Archive for the ‘ Duitse geschiedenis ’ Category
In Berlijn wordt een grote bibliotheek van het conservatisme geopend, waar een dwarsdoorsnede van het conservatief denken wordt getoond in 60.000 boeken. De nadruk ligt op de problematische samenwerking tussen “Konservative Revolution” en Hitler, en op conservatieve hoofdfiguren zoals de antisemiet Carl Schmitt.
Ik heb eerder veel blogs gewijd aan de nieuwe Nederlandse conservatieve beweging, de Edmund Burke Stichting, waar men een paar jaar geleden trachtte een nieuwe “conservatieve revolutie” tot stand te brengen, en men Carl Schmitt hoog in het vaandel had.
Goed dat er een centrum voor onderzoek komt!
Magazine Der Freitag is zeer kritisch over deze nieuwe bibliotheek, en schrijft dat de beste reden om niet naar deze bibliotheek te gaan de andere bezoekers zijn…..
150 jaar geleden werd Otto von Bismarck benoemd tot eerste minister (“Ministerpräsident”) van Pruisen.
De Süddeutsche Zeitung heeft vandaag een zeer interessante serie foto’s en citaten samengesteld.

Otto von Bismarck met zijn honden
Bismarck wordt anhand van citaten als turkenvriend (“Die Liebe der Türken und Deutschen zueinander ist so alt, daß sie niemals zerbrechen wird“), als skeptische realist, en als polenvreter geschetst. Griezelig, zeker in het licht van de latere geschiedenis, is dit citaat:
“Haut doch die Polen, daß sie am Leben verzagen; ich habe alles Mitgefühl für ihre Lage, aber wir können, wenn wir bestehn wollen, nichts andres tun, als sie ausrotten; der Wolf kann auch nichts dafür, dass er von Gott geschaffen ist, wie er ist, und man schießt ihn doch dafür tot, wenn man kann.”
Meer Bismarck-citaten zie hier
Een controversiële vraag is altijd geweest of Bismarck een voorloper van Hitler was, of er dus een rechte lijn loopt van Bismarck naar Hitler. Sebastian Haffner en Jonathan Steinberg zien een dergelijke lijn van Bismarck naar Hitler; Steinberg wijst bijvoorbeeld naar de antisemitische uitingen van Bismarck, naar het militarisme, naar de mythos van de geniale Führer, en naar het “Duitse Rijk”.
Anderen, zoals Achim Engelberg zien weinig in deze theorie. Engelberg beklemtoont dat voor Bismarck de sociale kwestie vooropstond, en niet rassenkwesties.
Richard Wagner was een fervent antisemiet en de favoriete componist van Hitler. Daarom zijn uitvoeringen van zijn werken in Israël controversieel.
Nu vindt er voor het eerst een concert plaats in Israël met uitsluitend composities van Wagner – met een speciaal voor dit doel gevormd orkest [zie Spiegel-online].
Sommige composities van Wagner werden wél eerder gespeeld – maar nu willen musici in Israël een compleet concert met muziek van Richard Wagner uitvoeren.
Wagner, die leefde van 1813 tot 1883, was een overtuigd antisemiet. Zijn werken waren in de tijd van het nationaal-socialisme enorm populair. Adolf Hitler bewonderde de componist sinds zijn jeugd.
Na de pogroms tegen joden in Duitsland in november 1938 speelde het Eretz Israel Symphonic Orchestra – toen in Palestina de actieve voorloper van het Israel Philharmonic Orchestra – nadrukkelijk niet meer de muziek van Wagner. Sindsdien geldt in Israël een onofficiële boycot van Wagner, die weliswaar meerdere malen is verbroken- maar in de reguliere concerten is de muziek bijna nooit gespeeld.
Zo veroorzaakte de onder de leiding van Daniel Barenboim uitgevoerde ouverture van Tristan en Isolde in juli 2001 een conflict en kritiek van het Wiesenthal Center en van de toenmalige burgemeester van Jeruzalem Ehud Olmert . Eerder werden andere Wagner-uitvoeringen door protesten van Holocaust-overlevenden voorkomen.
“Het is aan de tijd om de Wagner-boycot te breken”, zegt Livny, zoon van een overlevende van de Holocaust uit Duitsland. Immers, Israël is ook een land “dat zelf kampt met culturele boycotten.” Hij respecteert mensen “die niet naar deze muziek willen luisteren,” zei hij. “Maar ik respecteer ook degenen die het wél willen.”
Het antisemitisme van Richard Wagner
Richard Wagners antisemitisme wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd. Wagners uitspraken breien voort op antisemitische stereotypen en reflecties van de 19e eeuw, die hij in Duitsland en Europa aantrof. Wagner herhaalde echter niet alleen antisemitische stereotypen, maar ontwikkelde deze verder met schriften zoals Das Judenthum in der Musik .
Wagner wil in dit document “het onvrijwillig afstotende, dat de persoonlijkheid en de essentie van de Jood voor ons heeft,” uitleggen, “om deze instinctieve afkeer te rechtvaardigen, waarvan we duidelijk herkennen dat deze sterker en belangrijker is dan ons bewuste ijver om ons te ontdoen van deze aversie. “
Wagner verdedigt in zijn essay de stelling dat “de jood” an sich niet in staat zou zijn “om zich door zijn uiterlijk, door zijn taal, of zijn lied aan ons op een artistieke manier te presenteren“. Toch zou “hij” [de jood] in de muziek de smaak van het publiek beheersen.
Wagner bekritiseert de muzikale werken van joodse componisten van zijn tijd. Als goed opgeleide joden zouden zij ernaar streven de “opvallende kenmerken van hun lagere geloofsgenoten” achter zich te laten. Maar juist daarom zouden zij niet in staat zijn tot een “diepe zielensympathie met een grote gemeenschap van gelijkgezinden“. De zeggingskracht van het artistieke scheppen van “de hoog opgeleide jood” ”zou alleen maar onverschillig en triviaal zijn, omdat zijn gehele inzet voor de kunst alleen maar een overbodige luxe is“.
In het algemeen ontzegt Wagner joodse kunstenaars elke vorm van originaliteit.
Wagner had een grote invloed op de Engelse schrijver Houston Stewart Chamberlain, auteur van Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, een werk doortrokken van fanatieke germanencultus en antisemitische en racistische ideeën. In 1908 trouwde Chamberlain met Wagners tweede dochter Eva. Chamberlain is een van de ideologische voorlopers van het nazi-antisemitisme.

Hitler en Goebbels in Bayreuth
Hitler ging regelmatig naar de opera en bestudeerde Wagner intensief. Hitler was idolaat van Wagner als voorbeeld van zijn eigen visie op het leven.
Tijdens de Bayreuther Festspiele of Richard-Wagner-Festspiele wordt het uitgebreide operawerk van Richard Wagner uitgevoerd in het Bayreuther Festspielhaus op de Grüne Hügel in Bayreuth. In de nazi-tijd waren deze Festspiele één grote act van de Hitler-devotie. De kunstenaars die mee mochten doen aan de voorstellingen werden al lang voor de nazi-periode met antisemitisme en rassenhaat geconfronteerd. ( zie: „die rassistische Besetzungspolitik der Bayreuther Festspiele vor der Nazizeit”)
N.B. De familie Wagner houdt nog steeds de brieven van Richard Wagner achter slot en grendel. (Bron FAZ)
Friedrich Nietzsche keerde zich af van Wagner onder meer vanwege diens antisemitisme, zie hier.
Meer over antisemitisme op dit blog
Zie ook Stephen Fry en film Richard Wagner( “Wagner & Me”)
Zie ook Stephen Fry en film Richard Wagner( “Wagner & Me”) in Die Zeit 24-6-2012
Zie ook: de Franse filosoof Alain Badiou verdedigt Wagner
Zie ook de kritische dans-performance “Hacking Wagner” van de joodse choreografe Saar Magal in het Haus der Kunst.
Update 5-6-2012: Universiteit Tel Aviv zegt het concert toch af!
Update 11-5-2012: Het concert kan niet plaatsvinden
- ook het Hilton Hotel Tel Aviv heeft nu afgezegd. De kunstenaars krijgen hun geld terug.
Update: van 7 december 2012 tot 17 februari 2013 is in Berlijn een tentoonstelling te zien over de controversiële Richard Wagner
Maria Trepp
Eerste Kamerlid Sybe Schaap heeft een boek geschreven over de rol van rancune in samenleving en politiek. Hij schrijft dat de PVV een formule hanteert ,,die veel lijkt op die uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Er worden vijandbeelden gecreëerd, beelden die duidelijk moeten maken hoezeer het eigen bestaan wordt bedreigd. De vijand loert niet alleen van buiten, maar heeft ook complotterende handlangers in het eigen domein.”
Wilders noemt deze vergelijking ziekelijk.
Maar waarom eigenlijk? Waarom zou men de jaren dertig niet mogen noemen in verband met de PVV?
PVV-kopstukken en sympathisanten beroepen zich uitdrukkelijk op een nazi en op denkbeelden uit de nazi-geschiedenis.
Bart Jan Spruyt, die Wilders in het zadel heeft geholpen en die het eerste PVV programma samen met Wilders heeft geschreven en ook PVV-kaderleden heeft getraind, is een grote en uitdrukkelijke fan van de nazi Carl Schmitt, die hij uitgebreid als zijn politiek voorbeeld bespreekt.
Spruyt maakte in zijn publicaties, o.a. in het boek De toekomst van de stad (2004) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne. Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[1]
Wie Schmitts hier aangehaalde teksten leest die zal toch erg moeten struikelen over de woorden van Bart Jan Spruyt:
“Lange tijd gold hij [Schmitt] als Schreibtischtäter die de ideeën had aangeleverd die tot de grote incarnatie van het kwaad hadden geleid. Sinds enige tijd is het besef doorgedrongen dat Schmitt te lang ook als zondebok heeft gefungeerd, en dat zijn werk wetenschappelijk gezien op z’n minst bespreekbaar, zo niet hoogst origineel en briljant is….”
Vervolgens gaat Spruyt door de belangrijkste gedachten van Schmitt weer te geven en op de huidige Nederlandse situatie te betrekken, met “de islam” als de nieuwe vijand. Hij maakt daarbij gebruik van een anti-islamitisch citaat van Schmitt, die schreef: “Ook in de duizendjarige strijd tussen christendom en islam is nooit een christen op de gedachte gekomen dat men uit liefde voor de Saracenen of de Turken Europa, in plaats het te verdedigen, aan de islam zou moeten uitleveren.” (Spruyt, De toekomst van de stad, p. 56 f.)
Ook zijn artikel Conservatieve identiteit neemt Spruyt de moeite voor een uitvoerige Schmitt–apologie. Waarom? Wat kan toch de reden zijn, iemand die zich zo enorm gecompromitteerd heeft in bescherming te nemen en diens gedachtegoed te citeren en goed te praten? Zelfs al zou Carl Schmitt niet een zo uitgesproken nazi en antisemiet geweest zijn als hij was, dan nog is zijn onverzoenlijke theorie van De Vijand als duidelijk fascistisch te herkennen. Het is niet vol te houden dat Schmitt weliswaar een vreselijke nazi en antisemiet was, maar dat zijn theorie van de vijand een zo ontzettend briljant voorbeeld voor ons is!
Jan Greven: “Schmitts aantrekkingskracht is dat hij denkt in heldere tegenstellingen: goed/kwaad; mooi/lelijk. Met in de politiek de meest absolute tegenstelling. Die tussen vriend en vijand. Tegenover de vijand past slechts onverzoenlijkheid. Je hoeft hem persoonlijk niet te haten om hem toch te liquideren. […] Schmitts tegenstellingen zijn helder, maar hij voert je op paden waar je niet hoort te zijn. “ (Trouw, 29-3-2005)
Dick Pels over Schmitt:
“Schmitts definitie [van de vijand] legitimeert […] een autoritaire, zo niet totalitaire opvatting van de politieke werkelijkheid, waarin geen enkele ambiguïteit wordt getolereerd en geen ruimte bestaat voor andersoortige onderscheidingen.”[2] Volgens Pels valt bij Schmitt politiek op apocalyptische wijze samen met de oorlog.
Rob Hartmans: “Tijdens de republiek van Weimar werd Schmitt beschouwd als vertegenwoordiger van de zogenaamde konservative Revolution, een amalgaam van ultranationalistische denkers, partijtjes en groeperingen die zich verzetten tegen de burgerlijke maatschappij en de parlementaire democratie. Schmitt zag niets in een romantisch conservatisme, dat verlangde naar een samenleving die een organische, door oeroude instituties en tradities gevormde eenheid was. Een dergelijke samenleving had nooit bestaan, en alle traditionele instituties waren door de wereldoorlog en de revolutie weggevaagd. Evenmin wilde hij iets weten van het normatieve staatsrecht dat werd uitgedragen door neokantiaanse juristen. In tegenstelling tot de Oostenrijkse staatsrechtsgeleerde Hans Kelsen, die als jood in zijn ogen toch al verdacht was, ontkende Schmitt dat er een bepaalde norm ten grondslag lag aan de rechtsorde. Hoe het recht eruitziet is een kwestie van een op macht gebaseerde beslissing. Schmitt citeerde in dit verband graag Hobbes: «Gezag, niet de waarheid, maakt de wetten.» In dit «decisionisme» stond de uitzonderingstoestand centraal. Normen waren volgens Schmitt alleen van toepassing op normale omstandigheden. Waar het op aan kwam, was de vraag wie in uitzonderlijke omstandigheden de beslissingen kon nemen. Vandaar ook zijn opvatting dat degene die de noodtoestand kan afkondigen, beschikt over de soevereiniteit.
Ook na Schmitts dood [...] leven zijn denkbeelden voort in allerlei bewegingen in Europa en Amerika die tot Nieuw Rechts worden gerekend.
In hun strijd tegen de liberale, pluriforme democratie kunnen zowel extreem-links als extreem-rechts een heel arsenaal aan wapens vinden in de geschriften van Carl Schmitt, die de Verlichting haatte als de pest en die droomde van een autoritaire, homogene staat, waarin geen ruimte is voor verwarrende experimenten die de stabiliteit kunnen ondermijnen.”[3]
Carl Schmitt oefent een grote aantrekkingskracht uit op veel hedendaagse intellectuelen. Rob Hartmans:
“Schmitts werk munt uit door scherpe formuleringen en glasheldere begrippen. Sommigen noemen hem een Begriffsmagier, een goochelaar met definities. […] Met zijn fraaie begrippen, glasheldere analyses en adembenemende abstracties mag Schmitt als politiek theoreticus en rechtsgeleerde dan zeer belangrijk zijn geweest, in de praktijk sloeg hij de plank op een zeer pijnlijke wijze mis. Want als iets opvalt in het werk van Schmitt, dan is het dat het altijd om grootse begrippen en abstracties gaat: staat, natie, uitzonderingstoestand, Großraum, vriend-vijand, de politiek etcetera.”[4]
Maar de kritiek op Carl Schmitt moet zich niet allen richten tegen diens antiliberale opvattingen. Schmitt was een actieve nazi en antisemiet.
De Leidse hoogleraar mensenrechten Thomas Mertens over de “kroonjurist van de nazi’s” Carl Schmitt:
“Schmitt gaf onder de titel ‘Der Führer schützt das Recht’ zijn juridische fiat aan Hitlers moordpartijen bij zogenaamde Röhm-putsch van 1934. Deze van staatswege georganiseerde moorden troffen niet alleen de top van de S.A. maar ook diverse andere tegenstanders van het regime zoals Schmitts vorige patroon Von Schleicher; Schmitt was een van de voormannen van de door de nazi’s het leven geroepen ‘Akademie für Deutsches Recht’. “[5]
“[…; in 1936 riep ] [Schmitt] op tot een zuivering van de bibliotheken van joodse invloeden; hij deed zijn best Hitlers ‘Grossraumgedachte’ te legitimeren […] Schmitts denken maakt duidelijk dat de Westerse cultuur niet bestaat en dat intellectuelen als Schmitt medeverantwoordelijk zijn voor wat er op deze aarde vreselijk fout kan gaan.”[6]
Schmitt was een van de belangrijke denkers van de Duitse “conservatieve revolutie”. Het is moeilijk een harde lijn te trekken tussen de denkers van de conservatieve revolutie en de nazi’s. Een gemeenschappelijke noemer is het anti-liberalisme en het gelijk zetten van joods=liberaal=decadent. Een andere gemeenschappelijke noemer is het nationalisme, dat in ieder geval bij Schmitt kan worden vastgesteld. “Bei Schmitt war die Nation […] eine nicht mehr überbietbare Größe […] ein existentielles Phänomen, das durch Freund-Feind-Bestimmung und damit in letzter Instanz durch den kollektiven Kampf eines Volkes auf Leben und Tod definiert war.“[7] Carl Schmitts nationalisme was racistisch, al was hij daarin niet zo extreem als andere nazi’s.[8]
Zeker zijn er verschillen tussen de “echte” nazi’s en de conservatief revolutionairen. Bijvoorbeeld wilden de conservatieven een sterke staat. Hitler was anarchistisch, de staat was ondergeschikt aan zijn impulsen, en dit element past niet bij het conservatisme. Ook de holocaust als zodanig is geen idee of initiatief van de conservatieven geweest.
Meer over Schmitt hier of zoek op tag “Carl Schmitt” hier op mijn blog.
s
[1] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[2] Een zwak voor Nederland, p. 228.
[3] Een gevaarlijke geest, De Groene Amsterdammer, 7-2-2004.
[4] De grote woorden van Carl Schmitt, In : Varwel dan, p. 129, ook De Groene, 1-5-1996.
[5] Fiat aan Hitlers moordpartijen, Filosofie Magazine 02-2002.
[6] NRC 23-11-2001, boeken.
[7] Stefan Breuer, Anatomie der konservativen Revolution, p. 184.
[8] Anatomie der konservativen Revolution, p.191.
Merlijn Schoonenboom schrijft vandaag 8 maart in de Volkskrant over de viering van het 300ste geboortejaar van Frederik de Grote.
“Dit jaar wordt met een enorm programma en al even grote media-aandacht de 300ste geboortedag van de Pruisische koning Frederik de Grote gevierd. De stad Potsdam staat hierin centraal.”
“Je mag het anno 2012 gewoon weer zeggen. In de media wordt Frederik zelfs zonder problemen vergeleken met huidige politici, die oude ‘Pruisische deugden’ zouden missen. Historicus Kuke vindt de situatie in Potsdam daarom prima passen bij de algehele omgang met Pruisen: die is niet óf hemelhoog juichend of afwijzend. De fase van de historische distantie is aangebroken: ‘De wederopbouw van het slot is de verzoening met de eigen geschiedenis. De Pruisische geschiedenis heeft twee kanten: een goede en een slechte, de Verlichting en het absolutisme. Pas als je het verleden écht ziet, zoals bij het slot, dan kan je erover nadenken en je eigen mening vormen.’ “
“Over de rol van Pruisen en Frederik wordt sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog gediscussieerd. Frederik was de koning die Pruisen in de 18de eeuw tot Europese grootmacht uitbouwde; onder Pruisen ontstond in 1871 de Duitse eenwording. Maar omdat Duitsland zich sindsdien in twee wereldoorlogen stortte en Hitler zich graag op Frederik beriep, is de herinnering decennia lang beladen geweest zeker in Potsdam zelf.”
De beladen herinnering begint met de “Fredericus Rex” films.
Veel politici en aristocraten uit de late 19e en de vroege 20ste eeuw probeerde Frederik na te volgen, en stiliseerden hem tot een voorloper van het protestantse Duitsland. Een voorbeeld van deze verering zijn de Fredericus Rex films van 1920. Frederik was een van de eerste beroemdheden wiens biografie voor het medium film werd verwerkt, dat toen opkwam.
Fredericus Rex-films worden in de strikte zin vier historische films over de persoon van de Pruisische koning genoemd die in Duitsland tussen 1920 en 1923 werden geproduceerd. In bredere zin wordt de term gebruikt voor alle films over Frederik II in Duitsland in de periode tot 1942 .
De door de UFA breed opgezet geënsceneerde, dubbele film “Fredericus Rex” (1921/1922, 1923) vertelde in losse afleveringen en zonder historische nauwkeurigheid het leven van de Pruisische koning Frederik II, en was puur een propagandafilm voor de restauratie van de monarchie. De film laat zien hoe de onderwerping van de opstandige tiener Frederik aan de wil van zijn strikte vader leidt tot verfijning van het karakter van de toekomstige heerser, die zijn absolute macht uiteindelijk ten behoeve van het volk gebruikt en door succesvolle oorlogen het kleine Pruisen tot grote mogendheid verheft.
Op het moment dat de film werd uitgebracht – vier jaar na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de monarchie – was de politieke boodschap het idee dat een nieuwe absolute heerser niet alleen een bolwerk zou vormen tegen het opkomend socialisme, maar dat hij ook het land dat zich in vele opzichten vernederd voelde tot een nieuwe grootte zou leiden. Het populaire motief van vader-zoon conflict dat door alle Fridericus Rex films als een rode draad loopt werd tegelijkertijd gebruikt om de scepsis van het publiek op te vangen (in de revolutionaire naoorlogse tijd lang geloofde niet iedereen in de noodzaak van autoritair gedrag) en het publiek ervan te overtuigen dat rebellie en anarchie alleen met autoriteit kunnen worden tegengegaan. Als compensatie voor het verlies van zelfbeschikking lokte de identificatie met de glorieuze Übervater Frederick. Daarnaast moest de film patriottische gevoelens aanwakkeren en de overtuiging wekken dat agressieve machtspolitiek in het geval van Duitsland altijd gerechtvaardigd is als een defensieve houding tegenover een overweldigende vijandige samenzwering.
Hoewel de film in de liberale en linkse pers heftige protesten uitlokte, was de film commercieel zeer succesvol, en inspireerde een hele reeks van imitaties, die werden geproduceerd door verschillende filmmaatschappijen tot in het begin van de jaren ’30. Het patroon van de eerste films werd altijd min of meer getrouw gekopieerd, en in bijna alle films speelde Otto Gebühr Frederik.

Omdat de Fredericus Rex films anticiperen op de ideologische argumenten van de nazi’s, worden zij in de filmhistorische literatuur zo nu en dan als “pre-fascistisch” geclassificeerd.
De verheerlijking Frederik bereikte dan ook de hoogtepunt in de tijd van van het nazisme onder auspiciën van de Minister van Propaganda Joseph Goebbels. Daarbij speelden vooral de zes films waarin Otto Gebühr de koning van Pruisen speelde een belangrijke rol. De nazi-propaganda noemde Frederik niet alleen als een “eerste nationaalsocialist”, Frederik en zijn volgelingen werden ook de belichaming van de Duitse discipline, standvastigheid en trouw aan het vaderland. De nazi’s rechtvaardigden bijvoorbeeld in de laatste maanden van de oorlog de dienstplicht van de Hitlerjugend in de Volkssturm met het argument dat Frederik ook 15-jaar oude kinderen van aristocraten dienstplichtig had gemaakt.
Friedrich- tentoonstellingen tot eind oktober 2012
„Friederisiko“-Ausstellung in Potsdam
„Die Erfindung (s)einer Stadt“ Potsdamer Stadtmuseum
„Friedrich ohne Ende“ Schloss Rheinsberg
De Nederlandse oorlogsnieuwswebsite nieuws-wo2.tk heeft gisteren grote stukken uit Mein Kampf gepubliceerd. Als ‘flankerende steunoperatie’ aan de Britse uitgever Peter McGee, die in de clinch ligt met de Duitse overheid. Het Beiers ministerie van Financiën gaat vervolging instellen.
Volgens HP/De Tijd is Mein Kampf “het zwarte gat van de uitgeefwereld. Niet alleen is het duivels antisemitisch, maar ook niet leesbaar en is in sommige landen ook nog verboden”.
Ik wil hier iets bijdragen over inhoud, vorm en achtergrond van Hitlers “Mein Kampf”.
Het verbod op “Mein Kampf” is in hoge mate symbolisch, aangezien het boek overal te verkrijgen is, en ook op internet in .pdf -vorm wordt aangeboden. Dat het verbod symbolisch is, maakt het verbod in mijn ogen niet automatisch verkeerd.
Wat historisch belangrijk is, dat is het feit dat Hitler zijn politieke en maatschappelijke ideeën nauwkeurig heeft beschreven in “Mein Kampf”, maar in de dagelijkse politiek jarenlang veel minder radicaal is geweest, zodat bij veel mensen in het binnen- en buitenland de indruk ontstond, dat het allemaal wel mee zou vallen.
Uiteindelijk hebben de nazi’s alles in de praktijk gebracht wat in “Mein Kampf” stond.
“Mein Kampf”wordt ideologisch gedomineerd door rasbiologie, antisemitisme, sociaal-darwinisme en cultuurpessimisme.
* Hitler voert alle complexe maatschappelijke en politieke gebeurtenissen terug op universele, eendimensionale racistische natuurwetten.
,,[Die Menschen gehen] mit wenigen Ausnahmen wie blind an einem der hervorstechendsten Grundsätze [der Natur] vorbei: der inneren Abgeschlossenheit der Arten sämtlicher Lebewesen dieser Erde. Schon die oberflächliche Betrachtung zeigt als nahezu ehernes Grundgesetz all der unzähligen Ausdruckformen des Lebenswillens der Natur ihre in sich begrenzte Form der Fortpflanzung und Vermehrung. Jedes Tier paart sich nur mit einem Genossen der gleichen Art. Meise geht zu Meise, Fink zu Fink, … der Wolf zur Wölfin usw.” (1936, 311).
“Jede Kreuzung zweier nicht ganz gleich hoher Wesen gibt als Produkt ein Mittelding zwischen der Höhe der beiden Eltern. Das heißt also: das Junge wird wohl höher stehen als die rassisch niedrigere Hälfte des Elternpaares, allein nicht so hoch wie die höhere. Folglich wird es im Kampf gegen diese höhere später unterliegen. Solche Paarung widerspricht aber dem Willen der Natur zur Höherzüchtung des Lebens überhaupt. Die Voraussetzung hierzu liegt nicht im Verbinden von Höher- und Minderwertigem, sondern im restlosen Sieg des ersteren” (1936, 312).
* Volgens Hitler wordt een sterkere ras verzwakt door het mengen met een zwakkere.
“Daher entsteht auch der Kampf untereinander weniger infolge innerer Abneigung … als vielmehr aus Hunger und Liebe. In beiden Fällen sieht die Natur ruhig, ja befriedigt zu. Der Kampf um das tägliche Brot läßt das Schwache und Kränkliche … unterliegen .. , Immer aber ist der Kampf ein Mittel zur Förderung der Art und mithin eine Ursache zur Höherentwicklung derselben” (1936, 312f.).
* Hitler probeert de onmogelijkheid van de democratie af te leiden uit het principe van de overwinning van de sterke.
,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schweren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).
* „Natuur” is voor Hitler religie, niet zakelijke natuurwetenschap.
,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schweren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).
“Das Ergebnis jeder Rassenkreuzung ist also … immer folgendes: a) Niedersenkung des Niveaus der höheren Rasse, b) körperlicher und geistiger Rückgang und damit der Beginn eines, wenn auch langsam, so doch sicher fortschreitenden Siechtums. Eine solche Entwicklung herbeiführen heißt … nichts anderes. als Sünde treiben wider den Willen des ewigen Schöpfers. Als Sünde aber wird diese Tat auch gelohnt. Indem der Mensch versucht, sich gegen die eiserne Logik der Natur aufzubäumen, gerät er in Kampf mit den Grundsätzen, denen auch er selber sein Dasein als Mensch allein verdankt. So muß sein Handeln gegen die Natur zu seinem eigenen Untergang führen” (1936, 314).
* De rassenwetten zijn in feite bij Hitler de natuurlijke god, wie tegen deze god ingaat, wordt bestraft.
Het biologistische racisme maakt de taken van de staat simpel en overzichtelijk. De staat moet alleen toezien dat het gedrag van de burgers past bij de vermeende natuurwetten.
“Syphilitikern, Tuberkulosen, erblich Belasteten, Krüppeln und Kretins” ist die “Zeugungsfähigkeit zu entziehen” (1936,445).
Wel heeft de staat een belangrijke taak bij de opvoeding van de jeugd tot krijgers, dus een opvoeding niet alleen maar, maar vooral in lichamelijke ontwikkeling.
Hitler werkt met de Platoonse tegenoverstelling Geest versus Lichaam, maar keert deze om: het lichaam domineert de geest. Vandaar ook Hitlers boosaardig anti-intellectualisme.
Het nationaal-socialisme heeft, zoals al vaak is aangetoond, ook socialistische trekken. Deze zijn het gevolg van dat Hitler een rassenkamp onder gelijken wilde, hij wilde dat de voorwaarden voor iedereen gelijk zouden zijn, en dat zodoende dan de “rassen- besten” herkend konden worden.
* Zeer uitvoerig in Mein Kampf is de apocalyptische kritiek aan maatschappelijk verval, waaronder voor hem zo goed als alle verschijnselen van de Moderne vallen.
” … [Mit] Schrecken sehen wir die krankhaften Auswüchse irrsinniger und verkommener Menschen, die wir unter dem Sammelbegriff des Kubismus und Dadaismus seit der Jahrhundertwende kennenlernten … ” (1936, 283).
* Het ziektemetafoor is bij Hitler van doorslaggevende betekenis: de samenleving is doodziek, vanwege algemene maatschappelijke ontwikkelingen zoals Moderne, vrouwenemancipatie, maar ook vanwege vele individueel zwakke, intellectuele en zieke mensen.
* En in de jood manifesteert zich voor Hitler alles ziekmakende: ras, intellectualiteit, geld, moderniteit .
* De hele geschiedenis is voor Hitler een gevecht van Goed tegen Kwaad, en hij zet het goede gelijk met de Ariër, en het Kwaad gelijk met de Jood.
Hitler is dualistisch religieus- manicheïstisch is in zijn denken en woordkeus:
„Er [der Arier] ist der Prometheus der Menschheit, aus dessen lichter Stirn der göttliche Funke des Genies zu allen Zeiten hervorsprang, immer von neuem jenes Feuer entzündend, das als Erkenntnis die Nacht der schweigenden Geheimnisse aufhellte und den Menschen so zum Beherrscher der anderen Wesen dieser Erde emporsteigen ließ” (1936, 317).
Literatuur: Friedrich Pohlmann, Politische Herrschaftssysteme der Neuzeit
Claudia Koonz, The nazi conscience (2003)
Vandaag besloot het Duitse kabinet dat er een register komt over neonazi’s.
Zie ook hier Over neonazi’s in Duitsland en de recentelijke kritiek op de Verfassungsschutz
en over het misplaatste woord Döner-Morde voor de moorden op negen allochtone middenstanders door drie Duitse neonazi’s
In het Duits (Spiegel) : Bundesweite Datensammlung für Rechtsextreme
Update 10 maart 2012 : Britse uitgever mag niet delen Mein Kampf uitbrengen in Duitsland
Update 12 juni: dit oordeel wordt ook in hoger beroep bevestigd
Meer Updates
De Pariser kunstenar Linda Ellia heeft 534 pagina’s uit “Mijn Kampf”artistiek bewerkt – onder meer als wc-papier. Haar werk wordt in Neurenberg getoond.
Rudolf van den Berg vertelde in P&W over zijn nieuwste film Süskind, het waargebeurde verhaal van verzetsman Walter Süskind, de Nederlandse Oskar Schindler, die honderden joodse volwassenen, kinderen en baby’s redde uit de Hollandse Schouwburg.
De in Duitsland geboren jood Walter Süskind (1906-1945) werkte in Amsterdam voor de Joodse Raad. Door die raad was hij aangesteld als beheerder van de Hollandsche Schouwburg. In deze functie was hij in staat met de persoonsgegevens van vooral kinderen te manipuleren.

Tot 1940 was de Hollandsche Schouwbrug een populair theater in de Plantagebuurt in Amsterdam. In 1941 veranderde de Duitse bezetter de naam van het theater in ‘Joodsche Schouwburg’. Vanaf dat moment mochten alleen joodse musici en artiesten optreden voor uitsluitend joods publiek. In de loop van de jaren kreeg de Schouwburg een andere functie toegewezen door de Duitse bezetter. Vanaf augustus 1942 moesten joden uit Amsterdam en omstreken zich melden voor deportatie, of werden hier onder dwang naar toe gebracht. Vele duizenden mannen, vrouwen en kinderen wachtten vervolgens in de Hollandsche Schouwburg op hun deportatie naar doorgangskamp Westerbork. Van daaruit werden zij op transport gezet naar concentratie- en vernietigingskampen.
Zijn goede relatie met de Duitse autoriteiten (Süskind kende Ferdinand aus der Fünten goed, de SS Hauptsturmführer die in Amsterdam de leiding had over de deportatie van joden) kwam hem in zijn verzetswerk van pas. Süskind, een handige en charmante man, was bijzonder vindingrijk en listig, vervalste lijsten, bedachte honderden trucs.
Samen met de directrice van de crèche op de Plantage Middenlaan, Henriette Rodriques Pimentel, en de Amsterdamse econoom Felix Halverstad zette Süskind een systeem op om joodse kinderen uit de Schouwburg via de crèche te laten ontsnappen. Onder zijn leiding werden honderden volwassenen, kinderen en baby’s gered uit de schouwburg.
Opmerkelijk is dat het verzetswerk dat Süskind en de zijnen verrichtten gebeurde zonder dat de leiding van de Joodse Raad daar iets vanaf wist. De leiding van de Joodse Raad zou dit namelijk hebben verboden.
Regisseur Rudolf van den Berg heeft naar eigen zeggen met zijn film geen heldenmonument voor Süskind willen opzetten, maar eerder uitdrukking willen geven aan zijn verbijstering.
“Voor massamoord heb je geen bloeddorstige beulen nodig” zei hij.
De meeste joden werden weggehaald door Nederlanders.
Verbijsterend is nog steeds de manier waarop de Joodsche Raad heeft gecoöpereerd met de bezetter.
De Joodsche Raad was een op initiatief van de Duitse bezetter in februari 1941 in het leven geroepen Joodse organisatie die de Joodse gemeenschap in Nederland moest besturen. Via deze raad gaf de bezetter bevelen aan de Joodse gemeenschap en haar leiders. De Raad werd zo het doorgeefluik van de anti-Joodse maatregelen.
Zonder de ondersteuning van de Joodsche Raad hadden de nazi’s niet zo veel Nederlandse joden kunnen deporteren, omdat men niet wist wie wel en wie niet een jood was.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft de Joodsche Eereraad uitgesproken: ‘dat de voorzitters van de Joodsche Raad gefaald hebben in een wereld, die zelf in gebreke is gebleven‘, en heeft met name de medewerking bij selectie en deportatie met klem veroordeeld.
De rol van Süskind daarentegen werd door de Joodse Ereraad geprezen:
“De Ereraad wil met erkentelijkheid vermelden het illegale werk door sommige geëmployeerden van de Joodsche Raad verricht, met name op het gebied van het laten ontsnappen van volwassenen en kinderen uit schouwburg en crèche. Zonder anderen te kort te doen brengt de Ereraad hierbij een eresaluut aan Walter Süskind. Tot dit illeagale werk hebben, zover na te gaan, de voorzitters zelf het initiatief niet genomen. Evenmin is gebleken, dat zij dit werk krachtig bevorderd hebben, zoals eigenlijk hun plicht was. Integendeel, dit zou in strijd zijn geweest met hun overige houding. “(Hans Knoop, De Joodsche Raad, p 208)
Een nieuwe studie (besproken in de NRC van 14 januari 2012) probeert antwoord te geven op de vraag waarom niet alleen het aantal maar ook het percentage Joodse slachtoffers in Nederland het hoogst was van West-Europa:
“In hun comparatieve studie beschrijven de auteurs minutieus de overeenkomsten en verschillen tussen de drie bestudeerde landen. Nauwgezet analyseren Griffioen en Zeller onder meer de positie van het autochtone bestuur, de handelingsvrijheid van de Duitse organisaties die zich met de Jodenvervolging bezighielden, de methoden die zij toepasten en de mate van integratie, assimilatie en organisatiegraad van de Joodse bevolkingsgroepen.
De voornaamste oorzaak van het bijzonder hoge aantal en percentages Joodse slachtoffers in ons land, constateren Griffioen en Zeller, was de vrijwel ongelimiteerde macht waarover het Duitse politieapparaat hier beschikte voor het organiseren van deportaties. Zowel het bezettingsbestuur (Reichskommissariat) als de hoogste Nederlandse bestuurders waren buitenspel gezet. Het laatste geschiedde overigens zonder al te veel tegenstribbelen.
De Nederlandse situatie verschilde daardoor radicaal van die in Frankrijk en België. De hoogste Franse autoriteiten, die hun gezag over de politie behielden, waren vanaf het najaar van 1942 nauwelijks bereid mee te werken aan deportaties. […]
Ten slotte werd het aantal en het percentage Joodse slachtoffers in Nederland gedeeltelijk bepaald door de inschakeling van de Joodse Raad bij de deportaties (oproepen voor ‘tewerkstelling in het Oosten’) en de aanvankelijke reacties van de Joodse bevolking op de Duitse methoden van misleiding en intimidatie. Terwijl in Frankrijk en België een aanzienlijk deel van de aanwezige Joden door hun Duitse of Oost-Europese achtergrond zich weinig illusies maakte over het nazi-antisemitisme, was dat bij de sterk geïntegreerde Joodse bevolking hier veel minder het geval. Velen waren daardoor langere tijd geneigd vast te houden aan legale ontsnappingsmogelijkheden: vrijstellingen (waarvoor aanvankelijk bijna een derde deel van de Nederlandse joden in aanmerking kwam) en Arbeitseinsatz in het ‘permanente’ werkkamp Vught. Deze legale ‘ontsnappingsmogelijkheden’ weerhielden veel Joden van onderduiken maar bleken uiteindelijk een verraderlijk onderdeel te vormen van het deportatiesysteem. De vrijgestelden en bewoners van kamp Vught werden alsnog op transport gezet.”
P. Griffioen en R. Zeller: Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België – Overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Boom; 1045 pagina ‘s; € 49,50.
————————————————————————————-
Het verhaal van Süskind werd al eerder eens verfilmd als “Secret Courage — The Walter Suskind Story”
Biografie: Mark Schellekens. Walter Süskind. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 240. € 17,95
Film: Süskind. Regie Rudolf van den Berg. Vanaf 19 januari in de bioscoop.
Roman op basis van film: Alex van Galen, Süskind, Arbeiderspers. 256 pag. € 17,50
Documentaire: De duivelse dilemma’s van Walter Süskind. Zondagavond 15 januari, KRO, 23.30 uur, Nederland 2.
Tentoonstelling: Jodenvervolging 1940-1945. Op de eerste verdieping in de Hollandsche Schouwburg is de permanente tentoonstelling Jodenvervolging 1940-1945 ingericht. In de Hollandsche Schouwburg wordt nu ook uniek materiaal tentoon gesteld rondom Walter Süskind, zoals familiefoto’s en onlangs verworven objecten.
Maria Trepp www.passagenproject.com
Deze tekst staat in vertaling ook op mijn Duitse weblog en op mijn Engelse weblog

Suum cuique Buchenwald ontwerp StudioJob
Aan de poort zou een bel worden bevestigd met daarop de tekst ‘suum cuique’, tussen rokende schoorstenen, een duidelijke verwijzing: de Duitse vertaling, Jedem das Seine, stond boven de poort van concentratiekamp Buchenwald.
Op de site van de NRC wordt het ontwerp getoond dat wél uitgevoerd wordt: weliswaar zonder de bel met “Suum cuique” maar mét de rokende schorstenen!
Na alle publiciteit kan iedereen het “Suum cuique” wel erbij denken, en spreken de schorstenen een duidelijke en allesbehalve onschuldige taal.
Het smakeloze design is aanstootgevend- maar geeft ook een zetje tot nadenken.
The fence – an offence!!

Oorspronkelijk was “suum cuique” bedoeld als een motto van de rechtvaardigheid:
Marcus Tullius Cicero (106 BC – 43 BC) schreef : “Iustitia suum cuique distribuit.” (“Het recht geeft iedereen het zijne.”)
De Duitse Pruisische „Orden vom schwarzen Adler“ gebruikte dit motto dat later door de nazi’s werd overgenomen.

In de naoorlogse tijd zijn er verschillende conflicten geweest over het gebruik van dit motto in reclamecampagnes onder andere van Nokia, Tschibo, Esso, Burger King en Rewe.
De rel over het provocerende ontwerp van Studio Job past niet alleen in een traditie van “de-rel-om-het kunstwerk-is-een-deel-van-het-kunstwerk” (Bourdieu) maar ook in een reeks van kunstprojecten omtrent beveiliging en uitsluiting (wie ontwerpt nog een mooi hek voor asielcentra??)
Recentelijk heeft Jonas Staal het ontwerpgevangenis van Fleur Agema tot uitgangspunt van acties en discussies gemaakt.
Zijn maquette en film zijn onderdeel van de tentoonstelling 1:1 in Kunsthal Extra City te Antwerpen (www.extracity.org); een theatervoorstelling vond plaats op 21 en 22 december in Frascati Amsterdam.
Hier nog een ander voorbeeld van een ironische vormgeving van een hekwerk (Demakersvan, Lace Fence, 2006, Museum Boijmans).

Dit hekwerk is geïnspireerd op panty’s en lingerie. Je zou kunnen spreken van een “erotisering van de beveiliging” (Daniel van der Velde).
Maria Trepp www.passagenproject.com
Deze tekst verschijnt ook op mijn Engelse en Duitse blogs ( www.passagenproject.com/blog1 en www.passagenproject.com/blog2 )
[Vervolg op mijn Eichmann-blog van gisteren]
Een van de vele moeilijke hoofdstukken in het leven en streven van Eichmann is zijn intense samenwerking met de zionisten.
Voordat Eichmann tot organisator werd van de Holocaust zette hij zich lange tijd in voor een emigratie van alle joden naar Palestina. Hiervoor werkte hij nauw samen met zionisten.
David Cesarani in zijn Eichmann-biografie:
“[Men] wilde ernaar streven ‘het joodse vraagstuk’ in Duitsland op te lossen door een ordentelijke joodse emigratie naar Palestina te bepleiten. In 1936 en 1937 had Eichmann intensieve contacten met joden binnen de zionistische bewegingen in Duitsland. Hij had een ontmoeting met Feivel Polkes, een Palestijnse jood, die voorstelde dat de nazi’s en de zionisten zouden samenwerken om de joodse emigratie te bevorderen. In november 1937 reisde Eichmann naar het Midden-Oosten om deze mogelijkheid te onderzoeken en hij bracht een kort bezoek aan wat later de staat Israel zou worden. In deze fase combineerde hij een relatiefwelwillende kijk op het zionisme met een traditioneel antisemitisch wereldbeeld.” (p 17)
“Recentelijk opgedoken rapporten en lezingen die hij in 1937 schreef, tonen hem in de greep van een fantasie waarin sprake is van een wereldomvattende joodse samenzwering tegen Duitsland. Eichmann zag, net als zijn kameraden in de 5D, de joden als een ‘vijandelijke’ macht. Ditwas een buitengewoon onpartijdige, afgeleide vorm van jodenhaat die hem in staat stelde normale relaties met individuele joden te onderhouden, in het bijzonder met zionisten, terwijl hij onvermoeibaar werkte aan een plan het Rijk te bevrijden van zijn joodse inwoners en de strijd tegen de ‘macht’ van een mythisch, mondiaal jodendom.”
“In 1940 was Eichmann betrokken bij andere massa-verdrijvingen en hij ontwierp plannen om vier miljoen Europese joden naar Madagaskar te deporteren.”
Eichmann noemde zichzelf zelfs de nieuwe Herzl.
“Eichman zag zichzelf in die tijd zeker niet als een jodenmoordenaar. Hij was nog steeds een voorstander van joodse emigratie en hij werkte het hele jaar 1940 samen met zionistische groeperingen en joodse mensensmokkelaars die heimelijk joden naar Palestina zonden” (p 19)
“Nieuw onderzoek onthult dat de voorbereidingen voor het proces [in Jeruzalem] aan politieke bemoeienis waren onderworpen. De Israëliërs ontweken gevoelige zaken zoals het contact tussen de zionisten en Eichmann in de jaren dertig en de onderhandelingen over het lot van de Hongaarse joden in 1944 waarbij Ben-Goerion zelf was betrokken.” (p 24)
De samenwerking tussen nazi’s en zionisten is een donker hoofdstuk in de geschiedenis, ook is het nog zo goed te begrijpen dat de joden een veilige plek zochten.
Ik heb mij eerder in ander verband bezig gehouden met de problematische geschiedenis van het zionisme, waarbij ik met racistische en antisemitische gedachten bij Max Nordau, de tweede man van het zionistisch verbond na Theodor Herzl.
Ik heb met schrik vastgesteld dat Hitlers begrip van de “ontaarding” en “ontaarde kunst” een denkbeeld was die op 1000 pagina’s was uitgewerkt door een jood, de zionist Max Nordau.
Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoi, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.
De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierswerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit “maatschappelijke ongedierte” moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.
Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde “Muskeljuden” . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.
Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: ‘Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004)
Tot besluit: ik zeg NIET dat alle zionisten fascisten zijn of erger. Er zijn zeer verschillende vormen van zionisme.
Ik zeg alleen dat ook de geschiedenis van het zionisme donkere hoofdstukken bevat.
Literatuur: Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani
Zie ook hier over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis
Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde, verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.
Maria Trepp www.passagenproject.com
Eichmann staat opnieuw in het middelpunt van de openbare aandacht, door het openbaar worden van nieuwe feiten en nieuw archiefmateriaal, en door de grote tentoonstelling in Berlijn.
Eichmann is als de gewone mens die de massavernietiging administratief heeft uitgevoerd de icoon geworden van de “banaliteit van het kwaad”. Op dit begrip van Hannah Arendt is veel kritiek geweest, zie bijvoorbeeld het artikel van Peter Giesen in de Volkskrant van 9 april.Nieuw onderzoek toont aan dat Eichmann geenszins de passieve nazi-pop was tot welke bijvoorbeeld Harry Mulisch hem in “De zaak 40/61” heeft gemaakt.
Zoals de biograaf David Cesarani beargumenteert was Eichmann aan de ene kant een gewoon mens, geen satan (die de Israëlische aanklager van hem wilde maken) en was ook tijdens grote delen van zijn carrière geen uitzonderlijk fanatieke antisemiet. Eichmann was een vooral conventionele man, een opportunist en carrièrist, die met de tijd een aantal bewuste historische keuzes heeft gemaakt die hem uiteindelijk in feite een monster lieten worden.
Toen ik het boek van Cesarani las was ik verrast door een detail in Eichmanns leven waar ik weinig van wist: Eichmanns relatie met de (half-) Nederlandse nazi en Waffen-SS man Willem Sassen. [Een SS-man die Sassen heet!]Cesarani: “Sassen was in België bij verstek voor oorlogsmisdaden veroordeeld, maar bereikte in september 1948 op een schoener, en onder de schuilnaam Jacobus Jansen, Argentinië, Daar paste hij naadloos in het milieu van oud- SS’ers. Hij werd redacteur van de nieuwsbrief Der Weg, die zich richtte op de gemeenschap van naziemigranten. Der Weg […] was zo extreem rechts dat zelfs Perón kon worden overgehaald de publicatie ervan te verbieden”.“Behalve als journalist verdiende Sassen ook als ghostwriter voor oud-SS’ers en hij werkte regelmatig met Eberhard Fritsche, een voormalig medewerker van het nazistische rijksministerie van Openbare Voorlichting en Propaganda en een van Goebbels naaste medewerkers, die nu directeur van Durer Verlag was en nauw samenwerkte met Ludwig Freude. In 1955 of 956 stelde hij, met medeweten van Fritsche, Eichmann voor dat ze samen zouden werken aan een volledig verslag van de Endlosung. Het zou de ‘waarheid’ vanuit het nazistandpunt vertellen en hun aardig wat geld opleveren. De bedoeling was Eichmanns herinneringen op band op te nemen, daarbij geholpen door hedendaagse documenten en aangevuld met expertise uit de SS-gemeenschap. De banden zouden vervolgens worden uitgewerkt tot een authentiek verslag van de gebeurtenissen van iemand die daarbij een centrale rol had gespeeld.” ( p 225).Volgens Cesarani hadden Eichmann en Sassen echter elk hun eigen bedoelingen, die in feite niet met elkaar strookten. Eichmann werd volgens Cesarani gedreven door ijdelheid en was verbolgen dat zijn eigen rol in de geschiedenis niet echt was opgemerkt.“Sassen daarentegen wilde de joodse en Israëlische aanspraken op herstelbetalingen van Duitsland ondermijnen en de verantwoordelijkheid van de Duitsers voor de massamoord op de joden bagatelliseren. Een van zijn belangrijkste doelstellingen was het aantal slachtoffers van de genocide verlagen. Het andere was Hitler van blaam te zuiveren. Dus waar Sassen het aantal naar de vernietigingskampen gedeporteerde joden omlaag wilde brengen, wilde Eichmann maar al te graag over zijn succes opscheppen.”
“Ondanks beweringen dat Eichmann niet antisemitisch was, de joden niet persoonlijk haatte en nogal wat joodse medewerkers had, liet hij zich op andere rnomenten kennen als een in alle opzichten onveranderde, geen berouw tonende nazi. ‘Nee, ik heb nergens spijt van en ik ben zeker niet van plan in te binden. In de vier maanden waarin je alles weer boven hebt gehaald, waarin je hebt gepoogd mijn geheugen op te frissen, is weer een heleboel bovengekomen. Het zou voor mij te makkelijk zijn en, gezien de huidige publieke opinie, al te begrijpelijk, het spel van Saulus-wordt-Paulus te spelen. Maar je moet weten dat ik dat niet kan omdat ik in de kern van mijn wezen weiger te erkennen dat we iets verkeerds deden. Nee, laat me je in aIle eerlijkheid zeggen dat als van de 10,3 miljoen joden over wie (de statisticus) Korherr spreekt, zoals we nu weten, als we er 10,3 miljoen hadden vermoord, dan zou ik tevreden zijn. Ik zou zeggen: “Uitstekend. We hebben een vijand uitgeroeid”. “”Alles bijeen namen Sassen en Eichmann in vijf maanden tijd niet minder dan zevenenzestig banden op. Hiervan werd een typo script van 695 pagina’s gemaakt waaraan Eichmann nog tachtig pagina’s handgeschreven aantekeningen toevoegde.”Sassen schreef artikelen voor Der Stern en Life, die later, ondanks Eichmanns protest, als bewijsmateriaal bij het Jeruzalemproces werden gebruikt. Maar de banden zelf met de gesprekken tussen Sassen en Eichmann werden pas zo laat als bewijsmateriaal voor het proces aangedragen, dat de rechters alleen maar een heel klein gedeelte van het materiaal als bewijsmateriaal toelieten namelijk Eichmanns handgeschreven aantekeningen en kanttekeningen.
Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani, citaten p 225 ff.
Zie ook over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis
Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde, verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.
Vandaag 12-2-1010 staat een recensie in de krant over een nieuw boek over Carl Schmitt. Hans Driessen: “Carl Schmitt (1888-1985), een van Duitslands (zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog) meest gelezen en felst omstreden politieke denkers. Hij was een genie in het haten: hij haatte het politieke en wetenschappelijke establishment, de sociale democratie zoals die gestalte kreeg in de republiek van Weimar; hij haatte communisten en socialisten, protestanten en joden. Hij was een van de scherpzinnigste critici van de liberale rechtstaat en verwelkomde, na een wel zeer korte aarzeling, Hitler en het Derde Rijk. Hij leverde er de juridische legitimatie en grondslag voor, nadat hij al vroeg in 1933 tot de NSDAP was toegetreden. Hij liet zich het eerbetoon van de nazi’s maar al te graag gevallen en aanvaardde zonder bedenking de hoogste ambten.”(de Volkskrant, 12-2-2010)
In mijn documentatie over de Edmund Burke Stichting en in een aantal blogs heb ik zeer uitvoerig aandacht besteed aan de Carl-Schmitt-receptie. De huidige recensie voegt aan mijn documentatie van Carl-Schmitt-tegenstanders nog Golo Mann toe (een overigens zeer conservatieve historicus), die over Carl Schmitt zei: “’( ) hij was een van degenen die hun intelligentie en ontwikkeling niet gebruiken om het nut te vergroten maar om schade aan te richten, een ten diepste rancuneus mens ( ), enkel belust op persoonlijk voordeel, titels en ambten.’”
Ook Reinhard Mehring, Carl Schmitt-criticus, kende ik nog niet, wiens boek
“Carl Schmitt. Aufstieg und Fall“ Driessen recenseert. “De lezer krijgt een ontluisterend beeld voorgeschoteld van de mens Schmitt. Mehring spaart zijn hoofdpersoon niet. Hij meet alle kwalijke kanten van Schmitt breed uit: zijn maniakale ressentiment, zijn bijna pathologische antisemitisme, zijn disloyaliteit, zijn meedogenloze ambitie, zijn volstrekte onvermogen tot enige zelfkritiek, laat staan tot berouw.”
Hoewel Nietzsche door sommigen als een voorloper van het nazisme wordt beschouwd bekritiseerde hij antisemitisme, pan-Germanisme en nationalisme. Zo brak hij met zijn uitgever in 1886 als gevolg van verzet tegen diens antisemitische standpunten, en zijn breuk met Richard Wagner beschreven in Het geval Wagner en Nietzsche contra Wagner (beiden geschreven in 1888), had veel te maken met Wagners goedkeuring van pan-Germanisme en antisemitisme.
In een brief van 29 maart 1887 aan Theodor Fritsch bespotte Nietzsche antisemieten als Fritsch, Eugen Dühring , Wagner, Ebrard, Wahrmund en de leidende voorstander van het pan-Germanisme, Paul de Lagarde , die, samen met Wagner en Houston Chamberlain , de belangrijkste officiële invloeden van het nazisme werden. Deze brief aan Fritsch eindigt:
” - En tenslotte, hoe denk je dat ik me voel wanneer de naam Zarathoestra in de mond wordt genomen door anti-semieten? …“
Hoofdstuk VIII van Voorbij goed en kwaad getiteld “Volk en vaderland” bekritiseert pan-Germanisme en patriottisme, en bepleit in plaats daarvan de eenwording van Europa (§ 256, etc.).
In Ecce Homo (1888), bekritiseerde Nietzsche de “Duitse natie”, de “wil tot macht (= tot Reich)”, en keurde een verkeerde interpretatie van de Wille zur Macht af, net zo als de opvatting van de Duitsers als een “ras”, en de “antisemitische manier van schrijven van de geschiedenis”.
Nietzsche uitte harde kritiek op de man van zijn zuster, Bernhard Förster en op zijn zuster zelf , en sprak afwijzend over de “antisemitische canaille”: “Nadat ik de naam van Zarathoestra in de anti-semitische correspondentie lees komt mijn verdraagzaamheid tot einde. Ik verkeer nu in een positie van noodweer tegen de partij van jouw echtgenoot. Deze vervloekte antisemitische misvormingen zullen mijn ideaal niet bezoedelen!” .
Georges Bataille was een van de eersten die de opzettelijke verkeerde interpretatie van Nietzsche door de nazi’s aan de kaak stelde. Bataille wijdde in januari 1937 een nummer van Acéphale , getiteld “Herstelbetalingen aan Nietzsche” aan het thema “Nietzsche en de fascisten”, Hij noemde Elisabeth Förster-Nietzsche ”Elisabeth Judas-Förster,” daarbij aan Nietzsches verklaring refererend: “…nooit meer iemand te bezoeken die betrokken is bij dit naakte bedrog met betrekking tot rassen.”
Nietzsches aforisme 377 in het vijfde boek van De vrolijke wetenschap (Gepubliceerd in 1887) bekritiseert nationalisme and patriottisme en pleit ervoor goede Europeanen te zijn:
„.. wir sind der Rasse und Abkunft nach zu vielfach und gemischt, als “moderne Menschen”, und folglich wenig versucht, an jener verlogenen Rassen-Selbstbewunderung und Unzucht teilzunehmen, welche sich heute in Deutschland als Zeichen deutscher Gesinnung zur Schau trägt und die bei dem Volke des historischen “Sinns” zwiefach falsch und unanständig anmutet. Wir sind, mit einem Worte – und es soll unser Ehrenwort sein! – gute Europäer, die Erben Europas, die reichen, überhäuften, aber auch überreich verpflichteten Erben von Jahrtausenden des europäischen Geistes: als solche auch dem Christenthum entwachsen und abhold, und gerade, weil wir aus ihm gewachsen sind, weil unsre Vorfahren Christen von rücksichtsloser Rechtschaffenheit des Christentums waren, die ihrem Glauben willig Gut und Blut, Stand und Vaterland zum Opfer gebracht haben.“
http://gutenberg.spiegel.de/buch/3245/8
“Nietzsche was zijn gehele leven aan een vloed van antisemitische propaganda blootgesteld: van de zijde van zijn zuster en zijn zwager, Bernhard Förster, een prominent vertegenwoordiger van de Duitse antisemitische beweging, die na een schandaal in een tram, waarbij hij joodse passagiers had mishandeld, naar Paraguay emigreerde om daar de teutoonse kolonie ‘Nueva Germania’ te stichten; van de zijde van Wagner; van zijn uitgever Schmeitzner en van lieden die hem de Antisemitische Korrespondenz toezonden. Hierin ligt ongetwijfeld mede de verklaring voor zijn voortdurende bestrijding van dit gif. “
Dit citaat komt uit het boek van Henk van Gelre, “Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving” (band 1, p 108) , aanbevolen op mijn vorige blog door An van den Burg.
Nietzsche: “‘Het hele probleem van de joden bestaat alleen binnen de nationale staten, in zover hun daadkracht en grotere intelligentie, hun in een lange lijdensschool van generatie op generatie opgestapeld geestes- en wilskapitaal, hier wel overal in een afgunst en haat opwekkende mate het overwicht moet verkrijgen, zodat de literaire onhebbelijkheid in alle naties van vandaag de overhand neemt – en wel méér naarmate deze zich weer nationaal gedragen -, om de joden als zondebok, voor alle moelijke openbare en innerlijke misstanden naar de slachtbank te leiden.’
Rüdiger Safranski heeft in zijn uitvoerige Nietzsche- biografie ook over het thema “Nietzsche en het antisemitisme” geschreven (p 331 ff):
“Het is onbetwistbaar dat Nietzsche een anti-anti-semiet was, al is het maar omdat het antisemitisme hem in zulke gehate figuren als zijn zwager Bernhard Förster en zijn zuster voor ogen stond. Hij verachtte de Duits-nationale, volkse componenten. Hij zag in de anti-semitische beweging van de jaren tachtig de opstand van de middelmatigen, die zich onrechtmatig voor heersersnaturen uitgaven, alleen omdat ze zich Ariërs voelden.
Tegenover zulke antisemieten was Nietzsche zelfs bereid het joodse ras te verdedigen door te beweren dat het meer waard was. Zijn argument luidt: Omdat ze zich eeuwenlang tegen aanvallen hebben moeten verdedigen, zijn ze taai en geraffineerd geworden, ze hebben de defensieve kracht van de geest versterkt en zodoende een onmisbare rijkdom in de Europese geschiedenis ingebracht. Het joodse volk, schreef Nietzsche, heeft van alle volkeren de smartelijkste geschiedenis achter de rug, en juist daarom hebben we aan dit volk de edelste mens (Christus), de zuiverste wijze (Spinoza), het machtigste boek en de invloedrijkste zedenwet ter wereld [...] te danken. Hij keert zich tegen de verblinding van de nationalisten die de joden als zondebokken van alle mogelijke publieke en private misstanden naar de slachtbank leiden.”
“In zijn aantekeningen uit de herfst van 1888 zet Nietzsche een aantal gedachten voor een psychologie van het antisemitisme op een rijtje. Het gaat daarbij meestal om lui, schrijft hij, die te zwak zijn om hun leven een zin te geven en die zich in panische angst bij de eerste de beste partijen aansluiten die hun tirannieke behoefte aan zin bevredigen. Ze worden bijvoorbeeld anti-semieten louter en alleen omdat de anti-semieten het op het schaamteloze af op dat ene voor de hand liggende doel gemunt hebben – het joodse geld . Aan die waarneming knoopt Nietzsche zijn psychogram van de ordinaire anti-semiet vast: instinctieve afgunst, ressentiment, machteloze woede als I ei d mot i e f: de aanspraak van de ‘uitverkorene’; door en door moralistische leugenachtigheid tegenover zichzelf -die permanent de mond vol heeft van deugdzaamheid en alle andere grote woorden. Dit als typisch kenmerk: ze merken niet eens op wie ze daardoor als twee druppels water lijken? Een anti-semiet is een afgunstige, dat wil zeggen de meest stupide jood. “
“Toch ontwikkelde hij [Nietzsche] in De genealogie van de moraal, in Afgodenschemering en in De antichrist een theorie volgens welke het religieuze jodendom een beslissende en leidinggevende rol heeft gespeeld bij het initiëren van de slavenopstand van de moraal. “
“De door Nietzsche verachte antisemieten konden dus in ieder geval een aantal van zijn gedachten als bron van inspiratie gebruiken, ook al strookte het beeld van de Arische heersersnatuur dat zij ontwierpen niet met het beeld van voornaamheid dat Nietzsche als leididee voor ogen stond. Dat hebben ze bij de nationaal-socialisten op een gegeven moment ook gemerkt. Ze bleven Nietzsche weliswaar voor hun karretje spannen, maar er gingen daarnaast steeds meer stemmen op die voor de vrijdenker Nietzsche waarschuwden. Ernst Krieck, een invloedrijke nationaal-socialistische filosoof, oordeelde ironisch: ‘Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstander van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten beschouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn’ “.
De pre-fascist Max Nordau, auteur van “Entartung/Ontaarding” (1892) haatte Nietzsche, die hij (terecht) als een vrijdenker en als een antinationalist beschouwde. Dus heeft Max Nordau aan Nietzsche een van zijn haat-hoofdstukken gewijd, wat achteraf bezien eigenlijk een hommage is, omdat Nietzsche hier naast andere “ontaarde” en dus “dood te slaande” geesten staat: Tolstoi, Beaudelaire, Ibsen, Zola.
Harry Mulisch behandelt de kwestie “Nietzsche en het antisemitisme” uitvoerig in zijn boek over Eichmann “De zaak 40/61″ waarbij hij ook tot de conclusie komt:
“hij [Nietzsche] zou ongetwijfeld tot Hitlers felste tegenstanders behoord hebben”
Maria Trepp
Weinigen weten dat de eerste Olympische fakkelestafetteloop plaats vond in 1936 als onderdeel van de uitgebreide Olympia-nazi-propaganda.
Het “Derde Rijk” begreep zichzelf als een reïncarnatie van de Griekse antieke. De perfecte antieke lichamen werden gebruikt als voorbeelden in het streven naar deugd, tucht en bereidheid tot opoffering. Het gezonde lichaam was het ideaal op zowel individueel alsook op nationaal niveau: het nationale gezonde volkslichaam. Ziekte en zwakheid werden tot taboe verklaard en later tot uitroeiing veroordeeld.
De fakkelestafetteloop was een belangrijk onderdeel van de nazi-propaganda. Net als de Olympische spelen zelf was het de bedoeling van de fakkelestafette om de verbondenheid van alle volkeren met de nazi-staat te demonstreren, en andere landen van de vredevolle bedoelingen van de nationaal-socialisten te overtuigen.
De fakkelhouders werden gemaakt en gratis verstrekt door de wapenproducent Krupp….
De aankomst van de fakkel werd in verschillende Europese hoofdsteden gevierd met een breed scala aan propaganda-activiteiten, met religieus geïnspireerde “Weihestunden”. Op sommige plaatsen, in het bijzonder Tjechoslowakije, kwam het tot protesten.
Op 1 augustus 1936 kam het Olymisch vuur aan in Berlijn. Voordat de loper na het Olympiastadion liep, bediende hij eerst de “Weihestunde” in de “Lustgarten”.

20.000 Hitlerjungens en 40.000 SA-mannen namen samen met leden van het IOC deel aan een bijzondere “Weihestunde” met toespraken van o.a. Goebbels.
De procedure van het aansteken van het vuur in het Olympiastadion tenslotte was ook helemaal vormgegeven door de versmelting van de symboliek van sport, oorlog en offer.
De vlam brandde voor het ‘Marathontor’, dat op de zege bij Marathon en de historische, zelfopofferende Marathonloop wees. (De geschiedenis vermeldt dat eerste marathon een dodelijke afloop had: na het uitbrengen van de woorden “Verheug u, wij hebben gewonnen!” viel de boodschapper dood neer.) Door het Marathontor kon men toen – en ook nu nog- de kloktoren zien, een monument voor de soldaten van de Eerste Wereldoorlog, die in België bij Langemarck waren gevallen. In Duitsland ontstond een ware mythe rond het woord Langemar(c)k ; Hilter noemde zichzelf een “Langemarck-strijder“.
Al hebben velen het toen niet willen zien: het ging niet om vrede en volkerenvriendschap bij deze Olympische spelen, het ging om propaganda, sport en militarisme, en wie toen vanuit het stadion naar de vlam van het Olympisch vuur keek, keek ook door het Marathontor naar het Langemarck monument met duidelijke symboliek.
(De foto heb ik gemaakt deze week, met de doorkijk: vlammenaltar, Marathontor, Langemarckmonument)
Literatuur: Carola Jüllig , Der Fackel-Staffel-Lauf Olympia-Berlin 1936
F. Mayr, Die Olympischen Spiele des Jahres 1936 in Berlin, Forum Archaeologiae 42/III/2007
Fortuyn en hun volgers, zoals Verdonk en Wilders, wilden geen partijen meer, maar bewegingen, je kunt je bij hun rechtse bewegingen aansluiten, maar dat zijn geen partijen waar je lid van wordt. Kijk eens naar de geschiedenis van de belangrijkste rechtse “beweging” uit de geschiedenis.
Antisemitisme is niet alleen in rechtse kringen te vinden, maar ook in linkse/ anarchistische kringen. Antisemitisme is bovendien zelfs ook onder joden en onder zionisten te vinden.
Het is belangrijk om te begrijpen dat antisemitisme niet altijd biologisch-racistisch is van aard. Invloedrijke Duitse antisemieten zoals de Berlijnse dominee Adolf Stoecker en de Berlijnse historicus Heinrich von Treitschke (“Die Juden sind unser Unglück!”) hebben niet vanuit een “ras”-argumentatie geagiteerd – wat hun invloed alleen maar groter heeft gemaakt.
De jodenhaat in de 19e eeuw had veel te maken met sociale afgunst, en had veel te maken met de opwaartse sociale mobiliteit van de joden. In 1780 leefden nog 9 van 10 joden in Duitsland in armoede, maar aan het einde van de 19e eeuw behoorden veel joden tot de beter gesitueerde burgers, en hadden belangrijke posities in economie en wetenschap (Berding, Moderner Antisemitismus, p. 38) De Duitse historicus en antisemitisme-deskundige Helmut Berding, ( die ook mijn onderzoek goedkeurend heeft gelezen en me hierover heeft geschreven) schrijft, dat in Duitsland de sociaal-democraten de grootste tegenstanders waren van het antisemitisme, maar dat de communistische partij tot een opportunistisch antisemitisme werd verleid: “Tretet die Judenkapitalisten nieder, hängt sie an die Laterne, zertrampelt sie.” (p.220)
Mijn joodse oom Heinz Brandt, Auschwitz-overlevende en later DDR- gevangene, schrijft in zijn boek Ein Traum, der nicht entführbar ist (Engels: The third way) over het antisemitisme onder Stalin. Corinne de Vries heeft in de Volkskrant verslag gedaan van Stalins terreur in Birobidzjan. Jiddische scholen, synagogen, bibliotheken, theaters en media werden gesloten of vernietigd. De politieke en culturele elite verdween in de kampen of werd doodgeschoten ( 18-6-2005).
Heinz Brandt vertelt ook over het antisemitisme in het DDR-partijbureau. Men verordende een speciale behandeling voor joodse medewerkers. Men vond dat de joden uit kleinburgerlijke kringen kwamen en veel verwanten en bekenden hadden in het Westen; dus een “Unsicherheitsfaktor” waren.
Bij communisten en partijbureau vindt men een sterke samenhang tussen bourgeoisiekritiek en antisemitisme.
De joodse filosoof Walter Benjamin zag de samenhang tussen bourgeoisiekritiek en antisemitisme ook bij Hitler. Hij zei dat het nationaal-socialisme het antisemitisme nodig had om kunstmatig een houding te creëren, die eigenlijk de houding van de onderdrukten tegenover de onderdrukkers was. Een kwaadaardige karikatuur van een echte revolutie.
De Duitse historica Dorothea Hauser heeft de samenhang tussen het denken van de terroristische RAF en de Ex-RAF-er en antisemiet Horst Mahler aangetoond.
Bovendien laat zij zien hoe manipulatief de RAF zich van „Auschwitz“ heeft bedienend: de RAF-ers zagen hun gevangenis als concentratiecamp, en spraken van Stammheim als “Endlösung”. ( Dorothea Hauser, Rechte Leute von links? Die RAF und das deutsche Volk, In: Zur Vorstellung des Terrors, Die RAF, Bd. 2, S. 136, 137.)
Geen toeval dat veel RAFers een onderkomen vonden in de DDR.