebeuren, al is het zinloze speculatie nu te proberen vast te stellen wat er zou zijn gebeurd bij andere keuzen. Die andere keuzen kwamen trouwens wel degelijk voor – laat daar geen twijfel over zijn – zowel toen de vervolging begon als tijdens het feitelijk ophalen zelf. Er waren publieke protesten (zoals de rede van Cleveringa op 26 november 1940) en er werd uit vrije wil hulp geboden bij onderduik of vlucht. Maar toen later in de bezettingstijd actief en passief verzet vaker begon voor te komen, waren er in het openbaar geen Joden meer te vinden. Zij waren al afgevoerd en vermoord of ondergedoken dan wel gevlucht. In de ogen van de nationaal-socialistische bezetter was dat een succes: Nederland, Leiden was Judenrein.
Ik zei het al. Mijn betoog is angstaanjagend en zelfs huiveringwekkend. Als historicus houd ik mij al lang met dit soort vraagstukken bezig om inzicht in dit historisch proces te krijgen, het eerst zo goed mogelijk te reconstrueren en vervolgens te analyseren en interpreteren, zo mogelijk ook werkelijk te verklaren en begrijpen. Dat vereist een afstandelijke houding. Maar nu spreek ik als betrokken lid van onze samenleving, als Leids burger. Dat leidt tot een ander soort conclusie. Wij dienen naar mijn overtuiging, met inachtneming van de resultaten van onafhankelijk en afstandelijk historisch onderzoek, ons rekenschap te geven van dit deel van ons verleden. Wij dienen ons te realiseren dat het verleden zich weliswaar niet in dezelfde vorm herhaalt en dat er geen eenvoudige lessen uit dat verleden zijn te halen. De Shoah was zoals alle historische processen op een bepaalde manier in de concrete verschijningsvorm uniek. Maar tegelijk komen uitsluiting van en massamoord op medeburgers in de geschiedenis veelvuldig voor.
Met afschuw nemen wij ook in het heden veel gruwelijke actualiteit elders waar en wij zijn geneigd ons daarbij te koesteren in onze democratische rechtsstaat, verzorgingssamenleving en materiële welvaart. Maar die actualiteit elders en het verleden, ook ons eigen verleden, nopen juist tot alertheid. Het kan in zekere zin zomaar opnieuw gebeuren, zij het in andere concrete vormen, ook bij ons. De kwaliteit van onze samenleving spreekt niet vanzelf, maar heeft behoefte aan voortdurend groot en klein onderhoud. Daarbij is van belang ons te bezinnen ook op gebeurtenissen en processen uit het verleden als gevolgen van menselijk handelen, hier in Leiden dus op het feit dat van de 500 Joden er 270 konden worden vermoord en de anderen moesten ‘verdwijnen’. Het monument beoogt een voortdurend in de stad aanwezige aansporing te zijn tot dat bezinnen en tot die alertheid.
Op 17 maart 2010 werd in Leiden een monument onthuld ter herdenking van de tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgde en vermoorde Joodse stadgenoten. Die datum is niet toevallig gekozen. Op 17 maart 1943 werd het sinds 1929 nieuw op de hoek van de Cronesteinkade en de Roodenburgerstraat in Leiden gevestigde Centraal Israëlitisch Wees- en Doorgangshuis Machseh Lajesoumim op last van de bezetter door de Leidse politie ontruimd. 51 kinderen en 9 personeelsleden werden naar het station gebracht, naar Westerbork vervoerd en later naar Oost Europa gedeporteerd. Op vier na zijn zij daar omgekomen, de meesten in Sobibor. Deze ‘ontruiming’ was onderdeel van een grotere actie in maart 1943 onder leiding van de Haagse SD om de in Leiden (en Den Haag en Delft) wonende Joden op te halen.
Met de naderende ontruiming was in het weeshuis rekening gehouden. Men was gewaarschuwd. Rugzakken met kleding en schoenen stonden al klaar. Een klein aantal bewoners was ondergedoken. Op de in februari opgestelde lijst stonden 74 namen. Maar de directeur van het weeshuis, N. Italie voelde niet voor onderduiken. Hij wenste de groep bij elkaar te houden en de verantwoordelijkheid niet uit handen te geven aan vreemde, niet-Joodse families. De hele actie verliep voor de bezetter zonder problemen. De dienstdoende hoofdinspecteur van politie P.W. van der Wal weigerde weliswaar leiding te geven, maar zijn taak werd overgenomen door een collega. Van der Wal werd gearresteerd en later ontslagen. Hij overleefde de oorlog. Tenminste één andere politieman, O.P Rozemeijer, weigerde ook medewerking. Hij bleef wel nog enige tijd in dienst, maar werd in 1944 toch om een andere aanleiding gearresteerd. Hij overleefde Buchenwald niet.
Deze dramatische gebeurtenis is een van de beeldbepalende herinneringen in Leiden aan de bezettingstijd.
holocaust herdenkingsdag, holocaust monument, berlijn, hans blom, holocaust
Duitsland
Veel van de kunst die ik hier op mijn Volkskrant-blog in mini-tentoonstellingen heb laten zien was volgens de nazi’s (en volgens heel wat burgerlijke recensenten) “Entartete Kunst”.
Hier een samenstelling van schilderijen van Paul Klee.

Paul Klee, Maske, 1922

Paul Klee, Marionette 7a, 1923
Paul Klee, Clown, 1929
Paul Klee, Clown, 1929

Paul Klee, Dierentuin Tiergarten

Paul Klee, Slang
De schilders van Der blaue Reiter zoals Wassily Kandinsky en Paul Klee losten de strakke zwart-witte schaakborden op tot organische, flexibele, kleurrijke en niet-meer-vierkante vlakken.
Een mooie aanval op het verkort rationalisme.

Paul Klee, Colourful life outside (Draussen buntes Leben)1931

Paul Kee, Bluehendes, 1934

Paul Klee, Kat en vogel [Katze und Vogel]

Paul_Klee_-_Tempelgaerten 1920 gardens tuinen

Paul_Klee_Frau_im_Sonntagsstaat_1928

Paul_Klee,_Swiss_-_Glance_of_a_Landscape_

Paul_Klee_Bildnis_in_der_Laube_1930

Paul Klee_Walpurgisnacht

Paul Klee
www.passagenproject.com
In de loop van de jaren heb ik heel veel over kunst geblogd. Ik heb veel plezier om kunst naar thema en motief te ordenen.
Hier het eerste van mijn bloemen-in-de-kunst-blog: de iris.

Albrecht Dürer, Florentine Iris, 1503

Claude Monet, Fields with irises, 1887
Claude Monet, Fields with irises, 1887

Vincent van Gogh, Irissen, 1889
Vincent van Gogh, Irissen, 1889

Vincent van Gogh, Irissen, 1890
Vincent van Gogh, Irissen, 1890

Emil Nolde, Iris, 1916

Karl Schmidt-Rottluff, Schwertlilien, 1925
De iris is een geliefd Jugendstil-motief afkomstig van Japanse prenten en voorwerpen.
Hier eerst vorbeelden van Japanse irissen:
<
Courtisane met iris; courtisan with irises 1861

Hokusai, IJsvogel met Shaga iris; kingfisher with shaga iris

Utagawa Hiroshige, Iris

Irissen Hokusai
Hier enkele kimono’s met iris:

kimono_kersenbloesem/ cherry bloem and iris

Kimono with river and iris

Silk kimono with beautiful iris
…en hier Jugendstilvasen met irisen:

Gele iris vaas Jugenstil

Iris Paradijsvogel Jugenstil bord

Iris paradijsvogel vaas

Iris vaas Jugendstil

Iris theescherm Tiffany
Maria Trepp
www.passagenproject.com
In de teksten over buitenaardse wezens vindt men bijna altijd ironie, vaak onvrijwillige ironie. Descartes bijvoorbeeld moest zich uitspreken, gedwongen door de vrome Zweedse koningin Christina, over de vraag of Jezus ook voor eventuele aliens is gestorven. Hij vond van wel, al vond hij het veiliger om zich niet echt vast te leggen.
Kort geleden heeft blijkbaar de door velen zo ongeveer heilig verklaarde Stephen Hawking gezegd dat de buitenaardsen ons wellicht vijandig gezind zijn, en wij ons dus beter maar niet konden melden bij hun. Shit, nu hebben we mensen tientallen jaren lang signalen uitgezonden, en dan komen de buitenaardsen ons voor dank maar vernietigen!
Christiaan Huygens schrijft in zijn Cosmotheoros (1698) uitvoerig over buitenaardse wezens. Hij is van hun existentie overtuigd. Daarom wordt Huygens weleens irrationale en onwetenschappelijke speculatie verweten.
Ik denk dat Huygens ten dele zeer bewust ironisch was in de dingen die hij over de planetenbewoners schrijft. Zeker geloofde hij in intelligent leven buiten de aarde. Maar hij gaat extreem ver door in detail, en schrijft de planetenbewoners juist alles toe wat hij zélf deed en kon, zoals telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziektheorie bedrijven.

Alien astronoom volgens Christiaan Huygens’ Cosmotheoros, foto: Maria Trepp
Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken.
Huygens stelt zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of een haast goddelijk wezen moeten zijn, die zijn gelijke in het gehele universum niet kent. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan ook aan de andere “Planetenbewoners” toe, met komisch-ironisch resultaat.
zie ook:
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Meer over Christiaan Huygens
Op ons gedeelte van de aarde is de winter begonnen. In zijn Cosmotheoros (1698) beschrijft Christiaan Huygens hoe de jaargetijden op de aarde tot stand komen, en hij schrijft ook over de seizoenen op andere planeten. Omdat hij daar bewoners veronderstelt, wordt het geheel zeer aanschouwelijk: God hoe koud moeten zij het daar op Saturnus niet hebben in HUN winter!!
Eerst over de jaargetijden op aarde. Huygens legt uit:
De Aarde beweegt rond de Zon op een baanvlak dat ecliptica wordt genoemd. De as van de Aarde staat scheef op dit vlak (met een hellingshoek tussen equator en omloopvlak van 23,45°).
De gekantelde as blijft in een evenwijdige stand, terwijl de Aarde zich om de zon beweegt.


Licht van de zon op de aarde in de seizoenen
Huygens bespreekt ook de seizoenen op de andere planeten.
Eerst Merkurius. Deze planeet staat dicht bij de zon en is erg moeilijk te observeren. Huygens wist niet of er jaargetijden op Merkurius waren, dus of de as van Merkurius scheef staat- maar naar wat we nu weten heeft Merkurius geen ashelling en geen seizoenen. Over de jaargetijden van Venus zegt Huygens niets. We weten nu dat deze ook bijna geen ashelling heeft. Op Mars is er volgens Huygens geen verschil tussen winter en zomer omdat Mars volgens Huygens niet “scheef” staat- maar dit klopt niet, Mars is ongeveer net zo gekanteld als de Aarde. Maar wél klopt het wat Huygens over Jupiter schrijft: deze planeet heeft volgens hem geen jaargetijden, en inderdaad, Jupiter heeft bijna geen askanteling; de rotatie-as staat bijna loodrecht op het omloopvlak.
En Saturnus dan, Huygens’ lievelingsplaneet:
Daar zijn de verschillen tussen zomer en winter nog groter dan op de Aarde, omdat de as van Saturnus sterker gekanteld is dan die van de Aarde. Huygens, die overtuigd is van de existentie van “Saturnusborgers” maakt zich toch een beetje zorgen of de polen van Saturnus wel bewoonbaar kunnen zijn…

Winter in op aarde in Leiden
Meer over Christiaan Huygens
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Ik protesteer !!! tegen de discriminatie van de kwal.
De kwal is namelijk sprookjesachtig mooi.
Dus allemaal
neem een voorbeeld aan de kwal
De kwal is mooi
daar is een engel NIETS bij

Kwal/Jelly-fish/ Qualle foto Maria Trepp

Kwal/Jelly-fish/ Qualle foto Maria Trepp

Kwal/Jelly-fish/ Qualle foto Maria Trepp
1

Kwal/Jelly-fish/ Qualle foto Luc Viatour / www.Lucnix.be Wikipedia commons
2

Kwal/Jelly-fish/ Qualle
3

Kwal/Jelly-fish/ Qualle
Edvard Munch is sterk beïnvloed door Vincent van Gogh, en heeft net als deze een mooie sterrennacht geschilderd.

Edvard Munch, Sterrennacht, 1926
De sterrennacht is bij beide kunstenaars sterk expressief geschilderd, maar ook symbolistisch: in hun landschappen verbeeldden deze schilders ideeën over natuurkrachten, kosmische energie, en de nietigheid van de mens tegenover de natuur. Vanaf 24 februari in het Van Gogh Museum: Dreams of nature. Symbolisme van Van Gogh tot Kandinsky
Edvard Munch, Sterrennacht, 1926

Vincent van_Gogh, Sterrennacht, 1889 starry night
Vincent van_Gogh, Sterrennacht, 1889
klik hier voor een fantastische interactieve video Starry Night
en hier
en:een Sterrennacht-collage met oude deurgrepen:
A Mural of Van Gogh’s Starry Night Created From Old Door Knobs

Vincent van Gogh, Sterrennacht over de Rhone
| Vincent van Gogh, Sterrennacht over de Rhone |
En Van Gogh heeft zich voor zijn sterrennachten wederom laten inspireren door Jean François Millet ( zie ook Vincent_van_Gogh, Kleuren_van_de_nacht ).

Jean_Francois Millet, Sterrennacht Starry Night 1851
Jean_Francois Millet, Sterrennacht 1851
Op het blog van Antoinette stond een bruin-rode heidelibel afgebeeld, en Antoinette schrijft dat deze vaak ver weg van haar broedgebieden wordt gevonden.
Nou, bij mij thuis bijvoorbeeld, een maand geleden.

Heidelibel
Alleen noemde ik deze libel “gouden” en nam haar als een bijzonder voorspoedig teken.
De libel is en geliefd Art Nouveau, afkomstig van Japanse voorwerpen en prenten.

Tiffany dragonfly libel libelle

Tiffany dragonfly libel libelle

Tiffany dragonfly libel libelle

Tiffany dragonfly libel libelle
In 2010 was te zien in het Gemeentemuseum Den Haag, 29 mei 2010 t/m 15 augustus 2010:
van Hoytemas originele tekeningen en litho’s van het boek Het lelijke jonge eendje van H.C. Andersen.

Theo van Hoytema

Theo van Hoytemas illustratie bij:
U hebt mooie kinderen, moeder!” zei de oude eend met het bandje om haar poot. “Ze zijn allemaal mooi, op één na, die is mislukt. Ik wou, dat U hem over kon maken!”"Dat gaat niet, Uw genade!” antwoordde de moedereend. “Hij is niet mooi, maar hij heeft een echt goed karakter en zwemt net zo goed als een van de anderen, ja, ik durf zelfs zeggen een beetje beter. Ik denk, dat hij er wel doorheen zal groeien en mettertijd wat slanker zal worden. Hij heeft te lang in het ei gezeten en daarom heeft hij nog niet het goede figuur!” En zij plukte hem in zijn nek en streek zijn veren glad. “Bovendien is het een woerd,” zei ze, “en het doet er dus niet zo veel toe, ik geloof dat hij sterk zal worden; hij zal zich er heus wel doorheen slaan!”
“De andere eendjes zijn aardig,” zei de oude eend. “Doe alsof je thuis bent en als je een palingkop vindt, mag je me die brengen!” En zo was het net alsof ze thuis waren.

Theo van Hoytemas illustratie bij:
De andere eenden er om heen keken naar hen en zeiden heel luid: “Het is wat moois! Nu krijgen we dat stel er nog bij, alsof er nog niet genoeg zijn! En foei, wat ziet dat ene jong er uit! Dat laten we niet toe!” En onmiddellijk vloog er een eend op hem af en beet hem in zijn nek.
“Laat hem met rust!” zei de moedereend, “hij doet toch niemand kwaad!”
“Ja, maar hij is zo groot en zo raar,” sprak de eend, die gebeten had, “en daarom moeten we hem mores leren!”

Theo van Hoytema, illustratie bij
Toen sloeg het eendje ineens zijn vleugels uit, ze ruisten sterker dan vroeger en droegen hem met kracht voort
Van Hoytema was geïnspireerd dor Japanse houtsneden, zoals veel kunstenaars uit zijn tijd.
Maria Trepp

Paul Gauguin, Christus in de hof van olijven, 1889

Paul Gauguin, Gele Christus, 1889

Paul Gauguin, Groene Christus, 1889

Vincent van Gogh, Pietà, 1889 na Delacroix

Eugène_Delacroix_-_Pieta
Vincent van Gogh, Pietà, 1889
August Macke is een van de schilders van de groep Der Blaue Reiter, die tom 24 mei 2010 in Nederland te zien waren:
Kandinsky en Der Blaue Reiter in het Gemeentemuseum Den Haag
Macke is een van mijn meest favoriete schilders- ik weet niet of hij of zijn vriend Paul Klee bij mij de nummer 1 is.
Ik heb eerder een blog gemaakt over “Vrouw en hoed “ in de schilderskunst, waar ik al Mackes eigen mooie vrouw, door hem geschilderd, liet zien. Hier nog een keer, samen met hoedenwinkels en etalages.

August Macke, Vrouw met hoed

August Macke, Hoedenwinkel, 1914

August Macke, Modezaak

August Macke Etalage
Naar aanleiding van de tentoonstelling in het Van Gogh-museum “Paul Gauguin De doorbraak naar moderniteit” van 2010, hier de zelfportretten die Vincent van Gogh en Paul Gauguin voor elkaar hebben gemaakt, en twee zelfportretten die beiden voor hun vriend Charles Laval hebben gemaakt.

Vincent van Gogh Zelfportret 1888 als zen monnik (bonze), voor Gauguin (zinspeelt op het gemeenschappelijk interesse voor Japonisme/Japanse kunst)

Paul Gaugin, Zelfportret opgedragen aan Vincent van Gogh 1888

Vincent van Gogh zelfportret 1888 opgedragen aan Charles Laval

Paul Pauguin, Zelfportret opgedragen aan Charles Laval 1888
Wikipedia: “Gauguin woonde, op initiatief van Theo van Gogh, de broer van Vincent, twee maanden samen met Vincent van Gogh, in Arles om te schilderen en van elkaar te leren. Het werd geen gelukkige periode. Gauguin kreeg depressieve buien en deed een zelfmoordpoging. Uit de brieven van Van Gogh – die Gauguin financieel steunde – blijkt dat ze voortdurend ruzie hadden. Op een moment was Gauguin zo geschrokken van het gedrag van zijn huisgenoot, die hem tijdens een avondwandeling achtervolgde, dat hij een nacht in een hotel doorbracht. De volgende ochtend had Van Gogh een deel van zijn oor afgesneden. Daarop werd Van Gogh in een gesticht opgenomen en vertrok Gauguin uit Arles. “
In een nieuw Duits boek “Van Goghs Ohr” geschreven door de kunsthistorici Hans Kaufmann en Rita Wildegans wordt beweerd dat Gauguin het oor van vincent heeft afgesneden.
In zijn laatste brief aan Gauguin schreef Van Gogh: “Jij zwijgt, ik zal dat ook doen.”
Experts, zoals Leo Jansen, conservator van het Van Goghmuseum in Amsterdam houden het nog steeds op op zelfmutilatie…..

Vincent van Gogh, Zelfportret met verbonden Oor 1889
…en hier nog twee merkwaardig-interessante portretten die Vincent van Gogh van zichzelf en van Gauguin maakte:

Vincent van Gogh, De-stoel van Van Gogh 1888

Vincent van Gogh, De stoel van Gauguin, 1888
Alle zelfportretten van Vincent van Gogh chronologisch op een rijtje klick hier
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
Hier een goed gevulde Leidse schatkist.


Zout werd lange tijd als betaalmiddel gebruikt – het woord salaris betekent letterlijk ‘zoutrantsoen’ en een sol-daat is iemand die zijn salaris als zoutportie ontvangt.
De cultuurgeschiedenis van het zout is intrigerend, uitstekend beschreven van Mark Kurlansky in “Zout, een wereldgeschiedenis”.
Kurlansky’s verhaal begint in 250 voor Christus in China, waar het economisch systeem volledig draaide rond de productie en verkoop van zout.
In de loop van de geschiedenis speelde zout vaak een belangrijke factor in oorlogsvoering en in de machtsuitoefening van de staat. In de keuken (sal-amie, sal-ade) natuurlijk ook.
Europa is doortrokken van zoutstraten en van plekken die op vele manieren aan de zoutwinning herinneren: alle namen met hal-, gal- (Gallië!), sol- en natuurlijk Zalt- en Salz- vertellen hun verhalen.
Hier een klassieke Leda van Leonardo da Vinci:

en van Michelangelo:

In de Volkskrant (27-11) zag in een mooie afbeelding van een tekening van Charlotte Mutsaers “Leda”.
Hier een paar moderne Leda’s:

Paul Cezanne, Leda

Bij Klimt is de zwaan zwart- apart!

Andre Lhote, Leda, 1930 (mijn favoriet)

Gerrit Bolhuis, Leda (tekening 1955)

Gerrit Bolhuis, Leda (gezien Museum Beelden aan Zee juli 2009)

William Turnbull, Leda, 1985 ( Museum Beelden aan Zee)
Leda en de zwaan zijn hier een eenheid
Nog een Leda uit Beelden aan Zee, zie hier bij Solvejg

Constant, Leda, 1993
Zie ook: Zwanen in de moderne kunst
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.

Edvard_Munch, Ochtend, 1884

Edvard Munch, Adam en Eva

Edvard Munch_Amor en Psyche

Edvard Munch, Kinderen_op_straat

Edvard_Munch, Laan_in_de_sneeuw

Edvard Munch, Madonna

Edvard_Munch, Meisjes_op_de_pier_1899

Edvard_Munch, Melancholie .

Edvard_Munch, Melancholie_1891

Edvard Munch, Witte_nacht_1901

Munch sterrennacht starry night
Edvard Munch_Sterrenacht 1924

Edvard Munch Tete-a-tete

Edvard_Munch, Vrouw_in_maanlicht

Edvard Munch Vampir Schwarze Romantik
De symbolistische landschappen van Munch zullen te zien zijn in het Van Gogh Museum in Amsterdam van 24 februari tot 17 juni 2012
zie ook
28 June – 14 October 2012
Op de voorpagina van de Volkskrant vandaag een artikel over de achtergronden van de CIA-martelingen.
Ik heb in meerdere blogs over de twijfelachtige houding van de Leidse hoogleraar Andreas Kinneging geschreven, die martelpraktijken impliciet goedkeurt. Zie bijvoorbeeld:
Leidse hoogleraren over het marteldilemma: Kinneging, Mertens, Van Gunsteren
Interessant hierbij is dat Kinneging via zijn Edmund Burke Stichting verbonden is met het American Enterprise Institute, waar de belangrijke VS-marteljurist John Yoo werkt(e). John Yoo heeft in de VS de juridische grondslagen gelegd voor het plan dat van terrorisme verdachten zonder vorm van proces kunnen vastgehouden worden. Hij was de openlijkste en felste tegenstander van de anti-martelwet van de Republikeinse senator John McCain. Yoo vindt dat folteren pas martelen mag heten als een orgaan van een ondervraagde definitief is beschadigd.
Yoo is als (co-)auteur betrokken bij de martelmemo’s.
Iedereen die meer wil weten over de achtergonden van de VS-martelpraktijken en de rol van juristen moet het boek “Torture team” van Philippe Sands lezen.
Uit een interview met Sands uit de NRC van 13 juni 2009:
“Sands’ boek draait om de Bush-ambtenaren Douglas Feith, destijds onderminister van Defensie, attorney general Alberto Gonzales, John Yoo, adviseur bij Justitie, David Addington, stafchef van vicepresident Cheney, justitie-adviseur Jay Bybee en William Haynes, ‘general counsel’ van minister van Defensie Rumsfeld. Praktijkjuristen die tijdelijk waren benoemd in hoge politieke beleidsfuncties in de Bush-regering. Nu zijn ze weer terug in de juridische beroepen. Sinds het boek van Sands liggen ze onder vuur. De advocaten onder hen worden waarschijnlijk uit hun ambt gezet. The New York Times pleitte ervoor de rechters onder hen te ontslaan.
Waarom richtte u zich op de juristen en niet op Cheney en Rumsfeld zelf?
“Ik kon niet begrijpen hoe advocaten die aan Harvard en Yale afstudeerden ondervragingstechnieken goedkeurden die op marteling neerkomen. Hoe deden die mensen dat? Ik heb wat met de maatschappelijke verantwoordelijkheid van advocaten, hun integriteit en onafhankelijkheid. Mijn werkhypothese was dat met andere juristen dit nooit was gebeurd. Deze juristen hebben systematisch onafhankelijk of tegengesteld advies uitgesloten. Het ging hun alleen om het afdekken van vaststaand beleid. Iedereen die anders dacht werd uitgesloten. Daarom is president Obama er ook van overtuigd dat deze mensen een verantwoordelijkheid hebben. Zij hebben een grens overschreden.”
Het hele boek draait om één document, het Haynes memo, dat in 2004 door de Bush regering zelf is vrijgegeven na de rel over de Abu Graib gevangenis.
Sands:
“Achteraf was dat een ongelooflijk stomme manoeuvre van Bush. De gedachte was aan te tonen dat de VS zeer zorgvuldig optraden, dat er van marteling geen sprake was, dat Abu Graib niets met officieel Amerikaans beleid te maken had. En dat de druk om met agressieve verhoormethoden te beginnen uit het veld, van onderop afkomstig was. Nu staat vast dat het precies andersom was. Als je dit soort documenten aan iemand zoals ik geeft…”
De Leidse neocon, jurist en fanatieke Bush-fan Afshin Ellian verdedigde in zijn Leidse oratie nog de these dat Abu Graib niets met officieel Amerikaans beleid te maken had. Voor hem was Abu Ghraib geenszins een keerpunt.
Ellian in zijn oratie: “Men spreekt zijn afschuw uit over Abu Ghareib [Abu Ghraib, M.T.] zonder daarbij te willen melden het aantal Amerikaanse militairen dat wegens mishandeling vervolgd en veroordeeld zijn.”[1]
Als ik dit in Ellians oratie lees, moet ik eraan denken, dat Paul Cliteur, juist in de week dat de mensenrechtschendingen in Abu Ghraib bekend werden, in de Volkskrant een artikel plaatste over het welzijn van opgehokte konijnen: Konijnen lijden in eenzaamheid (de Volkskrant 12-5-2004). Het is fijn dat Cliteur het opneemt voor het konijn (Leidse afficheringsactie toentertijd: “Fijn voor het konijn, Cliteur!”) maar waarom horen we dan niets van hem over Abu Ghraib?
Sanders:” “Abu Graib was een keerpunt, een damdoorbraak. Daarvoor sliep de journalistiek. Veel van mijn Amerikaanse vrienden in rechtenfaculteiten waren in die tijd ook niet kritisch. Noem het een collectieve psychologische identiteit, peer pressure, ik weet het niet. Shockerend was het wel. Ook binnen de regering-Bush kwamen mensen tot het inzicht dat er iets ernstig mis was. Alleen, gaven ze dat nou maar een keer toe!”
Ja, en gaven de Leidse Burke juristen nou eindelijk eens toe dat er met het martel-beleid van hun neocon-juristen en collega’s iets ernstig mis was…en dat martelen nooit mag…
[1] Sociale cohesie en islamitisch terrorisme, oratie Universiteit Leiden 18-4-2006
Muggen…
Ik vond een leuke illustratie van Pat Andrea bij Lewis Carolls “Alice in Spiegelland”, hoofdstuk “Spiegelinsecten”, waar Alice een mug tegenkomt
(in het Engels op internet te lezen, zoek op “insects” of “Gnat”)

Pat Andrea, Alice en de mug
En in mij “Grote Dieren Gedichten Boek”(samengesteld door Guus Luijters) vond ik drie zeer leuke muggengedichten:
Hieronijmus van Alphen
De onbedachtzaamheid
Zie Keesje! deze dode mug
vloog nog zo-even blij en vlug,
maar ‘t is door onbedachtzaamheid
dat hij nu dood op tafel leit.
Hij had in ‘t kaarslicht zulk een zin,
en vloog er onvoorzichtig in.
Nu ligt hij daar; maar’t is te laat;
er is voor ‘t mugje nu geen raad.
Hij werd bedrogen door de schijn.
O! laat ons dit tot lering zijn,
dat, eer men iets gewichtigs doet,
men zich wat lang bedenken moet.
Eén uur van onbedachtzaamheid
kan maken dat men weken schreit.
A.D. Keet
Muskiete-jag
Jou vabond, wag, ek sal jou kry,
Van jou sal net ‘n bloed kol bly
Hier op my kamermure
Deur jou vervloekte gonsery,
Deur jou gebyt en plagery Kon ek nie slaap vir ure.
Mag ek my voorstel, eer ons skei,
Eer jy d ie doodslag van my kry-
My naam is van der Merwe.
Muskiet, wees maar nie treurig nie,
Wees ook nie so kieskeurig nie,
Jy moet tog één dag sterwe.
Verwekker van malaria,
Sing maar jou laaste aria-
Nog een minuut vir grasie.
AI soebatjy nou nóg sa lang,
AI sé jy ook: ek is nie bang,
Nooit sien jy weer jou nasie …
Hoe sedig sit hy, 0, die kreng!
Sy kinders kan maar kranse breng,
Nóu gaan die vabond sterwe …
Pardoef! Dis mis! Daar gaan hy weer!
Maar dóód sal hy, sowaar, ek sweer
My naam is van der Merwe!
Meleagros
Aan een mug als postilIon d’amour
Vlieg voort, o mug, mijn snelle bode en fluister
Aan de ooren van Zenophila héél zacht,
‘Gij slaapt, vergetend lief, hij waakt en wacht.’
Vlieg voort, vlieg voort, mijn zangster zoet, maar luister:
Spreek zacht en wil haar slaapgenoot niet wekken,
Dat gij niet wekt mijn ijverzucht’ge trots.
Als gij haar hier brengt, mug, geef’k u een knots,
En ‘k zal u met een leeuwehuid bedekken.
—————————————————————————————————-
Friedrich Nietzsche gebruikt de mug als metafoor voor de mens in zijn belangrijke essay ”Over waarheid en leugen in buitenmorele zin”:
“Er was eens, in een afgelegen hoek van het met talloze zonnestelsels flonkerend volgegoten heelal, een hemellichaam waarop slimme dieren het kennen uitvonden. Dat was de hoogmoedigste en leugenachtigste minuut van de ‘wereldgeschiedenis’: maar toch was het maar een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde het hemellichaam, en de slimme dieren moesten sterven.— Zo’n fabel zou iemand kunnen bedenken en nog zou hij niet afdoende hebben geïllustreerd, hoe jammerlijk, hoe schaduwachtig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect eruit ziet in de natuur; er waren eeuwigheden waarin het er niet was; wanneer het ermee voorbij is zal er niets gebeurd zijn. Want er is voor dat intellect geen verdere missie, die boven het mensenleven uitstijgt. Integendeel: het is menselijk en alleen zijn bezitter en verwekker vat het zo pathetisch op, alsof de hele wereld erin rondwentelde. Konden we echter de mug verstaan, dan zouden we vernemen dat ook zij met dit pathos door de lucht vliegt en het vliegende middelpunt van de aarde in zich voelt. Er is niets zo verwerpelijk en onaanzienlijk in de natuur of het wordt door de eerste de beste zucht van deze kracht van het kennen opgeblazen als een ballon; en zoals iedere kruier zijn bewonderaar wil hebben, zo meent zelfs de trotste mens, de filosoof, van alle kanten de ogen van het heelal telescopisch gericht te zien op zijn doen en zijn denken. “
Dus we mensen zijn toch maar muggen die zichzelf en hun kennis overschatten, volgens Nietzsche….
Een nieuwe Duitse roman, “Mal Aria” van Carmen Stephan is geschreven uit het perspectief van een mug.