In zijn atelier bewaarde James Ensor (zie de tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag) doodshoofden, maskers en hoofddeksels, die vanaf 1888 regelmatig in zijn werk voorkomen. In Ensors werk had de schedel een morbide, ironische en fantastische connotatie en komt vaak als zelfportret voor. De schedel is blijkbaar de “ik”-vorm van Ensors maskers: Ensors eigen lachend masker.
Mij bevalt het als de dood een deel van het leven is, en als de doden vrolijk meedoen in het leven. Magisch, fantastisch, menselijk.Ook Vincent van Gogh heeft kort daarvoor een soortgelijk zelfportret gemaakt:
Vincent van Gogh, Schedel met brandende sigaret, 1885
De schedel van Van Gogh houdt het midden tussen (zelf)portret en stilleven.