“Volgend jaar zingen ze gewoon weer: ‘Er is er geen jarig, hoera, hoera..’ “ (@Woordgrap_com)
De Duitse schrijver, satiricus en eerste Duitse hoogleraar in de experimentele natuurkunde Georg Christoph Lichtenberg heeft een geestig essay geschreven over de vraag wanneer men zijn verjaardag moet vieren als men op 29 februari geboren is- en overigens ook op andere dagen. (Trostgründe für die unglücklichen, die am 29sten Februar geboren sind)
Lichtenberg hield zich op grote schaal bezig met wetenschappelijke vraagstukken. Als pedagoog was hij richtinggevend: Hij gaf geen droge lezingen in de stijl van de tijd, maar wisselde deze af met praktische demonstraties.
Hij verbindt de discussie van de maatschappelijke conventie met het verklaren van natuurwetenschappelijke gegevens en laat daarbij ook zien dat maatschappelijke conventie en natuurwetenschap twee verschillende dingen zijn.
Hij legt uit: De mens is op een bepaalde dag geboren, op een bepaalde datum, maar zijn entree in de wereld, zijn eerste adem gebeurt in een kort moment. Op dit moment staat de zon op een bepaald punt van de ecliptica (=schijnbare baan van zon om de aarde). Hij zal dus precies één jaar oud zijn, als de zon de volgende keer weer op dezelfde plek van de ecliptica staat; en de burgerlijke dag, op welke deze tijdstip valt, is de geboortedag van de mens in de strikte zin, hoe deze dag ook genoemd wordt in de kalender.
Het probleem: wanneer moet ik mijn verjaardag vieren als ik op 29 februari geboren ben zal dan op de volgende manier volledig worden opgelost:
1) Neem het uur waarop je geboren werd. Als je het niet weet neem je twaalf uur.
2) Zoek in een astronomische kalender voor het jaar waarin je geboren bent, de plaats van de zon (de lengte) voor de geboortedatum en tijd.
3) Zoek in een kalender van het jaar waar je je verjaardag wilt vieren de dag op waar de zon op dezelfde plek staat.
Je zult iets vreemds opmerken: namelijk dat velen de verjaardag af en toe op een andere dag zouden moeten vieren dan op hun “verjaardagen”. Dit is gebaseerd op het feit dat het jaar niet uit precies 365 dagen, maar uit ongeveer 365 dagen en 6 uur bestaat, al kunnen wij ons in ons alledaags bestaan onmogelijk met deze fracties van dagen bezig houden.
Iedereen dient zijn verjaardagen nauwkeurig te berekenen door drie jaar lang (tot het schrikkeljaar) zes uur op te tellen bij het geboorteuur.
Geboren op 29 februari om 12 uur:
Dan vier je de eerste en tweede verjaardag op 28 februari (18 en 24 uur), je derde op 1 maart (6uur) , en je vierde op 29 februari (om 12 uur).
“De Universiteit Leiden is van plan de studies Frans, Duits en Italiaans op te heffen als zelfstandige opleidingen. Het is de bedoeling dat ze opgaan in een ‘brede’ bachelor Taal, cultuur en mediastudies. Dat bevestigt een woordvoerder van de universiteit. Het formele besluit is nog niet gevallen, zegt ze.” (NRC 27-2-2012)
Terwijl de studenten Frans gaan demonstreren, en hoogleraar Smith in de NRC woedend van een “sterfhuis” spreekt voor de opleiding Frans, is hoogleraar Duits A. Visser voorzichtig optimistisch: “Ik vind het niet per se een probleem dat er dan geen zelfstandige opleiding Duits meer is. Het gaat me om de inhoud. Dat het goed mogelijk blijft om binnen die brede bachelor Duitse taal en cultuur te kunnen blijven bestuderen.’ Visser zegt dat de inhoudelijke discussie erover nog gevoerd moet worden.” (Mare-online).
Maar is de kwaliteit van een studie niet ook afhankelijk van de tijd die men aan een bepaald vak besteedt?
“De succesvolle praktijk om talenstudenten vanaf dag één in de taal zelf te doceren maakten de Nederlandse universitaire talenstudies tot de beste ter wereld. Bij een algemene opleiding is deze praktijk niet langer vol te houden en verworden deze opleidingen tot middelmatige talenstudies die niet uitstijgen boven het niveau van een cursus Frans aan een volksuniversiteit.” (Rens Bod, NRC 3-2-2012)
“Aan de universiteiten worden in rap tempo de ambachtelijke studies afgeschaft. Portugees. Duits. Frans. Arabisch. In plaats daarvan komt geleuter over media. Bullshit is in onze cultuur niet alleen een burgerrecht. Het is een doel in het leven.” (Marjolein Februari, NRC 12-2-2012)
“Tal van Europese talen, waaronder Frans, Duits, Italiaans en Portugees, zullen als de plannen doorgaan niet of nauwelijks meer op bachelorniveau aan Nederlandse universiteiten kunnen worden gestudeerd, behalve met enig geluk als onderdeel van algemene opleidingen ‘taal, cultuur en media’ (alsof die laatste categorie niet al onder taal en cultuur valt). Een snufje Duits, een vleugje Portugees, een wolkje Russisch wellicht, net genoeg om de besluiteloze jonge mens te laten ontdekken wat hij nu eigenlijk écht wil studeren.” (Martin de Haan, NRC 20-3-2012)
Micha Wertheim satire zie hier
Ik ben in 2001 bij Duits afgestudeerd.
Toen was het nog een heerlijke tijd bij Letteren: 4-5 jaar ambachtelijke studie, reflectie, verdieping, kritisch zelfstandig denken.
Ik had er ontzettend veel aan.
Zie ook: Wij willen Bildung!
Maria Trepp
P.S. Overigens heet het al lang geen “studie” meer, mijn kop klopt dus niet. Het heet al lang “opleiding Duits”. Studie is al lang de bedoeling niet meer.
——————————————————————————————————
De Utrechtse hoogleraar Duits Ton Naaijkens in de NRC van 20 maart:
“Juist op een moment waarop de Nederlands-Duitse Handelskamer rapporteert dat 87 procent van de Nederlandse bedrijven die afhankelijk zijn van export naar Duitsland inziet dat gebrekkige talenkennis rechtstreeks tot omzetverlies leidt, besluiten veel Nederlandse universiteiten talenstudies weg te stoppen in sterfhuisconstructies.
Toch is de twijfel of er straks nog wel mensen zijn die uit de moderne talen kunnen vertalen (NRC Handelsblad, 15 maart), ongegrond. Ook al wil de Universiteit Utrecht de opleiding Portugees opheffen – de opleidingen Duits, Engels, Frans, Italiaans, Keltisch en Spaans blijven bestaan en worden allemaal geleid door één of meer hoogleraren.”
Christiaan Huygens’ laatste tekst Cosmotheoros (1698) is een populair-wetenschappelijke tekst die het copernicaanse wereldbeeld verdedigt en illustreert; een tekst uit de vroege Verlichting, die samen met andere geschriften als die van Fontenelle (Entretiens sur la pluralité des mondes Gesprekken over de vele werelden,1686) aan het begin stond van de sterke popularisering van de wetenschap.
De verdediging van het copernicaanse systeem was aan het einde van de 17e eeuw zeker nog nodig.
Hoewel Galilei al overtuigd was dat zijn astronomische waarnemingen het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus ondersteunden was er in de 17e eeuw nog geen dwingend bewijs voor de Copernicaanse visie op de wereld: alle waarnemingen, zoals als de manen rond Jupiter en Saturnus of de Venus-fasen waren ook met het geocentrische model van Tycho Brahe compatibel, waarin de zon en de maan om de aarde draaien, en de andere planeten rond de zon.
Het was pas James Bradley die in 1729 de beweging van de aarde ten opzichte van de sterren kon aantonen, en daarmee het geocentrische model definitief kon weerleggen.
De katholieke Kerk hing in de tijd van Huygens nog het model van Tycho Brahe aan.

Model van Tycho Brahe waarin de zon en de maan om de aarde draaien, en de andere planeten rond de zon
Het model van Copernicus was verboden sinds 1616; dit verbod werd pas in 1822 opgeheven.
Huygens zelf ontmoette met zijn Systema Saturnium (1659) weerstand bij de inquisitie.
Toen Huygens in 1659 zijn waarnemingen aan Saturnus, de nieuwe maan Titan en het ring-systeem, in Systema Saturnium publiceerde, raakte hij in de problemen met de katholieke kerk, en werden zijn bevindingen beoordeeld als ketters, omdat deze het stelsel van Copernicus ondersteunden.
De jezuïet Honoré Fabri en de instrumentmaker Eustachio Divini publiceerden een weerlegging van de waarnemingen en theorieën van Huygens, waarop deze met een verdedigingsschrift kwam.
Uiteindelijk kwam een evaluatiecommissie onder leiding van Giovanni Alfonso Borelli tot de conclusie dat Huygens gelijk had.
Namens de commissie werd een schaalmodel van Saturnus en zijn ring gebouwd, en dit werd dan vanuit de verte met een telescoop bekeken, waarbij men precies de waargenomen verschijningen van Saturnus vond.

Deze tekst staat ook op mijn Duitse Huygens-blog
Zowel Rutte alsook Cohen worden dezer dagen weggezet als „Mann ohne Eigenschaften“ (en letterlijk in het Duits!)
Terecht?
Ronald Plasterk zei over Rutte in de Volkskrant van 24 februari:
“’[...] Hij is een great communicator, maar tegelijkertijd is hij de Mann ohne Eigenschaften. Hij komt niet verder dan het rechtse neoliberale verhaal. Dat verhaal is failliet.”
En over Cohen stond in Trouw een paar dagen eerder (21-2):
“ ‘Mann ohne Eigenschaften’ wordt hij wel genoemd: Job Cohen, tot gisteren de politiek leider van de PvdA. Meer een bestuurder dan een politicus, een twijfelaar zonder uitgesproken opvattingen, voorzichtig kijkend vanuit welke hoek de wind waait.”
Ik vind het leuk om in dit verband naar de originele “Mann ohne Eigenschaften” te kijken, degene van Robert Musil: wie lijkt meer op Musils literaire Mann ohne Eigenschaften, Rutte of Cohen?
Op Wikipedia is wat achtergrondinformatie te vinden over de beroemde roman “Mann ohne Eigenschaften” van Robert Musil, een belangrijk, actueel, filosofisch en ironisch boek.
Wie is nou de man zonder eigenschappen bij Musil? Ik concentreer mij hier nu alleen op de eerste hoofdstukken van deze extreem complexe en bovendien onaffe roman.
De Mann zonder Eigenschappen (Ulrich) wordt bij Musil voor het eerst beschreven in het hoofdstuk Huis en woonvertrekken van de man zonder eigenschappen. Het huis is een “kortvleugelig kasteeltje, een jacht- of liefdespaleisje uit voorbije tijden”. De Mann zonder eigenschappen wordt geintroduceerd als iemand die van achter de gordijnen in zijn kasteeltje naar de wereld kijkt met de zakelijk blik van een fysicus. “…[hij] telde met zijn horloge al tien minuten lang de auto’s, de karren, de trams en de door de afstand uitgevloeide gezichten van de voetgangers, die het net van de blik met een wemelende haast vulden; hij schatte de snelheden, de hoeken, de vitale krachten van de voorbijbewegende massa’s…”
Vanuit de realistische schattingen gaat hij over naar speelse gedachten:
“Als je de sprongen van de aandacht zou kunnen meten, de verrichtingen van de oogspieren, de pendelbewegingen van de ziel en al die inspanningen die een mens zich moet getroosten om in de rivier van een straat overeind te blijven, zou er vermoedelijk – aldus had hij gedacht en spelenderwijs het onmogelijke proberen te berekenen – een grootheid uitkomen waarbij vergeleken de kracht die Atlas nodig heeft om de wereld te torsen gering is, en je zou kunnen meten welk een enorme prestatie tegenwoordig al wordt geleverd door iemand die helemaal niets doet.
Want de man zonder eigenschappen was op dat moment zo iemand.” (p 15)
Dit is de eerste belangrijke passage die de man zonder eigenschappen beschrijft.
Boven het volgende hoofstuk staat: “Als werkelijkheidszin bestaat, moet mogelijkheidszin ook bestaan” en wordt er een eerste schets gegeven van de belangrijke utopische kant van de Mann ohne Eigenschaften.
“Aldus zou de mogelijkheidszin welhaast te definiëren zijn als het vermogen om alles te denken wat evengoed zou kunnen zijn, en om aan wat is geen grotere betekenis te hechten dan aan wat niet is.”
In hetzelfde hoofdstuk lezen we de volgende passage die de “Mann ohne Eigenschaften” verder karakteriseert:
“Een buitengewone onverschilligheid jegens het naar het aas happende leven staat bij hem tegenover het gevaar dat hij volstrekt zonderlinge dingen doet. Een onpraktisch man – en dat lijkt hij niet alleen maar dat is hij ook – blijft onbetrouwbaar en onberekenbaar in de omgang met mensen. Hij zal handelingen verrichten die voor hem iets anders betekenen dan voor anderen, maar hij stelt zichzelf steeds gerust over alles zolang het maar in een buitengewoon idee valt samen te vatten. En bovendien staat hij tegenwoordig nog heel ver af van een consequente houding. Het zou bijvoorbeeld heel goed kunnen dat een misdaad waarvan iemand anders de dupe is, hem alleen maar als een maatschappelijk feilen voorkomt, waar niet de misdadiger de schuld van draagt maar de inrichting van de samenleving. Daarentegen is het nog maar de vraag of hij een oorvijg die hij zelf ontvangt zal opvatten als een belediging van de kant van de maatschappij of als iets dat tenminste even onpersoonlijk is als de beet van een hond; waarschijnlijk zal hij in dat geval eerst de oorvijg vergelden en vervolgens vinden dat hij dat niet had moeten doen. En vooral als men een geliefde van hem afpakt zal hij de werkelijkheid van dit incident voorlopig nog niet helemaal kunnen negeren en zich met een verrassend, nieuw gevoel schadeloos kunnen stellen. Deze ontwikkeling is momenteel nog aan de gang en betekent voor een mens zowel een zwakte als een kracht.” ( p22)
Rutte of Cohen??
Nee Ronald Plasterk, Rutte is juist de doortastende man MET eigenschappen!
Al zal hij niet de harten van de speelse, aarzelende, reflecterende en artistieke mensen kunnen stelen.
Robert Musil, De man zonder eigenschappen, vertaling Ingeborg Lesener, Meulenhoff 1988

Frits Wotruba, Robert Musil
Leuk: ik heb een mailtje aan Ronald Plasterk gestuurd met link naar mijn blog, en hij reageerde eerlijk en positief: hij had het boek van Musil niet gelezen, en associeert meer met “Mann ohne Eigenschaften”.
Ja dat mag natuurlijk, maar ik als germaniste vind het leuk om naar de bronnen te gaan.
Maria Trepp
De gemeente Leiden en museum De Lakenhal hebben een schilderij van Rembrandt verworven. Het gaat om het vroegst bekende schilderij van de Hollandse meester, ‘Brillenverkoper′ uit 1623-1624.

“De Brillenkoper getuigt al onmiskenbaar van de artistieke uitdagingen waarmee Rembrandt (Leiden, 15 juli 1606 – Amsterdam, 4 oktober 1669) gaandeweg beroemd zou worden: de contrasten tussen licht en donker, de losse verftoets en de levensechte koppen van de hoofdfiguren. Het schilderijtje maakte oorspronkelijk deel uit van een serie van vijf kleine paneeltjes, met als onderwerp de vijf zintuigen. Twee van de drie overgebleven schilderijen (het ‘gevoel’ en het ‘gehoor’) bevinden zich in een particuliere collectie in New York. Het derde paneel (het ‘zicht’) wordt straks, met de verwerving door de stad Leiden en Museum De Lakenhal, voor het Nederlandse cultuurbezit behouden. Vanaf 17 februari zal de nieuwe aanwinst in een speciale presentatie in het museum te bewonderen zijn.”
Het thema van de vijf zintuigen speelde in de Nederlandse prentkunst en schilderkunst een belangrijke rol. De vijf zintuigen werden op een karakteristieke maar voor ons vaak niet meer begrijpelijke manier vertegenwoordigd.
In Tot lering en vermaak, Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw schrijft E. de Jongh:
“Sedert de oudheid tot in de 17de eeuw werd over de zintuigen overwegend in ongunstige termen geschreven. Niet alleen in de leer van Plato werden de zintuigen als onbetrouwbaar veroordeeld, ook andere wijsgerige systemen hebben het waarnemen, in feite elke vorm van waarneming, als bedrieglijk opgevat. In de middeleeuwen en renaissance beschouwde men de zintuigen vanuit christelijk standpunt als de verbindingswegen waarlangs alle mogelijke slechtheid en zonden de menselijke geest binnendrongen. In de loop van de 17de eeuw evenwel zou er in deze argwanende houding enige verandering optreden onder invloed van het zich ontwikkelende empirisme, dat alle kennis wilde funderen in de ervaring. Voor deze wijsgerige richting golden de zintuigen niet zozeer als zondig, maar eerder als leveranciers van informatie en bewijsmateriaal”
En Noël Schiller schrijft over Rembrandts Vijf Zintuigen: [mijn vertaling en bewerking]
Tal van versies van de Vijf Zintuigen werden door kunstenaars in de Noordelijke Nederlanden gemaakt tijdens de eerste decennia van de zeventiende eeuw.
In deze tijd begonnen kunstenaars in Haarlem en Amsterdam figuren uit de midden- of lagere klasse in een kleine scene te schilderen voor een aanschouwelijke verbeelding van de zintuiglijke waarneming. Daarvoor had men dit onderwerp allegorisch en symbolisch benaderd.
De jonge Rembrandt was een van deze artistieke vernieuwers die een serie van kleine panelen schilderden met de verbeelding van de Vijf Zintuigen. In het geval van Rembrandt zijn groepen van drie hoofdfiguren uit de lagere klasse afgebeeld bij de uitoefening van een aan een zintuig gerelateerde activiteit: de figuren zingen in “Gehoor”, worden onderworpen aan een procedure om de “steen der dwaasheid” te verwijderen in “Gevoel” , en kopen brillen in “Zien”.


Rembrandts figuren zijn bezig met hun acties en hebben weinig aandacht voor de kijker.
Deze tekst staat in vertaling op mijn Duitse en mijn Engelse blog
Maria Trepp
Straks opent in het Van Gogh museum in Amsterdam de tentoonstelling Dreams of nature. Symbolisme van Van Gogh tot Kandinsky
Het symbolisme is de laatste jaren weer meer in de belangstelling gekomen. Het is een kunststroming die aan het eind van de 19e eeuw ontstond als reactie op het impressionisme. Kunstenaars wilden dromen en visioenen oproepen in plaats van de zichtbare werkelijkheid, als reactie op de groeiende industrialisering en het materialisme in Europa. Hun werken weerspiegelden veelal een verlangen naar schoonheid, esthetisch raffinement, verhevenheid, spiritualiteit, mythologie en abstractie.
Het symbolisme verenigde een klein clubje van kunstenaars die droomden en theoretiseerden over de eenheid van de kunsten.
Ook een aantal werken van Van Gogh kan men symbolistisch noemen, met name de werken die in contact met de symbolist en dromer Gauguin tot stand kwamen (zie bijvoorbeeld de zelfportretten van Van Gogh en Gauguin en de paasschilderijen van beiden). Maar ook het feit dat Van Gogh sterk vanuit ideeën werkte, en lang bezig was met een bepaald thema voordat hij er een schilderij van maakte, brengt hem in de buurt van andere symbolisten. Zijn schilderijen hebben diepere betekenissen, verborgen symboliek en verwijzen naar literatuur en muziek.
Hier een paar voorbeelden van symbolistische thema’s van schilderijen van Vincent van Gogh:
Natuur en suggestie: meer dan een getrouwe weergave van de werkelijkheid zijn de landschappen van de symbolisten een reflectie van de gevoelens die de natuur opriep bij de kunstenaar. Hier “Knotwilgen bij zonsondergang”: let op de zonnestralen.

Dromen en visioenen: Sommige symbolisten schilderden dromen en visioenen, de wereld achter de waarneembare werkelijkheid. Hier Van Goghs “Herinnering aan de tuin in Etten” Arles,1888.

De stad als een mysterieus droomachtig landschap: Caféterras bij nacht

De kosmos: in zijn landschappen verbeeldde Van Gogh ideeën over natuurkrachten, kosmische energie en de nietigheid van de mens tegenover de natuur.

Vincent van Gogh, Sterrennacht, 1889
klik hier voor een fantastische interactieve video Starry Night

Vincent van Gogh, Sterrennacht over de Rhone