Archive for the ‘ Duitsland, Duitse taal, cultuur & geschiedenis ’ Category
Shades of red: Karl Marx
Om de 195e verjaardag van Karl Marx te vieren heeft de Duitse kunstenaar Ottmar Hörl 500 1 meter grote rode Karl-Marx- kabouters opgesteld in Marx’ geboortestad Trier. Niet in 50 tinten rood, maar in vier tinten rood.

Het magazine Der Spiegel klaagt over de “Vergartenzwergung” van Karl Marx. Ik weet nu al dat “Vergartenzwergung” mijn Duits lievelingswoord 2013 gaat worden.

Hoe dan ook zie ik dit kunstproject als een geestig commentaar op de manier waarop autoriteiten worden verkleind en uitgehold- iedereen kookt er zijn eigen soep van de theorieën van de grote denkers.

Het project staat overduidelijk in de traditie van Walter Benjamin en Andy Warhol. In zijn essay ‘Het kunstwerk in het tijdperk van zijn technische reproduceerbaarheid’ betoogt Benjamin uitvoerig dat de moderne mogelijkheden om kunstwerken technisch te reproduceren het karakter van de kunst diepgaand heeft veranderd.

Maar de reproductie heeft niet alleen de kunst veranderd. Alles is anders en al helemaal met internet. De hele samenleving is veranderd, en alle autoriteiten – welke dan ook- vechten om hun status.
Maar volgens mij kan Karl Marx- de echte- dit wel aan.
Zie ook mijn blog Marxisme, ideologiekritiek, humanisme, emancipatie
Ook Hörls omstreden Hitler-kabouters worden in Trier getoond in een aparte tent. Deze Hitler-figuren werden in 2008 eerder al in België getoond (in 700 kopieën), onder de naam “Poisoned”. Ik vind de associatie “kabouter-Hitler” als “kabouter-volkscultuur-kitsch-Hitler” associatie begrepen helemaal zo gek nog niet.
www.passagenproject.com
Maria Sibylla Merian, insecto-theoloog
[blogherhaling] In het Rembrandthuis zag ik een paar jaar geleden de schitterende tentoonstelling over Maria Sibylla Merian, een Duits-Nederlandse vrouw tussen kunst en wetenschap.
“Maria Sibylla Merian (1647-1717) is de belangrijkste en meest invloedrijke natuurhistorische tekenaar die in de zeventiende eeuw in Nederland (en Suriname) werkzaam is geweest.
Een representatief overzicht van circa 100 meesterwerken, afkomstig uit tientallen prentenkabinetten en hier voor de eerste maal bijeengebracht, geeft de bezoeker inzicht in Merians wetenschappelijke onderzoek, observatie en minutieuze registratie van bloemen, insecten en reptielen.

-butterflies-insecten-metamorphose.jpg
Merian wordt tegenwoordig algemeen beschouwd als de eerste vrouwelijke entomoloog (insectenkenner), omdat zij haar onderzoek buitengewoon zorgvuldig registreerde en documenteerde. Even bijzonder als haar wetenschappelijke werk is haar avontuurlijke levensloop. Zo reisde zij op 53-jarige leeftijd naar Suriname om de insecten in het regenwoud te bestuderen. Ook als zelfstandig ondernemer onderscheidde zij zich van haar tijdgenoten door met haar dochters een succesvolle uitgeverij en drukkerij van boeken en prenten op te zetten.”
Voor Merian, net zoals voor haar beroemde voorganger Jan Swammerdam, was het onderzoeken en beschrijven van insecten een manier van godsdienst, zie ook uitvoerig mijn blog over “Insecto-theologie“.

Duroia eriopila_

Guavetak met spin

Duroia


Caiman_crocodil


Ananas

tulp



Granaatappelboom

voorjaarsbloemen tulpen

rood-geel gevlamde lelie

Iris Susiana (1700)

witte narcissen
www.passagenproject.com
www.passagenproject.com

Rembrandt_Harmensz._van_Rijn_Wolken in der kunst 1638

Jacob_Isaaksz._van_Ruisdael_Wolken in de kunst

Turner,_J._M._W._-_The_Grand_Canal_-_Venice Wolken in de kunst

Joseph_Mallord_William_Turner_Wolken in der kunst

Joseph_Mallord_William_Turner_Wolken in der kunst
 Wolken in der kunst clouds 1818-580x742.jpg)
Caspar_David_Friedrich_Wolken in der kunst 1818

Caspar_David_Friedrich_Wolken in der kunst 1820

Caspar_David_Friedrich_Wolken in der kunst 1820

Caspar_David_Friedrich_Wolken in der kunst

Jean-Baptiste-Camille_Corot_Wolken in der kunst

Paul_Signac_-_The_Pink_Cloud,_Antibes Wolken in der kunst
Overzichtstentoonstelling Yoko Ono in Frankfurt
In de Schirn Kunsthalle in Frankfurt is een overzichtstentoonstelling te zien over Yoko Ono.

Yoko Ono wikimedia Commons Alexander Plyushchev
Alexander Plyushchev
Yoko Ono (geboren op 18 februari 1933) is een Japanse kunstenaar en vredesactiviste, bekend door haar huwelijk met John Lennon (1969-1980) en haar avantgarde-kunst, muziek en film. Ono bracht het feminisme naar de muziek en is ook bekend om haar filantropische bijdragen aan kunst, vrede en AIDS outreach programma’s.
Ono maakte deel uit van Fluxus, een losse vereniging van Dada -geïnspireerde avant-garde artiesten in de vroege jaren 1960. Het streven van de Fluxuskunstenaars was het bij elkaar brengen van kunst en dagelijks leven. Daartoe moest de kunstpraktijk ‘gezuiverd’ worden van de door de musea en de commercie aangehangen ‘elitaire’ kunstopvattingen. Kunst en leven moesten elkaar bepalen.

Yoko Ono Fluxus wikimedia Commons Oriol Tuca
Oriol Tuca
Behalve conceptuele kunst heeft Ono ook participatieve kunst gemaakt, bijvoorbeeld het project van 1996 getiteld “Wish Tree“.
“Wish Piece by Yoko Ono (1996)
Make a wish
Write it down on a piece of paper
Fold it and tie it around a branch of a Wish Tree
Ask your friends to do the same
Keep wishing
Until the branches are covered with wishes”.

Yoko Ono wikimedia commons Gryffindor Wishtree
Gryffindor

Yoko Ono Wikimedia Commons TS Eriksson Yoko_Ono_Wish_Tree_for_Wanaas
TS Eriksson
Ono was ook een experimentele filmmaker die tussen 1964 en 1972 zestien films maakte, en werd bekend met een Fluxus film uit 1966 “Bottoms.”
Deze film bestaat volledig uit close-ups van het achterwerk van beroemde personen. Ono wilde hiermee een dialoog voor wereldvrede bevorderen.
Kijk hier naar haar film “Fly” waar vliegen over een naakte vrouw kruipen.
…en hier meer Yoko Ono op Ubunet.
Op de Liverpool Bienniale in 2004 overstroomde Yoko de stad met banners, tassen, stickers, ansichtkaarten, flyers, posters en badges, met twee afbeeldingen: een van een naakte vrouwenborst, de andere van de vulva van dezelfde vrouw. Het stuk, getiteld “My Mummy Was Beautiful”, was gewijd aan de moeder van Lennon, Julia.

Yoko Ono wikimedia Commons Miri Nishri Is_this_baby_yours
Miri Nishri
Volgens Ono was het werk bedoeld als onschuldig, niet als schokkend.
Op 9 oktober 2007 stak Ono officieel de Imagine Peace Tower op Videy Eiland in IJsland aan, gewijd aan de vrede en aan Lennon.

Yoko Ono Wikimedia Commons Imagine Peace tower McKay Savage
Light art lichtkunst
McKay Savage
In mei 2009 ontwierp Yoko een T-shirt voor ‘Fashion Against AIDS’ met de stelling ‘Imagine Peace’ afgebeeld in 21 verschillende talen.
Yoko Ono wordt vandaag, 18 februari, 80 jaar oud en vierde haar verjaardag met een grote voorstelling in Berlijn op 17 februari.
update 2-3-2013 www.openculture.com
” In the past week, Ono released her new video installment, Yoko Ono’s Make-Up Tips for Men, to help promote her fashion line for Opening Ceremony, which apparently features “LED jock straps, thigh-high boots, and butt-baring pants inspired by John Lennon’s sexy body.” The video is odd and offbeat, as you’d expect. And, true to form, it’s entirely devoid of actionable fashion tips for men.”
update 22-3-2013
Yoko Ono vecht tegen de wapenindustrie met een foto van de bloedbesmeurde bril van John Lennon: pic.twitter.com/PYigb2uJKT
www.passagenproject.com
www.passagenproject.com
25 procent van de elektriciteit in Duitsland komt nu van wind, zon, waterkracht en biomassa – de ontwikkeling van duurzame energie heeft in 2012 de prognoses opnieuw overschreden (luister hier op de Deutschlandfunk : Jahrhundertprojekt Energiewende ).
Uit schone bronnen wordt zo veel energie gewonnen dat deze de gesloten kerncentrales vervangt en verder bijdraagt aan de bescherming van het klimaat.

Windpark foto Phillip Hertzog wikimedia commons
( foto Phillip Hertzog)
De investeerders zijn tevreden over een veilig en meestal vrij hoog rendement. Dit succes werd mogelijk gemaakt door de unieke Duitse terugleververgoeding, voor de eigenaars van de schone-energie-centrales een geweldige uitvinding: deze vergoeding is 20 jaar lang gegarandeerd, de verkopers van de schone elektriciteit hoeven zich dus geen zorgen te maken over de afzet. Een perfect recept voor de lancering van nieuwe energie: steeds meer beleggers bouwen windmolens en zonne-energie systemen. De behoefte is hierbij niet van belang, de vergoeding is toch gegarandeerd.
Maar voor de consument groeien de kosten – het nieuwe jaar brengt in Duitsland een sterke verhoging in energieprijzen, vaak met meer dan tien procent, met name voor particuliere consumenten.
Ook houden de netwerken geen gelijke tred met het succes van duurzame energie. Maatstaf voor het succes van de “Energiewende” in Duitsland is in de nabije toekomst de uitbreiding van het netwerk van leidingen, maar hier wordt te weinig vooruitgang geboekt.
En ten slotte vermindert in Duitsland het energieverbruik veel te langzaam – zonder fiscale stimulans zijn energiebesparingen zelden het geld waard.
Maar natuurlijk: hogere energieprijzen zullen ook zonder verbouwingen leiden tot minder verbruik. En het totale energieverbruik in Duitsland is in 2012 met 5 procent afgenomen.
Zie ook “Met de wind in de rug” (GroenLinks)
[Dit artikel wordt overgenomen door Duurzaam Nieuws]
In Berlijn wordt een grote bibliotheek van het conservatisme geopend, waar een dwarsdoorsnede van het conservatief denken wordt getoond in 60.000 boeken. De nadruk ligt op de problematische samenwerking tussen “Konservative Revolution” en Hitler, en op conservatieve hoofdfiguren zoals de antisemiet Carl Schmitt.
Ik heb eerder veel blogs gewijd aan de nieuwe Nederlandse conservatieve beweging, de Edmund Burke Stichting, waar men een paar jaar geleden trachtte een nieuwe “conservatieve revolutie” tot stand te brengen, en men Carl Schmitt hoog in het vaandel had.
Goed dat er een centrum voor onderzoek komt!
Magazine Der Freitag is zeer kritisch over deze nieuwe bibliotheek, en schrijft dat de beste reden om niet naar deze bibliotheek te gaan de andere bezoekers zijn…..
Op mijn vorige blog werd ik erop geattendeerd dat Berlijn elk jaar een “Festival of Lights” organiseert. Op Wikipedia Commons zijn schitterende foto’s te vinden:

Licht Kunst Light Art Berlijn Berlin Haus_der_Kulturen_der_Welt_
Foto holger doelle
Het Haus der Kulturen der Welt in Berlijn is Duitslands nationale expositiecentrum voor moderne niet-Europese kunst.

Licht Kunst Light Art Berlijn Berlin Brandenburger_Tor-_Festival_of_Lights_2012
Foto Lotse
De Brandenburger Tor (Brandenburgse Poort) is de belangrijkste poort van Berlijn, gebouwd in 1788 naar het model van de Propyleeën (de toegang tot de Akropolis).

Licht Kunst Light Art Berlijn Berlin Festival_of_Lights_2012_-_Berliner_Dom_- Foto: Thomas Wolf, www.foto-tw.de.
De Berliner Dom is een van de belangrijkste kerken in Berlijn. De Berliner Dom is gelegen op de Museumsinsel

Licht Kunst Light Art Berlijn Berlin Siegessaeule
Foto Mathias Krumbholz
De Siegessäule

Licht Kunst Light Art Berlijn Berlin, Kommandantenhaus in Berlin, Unter den Linden, Festival of Lights 2012, Foto Lotse
-580x870.jpg)
Licht Kunst Light Art Berlijn Berlin Berliner_Fernsehturm_-_Festival_of_Lights_2012 Foto Lotse

Juedisches Museum Berlin zigzag gebouw luchtfoto
Studio Daniel Libeskind (Architecture New Building); http://www.guenterschneider.de/index_x.php
Daniel Libeskind breidt zijn wereldberoemd zigzag gebouw uit met een gebouw van houten blokken, die doen denken aan de Ark van Noach. De blokken zijn geïntegreerd in de voormalige “Blumengroßmarkthalle” in het westen ( op deze foto: helemaal boven).
De nieuwbouw, de “Academie”, zal dienen als een locatie voor evenementen en als archief. Ook komt er een nieuwe tuin bij.
( zie ook artikel in het Duits hier)
Het Jüdische Museum/Joods Museum Berlijn is waarschijnlijk het meest bekende gebouw van Daniel Libeskind. Nu heeft de sterarchitect een uitbreiding van het gebouw voltooid. Een schuin houten gebouw vormt de nieuwe ingang van de oude bloemenmarkthal aan de Lindenstraße in Berlijn-Kreuzberg die nu twee nieuwe houten gebouwen bevat. Foto zie hier.
De academie wordt op 17 november ingewijd. De houten blokken binnen in de hal, een auditorium en een bibliotheek, herinneren aan de Ark van Noach en aan de overlevering van de Joodse erfenis.

De Ark van Johan in Dordrecht is een houten reconstructie van de Ark van Noach
Het Jüdische Museum/Joods Museum Berlijn is het grootste Joodse museum in Europa.
Het toont de bezoekers twee millennia van Duits-Joodse geschiedenis, de hoogte en dieptepunten van de relaties tussen joden en niet-joden in Duitsland.
Het Museum herbergt een permanente tentoonstelling, een aantal tijdelijke tentoonstellingen, archieven, een bibliotheek, het Rafael Roth Learning Center en onderzoeksinstellingen.
Al deze afdelingen vertegenwoordigen de Joodse cultuur en Joods-Duitse geschiedenis.
Het museum in de Lindenstraße in de Berliner Wijk Kreuzberg bestaat uit het oude gebouw van het barokke Kollegienhaus en een nieuwbouw/zigzagconstructie van Daniel Libeskind.
De twee huizen zijn alleen verbonden door de kelder.

Juedisches Museum Berlin Jewish Museum Berlin Joods Museum Berlijn
Kollegienhaus
In september 2007 opende het museum de nieuwe glazen binnenplaats, die ook is gemaakt en ontworpen door Daniel Libeskind. Het glazen dak omspant de binnenplaats van het barokke oude gebouw.

Juedisches Museum Berlin Jewish Museum Berlin Joods Museum Berlijn Glazen dak binnenplaats foto Stefan Kemmerling
De architectuur van de zigzag constructie wordt gekenmerkt door een titanium -zink-gevel, vreemd gevormde ramen, veel scherpe hoeken, hellende vloeren en grijs sierbeton. (Foto’s zie hier)
Bij het binnenkomen van het nieuwe gebouw treft men op drie elkaar kruisende schuine gangen “assen”: de as van de continuïteit die leidt tot een trap naar de permanente tentoonstelling, de as van het ballingschap en de as van de Holocaust. (Foto’s zie hier)
De as van de ballingschap leidt uit het gebouw in de tuin van de ballingschap, een diep gelegen vierkant oppervlak, tussen betonnen muren. In de tuin van de ballingschap staan 49 zes meter hoge betonnen pilaren op een hellend vlak waarop olijfwilgen worden geplant, omdat olijfbomen -het symbool van de Joodse traditie van vrede en hoop - het klimaat niet verdragen. (Foto’s zie hier)

Juedisches Museum Berlin Jewish Museum Berlin Joods Museum Berlijn Oliewilgen
Zie ook hier ter aanvulling kunst met Ark, olieblad en regenboog
De as van de Holocaust eindigt bij de Holocaust Toren.

Juedisches Museum Berlin Jewish Museum Berlin Joods Museum Berlijn Holocaustturm
Dit is een donkere, koude, hoge gedenkruimte, waar alleen door een klein gat in het plafond licht binnendringt. (Foto’s zie hier)
In het museumgebouw zijn er verschillende op een gebroken lijn geplaatste zogenaamde “gaten”, “Voids”, geheel lege ruimtes, de zich uitbreiden van de kelder tot de bovenste verdieping.
Zij zijn, met uitzondering van de “Memory Void” niet toegankelijk, maar wel vanuit sommige plaatsen in te zien.
Ze moeten herinneren aan de lege ruimtes die de Holocaust in Duitsland heeft achtergelaten. (Foto’s zie hier)
De installatie Shalechet – Fallen Leaves van Menashe Kadishman is gelegen in de “Memory Void”, een van deze “gaten” in het gebouw.
In deze ruimte zijn meer dan 10.000 gezichten van plaatstaal verdeeld over de (begaanbare) vloer, die doen denken aan de joden vermoord in de Holocaust, en aan alle slachtoffers van oorlog en geweld.

Juedisches Museum Berlin Jewish Museum Berlin Joods Museum Berlijn Fallen Leaves Shalechet_Berlin

Vincent van Gogh, In de regen, aquarel, herfst 1882
In navolging van van Hiroshiges houtsnede “Onverwachte bui op de Grote Brug bij Atake” (1857)

maakte van Gogh een eigen schilderij:

“Brug in de regen naar Hiroshige“, 1887.
Van Gogh omkaderde de voorstelling rondom met een decoratieve rand en voegde ook hier zelf Japanse karakters toe.

Hiroshige,_regen, paraplu
Zie ook Louis van Tilborgh, Van Gogh en Japan.

Franz Marc, Im Regen, 1912

Gustave Caillebotte Regendag in Paris

Gustave Caillebotte Regen
zie ook de grote Gustave Caillebotte-overzichtstentoonstelling in Frankfurt
Dodendans: Christiaan Huygens en Hans Holbein
Passend bij Halloween: de toverlantaarnplaatjes van een geraamte die Christiaan Huygens heeft gemaakt, geïnspireerd door de dodendans van Hans Holbein.
Passende muziek erbij: luister hier naar Liszts Totentanz (kippenvel!)
Een toverlantaarn (Lanterna Magica) is een apparaat waarmee doorzichtige afbeeldingen geprojecteerd kunnen worden. Het is dus in feite de voorloper van de diaprojector.
Christiaan Huygens heeft in 1659 een toverlantaarn gebouwd met lenzen en spiegels, waardoor de lantaarn veel beter werkte dan eerdere schaduw-versies zonder lens. Huygens zelf vond de toverlantaarn nogal kinderachtig en hechtte er weinig waarde aan.
“Een poging van zijn vader Constantijn om het apparaat voor het Franse hof te vertonen, heeft hij domweg gesaboteerd. Met zulk kermisspul wilde Christiaan zijn wetenschappelijke naam en de reputatie van de familie niet in diskrediet brengen.” (Info Museum Boerhaave)
Toch heeft Christiaan Huygens ook een paar schetsen voor toverlantaarnplaatjes gemaakt, geïnspireerd door de dodendans van Hans Holbein (afbeeldingen hieronder zijn afkomstig uit de Oeuvres complètes en uit Christiaan Huygens, “Over het oog en het zien”.

Toverlantaarn Laterna Magica Christiaan Huygens
Hier een schets van een toverlantaarn door Christiaan Huygens, met van links naar rechts: holle spiegel, lamp, glazen lens, doorschijnend plaatje, andere lens en muur. De toverlantaarn van Huygens is nu te zien op Hofwijk (foto).

Toverlantaarnplaatjes van Christiaan Huygens
Dodendans Holbein
“Huygens zelf had al een eenvoudig bewegingseffect bereikt door snel twee beelden achtereen te tonen: het door hem getekende geraamte dat op het volgende plaatje beleefd zijn hoofd afneemt, zou zelfs een ware klassieker worden.” (Info Museum Boerhaave)
Holbein laat op zijn dodendanstekeningen zien dat de dood alle leeftijden en maatschappelijke standen bedreigt.

Hans Holbein Totentanz Dodendans
Read more..
De Fondation Beyeler in Basel toont het late werk van Edgar Degas.
Ten gevolge van een oogaandoening en de erge verzwakking van zijn gezichtsvermogen leefde Degas vanaf 1885 teruggetrokken en begon hij te beeldhouwen. Ook maakte hij betoverende pasteltekeningen van badende vrouwen, balletdanseresjes in beweging, van paarden en van landschappen.
Hij maakte ook veel foto’s.

Edgar Degas Drie danseressen 1903
Read more..

Gustav Meyrink is een in Nederland niet erg bekende schrijver.
Voor mensen die van fantastische verhalen houden, van Schwarze Romantik, van E.T.A. Hoffmann en van Edgar Allen Poe, is Meyrink (1868-1932) een grote aanrader.
Read more..
Zowel in de schilderkunst alsook in de literatuur van de zwarte romantiek zijn de somnambulen (slaapwandelaars, maanwandelaars) een geliefd motief. Ze bewijzen dat handelen en bewegen vanuit het onbewuste mogelijk is.
Read more..
Van 26 september 2012 tot 20 januari 2013 toont het Städel Museum in Frankfurt de tentoonstelling
“Schwarze Romantik. Von Goya bis Max Ernst“.
Update: maart -9 juni 2013 in het 
De term “Schwarze Romantik” heeft- net zoals“romantiek” – zijn achtergrond in de literatuur. In het Duits wordt de term nauw verbonden met de professor voor Engelse literatuur Mario Praz en zijn publicatie La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica van 1930 (“The romantic agony”). Zijn boek over de Schwarze Romantik was een van de eerste interdisciplinaire werken die literatuur en kunst verbonden. Hij gaat in op erotisch-morbide onderwerpen in de werken van Gustave Flaubert , Markies de Sade , Oscar Wilde , Charles Baudelaire en Algernon Swinburne en op het onderwerp van de femme fatale .
In de Duitse literatuur zijn Ludwig Tieck Der Runenberg en E. T. A. Hoffmann Die Elixiere des Teufels voorbeelden van Schwarze Romantik.

Carl Blechen, Pater Medardus (Elixiere des Teufel)
De tentoonstelling presenteert de romantiek als een geesteshouding die geheel Europa omvatte, en ook nog na de 19e eeuw voortleefde. “Romantisch” is slechts een geïmproviseerde term die niet de fysieke kenmerken van een kunstwerk definieert, maar de houding van de kunstenaar beschrijft.
Voor het eerst is een tentoonstelling in Duitsland gewijd aan de donkere kant van de romantiek, en aan de voortzetting hiervan in het symbolisme en het surrealisme. Op basis van meer dan 200 schilderijen, beeldhouwwerken, prenten, foto’s en films volgt de omvangrijke presentatie de fascinatie van veel kunstenaars voor het ondoorgrondelijke, mysterieuze en het kwaad. In de werken van Francisco de Goya, Eugene Delacroix, Franz von Stuck, Max Ernst, Henry Fuseli,William Blake, Theodore Gericault, Caspar David Friedrich zijn tekenen van een romantische geest te vinden, die sinds de 18e eeuw heel Europa omvatte en ook in de 20e eeuw bij kunstenaars als Salvador Dalí, Rene Magritte, Paul Klee en Max Ernst aanwezig is. De werken vertellen het verhaal van eenzaamheid en melancholie, van passie en dood, en ze tonen de fascinatie van horror en het irrationele in de dromen.
Deze tentoonstelling wordt georganiseerd door het Städel Museum is na de presentatie in Frankfurt te zien in het Musee d’Orsay in Parijs.

Goya, heksen
Met de uitgebreide aanpak wil de tentoonstelling belangstelling voor de donkere kanten van de romantiek wekken en een beter begrip van deze beweging stimuleren. Veel van de gepresenteerde artistieke ontwikkelingen en posities zijn een gevolg van een teleurgesteld vertrouwen in het verlichte, progressieve denken, dat zich na het einde van de Franse Revolutie heeft verspreid. Bloedige terreur en oorlogen brachten lijden en het uiteenvallen van sociale verbanden in grote delen van Europa. Zo groot als het aanvankelijke enthousiasme was zo groot was de daaropvolgende teleurstelling toen de duistere aspecten van de Verlichting zich in alle hardheid openbaarden. Jonge schrijvers en kunstenaars besteedden aandacht aan de keerzijde van de rede. De horror, het wonder en en de groteske daagden het idee van het schone en onaantastbare uit. Volksverhalen en de fascinatie voor de Middeleeuwen werden belangrijker dan het ideaal van de oudheid. Het inheemse landschap verkreeg aantrekkingskracht en werd een populair onderwerp voor kunstenaars. Het heldere licht van de dag ontmoette de mist en de donkere, mysterieuze nacht.
“De slaap van de rede brengt monsters voort”

Caspar David Friedrich, Maan achter de wolken
150 jaar geleden werd Otto von Bismarck benoemd tot eerste minister (“Ministerpräsident”) van Pruisen.
De Süddeutsche Zeitung heeft vandaag een zeer interessante serie foto’s en citaten samengesteld.

Otto von Bismarck met zijn honden
Bismarck wordt anhand van citaten als turkenvriend (“Die Liebe der Türken und Deutschen zueinander ist so alt, daß sie niemals zerbrechen wird“), als skeptische realist, en als polenvreter geschetst. Griezelig, zeker in het licht van de latere geschiedenis, is dit citaat:
“Haut doch die Polen, daß sie am Leben verzagen; ich habe alles Mitgefühl für ihre Lage, aber wir können, wenn wir bestehn wollen, nichts andres tun, als sie ausrotten; der Wolf kann auch nichts dafür, dass er von Gott geschaffen ist, wie er ist, und man schießt ihn doch dafür tot, wenn man kann.”
Meer Bismarck-citaten zie hier
Een controversiële vraag is altijd geweest of Bismarck een voorloper van Hitler was, of er dus een rechte lijn loopt van Bismarck naar Hitler. Sebastian Haffner en Jonathan Steinberg zien een dergelijke lijn van Bismarck naar Hitler; Steinberg wijst bijvoorbeeld naar de antisemitische uitingen van Bismarck, naar het militarisme, naar de mythos van de geniale Führer, en naar het “Duitse Rijk”.
Anderen, zoals Achim Engelberg zien weinig in deze theorie. Engelberg beklemtoont dat voor Bismarck de sociale kwestie vooropstond, en niet rassenkwesties.

Uit de Volkskrant van 19 september 2012:
“‘Bram Moszkowicz is niet geschikt voor zijn functie‘”
“De deken van de Orde van Advocaten ging er hard in. Moszkowicz heeft volgens hem lak aan zijn cliënten en de beroepsregels. Hij eiste tegen de raadsman de zelden voorkomende straf van een jaar schorsing”.
Uit de NRC van 19 september 2012:
“Moszkowicz laat zijn meeste cliënten bij het intakegesprek tienduizenden euro’s betalen, meestal contant. …Vervolgens moeten cliënten lang aandringen om een verantwoording voor de werkzaamheden te krijgen….Moszkowicz belooft zich helemaal in te zetten voor de cliënt, maar stuurt vaak een medewerker naar de rechtbank. Voor ontevreden cliënten is hij ook telefonisch onbereikbaar….Vertragen, uitstel vragen en vervolgens de afspraken niet nakomen, dat is volgens Kemper de terugkerende handelswijze van Moszkowicz.”
Deze passage doet sterk denken aan de manier waarop Kafka’s advocaat Huld zijn cliënten afhankelijk en hulpeloos maakt. Een van Hulds cliënten kruipt dan ook als en hond door Hulds kantoor.
De hoofdfiguur Josef K. in Kafka’s Proces wordt pas echt goed meegesleurd in het voor hem uiteindelijk dodelijke proces, toen zijn oom hem overtuigt dat K. niet zonder advocaat kan.
Een belangrijk thema bij Kafka is de manier waarop advocaat Huld zijn cliënten vernedert (lees vooral hoofdstuk 7) . Als Het Proces niet een tragisch verhaal was zou men hierover kunnen lachen. Kafka zelf lachte in ieder geval om zijn roman.
De oom neemt K. mee naar advocaat Huld [!] “een belangrijke naam”. Huld woont in een buitenwijk, in een donker huis, en hij ligt ziek in bed.
In de relatie tussen K., zijn oom en de advocaat lopen privé en zakelijk op een chaotische manier door elkaar heen. Belangenverstrengeling, levensverstrengeling, noodlotverstrengeling. (Gezien de verstrengeling is het eigenlijk merkwaardig dat K. uiteindelijk de keel wordt doorgesneden, en dat hij niet wordt opgehangen. Maar het doorsnijden van de keel is natuurlijk ook een referentie aan noodlot en aan de antieke tragedie:
aan het offeren van een offerdier).
De eerste opmerking die de advocaat tegenover K. maakt:
“Neemt u het me niet kwalijk, ik heb u helemaal niet opgemerkt.”
De advocaat maakt de zaak van K. meteen tot een zaak van leven en dood voor zichzelf:
[Hij richt zich tot K.s oom]
“Wat de zaak van je neef betreft zou ik me inderdaad gelukkig prijzen als mijn kracht toereikend zou zijn, in elk geval zal ik niets onbeproefd laten; als ik niet toereikend ben, kan men immers nog iemand anders bijhalen. Eerlijk gezegd stel ik teveel belang in de zaak om afstand te kunnen doen van elke mogelijkheid mij erin te mengen. Als mijn hart het niet uithoudt, vindt het hier tenminste een waardige gelegenheid om te bezwijken.”
De advocaat weet ook al van tevoren een heleboel over K. [vgl Moszkowicz/ Endstra/Holleeder] en op K.s vraag hierover zegt hij:
“..ik ben immers advocaat, ik verkeer in rechtbankkringen, er wordt over allerlei processen gesproken […] u moet toch bedenken dat ik uit zo’n omgang ook grote voordelen voor mijn cliënten weet te halen.”
Leuk toepasselijk citaat uit hoofdstuk 7 Het Proces:
[de advocaat legt uit]: “Nu zou K. wel uit wat hij zelf had beleefd al hebben opgemaakt dat de allerlaagste organisatie van de rechtbank niet helemaal volmaakt is, dat zij plichtvergeten en omkoopbare medewerkers telt, waardoor de strakke omheining van de rechtbank in bepaalde opzichten hiaten vertoont. Op dit punt nu dringen de meeste advocaten binnen, daar wordt omgekocht en uitgehoord, ja, er deden zich, althans in vroeger tijd, wel eens gevallen van documentendiefstal voor. Het valt niet te ontkennen dat er tijdelijk op die manier enige zelfs verrassend gunstige resultaten voor de verdachte kunnen worden bereikt, daarmee pronken die zaakwaarnemers dan ook en lokken nieuwe clientèle aan…”
Het proces dat K. aangedaan wordt is in het begin absurd en ook vrij onschuldig. Het gebeurt K. niets, behalve dat twee bewakers zijn ontbijt wegvreten. Het proces tegen hem blijft eigenlijk zonder gevolgen, en het wordt ook meerdere keren gesteld, dat zo’n proces helemaal niet erg is.
K.s ondergang is sterk door hemzelf geënsceneerd. Omdat hij per se wil bewijzen dat hij onschuldig is (wat gezien het diffuse en existentiële karakter van het proces tegen hem onmogelijk is- hoe kan hij bewijzen dat hij onschuldig is, als hij niet weet wat hem verweten wordt ?) laat hij zich van zijn oom en de advocaat me trekken in een uitzichtloze (maar eigenlijk ook volledig onnodige) verdediging.
Dit is gedeeltelijk een blog uit 2007, die ik nu herplaats.

Caspar_David_Friedrich kerkhof

Caspar_David_Friedrich kerkhof

Caspar_David_Friedrich, Schemering

Caspar_David_Friedrich Abdij

Caspar David Friedrich Maan over de zee schwarze Romantik

Caspar_David_Friedrich Onder de maan

Caspar_David_Friedrich_Boom met kraaien

Caspar David Friedrich winter, sneeuw, ijs

Caspar David Friedrich winter, sneeuw,

Caspar David Friedrich winter, sneeuw, s

Caspar David Friedrich winter, sneeuw,
De Duitse Piraten hebben een nieuw woord gemunt
“Flausch”
(=vlies, nonwoven stof) in de betekenis van “lof” of harmonie.
“Piraten-Flausch“ betekent volgens de Piraten:
Harmonie
Liebe
Fürsorge
MITeinander arbeiten, nicht GEGENeinander
Gelassenheit
Entspannung

Ein „Flauschstorm“ op internet is het tegendeel van een “Shitstorm”.
En vandaag: de
“Flauschcon”:
Dit weekend zijn honderd Duitse Piraten bijeengekomen in Bielefeld voor zelfreflectie op fluwelen meubels en in een ballenbad.
-
- Zie ook
- “Piraten auf der Suche nach der Liebe”
- Bij Duits “Flausch” hoort eigenlijk ook het woord “Flause“, oorspronkelijk een los draadje, maar nu gebruikt in de betekenis van “gein, lol, pret, gekte, smoes”.
- Dat past er eigenlijk heel goed bij!
In de Fundación Mapfre in Madrid wordt het late werk van Kirchner getoond, vol met dans en beweging.

Ernst Ludwig Kirchner – Akt in Orange und Gelb – 1929-30
Read more..
De Amerikaanse joodse theatermaker en columnist bij de het Duitse weekblad Die Zeit, Tuvia Tenenbom reisde maandenlang door Duitsland en beschrijft Duitsland als een duister oord vol met nazi’s en antisemieten.
Na een grote ruzie met uitgever Rowohlt verschijnt zijn boek in de herfst bij Suhrkamp.
Read more..
“Qwerty” schijnt behalve een toetsenbordindeling ook een eigentijdse kindernaam te zijn:
Onze Taal @onzetaal ”Onze dochter hebben we Qwerty genoemd”, zegt ene Johan op http://is.gd/Yh2593.
Ik zal deze naam in ieder geval in overweging nemen voor mijn volgende hond en kat. De een zal heten Qwerty, de ander Qwertz.
Read more..
Al bijna 150 jaar fascineert Lewis Carroll‘s verhaal van Alice in Wonderland kinderen en volwassenen. De show Alice in Wonderland in de Hamburger Kunsthalle laat Alice en de vele artistieke reacties zien die zij heeft veroorzaakt.
De tentoonstelling begint met werken van Lewis Carroll, de wiskundeprofessor, schrijver, fotograaf en kunstverzamelaar.

De echte Alice, foto van 1858, zie ook Meet the Real Alice: How the Story of Alice in Wonderland Was Born 150 Years Ago Today
Daarna volgen illustraties, documenten en theaterproducties en films.
Read more..
De Duitse kranten staan er vol mee: Jeff Koons, “de meest succesvolle hedendaagse kunstenaar” (citaat Die Welt) wordt gevierd met drie tentoonstellingen te gelijk: in Basel in der Fondation Beyeler en in Frankfurt in der Schirn Kunsthalle (schilderijen) und im Liebieghaus (sculpturen).
“Popart tussen banaliteit en inspirerende brutaliteit” kopt Die Welt.
In Basel in der Fondation Beyeler zijn de drie series “The New”, “Banality” und “Celebration” te zien.
“The New” bevat readymades zoals schoonmaakapparatuur uit Koons vroege dagen. “Banality” omvat traditioneel-ambachtelijk (in opdracht) gemaakte sculpturen van hout en porselein, die tot postmoderne iconen zijn geworden, zoals het beeldhouwwerk Ushering in Banality van Jeff Koons uit 1988.

Jeff Koons Balloon_Flower_Detail foto wikimedia commons
Jhim Lamoree (Vrij Nederland 16-6-2012, Essay De wereld is decadent):
“Het beeld lijkt op een uitvergrote replica van een mierzoete snuisterij op het dressoir van tante Annie, een symbool van verstikkende burgerlijkheid. Het varkentje wordt ons als een cadeautje aangeboden, blinkend schoongewassen en met een strik om zijn nek. Twee engeltjes flankeren het beest en een jongetje lijkt het voort te duwen en zijn kont te kussen. een opgeblazen en door houtsnijders uitgevoerd schoorsteenbeeldje.Het varken gaat ons voor en leidt ons naar de banaliteit, zoals de titel vertaald kan worden. Daarmee was het beeldhouwwerk tijd en werkelijkheid ver vooruit, want de banaliteit is sindsdien zo ongeveer tot maatschappelijke norm verheven. “
In de reeks “Celebration”, waaraan Koons al bijna twintig jaar werkt, duiken de opvallende, materieel perfecte en gepolijste stalen sculpturen op, waarmee de kunstenaar in een bijna barokke manier de jeugd viert. De sculpturen worden in een intensief en “peperduur” (VN) proces verchroomd, gekleurd en gepolijst. De metershoge Balloon Dog van Koons hoort erbij net zoals een gigantisch rood hart, Sacred Hart. Bij deze serie hoort ook het barokke oranje/magenta paasei in kreukelige folie, Baroque egg , dat nu drie jaar lang in de ingangshal van Musuem Boijmans staat.

Baroque-Egg-Celebration Jeff-Koons Museum Boijmans foto Maria Trepp
Ook uit de Celebrations-serie: “Tulips”
.JPG)
Jeff Koons Tulips Tulpen foto wikimedia commons
Jeff Koons irriteert.
Ten eerste omdat hij geen klassieke kunstenaar is, maar een kunstbedrijf runt met miljoenen omzet.
Ten tweede omdat hij elke kritische reflectie weigert. Zijn uitspraken in interviews lijken op statements en oneliners van managementgoeroes. Hij bekritiseert de consumptiemaatschappij niet – hij profiteert ervan en is er dol op. Hij zegt uitdrukkelijk niet intelligentie na te streven maar “cleverness“.
In het Frankfurter Liebieghaus wordt zijn werk op elke verdieping en in de tuin rondom de villa geïntegreerd in de bestaande collectie. Zo staat een figuur van van Michael Jackson in zijn gouden pak naast gedeeltelijk vergulde Egyptische dodenmaskers. Het doel: om te laten zien hoe Koons met motieven en vormen uit de kunstgeschiedenis omgaat, en hiervan gebruik maakt. In de serie “Statuary“ speelt hij op zijn manier op de barok aan en in “Antiquity” op de oudheid:
In het Liebieghaus staat er een stalen sculptuur die eruit ziet als een replica van de Venus van Willendorf, als een reusachtige magenta ballon.
Die Welt schrijft kritisch:
“Er is echt helemaal niets aan Koon kwetsend. De geschillen met ex-partner Cicciolina, en hun slopende rechtszaken om hun zoon hebben geen sporen nagelaten in zijn werk.
Zijn kunst is een smalle wereld, die wordt uitgestippeld tussen crèche, peuterbad, slaapkamer en kinderfeestje.
Te puzzelen, te ontcijferen, te begrijpen valt er niets.”
De Süddeutsche Zeitung is scherp negatief over Koons, en spreekt van “holle hybris” en van de pure macht van het geld.
Terwijl de Duitse kranten overwegend (zeer) negatief zijn over Koons in het algemeen en de nieuwe tentoonstellingen in het bijzonder, verrast Hans den Hartog Jager met een artikel in de NRC van 26-7-2012 (“Jeff Koons’ extreemste goocheltrucs”) waarin hij Koons’ virtuoze spel prijst en de link aantoont die Koons legt met de kunstgeschiedenis. Volgens Hans den Hartog Jager is de gladde, banale en opgeblazen buitenkant van Koons’ werken een geraffineerde illusie die de toeschouwer tot nadenken en desillusie dwingt.
“Deze tentoonstellingen zijn gezamenlijk een groot, duizelingwekkend spel van echt en onecht, van glitter en verleiding en van werkelijkheid en verbeelding – wie ze heeft gezien weet ineens heel zeker dat illusie Koons’ hoofdthema is [...]“
“…het oeuvre van die aalgladde verkoper begint langzaam uit te groeien tot een stalenboek van schilderkunstige illusies…”

Jeff Koons Kiepenkerl_-_Hirshhorn_Sculpture_Garden foto wikimedia commons
“In dat kader krijgen zelfs al die schijnbaar ordinaire glimmers en spiegelingen ineens een extra betekenis: Koons verwijst er (net als met die kreeft) welbewust mee naar de zeventiende-eeuwse stillevens, waarin weelde, spiegeling en het doorbreken van de tweede dimensie in een schilderij bij uitstek een vorm van verleiding-door-illusie waren.”
Illusie, misschien. Maar het geld dat Koons verdient is echt….
Voor velen is het des-illusionerende element bij Koons veel te zwak en krachteloos en veel te weinig overtuigend om van Koons een moderne kunstenaar te maken.
Maria Trepp
_by_Koons-580x580.jpg)
Jeff Koons foto wikimedia commons
De hoofden van de EU-instellingen willen volgens informatie op SPIEGELonline met een uitgebreid plan de euro hervormen en redden. Lidstaten moeten budgettaire bevoegdheden naar Brussel overdragen en de schuld communautariseren.
De EU-Commissie-voorzitter Jose Manuel Barroso, de EU-Raad voorzitter Herman Van Rompuy, Eurogroep voorzitter Jean-Claude Juncker en Mario Draghi, het hoofd van de Europese Centrale Bank werken volgens informatie van de SPIEGEL aan een echte begrotingsunie met een rigide financiële controle. De lidstaten kunnen dan niet meer zelfstandig nieuwe schulden aangaan.
Vrij besluiten kunnen regeringen alleen nog maar over middelen die gedekt zijn door eigen inkomsten. Het land dat meer geld nodig heeft dan de eigen economie genereert zou zijn behoefte aan de groep van Euro-ministers van Financiën moeten aanmelden.
Deze beslist na de voorstellingen van de vier hoge EU-politici, welke financiële eisen door welk land voor welk bedrag gerechtvaardigd zijn en geeft dan euro-obligaties uit voor de financiering van deze schuld. De exclusieve ministeriële bijeenkomst zou door een fulltime voorzitter geleid moeten worden, die uiteindelijk zelf de Europese minister van Financiën zou kunnen worden.
Deze machtige ronde van ministers van Financiën zou via een nieuw Europees orgaan gecontroleerd moeten worden, waarin vertegenwoordigers van de nationale parlementen zitten. Het model, dat de Europese vier leiders favoriseren, draait uit op een Europees garantiesysteem dat de Duitse regering tot nu toe altijd heeft geweigerd. Volgens de ideeën uit Brussel zal dit alles echter alleen van toepassing zijn op nieuwe schulden, voor oude schulden – die in het centrum staan van de huidige crisis- zullen zoals voorheen de individuele staten moeten instaan.
Richard Wagner was een fervent antisemiet en de favoriete componist van Hitler. Daarom zijn uitvoeringen van zijn werken in Israël controversieel.
Nu vindt er voor het eerst een concert plaats in Israël met uitsluitend composities van Wagner – met een speciaal voor dit doel gevormd orkest [zie Spiegel-online].
Sommige composities van Wagner werden wél eerder gespeeld – maar nu willen musici in Israël een compleet concert met muziek van Richard Wagner uitvoeren.
Wagner, die leefde van 1813 tot 1883, was een overtuigd antisemiet. Zijn werken waren in de tijd van het nationaal-socialisme enorm populair. Adolf Hitler bewonderde de componist sinds zijn jeugd.
Na de pogroms tegen joden in Duitsland in november 1938 speelde het Eretz Israel Symphonic Orchestra – toen in Palestina de actieve voorloper van het Israel Philharmonic Orchestra – nadrukkelijk niet meer de muziek van Wagner. Sindsdien geldt in Israël een onofficiële boycot van Wagner, die weliswaar meerdere malen is verbroken- maar in de reguliere concerten is de muziek bijna nooit gespeeld.
Zo veroorzaakte de onder de leiding van Daniel Barenboim uitgevoerde ouverture van Tristan en Isolde in juli 2001 een conflict en kritiek van het Wiesenthal Center en van de toenmalige burgemeester van Jeruzalem Ehud Olmert . Eerder werden andere Wagner-uitvoeringen door protesten van Holocaust-overlevenden voorkomen.
“Het is aan de tijd om de Wagner-boycot te breken”, zegt Livny, zoon van een overlevende van de Holocaust uit Duitsland. Immers, Israël is ook een land “dat zelf kampt met culturele boycotten.” Hij respecteert mensen “die niet naar deze muziek willen luisteren,” zei hij. “Maar ik respecteer ook degenen die het wél willen.”
Het antisemitisme van Richard Wagner
Richard Wagners antisemitisme wordt op verschillende manieren geïnterpreteerd. Wagners uitspraken breien voort op antisemitische stereotypen en reflecties van de 19e eeuw, die hij in Duitsland en Europa aantrof. Wagner herhaalde echter niet alleen antisemitische stereotypen, maar ontwikkelde deze verder met schriften zoals Das Judenthum in der Musik .
Wagner wil in dit document “het onvrijwillig afstotende, dat de persoonlijkheid en de essentie van de Jood voor ons heeft,” uitleggen, “om deze instinctieve afkeer te rechtvaardigen, waarvan we duidelijk herkennen dat deze sterker en belangrijker is dan ons bewuste ijver om ons te ontdoen van deze aversie. “
Wagner verdedigt in zijn essay de stelling dat “de jood” an sich niet in staat zou zijn “om zich door zijn uiterlijk, door zijn taal, of zijn lied aan ons op een artistieke manier te presenteren“. Toch zou “hij” [de jood] in de muziek de smaak van het publiek beheersen.
Wagner bekritiseert de muzikale werken van joodse componisten van zijn tijd. Als goed opgeleide joden zouden zij ernaar streven de “opvallende kenmerken van hun lagere geloofsgenoten” achter zich te laten. Maar juist daarom zouden zij niet in staat zijn tot een “diepe zielensympathie met een grote gemeenschap van gelijkgezinden“. De zeggingskracht van het artistieke scheppen van “de hoog opgeleide jood” ”zou alleen maar onverschillig en triviaal zijn, omdat zijn gehele inzet voor de kunst alleen maar een overbodige luxe is“.
In het algemeen ontzegt Wagner joodse kunstenaars elke vorm van originaliteit.
Wagner had een grote invloed op de Engelse schrijver Houston Stewart Chamberlain, auteur van Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, een werk doortrokken van fanatieke germanencultus en antisemitische en racistische ideeën. In 1908 trouwde Chamberlain met Wagners tweede dochter Eva. Chamberlain is een van de ideologische voorlopers van het nazi-antisemitisme.

Hitler en Goebbels in Bayreuth
Hitler ging regelmatig naar de opera en bestudeerde Wagner intensief. Hitler was idolaat van Wagner als voorbeeld van zijn eigen visie op het leven.
Tijdens de Bayreuther Festspiele of Richard-Wagner-Festspiele wordt het uitgebreide operawerk van Richard Wagner uitgevoerd in het Bayreuther Festspielhaus op de Grüne Hügel in Bayreuth. In de nazi-tijd waren deze Festspiele één grote act van de Hitler-devotie. De kunstenaars die mee mochten doen aan de voorstellingen werden al lang voor de nazi-periode met antisemitisme en rassenhaat geconfronteerd. ( zie: „die rassistische Besetzungspolitik der Bayreuther Festspiele vor der Nazizeit”)
N.B. De familie Wagner houdt nog steeds de brieven van Richard Wagner achter slot en grendel. (Bron FAZ)
Friedrich Nietzsche keerde zich af van Wagner onder meer vanwege diens antisemitisme, zie hier.
Meer over antisemitisme op dit blog
Zie ook Stephen Fry en film Richard Wagner( “Wagner & Me”)
Zie ook Stephen Fry en film Richard Wagner( “Wagner & Me”) in Die Zeit 24-6-2012
Zie ook: de Franse filosoof Alain Badiou verdedigt Wagner
Zie ook de kritische dans-performance “Hacking Wagner” van de joodse choreografe Saar Magal in het Haus der Kunst.
Update 5-6-2012: Universiteit Tel Aviv zegt het concert toch af!
Update 11-5-2012: Het concert kan niet plaatsvinden
- ook het Hilton Hotel Tel Aviv heeft nu afgezegd. De kunstenaars krijgen hun geld terug.
Update: van 7 december 2012 tot 17 februari 2013 is in Berlijn een tentoonstelling te zien over de controversiële Richard Wagner
Maria Trepp
Eerste Kamerlid Sybe Schaap heeft een boek geschreven over de rol van rancune in samenleving en politiek. Hij schrijft dat de PVV een formule hanteert ,,die veel lijkt op die uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Er worden vijandbeelden gecreëerd, beelden die duidelijk moeten maken hoezeer het eigen bestaan wordt bedreigd. De vijand loert niet alleen van buiten, maar heeft ook complotterende handlangers in het eigen domein.”
Wilders noemt deze vergelijking ziekelijk.
Maar waarom eigenlijk? Waarom zou men de jaren dertig niet mogen noemen in verband met de PVV?
PVV-kopstukken en sympathisanten beroepen zich uitdrukkelijk op een nazi en op denkbeelden uit de nazi-geschiedenis.
Bart Jan Spruyt, die Wilders in het zadel heeft geholpen en die het eerste PVV programma samen met Wilders heeft geschreven en ook PVV-kaderleden heeft getraind, is een grote en uitdrukkelijke fan van de nazi Carl Schmitt, die hij uitgebreid als zijn politiek voorbeeld bespreekt.
Spruyt maakte in zijn publicaties, o.a. in het boek De toekomst van de stad (2004) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne. Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[1]
Wie Schmitts hier aangehaalde teksten leest die zal toch erg moeten struikelen over de woorden van Bart Jan Spruyt:
“Lange tijd gold hij [Schmitt] als Schreibtischtäter die de ideeën had aangeleverd die tot de grote incarnatie van het kwaad hadden geleid. Sinds enige tijd is het besef doorgedrongen dat Schmitt te lang ook als zondebok heeft gefungeerd, en dat zijn werk wetenschappelijk gezien op z’n minst bespreekbaar, zo niet hoogst origineel en briljant is….”
Vervolgens gaat Spruyt door de belangrijkste gedachten van Schmitt weer te geven en op de huidige Nederlandse situatie te betrekken, met “de islam” als de nieuwe vijand. Hij maakt daarbij gebruik van een anti-islamitisch citaat van Schmitt, die schreef: “Ook in de duizendjarige strijd tussen christendom en islam is nooit een christen op de gedachte gekomen dat men uit liefde voor de Saracenen of de Turken Europa, in plaats het te verdedigen, aan de islam zou moeten uitleveren.” (Spruyt, De toekomst van de stad, p. 56 f.)
Ook zijn artikel Conservatieve identiteit neemt Spruyt de moeite voor een uitvoerige Schmitt–apologie. Waarom? Wat kan toch de reden zijn, iemand die zich zo enorm gecompromitteerd heeft in bescherming te nemen en diens gedachtegoed te citeren en goed te praten? Zelfs al zou Carl Schmitt niet een zo uitgesproken nazi en antisemiet geweest zijn als hij was, dan nog is zijn onverzoenlijke theorie van De Vijand als duidelijk fascistisch te herkennen. Het is niet vol te houden dat Schmitt weliswaar een vreselijke nazi en antisemiet was, maar dat zijn theorie van de vijand een zo ontzettend briljant voorbeeld voor ons is!
Jan Greven: “Schmitts aantrekkingskracht is dat hij denkt in heldere tegenstellingen: goed/kwaad; mooi/lelijk. Met in de politiek de meest absolute tegenstelling. Die tussen vriend en vijand. Tegenover de vijand past slechts onverzoenlijkheid. Je hoeft hem persoonlijk niet te haten om hem toch te liquideren. […] Schmitts tegenstellingen zijn helder, maar hij voert je op paden waar je niet hoort te zijn. “ (Trouw, 29-3-2005)
Dick Pels over Schmitt:
“Schmitts definitie [van de vijand] legitimeert […] een autoritaire, zo niet totalitaire opvatting van de politieke werkelijkheid, waarin geen enkele ambiguïteit wordt getolereerd en geen ruimte bestaat voor andersoortige onderscheidingen.”[2] Volgens Pels valt bij Schmitt politiek op apocalyptische wijze samen met de oorlog.
Rob Hartmans: “Tijdens de republiek van Weimar werd Schmitt beschouwd als vertegenwoordiger van de zogenaamde konservative Revolution, een amalgaam van ultranationalistische denkers, partijtjes en groeperingen die zich verzetten tegen de burgerlijke maatschappij en de parlementaire democratie. Schmitt zag niets in een romantisch conservatisme, dat verlangde naar een samenleving die een organische, door oeroude instituties en tradities gevormde eenheid was. Een dergelijke samenleving had nooit bestaan, en alle traditionele instituties waren door de wereldoorlog en de revolutie weggevaagd. Evenmin wilde hij iets weten van het normatieve staatsrecht dat werd uitgedragen door neokantiaanse juristen. In tegenstelling tot de Oostenrijkse staatsrechtsgeleerde Hans Kelsen, die als jood in zijn ogen toch al verdacht was, ontkende Schmitt dat er een bepaalde norm ten grondslag lag aan de rechtsorde. Hoe het recht eruitziet is een kwestie van een op macht gebaseerde beslissing. Schmitt citeerde in dit verband graag Hobbes: «Gezag, niet de waarheid, maakt de wetten.» In dit «decisionisme» stond de uitzonderingstoestand centraal. Normen waren volgens Schmitt alleen van toepassing op normale omstandigheden. Waar het op aan kwam, was de vraag wie in uitzonderlijke omstandigheden de beslissingen kon nemen. Vandaar ook zijn opvatting dat degene die de noodtoestand kan afkondigen, beschikt over de soevereiniteit.
Ook na Schmitts dood [...] leven zijn denkbeelden voort in allerlei bewegingen in Europa en Amerika die tot Nieuw Rechts worden gerekend.
In hun strijd tegen de liberale, pluriforme democratie kunnen zowel extreem-links als extreem-rechts een heel arsenaal aan wapens vinden in de geschriften van Carl Schmitt, die de Verlichting haatte als de pest en die droomde van een autoritaire, homogene staat, waarin geen ruimte is voor verwarrende experimenten die de stabiliteit kunnen ondermijnen.”[3]
Carl Schmitt oefent een grote aantrekkingskracht uit op veel hedendaagse intellectuelen. Rob Hartmans:
“Schmitts werk munt uit door scherpe formuleringen en glasheldere begrippen. Sommigen noemen hem een Begriffsmagier, een goochelaar met definities. […] Met zijn fraaie begrippen, glasheldere analyses en adembenemende abstracties mag Schmitt als politiek theoreticus en rechtsgeleerde dan zeer belangrijk zijn geweest, in de praktijk sloeg hij de plank op een zeer pijnlijke wijze mis. Want als iets opvalt in het werk van Schmitt, dan is het dat het altijd om grootse begrippen en abstracties gaat: staat, natie, uitzonderingstoestand, Großraum, vriend-vijand, de politiek etcetera.”[4]
Maar de kritiek op Carl Schmitt moet zich niet allen richten tegen diens antiliberale opvattingen. Schmitt was een actieve nazi en antisemiet.
De Leidse hoogleraar mensenrechten Thomas Mertens over de “kroonjurist van de nazi’s” Carl Schmitt:
“Schmitt gaf onder de titel ‘Der Führer schützt das Recht’ zijn juridische fiat aan Hitlers moordpartijen bij zogenaamde Röhm-putsch van 1934. Deze van staatswege georganiseerde moorden troffen niet alleen de top van de S.A. maar ook diverse andere tegenstanders van het regime zoals Schmitts vorige patroon Von Schleicher; Schmitt was een van de voormannen van de door de nazi’s het leven geroepen ‘Akademie für Deutsches Recht’. “[5]
“[…; in 1936 riep ] [Schmitt] op tot een zuivering van de bibliotheken van joodse invloeden; hij deed zijn best Hitlers ‘Grossraumgedachte’ te legitimeren […] Schmitts denken maakt duidelijk dat de Westerse cultuur niet bestaat en dat intellectuelen als Schmitt medeverantwoordelijk zijn voor wat er op deze aarde vreselijk fout kan gaan.”[6]
Schmitt was een van de belangrijke denkers van de Duitse “conservatieve revolutie”. Het is moeilijk een harde lijn te trekken tussen de denkers van de conservatieve revolutie en de nazi’s. Een gemeenschappelijke noemer is het anti-liberalisme en het gelijk zetten van joods=liberaal=decadent. Een andere gemeenschappelijke noemer is het nationalisme, dat in ieder geval bij Schmitt kan worden vastgesteld. “Bei Schmitt war die Nation […] eine nicht mehr überbietbare Größe […] ein existentielles Phänomen, das durch Freund-Feind-Bestimmung und damit in letzter Instanz durch den kollektiven Kampf eines Volkes auf Leben und Tod definiert war.“[7] Carl Schmitts nationalisme was racistisch, al was hij daarin niet zo extreem als andere nazi’s.[8]
Zeker zijn er verschillen tussen de “echte” nazi’s en de conservatief revolutionairen. Bijvoorbeeld wilden de conservatieven een sterke staat. Hitler was anarchistisch, de staat was ondergeschikt aan zijn impulsen, en dit element past niet bij het conservatisme. Ook de holocaust als zodanig is geen idee of initiatief van de conservatieven geweest.
Meer over Schmitt hier of zoek op tag “Carl Schmitt” hier op mijn blog.
s
[1] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[2] Een zwak voor Nederland, p. 228.
[3] Een gevaarlijke geest, De Groene Amsterdammer, 7-2-2004.
[4] De grote woorden van Carl Schmitt, In : Varwel dan, p. 129, ook De Groene, 1-5-1996.
[5] Fiat aan Hitlers moordpartijen, Filosofie Magazine 02-2002.
[6] NRC 23-11-2001, boeken.
[7] Stefan Breuer, Anatomie der konservativen Revolution, p. 184.
[8] Anatomie der konservativen Revolution, p.191.
Merlijn Schoonenboom schrijft vandaag 8 maart in de Volkskrant over de viering van het 300ste geboortejaar van Frederik de Grote.
“Dit jaar wordt met een enorm programma en al even grote media-aandacht de 300ste geboortedag van de Pruisische koning Frederik de Grote gevierd. De stad Potsdam staat hierin centraal.”
“Je mag het anno 2012 gewoon weer zeggen. In de media wordt Frederik zelfs zonder problemen vergeleken met huidige politici, die oude ‘Pruisische deugden’ zouden missen. Historicus Kuke vindt de situatie in Potsdam daarom prima passen bij de algehele omgang met Pruisen: die is niet óf hemelhoog juichend of afwijzend. De fase van de historische distantie is aangebroken: ‘De wederopbouw van het slot is de verzoening met de eigen geschiedenis. De Pruisische geschiedenis heeft twee kanten: een goede en een slechte, de Verlichting en het absolutisme. Pas als je het verleden écht ziet, zoals bij het slot, dan kan je erover nadenken en je eigen mening vormen.’ “
“Over de rol van Pruisen en Frederik wordt sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog gediscussieerd. Frederik was de koning die Pruisen in de 18de eeuw tot Europese grootmacht uitbouwde; onder Pruisen ontstond in 1871 de Duitse eenwording. Maar omdat Duitsland zich sindsdien in twee wereldoorlogen stortte en Hitler zich graag op Frederik beriep, is de herinnering decennia lang beladen geweest zeker in Potsdam zelf.”
De beladen herinnering begint met de “Fredericus Rex” films.
Veel politici en aristocraten uit de late 19e en de vroege 20ste eeuw probeerde Frederik na te volgen, en stiliseerden hem tot een voorloper van het protestantse Duitsland. Een voorbeeld van deze verering zijn de Fredericus Rex films van 1920. Frederik was een van de eerste beroemdheden wiens biografie voor het medium film werd verwerkt, dat toen opkwam.
Fredericus Rex-films worden in de strikte zin vier historische films over de persoon van de Pruisische koning genoemd die in Duitsland tussen 1920 en 1923 werden geproduceerd. In bredere zin wordt de term gebruikt voor alle films over Frederik II in Duitsland in de periode tot 1942 .
De door de UFA breed opgezet geënsceneerde, dubbele film “Fredericus Rex” (1921/1922, 1923) vertelde in losse afleveringen en zonder historische nauwkeurigheid het leven van de Pruisische koning Frederik II, en was puur een propagandafilm voor de restauratie van de monarchie. De film laat zien hoe de onderwerping van de opstandige tiener Frederik aan de wil van zijn strikte vader leidt tot verfijning van het karakter van de toekomstige heerser, die zijn absolute macht uiteindelijk ten behoeve van het volk gebruikt en door succesvolle oorlogen het kleine Pruisen tot grote mogendheid verheft.
Op het moment dat de film werd uitgebracht – vier jaar na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en de ondergang van de monarchie – was de politieke boodschap het idee dat een nieuwe absolute heerser niet alleen een bolwerk zou vormen tegen het opkomend socialisme, maar dat hij ook het land dat zich in vele opzichten vernederd voelde tot een nieuwe grootte zou leiden. Het populaire motief van vader-zoon conflict dat door alle Fridericus Rex films als een rode draad loopt werd tegelijkertijd gebruikt om de scepsis van het publiek op te vangen (in de revolutionaire naoorlogse tijd lang geloofde niet iedereen in de noodzaak van autoritair gedrag) en het publiek ervan te overtuigen dat rebellie en anarchie alleen met autoriteit kunnen worden tegengegaan. Als compensatie voor het verlies van zelfbeschikking lokte de identificatie met de glorieuze Übervater Frederick. Daarnaast moest de film patriottische gevoelens aanwakkeren en de overtuiging wekken dat agressieve machtspolitiek in het geval van Duitsland altijd gerechtvaardigd is als een defensieve houding tegenover een overweldigende vijandige samenzwering.
Hoewel de film in de liberale en linkse pers heftige protesten uitlokte, was de film commercieel zeer succesvol, en inspireerde een hele reeks van imitaties, die werden geproduceerd door verschillende filmmaatschappijen tot in het begin van de jaren ’30. Het patroon van de eerste films werd altijd min of meer getrouw gekopieerd, en in bijna alle films speelde Otto Gebühr Frederik.

Omdat de Fredericus Rex films anticiperen op de ideologische argumenten van de nazi’s, worden zij in de filmhistorische literatuur zo nu en dan als “pre-fascistisch” geclassificeerd.
De verheerlijking Frederik bereikte dan ook de hoogtepunt in de tijd van van het nazisme onder auspiciën van de Minister van Propaganda Joseph Goebbels. Daarbij speelden vooral de zes films waarin Otto Gebühr de koning van Pruisen speelde een belangrijke rol. De nazi-propaganda noemde Frederik niet alleen als een “eerste nationaalsocialist”, Frederik en zijn volgelingen werden ook de belichaming van de Duitse discipline, standvastigheid en trouw aan het vaderland. De nazi’s rechtvaardigden bijvoorbeeld in de laatste maanden van de oorlog de dienstplicht van de Hitlerjugend in de Volkssturm met het argument dat Frederik ook 15-jaar oude kinderen van aristocraten dienstplichtig had gemaakt.
Friedrich- tentoonstellingen tot eind oktober 2012
„Friederisiko“-Ausstellung in Potsdam
„Die Erfindung (s)einer Stadt“ Potsdamer Stadtmuseum
„Friedrich ohne Ende“ Schloss Rheinsberg
In de Volkskrant van vandaag 3 maart vergelijkt Xander van Uffelen de Nederlandse en de Duitse economie:
”Waarom Nederland in de malaise zit en Duitsland niet”:
“De sombere Nederlandse consument is de belangrijkste oorzaak van het grote verschil. Bij de Duitsers zit de stemming er goed in, stijgen de huizenprijzen, maakt niemand zich zorgen over zijn pensioen en hebben de overheidsbezuinigingen de koopkracht nauwelijks geraakt.”
“Het stemmingsverschil tussen Nederland en Duitsland komt goed tot uiting op de huizenmarkt. Door het crisisgevoel, dat ook in Duitsland heus wel gevoeld wordt, steken de oosterburen overtollig spaargeld in stenen. Huizen vinden ze een veilige belegging; geen huizenkoper die hoeft na te denken of afschaffing dreigt van de hypotheekrenteaftrek. Zolang de huizenprijzen in de lift zitten, is verkoop van de oude woning zelden een probleem. Nederlanders houden ook geld over, maar stallen dat op een spaarrekening. Vermogenden die huizen kopen zijn er nauwelijks meer.”
Helaas wijdt Xander van Uffelen niet uit over het hier achter liggende probleem van de hypotheekrenteaftrek, een belastingconstructie die in Duitsland niet bestaat. Ik heb op een van mijn Duitse blogs hierover geschreven:
Wirtschaftsprobleme in den Niederlanden
“Volgend jaar zingen ze gewoon weer: ‘Er is er geen jarig, hoera, hoera..’ “ (@Woordgrap_com)
De Duitse schrijver, satiricus en eerste Duitse hoogleraar in de experimentele natuurkunde Georg Christoph Lichtenberg heeft een geestig essay geschreven over de vraag wanneer men zijn verjaardag moet vieren als men op 29 februari geboren is- en overigens ook op andere dagen. (Trostgründe für die unglücklichen, die am 29sten Februar geboren sind)
Lichtenberg hield zich op grote schaal bezig met wetenschappelijke vraagstukken. Als pedagoog was hij richtinggevend: Hij gaf geen droge lezingen in de stijl van de tijd, maar wisselde deze af met praktische demonstraties.
Hij verbindt de discussie van de maatschappelijke conventie met het verklaren van natuurwetenschappelijke gegevens en laat daarbij ook zien dat maatschappelijke conventie en natuurwetenschap twee verschillende dingen zijn.
Hij legt uit: De mens is op een bepaalde dag geboren, op een bepaalde datum, maar zijn entree in de wereld, zijn eerste adem gebeurt in een kort moment. Op dit moment staat de zon op een bepaald punt van de ecliptica (=schijnbare baan van zon om de aarde). Hij zal dus precies één jaar oud zijn, als de zon de volgende keer weer op dezelfde plek van de ecliptica staat; en de burgerlijke dag, op welke deze tijdstip valt, is de geboortedag van de mens in de strikte zin, hoe deze dag ook genoemd wordt in de kalender.
Het probleem: wanneer moet ik mijn verjaardag vieren als ik op 29 februari geboren ben zal dan op de volgende manier volledig worden opgelost:
1) Neem het uur waarop je geboren werd. Als je het niet weet neem je twaalf uur.
2) Zoek in een astronomische kalender voor het jaar waarin je geboren bent, de plaats van de zon (de lengte) voor de geboortedatum en tijd.
3) Zoek in een kalender van het jaar waar je je verjaardag wilt vieren de dag op waar de zon op dezelfde plek staat.
Je zult iets vreemds opmerken: namelijk dat velen de verjaardag af en toe op een andere dag zouden moeten vieren dan op hun “verjaardagen”. Dit is gebaseerd op het feit dat het jaar niet uit precies 365 dagen, maar uit ongeveer 365 dagen en 6 uur bestaat, al kunnen wij ons in ons alledaags bestaan onmogelijk met deze fracties van dagen bezig houden.
Iedereen dient zijn verjaardagen nauwkeurig te berekenen door drie jaar lang (tot het schrikkeljaar) zes uur op te tellen bij het geboorteuur.
Geboren op 29 februari om 12 uur:
Dan vier je de eerste en tweede verjaardag op 28 februari (18 en 24 uur), je derde op 1 maart (6uur) , en je vierde op 29 februari (om 12 uur).
Rutte: Mann ohne Eigenschaften?
Zowel Rutte alsook Cohen worden dezer dagen weggezet als „Mann ohne Eigenschaften“ (en letterlijk in het Duits!)
Terecht?
Ronald Plasterk zei over Rutte in de Volkskrant van 24 februari:
“’[...] Hij is een great communicator, maar tegelijkertijd is hij de Mann ohne Eigenschaften. Hij komt niet verder dan het rechtse neoliberale verhaal. Dat verhaal is failliet.”
en ook Maurits Westerberg noemt Rutte “Mann ohne Eigenschaften”

Mark Rutte Mann ohne Eigenschaften ?
Fotograaf Nick van Ormondt
En over Cohen stond in Trouw een paar dagen eerder (21-2):
“ ‘Mann ohne Eigenschaften’ wordt hij wel genoemd: Job Cohen, tot gisteren de politiek leider van de PvdA. Meer een bestuurder dan een politicus, een twijfelaar zonder uitgesproken opvattingen, voorzichtig kijkend vanuit welke hoek de wind waait.”
Ik vind het leuk om in dit verband naar de originele “Mann ohne Eigenschaften” te kijken, degene van Robert Musil: wie lijkt meer op Musils literaire Mann ohne Eigenschaften, Rutte of Cohen?
Op Wikipedia is wat achtergrondinformatie te vinden over de beroemde roman “Mann ohne Eigenschaften” van Robert Musil, een belangrijk, actueel, filosofisch en ironisch boek. In het Duits hier geheel op internet te downloaden.
Wie is nou de man zonder eigenschappen bij Musil? Ik concentreer mij hier nu alleen op de eerste hoofdstukken van deze extreem complexe en bovendien onaffe roman.
De Mann zonder Eigenschappen (Ulrich) wordt bij Musil voor het eerst beschreven in het hoofdstuk Huis en woonvertrekken van de man zonder eigenschappen. Het huis is een “kortvleugelig kasteeltje, een jacht- of liefdespaleisje uit voorbije tijden”. De Mann zonder eigenschappen wordt geintroduceerd als iemand die van achter de gordijnen in zijn kasteeltje naar de wereld kijkt met de zakelijk blik van een fysicus. “…[hij] telde met zijn horloge al tien minuten lang de auto’s, de karren, de trams en de door de afstand uitgevloeide gezichten van de voetgangers, die het net van de blik met een wemelende haast vulden; hij schatte de snelheden, de hoeken, de vitale krachten van de voorbijbewegende massa’s…”
Vanuit de realistische schattingen gaat hij over naar speelse gedachten:
“Als je de sprongen van de aandacht zou kunnen meten, de verrichtingen van de oogspieren, de pendelbewegingen van de ziel en al die inspanningen die een mens zich moet getroosten om in de rivier van een straat overeind te blijven, zou er vermoedelijk – aldus had hij gedacht en spelenderwijs het onmogelijke proberen te berekenen – een grootheid uitkomen waarbij vergeleken de kracht die Atlas nodig heeft om de wereld te torsen gering is, en je zou kunnen meten welk een enorme prestatie tegenwoordig al wordt geleverd door iemand die helemaal niets doet.
Want de man zonder eigenschappen was op dat moment zo iemand.” (p 15)
Dit is de eerste belangrijke passage die de man zonder eigenschappen beschrijft.
Boven het volgende hoofstuk staat: “Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan” en wordt er een eerste schets gegeven van de belangrijke utopische kant van de Mann ohne Eigenschaften.
“Aldus zou de mogelijkheidszin welhaast te definiëren zijn als het vermogen om alles te denken wat evengoed zou kunnen zijn, en om aan wat is geen grotere betekenis te hechten dan aan wat niet is.”
In hetzelfde hoofdstuk lezen we de volgende passage die de “Mann ohne Eigenschaften” verder karakteriseert:
“Een buitengewone onverschilligheid jegens het naar het aas happende leven staat bij hem tegenover het gevaar dat hij volstrekt zonderlinge dingen doet. Een onpraktisch man – en dat lijkt hij niet alleen maar dat is hij ook – blijft onbetrouwbaar en onberekenbaar in de omgang met mensen. Hij zal handelingen verrichten die voor hem iets anders betekenen dan voor anderen, maar hij stelt zichzelf steeds gerust over alles zolang het maar in een buitengewoon idee valt samen te vatten. En bovendien staat hij tegenwoordig nog heel ver af van een consequente houding. Het zou bijvoorbeeld heel goed kunnen dat een misdaad waarvan iemand anders de dupe is, hem alleen maar als een maatschappelijk feilen voorkomt, waar niet de misdadiger de schuld van draagt maar de inrichting van de samenleving. Daarentegen is het nog maar de vraag of hij een oorvijg die hij zelf ontvangt zal opvatten als een belediging van de kant van de maatschappij of als iets dat tenminste even onpersoonlijk is als de beet van een hond; waarschijnlijk zal hij in dat geval eerst de oorvijg vergelden en vervolgens vinden dat hij dat niet had moeten doen. En vooral als men een geliefde van hem afpakt zal hij de werkelijkheid van dit incident voorlopig nog niet helemaal kunnen negeren en zich met een verrassend, nieuw gevoel schadeloos kunnen stellen. Deze ontwikkeling is momenteel nog aan de gang en betekent voor een mens zowel een zwakte als een kracht.” ( p22)
Rutte of Cohen??
Nee Ronald Plasterk, Rutte is juist de doortastende man MET eigenschappen!
Al zal hij niet de harten van de speelse, aarzelende, reflecterende en artistieke mensen kunnen stelen.
Robert Musil, De man zonder eigenschappen, vertaling Ingeborg Lesener, Meulenhoff 1988
Leuk: ik heb een mailtje aan Ronald Plasterk gestuurd met link naar mijn blog, en hij reageerde eerlijk en positief: hij had het boek van Musil niet gelezen, en associeert iets anders met “Mann ohne Eigenschaften”.
Ja dat mag natuurlijk, maar ik als germaniste vind het leuk om naar de bronnen te gaan.
Maria Trepp
www.passagenproject.com
Update 31-3-2013 Rutte, ‘der Mann ohne Eigenschaften’

Franz_von Stuck_Amazone

Franz_von_Stuck_Tilla_Durieux_als_Circe – femme fatale

Franz_von_Stuck_-_Die_Suende_1893 schlange serpent femme fatale

Franz_von_Stuck_Salome_II

Franz_von_Stuck Unschuld Innocence

Franz_von_Stuck_-_The_Kiss_of_the_Sphinx_-_Kuss der Sphinx

Franz_von_Stuck_Mary mit rotem Hut

Franz_von_Stuck_Fruehling lente spring

Franz_Von_Stuck_-_Wounded_Amazon gewonde amazone

Franz_von_Stuck_-_The_Dance_-_Der Tanz

Franz_Von_Stuck_-_Dancers Taenzer dansers

Franz_von_Stuck_-_Judith

Franz von Stuck Mary_Stuck-1910

Franz von Stuck Liebesfruehling-1917 lente spring

Franz von Stuck_Circle_dancing Tanz Dans
In het Wenen van het Fin de siècle werd de vrouwelijke seksualiteit een focus van interesse onder kunstenaars en wetenschappers: Freud, Klimt, Schiele, Kokoschka, en in de literatuur Arthur Schnitzler.
Schiele maakte veel erotische tekeningen en schilderijen, hierbij sterk geïnspireerd door de nieuwe, vrije manier van tekenen die Auguste Rodin gebruikte.
Read more..
De Nederlandse oorlogsnieuwswebsite nieuws-wo2.tk heeft gisteren grote stukken uit Mein Kampf gepubliceerd. Als ‘flankerende steunoperatie’ aan de Britse uitgever Peter McGee, die in de clinch ligt met de Duitse overheid. Het Beiers ministerie van Financiën gaat vervolging instellen.
Volgens HP/De Tijd is Mein Kampf “het zwarte gat van de uitgeefwereld. Niet alleen is het duivels antisemitisch, maar ook niet leesbaar en is in sommige landen ook nog verboden”.
Ik wil hier iets bijdragen over inhoud, vorm en achtergrond van Hitlers “Mein Kampf”.
Het verbod op “Mein Kampf” is in hoge mate symbolisch, aangezien het boek overal te verkrijgen is, en ook op internet in .pdf -vorm wordt aangeboden. Dat het verbod symbolisch is, maakt het verbod in mijn ogen niet automatisch verkeerd.
Wat historisch belangrijk is, dat is het feit dat Hitler zijn politieke en maatschappelijke ideeën nauwkeurig heeft beschreven in “Mein Kampf”, maar in de dagelijkse politiek jarenlang veel minder radicaal is geweest, zodat bij veel mensen in het binnen- en buitenland de indruk ontstond, dat het allemaal wel mee zou vallen.
Uiteindelijk hebben de nazi’s alles in de praktijk gebracht wat in “Mein Kampf” stond.
“Mein Kampf”wordt ideologisch gedomineerd door rasbiologie, antisemitisme, sociaal-darwinisme en cultuurpessimisme.
* Hitler voert alle complexe maatschappelijke en politieke gebeurtenissen terug op universele, eendimensionale racistische natuurwetten.
,,[Die Menschen gehen] mit wenigen Ausnahmen wie blind an einem der hervorstechendsten Grundsätze [der Natur] vorbei: der inneren Abgeschlossenheit der Arten sämtlicher Lebewesen dieser Erde. Schon die oberflächliche Betrachtung zeigt als nahezu ehernes Grundgesetz all der unzähligen Ausdruckformen des Lebenswillens der Natur ihre in sich begrenzte Form der Fortpflanzung und Vermehrung. Jedes Tier paart sich nur mit einem Genossen der gleichen Art. Meise geht zu Meise, Fink zu Fink, … der Wolf zur Wölfin usw.” (1936, 311).
“Jede Kreuzung zweier nicht ganz gleich hoher Wesen gibt als Produkt ein Mittelding zwischen der Höhe der beiden Eltern. Das heißt also: das Junge wird wohl höher stehen als die rassisch niedrigere Hälfte des Elternpaares, allein nicht so hoch wie die höhere. Folglich wird es im Kampf gegen diese höhere später unterliegen. Solche Paarung widerspricht aber dem Willen der Natur zur Höherzüchtung des Lebens überhaupt. Die Voraussetzung hierzu liegt nicht im Verbinden von Höher- und Minderwertigem, sondern im restlosen Sieg des ersteren” (1936, 312).
* Volgens Hitler wordt een sterkere ras verzwakt door het mengen met een zwakkere.
“Daher entsteht auch der Kampf untereinander weniger infolge innerer Abneigung … als vielmehr aus Hunger und Liebe. In beiden Fällen sieht die Natur ruhig, ja befriedigt zu. Der Kampf um das tägliche Brot läßt das Schwache und Kränkliche … unterliegen .. , Immer aber ist der Kampf ein Mittel zur Förderung der Art und mithin eine Ursache zur Höherentwicklung derselben” (1936, 312f.).
* Hitler probeert de onmogelijkheid van de democratie af te leiden uit het principe van de overwinning van de sterke.
,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schweren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).
* „Natuur” is voor Hitler religie, niet zakelijke natuurwetenschap.
,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schweren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).
“Das Ergebnis jeder Rassenkreuzung ist also … immer folgendes: a) Niedersenkung des Niveaus der höheren Rasse, b) körperlicher und geistiger Rückgang und damit der Beginn eines, wenn auch langsam, so doch sicher fortschreitenden Siechtums. Eine solche Entwicklung herbeiführen heißt … nichts anderes. als Sünde treiben wider den Willen des ewigen Schöpfers. Als Sünde aber wird diese Tat auch gelohnt. Indem der Mensch versucht, sich gegen die eiserne Logik der Natur aufzubäumen, gerät er in Kampf mit den Grundsätzen, denen auch er selber sein Dasein als Mensch allein verdankt. So muß sein Handeln gegen die Natur zu seinem eigenen Untergang führen” (1936, 314).
* De rassenwetten zijn in feite bij Hitler de natuurlijke god, wie tegen deze god ingaat, wordt bestraft.
Het biologistische racisme maakt de taken van de staat simpel en overzichtelijk. De staat moet alleen toezien dat het gedrag van de burgers past bij de vermeende natuurwetten.
“Syphilitikern, Tuberkulosen, erblich Belasteten, Krüppeln und Kretins” ist die “Zeugungsfähigkeit zu entziehen” (1936,445).
Wel heeft de staat een belangrijke taak bij de opvoeding van de jeugd tot krijgers, dus een opvoeding niet alleen maar, maar vooral in lichamelijke ontwikkeling.
Hitler werkt met de Platoonse tegenoverstelling Geest versus Lichaam, maar keert deze om: het lichaam domineert de geest. Vandaar ook Hitlers boosaardig anti-intellectualisme.
Het nationaal-socialisme heeft, zoals al vaak is aangetoond, ook socialistische trekken. Deze zijn het gevolg van dat Hitler een rassenkamp onder gelijken wilde, hij wilde dat de voorwaarden voor iedereen gelijk zouden zijn, en dat zodoende dan de “rassen- besten” herkend konden worden.
* Zeer uitvoerig in Mein Kampf is de apocalyptische kritiek aan maatschappelijk verval, waaronder voor hem zo goed als alle verschijnselen van de Moderne vallen.
” … [Mit] Schrecken sehen wir die krankhaften Auswüchse irrsinniger und verkommener Menschen, die wir unter dem Sammelbegriff des Kubismus und Dadaismus seit der Jahrhundertwende kennenlernten … ” (1936, 283).
* Het ziektemetafoor is bij Hitler van doorslaggevende betekenis: de samenleving is doodziek, vanwege algemene maatschappelijke ontwikkelingen zoals Moderne, vrouwenemancipatie, maar ook vanwege vele individueel zwakke, intellectuele en zieke mensen.
* En in de jood manifesteert zich voor Hitler alles ziekmakende: ras, intellectualiteit, geld, moderniteit .
* De hele geschiedenis is voor Hitler een gevecht van Goed tegen Kwaad, en hij zet het goede gelijk met de Ariër, en het Kwaad gelijk met de Jood.
Hitler is dualistisch religieus- manicheïstisch is in zijn denken en woordkeus:
„Er [der Arier] ist der Prometheus der Menschheit, aus dessen lichter Stirn der göttliche Funke des Genies zu allen Zeiten hervorsprang, immer von neuem jenes Feuer entzündend, das als Erkenntnis die Nacht der schweigenden Geheimnisse aufhellte und den Menschen so zum Beherrscher der anderen Wesen dieser Erde emporsteigen ließ” (1936, 317).
Literatuur: Friedrich Pohlmann, Politische Herrschaftssysteme der Neuzeit
Claudia Koonz, The nazi conscience (2003)
Vandaag besloot het Duitse kabinet dat er een register komt over neonazi’s.
Zie ook hier Over neonazi’s in Duitsland en de recentelijke kritiek op de Verfassungsschutz
en over het misplaatste woord Döner-Morde voor de moorden op negen allochtone middenstanders door drie Duitse neonazi’s
In het Duits (Spiegel) : Bundesweite Datensammlung für Rechtsextreme
Update 10 maart 2012 : Britse uitgever mag niet delen Mein Kampf uitbrengen in Duitsland
Update 12 juni: dit oordeel wordt ook in hoger beroep bevestigd
Meer Updates
De Pariser kunstenar Linda Ellia heeft 534 pagina’s uit “Mijn Kampf”artistiek bewerkt – onder meer als wc-papier. Haar werk wordt in Neurenberg getoond.
Rudolf van den Berg vertelde in P&W over zijn nieuwste film Süskind, het waargebeurde verhaal van verzetsman Walter Süskind, de Nederlandse Oskar Schindler, die honderden joodse volwassenen, kinderen en baby’s redde uit de Hollandse Schouwburg.
De in Duitsland geboren jood Walter Süskind (1906-1945) werkte in Amsterdam voor de Joodse Raad. Door die raad was hij aangesteld als beheerder van de Hollandsche Schouwburg. In deze functie was hij in staat met de persoonsgegevens van vooral kinderen te manipuleren.

Tot 1940 was de Hollandsche Schouwbrug een populair theater in de Plantagebuurt in Amsterdam. In 1941 veranderde de Duitse bezetter de naam van het theater in ‘Joodsche Schouwburg’. Vanaf dat moment mochten alleen joodse musici en artiesten optreden voor uitsluitend joods publiek. In de loop van de jaren kreeg de Schouwburg een andere functie toegewezen door de Duitse bezetter. Vanaf augustus 1942 moesten joden uit Amsterdam en omstreken zich melden voor deportatie, of werden hier onder dwang naar toe gebracht. Vele duizenden mannen, vrouwen en kinderen wachtten vervolgens in de Hollandsche Schouwburg op hun deportatie naar doorgangskamp Westerbork. Van daaruit werden zij op transport gezet naar concentratie- en vernietigingskampen.
Zijn goede relatie met de Duitse autoriteiten (Süskind kende Ferdinand aus der Fünten goed, de SS Hauptsturmführer die in Amsterdam de leiding had over de deportatie van joden) kwam hem in zijn verzetswerk van pas. Süskind, een handige en charmante man, was bijzonder vindingrijk en listig, vervalste lijsten, bedachte honderden trucs.
Samen met de directrice van de crèche op de Plantage Middenlaan, Henriette Rodriques Pimentel, en de Amsterdamse econoom Felix Halverstad zette Süskind een systeem op om joodse kinderen uit de Schouwburg via de crèche te laten ontsnappen. Onder zijn leiding werden honderden volwassenen, kinderen en baby’s gered uit de schouwburg.
Opmerkelijk is dat het verzetswerk dat Süskind en de zijnen verrichtten gebeurde zonder dat de leiding van de Joodse Raad daar iets vanaf wist. De leiding van de Joodse Raad zou dit namelijk hebben verboden.
Regisseur Rudolf van den Berg heeft naar eigen zeggen met zijn film geen heldenmonument voor Süskind willen opzetten, maar eerder uitdrukking willen geven aan zijn verbijstering.
“Voor massamoord heb je geen bloeddorstige beulen nodig” zei hij.
De meeste joden werden weggehaald door Nederlanders.
Verbijsterend is nog steeds de manier waarop de Joodsche Raad heeft gecoöpereerd met de bezetter.
De Joodsche Raad was een op initiatief van de Duitse bezetter in februari 1941 in het leven geroepen Joodse organisatie die de Joodse gemeenschap in Nederland moest besturen. Via deze raad gaf de bezetter bevelen aan de Joodse gemeenschap en haar leiders. De Raad werd zo het doorgeefluik van de anti-Joodse maatregelen.
Zonder de ondersteuning van de Joodsche Raad hadden de nazi’s niet zo veel Nederlandse joden kunnen deporteren, omdat men niet wist wie wel en wie niet een jood was.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft de Joodsche Eereraad uitgesproken: ‘dat de voorzitters van de Joodsche Raad gefaald hebben in een wereld, die zelf in gebreke is gebleven‘, en heeft met name de medewerking bij selectie en deportatie met klem veroordeeld.
De rol van Süskind daarentegen werd door de Joodse Ereraad geprezen:
“De Ereraad wil met erkentelijkheid vermelden het illegale werk door sommige geëmployeerden van de Joodsche Raad verricht, met name op het gebied van het laten ontsnappen van volwassenen en kinderen uit schouwburg en crèche. Zonder anderen te kort te doen brengt de Ereraad hierbij een eresaluut aan Walter Süskind. Tot dit illeagale werk hebben, zover na te gaan, de voorzitters zelf het initiatief niet genomen. Evenmin is gebleken, dat zij dit werk krachtig bevorderd hebben, zoals eigenlijk hun plicht was. Integendeel, dit zou in strijd zijn geweest met hun overige houding. “(Hans Knoop, De Joodsche Raad, p 208)
Een nieuwe studie (besproken in de NRC van 14 januari 2012) probeert antwoord te geven op de vraag waarom niet alleen het aantal maar ook het percentage Joodse slachtoffers in Nederland het hoogst was van West-Europa:
“In hun comparatieve studie beschrijven de auteurs minutieus de overeenkomsten en verschillen tussen de drie bestudeerde landen. Nauwgezet analyseren Griffioen en Zeller onder meer de positie van het autochtone bestuur, de handelingsvrijheid van de Duitse organisaties die zich met de Jodenvervolging bezighielden, de methoden die zij toepasten en de mate van integratie, assimilatie en organisatiegraad van de Joodse bevolkingsgroepen.
De voornaamste oorzaak van het bijzonder hoge aantal en percentages Joodse slachtoffers in ons land, constateren Griffioen en Zeller, was de vrijwel ongelimiteerde macht waarover het Duitse politieapparaat hier beschikte voor het organiseren van deportaties. Zowel het bezettingsbestuur (Reichskommissariat) als de hoogste Nederlandse bestuurders waren buitenspel gezet. Het laatste geschiedde overigens zonder al te veel tegenstribbelen.
De Nederlandse situatie verschilde daardoor radicaal van die in Frankrijk en België. De hoogste Franse autoriteiten, die hun gezag over de politie behielden, waren vanaf het najaar van 1942 nauwelijks bereid mee te werken aan deportaties. […]
Ten slotte werd het aantal en het percentage Joodse slachtoffers in Nederland gedeeltelijk bepaald door de inschakeling van de Joodse Raad bij de deportaties (oproepen voor ‘tewerkstelling in het Oosten’) en de aanvankelijke reacties van de Joodse bevolking op de Duitse methoden van misleiding en intimidatie. Terwijl in Frankrijk en België een aanzienlijk deel van de aanwezige Joden door hun Duitse of Oost-Europese achtergrond zich weinig illusies maakte over het nazi-antisemitisme, was dat bij de sterk geïntegreerde Joodse bevolking hier veel minder het geval. Velen waren daardoor langere tijd geneigd vast te houden aan legale ontsnappingsmogelijkheden: vrijstellingen (waarvoor aanvankelijk bijna een derde deel van de Nederlandse joden in aanmerking kwam) en Arbeitseinsatz in het ‘permanente’ werkkamp Vught. Deze legale ‘ontsnappingsmogelijkheden’ weerhielden veel Joden van onderduiken maar bleken uiteindelijk een verraderlijk onderdeel te vormen van het deportatiesysteem. De vrijgestelden en bewoners van kamp Vught werden alsnog op transport gezet.”
P. Griffioen en R. Zeller: Jodenvervolging in Nederland, Frankrijk en België – Overeenkomsten, verschillen, oorzaken. Boom; 1045 pagina ‘s; € 49,50.
————————————————————————————-
Het verhaal van Süskind werd al eerder eens verfilmd als “Secret Courage — The Walter Suskind Story”
Biografie: Mark Schellekens. Walter Süskind. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 240. € 17,95
Film: Süskind. Regie Rudolf van den Berg. Vanaf 19 januari in de bioscoop.
Roman op basis van film: Alex van Galen, Süskind, Arbeiderspers. 256 pag. € 17,50
Documentaire: De duivelse dilemma’s van Walter Süskind. Zondagavond 15 januari, KRO, 23.30 uur, Nederland 2.
Tentoonstelling: Jodenvervolging 1940-1945. Op de eerste verdieping in de Hollandsche Schouwburg is de permanente tentoonstelling Jodenvervolging 1940-1945 ingericht. In de Hollandsche Schouwburg wordt nu ook uniek materiaal tentoon gesteld rondom Walter Süskind, zoals familiefoto’s en onlangs verworven objecten.
Maria Trepp www.passagenproject.com
Deze tekst staat in vertaling ook op mijn Duitse weblog en op mijn Engelse weblog

Suum cuique Buchenwald ontwerp StudioJob
Aan de poort zou een bel worden bevestigd met daarop de tekst ‘suum cuique’, tussen rokende schoorstenen, een duidelijke verwijzing: de Duitse vertaling, Jedem das Seine, stond boven de poort van concentratiekamp Buchenwald.
Op de site van de NRC wordt het ontwerp getoond dat wél uitgevoerd wordt: weliswaar zonder de bel met “Suum cuique” maar mét de rokende schorstenen!
Na alle publiciteit kan iedereen het “Suum cuique” wel erbij denken, en spreken de schorstenen een duidelijke en allesbehalve onschuldige taal.
Het smakeloze design is aanstootgevend- maar geeft ook een zetje tot nadenken.
The fence – an offence!!

Oorspronkelijk was “suum cuique” bedoeld als een motto van de rechtvaardigheid:
Marcus Tullius Cicero (106 BC – 43 BC) schreef : “Iustitia suum cuique distribuit.” (“Het recht geeft iedereen het zijne.”)
De Duitse Pruisische „Orden vom schwarzen Adler“ gebruikte dit motto dat later door de nazi’s werd overgenomen.

In de naoorlogse tijd zijn er verschillende conflicten geweest over het gebruik van dit motto in reclamecampagnes onder andere van Nokia, Tschibo, Esso, Burger King en Rewe.
De rel over het provocerende ontwerp van Studio Job past niet alleen in een traditie van “de-rel-om-het kunstwerk-is-een-deel-van-het-kunstwerk” (Bourdieu) maar ook in een reeks van kunstprojecten omtrent beveiliging en uitsluiting (wie ontwerpt nog een mooi hek voor asielcentra??)
Recentelijk heeft Jonas Staal het ontwerpgevangenis van Fleur Agema tot uitgangspunt van acties en discussies gemaakt.
Zijn maquette en film zijn onderdeel van de tentoonstelling 1:1 in Kunsthal Extra City te Antwerpen (www.extracity.org); een theatervoorstelling vond plaats op 21 en 22 december in Frascati Amsterdam.
Hier nog een ander voorbeeld van een ironische vormgeving van een hekwerk (Demakersvan, Lace Fence, 2006, Museum Boijmans).

Dit hekwerk is geïnspireerd op panty’s en lingerie. Je zou kunnen spreken van een “erotisering van de beveiliging” (Daniel van der Velde).
Maria Trepp www.passagenproject.com
Deze tekst verschijnt ook op mijn Engelse en Duitse blogs ( www.passagenproject.com/blog1 en www.passagenproject.com/blog2 )
Ik begrijp niets van al die op hef over Thomas van der Dunk en over de satire op Joop.nl.
PVV-kopstukken en sympathisanten beroepen zich uitdrukkelijk op een nazi en op denkbeelden uit de nazi-geschiedenis.
Bart Jan Spruyt, die Wilders in het zadel heeft geholpen en die het eerste PVV programma samen met Wilders heeft geschreven en ook PVV-kaderleden heeft getraind, is een grote en uitdrukkelijke fan van de nazi Carl Schmitt, die hij uitgebreid als zijn politiek voorbeeld bespreekt.
Spruyt maakte in zijn publicaties, o.a. in het boek De toekomst van de stad (2004) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne. Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[1]
Ook de Wilders-fan Jerker Spits noemt Carl Schmitt als een groot voorbeeld. Schmitts nazi-verleden is voor Spits geen reden om het gedachtegoed van Schmitt te mijden:
” Wie Schmitt in het nazistische klimaat van de jaren dertig opsluit, gaat voorbij aan de zeggingskracht van zijn politieke filosofie voor onze tijd. […] De vrijheid van het denken mag niet ten prooi vallen aan politieke correctheid.” (Trouw, 14-4-2005)
Jan Greven: “Schmitts aantrekkingskracht is dat hij denkt in heldere tegenstellingen: goed/kwaad; mooi/lelijk. Met in de politiek de meest absolute tegenstelling. Die tussen vriend en vijand. Tegenover de vijand past slechts onverzoenlijkheid. Je hoeft hem persoonlijk niet te haten om hem toch te liquideren. […] Schmitts tegenstellingen zijn helder, maar hij voert je op paden waar je niet hoort te zijn. “ (Trouw, 29-3-2005)
Dick Pels over Schmitt:
“Schmitts definitie [van de vijand] legitimeert […] een autoritaire, zo niet totalitaire opvatting van de politieke werkelijkheid, waarin geen enkele ambiguïteit wordt getolereerd en geen ruimte bestaat voor andersoortige onderscheidingen.”[2] Volgens Pels valt bij Schmitt politiek op apocalyptische wijze samen met de oorlog.
Rob Hartmans:
“Tijdens de republiek van Weimar werd Schmitt beschouwd als vertegenwoordiger van de zogenaamde konservative Revolution, een amalgaam van ultranationalistische denkers, partijtjes en groeperingen die zich verzetten tegen de burgerlijke maatschappij en de parlementaire democratie. Schmitt zag niets in een romantisch conservatisme, dat verlangde naar een samenleving die een organische, door oeroude instituties en tradities gevormde eenheid was. Een dergelijke samenleving had nooit bestaan, en alle traditionele instituties waren door de wereldoorlog en de revolutie weggevaagd. Evenmin wilde hij iets weten van het normatieve staatsrecht dat werd uitgedragen door neokantiaanse juristen. In tegenstelling tot de Oostenrijkse staatsrechtsgeleerde Hans Kelsen, die als jood in zijn ogen toch al verdacht was, ontkende Schmitt dat er een bepaalde norm ten grondslag lag aan de rechtsorde. Hoe het recht eruitziet is een kwestie van een op macht gebaseerde beslissing. Schmitt citeerde in dit verband graag Hobbes: «Gezag, niet de waarheid, maakt de wetten.» In dit «decisionisme» stond de uitzonderingstoestand centraal. Normen waren volgens Schmitt alleen van toepassing op normale omstandigheden. Waar het op aan kwam, was de vraag wie in uitzonderlijke omstandigheden de beslissingen kon nemen. Vandaar ook zijn opvatting dat degene die de noodtoestand kan afkondigen, beschikt over de soevereiniteit.
Ook na Schmitts dood, in 1985, leven zijn denkbeelden voort in allerlei bewegingen in Europa en Amerika die tot Nieuw Rechts worden gerekend.
In hun strijd tegen de liberale, pluriforme democratie kunnen zowel extreem-links als extreem-rechts een heel arsenaal aan wapens vinden in de geschriften van Carl Schmitt, die de Verlichting haatte als de pest en die droomde van een autoritaire, homogene staat, waarin geen ruimte is voor verwarrende experimenten die de stabiliteit kunnen ondermijnen.”[3]
Carl Schmitt oefent een grote aantrekkingskracht uit op veel hedendaagse intellectuelen. Rob Hartmans:
“Schmitts werk munt uit door scherpe formuleringen en glasheldere begrippen. Sommigen noemen hem een Begriffsmagier, een goochelaar met definities. […] Met zijn fraaie begrippen, glasheldere analyses en adembenemende abstracties mag Schmitt als politiek theoreticus en rechtsgeleerde dan zeer belangrijk zijn geweest, in de praktijk sloeg hij de plank op een zeer pijnlijke wijze mis. Want als iets opvalt in het werk van Schmitt, dan is het dat het altijd om grootse begrippen en abstracties gaat: staat, natie, uitzonderingstoestand, Großraum, vriend-vijand, de politiek etcetera.”[4]
Maar de kritiek op Carl Schmitt moet zich niet allen richten tegen diens antiliberale opvattingen. Schmitt was een actieve nazi en antisemiet.
De Leidse hoogleraar mensenrechten Thomas Mertens over de “kroonjurist van de nazi’s” Carl Schmitt:
“Schmitt gaf onder de titel ‘Der Führer schützt das Recht’ zijn juridische fiat aan Hitlers moordpartijen bij zogenaamde Röhm-putsch van 1934. Deze van staatswege georganiseerde moorden troffen niet alleen de top van de S.A. maar ook diverse andere tegenstanders van het regime zoals Schmitts vorige patroon Von Schleicher; Schmitt was een van de voormannen van de door de nazi’s het leven geroepen ‘Akademie für Deutsches Recht’. “[5]
“[…; in 1936 riep ] [Schmitt] op tot een zuivering van de bibliotheken van joodse invloeden; hij deed zijn best Hitlers ‘Grossraumgedachte’ te legitimeren […] Schmitts denken maakt duidelijk dat de Westerse cultuur niet bestaat en dat intellectuelen als Schmitt medeverantwoordelijk zijn voor wat er op deze aarde vreselijk fout kan gaan.”[6]
Schmitt was een van de belangrijke denkers van de Duitse “conservatieve revolutie”. Het is moeilijk een harde lijn te trekken tussen de denkers van de conservatieve revolutie en de nazi’s. Een gemeenschappelijke noemer is het anti-liberalisme en het gelijk zetten van joods=liberaal=decadent. Een andere gemeenschappelijke noemer is het nationalisme, dat in ieder geval bij Schmitt kan worden vastgesteld. “Bei Schmitt war die Nation […] eine nicht mehr überbietbare Größe […] ein existentielles Phänomen, das durch Freund-Feind-Bestimmung und damit in letzter Instanz durch den kollektiven Kampf eines Volkes auf Leben und Tod definiert war.“[7] Carl Schmitts nationalisme was racistisch, al was hij daarin niet zo extreem als andere nazi’s.[8] Zeker zijn er verschillen tussen de “echte” nazi’s en de conservatief revolutionairen. Bijvoorbeeld wilden de conservatieven een sterke staat. Hitler was anarchistisch, de staat was ondergeschikt aan zijn impulsen, en dit element past niet bij het conservatisme. Ook de holocaust als zodanig is geen idee of initiatief van de conservatieven geweest.
Meer over Schmitt hier of zoek op tag “Carl Schmitt” hier op mijn blog.
Meer over de geschiedenis van het nationaalsocialisme
[1] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[2] Een zwak voor Nederland, p. 228.
[3] Een gevaarlijke geest, De Groene Amsterdammer, 7-2-2004.
[4] De grote woorden van Carl Schmitt, In : Varwel dan, p. 129, ook De Groene, 1-5-1996.
[5] Fiat aan Hitlers moordpartijen, Filosofie Magazine 02-2002.
[6] NRC 23-11-2001, boeken.
[7] Stefan Breuer, Anatomie der konservativen Revolution, p. 184.
[8] Anatomie der konservativen Revolution, p.191.
[Vervolg op mijn Eichmann-blog van gisteren]
Een van de vele moeilijke hoofdstukken in het leven en streven van Eichmann is zijn intense samenwerking met de zionisten.
Voordat Eichmann tot organisator werd van de Holocaust zette hij zich lange tijd in voor een emigratie van alle joden naar Palestina. Hiervoor werkte hij nauw samen met zionisten.
David Cesarani in zijn Eichmann-biografie:
“[Men] wilde ernaar streven ‘het joodse vraagstuk’ in Duitsland op te lossen door een ordentelijke joodse emigratie naar Palestina te bepleiten. In 1936 en 1937 had Eichmann intensieve contacten met joden binnen de zionistische bewegingen in Duitsland. Hij had een ontmoeting met Feivel Polkes, een Palestijnse jood, die voorstelde dat de nazi’s en de zionisten zouden samenwerken om de joodse emigratie te bevorderen. In november 1937 reisde Eichmann naar het Midden-Oosten om deze mogelijkheid te onderzoeken en hij bracht een kort bezoek aan wat later de staat Israel zou worden. In deze fase combineerde hij een relatiefwelwillende kijk op het zionisme met een traditioneel antisemitisch wereldbeeld.” (p 17)
“Recentelijk opgedoken rapporten en lezingen die hij in 1937 schreef, tonen hem in de greep van een fantasie waarin sprake is van een wereldomvattende joodse samenzwering tegen Duitsland. Eichmann zag, net als zijn kameraden in de 5D, de joden als een ‘vijandelijke’ macht. Ditwas een buitengewoon onpartijdige, afgeleide vorm van jodenhaat die hem in staat stelde normale relaties met individuele joden te onderhouden, in het bijzonder met zionisten, terwijl hij onvermoeibaar werkte aan een plan het Rijk te bevrijden van zijn joodse inwoners en de strijd tegen de ‘macht’ van een mythisch, mondiaal jodendom.”
“In 1940 was Eichmann betrokken bij andere massa-verdrijvingen en hij ontwierp plannen om vier miljoen Europese joden naar Madagaskar te deporteren.”
Eichmann noemde zichzelf zelfs de nieuwe Herzl.
“Eichman zag zichzelf in die tijd zeker niet als een jodenmoordenaar. Hij was nog steeds een voorstander van joodse emigratie en hij werkte het hele jaar 1940 samen met zionistische groeperingen en joodse mensensmokkelaars die heimelijk joden naar Palestina zonden” (p 19)
“Nieuw onderzoek onthult dat de voorbereidingen voor het proces [in Jeruzalem] aan politieke bemoeienis waren onderworpen. De Israëliërs ontweken gevoelige zaken zoals het contact tussen de zionisten en Eichmann in de jaren dertig en de onderhandelingen over het lot van de Hongaarse joden in 1944 waarbij Ben-Goerion zelf was betrokken.” (p 24)
De samenwerking tussen nazi’s en zionisten is een donker hoofdstuk in de geschiedenis, ook is het nog zo goed te begrijpen dat de joden een veilige plek zochten.
Ik heb mij eerder in ander verband bezig gehouden met de problematische geschiedenis van het zionisme, waarbij ik met racistische en antisemitische gedachten bij Max Nordau, de tweede man van het zionistisch verbond na Theodor Herzl.
Ik heb met schrik vastgesteld dat Hitlers begrip van de “ontaarding” en “ontaarde kunst” een denkbeeld was die op 1000 pagina’s was uitgewerkt door een jood, de zionist Max Nordau.
Max Nordau, auteur van het prefascistische werk Entartung ( “Ontaarding” 1892) was een collega van Theodor Herzl, en heeft samen met deze de zionistische wereldorganisatie bestuurd.
In het verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek kwam ik in aanraking met Max Nordau en diens theorieën over de “ontaarding” van allerlei literaten en filosofen: Tolstoi, Ibsen, Nietzsche, Baudelaire bijvoorbeeld.
Nordau neemt het in “ontaarding” op de voor de filister, de gewone, normale mens zonder kunstverstand, met een banale smaak en met bekrompen opvattingen.
De zionist Max Nordau is het die het “ontaardings”begrip voor het eerst gebruikt heeft voor de moderne kunst, en die op deze manier belangrijk pionierswerk voor de nazi’s heeft geleverd. Nordau en de nationaal-socialisten zijn het helemaal eens in hun afkeuring van de moderne “ontaarde” kunst. In het laatste hoofdstuk van Nordaus “Entartung” is te lezen hoe Nordau het vocabulaire van de nazi´s heeft bepaald (en Nordau heeft daarbij bewust gebruik gemaakt van antisemitische metaforen, die hij tegen de kunstenaars keert) . Hij spreekt van de moderne kunstenaars als parasieten en als “bronvergiftigers” ; hij zegt dat men dit “maatschappelijke ongedierte” moet uitroeien en genadeloos met knuppels doodslaan. De titel “Entartung” sluit aan bij het gebruik van deze term in antisemitische schriften omtrent 1885.
Nordau was een politieke en racistische zionist, die het culturele of religieuze zionisme afkeurde. Hij wilde geenszins een staat voor alle joden. Nee, hij wilde een staat alleen maar voor de sterke joden, de zogenoemde “Muskeljuden” . De sociaaldarwinist Nordau vond het antisemitisme nuttig, omdat het een test was die de zwakke joden niet konden bestaan, maar de sterke joden nog sterker maakte.
Jan Blokker heeft in zijn recensie van de Nederlandse uitgave over Theodor Herzls boek Der Judenstaat geschreven dat de positieve reacties op dit boek toentertijd van antisemitische kant kwamen. ”En tekenend is het misschien apocrieve commentaar van de Duitse keizer, die zou hebben gezegd: ‘Laat die smouzen vooral weggaan. Hoe eerder hoe beter. Ik zal ze niks in de weg leggen.´ “(10-9-2004)
Tot besluit: ik zeg NIET dat alle zionisten fascisten zijn of erger. Er zijn zeer verschillende vormen van zionisme.
Ik zeg alleen dat ook de geschiedenis van het zionisme donkere hoofdstukken bevat.
Literatuur: Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani
Zie ook hier over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis
Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde, verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.
Maria Trepp www.passagenproject.com
Eichmann staat opnieuw in het middelpunt van de openbare aandacht, door het openbaar worden van nieuwe feiten en nieuw archiefmateriaal, en door de grote tentoonstelling in Berlijn.
Eichmann is als de gewone mens die de massavernietiging administratief heeft uitgevoerd de icoon geworden van de “banaliteit van het kwaad”. Op dit begrip van Hannah Arendt is veel kritiek geweest, zie bijvoorbeeld het artikel van Peter Giesen in de Volkskrant van 9 april.Nieuw onderzoek toont aan dat Eichmann geenszins de passieve nazi-pop was tot welke bijvoorbeeld Harry Mulisch hem in “De zaak 40/61” heeft gemaakt.
Zoals de biograaf David Cesarani beargumenteert was Eichmann aan de ene kant een gewoon mens, geen satan (die de Israëlische aanklager van hem wilde maken) en was ook tijdens grote delen van zijn carrière geen uitzonderlijk fanatieke antisemiet. Eichmann was een vooral conventionele man, een opportunist en carrièrist, die met de tijd een aantal bewuste historische keuzes heeft gemaakt die hem uiteindelijk in feite een monster lieten worden.
Toen ik het boek van Cesarani las was ik verrast door een detail in Eichmanns leven waar ik weinig van wist: Eichmanns relatie met de (half-) Nederlandse nazi en Waffen-SS man Willem Sassen. [Een SS-man die Sassen heet!]Cesarani: “Sassen was in België bij verstek voor oorlogsmisdaden veroordeeld, maar bereikte in september 1948 op een schoener, en onder de schuilnaam Jacobus Jansen, Argentinië, Daar paste hij naadloos in het milieu van oud- SS’ers. Hij werd redacteur van de nieuwsbrief Der Weg, die zich richtte op de gemeenschap van naziemigranten. Der Weg […] was zo extreem rechts dat zelfs Perón kon worden overgehaald de publicatie ervan te verbieden”.“Behalve als journalist verdiende Sassen ook als ghostwriter voor oud-SS’ers en hij werkte regelmatig met Eberhard Fritsche, een voormalig medewerker van het nazistische rijksministerie van Openbare Voorlichting en Propaganda en een van Goebbels naaste medewerkers, die nu directeur van Durer Verlag was en nauw samenwerkte met Ludwig Freude. In 1955 of 956 stelde hij, met medeweten van Fritsche, Eichmann voor dat ze samen zouden werken aan een volledig verslag van de Endlosung. Het zou de ‘waarheid’ vanuit het nazistandpunt vertellen en hun aardig wat geld opleveren. De bedoeling was Eichmanns herinneringen op band op te nemen, daarbij geholpen door hedendaagse documenten en aangevuld met expertise uit de SS-gemeenschap. De banden zouden vervolgens worden uitgewerkt tot een authentiek verslag van de gebeurtenissen van iemand die daarbij een centrale rol had gespeeld.” ( p 225).Volgens Cesarani hadden Eichmann en Sassen echter elk hun eigen bedoelingen, die in feite niet met elkaar strookten. Eichmann werd volgens Cesarani gedreven door ijdelheid en was verbolgen dat zijn eigen rol in de geschiedenis niet echt was opgemerkt.“Sassen daarentegen wilde de joodse en Israëlische aanspraken op herstelbetalingen van Duitsland ondermijnen en de verantwoordelijkheid van de Duitsers voor de massamoord op de joden bagatelliseren. Een van zijn belangrijkste doelstellingen was het aantal slachtoffers van de genocide verlagen. Het andere was Hitler van blaam te zuiveren. Dus waar Sassen het aantal naar de vernietigingskampen gedeporteerde joden omlaag wilde brengen, wilde Eichmann maar al te graag over zijn succes opscheppen.”
“Ondanks beweringen dat Eichmann niet antisemitisch was, de joden niet persoonlijk haatte en nogal wat joodse medewerkers had, liet hij zich op andere rnomenten kennen als een in alle opzichten onveranderde, geen berouw tonende nazi. ‘Nee, ik heb nergens spijt van en ik ben zeker niet van plan in te binden. In de vier maanden waarin je alles weer boven hebt gehaald, waarin je hebt gepoogd mijn geheugen op te frissen, is weer een heleboel bovengekomen. Het zou voor mij te makkelijk zijn en, gezien de huidige publieke opinie, al te begrijpelijk, het spel van Saulus-wordt-Paulus te spelen. Maar je moet weten dat ik dat niet kan omdat ik in de kern van mijn wezen weiger te erkennen dat we iets verkeerds deden. Nee, laat me je in aIle eerlijkheid zeggen dat als van de 10,3 miljoen joden over wie (de statisticus) Korherr spreekt, zoals we nu weten, als we er 10,3 miljoen hadden vermoord, dan zou ik tevreden zijn. Ik zou zeggen: “Uitstekend. We hebben een vijand uitgeroeid”. “”Alles bijeen namen Sassen en Eichmann in vijf maanden tijd niet minder dan zevenenzestig banden op. Hiervan werd een typo script van 695 pagina’s gemaakt waaraan Eichmann nog tachtig pagina’s handgeschreven aantekeningen toevoegde.”Sassen schreef artikelen voor Der Stern en Life, die later, ondanks Eichmanns protest, als bewijsmateriaal bij het Jeruzalemproces werden gebruikt. Maar de banden zelf met de gesprekken tussen Sassen en Eichmann werden pas zo laat als bewijsmateriaal voor het proces aangedragen, dat de rechters alleen maar een heel klein gedeelte van het materiaal als bewijsmateriaal toelieten namelijk Eichmanns handgeschreven aantekeningen en kanttekeningen.
Eichmann. De definitieve biografie van David Cesarani, citaten p 225 ff.
Zie ook over Nationaal-socialisme en Duitse geschiedenis
Bettina Stangenth heeft met haar recent boek “Eichmann vor Jerusalem” het Eichmann-beeld (Eichmann als een bleek bureaucraat) gecorrigeerd. In september 2012 verschijnt een verzameling van dagboeknotities van Avner Less, de verhoorsleider die Eichmann verhoorde, verzameld door Eichmann-specialiste Bettina Stangenth.
Het fantastische werk van Ensor (nu tentoongesteld in Den Haag) herinnert in sommige aspecten aan Jeroen Bosch.
Net als Bosch heeft Ensor de val der opstandige engelen geschilderd.

Jeroen Bosch, Val van de opstandige engelen
Jeroen Bosch maakt een overgang van engel naar duivel door de vallende engelen tot insectenmensen te transformeren.

Jeroen Bosch, Gevallen engel/insectenmens

Jeroen Bosch, Insectenmens
In Ensors val van de engelen zijn engelen noch duivels te onderscheiden; het schilderij is een Turneriaanse licht-vuurzee.

James Ensor, Val der opstandige engelen
Maar in een vrolijk zelfportret heet Ensor zichzelf als
insectenmens weergegeven.

De informatie van het museum bij deze prent luidt:
“In de prent “Zonderlinge insecten” refereert Ensor aan een passage uit “Die Launen der Verliebten” van Henrich Heine, waarin een kever verliefd is op een vlieg. De libel links, met de kop van Mariette Rousseau kijkt in de richting van een kever met de kop van Ensor, die verlegen voor zich uit blikt.”
|
Die Launen der Verliebten
Heinrich Heine
Mich lockt
nicht Gold, Rubin und Smaragd;
Ich weiß, daß Reichtum nicht glücklich macht.
Nach Idealen
schwärmt mein Sinn,
Weil ich eine stolze Fliege bin. –
Der Käfer
flog fort mit großem Grämen;
Die Fliege ging ein Bad zu nehmen.
Wo ist denn
meine Magd, die Biene,
Daß sie beim Waschen mich bediene;
Daß sie mir streichle
die feine Haut,
Denn ich bin eines Käfers Braut.
Wahrhaftig,
ich mach eine große Partie;
Viel schöneren Käfer gab es nie.
Sein Rücken
ist eine wahre Pracht;
Da flammt der Rubin, da glänzt der Smaragd.
Sein Bauch
ist gülden, hat noble Züge;
Vor Neid wird bersten gar manche Schmeißfliege.
Spute dich,
Bienchen, und frisier mich,
Und schnüre die Taille und parfümier mich;
Reib mich
mit Rosenessenzen, und gieße
Lavendelöl auf meine Füße,
Damit ich
gar nicht stinken tu,
Wenn ich in des Bräutgams Armen ruh.
Schon
flirren heran die blauen Libellen,
Und huldigen mir als Ehrenmamsellen.
Sie winden
mir in den Jungfernkranz
Die weiße Blüte der Pomeranz.
Viel
Musikanten sind eingeladen,
Auch Sängerinnen, vornehme Zikaden.
Rohrdommel
und Horniß, Bremse und Hummel,
Die sollen trompeten und schlagen die Trummel;
Sie sollen
aufspielen zum Hochzeitfest –
Schon kommen die bunt beflügelten Gäst,
Schon kommt
die Familie, geputzt und munter;
Gemeine Insekten sind viele darunter.
Heuschrecken
und Wespen, Muhmen und Basen,
Sie kommen heran – Die Trompeten blasen.
Der Pastor
Maulwurf im schwarzen Ornat,
Da kommt er gleichfalls – es ist schon spat.
Die Glocken
läuten, bim-bam, bim-bam –
Wo bleibt mein liebster Bräutigam? – –
Bim-bam,
bim-bam, klingt Glockengeläute,
Der Bräutgam aber flog fort ins Weite.
Die Glocken
läuten, bim-bam, bim-bam –
Wo bleibt mein liebster Bräutigam?
Der
Bräutigam hat unterdessen
Auf einem fernen Misthaufen gesessen.
Dort blieb
er sitzen sieben Jahr,
Bis daß die Braut verfaulet war. |
Voor literaire voorbeelden van insecten met menselijk gedrag uit de tijdsperiode van Ensor zie ook (voor een vrolijke variante) Lewis Carroll, Alice in Spiegelland, hoofdstuk “Looking-Glass Insects”; en voor de klassieke nachtmerrie over een menselijk insect zie Kafka’s Gedaanteverwisseling.
Ook Voltaire schrijft uitgebreid over de mensen als insecten in zijn sciencefiction Micromégas.
Het hele sciencefiction genre zijn is in feite vol van insectoiden:
Insectoid aliens are commonly found in science fiction, being featured in classic sci-fi novels like Starship Troopers and Ender’s Game, as well as television shows such as Star Trek and Doctor Who. They also make an appearance in classic games such as Starflight, modern games like StarCraft and Warhammer 40,000 as well as the Star Wars universe. Examples of insectoid aliens in sci-fi anime are the “Uchuu Kaijuu” (“Space Monsters”) from Gunbuster and the “Vajra” from Macross Frontier. (wikipedia)
Maria Trepp
De planeet Mercurius wordt het komende jaar minutieus doorgelicht en opgemeten door de ruimtesonde Messenger.

Mercurius
In de 17e eeuw waren veel onderzoekers en filosofen van mening dat op de planeten intelligent leven existeert.
Christiaan Huygens neemt in zijn “Cosmotheoros“, zijn laatste tekst (1698), planeet voor planeet onder de loep en denkt na of en hoe intelligent leven op zo’n planeet eruit ziet.
Huygens ergert zich zeer aan de jezuiet Athanasius Kircher die de karakter van planeten schetst met de astrologisch-mythologische kennis in zijn hoofd:
“In Merkurius vond hy [Athanasius Kircher] ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden.”
Huygens daarentegen gebruikt zijn astronomische kennis om tot gissingen over de aard van de Mercuriusbewoners te komen.
Op Mercurius moet het erg heet zijn, schrijft Huygens, omdat deze zich zo dicht bij de zon bevindt. Maar hij sluit niet uit de wezens op Mercurius aan die hitte zijn aangepast, en dus over ons op Aarde een beetje zo denken als wij over de Saturnus -bewoners: hoe koud en donker moet het daaaar voor hen niet zijn!
Huygens:
“…wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [de zon] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middellijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen?”

Dus zijn de Mercuriusbewoners soms slimmer dan de Saturnusbewoners? Nee, dat wil Huygens niet geloven:
“Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert.”
Immanuel Kant heeft een tekst over het Heelal geschreven (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels) , waar hij bewonderend op Huygens ingaat. Een satirisch aanhangsel bij deze tekst “Von den Bewohnern der Gestirne“ wordt door veel mensen serieus genomen, maar ik lees deze tekst als parodie op Huygens.
Kant draait hier Huygens’ argumentatie [=de afstand van de zon maakt voor de intelligentie niets uit] parodistisch om: hoe verder weg van de zon, hoe intelligenter de planetenbewoners. Kant komt tot de satirische conclusie, dat voor de domme Mercurianer een hottentot al een genie zoals Newon zou zijn, en de Saturnusbewoners Newton als een domme aap zouden beschouwen…
Buitenaards cultuurrelativisme. Met de impliciete verachting voor de Afrikanen bij Huygens en Kant moeten we maar leven.
Uitvoeriger over Kants Huygens-parodie: klik hier voor mijn Duitse tekst
zie ook
Meer over Christiaan Huygens
www.passagenproject.com
Zoals in mij blog van gisteren geschreven heeft de grote aardbeving van Lissabon in 1755 een schokgolf in de Europese filosofie en literatuur teweeg gebracht.
De meest bekende literair/filosofische reactie was die van Voltaire met zijn Candide, waar hij het optimisme van Leibniz en de zijnen scherp bekritiseert, die immers meenden dat wij in de beste van alle mogelijke werelden leven.


Leibniz
Leibniz en zijn navolgers worden door Voltaire in de figuur Pangloss geparodeerd:
“Pangloss gaf les in de metafysisch-theologische cosmolonnozelogie. Hij kon prachtig bewijzen dat er geen gevolg is zonder oorzaak”.
Omdat Christiaan Huygens in zijn laatste tekst Cosmotheoros een filosofische positie inneemt die dicht bij Leibniz staat kunnen wij Voltaires Leibniz-parodie ook goed als satire op Huygens lezen, des te meer omdat Voltaire Huygens goed kende (link zie hieronder).
“‘Het is bewezen: zei [Pangloss], ‘dat de dingen niet anders kunnen zijn dan ze zijn: want aangezien alles is gemaakt met een doel, is alles ook noodzakelijkerwijs gemaakt voor het beste doel. Let maar eens op: neuzen zijn gemaakt voor een bril, en daarom dragen we brillen. Benen zijn duidelijk bedoeld voor broekspijpen en daarom hebben we een broek aan. Stenen zijn er om gehouwen te worden en er kastelen van te maken, en daarom heeft Zijne Excellentie zo’n prachtig kasteel.”
Inderdaad is het een feit dat Huygens in zijn Cosmotheoros een irritant teleologisch denken aanhangt, precies in de door Voltaire geparodieerde vorm. Huygens is in zijn laatste tekst net als Leibniz een grote criticus van Descartes en diens atoomtheorie. Huygens schrijft dat levende wezens voor een doel gemaakt zijn:
“Eenig navolger van Demokrijt, of ook van Deskartes, mogt voorgeven, dat hy de dingen, die we op de Aarde, en in den Hemel beschouwen, zoo verre weet te verklaren, dat by niets anders dan ondeelbare deeltjes [Atoma], en haar beweging, daar toe nodig heeft; nogtans zal hy in de Kruiden en Dieren daar meê niet doorkomen, nogte van haren eersten opkomst iets waarschijnelijks bybrengen; nademaal het al te duidelijk blijkt, dat eenige zodanige dingen door een wilde en gevallige beweging van lichaamtjes [Vagus ac fortuitus corpusculorum motu] konden voortgebragt werden; als in welke men ziet dat alles treffelijk tot een zeker einde gepast en geschikt is, met de hoogste wijsheid, en uitgelezene kennisse van de wetten der natuur.”
Ook is Huygens afkomstig uit een voorname familie die met stadhouders en koning omging: net als Panloss bepaald geen revolutionair.
Op mijn vorige blog werd met irritatie gereageerd op de naam Leibniz, “Wat, Huygens luisterde naar Leibniz deze vreselijke domoor zoals wij sinds Voltaire weten???”
Zo simpel zit het alles niet, ook niet voor Voltaire.
Tenslotte is het beroemde boek van Voltaire een illustratie van het principe dat Leibniz en Huygens benoemden: rampen maken menselijke prestaties mogelijk en zichtbaar, in samenleving, literatuur en wetenschap…
Uitvoerig over Voltaire en Christiaan Huygens zie hier
Zie overigens ook mijn blogs over Voltaire en de islam:
http://passagenproject.com/blog/2007/09/08/het-beroep-op-voltaire/
http://passagenproject.com/blog/2007/03/16/paul-cliteur-voltaire-en-de-islam/
www.passagenproject.com
Het Holocaust-monument in Berlijn is een controversieel monument. Het meest problematisch zijn de duizenden touristen die zich picknickend, zingend, joelend en vermakend om en op het monument bevinden.
Het monument bestaat uit 2711 betonblokken variërend in hoogte van 20 cm tot 4,5 meter met een tussenruimte van 95 cm. Onder het veld met de blokken is een expositieruimte ingericht. De Amerikaanse architect Peter Eisenman heeft het monument ontworpen.
Door toeval bevond ik mij in augustus bij volle maan s’avonds naast dit monument.
Het was heel stil.
We zagen bijna niemand.
Het is zeer moeilijk te beschrijven hoe het voelde.
Ik kan het iedereen aanbevelen om het monument s’nachts te bezoeken.



Ach, arme maan,
wat heb je toch al veel gezien.
,,
Hier nog een tekst van de Leidse Cleveringhoogleraar Hans Blom over de Holocaust:
We werkten mee aan de vervolging
[de Volkskrant 1 mei 2010]
We neigen ertoe de Holocaust te zien als iets dat zich buiten ons om voltrok. Maar het was ook gewoon mensenwerk.
HANS BLOM
Het blijft een schokkend gegeven: van de omstreeks 500 Joden die in 1942/1943 in Leiden woonden zijn er zeker 270 vermoord. Alle reden om voor hen een gedenkteken op te richten. Maar er is meer dan alleen die herinnering aan de vermoorde, gedeporteerde en op de vlucht gedreven medeburgers. Er is het even schokkende gegeven dat dit gebeurde in de stad Leiden, waar zoiets nog maar kort daarvoor volstrekt ondenkbaar was geweest. Bij dát vraagstuk wil ik vandaag kort stil staan. De stad Leiden die een traditie van asielverlening wil hooghouden, dient zich rekenschap te blijven geven van het feit dat deze deportatie zich in de eigen gemeenschap voltrok.
Natuurlijk, het is niet in Leiden bedacht. Het is ook niet in Nederland bedacht. Het is evident een gevolg van het feit dat het in Duitsland aan de macht gekomen nationaal-socialisme Nederland had bezet en de verwijdering en uiteindelijke uitroeiing van de Joden als doelstelling had en tot uitvoering bracht. Daar lag de wil, daar lag het initiatief en de uiteindelijke basis voor de praktijk van registratie, isoleren, beroven, deportatie en tenslotte, meestal buiten Nederland, vermoorden. Maar het is veel te gemakkelijk het te laten bij het wijzen naar de evidente externe daders en hun interne handlangers en die als het ultieme kwaad aan te merken dat alles veroorzaakte.
Het daar bij laten, gaat voorbij aan de gecompliceerdheid van het historisch proces waarin altijd vele factoren een rol spelen. Zoals het feit dat dit nationaal-socialistische vernietigings-antisemtisme tenminste ten dele wortelt in een eeuwenoude Europese traditie van uitsluiting van Joden, ook in Nederland. Het neigt er ook toe de Holocaust of Shoah te zien als iets dat zich min of meer als een natuurramp buiten ons om onontkoombaar voltrok. Maar dat miskent dat geschiedenis in de letterlijke betekenis van het woord mensenwerk is. Geschiedenis gáát niet alleen over mensen, maar wordt ook gemaakt door mensen, individueel en groepsgewijze. De dynamiek van het historisch proces wordt in essentie bepaald door de eindeloze interactie van onuitputtelijke reeksen menselijk handelingen en beslissingen (ook om dingen niet te doen). Die mensen handelen bewust, onbewust en vooral in gecompliceerde mengvormen daarvan. Zij beslissen individueel, maar tegelijk in een enorme variëteit van groepen. Zelfs als het in de uiterlijk vorm om zogenaamde anonieme instituties gaat, gaat het uiteindelijk toch steeds om menselijk handelen. Dat geldt ook voor meestal moeiteloos gehanteerde abstracte begrippen om de werkelijkheid van het verleden aan te duiden, zoals de Shoah: het blijven reeksen van menselijk handelen.
In dit verband is ook van belang vast te stellen dat elke historische situatie in beginsel open is. Het vervolg staat niet vast. De geschiedenis voltrekt zich niet gedetermineerd. Zij is weliswaar niet omkeerbaar, maar zij was nooit bij voorbaat onvermijdelijk, hoezeer dat soms ook zo lijkt. In de praktijk zijn de marges soms smal, maar al die menselijke beslissingen en handelingen, die in interactie de voorzetting van het historisch proces bepalen, beïnvloeden die feitelijke voorzetting. Zij doen er dus toe.
Dit drukt ons met de neus op ieders individuele verantwoordelijkheid in het historisch proces. Indien ons handelen volstrekt gedetermineerd zou zijn, voltrekt de werkelijkheid zich buiten ons om, zijn wij speelbal. Maar de betekenis van beslissingen, keuzen dus, op alle niveaus is aantoonbaar. De ten minste relatieve openheid van elke historische situatie is zo tevens de voorwaarde voor een samenleving waarin mensen ook verantwoordelijk zijn voor hun handelen, de genoemde smalle marges ten spijt. Dat is behalve een mooie ook een beangstigende gedachte. Zij brengt ons na dit rijkelijk abstracte betoog ook terug bij de werkelijkheid van het verleden van oorlog, bezetting en vervolging tot en met massamoord.
Die harde werkelijkheid van toen laat zien dat tal van Nederlandse instellingen, ook in Leiden, hebben meegewerkt aan het proces van vervolging. De locatie van twee koffers van het monument bij het voormalig politiebureau, dat als het zenuwcentrum van de praktische operatie van het ophalen van de Joden in Leiden kan gelden, wil daarop attenderen. Het is van belang er op te wijzen dat dit niet beoogt te zeggen dat de Leidse politie de enige, of zelfs maar de belangrijkste, handelende instantie was.
Integendeel, dat meewerken geldt voor de hele toenmalige overheid als institutie, met de bevolkingsregistratie als ander aansprekend voorbeeld. Het belang van het onderkennen van het element van menselijk handelen springt ook in het oog als men bedenkt dat er tevens individuen in die instituties werkzaam waren die anders kozen: de politiemannen die Joden waarschuwden of weigerden aan het ophalen van Joden mee te werken bijvoorbeeld.
Het zou ook onjuist zijn alleen op de instellingen te wijzen. Houding en gedrag van de bevolking in brede zin, in feite dus tienduizenden individuele inwoners van de stad, was even belangrijk. Zij kozen – in de woordkeus van zojuist – soms bewust, soms onbewust maar meestal in een ingewikkelde mengvorm daarvan, er op grote schaal voor niet te handelen, vaak tegen hun gevoel in of menend geen andere keus te hebben. Mede daarom kon het allemaal gebeuren, al is het zinloze speculatie nu te proberen vast te stellen wat er zou zijn gebeurd bij andere keuzen. Die andere keuzen kwamen trouwens wel degelijk voor – laat daar geen twijfel over zijn – zowel toen de vervolging begon als tijdens het feitelijk ophalen zelf. Er waren publieke protesten (zoals de rede van Cleveringa op 26 november 1940) en er werd uit vrije wil hulp geboden bij onderduik of vlucht. Maar toen later in de bezettingstijd actief en passief verzet vaker begon voor te komen, waren er in het openbaar geen Joden meer te vinden. Zij waren al afgevoerd en vermoord of ondergedoken dan wel gevlucht. In de ogen van de nationaal-socialistische bezetter was dat een succes: Nederland, Leiden was Judenrein.
Ik zei het al. Mijn betoog is angstaanjagend en zelfs huiveringwekkend. Als historicus houd ik mij al lang met dit soort vraagstukken bezig om inzicht in dit historisch proces te krijgen, het eerst zo goed mogelijk te reconstrueren en vervolgens te analyseren en interpreteren, zo mogelijk ook werkelijk te verklaren en begrijpen. Dat vereist een afstandelijke houding. Maar nu spreek ik als betrokken lid van onze samenleving, als Leids burger. Dat leidt tot een ander soort conclusie. Wij dienen naar mijn overtuiging, met inachtneming van de resultaten van onafhankelijk en afstandelijk historisch onderzoek, ons rekenschap te geven van dit deel van ons verleden. Wij dienen ons te realiseren dat het verleden zich weliswaar niet in dezelfde vorm herhaalt en dat er geen eenvoudige lessen uit dat verleden zijn te halen. De Shoah was zoals alle historische processen op een bepaalde manier in de concrete verschijningsvorm uniek. Maar tegelijk komen uitsluiting van en massamoord op medeburgers in de geschiedenis veelvuldig voor.
Met afschuw nemen wij ook in het heden veel gruwelijke actualiteit elders waar en wij zijn geneigd ons daarbij te koesteren in onze democratische rechtsstaat, verzorgingssamenleving en materiële welvaart. Maar die actualiteit elders en het verleden, ook ons eigen verleden, nopen juist tot alertheid. Het kan in zekere zin zomaar opnieuw gebeuren, zij het in andere concrete vormen, ook bij ons. De kwaliteit van onze samenleving spreekt niet vanzelf, maar heeft behoefte aan voortdurend groot en klein onderhoud. Daarbij is van belang ons te bezinnen ook op gebeurtenissen en processen uit het verleden als gevolgen van menselijk handelen, hier in Leiden dus op het feit dat van de 500 Joden er 270 konden worden vermoord en de anderen moesten ‘verdwijnen’. Het monument beoogt een voortdurend in de stad aanwezige aansporing te zijn tot dat bezinnen en tot die alertheid.
Op 17 maart 2010 werd in Leiden een monument onthuld ter herdenking van de tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgde en vermoorde Joodse stadgenoten. Die datum is niet toevallig gekozen. Op 17 maart 1943 werd het sinds 1929 nieuw op de hoek van de Cronesteinkade en de Roodenburgerstraat in Leiden gevestigde Centraal Israëlitisch Wees- en Doorgangshuis Machseh Lajesoumim op last van de bezetter door de Leidse politie ontruimd. 51 kinderen en 9 personeelsleden werden naar het station gebracht, naar Westerbork vervoerd en later naar Oost Europa gedeporteerd. Op vier na zijn zij daar omgekomen, de meesten in Sobibor. Deze ‘ontruiming’ was onderdeel van een grotere actie in maart 1943 onder leiding van de Haagse SD om de in Leiden (en Den Haag en Delft) wonende Joden op te halen.
Met de naderende ontruiming was in het weeshuis rekening gehouden. Men was gewaarschuwd. Rugzakken met kleding en schoenen stonden al klaar. Een klein aantal bewoners was ondergedoken. Op de in februari opgestelde lijst stonden 74 namen. Maar de directeur van het weeshuis, N. Italie voelde niet voor onderduiken. Hij wenste de groep bij elkaar te houden en de verantwoordelijkheid niet uit handen te geven aan vreemde, niet-Joodse families. De hele actie verliep voor de bezetter zonder problemen. De dienstdoende hoofdinspecteur van politie P.W. van der Wal weigerde weliswaar leiding te geven, maar zijn taak werd overgenomen door een collega. Van der Wal werd gearresteerd en later ontslagen. Hij overleefde de oorlog. Tenminste één andere politieman, O.P Rozemeijer, weigerde ook medewerking. Hij bleef wel nog enige tijd in dienst, maar werd in 1944 toch om een andere aanleiding gearresteerd. Hij overleefde Buchenwald niet.
Deze dramatische gebeurtenis is een van de beeldbepalende herinneringen in Leiden aan de bezettingstijd.
holocaust herdenkingsdag, holocaust monument, berlijn, hans blom, holocaust
Duitsland
Ik houd van slangen vanwege de ambivalentie die zij oproepen.
Ze zijn ambivalente androgyne natuurwezens en cultuurdragers.

Medusa slangen foto: Maria Trepp
Ik houd van gevaarlijke slangenvrouwen, zoals van Medusa.
En hier…mijn eigen slangenkuil…

slangen foto: Maria Trepp
Slang en bloem…
…vormen een natuurlijke en paradijselijke gemeenschap.
Mijn vreugde was groot toen ik hoorde dat de Kievitsbloem/Fritillaria, die voor mij en mijn leven een belangrijk symbool is, in het Engels Snake’s head heet (met dank aan Ina!).
Ik heb aan mijn slangenverzameling een nieuw slangetje toegevoegd in passende kleuren.

roze slang en bloem Maria Trepp
En als we nu toch bij het thema “Bloem en slang” zijn, dan hier een foto dat ik op de Leidse historische begraafplaasts Groenesteeg heb gemaakt van mijn blauwe slang ( in feite George Knights slangenzoon Georgey) in het midden van Oosterse sterhyacinten:

Blauwe slang foto Maria Trepp
Ik was op de begraafplaats bezig met mijn slangen, omdat ik een droomfoto ging maken; ik had namelijk gedroomd van mijn slangen op een graf.

slangen foto: Maria Trepp

Cobra foto: Maria Trepp

slangen en bloem Schlangen serpents fot Maria Trepp

Cobra op bezoek foto Maria Trepp

slangenboom Schlangenbaum tree with serpents foto Maria Trepp

slangenkop foto Maria Trepp

slang-en-bloem-serpent-flower-Schlange-blume-Maria-Trepp

slang-en-passiebloem-serpent-passion-flower-Schlange-passionsblume-Maria-Trepp

slang en paddestoel serpent mushrooms Schlange Pilze Maria Trepp
Regenboog, slang, regenboogslang
De regenboogslang is zowel een echt bestaande slang, alswel een fabeldier, zo meldt Wikipedia (Alib heeft me recentelijk attent gemaakt op het cultuurantropologisch boek “Enige aspecten van de regenboogslang”, een proefschrift van Leo Triebels).
Regenboog en slang zijn twee magische voorstellingen die aan elkaar verwant zijn, niet alleen door vorm en (iriserende) kleur.
Zowel regenboog alsook slang zijn verbonden met de voorstelling van een brug tussen in wezen onoverbrugbare tegenstellingen.
De regenboog verbindt hemel en aarde, de slang als androgyn wezen verbindt man en vrouw, zoals op een schilderij van Augusto Giacometti.

Op het dit grote schilderij, ‘Adam und Eva’ (1910),dat ik kort geleden in het Kunsthaus Zürich heb gezien, verbindt de slang Adam en Eva op een noodlottige manier, als een wereldslang.
Augusto Giacometti, Adam und Eva’ (1910)

Opvallend is de parallelle tussen de verbindende slang en de verbindende regenboog als men naar een andere afbeelding van Giacometti kijkt: hier, op een kleine pastel op papier, verbindt de regenboog het mensenpaar.
Augusto Giacometti, Regenboog
De slang, androgyn en ambivalent
De slangen van Meret Oppenheim zijn bijna altijd samengezette wezens.
Hier een foto van een zeer mooi Oppenheim-beeld dat ik ook in het Kunsthaus zag.

Maskierte Blume (1958)
Deze bloem lijkt óók op een slang (de achterkant van een cobra)
De slang is in de cultuurgeschiedenis zowel een symbool voor het Kwaad als ook voor het Goed ( zie bijvoorbeeld bij Asclepios en de natuurreligies) , en is zowel gekoppeld aan de mannelijke alsook aan de vrouwelijke seksualiteit; zij is zowel fallus-symbool alsook de Eva-slang.
In Lewis Carrolls “Alice in Wonderland” wordt Alice “een slang”genoemd door de duif (hoofdstuk: “Raad van een rups”) .
Pat Andrea heeft hier een schitterende illustratie bij gemaakt:

In de cultuurgeschiedenis staat de slang in positieve zin voor de vernieuwing (de oude huid afleggen).
Een bijzondere “goede” slang is de Ouroboros (Uroboros) die een cirkel vormt door zichzelf in de staart te bijten. Deze slang staat afgebeeld op het graf van Oppenheim.
De slang onttrekt zich aan de simplificaties die sommigen aan haar/hem willen opleggen.
Zoals ik zelf in een slangengedicht heb geschreven:
“[...]
Is een slang
eigen
lijk een man?
Neen,
een slang
is een
an-
drogyn
am-
bifibiding
zwemmend
kronkelend
aan land [...] “
En hier een slangengedicht van Oppenheim:

Schlangengedicht (1978)
Slang en water komen samen in het slangenfontein van Oppenheim:

Spirale- Schlange in Rechteck ( 1973)
Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee
De surrealiste Meret Oppenheim is net als ik gefascineerd door slangen, dromen en bloemen.
Ik zag in het Kunsthaus Zürich, in de afdeling dada en surrealisme, een mooie collage, waarbij mij de combinatie slang en bloem opviel.

Why-why (1968)
Slangen en bloemen – daar houd ik van.
Over slangen en bloemen heb ik al een paar blogs geschreven:
Sneeuwslangen, schaduwslangen, droomslangen
Morbide slangen: het leven is maar een droom
Over slangenbomen, slangenvrouwen, sprookjes en muziek
De goede slang bij Goethe en E.T.A. Hoffmann
Inmiddels heb ik nog veel meer slangen bij Meret Oppenheim gevonden, hier en paar mooie.

Schlange und schwarze Steine (1972)

Zwei Schlangen, die eine blau-grün, die andere rot ( 1960)
…en hier mijn eigen blauwe en rode slang:

een een rode slang bij Paul Klee:

Paul Klee, Schlangenwege
———————————————————————————————————————
De goede slang bij Goethe en E.T.A. Hoffmann
Een goede goudgroene slang en een witte bloem zijn de ingrediënten in een sprookje van Goethe en een sprookje van E.T.A Hoffmann.

Serpentina, de groene slang, Foto Maria Trepp
Goethes sprookje, Van de groene slang en de schone lelie ( tekst hier in het Duits en hier in het Nederlands) is een enigszins braaf en burgerlijk sprookje over goed samenwerken en zich voor de gemeenschap offeren… en zo de gemeenschap tot welvaart brengen. De goede goud-groene slang is een licht- levensgevende kracht, zij vormt een brug over het water met haar lichaam en zorgt ook voor het ontstaan van en vaste brug.
Goethes sprookje is behalve een esoterisch sprookje ook een politiek commentaar op het versplinterde Duitsland aan het begin van de 18e eeuw.
Bruggen bouwen tussen de culturen en daarbij welvaart creëren: dat is misschien een burgerlijk thema maar ook nu nog een zeer relevant thema, dat kort geleden in Leiden op een conferentie besproken werd (zie mijn blog Building bridges).

Goethe, De groene slang, Foto Maria Trepp Schlange, serpent
Groene slang op de Leidse Spanjaardsbrug
Bij E.T.A. Hoffmanns De gouden pot staat de goudgroene slang Serpentina voor poëzie, fantasie en kunst ( tekst hier in het Duits of in het Nederlands) .
Hoffmanns sprookje is complexer, ironischer. Anders dan bij Goethe ( die Hoffmann en zijn ironie niet kon uitstaan) staat het happy end bij Hoffmann tussen haakjes. De gouden pot eindigt niet met het zalige visioen van een Atlantis met slangenvrouw en lelie, maar met de verteller die juist inziet dat hij zelf niet in een spookjesland leeft. Toch kan de verteller, en dus de lezer, zich nog troosten met de gedachte dat de fantasie hem een ontsnappingsroute aanbiedt.

sneeuwslangen, Schneeschlangen, foto: Maria Trepp

slangen en bloemen

schaduwslangen foto Maria Trepp

Cobra slang foto: Maria Trepp
/>
/>
Cobra slang in de zonsondergang

slangen Schlangen serpents foto Maria Trepp
Over slangenbomen, slangenvrouwen, sprookjes en muziek
Slangen
vrouwen
en
bomen
horen
samen.
Een van mijn Duitse lievelingsauteurs, de romanticus E.T.A. Hoffmann, heeft een belangrijk sprookje geschreven, De gouden pot (tekst hier in het Duits of in het Nederlands), dat niet alleen gaat over een slang ( de goud-groene Serpentina), een vrouw en een boom (de vlier), maar op een hoger niveau ook over de rol van kunst en fantasie in het leven.
In dit kunstsprookje komt de student Anselmus groen-gouden slangen tegen in een vlierboom. Ook bij E.T.A. Hoffmann, die overigens ook componist was, speelt hierbij muziek:
“…Hier werd de student Anselmus in dit gesprek met zichzelf gestoord door een eigenaardig geritsel en geruis, dat vlak naast hem in het gras opstak, maar al gauw overgleed tot in de takken en de bladeren van de grote vlierstruik, die zich welfde boven zijn hoofd. Nu was het net, alsof de avondwind de bladeren een beetje door elkaar schudde, – nu weer, als zaten er vogeltjes te vrijen tussen de takken, hun vleugeltjes roerend in baldadig heen- en weergefladder. – Daar begon het te fluisteren en te murmelen, en het was, alsof de vlierbloesem muziek maakte, net in de struik gehangen klokjes van kristal. Anselmus luisterde en luisterde. Daar groeiden, hij wist zelf niet hoe, uit het gemurmel en gefluister en getinkel zachte, halfverwaaide woorden:
Tussendoor – tussenin – tussen takken, tussen zwellende bloemen, zwenken, slingeren, zwieren wij – zusjes – zusje, zwenk wat in de schemering – snel, snel omhoog – omlaag – de avondzon schiet stralen, suizelen doet de avondwind – ritselen de dauw – bloemen zingen – roeren wij tongetjes, zingen wij met bloemen en twijgen – sterren glimmen gauw – moeten omlaag – tussendoor, tussenin slingeren, zwieren, zwenken wij, zusjes, zusjes. – Zo ging het door, praatjes die je helemaal van de wijs brachten. De student Anselmus dacht: Dat is toch gewoon de avondwind, die vandaag fluistert, woorden, die je zomaar kunt verstaan. – Maar op dat moment klonk er een muzikaal geluid boven zijn hoofd als een drieklank van heldere, kristallen klokjes; hij keek omhoog, en zag drie groengoud glanzende slangetjes, die om de takken gewikkeld zaten en hun kopjes strekten in de richting van de avondzon.[...]
Hier een foto die ik heb gemaakt van mijn slangenvrouw Serpentina in de vlier:

E.t.A. Hoffmann Serpentina in de vlier, Serpentina im Holunder
foto: Maria Trepp
Demoraal van Hoffmanns sprookje kan misschien zo samengevat worden:
Er moet een spanning blijven bestaan tussen fantasie en werkelijkheid, tussen kunst en leven. Het echte leven haalt de inspiratie uit kunst en fantasie, maar valt niet samen met deze.
De hoofdmotieven bij E.T.A. Hoffmann: Goud-groene slang en witte bloem (lelie) komen trouwens ook voor in een belangrijk kunstsprookje van Goethe.
In het Haus der Kunst in München zag ik een fascinerende tentoonstelling met het werk van Anish Kapoor, een internationaal bekende kunstenaar die je hier en daar, maar niet vaak, in Nederland tegenkomt.
Het Haus der Kunst was ooit als “Haus der deutschen Kunst” een belangrijk monument voor Hitlers propanganda. München was tenslotte “Hauptstadt der Bewegung” . Hier werd door de nazi’s kunst getoond die de bloed-en -bodem-ideologie verspreidde, hier werd ook de moderne zogenoemde “Entartete Kunst” afkeurend tentoongesteld.
Kapoors monumentale installatie svayambh [Sansskrit;= door zichzelf gecreëerd] is een reflectie van deze geschiedenis.

Anish Kapoor/ Svayambh foto Maria Trepp
Een reusachtig blok van 40 ton bloedrood was en vaseline rijdt langzaam ( ik schat een centimeter per seconde) door een lange grote hal. Bij het passeren van de deuren blijft bloedrood was aan de deuren kleven.

Anish Kapoor/ Svayambh foto Maria Trepp
Sculptuur en architectuur tegelijk, levende techniek, een monster en toch mooi. “Material somehow always leads to something immaterial” zegt Kapoor.

Svayambh foto Maria Trepp
Het wasblok wordt soms door de medewerkers opnieuw opgebouwd, in overleg met de kunstenaar.
Ervaringen en geschiedenis blijven bekleven… of je het wilt of niet.

Svayambh foto Maria Trepp
Aanrakingen veranderen zowel de aanrakende alsook het aangeraakte.
Wonderland, (zelf)-ervaring en ingenieuze spiegelconstructies, ook dat heeft de Kapoor -tentoonstelling te bieden met een groot aantal spiegels.

Kapoor/ Spiegel foto Maria Trepp
Duitsland als duisterland én wonderland in de spiegel van Kapoor.
Als belangrijkste artistieke referentie noemt Kapoor Caspar David Friedrich, een Duitse romanticus en mysticus, die Kapoor zegt van twee naar drie dimensies te willen vertalen.
Meditatieve droomkunst.
Fantastisch.
hier nog ander monumentaal werk van Kapoor, gebaseerd op rode verf en op spiegels:

Kapoor Shooting_into_the_Corner,_Bilbao foto wikimedia commons
2

Kapoor e_Tall_Tree_and_the_Eye,_Bilbao foto wikimedia commons
3

Kapoor 399px-ArcelorMittal_Orbit_at_night foto wikimedia commons
4

Kapoor Sky_Mirror_Kensington_Gardens_London_close_up foto wikimedia commons
5

Kapoor Cloud_Gate chicago foto wikimedia commons foto Bert Kaufmann http://www.flickr.com/people/22746515@N02
6

Kapoor Jerusalem foto wikimedia commons
7
De belangrijkste elementen in het marxisme zijn voor mij de ideologiekritiek en de emancipatie.
Ik houd me bij de beschrijving van dit alles aan mijn huisfilosoof Peter Sloterdijk, die in zijn “Kritiek van de cynische rede” een uitstekend overzicht geeft van de sterke en zwakke kanten (= kynische versus cynische in Sloterdijks terminologie) van het marxisme .
- 1. Ideologiekritiek
Met de middelen van de marxistische ideologiekritiek worden de mechanismen van de samenleving en opinievorming worden onderzocht: belangen, hartstochten, fixaties, illusies.
Bij Marx, net als bij Nietzsche en Freud, is een satirische, polemische component aan het werk, die zich eigenlijk niet geheel laat verbergen achter het masker van wetenschappelijke ernst. (Sloterdijk, Kritik vd cynische rede, p 56)
Sloterdijk (p 81 ff):
“De kritiek van Marx gaat duidelijk een stap verder dan alle kritieken voordien: zij is gericht op een integrale ‘kritiek van de hoofden’. Zij wenst de hoofden opnieuw te zetten op het totaal van levende en werkende lichamen; dat is de zin van de dialectiek van theorie en praktijk, brein en hand, hoofd en buik.
De kritiek van Marx laat zich leiden door een realistische visie op de maatschappelijke arbeidsontwikkelingen. Wat in de hoofden zit, zo zegt hij, blijft ‘in laatste instantie’ bepaald door de sociale functie van de hoofden in de economie van de totale maatschappelijke arbeid. Daarom heeft de sociaaleconomische kritiek weinig respect voor wat het bewustzijn over zichzelf te zeggen heeft. Haar motief blijft het uitzoeken wat ‘objectief’ het geval is. Daarom ondervraagt zij elk bewustzijn naar wat het weet van zijn eigen plaats in het samenstel van arbeid en macht. En omdat ze daar in de regel de grootste onwetendheid tegenkomt, kan ze daar haar aanval op richten. Omdat de maatschappelijke arbeid onderworpen is aan een indeling in klassen, toetst de kritiek van Marx elk bewustzijn aan wat het als ‘klassebewustzijn’ presteert en wat het zelf daarvan weet.
In het systeem van de bourgeois-maatschappij kan men om te beginnen drie objectieve vormen van klassebewustzijn onderscheiden: dat van de bourgeoisie (de klasse van het kapitaal), dat van het proletariaat (de klasse van de producenten) en dat van de tussenpersonen (midden-’klasse’)waarmee het bewustzijn van de werkers in de bovenbouw, een groep bestaande uit wetenschapsmensen, rechters, priesters, kunstenaars en filosofen zonder duidelijk klasseprofiel, dubbelzinnige relaties onderhoudt.
Wanneer men kijkt naar de traditionele hoofdarbeiders, valt onmiddellijk op dat dezen in de regel hun werkzaamheid volstrekt anders opvatten dan zij zouden moeten doen volgens het model van Marx. Hoofdarbeiders weten meestal praktisch niets van hun rol in de economie van maatschappelijke arbeid en macht. Ze blijven verre van de ‘feitelijke grondslag’, leven met hun hoofd in de wolken en bezien de sfeer van de ‘reële productie’ van een onrealistische afstand. Daardoor leven zij, aldus Marx, in een wereld van globale idealistische mystificatie. De geestelijke ‘arbeid’ – alleen al de benaming komt neer op een aanval-wenst te vergeten dat ook zij, in specifieke zin, arbeid is. Ze heeft zich aangewend niet meer te vragen naar de manier waarop haar samenspel met de materiële, manuele en executieve arbeid plaatsvindt. Daardoor minacht de totale klassieke traditie van Plato tot Kant de maatschappelijke onderbouw van de theorie: slaveneconomie, lijfeigenschap, onderdanigheidsrelaties op het werk. Zij beroept zich veeleer op autonome geestelijke ervaringen die haar motiveren: streven naar waarheid, bewustzijn van deugd, goddelijke roeping, absolutisme van de rede, ingenium.
Men moet echter vasthouden aan het feit dat arbeid een elementaire levenssituatie is, waarmee een theorie van het reële rekening moet houden. Wanneer zo’n theorie daartoe niet bereid blijkt en deze grondslag wil overslaan, wordt het tijd voor ontmaskering. Zo’n ontmaskering heet ‘aan de grond zetten’, grounding. De kenmerkende methode voor ontmaskering in de kritiek van Marx is daarom de omkering: men zet het bewustzijn van de kop op de voeten. Voeten wil hier zeggen: weten wat de plaats is in het produktieproces en in het samenstel der klassen. Ontmaskerd
[..] Naast de kritiek van het gemystificeerde bewustzijn bevat de theorie van Marx een tweede, uiterst belangrijke variant van ideologiekritiek, die de stijl van de marxistische kritiek, de polemische scherpte ervan, heeft bepaald: de theorie van het karaktermasker. Als maskertheorie maakt zij a priori onderscheid tussen personen als individu en als drager van klassefuncties. Daarbij blijft enigszins onduidelijk welk aspect in elk afzonderlijk geval het masker van het andere is – het individuele het masker van de functie of de functie het masker van de individualiteit. De meeste critici hebben om goede redenen gekozen voor de antihumanistische versie, voor de gedachte dat de individualiteit een masker van de functie is. Zo kunnen er ongetwijfeld menselijk integere kapitalisten zijn-zoals blijkt uit de geschiedenis van de burgerlijke filantropie, waartegen de critici uit de school van Marx fel van leer zijn getrokken. ‘Humaan’ zijn ze slechts als individuele maskeringen van sociale onmenselijkheid. Gezien hun sociale zijn blijven ze desondanks personificaties van het zakelijk belang, karaktermaskers van het kapitaal. In menig opzicht zijn zij voor de agitatoren zelfs erger dan de wreedste uitbuiters, omdat ze de patriarchale mystificatie van de arbeider in stand houden. – Het spiegelbeeld van deze theorie biedt de ‘burgerlijke’ rollentheorie, die de sociale functies (‘rollen’) als masker ziet, waarmee de individualiteit zich vermomt om er in het beste geval zelfs mee te ‘spelen’.
[…]
Op dit punt blijkt hoe fundamenteel dubbelzinnig de ‘theorie’ van Marx is. Aan de ene kant objectiveert ze elk bewustzijn tot een functie van het maatschappelijk proces; anderzijds wil ze de bevrijding van het bewustzijn uit de mystificatie mogelijk maken.”
2. Emancipatie en bevrijding
“Wanneer men het marxisme ziet als bevrijdingstheorie, dan benadrukt men de emancipatorische bewustzijnsvorming van het proletariaat en zijn bondgenoten. Deze visie is niet nauw omschreven, zij slaat op de groeiende ‘subjectiviteit’ van de (zogenaamd) laatste onderdrukte klasse. Wanneer deze zichzelf bevrijdt uit haar uitzichtloze situatie, dan schept zij de voorwaarde voor reële emancipatie (van uitbuiting door arbeid) van alle mensen. De zelfbevrijding van de knecht zou in een ideale dialectiek moeten leiden tot bevrijding van de bazen uit de dwang van hun bazenbestaan. Mensen die Marx als ‘humanist’ willen zien, benadrukken dit aspect. De kern ervan is de arbeidsantropologie. De arbeider zou pas zich ‘zelf’ worden wanneer hij geniet van de producten waaraan hij zijn energie heeft besteed en de meerwaarde niet meer moet achterlaten in de handen van de heersende klasse. Emancipatie treedt in dit denkmodel op als zelfstandige verovering van het productieve subject in zijn producten. [..] “
3. Kritik op de cynische kant van het marxisme:
“I
n een andere visie komt uit de kritiek van Marx een ‘antihurnanistische”, ‘realistische’ aanpak te voorschijn. Het accent ligt hier niet op de dialectiek van de bevrijding, maar op de mechanismen van de universele mystificatie. Wanneer elk bewustzijn precies zo verkeerd is als overeenkomt met zijn plaats in het proces van produktie en macht, blijft het onvermijdelijk opgesloten in zijn verkeerdheid zolang dit proces aan de gang is. En dat het in volle gang is wordt door het marxisme immers dagelijks, van uur tot uur, beklemtoond. Op die manier draagt het verborgen functionalisme van Marx’ theorie vruchten. Voor dit functionalisme bestaat tot op heden geen scherpere formulering dan de beroemde Uitspraak over het ‘noodzakelijkerwijs verkeerde bewustzijn’. Vanuit deze optiek wordt het verkeerde bewustzijn geobjectiveerd opgenomen in het systeem van objectieve verblindingen. Verkeerd zijn is een functie van het proces.
Op dit punt nadert het marxistische systeemcynisme zeer dicht tot het cynisme van de bourgeois-functionalisten, alleen in omgekeerde toonzetting. De bourgeois-functionalisten beschouwen namelijk het functioneren van sociale handelingssystemen slechts als gegarandeerd wanneer bepaalde fundamentele normen, houdingen en doelstellingen door de onderhorigen van die systemen in blinde identificatie worden aanvaard en gehoorzaamd; daarbij is het in het belang van het systeem zelf dat dergelijke identificaties door individuele dissidenten elastisch worden opgevat en soms zelfs herzien, opdat het systeem door al te grote starheid zijn aanpassingsvermogen aan nieuwe situaties niet verliest. In zoverre zouden een zekere mate van ironie en een hoekje voor revolutiemakers zelfs onmisbaar zijn voor elk systeem dat bezig is zich te ontwikkelen. Het functionalisme ontzegt het menselijk bewustzijn echter niet alleen het recht op emancipatie, maar loochent zelfs de zin van een dergelijke emancipatie van normen en verplichtingen: zo’n emancipatie zou volgens deze leer immers regelrecht tot het niets leiden, tot een leeg individualisme, tot de anomische chaos en tot het verlies van structuur in de diverse maatschappijvormen. Dat daar een kern van waarheid in schuilt wordt door de socialistische maatschappijvormen van het Oostblok bijzonder drastisch bewezen. Die leveren het functionalistische bewijs in het sociale laboratorium: dat ‘geordend’ sociaal bestaan slechts denkbaar is binnen het omhulsel van functionele leugens om bestwil. In de cultuurpolitiek en de ethische dressuur van arbeid en militarisme van de socialistische landen treedt het functiecynisme van Marx’ ideologieleer angstwekkend duidelijk aan het licht.“
Over Karl Marx en joodse emancipatie klik hier
Maria Trepp
In de eerste scene van Goethes Faust speelt Pasen een belangrijke rol.
Faust is zich scherp en pijnlijk bewust van de grenzen van de menselijke kennis, en spreekt hierover met zijn assistent Wager.

Delacoix, Faust
Het is al laat in de nacht, en de braaf-naieve Wagner neemt afscheid met de woorden:
“Vergun mij morgen, de eerste der paasdagen,
Nog een en ander u te vragen.
Met ijver heb ‘k mij van de studietaak gekweten:
Wel weet ik veel, doch ‘k zou graag alles weten.”
Faust wordt in de nacht door gevoelens van zinloosheid overweldigd:
“Is het niet stof, waarmee deez’ hoge wand
En honderd vakken mij benauwen;
De rommel, die met tuig van allerhand
Mij in deez’ mottenweerld wil douwen?
Staat wat me ontbreekt dáár opgesteld?
Moet ik misschien in duizend boeken lezen,
Dat steeds de mens zichzelve heeft gekweld,
Dat enklen maar gelukkig mochten wezen? -
Wat anders grijnst gij, schedel, uit uw nis,
Dan dat uw brein eens als het mijne faalde,
Het lichte dagen zocht en in de duisternis,
Naar waarheid dorstend, jammerlijk verdwaalde?“

Albrecht Dürer, Melancholia I, 1514
Faust ziet ineens een flesje met gif en wil een einde aan zijn leven maken.
Op dat moment klinkt een engelenkoor, die zingt dat Christus is opgestaan.
Faust is niet gelovig maar wordt toch geraakt:
“Ik hoor de boodschap wel, maar ‘k kan haar niet geloven
‘t Geloof ziet liefst naar wonderen en schijn.
Naar gene sferen waag ik niet te streven,
Vanwaar hij daalt, die milde toon;
En toch, aan dit geluid van kind af aan gewoon,
Roept hij ook thans mij weer terug in ‘t leven.”
De herinnering aan zijn jeugd die de engelen oproepen weerhoudt hem van “de laatste stap”:
“Dit lied sprak mij weleer van ‘t jeugdig vrolijk woelen,
Van ‘t lentefeest der jonglingschap:
Herdenking houdt mij thans met kinderlijk gevoelen
Terug van de’ allerlaatste stap.“
In de volgende scene wandelt Faust met Wagner op de eerste paasdag, en Faust voelt en ziet de lente:
“FAUST
Van het ijs bevrijd zijn stroom en beken
Door der lente weldadige levensschijn;
Groen wordt in ‘t dal weer groot en klein:
[...] Overal heft zich wording en streven,
Alles wil zij met kleuren doorweven […]
Of veel mooier in het Duits:
“Vom Eise befreit sind Strom und Bäche
Durch des Frühlings holden, belebenden Blick;
Im Tale grünet Hoffnungsglück;
[..]Überall regt sich Bildung und Streben,
Alles will sie mit Farben beleben […]”
“Bildung und Streben, mit Farben beleben”- mijn motto.

Millet, Lente, 1872
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
August Macke is een van de schilders van de groep Der Blaue Reiter, die tom 24 mei 2010 in Nederland te zien waren:
Kandinsky en Der Blaue Reiter in het Gemeentemuseum Den Haag
Macke is een van mijn meest favoriete schilders- ik weet niet of hij of zijn vriend Paul Klee bij mij de nummer 1 is.
Ik heb eerder een blog gemaakt over “Vrouw en hoed “ in de schilderskunst, waar ik al Mackes eigen mooie vrouw, door hem geschilderd, liet zien. Hier nog een keer, samen met hoedenwinkels en etalages.

August Macke, Vrouw met hoed

August Macke, Hoedenwinkel, 1914

August Macke, Modezaak

August Macke Etalage
Vandaag 12-2-1010 staat een recensie in de krant over een nieuw boek over Carl Schmitt. Hans Driessen: “Carl Schmitt (1888-1985), een van Duitslands (zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog) meest gelezen en felst omstreden politieke denkers. Hij was een genie in het haten: hij haatte het politieke en wetenschappelijke establishment, de sociale democratie zoals die gestalte kreeg in de republiek van Weimar; hij haatte communisten en socialisten, protestanten en joden. Hij was een van de scherpzinnigste critici van de liberale rechtstaat en verwelkomde, na een wel zeer korte aarzeling, Hitler en het Derde Rijk. Hij leverde er de juridische legitimatie en grondslag voor, nadat hij al vroeg in 1933 tot de NSDAP was toegetreden. Hij liet zich het eerbetoon van de nazi’s maar al te graag gevallen en aanvaardde zonder bedenking de hoogste ambten.”(de Volkskrant, 12-2-2010)
In mijn documentatie over de Edmund Burke Stichting en in een aantal blogs heb ik zeer uitvoerig aandacht besteed aan de Carl-Schmitt-receptie. De huidige recensie voegt aan mijn documentatie van Carl-Schmitt-tegenstanders nog Golo Mann toe (een overigens zeer conservatieve historicus), die over Carl Schmitt zei: “’( ) hij was een van degenen die hun intelligentie en ontwikkeling niet gebruiken om het nut te vergroten maar om schade aan te richten, een ten diepste rancuneus mens ( ), enkel belust op persoonlijk voordeel, titels en ambten.’”
Ook Reinhard Mehring, Carl Schmitt-criticus, kende ik nog niet, wiens boek
“Carl Schmitt. Aufstieg und Fall“ Driessen recenseert. “De lezer krijgt een ontluisterend beeld voorgeschoteld van de mens Schmitt. Mehring spaart zijn hoofdpersoon niet. Hij meet alle kwalijke kanten van Schmitt breed uit: zijn maniakale ressentiment, zijn bijna pathologische antisemitisme, zijn disloyaliteit, zijn meedogenloze ambitie, zijn volstrekte onvermogen tot enige zelfkritiek, laat staan tot berouw.”
De schilders van Der blaue Reiter zoals Wassily Kandinsky en Paul Klee losten de strakke zwart-witte schaakborden op tot organische, flexibele, kleurrijke en niet-meer-vierkante vlakken.
Een mooie aanval op het verkort rationalisme.
Ook Piet Mondriaan ging deze weg, al blijven bij hem de vlakken meestal nog vierkant en dus strakker en minder vrolijk.

Wassiliy Kandinsky Kariertes 1925

Paul Klee, Colourful life outside (Draussen buntes Leben)1931

Paul Kee, Bluehendes, 1934

Mondriaan Kleurenschaakbord 1919
In een van mijn reacties hieronder schreef ik:
“En er zijn heel veel overeenkomsten tussen Mondriaan en Kandinsky: het tijdsperk, het spirituele, de combinatie met muziek, de omslag naar het abstracte, de verbintenis met de dada, de stigmatisering als “ontaard”door de nazi’s.
Toch zijn beiden een zeer eigen weg gegaan (ik weet trouwens niet of er persoonlijk contact is geweest). Voor mij is Mondriaan het meest interessant in zijn overgang naar abstractie, de abstract wordende bomen, dat is waanzin in zijn schoonheid.
Ik houd het meest van abstractie als er nog iets van de konkrete wereld in verschijnt.
Zoals hierboven de konkrete schaakborden.
In de recensie van het NRC handelsblad over de Kandinsky-tentoonstelling staat vandaag 9 februari het volgende over het verschil Kandinsky-Mondriaan:
“Van geometrie hield Kandinsky niet. Hij onderscheidde geometrische vormen die op zichzelf staan (zoals een driehoek, een cirkel of een vierkant) van vormen die iets voorstellen en die refereren aan iets buiten het schilderen (een huis, een boom of een zon). Hij wilde zich noch tot het ene, noch tot het andere uiterste beperken en vond zijn inspiratie in het gebied daartussen, waar hij een grenzeloze vrijheid zag.
Daarmee onderscheidde Kandinsky zich van zijn tijdgenoot Piet Mondriaan, die juist de grenzen van de geometrie opzocht, wat door sommige tijdgenoten als een doodlopende weg werd beschouwd. Hoe het ook zij, de weg van Kandinsky, die van de ‘lyrische abstractie’, heeft in ieder geval geleid tot het Abstract Expressionisme.”
De geometrische figuren van Kandinsky vind ik heel veel vrolijker dan die van Mondriaan. Bij Mondriaan komt de vrolijkheid eigenlijk pas weer echt terug in zijn laatste werk, Victory Boogie Woogie.

Wassily Kandinsky Kreise in Schwarz, 1924

Wassily Kandinsky, Ausweichend 1929

Wassily_Kandinsky, Heiss, 1931

Wassily Kandinsky Kreise
Van 6 februari tom 24 mei 2010: Kandinsky en Der Blaue Reiter in het Gemeentemuseum Den Haag
Peter Johann Nepomuk Geiger (11 January 1805 – 29 October 1880) was a Viennese artist known for his erotic watercolors.

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen Peter Johann Nepomuk Geiger
1

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
2

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
3

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
4

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
5

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
6

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
7

erotische Zeichnungen erotic drawings erotische tekeningen PeterJohann Nepomuk Geiger
8
9
Evelien Tonkens schrijft over Susan Neiman, wiens boek “Morele helderheid” ik met veel interesse heb gelezen en in mijn Burke-Stichting-documentatie heb gebruikt.
Ik citeer uit mijn hoofdstuk over “realisme”:
Het Wilderiaanse Nieuw-realisme met zijn wortels bij Wilders-peetvader Bolkestein is in feite een hobbesiaans realisme. De wereld wordt beschouwd als het toneel van een niet-aflatende strijd om macht.[1] Volgens Hobbes is de mens van nature niet geneigd tot het goede (altruïsme en samenwerking), maar eerder tot het kwade (egoïsme en machtsstrijd).
“Realistisch” is een hobbesiaanse houding inzoverre als ervan uit wordt gegaan dat de wereld, en de vijandige menselijke verhoudingen daarin, op dit fundamentele niveau niet te veranderen is.
In de ogen van Susan Neiman is het hobbeaans realisme gevaarlijk omdat het de mens als een hopeloos geval ziet, dat je maar het beste zo strak mogelijk aan banden kunt leggen. De ‘oorlog van allen tegen allen’, die volgens Hobbes de natuurlijk staat van de mens verbeeldt, doet Neiman af als bovenmatig zwartgallig.
“De notie dat de mens van nature goed is, mag onzinnig zijn, het tegenovergestelde is net zo goed niet waar. Mensen zijn in staat tot onbaatzuchtige handelingen ten dienste van hun medemensen; sommige zetten daarbij zelfs hun leven op het spel. Dat zijn de morele helden die wij volgens Neiman nodig hebben, de voorbeelden die ons eigen idealisme vorm kunnen geven. Die helden zijn geen supermensen; ze zijn feilbaar, soms zwak en altijd heel erg menselijk.” NRC 2-1- 2009.
In haar boek “Morele helderheid” stelt Neiman betreffende het neoconservatieve “realisme”, dat conservatieven aan een overdaad van mogelijke metafysica’s lijden en een slingerpad bewandelen tussen een realisme dat de slechtste kanten van menselijke en andere naturen als ankerpunten neemt, en een idealisme dat blind is voor alles behalve de weerspiegelingen van zijn eigen dromen (p 129).
Neiman beschrijft ook het realisme van Edmund Burke dat volgens haar typisch is voor het conservatief realisme:
“Zoals de meeste conservatieven maakt Burke gebruik van de retorische kunstgreep om zijn visie niet zozeer als een visie maar als een mix van gezond verstand en nuchtere observatie te presenteren. Ideeën en ideologieën zijn iets voor progressieven; conservatieven zijn simpelweg realisten die zich tevreden stellen met erop te wijzen hoe de wereld nu eenmaal in elkaar steekt. Het genoegen waarmee Burke de ‘bazelaars en avonturiers’ belachelijk maakt, verbergt op effectieve wijze dat zijn positie eveneens stoelt op een specifieke en invloedrijke metafysica met haar eigen karakteristieke opvatting over de menselijke natuur.” ( p 137)
Neiman is Kant-specialiste en zij voert Kant aan tegen Burkiaanse nieuw-realisten:
“Een jaar nadat Burkes boek over revolutie was verschenen, publiceerde Kant zijn antwoord in een pamflet genaamd ‘Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk’. (….) Kant schreef dat conservatieven zoals Burke karig zijn met hun argumentatie maar scheutig met hun ‘voorname hooghartige toon’. Ze menen ermee te kunnen volstaan radicale standpunten te bespotten zonder die van henzelf te bevragen. Erger nog is dat ze niet opmerken in welke mate onze ervaring is geconstrueerd – en vaak opzettelijk – ter bestendiging van een maatschappelijk systeem dat precies die mensen begunstigt die het als onvermijdelijk bestempelen. ` (p 137)
Net als Boukje Prins (“Voorbij de onschuld”) en met Kant zegt Neiman, dat de sociale werkelijkheid niets is is dat onafhankelijk van de mens bestaat, maar gemaakt wordt:
“Van nog groter belang is dat degenen die zichzelf realist noemen op verschillende manieren over het hoofd zien dat je de werkelijkheid op meer dan één manier kunt bezien. je visie op de werkelijkheid bepaalt je visie op wat je in die werkelijkheid tot stand kunt brengen.”( p 138)
Neiman pleit met Kant voor een idealisme dat de spanning tussen ideal en werkelijkheid vasthoudt. Zij keert zich zowel tegen plat realisme alsook tegen puur idealisme. Zij pleit voor een leven tussen ideaal en werkelijkheid, waarbij de werkelijkheid niet simpel kan worden waargenomen, omdat mensen de werkelijkheid altijd “door een bril” zien, en waar ook de idelaen niet makkelikk bereikbaar zijn (zoals de neoconservatieve nationalistisch-populistische idalen) maar geduld en een grote tolerantie voor frustraties eisen.
[1] Vgl het hobbesiaans realisme bij G.W. Bush, zie Rob Wijnberg, Nietzsche & Kant lezen de krant, p 92 ff; Susan Neiman, Morele helderheid.

Peter Sloterdijk is voor mij de belangrijkste hedendaagse denker.
Zijn “Kritiek van de cynische rede” is een poging om neo-Nietzscheaanse filosofie en Vrolijke Wetenschap in de praktijk te brengen.
Sloterdijk sluit in zijn schriften ook sterk aan bij Walter Benjamin, die het Passagenproject de naam heeft gegeven.
Sloterdijk publiceert regelmatig over religie. Zijn boek “Het heilig vuur, Over de strijd tussen jodendom, christendom en islam” biedt een schat aan provocerende beschouwingen.
Wat ik bijzonder interessant vind bij Sloterdijk dat is dat hij een meedogenloze kritiek op de islam a la Bernard Lewis combineert met een zeer gedifferentieerde visie op de ontwikkeling van de islam, die helemaal niet op de lijn ligt van Lewis en de neocons.
In “Het heilig vuur” gaat het in de kern om de “domesticatie van jodendom, christendom en islam in de geest van de goede samenleving” ( p 118).
In de eerste plaats ziet Sloterdijk, net als de neocons, de islam als een militante godsdienst, die historisch gezien militanter was dan het christendom:
“De plicht om te groeien was aan deze godsdienststichting [de islam] niet minder inherent dan aan de zendingsopdracht van Paulus, met dit verschil dat de politiek-militaire dynamiek hier a priori een onlosmakelijke eenheid vormde met de religieuze. Mohammed knoopte aan bij de verscherping van het post-Babylonische jodendom, die voortleefde in de fanatieke toespitsing van Paulus, en ontwikkelde vanuit deze richtlijnen een integraal militantisme.”( p. 71)
“De constitutieve rol van de militaire factor wordt bevestigd door het feit dat binnen de canonieke geschriften over de profeet een aparte groep, de zogenaamde maghazi-literatuur, over niets anders gaat dan de veldtochten van Mohammed.”( p. 71)
“De islamitische geloofsijver wordt van meet af aan gekenmerkt door de vroomheid van de zwaardridder, ondersteund door een rijk opgetuigde mystiek van het martelaarschap.”( p 76)
“Wat zich afspeelt in de islamitische gebedshuizen, deze gymnasia van de godsvrucht, dient dus niet alleen om het geloof tot uitdrukking te brengen. De betrokkenheid op het transcendente, die dagelijks met lichaam en ziel wordt gevierd, heeft evenzeer het effect dat men in vorm blijft voor projecten van heilige strijdbaarheid. In ethisch en pragmatisch opzicht is de islam er met deze voor alle moslims geldende plicht tot het rituele gebed in geslaagd om het leven van alledag volkomen te laten doordringen door het heilig vuur. De allerhoogste plicht is geheugenactiverende fitness: deze staat gelijk met de geest van de wet zelf. “ ( p 72)
Toch maakt zich al meteen een bepaalde ironie geldend als Sloterdijk schrijft:
“De explosieve uitbreiding van de islam in de anderhalve eeuw na de dood van de profeet behoort ontegenzeglijk tot de politiek-militaire wereldwonderen, en wordt alleen overtroffen door de in omvang en intensiteit nog belangrijker uitbreiding van het Britse wereldrijk tussen de zeventiende en de negentiende eeuw. Dat deze razendsnelle, zij het regionaal begrensde wereldverovering werd gevoed door de authentieke intenties van de islam en zijn Heilige Schrift, kan geen ogenblik betwijfeld worden.” ( p 72)
Volstrekt anders dan Bernard Lewis en de neocons, die de islam vanuit een apocalyptische visie benaderen, kijkt Sloterdijk in de toekomst:
“Omstreeks 2050 zullen ontwikkelde Europeanen bij het zien van de chronische stuiptrekkingen van islamitische ‘maatschappijen’ misschien af en toe moeten terugdenken aan de strijd uit de periode van de reformatie -meer nog echter aan de antimoderne koppigheidsfase van het katholicisme, die duurde van 1789 tot aan het Tweede Vaticaans Concilie en die, zoals we ons nog altijd met verbazing voor de geest halen, tot voordeel van alle betrokkenen eindigde met de verzoening tussen theocentrisme en democratie. “ ( p 79)
Centraal in de beschouwing van Sloterdijk is dat hij af wil van het Zwart-Wit denken; van het of-of–denken, dat in de logica “Tertium non datur” wordt genoemd.
“Tertium datur”: er is een derde weg, dat is Peter Sloterdijks credo, of liever gezegd, misschien is die derde weg er nog niet, maar we gaan hem bouwen.
“Meerwaardigheidsdenken” noemt Sloterdijk deze derde weg. Zwart-wit-denken (= binair denken) kent maar twee toestanden; zwart en wit; goed en kwaad; terwijl meerwaardigheidsdenken een scala van grijs kent en zoekt.
Over het meerwaardigheidsdenken in de islam schrijft Sloterdijk:
“Ook op het terrein van de monotheïstische geloofsijver zijn er redenen voor de overgang naar het meerwaardige denken. Juist de islam, die verder toch vooral bekendstaat om zijn hartstocht voor de strikte eenwaardigheid, heeft een exemplarische doorbraak bereikt naar het scheppen van een derde waarde. Dit gebeurde toen voor de aanhangers van de boekreligies de dwang werd opgeheven om te kiezen tussen de Koran of de dood. Met de invoering van de dhimmi-status, die in feite een onderwerping zonder bekering betekent, ontstond er een derde mogelijkheid tussen het ja en het nee tegen de moslimgodsdienst. Dit wordt soms verkeerd opgevat als een vorm van verdraagzaamheid-dat begrip is tamelijk onislamitisch, en ook tamelijk onkatholiek-, terwijl het eerder als een primitieve uiting van meerwaardig denken moet worden beoordeeld. Voor de onderworpenen betekende dit hetzelfde als overleven, voor de onderwerpers betekende het de ontdekking van een mogelijkheid om de plicht tot massamoord te ontlopen.” ( p 106)
Als disciplines die het officiële meerwaardige denken hebben voorbereid, noemt Sloterdijk vooral “het principe van de trapsgewijze hiërarchische ordening en de negatieve theologie [...] , daarnaast ook de hermeneutiek als kunst van het meerzinnige lezen en last but not least de ontwikkeling van de monotheïstische humor. “ ( p 110/111)
Vooral de nadruk op de hermeneutiek is voor mij belangrijk, omdat de hier vaak genoemde oud-Cleveringa-hoogleraar Nasr Abu Zayd degene is die de hermeneutiek op de islam toepast. (zie Verlichting in het Islamitisch denken)
Sloterdijk:
“De vormen van hermeneutiek, zoals die in de omgang met de heilige geschriften ontwikkeld worden, kunnen eveneens gelden als leerschool voor meerwaardig denken. Dit komt vooral door de omstandigheid dat de beroepsmatige schriftuitleggers zich met een gevaarlijk alternatief geconfronteerd zien. Het handwerk van het interpreteren vraagt uit zichzelf alom derde wegen, want zodra het goed en wel begonnen is, komt het voor de onaanvaardbare keuze te staan om de goddelijke boodschap ofwel te goed, ofwel te slecht te begrijpen. Beide opties zouden noodlottige consequenties met zich meebrengen. Zou de uitlegger het heilige boek zo goed begrijpen als alleen de schrijver dat zou kunnen, dan zou hij de indruk wekken God op de schouder te willen kloppen en verklaren het geheel met hem eens te zijn-een pretentie die de hoeders van heilige tradities niet bepaald appreciëren. Zou hij het daarentegen in strijd met de consensus begrijpen, of sterker nog het boek volstrekt duister of onzinnig vinden, dan zou er wel eens demonische verstoktheid in het spel kunnen zijn. In beide gevallen voldoet de uitlegger niet aan de norm en stelt hij zich bloot aan de reactie van de orthodoxie, die zoals bekend nooit kleinzerig was wanneer het erop aankwam ketters te laten zien wat de grenzen zijn. De religieuze hermeneutiek is dan ook a priori op het tussengebied tussen twee vormen van godslastering aangewezen en moet zich daar in evenwicht zien te houden. In geen andere situatie is er een beter motief om voor een derde mogelijkheid te kiezen. Als je niet zodanig met de bedoelingen van de schrijver mag versmelten dat je de indruk wekt hem beter te begrijpen dan hij zichzelf bij het dicteren van de tekst begreep, maar ook zijn boodschap niet zo mag miskennen alsof hij een vreemde was die ons niets te zeggen heeft, dan is het uitwijken naar een middenpositie voorspelbaar. Het tussenrijk van de uitlegging is de vertrouwde omgeving voor het zoeken naar een juist begrip van de heilige tekens; principiële onvolmaaktheid biedt voor zulk begrip alle kans. Ik hoef niet omstandig uit te leggen dat deze arbeid in de schemering van een altijd slechts gedeeltelijk onthulde betekenis bij uitstek geschikt is om het extremisme te breken “(p 112/113)
Muggen…
Ik vond een leuke illustratie van Pat Andrea bij Lewis Carolls “Alice in Spiegelland”, hoofdstuk “Spiegelinsecten”, waar Alice een mug tegenkomt
(in het Engels op internet te lezen, zoek op “insects” of “Gnat”)

Pat Andrea, Alice en de mug
En in mij “Grote Dieren Gedichten Boek”(samengesteld door Guus Luijters) vond ik drie zeer leuke muggengedichten:
Hieronijmus van Alphen
De onbedachtzaamheid
Zie Keesje! deze dode mug
vloog nog zo-even blij en vlug,
maar ‘t is door onbedachtzaamheid
dat hij nu dood op tafel leit.
Hij had in ‘t kaarslicht zulk een zin,
en vloog er onvoorzichtig in.
Nu ligt hij daar; maar’t is te laat;
er is voor ‘t mugje nu geen raad.
Hij werd bedrogen door de schijn.
O! laat ons dit tot lering zijn,
dat, eer men iets gewichtigs doet,
men zich wat lang bedenken moet.
Eén uur van onbedachtzaamheid
kan maken dat men weken schreit.
A.D. Keet
Muskiete-jag
Jou vabond, wag, ek sal jou kry,
Van jou sal net ‘n bloed kol bly
Hier op my kamermure
Deur jou vervloekte gonsery,
Deur jou gebyt en plagery Kon ek nie slaap vir ure.
Mag ek my voorstel, eer ons skei,
Eer jy d ie doodslag van my kry-
My naam is van der Merwe.
Muskiet, wees maar nie treurig nie,
Wees ook nie so kieskeurig nie,
Jy moet tog één dag sterwe.
Verwekker van malaria,
Sing maar jou laaste aria-
Nog een minuut vir grasie.
AI soebatjy nou nóg sa lang,
AI sé jy ook: ek is nie bang,
Nooit sien jy weer jou nasie …
Hoe sedig sit hy, 0, die kreng!
Sy kinders kan maar kranse breng,
Nóu gaan die vabond sterwe …
Pardoef! Dis mis! Daar gaan hy weer!
Maar dóód sal hy, sowaar, ek sweer
My naam is van der Merwe!
Meleagros
Aan een mug als postilIon d’amour
Vlieg voort, o mug, mijn snelle bode en fluister
Aan de ooren van Zenophila héél zacht,
‘Gij slaapt, vergetend lief, hij waakt en wacht.’
Vlieg voort, vlieg voort, mijn zangster zoet, maar luister:
Spreek zacht en wil haar slaapgenoot niet wekken,
Dat gij niet wekt mijn ijverzucht’ge trots.
Als gij haar hier brengt, mug, geef’k u een knots,
En ‘k zal u met een leeuwehuid bedekken.
—————————————————————————————————-
Friedrich Nietzsche gebruikt de mug als metafoor voor de mens in zijn belangrijke essay ”Over waarheid en leugen in buitenmorele zin”:
“Er was eens, in een afgelegen hoek van het met talloze zonnestelsels flonkerend volgegoten heelal, een hemellichaam waarop slimme dieren het kennen uitvonden. Dat was de hoogmoedigste en leugenachtigste minuut van de ‘wereldgeschiedenis’: maar toch was het maar een minuut. Na enkele ademtochten van de natuur verstarde het hemellichaam, en de slimme dieren moesten sterven.— Zo’n fabel zou iemand kunnen bedenken en nog zou hij niet afdoende hebben geïllustreerd, hoe jammerlijk, hoe schaduwachtig en vluchtig, hoe doelloos en willekeurig het menselijk intellect eruit ziet in de natuur; er waren eeuwigheden waarin het er niet was; wanneer het ermee voorbij is zal er niets gebeurd zijn. Want er is voor dat intellect geen verdere missie, die boven het mensenleven uitstijgt. Integendeel: het is menselijk en alleen zijn bezitter en verwekker vat het zo pathetisch op, alsof de hele wereld erin rondwentelde. Konden we echter de mug verstaan, dan zouden we vernemen dat ook zij met dit pathos door de lucht vliegt en het vliegende middelpunt van de aarde in zich voelt. Er is niets zo verwerpelijk en onaanzienlijk in de natuur of het wordt door de eerste de beste zucht van deze kracht van het kennen opgeblazen als een ballon; en zoals iedere kruier zijn bewonderaar wil hebben, zo meent zelfs de trotste mens, de filosoof, van alle kanten de ogen van het heelal telescopisch gericht te zien op zijn doen en zijn denken. “
Dus we mensen zijn toch maar muggen die zichzelf en hun kennis overschatten, volgens Nietzsche….
Een nieuwe Duitse roman, “Mal Aria” van Carmen Stephan is geschreven uit het perspectief van een mug.

Paul Klee, Kat en vogel [Katze und Vogel]

Paula Modersohn-Becker, Maedchen mit Katze im Birkenwald, 1904

Franz Marc, Zwei Katzen auf rotem Tuch, 1909

Franz Marc, Akt mit Katze 1910

Franz Marc, Maedchen mit Katze 1912
Paul Klee en Franz Marc werden van de nazi’s als “ontaard” “entartet” beschouwd.
Een van de weinige vrouwen die de “eer” had (achteraf bezien was het echt een eer) om op de nazi-tentoonstelling “Entartete Kunst” te hangen was Paul Modersohn-Beker.
In de tentoonstelling Liefde! Kunst! Passie! in het Haagse Gemeentemuseum hing dit mooie schilderij van Alexej von Jawlensky, ‘Meisje met pioenrozen’:

Alexej von Jawlensky, Meisje met pioenrozen 1909
Jawlensky hing in de Haagse tentoonstelling vanwege zijn relatie met schilderes Marianne van Werefkin.

Alexej von Jawlensky, Bildnis Marianne Werefkin, 1906
Drie moderne schilderijen van Alexej von Jawlensky werden van de nazi’s op de tentoonstelling “Entartete Kunst” getoond..
Het kunstenaarspaar Gabriele Münter en Wassily Kandinsky is een van de vele kunstenaarsparen die in het Gemeentemuseum in Den Haag werden getoond in de tentoonstelling Liefde!Passie! Kunst!;
Kandinksy en Münter woonden en schilderden vanaf 1908 in het stadje Murnau bij München, zij maakten beiden deel uit van de groep Der Blaue Reiter, een kleine groep gelijkgestemde kunstenaars in Duitsland, die van ongeveer 1911 tot 1914 bestond. De vernieuwingsbeweging ontstond in München opgericht door Wassily Kandinsky, Franz Marc, August Macke en Alexej von Jawlensky. De stroming wordt tot het expressionisme gerekend.

Leuk is dat Münter en Kandinsky hetzelfde motief op verschillende manieren hebben uitgewerkt: Promenade.

Gabriel Münter, Promenade, 1904

Wassily Kandinsky, Promenade, 1904
Van Gabriele Münter en schilderij met Paul Klee:
Gabriele Münter, Mann im Sessel- Paul Klee, 1913
Anders dan Kandinsky ging Münter niet de abstracte weg in, maar bleef naief en naturalistisch schilderen. Kort daarop ging hun relatie stuk; hun wegen scheidden.

Gabriele Münter, Kandinsky aan het schilderen, 1903

Wassily Kandisky, Gabriele Münter schilderend in Kallmünz, 1903

Wassily Kandinsky, Portret Gabriele Münter, 1905
Hoewel Nietzsche door sommigen als een voorloper van het nazisme wordt beschouwd bekritiseerde hij antisemitisme, pan-Germanisme en nationalisme. Zo brak hij met zijn uitgever in 1886 als gevolg van verzet tegen diens antisemitische standpunten, en zijn breuk met Richard Wagner beschreven in Het geval Wagner en Nietzsche contra Wagner (beiden geschreven in 1888), had veel te maken met Wagners goedkeuring van pan-Germanisme en antisemitisme.
In een brief van 29 maart 1887 aan Theodor Fritsch bespotte Nietzsche antisemieten als Fritsch, Eugen Dühring , Wagner, Ebrard, Wahrmund en de leidende voorstander van het pan-Germanisme, Paul de Lagarde , die, samen met Wagner en Houston Chamberlain , de belangrijkste officiële invloeden van het nazisme werden. Deze brief aan Fritsch eindigt:
” - En tenslotte, hoe denk je dat ik me voel wanneer de naam Zarathoestra in de mond wordt genomen door anti-semieten? …“
Hoofdstuk VIII van Voorbij goed en kwaad getiteld “Volk en vaderland” bekritiseert pan-Germanisme en patriottisme, en bepleit in plaats daarvan de eenwording van Europa (§ 256, etc.).
In Ecce Homo (1888), bekritiseerde Nietzsche de “Duitse natie”, de “wil tot macht (= tot Reich)”, en keurde een verkeerde interpretatie van de Wille zur Macht af, net zo als de opvatting van de Duitsers als een “ras”, en de “antisemitische manier van schrijven van de geschiedenis”.
Nietzsche uitte harde kritiek op de man van zijn zuster, Bernhard Förster en op zijn zuster zelf , en sprak afwijzend over de “antisemitische canaille”: “Nadat ik de naam van Zarathoestra in de anti-semitische correspondentie lees komt mijn verdraagzaamheid tot einde. Ik verkeer nu in een positie van noodweer tegen de partij van jouw echtgenoot. Deze vervloekte antisemitische misvormingen zullen mijn ideaal niet bezoedelen!” .
Georges Bataille was een van de eersten die de opzettelijke verkeerde interpretatie van Nietzsche door de nazi’s aan de kaak stelde. Bataille wijdde in januari 1937 een nummer van Acéphale , getiteld “Herstelbetalingen aan Nietzsche” aan het thema “Nietzsche en de fascisten”, Hij noemde Elisabeth Förster-Nietzsche ”Elisabeth Judas-Förster,” daarbij aan Nietzsches verklaring refererend: “…nooit meer iemand te bezoeken die betrokken is bij dit naakte bedrog met betrekking tot rassen.”
Nietzsches aforisme 377 in het vijfde boek van De vrolijke wetenschap (Gepubliceerd in 1887) bekritiseert nationalisme and patriottisme en pleit ervoor goede Europeanen te zijn:
„.. wir sind der Rasse und Abkunft nach zu vielfach und gemischt, als “moderne Menschen”, und folglich wenig versucht, an jener verlogenen Rassen-Selbstbewunderung und Unzucht teilzunehmen, welche sich heute in Deutschland als Zeichen deutscher Gesinnung zur Schau trägt und die bei dem Volke des historischen “Sinns” zwiefach falsch und unanständig anmutet. Wir sind, mit einem Worte – und es soll unser Ehrenwort sein! – gute Europäer, die Erben Europas, die reichen, überhäuften, aber auch überreich verpflichteten Erben von Jahrtausenden des europäischen Geistes: als solche auch dem Christenthum entwachsen und abhold, und gerade, weil wir aus ihm gewachsen sind, weil unsre Vorfahren Christen von rücksichtsloser Rechtschaffenheit des Christentums waren, die ihrem Glauben willig Gut und Blut, Stand und Vaterland zum Opfer gebracht haben.“
http://gutenberg.spiegel.de/buch/3245/8
“Nietzsche was zijn gehele leven aan een vloed van antisemitische propaganda blootgesteld: van de zijde van zijn zuster en zijn zwager, Bernhard Förster, een prominent vertegenwoordiger van de Duitse antisemitische beweging, die na een schandaal in een tram, waarbij hij joodse passagiers had mishandeld, naar Paraguay emigreerde om daar de teutoonse kolonie ‘Nueva Germania’ te stichten; van de zijde van Wagner; van zijn uitgever Schmeitzner en van lieden die hem de Antisemitische Korrespondenz toezonden. Hierin ligt ongetwijfeld mede de verklaring voor zijn voortdurende bestrijding van dit gif. “
Dit citaat komt uit het boek van Henk van Gelre, “Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving” (band 1, p 108) , aanbevolen op mijn vorige blog door An van den Burg.
Nietzsche: “‘Het hele probleem van de joden bestaat alleen binnen de nationale staten, in zover hun daadkracht en grotere intelligentie, hun in een lange lijdensschool van generatie op generatie opgestapeld geestes- en wilskapitaal, hier wel overal in een afgunst en haat opwekkende mate het overwicht moet verkrijgen, zodat de literaire onhebbelijkheid in alle naties van vandaag de overhand neemt – en wel méér naarmate deze zich weer nationaal gedragen -, om de joden als zondebok, voor alle moelijke openbare en innerlijke misstanden naar de slachtbank te leiden.’
Rüdiger Safranski heeft in zijn uitvoerige Nietzsche- biografie ook over het thema “Nietzsche en het antisemitisme” geschreven (p 331 ff):
“Het is onbetwistbaar dat Nietzsche een anti-anti-semiet was, al is het maar omdat het antisemitisme hem in zulke gehate figuren als zijn zwager Bernhard Förster en zijn zuster voor ogen stond. Hij verachtte de Duits-nationale, volkse componenten. Hij zag in de anti-semitische beweging van de jaren tachtig de opstand van de middelmatigen, die zich onrechtmatig voor heersersnaturen uitgaven, alleen omdat ze zich Ariërs voelden.
Tegenover zulke antisemieten was Nietzsche zelfs bereid het joodse ras te verdedigen door te beweren dat het meer waard was. Zijn argument luidt: Omdat ze zich eeuwenlang tegen aanvallen hebben moeten verdedigen, zijn ze taai en geraffineerd geworden, ze hebben de defensieve kracht van de geest versterkt en zodoende een onmisbare rijkdom in de Europese geschiedenis ingebracht. Het joodse volk, schreef Nietzsche, heeft van alle volkeren de smartelijkste geschiedenis achter de rug, en juist daarom hebben we aan dit volk de edelste mens (Christus), de zuiverste wijze (Spinoza), het machtigste boek en de invloedrijkste zedenwet ter wereld [...] te danken. Hij keert zich tegen de verblinding van de nationalisten die de joden als zondebokken van alle mogelijke publieke en private misstanden naar de slachtbank leiden.”
“In zijn aantekeningen uit de herfst van 1888 zet Nietzsche een aantal gedachten voor een psychologie van het antisemitisme op een rijtje. Het gaat daarbij meestal om lui, schrijft hij, die te zwak zijn om hun leven een zin te geven en die zich in panische angst bij de eerste de beste partijen aansluiten die hun tirannieke behoefte aan zin bevredigen. Ze worden bijvoorbeeld anti-semieten louter en alleen omdat de anti-semieten het op het schaamteloze af op dat ene voor de hand liggende doel gemunt hebben – het joodse geld . Aan die waarneming knoopt Nietzsche zijn psychogram van de ordinaire anti-semiet vast: instinctieve afgunst, ressentiment, machteloze woede als I ei d mot i e f: de aanspraak van de ‘uitverkorene’; door en door moralistische leugenachtigheid tegenover zichzelf -die permanent de mond vol heeft van deugdzaamheid en alle andere grote woorden. Dit als typisch kenmerk: ze merken niet eens op wie ze daardoor als twee druppels water lijken? Een anti-semiet is een afgunstige, dat wil zeggen de meest stupide jood. “
“Toch ontwikkelde hij [Nietzsche] in De genealogie van de moraal, in Afgodenschemering en in De antichrist een theorie volgens welke het religieuze jodendom een beslissende en leidinggevende rol heeft gespeeld bij het initiëren van de slavenopstand van de moraal. “
“De door Nietzsche verachte antisemieten konden dus in ieder geval een aantal van zijn gedachten als bron van inspiratie gebruiken, ook al strookte het beeld van de Arische heersersnatuur dat zij ontwierpen niet met het beeld van voornaamheid dat Nietzsche als leididee voor ogen stond. Dat hebben ze bij de nationaal-socialisten op een gegeven moment ook gemerkt. Ze bleven Nietzsche weliswaar voor hun karretje spannen, maar er gingen daarnaast steeds meer stemmen op die voor de vrijdenker Nietzsche waarschuwden. Ernst Krieck, een invloedrijke nationaal-socialistische filosoof, oordeelde ironisch: ‘Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstander van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten beschouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn’ “.
De pre-fascist Max Nordau, auteur van “Entartung/Ontaarding” (1892) haatte Nietzsche, die hij (terecht) als een vrijdenker en als een antinationalist beschouwde. Dus heeft Max Nordau aan Nietzsche een van zijn haat-hoofdstukken gewijd, wat achteraf bezien eigenlijk een hommage is, omdat Nietzsche hier naast andere “ontaarde” en dus “dood te slaande” geesten staat: Tolstoi, Beaudelaire, Ibsen, Zola.
Harry Mulisch behandelt de kwestie “Nietzsche en het antisemitisme” uitvoerig in zijn boek over Eichmann “De zaak 40/61″ waarbij hij ook tot de conclusie komt:
“hij [Nietzsche] zou ongetwijfeld tot Hitlers felste tegenstanders behoord hebben”
Maria Trepp
Langs de N 206 van Leiden naar Katwijk staan bij Valkenburg drie wondermooie kleurig-doorzichtige kunstpaarden.

Deze bonte kunstpaarden (genoemd ”Vensters op het landschap” ) doen me denken aan de “ontaarde” paarden van Franz Marc.

Franz Marc, Drei Pferde, 1913
Franz Marc was met veel werken vertegenwoordigd op de nazi-tentoonstelling “Entartete Kunst”. Nu ik bezig ben met een serie blogs over de beeldenstorm hoort de nazi-beeldenstorm zeker ook bij. Marcs “Turm der bauen Pferde” van 1913 hing op de “Entartete Kunst”.

Franz Marc Turm der blauen Pferde blauwe paarden
Franz Marc, Turm der Pferde 1913

Franz Marc, Blaues Pferd 1, 1911

Franz Marc, Zwei blaue Pferde vor rotem Felsen, 1913

Franz Marc Stallungen paarden

Franz Marc Kleines blaues Pferd – klein blauw paard

Franz Marc Träumendes_Pferd- dromend paard

Franz Marc_-_Die_kleinen_gelben_Pferde – gele paarden
En hier nog eens andere moderne paarden uit de Marc-traditie.
In Uppsala/Zweden is aan een klein badstrandje aan het Mälarmeer in een oude boom houtsnijwerk te zien met vrolijke roze paarden. Misschien geen kunst met een grote K, maar zeer passend bij de omgeving, waar vroeger paarden op de wei stonden.

De naam van het kunstwerk is “Utrotad hästras” (=uitgeroeid paardenras; het Zweedse woord “häst” =paard hoort bij “horse” en “ros” uit hippos/equus; daarentegen “paard”/Pferd van paraveredus= postpaard).
De kunstenaar Mats Nyberg heeft dit jaar deze paarden met een motorzaag in de boom gezaagd.
—————————————————————————-
In het Museum Beelden aan Zee is een overzichtstentoonstelling te zien van de beroemde Oostenrijkse beeldhouwer Fritz Wotruba (1907-1975).
“In zijn werk concentreerde Wotruba zich op het menselijk lichaam, waarbij hij de psychische gelaagdheid van de mens voorrang gaf boven de lichamelijke realiteit. Hij gebruikte daarbij die materialen waarmee hij zijn gedachten het beste tot uitdrukking kon brengen. Vaak begon hij met het ruw werken in kalksteen en daarna in marmer tot hij de juiste verhoudingen in het lichaam gevonden had. Later maakte hij dan een kleimodel, dat in brons kon worden gegoten.
In de tentoonstelling wordt speciale aandacht besteed aan de relatie van Wotruba met Nederland.”
Ik ken Frits Wotruba eigenlijk alleen maar uit de beroemde dagboeken van Elias Canetti, en dan uit de bundel Das Augenspiel/Het ogenspel. Canetti schrijft in een intens hoofdstuk over zijn relatie met Frits Wotruba, die hij als een “tweelingsbroer” beschouwt.
Canetti beschrijft in dit hoofdstuk uit de herinnering een beeld van Wotruba, “het zwarte staande beeld”. Dit beeld bestaat niet meer, maar ik heb op internet de reproductie van een oud foto gevonden. Klik door op deze link en dan op “full vision”, om het beeld nog beter te kunnen zien (kan ik niet kopieren…)
Canetti schrijft over dit beeld (dat hij dus alleen voor zijn geestesoog had toen hij schreef [!]):
“Onder het viaduct van het stadsspoor, waar zich het atelier [van Wotruba] bevond, zag ik bij mijn eerste bezoek het grote staande beeld van een man uit zwart basalt. Van geen enkele levende beeldhouwer had mij een werk ooit zo diep getroffen. Ik stond ervoor en hoorde de stadstram over het viaduct rijden. Ik hoorde die een paar keer, zo lang stond ik ervoor. Ik kan in mijn herinnering het beeld en dat geluid niet van elkaar scheiden. Het was, een langdurig, zeer zwaar werk, onder deze geluiden hier ontstaan. Er waren genoeg andere beelden te zien, zij het ook niet te veel. Het atelier maakte geen volgestouwde indruk, het bestond uit twee grote bogen van het stadsspoorviaduct, in de ene boog stonden beelden die hem bij zijn werk in de andere zouden hebben gehinderd. Als het weer niet te slecht was, werkte hij het liefste buiten. In het begin voelde ik mij door de soberheid van de lokaliteit en het lawaai van de treinen afgestoten, maar omdat er niets overtolligs te zien was, omdat alles wat zich hier ook maar bevond je aantrok en van belang was, raakte je er al snel gewend en merkte je dat het de juiste plaats was, hij had niet geschikter kunnen zijn.
Ik bekeek echter vrijwel niets nauwkeurig genoeg, hoewel ik er prijs op stelde de kunstenaar eer te bewijzen, want het ‘zwarte staande beeld’, zoals wij hem sindsdien altijd noemden, liet mij niet los. Het was net alsof ik alleen om zijnentwil was gekomen. Ik probeerde mij aan hem te ontrukken, hij sloeg mij met stomheid en ik moest toch iets zeggen. Maar waar ik ook ging staan, wat ik ook in het oog probeerde te vatten, toch keerden mijn blikken terug naar het ‘zwarte staande beeld’, en zo zag ik hem van alle mogelijke kanten en bewees ik hem met mijn zwijgen, waarmee hij me had aangestoken, de hoogste eer.
Dit beeld is verdwenen. Het was tijdens de oorlog, zoals Wotruba me vertelde, in de grond verborgen en werd later niet meer gevonden. Het was veel bekritiseerd en het is mogelijk dat hij er niet meer achter wilde staan. Misschien beklemde hem later, toen de emigratie ons scheidde- hij woonde in Zwitserland, ik in Engeland-, de herinnering aan de hartstocht die ik voor dat beeld had opgevat, en aangezien hij in de emigratie geheel andere wegen was gegaan, wilde hij bij zijn terugkeer naar Wenen niet aansluiten bij een werkstuk dat hij als vijfentwintigjarige had gemaakt. [...]
Wat je op het ‘zwarte staande beeld’ zou kunnen aanmerken daarvan ben ik mij nu duidelijk bewust. Ik kan daarom alleen; spreken over de belevenis van die eerste dag. Het beeld, dat zwart en meer dan levensgroot voor je stond hield een hand, de linker, achter zijn rug verborgen. De bovenarm stond opmerkelijk ver van het lichaam af, in een rechte hoek op de onderarm. Op die manier stak de elleboog krachtig van het lichaam af, alsof hij zich erop voorbereidde om iedereen die, te dichtbij kwam weg te duwen. De lege driehoek tussen de, borst en de beide delen van de arm, de enige opvallende leegte die dit beeld vertoonde, had iets dreigends: het betrof de vraag naar de hand die niet te zien was, die je graag zou zijn gevolgd. Het was net of die verstopt was, en niet afgehakt. Je durfde niet naar de hand te zoeken, de ban, waarin je verkeerde, verbood je je standplaats te verlaten. Voordat je tot zoeken overging, waar! het wel van komen moest, overtuigde je je van de zichtbaarheid, van de hand. Aan de rechterkant heerste vrede. De rechterarm lag languit tegen het lichaam gestrekt, de open hand reikte tot vlak bij de knie, zij scheen rustig en zonder enigerlei vijandige, bedoeling. Zo rustig was zij dat je aan haar niet dacht, omdat de i andere hand zich op zo’n opmerkelijke wijze aan het oog onttrok.
De bol van het hoofd rustte op een sterke hals die naar boven toe wat smaller toeliep, anders was hij breder dan het hoofd geweest. Het smalle gezicht naar voren afgeplat, bij alle vereenvoudiging meer gezicht dan masker, ongenaakbaar en zwijgend, de gleuf van de mond krachtig en pijnlijk gesloten om geen bekentenis te laten ontsnappen. Borst en buik in duidelijke segmenten onderverdeeld, even plat als het gezicht, door sterke cilindrische schouders overheerst, de kniepartijen bijna tot halfbollen verdikt, de grote voeten duidelijk naar voren geplaatst, naast elkaar, vergroot en onmisbaar voor de last van dit basalt; het geslacht niet verborgen en niet storend, het minst onderworpen aan een eigen vormgeving.
Maar er kwam het ogenblik dat je je losrukte, op zoek naar de aan het oog onttrokken hand. Je vond haar -onverwachts- dwars en enorm over het onderste gedeelte van de rug uitgestrekt, met de bal van de hand naar buiten gekeerd, méér dan levensgroot ook bij dit beeld vergeleken, en het is waar dat ik schrok van de kracht van die hand. Je kon haar niets kwaads ten laste leggen, maar zij was tot alles in staat. Tot de dag van vandaag ben ik ervan overtuigd dat het beeld is ontstaan omwille van die hand en dat hij, die haar uit het basalt hakte, de hand moest verbergen, omdat zij oppermachtig was, en dat de mond, die niet wilde spreken, haar verzweeg en de elleboog, die dreigend naar buiten was gekeerd, de toegang tot haar beschermde.
Ontelbare keren was ik in het viaduct. Mijn passie voor dat beeld werd de kern van onze vriendschap. Ik keek naar Wotruba’ s hand wanneer hij aan het werk was en hield dat net als hij urenlang vol. Maar hoe opwindend het nieuwe ook altijd was waaraan hij op dat moment werkte, ik wendde mij nooit tot hem zonder het ‘zwarte staande beeld’ eerst mijn respect te betuigen. [...] ”
Canetti heeft Wotruba uitgebreid beschreven (lees het hoofdstuk zelf), maar Wotruba heeft blijkbaar Canetti niet geportretteerd. Daarentegen heeft hij Robert Musil, een vriend van hem en van Canetti, geportretteerd en dit beeld is ook in het Museum Beelden aan Zee te zien.

Bertolt Brechts toneelstuk “Leben des Galilei” draait om de telescoop.
Brechts stuk is geschreven met de hulp van historische documenten en geeft een aardige samenvatting en overzicht over de gebeurtenissen. Brechts Galilei maakt, net als de echte, slim gebruik van de Hollandse uitvinding – zowel technisch alsook commercieel.
Brechts Galilei:
“Ik heb het onbeschrijflijke geluk gehad een nieuw instrument in handen te krijgen, waarmee een tipje van de sluier van het universum kan worden opgelicht .”
Galilei was niet de eerste die probeerde de telescoop te gebruiken voor astronomisch onderzoek, maar de eerste die dit met succes deed.
In zijn boek Sidereus nuncius “Sterrenbode” van 1610 gaf Galilei een verslag en tekeningen van zijn ontdekkingen met de verrekijker.
Hier een van Galileis mooie tekeningen van de maan:

Brecht heeft Galileis tekst over zijn revolutionaire ontdekkingen omgezet in een dialoog.
Galileis vriend Sagredo ziet de maan door de kijker:
“SAGREDO (door de telescoop kijkend, halfluid) De sikkelrand is volkomen onregelmatig, gekarteld, oneffen. Op het donkere gedeelte, vlakbij de lichte rand, zijn lichtere plekken. Ze komen de een na de ander te voorschijn. Van daaruit kruipt het licht langzaam in de richting van de grotere lichtgevende helft, waar het ten slotte mee samenvloeit.
GALILEI Hoe verklaar je die lichtvlekken voor jezelf?
SAGREDO Maar dat kan niet.
GALILEI Toch is het zo. Het zijn bergen.
SAGREDO Op een ster?
GALILEI Reusachtige bergen. Waarvan de toppen door de opgaande zon verguld worden, terwijl het rondom, op de berghellingen, nog nacht is. Je ziet het licht van de hoogste toppen naar de dalen om- laagkruipen.
SAGREDO Maar dat is in tegenspraak met tweeduizendjaar astronomie.
GALILEI Zo is het. Wat je ziet heeft buiten mij nog geen mens gezien. Jij bent de tweede.
SAGREDO Maar de maan kán geen aarde zijn met bergen en dalen, net zo min als de aarde een ster kan zijn.
GALILEI De maan kán een aarde zijn met bergen en dalen, en de aarde kán een ster zijn. Een doodgewoon hemellichaam, één onder duizenden. Kijk nog eens. Is de donkere helft van de maan volslagen donker?
SAGREDO Nee. Nu ik erop let, zie ik dat er een zwak, askleurig licht over valt.
GALILEI Wat kan dat voor licht zijn?
SAGREDO …
GALILEI Het komt van de aarde.
SAGREDO Dat is onzin. Hoe kan de aarde licht geven met al zijn gebergten en bossen en zeeën, een koud hemellichaam?
GALILEI Zoals de maan licht geeft. Omdat die twee sterren allebei beschenen worden door de zon, daarom geven ze zelf licht. Wat de maan voor óns is, dat zijn wij voor de maan. En hij ziet ons één keer als sikkel, één keer als een halve cirkel, één keer vol en één keer helemaal niet .
SAGREDO Dan zou er dus geen verschil tussen de maan en de aarde zijn?
GALILEI Blijkbaar niet. ”
—————————————————————————
En over de manen van de Jupiter, door Galilei ontdekt, maakt Brecht deze dialoog:
“GALILEI Sagredo, ik vraag me af. Sinds eergisteren vraag ik ‘t me af. Daar heb je Jupiter. (hij stelt de kijker in) Er staan namelijk vier kleinere sterren vlakbij hem, die je alleen door de kijker kan zien. Ik zag ze maandag, maar nam niet speciaal notitie van hun stand. Gisteren keek ik weer naar ze. Ik had kunnen zweren, dat ze alle vier anders stonden. Ik heb hun stand genoteerd. En ze staan wéér anders. Wat is dat? Ik zag er toch vier. (opgewonden
Kijk zelf!
SAGREDO Ik zie er drie.
GALILEI Waar is de vierde? Daar zijn de tabellen. We moeten uitrekenen, wat voor baan ze beschreven kunnen hebben.
Ze gaan opgewonden aan het werk. Het wordt donker op het toneel, men blijft echter aan de ronde horizon Jupiter en zijn begeleidingssterren zien. Als het weer licht wordt, zitten ze nog steeds aan tafel, hun winterjassen aan.
GALILEI Het is bewezen. De vierde kan alleen achter Jupiter verdwenen zijn, waar je hem niet kan zien. Daar heb je nu een ster, waar een andere omheen draait. ……”
Hier Galileis originele aantekeningen:

—————————————————————————-
In scene 4 bij Brecht probeert Galilei vergeefs de Florentijnse geleerden zo ver te krijgen om door de telescoop te kijken. De geleerden willen dat niet, omdat zij aan de theoretisch-theologische, on-empirische “waarheid” van Aristoteles gehecht zijn.
Brechts Galilei:
“De waarheid is het kind van de tijd, niet van de autoriteit.”
Galilei heeft uiteindelijk onder druk van de kerk afgezworen. Bij Brecht doet hij dat met de beroemde uitspraak:
“Ongelukkig het land, dat helden nodig heeft. “
Maar Galileis laatste belangrijke boek (Discorsi e dimonstrazioni matematiche intorno a due nuove scienze; Verhandlingen en wiskundige bewijzen rond twee nieuwe wetenschappen) werd het land uit gesmokkeld, naar Holland en werd in 1638 in Leiden gedrukt.
Inmiddels heeft Galilei zelfs van de kerk gelijk gekregen, die geen tegenstelling meer ziet tussen haar eigen leer en die van Galilei.
Kandinsky’s schilderij “Een centrum“

(1924, olie op doek, 140,6 x 99,5 cm Gemeentemuseum Den Haag, langdurig bruikleen Solomon R. Guggenheim Museum New York, 1975 )
Over dit schilderij:
“Kandinsky (1866-1944) schilderde dit werk in Weimar, waar hij als docent aan het Bauhaus was aangesteld. Onder invloed van de Russische avant-gardisten en Bauhauskunstenaars was Kandinsky geometrisch abstract gaan werken. Hij hoopte de beschouwer mee te kunnen nemen naar een onbekende wereld en was, evenals Russische avant-gardisten Malevitsj en Popova en de kunstenaars van ‘De Stijl’, gefascineerd door de vierde dimensie. Volgens hem verwees de cirkel – die hij veelvuldig gebruikte in de jaren twintig – daar als primaire vorm het duidelijkst naar.
In dit fraai gecomponeerde ‘kosmische’ schilderij is een klein cirkelvormig zwart centrum, gevat in een grote cirkel. De cirkels zijn tegen een donkere achtergrond geplaatst, die naar beneden toe lichter wordt. Vanuit en om deze centra lijken geometrische vormen zich – volgens een vrolijke choreografie – in verschillende dimensies door de ruimte te bewegen. Deze illusie wordt gewekt omdat de vormen van kleur veranderen zodra ze elkaar doorkruisen en binnen de vormen zelf vervagen. Hier en daar is de ondertekening nog zichtbaar en ook de verf is op verschillende manieren opgebracht. De ruimte refereert net als bij Malevitsj op geen enkele manier meer aan de zichtbare werkelijkheid. Het beeldvlak dient als ‘spirituele ruimte’. “
Uit: Petrova et al, Kunst en religie in Rusland
“Het schilderij is opgebouwd rond twee cirkels die net uit het hart van het schilderij staan. De grotere cirkel omvat als in een vergrootglas een kluwen geometrische vormen, geschilderd in zachte, heldere kleuren, met als opvallende verschijning de torens en koepels van het eeuwige Moskou. Dit centrum is warm van toon. De curven doemen op uit de zwarte cirkel in het centrum van het beeld, dat niet zozeer verhullend maar eerder transparant werkt. Kandinsky hanteerde voor elke vorm een andere factuur, waardoor matte, vlakke vormen naast vlokkig geschilderde vormen kwamen te staan. De kleinste, meest centrale cirkel is glimmend zwart. Hij heeft een grote, krullende staart die een stuwende kracht naar linksboven impliceert. Vanuit die hoek komt een zigzaggende vorm het beeld in. Het is het aloude, spetterende zonlicht boven het Moskou. Kandinsky huldigde in deze jaren een gecompliceerde opvatting over de verschillende delen van een beeldvlak. Hij beschouwde de rechteronderhoek als het belangrijkste, meest compacte en taaiste deel van de compositie. De linkerbovenhoek vertegenwoordigde in zijn ogen het meest losse en meest open gebied. Kandinsky dichtte de cirkel in de schilderijen van 1924 en daarna een belangrijke functie toe. Zakelijk, met een passer getrokken, zag hij de cirkel als de synthese van de grootste tegenstellingen. De cirkel verbond het concentrische met het excentrische in een evenwichtige gestalte. Deze was bescheiden maar ook opdringerig, helder maar ook onstabiel, en zacht en luid tegelijk. De cirkel stond ook in directe verbinding met het kosmische. Onder de drie primaire vormen (driehoek, vierkant en cirkel) zag Kandinsky de cirkel als de helderste verwijzing naar de vierde dimensie. In een brief legde hij uit dat hij de cirkel was gaan gebruiken, ‘omdat ik in cirkels meer innerlijke mogelijkheden vind, wat ook de reden is waarom de cirkel de plaats heeft ingenomen van het paard.’ Het paard had altijd gestaan voor de zege van het spirituele over het materiële. Met de overgang van paard tot cirkel koos Kandinsky voor andere instrumenten ter realisatie van zijn kunst. In fundamentele zin bleef echter zijn - symbolistische – werkwijze hetzelfde. ”
Hans Janssen, Kandinsky rond 1913, p 43 |
zie ook over Der Blaue Reiter
:
Van 6 februari tom 24 mei 2010: Kandinsky en Der Blaue Reiter in het Gemeentemuseum Den Haag
Op de gemanipuleerde foto’s van Michael Najjar (tentoonstellijng in het GEM Den Haag) zien we de toekomstige perfecte mens. Najjar lijkt terug te grijpen naar de schoonheidsidealen uit de antieke oudheid, maar er zijn wel heel grote verschillen.
Michael Najjars creatief proces is [zo geeft hij zelf aan] gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten op het gebied van biogenetica.
De perfectie van het menselijke lichaam is bij Najjar kil en eendimensioneel, en ontdaan van alle gevoelens van pijn en angst.
A Brave New World bij Michael Najjar.
‘Laokoon’, uit de serie “Bionic Angel” (2006-2008)
Een sereen spelletje met de slang, die de mensen verbindt.
Maar waarom noemt Najjar dit “Laokoon”?
Het lijkt wel een politiek-filosofisch statement (hopelijk wel een ironisch statement): “Wij hoeven nooit meer bang te zijn!”
Met zijn “Laokoon” uit de serie “Bionic angel” plaatst Najjar zich in de lange traditie van de afbeeldingen van Laocoön.
Laocoöngroep
Uit Wikipedia:
“Gotthold Ephraim Lessing vergelijkt in “Laokoon oder Über die Grenzen der Malerei und Poesie” een uitbeelding van de dood van Laocoön met een beroemde, in Rome gevonden, beeldengroep met een beschrijving van datzelfde onderwerp in Vergilius’ Aeneis. Het wezenlijke verschil tussen beide benaderingen is volgens Lessing dat die van de poëzie duidelijk een voortschrijdende handeling is, waarvan de verschillende delen na elkaar, chronologisch, gebeuren, de ander daarentegen (die van de beeldende kunsten in het algemeen) duidelijk een statische handeling, waarvan de verschillende delen zich naast elkaar in de ruimte ontwikkelen. Poëzie is “tijdkunst”, de beeldende kunsten zijn “ruimtekunst”.
Johann Wolfgang von Goethe zag in de Laocoöngroep een meestersymmetrie.
Voor Johann Winckelmann, grondlegger van de (klassieke) archeologie, straalde Laocoöns beeld sereniteit en passie uit in plaats van angst. Bekend citaat: “edle Einfalt und stille Größe”
Schopenhauer haalt in De wereld als wil en voorstelling tijdens zijn uiteenzetting over beeldhouwkunst de discussie aan die er is geweest over het niet schreeuwen van Laocoön in deze beeldengroep. De meningen van Lessing, Goethe en Winckelmann worden aangehaald en tegengesproken. Volgens Schopenhauer is de verklaring voor het niet schreeuwen van Laocoön dat het uitbeelden van schreeuwen buiten het domein van de beeldhouwkunst valt. Een gebeeldhouwde schreeuw, zonder het geluid, zou zelfs lachwekkend overkomen, aldus Schopenhauer.”
In de Aeneis beschrijft Vergilius Laokoön als een Trojaanse priester die zijn stadgenoten wilde waarschuwen voor het Paard van Troje:
“Vertrouw het paard niet, Trojanen.
Wat het ook is, ik vrees de Grieken, ook als ze met geschenken komen. ”
Maar de goden, die de stad vernietigd wilden zien, lieten hem, samen met zijn twee zoons, wurgen door twee enorme slangen…waarna Troje de oorlog verloor.
Vergilius, Aeneis, in de Nederlandse vertaling:
“[...] Maar kijk, aan de kant van Tenedos, doken, bij een kalme zee, ik huiver wanneer ik het vertel, twee slangen met enorme kronkelingen op uit zee, gezamelijk doken ze op uit zee, en gezamelijk gaan ze naar de kust. Hun borst, opgericht tussen de golven, en de bloederige kam staken boven de golven, het ander deel streek achteraan over de zee en buigt de enorme rug in kronkels. Er klonk geluid, van de schukmende zee: ze hadden het strand al bezet, met hun brandende ogen doordrenkt van bloed en vuur likten ze de sissende mond met bewegende tongen. We vluchtten lijkbleek uit elkaar door het zicht. Zij gingen met zekere tred naar Laocoon en eerst omhelzen en omstrengelen beide slangen de lichamen van de twee kinderen en met een beet eten ze de ongelukkige ledematen op. Daarna grijpen ze hem die ter hulp komt met speren en ze bonden hem vast met enorme kronkelingen. Ze omvatten reeds tweemaal zijn middel en wierpen tweemaal de geschubte rug rond zijn nek en staken boven hem uit met het hoofd en hun lange nek. Hij probeerde tegelijk met zijn handen de knopen los te rukken, zijn lintjes overgoten met slijm en zwart gif.”
Veel kunstenaars hebben deLaocoön-groep afgebeeld.

El Greco, Laokoon, (1610/1614)
Zadkine, Laokoön (1936)
Bij Zadkine: De hele groep is tot
één blok geworden, gegroepeerd om de expressieve “schreeuw”.
Pleit Najjar voor de apolitieke postmoderne: geen protest; geen angst; blind vertrouwen in technologie?
———————————————————————————
Najjar heeft krassen had aangebracht op de mooie, te mooie, mensen en fotografieën, in het bijzonder de foto “Bionic angel”die de tentoonstelling de naam had gegeven.
Dit is voor mij een sterke indicatie het werk van Najjar niet alleen maar als een positieve utopie te beschouwen.
De krassen laten zien dat de mooie- te mooie- oppervlakte wel degelijk bedreigd wordt! 
Mark Rutte gisteren 1-4-2008: ‘Meneer Wilders, u bent een politieke pyromaan: u steekt steeds het vuur aan en daarna rent u weg. Vervolgens wordt u nog boos ook als de eigenaar van de woning de brandweer belt.’
Naar wat nu blijkt uit de verklaring van minister van Justitie Hirsch Ballin was Wilders aanvankelijk wel degelijk van zins in ‘Fitna’ delen uit de Koran voor de camera te verbranden.
Mijn gedachten gaan naar de boekenverbranding van de nazi’s, op de foto aan de Universiteit van München waar ik zelf ooit heb gestudeerd.
Mijn gedachten gaan ook naar de fascismeparabel “Biedermann und Brandstifter” (Nederlands: ‘Bal van de Pompiers’/ ‘Biederman en Brandstichters’) van de Zwitserse auteur Max Frisch.
Mijn gedachten gaan ook naar de intellectuele Wilders-vriend, de Leidse professor Afshin Ellian, die in het voorwoord in het boek van Karen Jespersen en Ralf Pittelkow ‘Islamisten en Naïvisten’ uitvoerig over dit toneelstuk schreef onder de titel ‘Capitulatie versus polemiek’” .
Volgens Ellian zijn de islamieten de huidige fascisten en brandstichters. Ellian:
“Wie geeft de lucifers aan de islamistische brandstichter? [...] Het islamisme (de politieke islam) vormt een ernstige bedreiging van de vrijheid en van zowel de regionale als de internationale vrede in en buiten de islamitische wereld [...] ‘Biedermann en de brandstichters’ verheldert op uitstekende wijze de geestelijke en politieke toestand van Europa. Met een buitengewoon scherp inzicht beschrijft Max Frisch het machteloze Europa tegenover het nazisme. Biedermann en zijn vrouw worden verrast door twee gasten die zij, ondanks het legitieme wantrouwen dat zij koesteren, ruimhartig ontvangen. De gasten willen brandstichten in het huis van hun gastheer. De machteloosheid van de Biedermannen jegens de kwaadwillende gasten heeft te maken met het feit dat de brandstichters appelleren aan hun medelijden voor de slachtoffers van de maatschappij. Hoe aardiger en vredelievender de brandstichters worden bejegend, des te eerder het gevaar kan worden gemeden, dachten de Biedermannen. Dat dacht Europa. De angst voor conflicten resulteerde in een soort capitulatie in naam van het goede: ‘Want hij hoopt dat het goede ontstaat uit goedmoedigheid’, aldus het koor brandweermannen in het toneelstuk. Er bestaan geen vijanden, en er moeten evenmin vijanden worden gemaakt. Vandaar dat Biedermann zegt: ‘Als ik hen aangeef, die twee kerels, dan weet ik dat ik hen tot mijn vijanden maak. Wat heb je daaraan? Een lucifer, en het huis staat in de fik.’ Uiteindelijk geeft de machteloze Biedermann de lucifers aan zijn gasten. [...]
Wie zijn de brandstichters nu? De islamisten, de politieke islam.”
En wie is de Biederman volgens Ellian? Mensen als Geert Mak, die zich tegen een zwart-wit -denken en de demonisering van de islam verzetten.
Voor zijn eigen islamfobie beroept zich Ellian trots op de eeuwenoude islamhaat in het Westen, zoals hij die her en der bij Erasmus, Hegel en anderen kan vinden ( zie ook Afshin Ellian,Terug naar de middeleeuwen)
Ellian vindt ook ruimte voor een paar schijnheilige woorden. Hij lijkt waardering te hebben voor de islamitische traditie als hij schrijft “Hoe konden moslimfilosofen als Averroës (Ibn Rushd) en Avicenna (Ibn Sina) in hun tijd de hellenistische cultuur verzoenen met de islamitische denkwereld?”
Maar Ellian heeft geen enkel interesse aan moderne vertegenwoordigers van de liberale islam, die zich beroepen op juist deze Averroës. Zijn Leidse collega en islam-reformator Nasr Abu Zayd (Ibn Rushd -leerstoel aan de Universiteit voor Humanistiek), wordt door Ellian als “charlatan” neergezet en in het debat gemeden.
Ik zie het al jaren me grote zorg hoe de Leidse intellectuele achterban van Geert Wilders, Frits Bolkestein en de heren van de Edmund Burke Stichting (Ellian, Cliteur, Kinneging, Jerker Spits, Bart Jan Spruyt ) op een stigmatisering van een hele religie en bevolkingsgroep aanstuurt.