Archive for the ‘ Astronomie ’ Category
Gisteravond kon ik vanuit mijn balkon Saturnus zien en zelfs een simpel fotootje maken met Saturnus naast de ster Spica uit het sterrenbeeld Maagd.

Saturnus gaat in het oosten op en staat staat om 24.00 vrij laag aan de zuidoostelijke hemel, vandaar ook een stukje van een boom. Saturnus staat links; Spica rechts

Saturnus ( symbool -een sikkel voor de zaadgod Saturnus- zie hier links) en Spica (alpha virginis) , de best zichtbare ster in het sterrenbeeld Maagd
Read more..
Kijk naar de volle maan vannacht: er lijken er toch echt gebouwen op te staan! (zie ook deze overtuigende blog)
Christiaan Huygens had voor zijn populair-wetenschappelijk verhaal Cosmotheoros (1695, uitgebreid zie hier) intelligente planetenbewoners nodig, als didactisch hulpmiddel, voor de aanschouwelijkheid en voor de perspectivische beschrijving. Huygens beweert dat de planetenbewoners astronomische waarnemingen doen zoals wij, en kan dus het zonnestelsel vanuit hun perspectief beschrijven.
Read more..
Christiaan Huygens heeft zijn waarnemingen van Saturnus opgeschreven in zijn wereldberoemde tekst “Systema Saturnium” uit 1659. Daar verklaart hij niet alleen de verschijningsvormen van de ringen van Saturnus, maar beschrijft hij ook de “begeleider” van Saturnus die hij heeft gezien, de maan die later door anderen “Titan”werd genoemd. Eerder had Huygens al in een schriftje met de titel “De Saturnio Luna Observatio Nova” zijn waarnemingen over de begeleider van Saturnus openbaar gemaakt.
Read more..

Schoorsteen E-on Leiden met samenstand Venus en Jupiter
.. zo goed als het kon met mijn camera….
zie ook Christiaan Huygens en de planeet Venus
Vandaag wordt in een lezersbrief in de NRC beweerd dat Christiaan Huygens’ slingeruren de geografische breedte op zee hadden moeten bepalen.
Slingeruur Huygens/Coster Museum Boerhaave
Maar dat is niet zo.
Het is onjuist dat bij de plaatsbepaling ter zee voor Huygens en zijn tijdgenoten het vaststellen van de geografische BREEDTE het probleem geweest zou zijn. De breedte kon men in de tijd van Huygens namelijk met de hulp van de positie van de sterren en een sextant vaststellen, maar de geografische LENGTE niet.
Aardglobe Willem Blaeu 1670 Museum Boerhaave
Hiervoor moest men de tijd nauwkeurig kunnen meten: op het moment dat de zon de hoogste stand heeft bereikt stelt men vast hoe laat het is op een klok die de tijd laat zien van de haven van waaruit men is vertrokken. Uit het tijdsverschil kan men de lengte berekenen: één uur tijdsverschil staat voor 15 graad verschil in lengte (360 graad = 24 uur) .
Christiaan Huygens deed veel pogingen om de tijd op zee te laten meten met behulp van verschillende modellen van slingerklokken, en ook met klokken met een spiraalveer in plaats van een pendel.

Huygens uurwerk met spiraalveer, Museum Boerhaave
Het lukte meestal niet, vanwege het slingeren van het schip en/of de temperatuurschommeling.
Pas in 1761 heeft John Harrison een chronometer geconstrueerd, waarmee de aardrijkskundige lengte nauwkeurig bepaald kon worden en ontving hij de beloning van 20.000 pond die het Engelse parlement had belooft aan diegene die als eerste een betrouwbare methode zou vinden om de tijd te meten.
Zie ook Christiaan Huygens’ originele tekst K O R T O N D E R W Y S Aengaende het gebruyck Der H O R O L O G I E N Tot het vinden der Lenghten van Oost en West
Maria Trepp
Op 24 december 2011 werd een versie van deze tekst geplaatst in de wetenschapsbijlage van de NRC als ingezonden brief.
“Imagine zooming in over the surface of Mars, sweeping over sand dunes and circling around the rims of craters – all from your home desktop.
With HiView, the image-viewing tool recently released by the High Resolution Imaging Science Experiment, or HiRISE, team at the University of Arizona’s Lunar and Planetary Lab, you can do just that. “
Info:
http://www.physorg.com/news/2011-12-google-earth-mars-explore-red.html
Download: http://hirise.lpl.arizona.edu/hiview/
Kijk ook vooral naar de “Syrtis major”
Christiaan Huygens heeft als eerste een oppervlaktedetail van een andere planeet beschreven, de Syrtis Major op Mars.

In zijn Systema Saturnium (1659) heeft hij geschreven en getekend:

“Ook in Mars heb ik in 1656 een enkele zone […] waargenomen, zeer breed, die het middelste deel van de schijf verduisterde, zoals de bijgaande afbeelding laat zien.”
Het leven op Aarde is sterk afhankelijk van het bestaan van seizoenen. Ik heb nog niets kunnen vinden over de ashelling van Kepler-22-b, al lijkt het erop dat deze “tweelingsaarde” mogelijk ook seizoenen kent.

De seizoenen op Aarde komen tot stand door het feit dat de Aardas scheef staat:
De Aarde beweegt rond de Zon op een baanvlak dat ecliptica wordt genoemd. De as van de Aarde staat scheef op dit vlak (met een hellingshoek tussen equator en omloopvlak van 23,45°).
De gekantelde as blijft in een evenwijdige stand, terwijl de Aarde zich om de zon beweegt.


Licht van de zon op de aarde in de seizoenen
Christiaan Huygens bespreekt in zijn Cosmotheoros (zijn laatste boek van 1698 waar hij uitgebreid het leven op andere planeten beschrijft) ook de seizoenen op de andere planeten.
Eerst Merkurius. Deze planeet staat dicht bij de zon en is erg moeilijk te observeren. Huygens wist niet of er jaargetijden op Merkurius waren, dus of de as van Merkurius scheef staat- maar naar wat we nu weten heeft Merkurius geen ashelling en geen seizoenen. Over de jaargetijden van Venus zegt Huygens niets. We weten nu dat deze planeet bijna geen ashelling heeft. Op Mars is er volgens Huygens geen verschil tussen winter en zomer omdat Mars volgens Huygens niet “scheef” staat- maar dit klopt niet, Mars is ongeveer net zo gekanteld als de Aarde. Maar wél klopt het wat Huygens over Jupiter schrijft: deze planeet heeft volgens hem geen jaargetijden, en inderdaad, Jupiter heeft bijna geen askanteling; de rotatie-as staat bijna loodrecht op het omloopvlak.
En Saturnus dan, Huygens’ lievelingsplaneet:
Daar zijn de verschillen tussen zomer en winter nog groter dan op de Aarde, omdat de as van Saturnus sterker gekanteld is dan die van de Aarde. Huygens, die overtuigd is van de existentie van “Saturnusborgers” maakt zich toch een beetje zorgen of de polen van Saturnus vanwege de kou wel bewoonbaar kunnen zijn…
Deze tekst staat ook op mijn Duits blog en op mijn Engelse blog
Maria Trepp www.passagenproject.com
Johannes Kepler en Christiaan Huygens schreven allebei –half schertsend, half serieus- over eventuele astronomen op andere planeten. Huygens onderstreepte in zijn Cosmotheoros dat wij mensen nooit mogen veronderstellen dat de planetenbewoners minder kunnen of minder ontwikkeld zijn dan wij, dus zullen ze ook wel de astronomie bedrijven.
Astronoom op Kepler 22-b
Dus, de astronomen op onze tweelingplaneet Kepler-22b, wat zien zij, als zij, net als wij, nu op dit moment hun tweeling planeet hebben ontdekt? Laat ons aannemen dat zij betere telescopen hebben dan wij, en heel goed kunnen inzoomen op de Aarde.
Kepler-22b is 600 lichtjaren van de Aarde verwijderd.
Ze zien de Aarde aan het begin van de 15e eeuw.
Ze zien de ontdekkingsreizigers varen over de zeeën.

Dat zal hun hart sneller laten kloppen, want vast kennen onze tweelingen dat ook: ontdekkingsreizen, schipvaart.
Christiaan Huygens in zijn Cosmotheoros:
“Voorts indien het oppervlak van hun kloot bij henluiden [=planetenbewoners] zo verdeeld is, dat een gedeelte van ’t zelve in land, een gedeelte in zee bestaat, […] hebben wij zeer grote reden om te denken, dat zij ook t’ scheep varen: anderzins zouden wij zoo groot en zo nut een zaak niet zonder laatdunkendheid onzen Aardkloot alleen toeschrijven.”

Dit blog staat ook op mijn Duitse webblog over Huygens:
en op mijn Engelse blog
Maria Trepp www.passagenproject.com
Brandpunt had gisteren een item over het SETI-institituut ( “Search for Extraterrestrial Intelligence”) in California en de zoektocht naar buitenaards leven.
SETI?? Dat was toch opgeheven dacht ik?
SETI is al jarenlang op zoek naar buitenaards leven, maar moest in april wegens financiële problemen noodgedwongen de deuren sluiten. Maar ik zie nu dat het instituut de zoektocht kan voortzetten door donaties onder meer van Jodie Foster.
Kosmoloog Paul Davies, een medewerker van het SETI heeft een boekje geschreven over de vergeefse speurtocht van het SETI-institituut:
The eerie silence/ Are we alone in the universe? (2010)
Davies bekritiseert het SETI vanwege de antropocentrische en naïeve werkwijze van het instituut. Hij beargumenteert dat buitenaards leven, als het al bestaat, een vorm kan hebben die wij ons niet kunnen voorstellen.
Maar omdat wij nog helemaal niet weten hoe leven ontstaat en ook niet hoe waarschijnlijk het is dat het leven überhaupt ontstaat kunnen we helemaal niets zeggen over de waarschijnlijkheid van buitenaards leven.
In het hoofdstuk A brief history of aliens komt ook Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros langs, zie ook mijn blogs over aliens bij Huygens
Christiaan Huygens en Immanuel Kant over Hermapolieten/Mercuriusbewoners
Christiaan Huygens: ironie over de Nieuwe Aarde
Een filosofisch en artistiek interessante en uitermate hilarische vraag – die ook bij Brandpunt wordt aangeraakt- is : wat zouden wij aardbewoners willen mededelen aan de eventueel gevonden extraterrestrials, en in welke taal, op welke wijze?

Pioneer Gouden Plaat
Davies is van mening dat de beste taal voor communicatie met aliens de wiskunde zou zijn.
Wiskunde als de taal van het universum. Ook Galilei en Huygens waren al ervan overtuigd, dat het universum geschreven is in de taal van de wiskunde. De wiskunde was voor Huygens en voor zijn vriend Leibniz al belangrijker dan God, omdat God volgens hen niet zonder de wiskunde kon.
Tweet
In het nieuw gerenoveerde planetarium Leidse Sphaera zit de dierenriem verkeerd om, zo meldt de Volkskrant vandaag.
“De fout dateert al van ruim zestig jaar geleden, aldus hoofd collecties Hans Hooijmaijers. De Sphaera raakte tijdens de Tweede Wereldoorlog beschadigd tijdens een bombardement, en moet kort daarna zijn gerepareerd. Op een foto uit 1930 zit de Dierenriem nog goed; een opname uit 1948 laat zien dat de twaalf sterrenbeelden in de verkeerde volgorde zijn gemonteerd. “
De volgorde van de sterrenbeelden moet spiegelbeeldig zijn, zodat het perspectief van buiten juist is. Op deze soort hemelsglobe gaat het namelijk om de blik van buiten.
Leidse Sphaera dierenriem met Ram en Vissen
Niemand had de verkeerde, want niet-spiegelbeeldige opstelling opgemerkt… behalve de wetenschapsjournalist van de Volkskrant Govert Schilling.
Leidse Sphaera, dierenriem, Waterman en Steenbok
De dierenriem is bekend uit de astrologie, in verband met het geloof dat de tekens van de dierenriem symbool zouden staan voor de invloed die de sterren en planeten op het leven van de mens kunnen uitoefenen; maar ook de astronomie werkt(e) met de dierenriem, voor de beschrijving van de stand van de planeten.
Christiaan Huygens schrijft bijvoorbeeld in Systema Saturnium (1659) dat het uitzien van Saturnus en zijn ring ervan afhankelijk is in welk sterrenbeeld deze te zien is:
“Wij vinden evenwel dat de meest samengeknepen schijngestalte van de ring valt op 20 graden in Virgo en Pisces, zoals wij verderop zullen aantonen, en de breedste derhalve op 20 graden in Gemini en Sagittarius.” (zie hier uitvoerig over Christiaan Huygens en zijn verklaringen van de schijngestalten van Saturnus).
In zijn eigen planetarium (zie uitvoeriger hier) heeft Huygens daarom ook de symbolen van de dierenriem aangegeven bij een heel dunne buitencirkel. De dierenriem loopt van rechts naar links, zodat dat het perspectief vanuit de zon en de aarde dus klopt.
Hier een uitsnede uit het planetarium Huygens met het teken Stier/Taurus.
Planetarium Christiaan Huygens dierenriem Taurus
De volgorde op het planetarium Huygens is dezelfde als bij de Leidse Sphaera nu, passend bij een astronomische blik van binnenuit (vanuit de modelaarde).
Hier de schets van de planetarium met dierenriem die Huygens zelf maakte en die qua volgorde overeenkomt met de huidige opstelling van de dierenriem in de Leidse Sphaera:

Met dank aan Govert Schilling voor nadere uitleg!
In het museum Boerhaave in Leiden is sinds gisteren een schitterend gerestaureerd planetenmodel te zien: de Leidse Sphaera, het planetarium dat de Rotterdamse klokkenmaker Steven Tracy in 1650 construeerde.
Planetarium Leidse Sphaera, kleine planeten
Planetarium Leidsche Sphaera, Saturnus met ring, en op de ring bobbeltjes die de manen moeten voorstellen. De ring met manen is een toevoeging van 1710. Het was Christiaan Huygens die de ring van Saturnus had verklaard en de de eerste maan van Saturnus had ontdekt (publicatie 1659), maar Tracey verwerkte deze gegevens blijkbaar niet.
Planetarium Leidse Sphaera, Jupiter met manen.
Vlakbij staat het qua uitzien simpelere planetarium dat Christiaan Huygens zelf in 1682 heeft laten bouwen; niet met bollen, maar kleine halfbolletjes in een vlak. Wel met bewegende planeten in eccentrische kringen, die ellipsen benaderen. Huygens’ planetarium wordt aangedreven door een onrust met spiraalveer; ook een bijzondere uitvinding van Huygens.
Allebei horen bij de bijzondere Copernikaanse schaalmodellen uit de 17e eeuw, waarvan er niet zo heel veel zijn.

Planetarium Christiaan Huygens, Museum Boerhaave

Planetarium Christiaan Huygens, banen van de kleine planeten
Huygens zelf schrijft hierover:
`Wijzelf echter, … hebben een zoodanig Planetarium laten maken, dat wij daarmede door een klein aantal in elkaar grijpende raderen bereikt hebben, dat op het oppervlak van een platte tafel de lichamen der vijf primaire Planeten rondom de Zon, en evenzoo dat der Maan rondom de Aarde, hunne banen konden beschrijven, in dezelfde tijden waarin zij dat in den hemel) doen, en wel in zoodanige excentrische banen, dat deze de ware afmeting en den waren stand der hemelbanen weergeven, met behoud van de bij elk daarvan bestaande ongelijkheid der bewegingen, waardoor zij zich sneller bewegen in minder ver van de zon verwijderde gedeelten, waarbij wij ook nog rekening gehouden hebben met de kleine afwijking tusschen het vlak hunner banen en dat van de Ecliptica of van de Aarde. Zoodat, afgezien van de bevalligheid van het schouwspel, men daaruit ook de standen van de Planeten kan leeren kennen, niet slechts de oogenblikkelijke, maar ook de toekomende en de verledene, als uit een eeuwigdurenden kalender; en bovendien hun aller conjuncties en opposities, zoowel ten opzichte van de zon als ten opzichte van elkander, en dit des te nauwkeuriger naarmate het werk op grooter schaal is uitgevoerd.`
`Het is dan een achthoek uit hout samengesteld, met een diameter van twee voet en een diepte van zes duimen. Deze is op zoodanige wijze aan den muur opgehangen, en bevestigd aan de zich aan de linkerzijde bevindende assen, dat het toestel, als men dit wenscht, omgekeerd en aan de achterzijde geopend kan worden, waardoor het inwendige zichtbaar wordt.`
`Aan den voorkant ziet men een blad van verguld koper dat de geheele voorzijde van den achthoek vormt en bedekt is met spiegelglas; op dat blad zijn de banen der planeten volgens het systeem van Copernicus, maar volgens de proporties van Kepler, aangegeven en geheel uitgesneden, zoodat door die gleuven kleine pinnen rondgaan, met behulp waarvan de bollen der Planeten, tot halve bollen gereduceerd, boven het blad en als het ware op het oppervlak daarvan rondgevoerd worden, waarbij Saturnus vijf, Jupiter vier satellieten met zich voert, en de Aarde een (welke onze Maan is). Deze satellieten zijn daarbij geplaatst op dezelfde schijfjes als de lichaampjes der Planeten. Ik heb namelijk ook aan de overige Planeten die geen manen hebben, toch zulke schijfjes gegeven die den omringenden aether moeten aangeven en tevens dienen om de Planeten beter zichtbaar te maken.`
Huygens schrijft over manen rond Jupiter en Saturnus, maar ik kan deze niet ontdekken in zijn planetarium. Misschien waren deze gepland maar werden niet ingebouwd?
Het planetarium van Huygens loopt overigens beduidend nauwkeuriger dan de Leidse Sphaera.
Zie ook mijn overige teksten over Christiaan Huygens
Dit blog staat in het Duits op mijn Duitse webblog over Christiaan Huygens
Literatuur: E. Dekker, De Leidsche Sphaera, Leiden, 1985
Maria Trepp
De planeet Mercurius wordt het komende jaar minutieus doorgelicht en opgemeten door de ruimtesonde Messenger.

Mercurius
In de 17e eeuw waren veel onderzoekers en filosofen van mening dat op de planeten intelligent leven existeert.
Christiaan Huygens neemt in zijn “Cosmotheoros“, zijn laatste tekst (1698), planeet voor planeet onder de loep en denkt na of en hoe intelligent leven op zo’n planeet eruit ziet.
Huygens ergert zich zeer aan de jezuiet Athanasius Kircher die de karakter van planeten schetst met de astrologisch-mythologische kennis in zijn hoofd:
“In Merkurius vond hy [Athanasius Kircher] ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden.”
Huygens daarentegen gebruikt zijn astronomische kennis om tot gissingen over de aard van de Mercuriusbewoners te komen.
Op Mercurius moet het erg heet zijn, schrijft Huygens, omdat deze zich zo dicht bij de zon bevindt. Maar hij sluit niet uit de wezens op Mercurius aan die hitte zijn aangepast, en dus over ons op Aarde een beetje zo denken als wij over de Saturnus -bewoners: hoe koud en donker moet het daaaar voor hen niet zijn!
Huygens:
“…wy weten, dat Merkurius driemaal nader aan dat groote Gestarnte [de zon] komt als onze Aarde. Waar uit volgt, dat deszelfs ingezetenen de Zon ook driemaal grooter zien, ter zake van den Middellijn, en haar ligt en warmte negenmaal grooter voelen dan wy; zulks dat ze voor ons ondragelijk zou zijn, als welke drooge kruiden, hooy en stroo, zoo als die by ons groeijen, in brand zou steken. Maar ’t kan wel wezen, dat de dieren, die daar leven, zoo gesteld zijn, dat zy in die hitte een gewenschte gematigdheid voelen; en dat de kruiden van dien aart zijn, dat ze de kragt der Zonne veel meer konnen uitstaan. Ook zou ’t niet wonder zijn, dat de inboorlingen van Merkurius meinden dat wy van een onlijdelijke koude geknelt wierden, en weinig ligt hadden, om dat wy zoo veel te verder van de Zon af zijn; gelijk wy ons van de Saturnus-bewoners ligtelijk inbeelden. Daar ontbreekt wel geen reden van twijfelen, dewyl het leven afhangt van de warmte, die aan het lichaam en verstand kragt en wakkerheid geeft, of niet deze Merkurius-bewoners, van wegen de nabyheid van de Zon, geacht mogen werden ons in verstand te overtreffen?”

Dus zijn de Mercuriusbewoners soms slimmer dan de Saturnusbewoners? Nee, dat wil Huygens niet geloven:
“Dog dat ik die niet geloove, is daarom, om dat de volkeren, die de Warmste landen van onze Aarde bewonen, in Afrika en Brazijl, in wijsheid en schranderheid by de inwoners van gematigder landstreken niet konnen halen; ’t welk ook daar uit blijkt, om dat zy byna van alle wetenschappen en konsten onkundig zijn, en dat zelfs de genen, die aan de stranden wonen, maar een zeer kleine kennisse van de Scheepvaart hebben. Ik zoude ook den ingezetenen van Jupiter en Saturnus daarom geen lompe plompe verstanden, of een bevattelijkheid, minder dan de onze, toeschrijven, om dat zy zoo veel te verder van de Zon afleggen, nademaal beide die Klooten van zulk een voortreffelijke grootte zijn, en, met zoo groot een trawantschap verzeld, worden omgevoert.”
Immanuel Kant heeft een tekst over het Heelal geschreven (Allgemeine Naturgeschichte und Theorie des Himmels) , waar hij bewonderend op Huygens ingaat. Een satirisch aanhangsel bij deze tekst “Von den Bewohnern der Gestirne“ wordt door veel mensen serieus genomen, maar ik lees deze tekst als parodie op Huygens.
Kant draait hier Huygens’ argumentatie [=de afstand van de zon maakt voor de intelligentie niets uit] parodistisch om: hoe verder weg van de zon, hoe intelligenter de planetenbewoners. Kant komt tot de satirische conclusie, dat voor de domme Mercurianer een hottentot al een genie zoals Newon zou zijn, en de Saturnusbewoners Newton als een domme aap zouden beschouwen…
Buitenaards cultuurrelativisme. Met de impliciete verachting voor de Afrikanen bij Huygens en Kant moeten we maar leven.
Uitvoeriger over Kants Huygens-parodie: klik hier voor mijn Duitse tekst
Zie ook:http://www.passagenproject.com/christiaan_huygens_en_zijn_cosmotheoros.html
Maarten Keulemans meldt vandaag in de Volkskrant dat hij een wetenschappelijk tijdschrift zal beginnen, het Journal of Extraterrestrial Studies.
”Buitenaardse microben, virussen uit de ruimte, verdachte codeboodschappen in uw dna. Ook voor al uw ontkrachtingen van relativiteitstheorie en bewijzen voor koude kernfusie.”
Ik heb alvast een historische bijdrage voor zijn tijdschrift: “Christiaan Huygens over buitenaardse astronomen en musici”.
In zijn laatste tekst “Cosmotheoros” (1698, postuum) stelt Huygens dat de planeten bewoond zijn.

Met de hulp van analogie-”bewijzen” kan Huygens aantonen, dat de buitenaardse wezens astronomie en wiskunde bedrijven en ook musiceren en zich bezig houden met details van de muziektheorie, in mooie huizen wonen en zich ook moreel op ons niveau bevinden.

Alien ontbijt
Huygens werd door veel denkers en wetenschappers serieus genomen.
Ik lees Huygens’ teksten over buitenaardse wezens als een mooie satire, en als een parodie op Descartes. Huygens is net zo serieus als Keulemans.
Huygens was Cartesiaan en ging in veel van zijn onderzoeken uit van de theorieën van Descartes, maar eindigt in zijn laatste tekst met een scherpe kritiek op verschillende aspecten van het denken van Descartes. Een van de dingen die Huygens het meest afstoten aan Descartes is het feit dat Descartes zijn gissingen en ficties als waarheden verkocht. Naar mijn mening geeft Huygens aan zijn Descartes-kritiek een ironische vorm door het cartesiaanse denken (= verwarren van hypotheses en zekerheden) in de praktijk te brengen in zijn eigen argumentatie over buitenaardse wezens.

Alien Muziek
Later hebben Lessing en Immanuel Kant weer leuke parodieën op Huygens en zijn buitenaardsen en zijn analogie-“bewijzen” geschreven; wie hier meer over wil weten kan het nalezen in mijn Duitse tekst over Huygens.
In het Leidse Museum Boerhave wordt een selectie foto’s getoond uit de grote tentoonstelling “Schoonheid in de wetenschap” in het Museum Boijmans.
Een van de getoonde foto’s laat hoge resolutie radarbeelden van het oppervlak van de planeet Venus zien. Ik moest aan Christiaan Huygens’ Cosmotheoros denken, aan zijn beschouwingen over schoonheid en wetenschap, en aan Huygens’ vergeefse pogingen om iets van het Venus-oppervlak kunnen te zien.

Oppervlaktestructuren op Venus
Huygens heeft met zijn lange kijkers van meer dan 15 Meter naar Venus en haar schijngestalten gekeken, en hij zag geen vlekken of landschappen, alleen een glanzend oppervlak- wat hij ook deed, bijvoorbeeld de lenzen donkerder maken met rook. Hij concludeerde dat Venus door dikke Wolken moest zijn bedekt.

Planeet Venus
Wikipedia: “Venus gaat altijd schuil onder een zeer dik wolkendek van fijne druppels zwafelzuur. Van bovenaf gezien zorgt dat voor een grote helderheid (albedo) doordat het wolkendek veel zonlicht weerkaatst. Vanaf de Aarde is Venus hierdoor met het blote oog beter zichtbaar dan welke ster dan ook en als zodanig na de maan het helderste object aan de ochtend- of avondhemel.”
Huygens : “Maar ik hebbe my dikwils verwondert, als ik met lange Kijkers van 45 of 60 voeten de Dwaalstarre Venus bekeek, naby aan d’ Aarde, en niet ongelijk een halve Maan, of die haar hoornen begint te krommen, dat deszelfs oppervlakte met een gansch eenparige glans overdekt was; dermate, dat ik naauwlijks zou durven zeggen, iets daar in bespeurt te hebben, ’t gene na eenige vlek geleek, hoedanige nogtans klaarlijk gemerkt worden in Jupiter en Mars, schoon zy in een veel kleiner rondte voorkomen. Want indien in den Kloot van Venus Zeen en Landen waren, zoo moesten wy de Zee-streken duisterder, en de Landstreken helderder zien; gelijk de Zee, van zeer hooge rotsen bekeken, niet zoo helder als het daar om gelegen land schijnt. Ik geloofde dat de al te groote glans van Venus de oorzaak was, waarom de verscheidenheid des ligts zoo wel niet konde vernomen werden: maar wanner ik het glas, dat digtst aan mijn oog was, met rook had bezwalkt, om een gedeelte der stralen wech te nemen; scheen het ligt egter in de gansche oppervlakte even eenparig. Zijn daar dan geen Zeen, of word het Zonligt meer als by ons van ’t water, en minder van d’ aarde, wederom gekaast. Of zou daar wel een dikker Dampgewest als in Jupiter of Mars zijn (en dit schijnt my geloofelijkst) ’t welk, van de Zon verligt, en den Kloot van Venus omringende, byna al dat ligt, dat we zien, na ons weder toe keert, en het onderscheid van d’ ondergelegene Zeen en Landen bezwaarlijk toelaat te merken?”
Venus heeft net als de maan schijngestalten en is in verschillende gedaantes te zien (Huygens “en niet ongelijk een halve Maan, of die haar hoornen begint te krommen”) . Galilei was de eerste die de schijngestalten van Venus (voorspeld door Copernicus) had waargenomen.

animatie
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
Kranten en blogs berichten over de NASA Stardust-missie langs de komeet Tempel 1- voor mij een gelegenheid om uit het perspectief van de zeventiende eeuw over kometen te schrijven.
In de zeventiende eeuw werden ongewone natuurverschijnselen zoals kometen op een nieuwe wijze geïnterpreteerd.
Eric Jorink over deze tijdsperiode in “Van omineuze tot glorieuze hemeltekens”: “Overal in Europa werd de komeet door natuurfilosofen, theologen en leken nauwlettend gevolgd, en verschenen er honderden verhandelingen waarin men speculeerde over de aard en – vooral- de betekenis van dit wonderbaarlijke hemelteken.”
Jorink citeert ook Christaan Huygens, die op 27 december 1680 vanuit de Académie des Sciences in Parijs aan zijn vader Constantijn schreef:
“Ik heb nog nooit een komeet van een dergelijke grootte gezien. Vandaag was rondom het observatorium hier een enorme menigte mensen verzameld, die geloofde dat de astronomen dit verschijnsel konden verklaren, en de betekenis ervan konden geven”.
En C.D. Andriesse citeert in zijn Huygens-biografie ook uit deze brief van Christiaan Huygens:
“Er is al enige tijd sprake van een komeet, maar tot gisteravond kon men hier niets zien. Tegen 5 uur, toen de hemel was opgeklaard, stond ze daar, verbazend helder en de erg lange staart (praktisch over de halve hemel) was markant. Zo’n sterke komeet heb ik van mijn leven niet gezien.“
Huygens senior wijdde een gedicht, Cometen-werck, aan het opmerkelijke fenomeen:
|
Ick vraegh, waer hoort sij thuijs die vreeslicke Comeet,
Daer elck soo veel af snapt en elck soo weinigh weet
Sij wandelt om en om: wie dreight sij meer of minder
Een Coningh sterft in ‘t Oost: daer over treurt men ginder.
|
Andriesse: “De vraag was of de komeet die in december ineens boven Parijs verscheen, ook al kort gezien was in november. [Huygens] dacht van niet. Evenals Giovanni Cassini en zovele anderen hield hij vast aan het vooroordeel dat kometen langs rechte lijnen gingen. Maar die van november was, langs de zon scherend, van richting veranderd om een maand later weer in de buurt van de Aarde te komen. […] “
In zijn Cosmotheoros en ook in andere schriften valt Huygens Descartes aan, en diens hypothese over kometen, maar zelf had Huygens het ook niet goed doorzien. Het was Newton die in zijn Principia de parabolische baan van de komeet (later genoemd Halley-komeet) beschreef.
Jorink: “[…] de komeet van 1680-1681 wordt algemeen gezien als een keerpunt in het denken [over kometen]. In deze jaren publiceerden de Franse filosoof Pierre Bayle en de Nederlandse predikant Balthasar Bekker hun geruchtmakende aanvallen op wat zij als achterlijk bijgeloof beschouwden. Hun destijds heftig omstreden geschriften worden dan ook veelal gezien als een radicale breuk met het verleden en als het begin van de Verlichting. Het werk van Bayle en Bekker wordt vaak in direct verband gebracht met de observaties die de befaamde natuurfilosofen Isaac Newton en Edmund Halley van de komeet verrichten. Na veel rekenwerken concludeerden de Engelsen dat deze een parabolische en dus voorspelbare baan moest doorlopen. Ook hun activiteit wordt gezien als een breuk met het verleden.”

Komeet in het het tapijt van Bayeux

Giotto, Komeet over de stal van Bethlehem

William Turner, Komeet, 1858

Wassily Kandinsky, Komet, 1900
Hier nog een prachtige time lapse van komeet Lovejoy;
Maria Trepp
“Wetenschap en schoonheid” is een actueel thema (zie de tentoonstelling in het Museum Boijmans).
Het waarnemen en beschrijven van schoonheid is een hoofdelement in Christiaan Huygens’ laatste tekst, “Cosmotheoros” (1698, zie hier voor een uitvoerige inleiding en samenstelling van eerdere blogs).
“Cosmotheoros” is een lange brief van Christiaan Huygens aan zijn oudere broer Constantijn jr., Christiaans vriend, vertrouwde en naaste medewerker. In het begin van deze openbare brief geeft Huygens zijn motivatie om te schrijven. Hij haalt hierbij de astronoom Archytas aan, die had gezegd:
“By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen”.
Dus Huygens wil in zijn laatste tekst vooral vertellen over al de schoonheid die hij had waargenomen.
Hij beschrijft de schoonheid en de versieringen (planten, beesten) op Aarde, en het vermogen van de mens om schoonheid te genieten: “[De mens] bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; [hj] eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; [..] schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen.”

Tegelijk komt Huygens er altijd op terug: deze schoonheid kan niet alleen voorbehouden zijn aan onze Aarde, deze schoonheid zal zeker op de andere planeten en in andere sterrenstelsels ook te vinden zijn:
“Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde?”
En schoonheid alleen op de planeten is niet genoeg, Huygens is er van overtuigd dat er ook bewoners moeten zijn die de schoonheid kunnen waarnemen: “[…] dat in die gewesten [=op de planeten] aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen”.

En om schoonheid waar te kunnen nemen moet men kunnen zien (al schrijft Huygens later ook uitvorig over de schoonheid van muziek). Het vermogen om te zien is voor Huygens van hoogste waarde; bij de mensen, en bij de “planetenbewoners”, die naar zijn mening dus ook zeker ogen moeten hebben: ‘”En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.”
De ware schoonheid wordt naar Huygens niet door de naïeve beschouwer waargenomen, maar door de wetenschapper: “Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnigere denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten?”
Het criterium van schoonheid past hij toe als hij nadenkt over het voorkomen van water op andere planeten: het zou vanwege de schoonheid doorzichtig moeten zijn: “Ik zegge nogtans niet dat dat Water [op de planeten] het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is.”
Toch vindt hij dat men schoonheid niet met conventie moet verwarren. Als de planetenbewoners anders uitzien dan wij, dan mogen wij hun niet om esthetische redenen kleineren: “Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt, die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.”
We mogen ook niet denken, dat de “dwaalsterrelingen”, de planetenbewoners, alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen: “Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?”

Ergerlijk vindt Huygens het, als men, zoals de jezuïet-astroloog Athanasius Kircher, alleen de planeet Venus schoonheid toe wil schrijven, en Huygens’ lievelingsplaneet Saturnus als vies en lelijk neerzet. Nee, juist de grote planeten Saturnus en Jupiter met vele manen en Saturnus met zijn ring- die zijn pas mooi!

En Huygens besluit zijn laatste tekst “Cosmotheoros” met het beschrijven van andere sterrenstelsels:
“Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.”
Meer over Christiaan Huygens
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
De laatste tekst die Christiaan Huygens (1629 – 1695) schreef, het filosofisch schrift “Cosmotheoros” of “Wereldbeschouwer” (1698, postuum gepubliceerd), heeft de vorm van een brief aan zijn oudere broer Constantijn jr. , geboren 1628 – een jaar voor Christiaan -, en gestorven 1697, twee jaar na Christiaan.

Titelpagina Cosmotheoros
De titelpagina van de “Cosmotheoros” vermeldt de geadresseerde broer Constantijn als secretaris van stadhouder-koning Willem III. Toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd, werd Constantijn jr. aangesteld als zijn secretaris.
In de Cosmotheoros-brief klaagt Christiaan Huygens dan ook over de lange afwezigheid van Constantijn in Engeland, en betreurt deze afwezigheid, omdat de broers -die verbonden waren door een hechte vriendschap en wetenschappelijke samenwerking – dan niet verder konden werken aan hun telescopen en niet samen naar de sterren konden kijken.


Christiaan (links) en Constantijn Huygens jr
Christiaan Huygens schrijft een lange brief, om zijn broer te verheugen met een tekst over “buitenaardse” dingen, maar het is duidelijk – en Christiaan schrijft het ook zelf- dat de tekst ook voor andere geïnteresseerden is bedoeld. De tekst hoort thuis in een hele reeks van 17e-eeuwse populairwetenschappelijke publicaties die het Copernicaanse systeem wilden ondersteunen.
Christiaan herinnert zijn broer in deze openbare brief aan het gemeenschappelijk vervaardigen van lenzen en van telescopen, en aan het plezier dat de broers daarmee hadden. Hij herinnert zijn broer ook aan de steeds langere telescopen die de beiden samen hadden gebouwd.
De broers maakten telescoopobjectieven met steeds grotere diameter en brandpuntsafstand. Omdat deze zeer lange telescopen onder hun eigen gewicht verbogen leidde dat tot hun uitvinding van de buisloze telescoop: het objectief was op een paal gemonteerd; het oculair was op een statief geplaatst.

Wikipedia: “Constantijn presenteerde in 1690 een objectief met een diameter van 190mm, en een brandpuntsafstand van 37,5 m aan de Royal Society[4], die nog steeds zijn handtekening draagt. De Royal Society heeft ook twee andere zeer lange brandpuntsafstand telescoopobjectieven verworven in 1725, beide gemaakt door Constantijn.”
Van de site van het Museum Boerhave kan een publicatie worden gedownload “Een vernunftig geleerde”, over de technische vondsten van Christiaan en Constantijn Huygens.
Uit het hoofdstuk over “Kijkers”:
“Sterrenkijkers zouden Christiaan Huygens gedurende zijn hele leven fascineren. Per slot van rekening was zijn faam te danken aan de ontdekking van de helderste
maan en de ring van Saturnus. Die had hij waargenomen met kijkers waarvan hij de lenzen samen met zijn broer Constantijn had geslepen.”
“Naarmate beide broers de lenzenslijpkunst beter onder de knie kregen, werden hun kijkers steeds langer. Een kijker van 23 voet volgde in het najaar van 1655 en nog langere zouden in de daaropvolgende jaren gemaakt worden. Vooral tussen 1683 en 1687 slepen zij veel lenzen voor kijkers met grote brandpuntafstanden, tot wel 210 voet toe.
In eerste instantie ontwikkelden de gebroeders Huygens steeds langere kijkers om grotere hoekvergrotingen mogelijk te maken, maar zij probeerden tegelijkertijd ook de hinderlijke kleurschifting (chromatische aberratie) in hun lenzen te beperken.”
Zie ook
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
Vandaag schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”
Hij schrijft:
“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”
Zijn ironie is prachtig en herinnert mij aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.
Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.
Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros” (hier de tekst online) lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

Alien astronoom
In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.
Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.

Alien ontbijt
Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“
Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef – hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.

Alien Muziek
Zie ook:
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Voor wie het nog niet weet: de brand in Moerdijk was astrologisch gezien het gevolg van de eclips een dag daarvoor:
“De horoscoop voor het begin van de 4 jan. eclips – getrokken voor de locatie Moerdijk – heeft een ascendant van 1 graad 09 Waterman. De midhemel voor de brand is 9 graden 29 Waterman. Er zit hier maar 8 graden tussen. Als de eclips exact is – locatie Moerdijk – is de ascendant zelfs 5 graden 48 Waterman. Het is misschien ook mogelijk – als de brand iets eerder dan 14.30 begon – dat we aardig richting een exacte conjunctie gaan.”

Toeval of niet, kort geleden heb ik nog een blog geplaatst over de astrologiekritiek van Christiaan Huygens.
Mijn astrologiekritiek zal vast ook wel in mijn horoscoop hebben gestaan, ik ben ram, dus een vuurteken.
Ik begrijp alleen maar niet waarom het in Leiden niet heeft gebrand, waar toch bij ons en bijna nergens elders de duivel zijn vurige horens duidelijk zichtbaar boven de horizon heeft opgestoken.

De duivel zijn horens aan de Leidse horizon
Ik kom hier later nog vandaag met de astrologiekritiek van de Duitse filosoof Adorno. Adorno betoogt juist dat het grootste probleem met de astrologie het a-politieke en maatschappelijk onkritische denken is.
Maria Trepp
In zijn “Cosmotheoros“(1698) keert zich Christiaan Huygens scherp tegen de astrologie. Dit verbaasde mij omdat ik dacht dat astrologie en astronomie in de 17e eeuw nog goed samen gingen.

Bij mijn speurtocht naar historische kritiek op de astrologie vond ik veel interessant materiaal. Niet alleen natuurkundigen zoals Descartes en Huygens keerden zich tegen de astrologische volksverlakkerij. Ik vond ook dat een aantal Lutherse dominees al in het begin van de 17e eeuw fel ten strijde was getrokken tegen de dwaalleer van de astrologie (voorbeeld: Henning Friedrich, Gründliche Widerlegung der Abergläubischen Astrologorum, 1624).
Zelf kom ik uit een dynastie van Lutherse dominees, dus ha! Dat vond ik leuk, al ben ik geheel seculariseerd (van ons vijf kinderen is er geen theoloog meer, voor het eerst in acht generaties: wij zijn juristen, dokters, psychologen en letterkundigen) – al ben ik verslaafd aan kerkmuziek, vooral natuurlijk Bach.

De indruk dat astronomie en astrologie nog goed samen gingen in de 17e eeuw ontstaat vooraal door Kepler en door Newton. Maar Kepler had een beperkend-kritische visie op astrologie, en Newton was blijkbaar weliswaar theoloog en alchimist, maar keerde zich toch tegen de astrologie. Wikipedia: “It is a commonly held belief among astrologers that Isaac Newton had an interest in astrology. However, Newton’s writings fail to mention the subject and the handful of books in his possession that contained references to astrology were primarily concerned with other subjects such as the writings of Hermes Trismegistus (and mentioned astrology only in passing). In an interview with John Conduitt, Newton said that as a young student, he had read a book on astrology, and was “soon convinced of the vanity & emptiness of the pretended science of Judicial astrology”.
Huygens schrijft in de Cosmotheoros:
“[…]de Starrekragtkunde [=Astrologie] om daar uit aanstaande dingen te voorspellen, welke geen wetenschap, maar een zekere ellendige dweepery is, achte ik niet noemenswaardig […]

Boos gaat Huygens tekeer tegen de jezuïet Athanasius Kircher, die astrologie en astronomie vermengt in zijn boek “Ekstatische reis‘ (titelblad zie hierboven):
“Van daar vervalt hy [Athanasius Kircher] tot nog andere grooter ongerijmdheden. Want om dat hy zelfs van de Dwaalstarren, in ons Stelsel begrepen, geen ander gebruik weet, keert hy zig tot overlang uitgestampte beuzelingen van de starrekijkers [=Astrologen] , en wil dat zoo vele en zoo groote gevaartens van lichamen ten dien einde gemaakt zijn op dat door haren Verscheiden, en door zekere wetten geregelden, invloed het Heelal behouden werde, en duurzaam blijve; en op dat dezelve invloejingen daarenboven ook op de gemoederen der menschen hare kragten zouden oeffenen. Hy [Athanasius] vertelt dan, ten welgevalle van de Voorzeggingkunst uit de Starren [=Astrologie], dat in de Dwaalstarre Venus hem een geneugelijke en schoone gedaante der dingen voorquam, met een liefelijk ligt, zoetstroomend Water, zeer aangename reuk, en van alle kanten schitterend kristal, In Jupiter een gezonde en zoetriekende Lucht, zeer helder Water, en zilverglanssige Aarde: namentlijk op dat van den invloed dezer twee Starren alle voorspoedige en heilzame dingen op de Aarde en de Menschen zouden afzakken; zulks dat ze die of mooy, en minnelijk, of tot voorzigtigheid, en deftigheid genegen, zouden maken. In Merkurius vond hy ik wete niet wat voor een helderheid en levendigheid, waar uit den menschen in haar geboorte vernuft en schranderheid kan ingeboezemt werden. Maar in Mars vertelt hy alles vuil, verderfelijk, stinkend; vlammen, en rook van pik, gezien te hebben. In Saturnus niets als droevige, afschuwelijke, leelijke, en donkere dingen [...] “
Dat vond Huygens natuurlijk het allerergste, dat onder de astrologen zijn geliefde schitterend mooie Saturnus in zo’n kwaad aanzien stond.

De mythologische Saturnus vreet zijn kinderen, dus staat Saturnus in de astrologie voor melancholie en ziekte.
Dat vindt Saturnus-onderzoeker en Saturnus-fan Huygens maar nix.
Hier links Saturnus van Rubens.
zie ook
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Maria Trepp
Op ons gedeelte van de Aarde is de winter begonnen. In zijn Cosmotheoros (1698) beschrijft Christiaan Huygens hoe de jaargetijden op de Aarde tot stand komen, en hij schrijft ook over de seizoenen op andere planeten. Omdat hij daar bewoners veronderstelt, wordt het geheel zeer aanschouwelijk: God hoe koud moeten zij het daar op Saturnus niet hebben in HUN winter!!
Eerst over de jaargetijden op aarde. Huygens legt uit:
De Aarde beweegt rond de Zon op een baanvlak dat ecliptica wordt genoemd. De as van de Aarde staat scheef op dit vlak (met een hellingshoek tussen equator en omloopvlak van 23,45°).
De gekantelde as blijft in een evenwijdige stand, terwijl de Aarde zich om de zon beweegt.


Licht van de zon op de aarde in de seizoenen
Huygens bespreekt ook de seizoenen op de andere planeten.
Eerst Merkurius. Deze planeet staat dicht bij de zon en is erg moeilijk te observeren. Huygens wist niet of er jaargetijden op Merkurius waren, dus of de as van Merkurius scheef staat- maar naar wat we nu weten heeft Merkurius geen ashelling en geen seizoenen. Over de jaargetijden van Venus zegt Huygens niets. We weten nu dat deze ook bijna geen ashelling heeft. Op Mars is er volgens Huygens geen verschil tussen winter en zomer omdat Mars volgens Huygens niet “scheef” staat- maar dit klopt niet, Mars is ongeveer net zo gekanteld als de Aarde. Maar wél klopt het wat Huygens over Jupiter schrijft: deze planeet heeft volgens hem geen jaargetijden, en inderdaad, Jupiter heeft bijna geen askanteling; de rotatie-as staat bijna loodrecht op het omloopvlak.
En Saturnus dan, Huygens’ lievelingsplaneet:
Daar zijn de verschillen tussen zomer en winter nog groter dan op de Aarde, omdat de as van Saturnus sterker gekanteld is dan die van de Aarde. Huygens, die overtuigd is van de existentie van “Saturnusborgers” maakt zich toch een beetje zorgen of de polen van Saturnus wel bewoonbaar kunnen zijn…

Winter in op Aarde in Leiden
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
Vanochtend vond een totale maansverduistering plaats, al kon men het in Nederland niet goed waarnemen; meer info klik hier
Hier en foto van de partiële maansverduistering in Leiden december 2011:

Bij een totale en maansverduistering bevindt de maan zich in de schaduw van de aarde, de aarde staat dus tussen zon en maan.

Maansverduistering 2004
Op 4 januari 2011 vond een gedeeltelijke zonsverduistering plaats, hier een plaatje uit Leiden:

In Christiaan Huygens’ Cosmotheoros wordt op de grote betekenis van de maans- en zonsverduisteringen voor de geschiedenis van de astronomie gewezen: deze verschijningen zetten de mensen aan het denken.
De Oude Grieken concludeerden bijvoorbeeld dat de aarde een bol was omdat tijdens maansverduisteringen de rand van de schaduw altijd rond was.
Huygens had zich bij het schrijven van zijn wetenschapsfictie “Cosmotheoros” georiënteerd aan een wetenschappelijk-fantastisch verhaal van Johannes Kepler , “Somnium”. Ondanks veel verschillen tussen Cosmotheoros en Somnium zijn heel wat overlappingen te vinden. Beide verhalen “verkopen” het Copernicaanse systeem aan een breed publiek, met wetenschappelijke én imaginaire middelen. Beide boekjes gebruiken een sterk pedagogische kneep om het zonnesysteem aanschouwelijk te maken: zij plaatsen bewoners op planeten of maanden en beschrijven in detail wat men vanuit een andere planeet, of vanuit onze maan kan waarnemen.
Zowel Kepler alsook Huygens beschrijven hoe de aarde (bij Kepler “Volva” genoemd) vanuit de maan uitziet. Maar Kepler neemt aan, dat op de maan water vloeit, en er ook fantastische levende wezens rondspoken. Huygens gelooft niet in water op de maan en is sceptisch tegenover de gedachte van maanbewoners.
Kepler schrijft daarom uitvoeriger over het perspectief “de aarde gezien vanuit de maan” dan Huygens, en hij geeft anders dan Huygens ook ruimte aan een schildering, wat de maanbewoners bij een maansverduistering zien: een partiële zonsverduistering.
Hier de passage uit Huygens’ “Cosmotheoros” van 1698 over wat men vanuit de maan van de aarde ziet. Huygens begint uit te leggen dat de bewoners aan de “achterkant” van de maan de aarde nooit zien, aan de “voorkant”deze altijd zien. Net als Kepler beschrijft hij ook dat de maanlingen de aarde in schijngestalten zien, en dat de aarde voor hun ogen rond draait, waarbij zij meer van de aarde kunnen zien dan mensen zelf konden zien ten tijde van Huygens.

Aarde vanuit de maan gezien
“De Maan-kloot is by henluiden [=eventuele maanbewoners, M.T.] in twee Halfronden verdeeld, zoodanig, dat, die in het eene wonen, altyd het gezigt van onze Aarde genieten; die in het ander leven, dat gezigt altyd missen: behalven dat sommige, omtrent de grenzen van beiden wonende, het zelve gezigt somwylen verliezen, somwylen wederkrijgen. Zy nu, die onze Aarde zien, zien dezelve altyd in de Lucht hangende, en veel grooter dan de Maan ons voor komt, als byna met een viermaal grooter Middellijn. Maar dat is wonderlijk, dat zy dezelve altyd by nagt en dag in dezelve plaats van den Hemel, gelyk als onbewegelijk, zien hangen, sommige regt boven hun hoofd, sommige in een zekere hoogte van den Gezigteinder [horizon] afstaande, andere in den Gezigteinder zelve gelegen, en ondertussen om haar As omdraaijende, vervolgens in den tijd van vier en twintig uuren vertoonende alle de gewesten die ze behelst; en derhalven ook die (het ware te wenschen dat wy ze ook mogten zien) welke aan beide de Assen ons, Aardrijk-bewoners, nog onbekend blijven. Daarenboven zien zy haar ook in ligt aangroeijende, en in den maandelijken omloop verminderd; en aldus by beurten vol, half, en tot hoornen verkleind, met dezelve verandering van gedaantens, die de Maan-kloot aan ons vertoont.”

Halve aarde, zie tekst
“Maar het ligt, dat de Maanlingen van onze Aarde krygen, is vyftienmaal grooter als dat wy van haar ontfangen; zulks dat zy in het beste Halfrond, na ons toegekeerd, uitstekende heldere nagten hebben: nogtans kan die helderheid hen geen warmte geven, schoon Kepler van andere gedagten was. De Zon gaat by hen op, en onder, yder van onze maanden eens, en dus hebben zy dagen en nagten vyftienmaal langer als wy, en met elkanderen eenparig in een geduurige nagtevening: door welke lange dagen, nademaal de Zon van henluiden niet verder af is als van ons, noodzakelijk moet volgen, dat die gene, by welke de Zon nog boven den Gezigteinder klimt, door een ongemakkelijke hitte gebraden werden, indien hunne lichamen zoo gevoelig als de onze zijn. By die genen nu, die omtrent de gezeide samengrenzingen van de Halfronden wonen, klimt de Zon wel meest; maar die daar verre van af zijn, en omtrent landstreken wonen, welke onder de Aspunten van de Maan leggen, zullen om die lange dagen niet meer warmte voelen, als de menschen, die in de Zomer by Ysland of Nova Zembla Walvissen vangen…”
zie ook
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
maria trepp
Christiaan Huygens heeft als eerste beschreven dat de merkwaardige gestalte van Saturnus, die met telescopen werd waargenomen, moest worden toegeschreven aan een ring. De waarnemingen van Galilei en anderen leken erop dat Saturnus aanhangsels had, maar Huygens kon aantonen dat de ring Saturnus niet raakt, al lijkt het uit het perspectief vanuit aarde dat de ringen aan Saturnus als hengels of armen vast zitten. (Zie Christiaan Huygens en de ringen van Saturnus)

Ringen van Saturnus
Huygens had gelijk, en omdat hij zelf ook de toekomstige verschijningen van Saturnus met of zonder armen kon voorspellen, afhankelijk van de positie van aarde en Saturnus ten opzichte van elkaar, gaven de meeste echte kenners hem ook gelijk.
Toch was er nog een controverse over de natuur van de ring. Huygens hield stug vol, dat de ring een schijf was van een bepaalde dikte. Dat schreef hij 1659 in Systema Saturnium, en schreef hij kort voor zijn dood 1695 nog eens in Cosmotheoros.
Vincent Icke schrijft in zijn boekje “De ruimte van Christiaan Huygens” (2009):
“Wij weten nu dat de ring geen vast lichaam kan zijn en eigenlijk had Huygens dat ook kunnen weten. Een van de regels van baanbewegingen, die ook hij kende, is de Derde Wet van Kepler: de omloopstijd rondom de Zon of een planeet neemt naar buiten toe af. De binnenkant van de ring zou dus veel sneller moeten draaien dan de buitenkant, waardoor zo’n groot lichaam uiteen gescheurd zou worden. Kleinere objecten kunnen die kracht wel weerstaan, maar ook dan is er iets van te merken: de getijden.
De ringen van Saturnus zijn een flinterdunne wolk ijsgruis, zo plat dat een schaalmodel ter grootte van een bierviltje honderd maal zo dun zou zijn als een vel papier.” (p.68)
Al in de tijd van Huygens hebben een aantal mensen geopperd dat de ring uit vele kleine objecten zou kunnen bestaan zoals “sterren van ijs” . Maar Huygens geloofde daar niet in.


Artistieke impressies van het binnenste van de ijsringen van Saturnus
Deze tekst staat ook op mijn Duitse blog over Huygens
Meer over Christiaan Huygens
NASA heeft deze week een nieuwe nauwkeurige maankaart gepresenteerd.
Een mooie gelegenheid om ook eens met de ogen van de 17e eeuw, dus uit het perspectief van de tijd van de eerste telescopen, naar onze maan te kijken.
De eerste mens die de maan een beetje meer in detail kon zien en de maan mooi gedetailleerd heeft getekend was Galilei (zie hieronder links)

zie mijn blog hierover De sterrenbode: Galilei en de telescoop.
In 1647 publiceerde de Duits-Poolse astronoom en burgemeester van Danzig/ Gdansk Johannes Hevelius (een belangrijke briefpartner van Christiaan Huygens), een atlas van de maan: Selenographia sive Lunae descriptio.

Hevelius, Selenographia
Dit werk bevat 133 zeer nauwkeurige kopergravures met kaarten van de maan en van de gebruikte astronomische instrumenten.

Johannes Hevelius en zijn vrouw Elisabeth Koopmann (genoemd “de moeder van de maankaarten”) aan het observeren. Ik kom terug met een blog over haar, de eerste vrouwelijke astronoom.
Christiaan Huygens schrijft uitvoerig in zijn beroemde laatste tekst “Cosmotheoros” uit 1698 [waarvan ik nu een Duitse geannoteerde versie met inleiding maak] over de landschappen op de maan. Hij wijst de gedachte aan water op de maan af; hij schrijft dat de zogenoemde maanzeeën (=Maria ! hehehe! meervoud van mare) geen water bevatten, en hij beschrijft nauwkeurig de gaten van meteoritinslagen (zonder deze zo te benoemen natuurlijk).
Volgens Wikipedia zijn de maria eigenlijk grote vulkanische vlakten opgebouwd uit basalt.
Ook geeft Huygens aan, dat de maan geen atmosfeer heeft (dit in tegenstelling tot de van hem ontdekte Saturnusmaan Titan, maar dat kon Huygens toen nog niet weten).
[Uit Cosmotheoros, Nederlandse vertaling van Pieter Rabus op de site van de Universiteit Utrecht]
“Dit blijkt in onze Maan (zelfs met kleine Kijkers, drie of vier voeten lang) dat haar oppervlakte in vele gebergten, en wederom met zeer breede vlakke dalen verdeeld is. Want men ziet er de schaduwen der bergen aan die zyde, die zy tegen over de Zon hebben; en dikwils word men daar in zekere kleine dalen gewaar, die in bergtoppen, welke byna kringswijze staan, besloten zijn: daar dan weder een of meer bergjes in t midden uitsteken. […] ik vind er niets dat na Zeen gelijkt, schoon de gemelde Kepler, en meest alle andere [astronomen] het tegendeel gevoelen. Want in de groote vlakke landstreken, die veel duisterder als de bergachtige zijn, en welke ik zie dat gemeenlijk voor Zeen gehouden, ja met de benamingen van Oceanen verheerlijkt, worden, in die landstreken zelve, zegge ik, met een langer Verrekijker bekeken zijnde, bevinde ik, dat zekere kleine ronde holtens zijn, met binnen invallende schaduwen; en dat kan met de oppervlakte van de Zee niet over een komen: daarenboven die zelve ruime velden, als wy haar wat aandagtiger beschouwen, vertoonen geen oppervlak, dat geheel effen is. Zoo konnen het dan geen Zeen wezen, maar moeten bestaan uit een stoffe, zoo blank niet, als die, welke in de oneffener deelen is; waar in wederom sommige met een kragtiger ligt boven anderen uitmunten. Ook schijnt het my niet toe dat er eenige Rivieren in de Maan zijn: want zoo zij er waren, zy zouden de scherpzigtigheid van mijne Kijkglazen niet konnen ontslippen; ten minsten, indien zy, gelijk de meeste by ons, tussen bergen, of zeer hooge rotsen, stroomden. Daar zijn ook geen Wolken, waar uit regen zou spruiten, om aan de Rivieren vogt te verschaffen: want indien zij er waren, men zou dezelve dan het een, dan het ander Maangewest zien bedekken, en voor ons gezigt verbergen; t welk geenzins geschied, maar daar blijft een geduurige helderheid.
Het is ook blijkelijk, dat de Maan van zoodanig een Lucht, of Dampgewest, als rondom ons Aardrijk gaat, niet omringt word: om dat, zoo het daar ergens was, de uiterste rand van de Maan zoo nettelijk rondgetrokken niet zou schijnen, als ze dikwils door t onder heen gaan van eenige Starren gezien is; maar ze zou in een zeker verdwynend ligt, en gelijk als met een vezelachtigheid, eindigen: om hier nog niet te zeggen, dat de dampen van ons Dampgewest meerendeels uit waterdeeltjes bestaan, en derhalven, daar geen Zeen nog Stroomen zijn, dat daar geen overvloed van water kan opgetrokken werden. Dit groot onderscheid, het welk tussen de Maan en onze Aarde gevonden word, laat ons naauwlijks toe iets daar van te gissen. Want zoo d er Zeen en Vloeden in gezien wierden, t zoude geen klein bewijs zijn, dat het overige cieraad der Aarde haar ook wel voegde, en dat het gevoelen van Xenofanes waaragtig was, zeggende dat de Maan bewoont wierd, en een Aardrijk was van vele steden en bergen. Maar nu dunkt my niet, dat in een dorre, en ganschelijk van water beroofde, grond Kruiden of Dieren konnen leven; dewyl die haar stoffe en voedsel uit vocht moeten krijgen.”
De nieuwste maankaart van de NASA is gebaseerd op gegevens van de Lunar Reconnaissance Orbiter (LRO), die sinds een jaar om de maan draait, zie hierover www.astronieuws.nl en NASA’s LRO Creating Unprecedented Topographic Map of Moon.
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Maria Trepp
Vandaag 14-12-2010 staat een artikel in de NRC over nieuwe onderzoeksresultaten betreffende de ijsringen van Saturnus.
Ik houd al een tijdje bezig met Christiaan Huygens, zijn beschrijvingen van de Saturnus en zijn wetenschapsdichting Cosmotheoros. Ik heb in de laatste maanden een moderne geannoteerde Duitse vertaling gemaakt van de Cosmotheoros, en schrijf daar ook nog een uitgebreide inleiding bij.
Nu over het NRC artikel, dat aan een artikel op de site van Nature refereert: het gaat allemaal over het feit dat de ringen van Saturnus voor 90% uit ijsbrokken bestaan, die vermoedelijk afkomstig zijn van de ijsmantel van een ooit uit elkaar gebroken maan.
Grappig genoeg opent George Beekman, auteur van het NRC-artikel, met de zin:
“Ruim 350 jaar geleden zag Christiaan Huygens ze voor het eerst: de ringen van Saturnus.”
Beekman heeft blijkbaar noch Huygens zelf en zijn fascinerende en toegankelijke tekst over Saturnus gelezen (die niet alleen in het Latein en Frans maar ook in het Nederlands op internet te vinden is), noch de nieuwe leuke publicaties over Christiaan Huygens van de Leidse astrofysicus Vincent Icke (…tenminste als Beekman wil zeggen dat Huygens de eerste was, die de ringen zag…).
Huygens heeft de ring(en) van Saturnus namelijk niet ontdekt, maar deze als eerste correct beschreven.
Huygens zelf geeft in zijn hoofdstuk “De schijngestalten van Saturnus” (de volledige tekst staat op de site van de Universiteit Utrecht) een overzicht over de “monsterachtige” waarnemingen en de figuren van Saturnus die anderen, zoals Galilei, voor hem hebben gemaakt:
Christiaan Huygens: De schijngestalten van Saturnus (1659)
“Ik ga dus nu over tot het tweede deel van de Systema, waarin ik de reden geef voor de onbestendige en steeds wisselende vorm van Saturnus, en vervolgens ook aangeef in wat voor periode de afzonderlijke veranderingen plaatsvinden. Enkele daarvan die zich aan ons voordeden heb ik boven al uiteengezet, maar deze omvatten slechts een gedeelte van de periode. Om vast te stellen dat de volledige verscheidenheid aan verschijningen afhangt van de oorzaken die wij aanwijzen, zal het nodig zijn tevens waarnemingen van andere tijden te bestuderen, zoals ze in de afgelopen veertig jaar of langer door ettelijke mensen zijn gepubliceerd. Als ik echter al de vormen van Saturnus die zij voor onze ogen aftekenen bezie bevind ik ze zo veelvuldig en wonderlijk, dat als het er om gaat een hypothese op te stellen die van al die vormen rekenschap aflegt, naar mijn mening niemand in staat zou zijn er een te bedenken. Want voor dergelijke veelvuldige monsterachtige omzettingen valt geen enkele oorzaak aan te wijzen, tenzij dat het complete lichaam van Saturnus steeds weer een nieuwe vorm aanneemt, wat elke schijn van geloofwaardigheid mist. We moeten uit die waarnemingen dus een keuze maken en onderzoeken welke geloof verdienen, en welke integendeel als verdacht moeten worden verworpen. Nu hebben wij met onze kijkers de begeleider van Saturnus als eerste aan het licht gebracht [Huygens bedoelt de maan Titan die hij heeft ontdekt, M.T] en telkens als wij willen kunnen wij hem duidelijk ontwaren. Het lijkt ons daarom redelijk er bij het schiften van de waarnemingen van uit te gaan dat onze kijkers de voorkeur genieten boven die waarmee anderen, ook al waren ze dagelijks bezig met het waarnemen van Saturnus, niet in staat waren tot die ster door te dringen. Wanneer dus op hetzelfde tijdstip door onze kijker en de hunne verschillende schijngestalten werden vastgesteld, moeten onze waarnemingen aangaande de vorm van de planeet voor waarachtiger worden gehouden. De bijgevoegde tabel toont alle schijngestalten zoals wij ze uit de verschillende schrijvers hebben overgenomen.

De eerste van deze gedaanten is degene die Galilei optekende in 1610, waarin Saturnus drievoudig wordt gezien, met twee kleinere cirkeltjes aan beide kanten van een grotere. Ook vele anderen hebben deze gedaante gezien, of meenden in elk geval dat ze hem gezien hadden. Want als ze langere kijkers hadden gebruikt, voorzien van betere lenzen, zouden ze zonder twijfel in plaats van dit drievoudige bolvormige uiterlijk hetzelfde resultaat hebben verkregen dat wij, zoals wij zeiden, hebben gezien in 1655 en opnieuw op 13 oktober van het volgende jaar. Dat leiden wij immers daaruit af dat wanneer zich aan hen de twee flankerende bolletjes voordoen, onze kijkers ons in de lengte uitgestrekte armen vertonen. Zo gebeurde het in april en mei van datzelfde jaar 1655, toen die uit drie bollen samengestelde vorm werd waargenomen door Hevelius en Riccioli. Om duidelijker hard te maken dat ze het zo zagen vanwege de geringe grootte van de kijkers, hebben wij dit ook zelf beproefd en ondervonden dat telkens als wij Saturnus met een kortere kijker, van bijvoorbeeld vijf of zes voet, bekeken, in plaats van de genoemde armen twee bollen verschenen. Insgelijks toen hij deze schijngestalte in 1658 weer had aangenomen.”
Huygens gaat dan door met het bespreken van de verschillende schijngestalten die anderen hebben waargenomen en legt dan “de ware gestalte” van Saturnus uit. Saturnus heeft een ring om zich heen, die vanuit verschillende hoeken wordt gezien en dus in verschillende schijngestalten en vormen wordt waargenomen.

Christiaan Huygens, De ware gestalte van Saturnus
Vervolgens legt Huygens in tekst en beeld uit hoe Saturnus staat ten opzichte van de aarde tijdens zijn omloop om de zon, en hoe hij daarbij uitziet.

De schijngestalten van Saturnus verklaard door Christiaan Huygens
In het centrum van de afbeelding staat de zon, daaromheen draait de aarde, en daaromheen draait Saturnus. De buitenste ring laat de schijngestalten van elke positie zien: maximale opening van de ring op de punten A en C; en Saturnus schijnbaar zonder ring in de punten B en D, als men vanuit aarde de zijkant van de ring ziet. Waarom de ring dan helemaal verdwijnt, en niet tenminste een heel klein beetje zichtbaar is, daarover werd hevig gestreden. Hierover volgt een nieuwe blog.
Huygens schrijft in de tekst hierboven zijn eigen betere verklaring van de ring toe aan zijn betere kijker, maar Vincent Icke is in zijn boekjes over Huygens van mening dat Huygens geen betere telescoop had dan anderen, en alleen door zijn superieur theoretisch begrip de ringen beter kon waarnemen.
Christiaan Huygens en zijn Cosmotheoros
Der Cosmotheoros von Christiaan Huygens: moderne deutsche Version mit Einleitung
Bertolt Brechts toneelstuk “Leben des Galilei” draait om de telescoop.
Brechts stuk is geschreven met de hulp van historische documenten en geeft een aardige samenvatting en overzicht over de gebeurtenissen. Brechts Galilei maakt, net als de echte, slim gebruik van de Hollandse uitvinding – zowel technisch alsook commercieel.
Brechts Galilei:
“Ik heb het onbeschrijflijke geluk gehad een nieuw instrument in handen te krijgen, waarmee een tipje van de sluier van het universum kan worden opgelicht .”
Galilei was niet de eerste die probeerde de telescoop te gebruiken voor astronomisch onderzoek, maar de eerste die dit met succes deed.
In zijn boek Sidereus nuncius “Sterrenbode” van 1610 gaf Galilei een verslag en tekeningen van zijn ontdekkingen met de verrekijker.
Hier een van Galileis mooie tekeningen van de maan:

Brecht heeft Galileis tekst over zijn revolutionaire ontdekkingen omgezet in een dialoog.
Galileis vriend Sagredo ziet de maan door de kijker:
“SAGREDO (door de telescoop kijkend, halfluid) De sikkelrand is volkomen onregelmatig, gekarteld, oneffen. Op het donkere gedeelte, vlakbij de lichte rand, zijn lichtere plekken. Ze komen de een na de ander te voorschijn. Van daaruit kruipt het licht langzaam in de richting van de grotere lichtgevende helft, waar het ten slotte mee samenvloeit.
GALILEI Hoe verklaar je die lichtvlekken voor jezelf?
SAGREDO Maar dat kan niet.
GALILEI Toch is het zo. Het zijn bergen.
SAGREDO Op een ster?
GALILEI Reusachtige bergen. Waarvan de toppen door de opgaande zon verguld worden, terwijl het rondom, op de berghellingen, nog nacht is. Je ziet het licht van de hoogste toppen naar de dalen om- laagkruipen.
SAGREDO Maar dat is in tegenspraak met tweeduizendjaar astronomie.
GALILEI Zo is het. Wat je ziet heeft buiten mij nog geen mens gezien. Jij bent de tweede.
SAGREDO Maar de maan kán geen aarde zijn met bergen en dalen, net zo min als de aarde een ster kan zijn.
GALILEI De maan kán een aarde zijn met bergen en dalen, en de aarde kán een ster zijn. Een doodgewoon hemellichaam, één onder duizenden. Kijk nog eens. Is de donkere helft van de maan volslagen donker?
SAGREDO Nee. Nu ik erop let, zie ik dat er een zwak, askleurig licht over valt.
GALILEI Wat kan dat voor licht zijn?
SAGREDO …
GALILEI Het komt van de aarde.
SAGREDO Dat is onzin. Hoe kan de aarde licht geven met al zijn gebergten en bossen en zeeën, een koud hemellichaam?
GALILEI Zoals de maan licht geeft. Omdat die twee sterren allebei beschenen worden door de zon, daarom geven ze zelf licht. Wat de maan voor óns is, dat zijn wij voor de maan. En hij ziet ons één keer als sikkel, één keer als een halve cirkel, één keer vol en één keer helemaal niet .
SAGREDO Dan zou er dus geen verschil tussen de maan en de aarde zijn?
GALILEI Blijkbaar niet. ”
—————————————————————————
En over de manen van de Jupiter, door Galilei ontdekt, maakt Brecht deze dialoog:
“GALILEI Sagredo, ik vraag me af. Sinds eergisteren vraag ik ‘t me af. Daar heb je Jupiter. (hij stelt de kijker in) Er staan namelijk vier kleinere sterren vlakbij hem, die je alleen door de kijker kan zien. Ik zag ze maandag, maar nam niet speciaal notitie van hun stand. Gisteren keek ik weer naar ze. Ik had kunnen zweren, dat ze alle vier anders stonden. Ik heb hun stand genoteerd. En ze staan wéér anders. Wat is dat? Ik zag er toch vier. (opgewonden
Kijk zelf!
SAGREDO Ik zie er drie.
GALILEI Waar is de vierde? Daar zijn de tabellen. We moeten uitrekenen, wat voor baan ze beschreven kunnen hebben.
Ze gaan opgewonden aan het werk. Het wordt donker op het toneel, men blijft echter aan de ronde horizon Jupiter en zijn begeleidingssterren zien. Als het weer licht wordt, zitten ze nog steeds aan tafel, hun winterjassen aan.
GALILEI Het is bewezen. De vierde kan alleen achter Jupiter verdwenen zijn, waar je hem niet kan zien. Daar heb je nu een ster, waar een andere omheen draait. ……”
Hier Galileis originele aantekeningen:

—————————————————————————-
In scene 4 bij Brecht probeert Galilei vergeefs de Florentijnse geleerden zo ver te krijgen om door de telescoop te kijken. De geleerden willen dat niet, omdat zij aan de theoretisch-theologische, on-empirische “waarheid” van Aristoteles gehecht zijn.
Brechts Galilei:
“De waarheid is het kind van de tijd, niet van de autoriteit.”
Galilei heeft uiteindelijk onder druk van de kerk afgezworen. Bij Brecht doet hij dat met de beroemde uitspraak:
“Ongelukkig het land, dat helden nodig heeft. “
Maar Galileis laatste belangrijke boek (Discorsi e dimonstrazioni matematiche intorno a due nuove scienze; Verhandlingen en wiskundige bewijzen rond twee nieuwe wetenschappen) werd het land uit gesmokkeld, naar Holland en werd in 1638 in Leiden gedrukt.
Inmiddels heeft Galilei zelfs van de kerk gelijk gekregen, die geen tegenstelling meer ziet tussen haar eigen leer en die van Galilei.