Wetenschap Kunst Politiek

Archive for the ‘ Christiaan Huygens ’ Category

Dodendans: Christiaan Huygens en Hans Holbein

5 comments

Dodendans: Christiaan Huygens en Hans Holbein

Passend bij Halloween: de toverlantaarnplaatjes van een geraamte die Christiaan Huygens heeft gemaakt, geïnspireerd door de dodendans van Hans Holbein.

Passende muziek erbij: luister hier naar Liszts Totentanz (kippenvel!)

Een toverlantaarn (Lanterna Magica) is een apparaat waarmee doorzichtige afbeeldingen geprojecteerd kunnen worden. Het is dus in feite de voorloper van de diaprojector.

Christiaan Huygens heeft in 1659 een toverlantaarn gebouwd met lenzen en spiegels, waardoor de lantaarn veel beter werkte dan eerdere schaduw-versies zonder lens. Huygens zelf vond de toverlantaarn nogal kinderachtig en hechtte er weinig waarde aan.

Een poging van zijn vader Constantijn om het apparaat voor het Franse hof te vertonen, heeft hij domweg gesaboteerd. Met zulk kermisspul wilde Christiaan zijn wetenschappelijke naam en de reputatie van de familie niet in diskrediet brengen.” (Info Museum Boerhaave

Toch heeft Christiaan Huygens ook een paar schetsen voor toverlantaarnplaatjes gemaakt, geïnspireerd door de dodendans van Hans Holbein (afbeeldingen hieronder zijn afkomstig uit de Oeuvres complètes en uit Christiaan Huygens,  “Over het oog en het zien”.


Toverlantaarn Laterna Magica Christiaan Huygens

Toverlantaarn Laterna Magica Christiaan Huygens

Hier een schets van een toverlantaarn door Christiaan Huygens, met van links naar rechts: holle spiegel, lamp, glazen lens, doorschijnend plaatje, andere lens en muur. De toverlantaarn van Huygens is nu te zien op Hofwijk (foto).

Toverlantaarn Laterna Magica Christiaan Huygens

Toverlantaarnplaatjes van Christiaan Huygens
Dodendans Holbein


Huygens zelf had al een eenvoudig bewegingseffect bereikt door snel twee beelden achtereen te tonen: het door hem getekende geraamte dat op het volgende plaatje beleefd zijn hoofd afneemt, zou zelfs een ware klassieker worden.” (Info Museum Boerhaave)

Holbein laat op zijn dodendanstekeningen zien dat de dood alle leeftijden en maatschappelijke standen bedreigt.

Hans Holbein Totentanz Dodendans

Hans Holbein Totentanz Dodendans


Read more..

Christiaan Huygens en zijn vader Constantijn over kometen

2 comments

Wetenschappers hebben een nieuwe komeet ontdekt die heel dicht bij de aarde komt. Het gaat om de C/2012 S1 die in november volgend jaar en januari 2014 zo dicht bij is dat hij met het blote oog is te zien.

In de zeventiende eeuw werden onge­wone natuurverschijnselen zoals kometen op een nieuwe wijze geïnterpreteerd.

Eric Jorink over deze tijdsperiode in “Van omineuze tot glorieuze hemeltekens”:

“Overal in Europa werd de komeet door natuurfilosofen, theo­logen en leken nauwlettend gevolgd, en verschenen er honderden verhande­lingen waarin men speculeerde over de aard en – vooral- de betekenis van dit wonderbaarlijke hemelteken.”

Jorink citeert Christaan Huygens, die op 27 december 1680 vanuit de Académie des Sciences in Parijs aan zijn vader Constantijn schreef:

“Ik heb nog nooit een komeet van een dergelijke grootte gezien. Vandaag was rondom het observatorium hier een enorme menigte mensen verzameld, die geloofde dat de astronomen dit verschijnsel konden verklaren, en de beteke­nis ervan konden geven”.

En C.D. Andriesse citeert in zijn Huygens-biografie ook uit deze brief van Christiaan Huygens:

“Er is al enige tijd sprake van een komeet, maar tot gis­teravond kon men hier niets zien. Tegen 5 uur, toen de hemel was opgeklaard, stond ze daar, verbazend helder en de erg lange staart (praktisch over de halve hemel) was markant. Zo’n sterke komeet heb ik van mijn leven niet gezien.“

Huygens senior wijdde een gedicht, Cometen-werck, aan het opmerkelijke fenomeen:

 

Ick vraegh, waer hoort sij thuijs die vreeslicke Comeet,Daer elck soo veel af snapt en elck soo weinigh weetSij wandelt om en om: wie dreight sij meer of minderEen Coningh sterft in ’t Oost: daer over treurt men ginder.

Andriesse:

“De vraag was of de komeet die in december ineens boven Parijs verscheen, ook al kort gezien was in november. [Huygens] dacht van niet. Evenals Giovanni Cassini en zovele anderen hield hij vast aan het vooroordeel dat kometen langs rechte lijnen gingen. Maar die van november was, langs de zon scherend, van rich­ting veranderd om een maand later weer in de buurt van de Aarde te komen. […] “

In zijn Cosmotheoros en ook in andere schriften valt Huygens Descartes aan, en diens hypothese over kometen, maar zelf had Huygens het ook niet goed doorzien. Het was Newton die in zijn Principia de parabolische baan van de komeet (later genoemd Halley-komeet) beschreef.

Jorink:

“[…] de komeet van 1680-1681 wordt algemeen gezien als een keerpunt in het denken [over kometen]. In deze jaren publiceerden de Franse filosoof Pierre Bayle en de Nederlandse predikant Balthasar Bekker hun geruchtma­kende aanvallen op wat zij als achterlijk bijgeloof beschouwden. Hun destijds heftig omstreden geschriften worden dan ook veelal gezien als een radicale breuk met het verleden en als het begin van de Verlichting. Het werk van Bayle en Bekker wordt vaak in direct verband gebracht met de observaties die de befaamde natuurfilosofen Isaac Newton en Edmund Halley van de komeet verrichten. Na veel rekenwerken concludeerden de Engelsen dat deze een parabolische en dus voorspelbare baan moest doorlopen. Ook hun activiteit wordt gezien als een breuk met het verleden.”

Voltaires sciencefiction Micromégas zinspeelt veel op Christiaan Huygens. De twee buitenaardse wezens van Sirius en van Saturnus reizen bij Voltaire door het zonnestelsel op een komeet:

Meer over Christiaan Huygens

 

over Christiaan Huygens http://www.passagenproject.com

over Christiaan Huygens http://www.passagenproject.com


Christiaan Huygens over water op de maan

no comment

Volgens nieuwe bevindingen is er mogelijk water op de maan (lees hier meer)

Christiaan Huygens overpeinst in zijn Cosmotheoros (1698) de vraag, of er water op de maan is. Anders dan Kepler denkt hij niet dat dit het geval is. De “maria” (maanzeeën, inslagkraters die men voor zeeën aanzag) herkent hij als holtes.

 

Maar ik vind ’er niets dat na zeeën gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [Starrekenners] het tegendeel gevoelen. Want in de grote vlakke landstreken, die veel duisterder als de bergachtige zijn, en welke ik zie dat gemeenlijk voor Zeen gehouden, ja met de benamingen van oceanen verheerlijkt worden, in die landstreken zelve, zegge ik, met een langer Verrekijker bekeken zijnde, bevinde ik, dat zekere kleine ronde holtes zijn, met binnen invallende schaduwen; en dat kan met de oppervlakte van de Zee niet over een komen: daarenboven die zelve ruime velden, als wij haar wat aandachtiger beschouwen, vertonen geen oppervlak, dat geheel effen is. Zoo kunnen het dan geen Zeen wezen, maar moeten bestaan uit een stoffe, zoo blank niet, als die, welke in de oneffener delen is; waar in wederom sommige met een krachtiger ligt boven anderen uitmunten. Ook schijnt het mij niet toe dat ’er enige Rivieren in de Maan zijn: want zoo z’ er waren, zij zouden de scherpzichtigheid van mijne kijkglazen niet kunnen ontslippen; ten minsten, indien zij, gelijk de meeste by ons, tussen bergen, of zeer hoge rotsen, stroomden. Daar zijn ook geen Wolken, waar uit regen zou spruiten, om aan de Rivieren vocht te verschaffen: want indien z’ er waren, men zou dezelve dan het een, dan het ander Maangewest zien bedekken, en voor ons gezicht verbergen; ’t welk geenszins geschied, maar daar blijft een gedurige helderheid.”

Huygens redeneert vervolgens vanuit een analogiegedachte, dat er op de andere manen in het zonnestelsel waarschijnlijk ook geen water te vinden is.

Hij  zou wel heel erg verbaasd geweest zijn als hij had geweten dat men met de hulp van ruimtesonde Cassini nu methaanmeren op de door hem ontdekte Saturnusmaan Titan zou vinden.

Wel argumenteert Huygens dat er mogelijk vloeibare stoffen, “iets anders dan water”, op de manen te vinden zouden zijn:

Misschien zou daar ’t een of ’t ander, dat heel anders als ons Water is, de Aardgewassen en Dieren kunnen doen leven. Misschien zou een weinig vocht in de aarde, niet als d’ onze het Water indrinkende, voor de Zonnestralen genoeg zijn, om daar uit een dauw te trekken, die tot voeding van kruiden en bomen bekwaam was: ’t welk ik zie dat ook Plutarchus mening is geweest, in zijn Samenspraak van de Gedaante in het Maan-rond [-> Plutarchus, De face in orbe lunae] .”

Deze tekst staat ook op mijn Duitse blog over Huygens

Meer over Christiaan Huygens

Christiaan Huygens www.passagenproject.com

Christiaan Huygens www.passagenproject.com

Christiaan Huygens: wetenschap als religie

33 comments

Christiaan Huygens: wetenschap als religie

In Christiaan Huygens’ Cosmotheoros (1698) neemt een christelijke rechtvaardiging van een niet-antropocentrische kosmologie een prominente plaats in.

De mens wordt bij Huygens beroofd van de hoofdrol in het universum, maar God blijft de schepper van alles.

Ook de Neurenbergse astronoom Johann Philipp von Wurzelbau, vertaler/auteur van de Duitse versie van Huygens’ Cosmotheoros (1703), vindt in een aantal Pauluscitaten een (phyico)-theologische rechtvaardiging voor de wetenschappelijke verkenning van de hemel.

Wurzelbau en Huygens ervaren een sterk religieus gevoel als zij kijken naar Gods “wonder”werken. Beiden zien de specifieke rol van de voorzienigheid van God in de orde van de natuur. In de 17e eeuw hebben veel denkers, zo ook Huygens,  een symbiose gevonden tussen theologie en wetenschap met een theologische interpretatie van wetenschappelijke bevindingen, die de vooruitgang van de wetenschap mogelijk maakte.

 

Huygens verdedigde zich tegen eventuele religieuze tegenstanders:

[…] Daar zullen andere zijn, die zeggen, dat dat gene, ’t welk wy getragt hebben te toonen waarschijnelijk te wezen, tegen de Heilige Schriften strijd, zoo haast als zy bemerken, dat wy spreken van Aardklooten, en Dieren, zelfs met reden begaafd; van welker oorsprong, of wezendheid in de natuur der dingen, niets, maar veel eer iets waar uit het tegendeel blijkt, in den Bibel geschreven is: want (zeggen zy) daar in word alleenlijk van deze Aarde, met hare dieren, kruiden, en van den mensch, aller dingen heer, gewag gemaakt. Dezen antwoorde ik, gelijk andere voor my reeds gedaan hebben, dat het genoeg blijkt, dat God van alles wat Hy gemaakt heeft, stuk voor stuk, ons geen berigt heeft willen geven [….] “

“[..] Maar anderen zullen hetgeen wij als waarschijnlijk beschrijven willen begrijpen als iets dat in strijd is met de Schrift, als wij het hier hebben over andere planeten met dieren, waarvan zelfs een aantal begiftigd zijn met verstand. Van deze dingen spreekt de Bijbel niet, integendeel, zij gaat alleen over deze aarde met haar planten en dieren en de mens als Heer over alles. Op deze bezwaren antwoord ik zo als ook anderen het voor mij hebben gedaan, dat God niet over alle details van de schepping wilde onderwijzen.”

 

Galilei Christiaan Huygens Cosmotheoros

Galilei over religie

Op veel punten wandelt Huygens in de voetsporen van Galilei. De relatie tussen kosmologie en religie, die Huygens in de Cosmotheoros bespreekt, heeft ook Galilei in detail bediscussieerd. Galilei heeft zich bezig gehouden met de relatie tussen wetenschap en geloof, en in het bijzonder met de compatibiliteit van het copernicaanse systeem met de getuigenis van de Schrift. In zijn brief aan Castelli D. Benetto van 21 December 1613 benadrukt Galilei dat de Bijbel inderdaad altijd onbetwistbaar waar is; echter kan de menselijke interpretatie verkeerd zijn. Bij de menselijke interpretatie mag men zich bijvoorbeeld niet vastklampen aan bepaalde woorden, omdat dit leidt tot misverstand. God heeft de mensen de kracht van het oordeel en de rede gegeven, zodat zij hier gebruik van maken. Over de astronomie staat bijna niets in de Bijbel, en daarom heeft God de mens in deze zaak niets middels de Schrift mede te delen.

Bij Huygens net als bij Galilei is God een opperwezen, de schepper van de wereld. Maar hij is geen persoonlijke God, geen redder, geen God van de verlossing.

Huygens’ God is vergelijkbaar met Galilei’s God en de God van Leibniz. Huygens gaat echter niet zo ver als Spinoza (die Huygens persoonlijk kende en met wie hij correspondeerde over het lensslijpen). God en Natuur vallen niet samen voor Huygens, zoals voor Spinoza; Huygens is geen pantheïst. De teleologie en predestinatie in beeld Huygens’ Godsbeeld passen niet in het wereldbeeld van Spinoza. Jonathan Israel beschrijft de persoonlijke tegenstellingen tussen Spinoza en Huygens, die gebaseerd waren op een groot aantal factoren, onder meer op Spinoza’s cartesiaanse (Radical Enlightenment, p. 246-252). Helaas is Huygens’ antwoord op de vraag van Leibniz (1679), wat Huygens van Spinoza’s Ethiek heeft gevonden, niet overleverd.

Opvallend is bij Christiaan Huygens dat hij de wetenschap als ‘godsdienst’ ervaart: je kunt God te dienen door het bestuderen en bewonderen van zijn werken.

Huygens:

“[…] En hieruit kunnen we concluderen dat de vaardigheiden en de scherpe zinnen de mensen werden gegeven, zodat zij daarmee de kennis van de natuur geleidelijk verwerven, en zij zouden zich ervan niet moeten laten weerhouden deze dingen te onderzoeken en ijverig te verkennen.”

“Maar hoe zou een mens God niet aanbidden en hoog prijzen, die deze dingen gemaakt en geschapen heeft, en wiens voorzienigheid en prachtige wijsheid hier keer op keer wordt verdedigd, en wel tegen degenen die zeggen dat de aarde werd gevormd uit willekeurige stofdeeltjes, of nooit een begin heeft gehad.”

Huygens’ natuurlijke theologie , die die schepping leest als een “boek van de natuur” kan verwijzen naar orthodox gereformeerde teksten die stellen dat we God kennen op twee manieren: ten eerste [!]  door de schepping  en ten tweede [!], door Gods woord (mijn markering;  zie ook Eric Jorink, Het ‘Boeck der Natuere’, Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping 1575-1715, p 31).

Zie ook mijn blogs:

Christiaan Huygens, Copernicanisme en katholieke kerk

Insecto-theologie

Zie ook Albert Einstein over wetenschap en religie

Meer over Christiaan Huygens


Read more..

Huygens, Van Leeuwenhoek, Swammerdam: de wereld onder het microscoop

19 comments

Christiaan Huygens paste zijn theoretisch interesse voor de optica en zijn praktisch interesse voor het slijpen van lenzen niet alleen toe op telescopen, maar ook op microscopen. De microscoop gaf in de 17e eeuw een belangrijke toegang tot een nieuwe wonderwereld.

Vorig jaar werden in het Museum Boijmans en in het Museum Boerhaave in Leiden mooie foto’s ‘getoond, onder meer van micro-organismen, in de tentoonstelling “Schoonheid in de wetenschap”.

 

Zijn leven lang heeft Huygens zich samen met zijn broer Constantijn jr. geïnteresseerd voor microscopen; een belangstelling en fascinatie, die zij overnamen van en deelden met hun vader Constantijn. Vader Constantijn Huygens was bevriend met Descartes en studeerde, net als zijn zoon Christiaan, theorie en praktijk van de optica. Huygens onderzocht ook zelf  microscopisch kleine plantjes en diertjes, en ontwierp ook een speciale microscoop om de haarvaten in vissestaarten te kunnen bekijken, de zgn. aalkijker.

In zijn Cosmotheoros schrijft Christiaan over de fascinerende wereld onder het microscoop: aderen, bloedkringloop, zaadcellen (“zeer levendig diertjes”): “een zaak, die verwonderlijk is, en van alle eeuwen onbekend was”.

“[…] Voornamentlijk ook [noemen wij] dat wonder gebruik van ’t glas, in de natuur der dingen te doorzien, na de uitvindingen van het Verrekijk- en Vergroot glas [Microscopium].
[…] lk zoude hier nog veel konnen aanlassen wegens de veelvuldige leering en kennisse van de natuur der dingen […] van den omloop des bloeds door slag- en bloedaderen, die voor dezen wel begrepen wierd, maar onlangs door het Vergrootglas zelfs met de oogen begonnen is gezien te werden in de staarteinden van sommige Vissen: gelijk ook van de voortteling der Dieren, waar omtrent bevonden is dat ’er geen geboren worden dan uit zaad van haar’ s gelijken; en dat het zelve ook waar is van de Kruiden: zelfs dat in het mannelijk zaad ontallijke duizenden van zeer levendige diertjes bespeurt worden, welke, naar alle waarschijnelijkheid, de regte afzetzels der Dieren zijn: een zaak, die verwonderlijk is, en van alle eeuwen onbekend was.”

Huygens onderhield contact met de microscopenbouwer en microbioloog Antoni van Leeuwenhoek(1632-1723).

Huygens heeft  voor de Académie Royale des Sciences een Franse samenvatting vervaardigd van de eerste brief van Van Leeuwenhoek over micro-organismen (1676) en liet hij ook aan zijn mede-leden van de Académie zaaddiertjes en diverse micro­organismen zien met een door hemzelf ontworpen en vervaardigde microscoop.

Volgens de toen populaire theorie van de spontane generatie ontstaat leven uit levenloos materiaal (Huygens noemt het geloof dat muizen uit aarde ontstaan). Van Leeuwenhoek, die zelf zaadcellen onder de microscoop kon waarnemen, verwierp net als Huygens deze theorie.

(Over Huygens en de microscoop zie ook de publicatie van Museum Boerhave)

Christiaan Huygens, evenals zijn vader Constantijn en Huygens’ vriend Leibniz, werden geïnspireerd door de collecties van de natuuronderzoeker Jan Swammerdam, die als eerste systematisch gebruik maakte van de microscoop en 1675 een natuurgeschiedenis van de insecten publiceerde. Voor Swammerdam was de natuur een bijbel, en was het bestuderen van de wonderwerken der natuur godsdienst. Bij hem, net als bij Christiaan Huygens, vindt men de physicotheologische gedachte dat Gods bestaan kan worden afgeleid uit de structuur van de natuur zelf.

Jan Swammerdam, Bijbel der Nature, Oog van en bij

Voltaires  sciencefiction   Micromégas knoopt aan bij Christiaan Huygens, Jan Swammerdam en Leeuwenhoek die in Voltaires verhaal op verschillende manieren  (thema: de wereld onder het microscoop en in het telescoop) impliciet en expliciet genoemd worden.

Zie mijn vertaling von Voltaires Micromégas met kommentaar.

 

Meer over Christiaan Huygens



Read more..

Saturnus aan de zuid-oostelijke nachthemel

2 comments

Gisteravond kon ik vanuit mijn balkon Saturnus zien en zelfs een simpel fotootje maken met Saturnus naast de ster Spica uit het sterrenbeeld Maagd.

Saturnus gaat in het oosten op en staat staat om 24.00 vrij laag aan de zuidoostelijke hemel, vandaar ook een stukje van een boom. Saturnus staat links; Spica rechts


Saturnus ( symbool -een sikkel voor de zaadgod Saturnus- zie hier links)  en Spica (alpha virginis) , de best zichtbare ster in het sterrenbeeld Maagd

 


Read more..

Maanbewoners of planetenbewoners: Kepler versus Christiaan Huygens

14 comments

Maanbewoners of planetenbewoners: Kepler versus Christiaan Huygens

Kijk naar de volle maan vannacht: er lijken er toch echt gebouwen op te staan!  (zie ook deze overtuigende blog)            

Christiaan Huygens had voor zijn populair-wetenschappelijk verhaal Cosmotheoros  (1695, uitgebreid zie hier) intelligente planetenbewoners nodig, als didactisch hulpmiddel, voor de aanschouwelijkheid en voor de perspectivische beschrijving. Huygens beweert dat de planetenbewoners astronomische waarnemingen doen zoals wij, en kan dus het zonnestelsel vanuit hun perspectief beschrijven.

 

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto: Maria Trepp

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto: Maria Trepp

 

Buitenaardse astronoom

Huygens is niet de eerste die het perspectief van buitenaardse wezens gebruikt om een aanschouwelijke wetenschappelijke beschrijving te geven, die het copernicaans systeem ondersteunt en uitlegt. Johannes Kepler, de ontdekker van planetaire beweging, heeft in zijn kleine wetenschapsfictie Somnium Astronomicum “(1634, postuum, download hier de Duitse Tekst van Keplers Somnium (pdf)), waarnaar Huygens in Cosmotheoros verwijst, wetenschappelijke kennis, mythologie en fantasie gecombineerd. Kepler werd hierbij geïnspireerd door de antieke auteur Lucian, en in het bijzonder door Plutarchus’ “Maangezicht“. Beide teksten, en dan vooral Plutarchus, dienden ook Huygens als klassieke bronnen.

De leer van Copernicus wordt aanschouwelijk en begrijpelijk als men bedenkt hoe het zonnestelsel voor een buitenaardse waarnemer uitziet. Kepler en Huygens hebben met hun visies en met speelse en verbazingwekkende details al geanticipeerd op de huidige ruimtemissies.

Keplers  Somnium, gepubliceerd in 1634, maar geschreven in 1609 en handschriftelijk in omloop, is het eerste literaire werk, dat – geïnspireerd door de copernicaanse wetenschap-  buitenaardse wezens in de ruimte tot thema maakt, in Keplers geval maanbewoners.

Hoewel Keplers schrift in tegenstelling tot Christiaan Huygens’ Cosmotheoros duidelijk fantastische trekken heeft,

kan men ook belangrijke parallellen tussen de teksten vaststellen. De eerste zin van Kepler, waarmee hij zijn “droom” introduceert is: “Toen in het jaar 1608 de ruzies tussen de broers Keizer Rudolph en aartshertog Matthias hun hoogtepunt bereikten, […]”

De context van oorlog en ellende verbindt Kepler en Huygens, net als de kritiek op de samenleving en de afkeer van gewapende conflicten. Huygens is altijd een optimist, die zich bijna waant in een Leibnizianische “beste van alle werelden“, en hij kan in alle euvel nog wel iets goeds vinden. Het optimisme laat hem echter bij de gedachte aan het buskruit in de steek:

Wy hebben ook het Buskruid, een stoffe, met zwavel en salpeter gemengd, en wy kennen daar van ’t verscheiden gebruik ’t welk men met regt mag twijfelen of het meer goed dan quad doet. Want door derzelver wondere kragt, en door de konstrijke wetenschap van de Vestingbouwkonst  der steden, scheen men een wisser toeverlaat, dan oulinks bekend was, tegen viandlijke aanvallen gevonden te hebben: maar teffens zien wy, dat ook het geweld der vianden is aangegroeit, en dat de Dapperheid en kragt in ’t strijden nu minder in achting komt, dan voorhenen [….] zoo dat men daarom alleen mag zeggen, dat de menschen de uitvinding van het Buskruid liever mogten ontbeert hebben.”

Buskruit en bommen schieten bijna Huygens’ niet aflatend optimisme kapot: een echte uitdaging. Voor Huygens net als voor Kepler geeft het buitenaards perspectief de gelegenheid om de aardse conflicten te relativeren, en biedt dit perspectief een kans om de zinloosheid van de oorlog aan de kaak te stellen. Huygens:

Hier uit kan men verstaan hoe groot de ruimtens van die ronde lichamen zijn, en hoe klein, ten haren opzigte, het Klootje der Aarde is, waar in wy menschen zoo veel voor hebben, zoo veel t’ scheep varen, en zoo vele oorlogen voeren. ’t Welk te wenschen was dat onze Koningen en Alleenheerschers leerden en bedagten; op dat zy mogten weten, in wat een kleine zaak zy hun zelven afslooven, als zy om een hoek lands in te nemen, tot groot verderf van velen, alle hunne kragten inspannen.”

Kepler beschrijft de maan als het land “Levania”. Hij maakt een onderscheid tussen de maanbewoners die aan degene kant van de maan wonen, die de naar de aarde wijst, en de bewoners die op de andere zijde wonen, die afgekeerd is van de aarde, en die dus de aarde nooit zien. De eerste noemt hij “Subvolvaner,” de laatste “Privolvaner”. “Volva” is bij Kepler de aarde die zich om de eigen as draait voor de ogen van de bewoners van de maan, van Latijns volvere (draaien): in tegenstelling tot de maan draait de aarde “pirouettes” om haar eigen as. 

De passage van Huygens in de Cosmotheoros over de eventuele maanbewoners en hun kijk op de aarde is zeer vergelijkbaar met degene van Kepler, maar Huygens is sceptisch over de existentie van maanbewoners;  hij vindt maanbewoners veel onwaarschijnlijker dan planetenbewoners, omdat hij, anders dan Kepler, ervan overtuigt is dat op de maan geen water is. Ook gelooft Huygens in tegenstelling tot Kepler niet in gebouwen op de maan:

 Kepler nam uit die rondheid der dalen een bewijs, dat dit overgroote gebouwen waren van de Maanlingen, die met Reden werken: dog dat is teenemaal ongeloofelijk, eensdeels om de al te groote grootheid van die gevaartens, ten anderen, om dat dergelijke ronde holtens uit natuurlijke oorzaken konnen gemaakt werden. Maar ik vind ’er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [Starrekenners] het  tegendeel gevoelen.”

Maar in de volgende passage – waar Huygens beschrijft dat de aarde vanuit de maan gezien altijd op dezelfde plek “hangt” – volgt Huygens Keplers beschrijving:

“De Maan-kloot is by henluiden in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien, zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voorkomt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder [=horizont] afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen [=polen] ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven.”

De Aarde vanuit de maan

In maanbewoners en hun gebouwen wil Huygens niet echt geloven, maar dat zit anders met planetenbewoners en hun gebouwen. Volgens Huygens hebben de planetenbewoners mogelijk nog veel mooiere gebouwen dan wij. We mogen niet denken, dat de “dwaalsterrelingen” alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen: “Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?

 

 

In de Cosmotheoros  verwijst Huygens meerdere malen naar Kepler. Niet alleen naar Keplers vertelling “Somnium“, maar ook – uiteraard- naar de belangrijke wetten van Kepler,

“[,,,] de zonderlinge waarneming van Kepler, hoe dat de afstandigheden der Dwaalstarren (onder die des Aardrijks) van de Zon met de tijden der Omloopen van my gemeld, in een zekere evenredigheid overeenkomen, welke evenredigheid men daarna bevonden heeft, dat ook de Trawanten van Jupiter en Saturnus ten haren opzigte behouden.”

Maar Huygens uit zich ook zeer kritisch en uitvoerig over Keplers voorstelling van het universum en de vaste sterren. Hij protesteert tegen de mening van Kepler, dat “de zon iets speciaals zou zijn in verhouding tot alle andere sterren”. Kepler verdedigde nog steeds de bijzondere positie van de mens, van de aarde en van de zon in het universum; hij neemt dus nog niet het radicaal gedecentraliseerde standpunt van Huygens in

Een andere versie van deze tekst staat ook op mijn Duitse blog over Huygens


Read more..

Toverlantaarn en toverlantaarnplaatjes van Christiaan Huygens

5 comments

Toverlantaarn en toverlantaarnplaatjes van Christiaan Huygens

Museum De Lakenhal laat een verzameling 18e eeuwse plaatjes zien: sprookjes, tronies en landschappen, samen met originele toverlantaarns.
Een toverlantaarn (Lanterna Magica) is een apparaat waarmee doorzichtige afbeeldingen geprojecteerd kunnen worden. Het is dus in feite de voorloper van de diaprojector.

Christiaan Huygens heeft in 1659 een toverlantaarn gebouwd met lenzen en spiegels, waardoor de lantaarn veel beter werkte dan eerdere schaduw-versies zonder lens. Huygens zelf vond de laterna magica nogal kinderachtig en hechtte er weinig waarde aan. Toch heeft hij ook een paar schetsen voor toverlantaarnplaatjes gemaakt, geïnspireerd door de dodendans van Hans Holbein (afbeeldingen hieronder komen uit de Oeuvres complètes en uit Christiaan Huygens,  “Over het oog en het zien”–  deze plaatjes worden niet getoond in de Lakenhal!)


Toverlantaarn Laterna Magica Christiaan Huygens

Laterna Magica Christiaan Huygens

Hier een schets van een laterna magica door Christiaan Huygens, met van links naar rechts: holle spiegel,   lamp,   glazen lens,   doorschijnend plaatje,  andere lens en muur. Een laterna magica van Huygens is te zien in het Huygens-Museum in Hofwijck (foto hier)

Toverlantaarn Laterna Magica Christiaan Huygens

plaatjes van Christiaan Huygens

Toverlantaarnplaatjes Christiaan Huygens: Dodendans na Hans Holbein

Huygens zelf had al een eenvoudig bewegingseffect bereikt door snel twee beelden achtereen te tonen: het door hem getekende geraamte dat op het volgende plaatje beleefd zijn hoofd afneemt, zou zelfs een ware klassieker worden.” (Info Museum Boerhaave

Holbein laat op zijn dodendanstekeningen zien dat de dood alle leeftijden en maatschappelijke standen bedreigt.

Holbein Totentanz voorbeeld voor Christiaan Huygens

Holbein Totentanz voorbeeld voor Christiaan Huygens

Het was toen gebruikelijk dat toverlantaarnplaatjes gemaakt werden naar voorbeeld van prenten, bijvoorbeeld van Jan Luyken, Leonardo da Vinci, Jacques Callot en Pieter Bruegel.

In de Lakenhal worden onder meer plaatjes uit het atelier Musschenbroek getoond, een verzameling van de vroegste en mooist geschilderde toverlantaarnplaten ter wereld, bijna drie eeuwen geleden hier in Leiden gemaakt in het atelier van de instrumentenmakersfamilie Musschenbroek. De beelden variëren van ambachten en landschappen tot lachwekkende dwergen en apen, groteske koppen en vreemde Comedia dell’Arte-figuurtjes.

08-08-2012  Wetenschap en vermaak : Toverlantaarns

Op zondag 12 augustus, de laatste dag van de tentoonstelling Toverlantaarns in Museum De Lakenhal, wordt in samenwerking met Museum Boerhaave een programma vol vermaak en wetenschap gewijd aan de toverlantaarn.

 

Maria Trepp

Christiaan Huygens ontdekt Saturnusmaan Titan

1 comment

25 en 26 maart 1655 Christiaan Huygens ontdekt Saturnusmaan Titan

Saturnus met ring en maan Titan

Saturnus met ring en maan Titan

 

Christiaan_Huygens-painting

Christiaan_Huygens

Christiaan Huygens heeft zijn waarnemingen van Saturnus opgeschreven in zijn wereldberoemde tekst “Systema Saturnium” uit 1659. Daar verklaart hij niet alleen de verschijningsvormen van de ringen van Saturnus, maar beschrijft hij ook de “begeleider” van Saturnus die hij heeft gezien, de grootste maan van Saturnus, die later door anderen “Titan”werd genoemd. Eerder had Huygens al in een schriftje met de titel “De Saturnio Luna Observatio Novazijn waarnemingen over de begeleider van Saturnus openbaar gemaakt.

De originele tekst “Systema Saturnium” in het Latijn en een Franse vertaling plus alle afbeeldingen staan op de site van dbnl

Christiaan Huygens schrijft over de ringen en de maan van Saturnus:

“Waarnemingen aangaande Saturnus

Welnu, op 25 maart 1655 volgens de Gregoriaanse kalender, ongeveer om 8 uur ‘s avonds, zag ik Saturnus met de armen naar twee kanten volgens een

Christiaan Huygens Systema Saturnium

Christiaan Huygens Systema Saturnium

rechte lijn uitgestrekt. Op ongeveer drie boogminuten afstand naar het westen bevond zich een klein sterretje a, in een zodanige positie dat als door beide armen een rechte lijn zou worden getrokken deze het sterretje zou raken, of in elk geval op heel korte afstand onderdoor zou passeren. Naar het oosten stond een ander sterretje b, iets verder van Saturnus verwijderd, en veel lager ten opzichte van de lijn van de armen. En op dat moment vermoedde ik voor de eerste keer dat ster a Saturnus begeleidde, omdat ik hem ook andere keren in zijn nabijheid had gezien, op ongeveer dezelfde plaats.”

“De volgende dag, te weten 26 maart, bevond de ster a zich in dezelfde positie en op dezelfde afstand ten opzichte van Saturnus, maar b stond twee keer zo ver als eerst. Daaruit volgde, omdat de afstand tussen de sterretjes a en b groter was geworden, dat in elk geval een van beide een dwaalster was. En ik besloot dat dit noodzakelijk ster a moest zijn, omdat ik wist dat Saturnus in deze tijd in retrograde beweging was. Ster a had zich dus kennelijk in dezelfde richting als Saturnus bewogen, want anders had hij nu veel dichterbij moeten zijn. Er was echter geen reden om de andere, b, niet voor een vaste ster te houden. Sterker, het was logisch om hem als zodanig te beschouwen, want hij had zich in een dag zover van Saturnus verwijderd als diens beweging vereiste. En dat de zaak inderdaad niet anders was werd door de volgende waarnemingen aangetoond.

In het originele manuscript zijn veel (latere) schetsen van Saturnus en zijn begeleider te zien die Huygens heeft gemaakt, zoals deze:


Huygens legt op verschillende data zijn waarnemingen van de begeleider van Saturnus nauwkeurig vast, en in “Systema Saturium” beschrijft hij dan ook hoe hij de omloopstijd berekent:

“Toen ik de waarnemingen van de eerste paar maanden naging bevond ik dat Saturnus door zijn maan wordt omgelopen in een tijd van ongeveer zestien dagen. Want op de plaats waar deze maan op 25 maart 1655 werd gezien bleek hij zestien dagen later, dus op 10 april, te zijn teruggekeerd. Evenzo werd hij op 3 en 19 april van hetzelfde jaar op dezelfde plaats waargenomen, net als op de 13de en 29ste van die maand. Toen ik dit had vastgesteld maakte ik een cirkel die de baan van de begeleider weergaf met Saturnus in het midden, in zestien stukken verdeeld, zoals bijgevoegde figuur laat zien



Langs deze cirkel wordt de begeleider omgevoerd volgens de orde van de tekens [van de dierenriem]. Ik stelde dit niet omdat enige waarneming mij daartoe dwong, maar omdat ook onze maan en de begeleiders van Jupiter in die richting bewegen. Toen naderhand echter de hypothese waarmee de verschijnselen van de hengsels worden verklaard was bevestigd, bleek dat ik deze beweging terecht zo had bepaald.”

C.D. Andriesse schrijft in zijn ietwat sentimentele Huygens-biografie “Titan kan niet slapen” (Andriesse noemt Huygens “Titan”) over de manier waarop Huygens zijn prioriteit bewaakte: net als Galilei het eerder had gedaan, met een anagram.

“Naar sterrenkundigen in Londen en Praag zond Christiaan Huygens een anagram dat bestond uit een vers van Ovidius en de letters uuuuuuu ccc rr h n b q x. Het vers was: ‘Admovere oculis distantia sidera nostris’ (Verre sterren bewegen naar onze ogen). Wie vermoeden kon waar dit anagram over ging, wist al die letters te rangschikken tot: ‘Saturno luna sua circumducitur diebus sexdecim horis quatuor’
(Om Saturnus draait zijn maan in zestien dagen en vier uren)

Het objectief van de telescoop waarmee Huygens Titan voor het eerst heeft gezien, met het erin gegraveerde anagram,  wordt bewaard in het Utrechts Universiteits­museum.

christiaan-huygens-admovere-lens.jpg

christiaan-huygens-admovere-lens

 

Meer over Christiaan Huygens


Read more..

Christiaan Huygens over buitenaardse wezens

16 comments

Vanavond gaat het op Labyrint radio over buitenaardse wezens en hoe met hen te communiceren.

 In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) stelt Christiaan Huygens dat de planeten bewoond zijn.

Net als veel van zijn tijdgenoten was Huygens overtuigd van het bestaan van buitenaardse wezens, zelfs op de andere planeten van ons zonnestelsel. Volgens hem gaat het hierbij om vernuftige wezens, die in alles, van lichaamsbouw tot zinnesorganen, sociale organisatie, wetenschappelijke en artistieke vermogens vergelijkbaar zijn met mensen:

“Ik zie, dat byna niemand der gener, die maar ter loops hier over hunne bedenking nemen, in twijfel getrokken heeft, of men in de Dwaalstarren eenige aanschouwers mag stellen; juist niet menschen, gelijk wy zijn, maar nogtans dieren, die reden gebruiken.[…] “

Het gene my derhalven meest beweegt te gelooven, dat in de Dwaalstarren geen redelijke dieren ontbreken, is dit, dat de voortreffelijkheid en heerlijkheid van onze Aarde al te groot boven andere zou zijn, indien zy alleen van dat Dier voorzien was, ’t welk zoo verre alle dieren, ik zwijge de aardgewassen. te boven gaat, dat Dier; ’t welk in zig iets goddelijks heeft, waar door het weet, verstaat, en ontallijke dingen geheugt; dat Dier; het welk bequaam is om de waarheid te overwegen, en te oordeelen; eindelijk om wiens wille alles wat de Aarde voortbrengt, schijnt toebereid.”

Huygens denkt ook na over verschillen tussen de planetenbewoners: zullen degene die dichter bij de zon wonen slimmer zijn dan anderen? (uitvoerig zie hier).
Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros”  (hier de tekst online) lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

(zie hier meer over de ironie in “Cosmotheoros”)

Met de hulp van analogie-”bewijzen” kan Huygens aantonen, dat de buitenaardse wezens astronomie en wiskunde bedrijven en ook musiceren en zich bezig houden met details van de muziektheorie, in mooie huizen wonen en zich ook moreel op ons niveau bevinden.

 

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

Christiaan Huygens Cosmotheoros buitenaardse wezens aliens foto Maria Trepp

 

Later hebben Lessing en Immanuel Kant weer leuke parodieën op Huygens en zijn buitenaardsen en zijn analogie-“bewijzen” geschreven; wie hier meer over wil weten kan het nalezen in mijn Duitse tekst over Huygens.

Brandpunt had een paar maanden geleden een item over het SETI-institituut ( “Search for Extraterrestrial Intelligence”) in California en de zoektocht naar buitenaards leven.

Kosmoloog Paul Davies, een medewerker van het SETI heeft een boekje geschreven over de vergeefse speurtocht van het SETI-institituut:

The eerie silence/ Are we alone in the universe? (2010)

Davies bekritiseert het SETI  vanwege de antropocentrische en naïeve werkwijze van het instituut. Hij beargumenteert dat buitenaards leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet kunnen voorstellen.

Maar omdat wij nog helemaal niet weten hoe leven ontstaat en ook niet hoe waarschijnlijk het is dat het leven überhaupt ontstaat kunnen we helemaal niets zeggen over de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.

In het hoofdstuk A brief history of aliens komt ook Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros langs.  

Een filosofisch en artistiek interessante en uitermate hilarische vraag – die blijkbaar ook vanavond in het Labyrintradio zal worden aangeraakt-  is : wat zouden wij aardbewoners willen mededelen aan de eventueel gevonden extraterrestrials, en in welke taal, op welke wijze?

Bijvoorbeeld zo: Pioneer Gouden Plaat ?

Davies is van mening dat de beste taal voor communicatie met aliens de wiskunde zou zijn.

Wiskunde als de taal van het universum. Ook Galilei en Huygens waren al ervan overtuigd, dat het universum geschreven is in de taal van de wiskunde. De wiskunde was voor Huygens en voor zijn vriend Leibniz al belangrijker dan God, omdat God volgens hen niet zonder de wiskunde kon.

Over buitenaardse wezens, Christiaan Huygens, Leibniz enz. zie ook Voltaires filosofische vertelling Micromégas


Read more..

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief