Wetenschap Kunst Politiek

Persoonlijkheidsverandering in de loop van het leven

no comment

Nieuw onderzoek toont aan dat de persoonlijkheid in de loop van het leven verandert.

Wat bepaalt de acties van mensen? Velen van ons verklaren menselijk gedrag intuïtief met persoonlijkheidskenmerken: dus met een karakteristiek patroon van denken, voelen en gedrag, dat redelijk stabiel is en in verschillende situaties constant blijft.

Om persoonlijkheidskenmerken woedt sinds 1960 een fel wetenschappelijk debat: sommige psychologen beweren dat een bepaalde situatie, en niet persoonlijkheidskenmerken de belangrijkste oorzaak van gedrag zijn. Persoonlijkheid is grotendeels, of tenminste voor de helft erfelijk. Maar behavioristisch georiënteerde psychologen zetten vraagtekens bij de invloed van erfelijkheid en onderstrepen de invloed van situaties en leergeschiedenis op het gedrag ten opzichte van stabiele interne of erfelijke factoren.

In de laatste twee decennia werd met behulp van uitgebreid onderzoek vastgesteld dat persoonlijkheidskenmerken bestaan, en dat deze het feitelijke gedrag van een persoon gedeeltelijk kunnen voorspellen  en ook een voorspellende kracht bezitten, wat de verschillende indicatoren van maatschappelijk succes betreft, zoals bijvoorbeeld inkomen.

De effecten van persoonlijkheidskenmerken op het gedrag zijn het makkelijkst te onderkennen wanneer mensen herhaaldelijk in verschillende situaties worden geobserveerd: In elke unieke situatie wordt het gedrag van een persoon door zowel de persoonlijkheid als ook situatie beïnvloed. Maar als iemand in veel verschillende situaties geobserveerd wordt, kan men de psychologische invloed van gedrag vaststellen.

Persoonlijkheidsverandering “Big Five”Big-Five-persoonlijkheid-copyright-ctp.publication-at-gmail.jpg

Veel studies en daarmee samenhangende complexe berekeningen hebben aangetoond welke persoonlijkheidskenmerken voor het begrijpen van het gedrag het meest belangrijk zijn. Het belangrijkste model (het universele standaard model) van de persoonlijkheidspsychologie wordt “Big Five” genoemd. Dit is een persoonlijkheidsmodel dat vijf belangrijke dimensies van de persoonlijkheid toont: Extraversie (tegenpool: Introversie), vriendelijkheid, zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit en openheid voor nieuwe ervaringen.

 

 

Persoonlijkheidskenmerken zijn relatief stabiel in de verloop van tijd, maar ze kunnen ook tijdens het leven geleidelijk veranderen, en dat gebeurt dan meestal in een positieve richting. Uit veel onderzoeken blijkt dat de meeste volwassen vriendelijker, zorgvuldiger en emotioneel veerkrachtiger zijn, als ze ouder worden. Deze veranderingen ontwikkelen zich over jaren of decennia. Verschillende studies in de afgelopen jaren hebben dit aangetoond. Het meest interessante en meest complete onderzoek (ruim 1 miljoen deelnemers) komt van Christopher J. Soto en anderen, en werd gepubliceerd in het Journal of Personality en Sociale Psychologie ( Age Differences in Personality Traits From 10 to 65: Big Five Domains and Facets in a Large Cross-Sectional Sample, Journal of Personality and Social Psychology 2011, Vol. 100, No. 2, 330–348). Het gaat hier om een dwarsdoorsnedeonderzoek, waar verschillende mensen op verschillende leeftijden onderzocht worden. Het gaat dus niet om herhaald onderzoek bij dezelfde personen, zoals het in een longitudinale studie.

Het onderzoek van Soto al. is om verschillende redenen zeer interessant:

  • Er worden verschillen in persoonlijkheid bij personen van 10 tot 65 jaar onderzocht
  • De resultaten worden gender-specifiek geanalyseerd
  • De resultaten worden niet alleen op het niveau van de vijf Big Five-dimensies onderzocht, maar ook in groter detail: namelijk afzonderlijk voor twee verschillende facetten per Big Five eigenschap. Bij sommige Big Five dimensies zijn de leeftijdstrends op het detailniveau van de facettendimensie van bijzonder belang, zoals bijvoorbeeld de facettendimensie zelfdiscipline als een deeldimensie van zorgvuldigheid.

 

De resultaten persoonlijkheidsverandering

van het dwarsdoorsnedeonderzoek van Soto voor volwassenen (resultaten voor kinderen, adolescenten en jonge volwassenen zien de oorspronkelijke studie):

  • Zorgvuldigheid neemt bij de oudere deelnemers aan de studie toe. Vrouwen zijn meer zorgvuldig dan mannen (zie grafiek Soto p. 337 linksonder)
  • De deeldimensie zelfdiscipline is voornamelijk verantwoordelijk voor de toename in zorgvuldigheid terwijl ordelijkheid (het tweede facet van de dimensie zorgvuldigheid) niet veel verschilt tussen deelnemers van verschillende leeftijden (zie grafiek Soto p. 337 rechtsonder). De toename van de zelfdiscipline is waarschijnlijk gerelateerd aan de socialisatie en verantwoordelijkheid in werk en gezin.
  • Vriendelijkheid verschilt niet veel tussen volwassenen van verschillende leeftijd, maar is wat sterker bij oudere personen. Vrouwen zijn algemeen vriendelijker dan mannen (zie diagram Soto p. 338 boven).
  • Neuroticisme (=tegendeel van emotionele stabiliteit), met de facetten van angst en depressie, verschilt sterk tussen volwassenen van verschillende leeftijd (dit resultaat komt terug in alle vergelijkbare studies), waarbij jongere volwassenen veel kwetsbaarder zijn dan oudere. In alle studies scoren jonge vrouwen veel hoger dan jonge mannen op neuroticisme, en dan met name op de sub-dimensie angst, maar nemen de neuroticisme-verschillen tussen mannen en vrouwen in de loop van leven af (zie diagram Soto p. 338).
  • Extraversie blijft tijdens het leven ongeveer gelijk, en vrouwen zijn iets extraverter dan mannen (zie grafiek Soto p. 340 hierboven).
  • Oudere deelnemers tonen iets meer openheid voor nieuwe ervaringen, waarbij mannen gemiddeld meer open zijn dan vrouwen. Er zijn grote verschillen op het niveau van de facetten: Vrouwen van alle leeftijden zijn opener voor esthetiek dan mannen; terwijl mannelijke deelnemers vanaf de leeftijd van 25 jaar meer open zijn voor nieuwe ideeën dan vrouwen (Soto, p. 341 boven).

Al deze resultaten voor persoonlijkheidsverandering zijn niet van toepassing op het individuele niveau en kunnen ook te wijten zijn aan de generatieverschillen. De resultaten zijn ook mogelijk cultuurspecifiek omdat de vragen in het Engels zijn ingevuld (…maar de vragen waren wel voor iedereen online beschikbaar).

Een heel ander aspect van persoonlijkheidsverandering in de tijd komt uit evolutionair onderzoek naar voren: uit tweelingsonderzoek blijkt, dat neuroticisme met de tijd over de populatie afneemt en extraversie toeneemt, op grond van reproductief gedrag: neurotische mensen krijgen minder kinderen en extraverte mensen juist meer kinderen.

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Zeepbellen in de kunst: Rembrandt, Millais, Hieronymus Bosch

13 comments

Herplaatsing van een eerder blog vanwege de gestolen en teruggevonden teruggevonden Rembrandt

Ik ben net het dikke filosofische werk van Peter Sloterdijk, “Sferen” aan het lezen. De eerste deel draagt de titel “Bellen”; en op de omslag is een uitsnede uit “De tuin der lusten” van Hieronymus Bosch te zien met een liefdespaar in een bel.

De tuin der lusten” Hieronymus Bosch  liefdespaar in een zeepbel soap bubble

De tuin der lusten” Hieronymus Bosch liefdespaar in een zeepbel

Op internet zijn artikelen en uitleg te vinden over het motief van de bellenblazer in de kunst van de 16e eeuw, zie,  Tot lering en vermaak, Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw van E. de Jongh.

De zeepbel dient hier in de kunst van de 16e eeuw als “vanitas” symbool, als symbool van de vergankelijkheid.

Er wordt uitgelegd dat de spreuk ‘homo bulla’: de mens is een luchtbel gelijk, aan de Adagia van Erasmus te danken is. Onder het trefwoord ‘homo bulla’ verklaart Erasmus daarin dat ‘niets breekbaarder, vluchtiger of lediger is dan het menselijk leven, dat daarom lijkt op een luchtbel in het water, die even snel opkomt als verdwijnt’.

 Rembrandt, Bellenblazende Cupido, 1634 soap bubbles seifenblasen zeepbellen

Rembrandt, Bellenblazende Cupido, 1634 zeepbellen gestolen

Rembrandt, Bellenblazende Cupido, 1634

Millais, Zeepbellen, 1886 soap bubbles Seifenblasen

Millais, Zeepbellen, 1886

De tekst van Sloterdijk begint met een geestige beschouwing over bellenblazen, begeleid van een afbeelding van een bellenblazer van Millais.

Millais, Zeepbellen, 1886

Manet, Bellenblazer soap bubbles Seifenblasen

Manet, Bellenblazer

Bij Peter Sloterdijk staat de zeepbel anders dan in de 16e eeuw geheel positief voor een menselijk-kinderlijk speelse expansiedrang en expansievermogen, en voor het vermogen om te in-spireren ( de bel draagt de menselijke adem) en ook om ge-inspireerd te worden (door de mooie bellen in kunst en werkelijkheid).

Manet, Bellenblazer

Jean-Baptiste_Simon_Chardin_022 soap bubble zeepbel seifenblase

Jean-Baptiste_Simeon_Chardin_ zeepbel

Zeepbel soap bubble seifenblase 450px-Chaplin-The_Soap_Bubbles

Chaplin Zeepbellen

en ten slotte wil ik wijzen

Zeepbel soap bubble 495px-Kind_mit_Seifenblase_um_1835

Kind_mit_Seifenblase_um_1835

 

 

 

 

 

 

op het nieuwe boek van

Zeepbel seifenblase soap Adriaen_Hanneman_Two_Boys_Blowing_Bubbles

Adriaen_Hanneman_Two_Boys_Blowing_Bubbles

Joke J. Hermsen, Stil de tijd, en haar lof van de verveling, waarin een hoofdstuk is opgenomen over “Bellen blazen in de tijd”

Maria Trepp

De meidoorn bij Marcel Proust/Op zoek naar de verloren tijd

23 comments
Meidoorn foto: Maria Trepp De meidoorn bij Marcel Proust/Op zoek naar de verloren tijd

Meidoorn foto: Maria Trepp

De meidoorn bij Marcel Proust/Op zoek naar de verloren tijd

[herhaalblog]

Een paar citaten uit Marcel Proust Op zoek naar de verloren tijd, De kant van Swann:


“In mijn oren gonsde het van de geur van de meidoorn. De haag leek op een lange rij kapellen die onder een dikke laag op het altaar gestrooide bloemen verdwenen; daaronder tekende de zon op de grond en scherp traliewerk, alsof haar licht door een kerkram viel: de geur breidde zich net zo olieachtig en vol, alsof het een vaste vorm geworden was uit, als toen ik voor het altaar van de Heilige Maagd stond en de net zo opgeschikte bloemen droegen elk op dezelfde nonchalante wijze hun glinsterende meeldraden, fijne stervormige ribben in laat-gotische stijl zoals in de kerk de ajouren balustrade van de galerij of de stijlen van de gebrandschilderde ramen en die hier ontloken in de witte zinnelijkheid van bloeiende aardbeien. […]
Maar ik kon nog zo lang voor de meidoorns blijven staan om mij door hen te laten bezielen , hun een plaats geven in mijn geest die er niets mee wist te beginnen, hun onzichtbare onveranderlijke geur te verliezen en weer terugvinden, mij één voelen met hun ritme dat hun bloemen, hier en daar, met een jeugdige opgewektheid en op onverwachte afstanden zoals bepaalde muzikale intervallen, vormden, ze boden me tot in ’t oneindige dezelfde charme met een onuitputtelijke overvloed, maar zonder dat ik dieper in hen kon doordringen, zoals er bepaalde melodieën zijn, die men honderdmaal achtereen speelt zonder ook maar iets meer achter hun geheim te komen.“ [Uitgeverij De bezige Bij, 2002, p. 188]

Proust schrijft nog veel meer over de meidoorn, hij gaat door, pagina op en pagina neer.

“Ik keerde naar de meidoorn terug als naar een kunstwerk waarvan men meent dat men het beter ziet als men er een ogenblik niet naar gekeken heeft, maar het gaf niet of ik mijn ogen met mijn handen afschermde om niets anders te zien, het gevoel dat ze in mijn opwekten bleef onbestemd en vaag, trachtte vergeefs zich los te maken en met de bloemen te verbinden.[…]

[De grootvader zei:] ‘Je houdt toch zo veel van meidoorns, kijk dan eens naar deze met roze bloemen; wat is die mooi! ‘ Inderdaad was het een meidoorn, maar dan roze, nog mooier dan de witte. Ook deze was voor een feest versierd – voor een van die echte feesten wat alleen kerkelijke feesten kunnen zijn, omdat ze immers niet zoals de wereldlijke door een gril van het toeval aan een of andere willekeurige dag geplakt worden, die er niet speciaal toe voorbestemd is en die niet iets essentieel feestelijks heeft- maar nog rijker, want de bloemen die zo dicht op elkaar aan de takken zaten dat ze, zoals de pompons rondom een rococo herdersstaf, geen plaats onversierd lieten, waren ‘in kleur’ [….] “

meidoorn

meidoorn weissdorn

Uit: Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd, De kant van Swann , [Uitgeverij De bezige Bij, 2002, p. 189]

zie ook: Terug naar 1913, het jaar dat Marcel Proust de literatuur veranderde

Het werk van Marcel Proust is vrij van copyright. Download hier de Engelse versie van Swann’s Way, Remembrance of Things Past, Volume One

De Franse texten kunt u hier downloaden.

Nassim Nicholas Taleb “De zwarte zwaan”

17 comments
Nassim Nicholas Taleb “De zwarte zwaan” is een van de 25 boeken over wetenschap die je volgens de NRC gelezen móet hebben.
Over dit aanbevelenswaardige boek hier nog meer informatie (herhaling van een blog uit 2009).
Dit boek gaat over de ”impact van het hoogst onwaarschijnlijke”:

“Voor de ontdekking van Australië waren de mensen in de Oude Wereld er­van overtuigd dat alle zwanen wit waren. In hun ogen was dit een onbetwist­baar feit aangezien het geheel bevestigd werd door empirische bewijzen. De waarneming van de eerste zwarte zwaan was voor een paar ornithologen (en anderen met grote belangstelling voor de kleur van vogels) wellicht een interessante verrassing, maar daarin ligt niet het belang van dit verhaal. Het illustreert hoe beperkt en fragiel onze op observaties en ervaring gestoelde kennis is. Een algemeen aanvaarde bewering op basis van duizenden jaren van bevestigende waarnemingen van miljoenen witte zwanen kan namelijk door één enkele waarneming ontkracht worden. Het enige wat daarvoor nodig is, is één enkele […] zwarte vogel” ( p 1).


Read more..

Dubbele regenboog in Leiden en bij Millais

14 comments

Dubbele regenboog in het Ankerpark in Leiden, 27 november 14.15

Ankerboog met regenboog

John Everett Millais, Blind girl/ rainbow

Zwarte kraai

5 comments

Mijn zwarte hond houdt van zwarte kraaien, net als ik.

Hier hond en kraaien en een blog over de kraai in de kunst.


Zwarte hond en zwarte kraaien



Tussen het Centraalstation in Den Haag en de Academie van de Kunsten zweeft een grote, dreigende maar ook schaduw-gevende kraai in de bomen, gemaakt door Henk Rijzinga, die zegt: “De kraai is een slimme dief, die altijd langer leeft dan het kadaver waar hij bij zit.”



Een andere kunstenaar, Florentijn Hofmann, maakte in 2006 een grote kraai die in Leiden op het waaghoofd stond. Deze zwarte kraai, die in 2006 een zwerftocht maakte langs verschillende steden, staat nu bij het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam .

Een kraai kraait niet, maar krast. Het “kraa-kraa-kraa” werd vroeger begrepen als “cras-cras-cras” wat “morgen” betekent in het Latijn. Deze zondige duivelsvogel moedigde dus de mensen aan om het zondenbekentenis op te schorten tot “morgen” – en dat was voor Christenen zeker niet de bedoeling.

Een symbolische ambivalent-positieve betekenis heeft de kraai in Lewis Carrolls “Alice in spiegelland”.


[Illustratie Pat Andrea]

In het hoofdstuk “Twiedeldum en Twiedeldie” maakt een kraai de ruziemakenden Twiedeldum en Twiedeldie bang zodat zij ophouden te vechten:


“Just then flew down a monstrous crow,

As black as a tar-barrel;
Which frightened both the heroes so,
They quite forgot their quarrel.”

“Een angstaanjagende kraai vloog langs,
Zo zwart als roet en leer.
Dat maakte onze helden bang
En ze ruzieden niet meer.”
(vertaling Sofia Engelsman)

 

“Toen vloog een zwarte kraai voorbij
Een kraai zo godverlaten
Dat beide helden vechtpartij
En ruzie prompt vergaten.”
(vertaling Nicolaas Matsier- zeer elegant)

Angst voor een derde, dat helpt elke ruzie… tussen vrienden, partners, en in een land…..

Of: het perspectief van de dood maakt heel veel dingen triviaal.

E

Vincent van Gogh, Korenveld met kraaien, 1889

Ohara Koson, kraai, ca 1910

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

Christiaan Huygens over de schoonheid van de aarde, planeten en het heelal

5 comments

“Wetenschap en schoonheid” is een actueel thema (zie de tentoonstelling in het Museum Boijmans).

Het waarnemen en beschrijven van schoonheid is een hoofdelement in Christiaan Huygens’ laatste tekst, “Cosmotheoros” (1698, zie hier voor een uitvoerige inleiding en samenstelling van eerdere blogs).

“Cosmotheoros” is een lange brief van Christiaan Huygens aan zijn oudere broer Constantijn jr., Christiaans vriend, vertrouwde en naaste medewerker. In het begin van deze openbare brief geeft Huygens zijn motivatie om te schrijven. Hij haalt hierbij de astronoom Archytas aan, die had gezegd:

By aldien iemand in den Hemel was geklommen, en de natuur van de Wereld, en de schoonheid der Starren doorzien had, dat die verwondering hem onvermakelijk zou zijn, daar ze hem anders groot vermaak zou gegeven hebben, ten zij hy iemand had, aan wien hy ’t konde vertellen”.



Dus Huygens wil in zijn laatste tekst vooral vertellen over al de schoonheid die hij had waargenomen.

Hij beschrijft de schoonheid en de versieringen (planten, beesten) op Aarde, en het vermogen van de mens om schoonheid te genieten: [De mens] bouwt huizen van hout, steenen, en bergstoffen; [hj] eet Vogelen, Vissen, Vee, en Kruiden, het bedient zig van de Wateren en Winden tot de Scheepvaart; [..] schept zijn wellust uit de reuk en schoone verwen der Bloemen.”

schoonheid Foto Maria Trepp

schoonheid Foto Maria Trepp

Tegelijk komt Huygens er  altijd op terug: deze schoonheid kan niet alleen voorbehouden zijn aan onze Aarde, deze schoonheid zal zeker op de andere planeten en in andere sterrenstelsels ook te vinden zijn:

“Wat is ’er dan waarschijnelijker, vermits de Aarde in zoo vele zaken met die voornaamste Dwaalstarren gelijk staat, dan dat de zelve Dwaalstarren ook van geen minder aanzien, schoonte, ja niet min gecierd en bebouwd zijn, als d’Aarde?”

En schoonheid alleen op de planeten is niet genoeg,  Huygens is er van overtuigd dat er ook bewoners moeten zijn die de schoonheid kunnen waarnemen:

“[…] dat in die gewesten [=op de planeten]  aanschouwers zijn, die zoo vele geschapen dingen genieten, en zig over der zelver schoonte en verscheidenheid verwonderen”.


alien_music_astronomer_buitenaards_astronoom_astronomie-extraterrestrials_teleskoop-teleskop-telescope

Alien astronoom foto: Maria Trepp

En om schoonheid waar te kunnen nemen moet men kunnen zien (al schrijft Huygens later ook uitvorig over de schoonheid van muziek). Het vermogen om te zien is voor Huygens van hoogste waarde; bij de mensen, en bij de “planetenbewoners”, die naar zijn mening dus ook zeker ogen moeten hebben:

‘”En dit moet noodzakelijk, tot dienst des levens, aan byna alle dieren in de Dwaalstarren werden toegeschreven: dog die met Reden en Verstand begaafd zijn, dewyl ze nog andere nutheden uit het Gezigt konnen trekken, dien past het des te meer, met zoo groot een gave vereerd te wezen. Want door het Gezigt bezeffen wy de fraayheid der verwen, de schoonheid der gedaantens, en al wat net is: met het Gezigt is ’t, dat wy lezen, schrijven, den Hemel en de Gestarntens beschouwen, en der zelver loop en groottens meten: ’t welk voor hoe verre het ook tot de Dwaalstarrelingen behoort, een weinig hier na van ons zal gezien worden.”

De ware schoonheid wordt naar Huygens niet door de naïeve beschouwer waargenomen, maar door de wetenschapper:

Want wat zou het beschouwen zonder de wetenschappen zijn? En hoe groot is ’t onderscheid tussen de genen, die de schoonheid, en het nut der Zonne, desgelyks den Hemel met Starren gecierd, zonder bezeffing aankijken, en tussen andere geleerder luiden, die den loop van alle die dingen nasporen; die het verschil der Vaste Starren, zoo men die noemt, met dat van de Dwalende, kennen, die met een scherpzinnigere denkaveling de grootheid van de Zon en Dwaalstarren, same haar afstand, meten?”

Het criterium van schoonheid past hij toe als hij nadenkt over het voorkomen van water op andere planeten: het zou vanwege de schoonheid doorzichtig moeten zijn:

Ik zegge nogtans niet dat dat Water [op de planeten] het onze teenemaal gelijk is; hoewel tot den dienst, dien het doen moet, noodzakelijk vereist word dat het vloeybaar, en tot haar schoonheid, dat het helder is.”

Toch vindt hij dat men schoonheid niet met conventie moet verwarren. Als de planetenbewoners anders uitzien dan wij, dan mogen wij hun niet om esthetische redenen kleineren:

Als mede, dat men meent dat het menschelijk lichaam een zekere uitstekende schoonheid [boven andere] heeft: daar nogtans dat ook geheelijk van de meining en gewoonte afhangt; en van die zugt, die de voorzigtige Natuur in alle Dieren heeft ingeschapen, dat zy in haar ’s gelijken het grootste behagen zouden hebben: Die gaat zoo verre, dat ik geloove, dat ’er een Dier zou konnen wezen, heel anders van maaksel als een Mensch, ’t welk men niet zonder schrik zoude aanschouwen, schoon het met Reden en spraak begaafd was. Want zoo wy ons maar zoodanig een gaan verbeelden of schilderen, het welk, voor de rest een Mensch gelijk, een viermaal zoo grooten Hals had, of ronde, en tweemaal zoo wijd van een staande Oogen; straks komen d’ er zulke beelden uit, die wy niet zonder afkeer konnen zien, hoewel d’ er van de leelijkheid geen reden te geven is.”

We mogen ook niet denken, dat de “dwaalsterrelingen”, de planetenbewoners, alleen in lelijke simpele hutten wonen. Nee, net als wij kunnen zij ook mooie paleizen bouwen:

Dog waarom zullen wy gelooven, dat de Dwaalstarrelingen juist hutten, en geen groote en heerlijke huizen, bouwen, als om dat wy niet konnen nalaten te denken, dat onze dingen boven alle andere schoon en volmaakt zijn?


schouwburg Haarlem foto: Maria Trepp

foto: Maria Trepp

Ergerlijk vindt Huygens het, als men, zoals de jezuïet-astroloog Athanasius Kircher, alleen de planeet Venus schoonheid toe wil schrijven, en Huygens’ lievelingsplaneet Saturnus als vies en lelijk neerzet. Nee, juist de grote planeten Saturnus en Jupiter met vele manen en Saturnus met zijn ring- die zijn pas mooi!


En Huygens besluit zijn laatste tekst “Cosmotheoros” met het beschrijven van andere sterrenstelsels:

“Welk een wonderbaarlijke, welk een verbazende grootte en heerlijkheid van de Wereld moet men dan met het verstand bezeffen! Zoo vele Zonnen, zoo vele Aardklooten, en een yder van haar met zoo vele Kruiden, Boomen, Dieren, met zoo vele Zeen en Bergen vercierd! Een verwondering, die nog zal vergroot worden, indien iemand in overweging neemt het gene wy van den afstand en de menigte der Vaste Starren gezegt hebben.”

 

zie ook

Meer over Christiaan Huygens

 

www.passagenproject.com

 


Christiaan Huygens en Hofwijck

no comment

Christiaan Huygens schreef zijn laatste tekst “Cosmotheoros” in het landgoed dat zijn vader Constantijn had gebouwd: Hofwijck, nu een charmant museum (zie ook hier)

Tekening Christiaan Huygens

 

 

De barokke tuin met strakke lijnen en “buitenkamers” van beukenheggen.

De bibliotheek

De keuken

 

Meer over Christiaan Huygens

Christiaan Huygens: Cosmotheoros, een lange brief aan zijn broer

4 comments

Christiaan Huygens: `Cosmotheoros`, een lange brief aan zijn broer Constantijn Huygens jr.

De laatste tekst die Christiaan Huygens (1629 – 1695) schreef, het filosofisch schrift “Cosmotheoros” of “Wereldbeschouwer” (1698, postuum gepubliceerd), heeft de vorm van een brief aan zijn oudere broer Constantijn jr. , geboren 1628 – een jaar voor Christiaan -, en gestorven 1697, twee jaar na Christiaan.

Titelpagina Cosmotheoros


De titelpagina van de “Cosmotheoros” vermeldt de geadresseerde broer Constantijn als secretaris van

William_III_Landing_at_Brixham

William_III_Landing_at_Brixham

stadhouder-koning Willem III. Toen Willem III van Oranje koning van Engeland werd, werd Constantijn jr. aangesteld als zijn secretaris.

In de Cosmotheoros-brief klaagt Christiaan Huygens dan ook over de lange afwezigheid van Constantijn in Engeland, en betreurt deze afwezigheid, omdat de broers -die verbonden waren door een hechte vriendschap en wetenschappelijke samenwerking – dan niet verder konden werken aan hun telescopen en niet samen naar de sterren konden kijken.

Christiaan Huygens

Christiaan Huygens

 

Constantijn Huygens jr., oudere broer van Christiaan

Constantijn Huygens jr., oudere broer van Christiaan

Christiaan (links) en Constantijn Huygens jr

 

 

 

 

 


Christiaan Huygens schrijft een lange brief, om zijn broer te verheugen met een tekst over “buitenaardse” dingen, maar het is duidelijk – en Christiaan schrijft het ook zelf- dat de tekst ook voor andere geïnteresseerden is bedoeld. De tekst hoort thuis in een hele reeks van 17e-eeuwse populairwetenschappelijke publicaties die het Copernicaanse systeem wilden ondersteunen.

Christiaan herinnert zijn broer in deze openbare brief aan het gemeenschappelijk vervaardigen van lenzen en van telescopen, en aan het plezier dat de broers daarmee hadden. Hij herinnert zijn broer ook aan de steeds langere telescopen die de beiden samen hadden gebouwd.

De broers maakten telescoopobjectieven met steeds grotere diameter en brandpuntsafstand. Omdat deze zeer lange telescopen onder hun eigen gewicht verbogen leidde dat tot hun uitvinding van de buisloze telescoop: het objectief was op een paal gemonteerd; het oculair was op een statief geplaatst.

buisloze telescoop Christiaan Huygens Constantijn Huygens

Buisloos telescoop Christiaan Huygens Constantijn Huygens

Wikipedia:

“Constantijn presenteerde in 1690 een objectief met een diameter van 190mm, en een brandpuntsafstand van 37,5 m aan de Royal Society[4], die nog steeds zijn handtekening draagt. De Royal Society heeft ook twee andere zeer lange brandpuntsafstand telescoopobjectieven verworven in 1725, beide gemaakt door Constantijn.”

Van de site van het Museum Boerhaave kan een publicatie worden gedownload “Een vernunftig geleerde”, over de technische vondsten van Christiaan en Constantijn Huygens.

Uit het hoofdstuk over “Kijkers”:

“Sterrenkijkers zouden Christiaan Huygens gedurende zijn hele leven fascineren. Per slot van rekening was zijn faam te danken aan de ontdekking van de helderste

maan en de ring van Saturnus. Die had hij waargenomen met kijkers waarvan hij de lenzen samen met zijn broer Constantijn had geslepen.”

“Naarmate beide broers de lenzenslijpkunst beter onder de knie kregen, werden hun kijkers steeds langer. Een kijker van 23 voet volgde in het najaar van 1655 en nog langere zouden in de daaropvolgende jaren gemaakt worden. Vooral tussen 1683 en 1687 slepen zij veel lenzen voor kijkers met grote brandpuntafstanden, tot wel 210 voet toe.

In eerste instantie ontwikkelden de gebroeders Huygens steeds langere kijkers om grotere hoekvergrotingen mogelijk te maken, maar zij probeerden tegelijkertijd ook de hinderlijke kleurschifting (chromatische aberratie) in hun lenzen te beperken.”

 

Christiaan Huygens bezocht in 1689 zijn broer in Engeland. De dagboeken van de broers uit deze tijd zijn bewaard gebleven, en gedeeltelijk te lezen in de Christiaan Huygens – biografie van C.D. Andriesse.

Literatuur

Keesing, Elisabeth, Constantijn en Christiaan: verhaal van een vriendschap. Amsterdam 1983

In verband met de Huygenstentoonstelling 2013 plaats ik hier elke dag een (nieuw of hernieuwd oud) Christiaan-Huygens-Blog.

www.passagenproject.com

Christiaan Huygens: ironie over de Nieuwe Aarde

5 comments

Vandaag 5-2-1011 schrijft Bert Wagendorp in de Volkskrant over de zoektocht van ruimtetelescoop Kepler naar een “nieuwe aarde”

Hij schrijft:

“Als de mythe van de unieke Aarde en het unieke leven eenmaal is gesneuveld, kan het snel gaan. Het hoeft niet te verbazen als op termijn blijkt dat er een Aardachtige planeet is waar ze ook een Egypte hebben, een Feyenoord, een minister Rosenthal en zelfs GroenLinkscongressen. Verbijsterend, maar ook een hele troost. Wij zijn niet alleen, in ons leed.”

Zijn ironie is prachtig en doet mij denken aan de ironie van Christiaan Huygens in zijn “Cosmotheoros” van 1698.

Op het moment dat men het buitenaards leven te veel op het aardse leven laat lijken, en zeker denkt te weten dat “zij” zo zijn als wij, ontstaan komische teksten- vaak onvrijwillig komische teksten waar het eigen geprojecteerd wordt op het ander, maar bij de meesters onstaan juist opzettelijk ironische teksten.

Christiaan Huygens’ “Cosmotheoros”  lees ik als een ironische tekst, in ieder geval in de passages waar Huygens sterk in detail treedt over de planetenbewoners, en hen exact dezelfde ontdekkingen toeschrijft die hij zelf heeft gedaan.

alien_music_astronomer_buitenaards_astronoom_astronomie-extraterrestrials_teleskoop-teleskop-telescope.jpg

Alien astronoom na Christiaan Huygens. Foto: Maria Trepp

In zijn Cosmotheoros stelt Huygens zichzelf en de lezer de filosofische vraag: zijn wij mensen absoluut uniek? Zijn antwoord heeft twee componenten: ten eerste vindt hij dat uiterst onwaarschijnlijk. Ten tweede vindt hij de aanname dat wij de enigen zijn uiterst onbescheiden, wat ook nog een hoogst persoonlijk aspect heeft: als wij mensen de enigen zijn met kunst, wetenschap en zelfbewustzijn, dan zou Huygens zelf – als een van de allergrootsten, en als een van de voorhoede van de wetenschap en als baanbrekende denker – een Übermensch of als een haast goddelijk wezen moeten zijn. Zo kan en wil hij zichzelf niet zien, en daarom schrijft hij alles wat juist hij zélf kan -telescopen bouwen, astronomie, wiskunde en muziek(theorie) bedrijven- ook toe aan de andere “Planetenbewoners”, met komisch-ironisch resultaat.

Het lijkt me zeer onwaarschijnlijk dat hij zelf zich niet bewust was van de ironische gelaagdheid van zijn tekst, ook al omdat hij vaak opmerkt dat men het belachelijk en te vergaand zal vinden wat hij poneert, en omdat veel van zijn redeneer-”fouten” erg opzettelijk lijken en begeleid worden van ironisch commentaar.

Alien foto Maria Trepp Christiaan Huygens Cosmotheoros

Alien foto Maria Trepp

Alien ontbijt

Men heeft alleen de keuze om Huygens als naïef en speculatief te beschouwen óf om zijn tekst als gedeeltelijk ironisch op te vatten. In zijn inleiding zegt hij nog: “Des stellen wy hier niets voor wis en zeker (want hoe kan dat geschieden?) maar wy gaan alleen te werk met gissingen, over welker waarschijnelijkheid het een yder vry staat naar zijn zin te oordeelen.“

Maar later heeft hij het niet meer over “gissingen” maar over „bewijzen”, en dát is het punt waar ik meen dat vermoedelijk sprake is van (bewuste of tenminste halfbewuste) ironie. Ook het goochelen met waarschijnlijkheden, en de aanname van grote in plaats van kleine waarschijnlijkheden is bij Huygens niet naïef – hij, tenslotte de uitvinder van de waarschijnlijkheidsrekening !- maakt er zelf opmerkingen over. Een ander omslagpunt tussen rationeel argumenteren en ironie in Huygens’ Cosmotheoros is op te merken als hij van algemene principes en gissingen overgaat naar zeer gedetailleerde en dus groteske vaststellingen over de planetenbewoners.

alien_music_astronomer_buitenaards_astronoom_astronomie-extraterrestrials_teleskoop-teleskop-telescope

Alien music Foto Maria Trepp

 

Zie ook:

Meer over Christiaan Huygens

www.passagenproject.com

 

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief