Wetenschap Kunst Politiek

I cancan expand

19 comments

Arnon Grunberg schrijft vandaag in de “Voetnoot” op de Vk-voorpagina:
We zullen eraan moeten wennen dat onze identiteit niet gebaseerd is op afkomst, maar op een verlangen”.


Dat vind ik heel mooi.


In verband met de in tv-programma’s, kranten en boeken gevoerde discussie “…dus ik ben” heb ik eens eerder voor mezelf geprobeerd te formuleren wat mijn invulling is van de zinssnede “….dus ik ben” .

“Ik ontwikkel in interactie dus ik ben”


Maar dat klinkt niet mooi.

Kort en in het Engels wordt het beter:

I grow thus I am


En mooier, beter en leuker, en passender bij “Ik verlang dus ik ben”

gaat het dus zo:


“I cancan expand

Thus I am”



Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Stalking versus Vrije Meningsuiting/ Academische Vrijheid

no comment

 

 

 

 

Frits Bolkestein, de Edmund Burke Stichting en Geert Wilders

84 comments

Nu Frits Bolkestein tegen Job Cohen ten strijde trekt ( “Cohen verwende zijn moslims”,  de Volkskrant 15 mei 2010) is het goed om eraan te herinneren welke rol de Leidse hoogleraar Bolkestein heeft gespeeld in de achtergrond van Wilders en de PVV.


De mannen van de Leidse neoconservatieve Edmund Burke Stichting, de denktank van Wilders, zijn allemaal nauw verbonden aan Frits Bolkestein: Joshua  Livestro, de eerste directeur van de Edmund Burke Stichting, was van 1999-2002 persoonlijk medewerker van Europees Commissaris Frits Bolkestein in Brussel. De Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging (een van de initiatiefnemers van de Burke Stichting,en eerder net als Wilders ghost writer van Bolkestein) en de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur (lid van de raad van aanbeveling van de Edmund Burke Stichting) , waren nauw verbonden aan de rechtsliberaal Bolkestein, die, hoewel zelf nooit direct verbonden aan de Burke Stichting, een belangrijke rol heeft gespeeld in de achtergrond van de Stichting. Bolkestein werd al genoemd op de voorloper van de Burke Stichting,  het conservatisme-web.[1]


Bolkestein vertelt in zijn boek Grensverkenningen, dat hij samen met Kinneging en Cliteur een leesclubje had, dat regelmatig bij elkaar kwam en o.a. samen Burke las,  Reflections on the Revolution in France, een tekst die ook op de huidige website van de Edmund Burke Stichting kan worden gevonden.


Bolkestein in zijn dagboek Grensverkenningen
”Vrijdag 6 augustus 1999: s’middags kwam min leesclubje weer bijeen in Amsterdam: Andreas Kinneging en Paul Cliteur. We hebben Edmund Burke gelezen, Reflections on the Revolution in France. Burke is overtuigender over het Britse constitutionele recht, met zijn nadruk op precedent, geleide­lijkheid en traditie, dan in het afgeven op de Franse Revolutie, wat hij overigens op briljante wijze doet. Hij heeft toch een te gunstige mening over het Ancien Régime. Andreas [Kinneging] is het hier niet mee eens. Hij vindt dat de Franse Revolutie helemaal niet nodig was; dat de adel zich aanpaste aan de moderne omstandigheden en een nuttige rol speelde; en dat onze visie op het Ancien Régime is gekleurd door de geschiedschrijving, dat wil zeggen door de tegenstanders. Mijn kennis is niet toereikend om dit te bestrijden. Het is natuurlijk dui­delijk dat de Franse Revolutie veel wandaden op haar geweten heeft, zoals iedere revolutie. Maar moderniseerde zij niet ook? “[2]


Bolkestein staat met zijn gedeeltelijk positieve visie op de Franse revolutie dichter bij de verlichtingspleiter Paul Cliteur dan bij Kinneging. Binnen de Edmund Burke Stichting zijn er dan ook juist wat de verlichting betreft verschillende opvattingen te vinden. Maar ondanks bepaalde verschillen weten de heren elkaar goed te vinden in hun wens naar een rechtsliberaal conservatisme, dat de verzorgingsstaat en de islam afwijst. De latere directeur van de Burke Stichting Bart Jan Spruyt in Lof van het conservatisme (2003):
“Slecht in enkele individuen vond het conservatisme pleitbezorgers [naast J.L.Heldring]:  in de Leidse rechsfilosofen Paul Cliteur en Andreas Kinneging, die de discussie over het conservatisme buiten de muren van de Telders stichting (het wetenschappelijk bureau van de VVD) hoorbaar wisten te maken en zo een beslissende bijdrage aan de herleving van het conservatisme hebben geleverd.” ( p. 9)

Bart Jan Spruyt noemt in dit boek Bolkestein een conservatief,  die zich zo niet wil noemen omdat hij “daar politieke redenen voor had” (p. 8) .
Spruyt gaat in Lof van het conservatisme nog verder uitvoerig in op Bolkestein, Cliteur en Kinneging. Bolkestein, volgens Spruyt een strijder “voor een combinatie van economische progressiviteit en cultureel conservatisme”, was
“overtuigd van de noodzaak de strijd tegen het morele nihilisme aan te binden, maar wist […]  het benodigde stelsel van waarden en normen niet te concretiseren. De zogeheten kardinale deugden uit de klassieke en christelijke traditie zijn volgens Bolkestein lovenswaardig, maar wat kan een liberaal politicus ermee? ‘Het liberalisme is geformuleerd in een tijdperk waarin moraal in zekere zin het monopolie van de kerk was. De liberaal had niet zozeer de behoefte daar een eigen moraal tegenover te stellen, als wel staat en kerk te scheiden. Moraal was immers vanzelfsprekend. Het uitdenken van een kader waarbinnen de deugden de nadruk kunnen krijgen die ze verdienen, is een grote uitdaging voor het hedendaagse liberalisme’, luidde Bolkesteins eindconclusie.” ( p. 54f)


Bolkestein wordt ook genoemd in het Burke- pamflet De crisis van Nederland (“Ook de verzorgingsstaat dient grondig te worden hervormd. Conservatieven omarmen de slogan van Frits Bolkestein: liever de warmte van een baan dan de kilte van een uitkering“) . Omgekeerd komen in Bolkesteins Grensverkenningen niet alleen Livestro, Kinneging en Cliteur herhaaldelijk ter sprake, (“Vrijdag 31  maart 2000 Lunch met een stel slimme academici in Nieuwspoort, allen leer­lingen van Andreas Kinneging, die er ook was; georganiseerd door Joshua Livestro, die nu mijn persoonlijke medewerker in Brussel is […] . Onderwerp van gesprek was het liberalisme, het postmodernisme (en wat daar­tegen te doen) en het verlies aan zelfvertrouwen van de Europese eli­te..”) ook Michiel Visser, secretaris van de Burke Stichting en medeauteur van een aantal artikelen wordt genoemd ( “Vrijdag 16 januari 2000 Geluncht in Nieuwspoort met Joshua Livestro, Andreas Kinneging, Paul Cliteur, Hans Kribbe, Michiel Visser en nog een paar academi­ci over de eeuwige onderwerpen Verlichting – Romantiek – Natio­nalisme – 1968, enz.”)  net als de neocon en  Burke-ere-donateur[3] Afshin Ellian[4],




Bolkestein was aanwezig op de eerste belangrijke bijeenkomst van de Burke Stichting waar Roger Scruton de eerste Burke-lezing hield. Vermoedelijk wil Bolkestein niet dat zijn nauwe banden met de Edmund Burke Stichting bekend worden. Het is bijvoorbeeld zeer merkwaardig, dat hij in 1999 en 2000 zeer frequente contact had met de oprichters van de Burke Stichting; samen met hun Edmund Burke las; op de eerste grote lezing van de stichting aanwezig was, maar in zijn dagboek Grensverkenningen het woordje “Edmund Burke Stichting” angstvallig vermijdt.


De Leidse professor Bolkestein zat bovendien in 2004 samen met de Burkiaanse neoconservatieve rechtfilosofen Kinneging, Ellian en Cliteur in het nieuwe Leidse rechtengebouw (terwijl hij eigenlijk organisatorisch bij Sociale Wetenschappen/ Politicologie hoort). Maarten Huygen:
“Zijn [Kinnegings]  kantoor ligt op de lichte zolderverdieping van het voormalige Kamerlingh Onnes natuurkundelaboratorium, dat is omgebouwd tot rechtenfaculteit. Schuin tegenover hem werkt onder strenge bewaking een voorvechter van de door Kinneging gelaakte Verlichting, de hoogleraar Sociale Cohesie en Recht, Afshin Ellian. Aan zijn gang zitten ook twee andere hooggeleerden met een uitgesproken liberaal profiel: het VVD-lid Paul Cliteur, hoogleraar van de Encyclopedie van de Rechtswetenschap, en de gewezen VVD-leider en commissaris van de Europese Commissie, Frits Bolkestein, hoogleraar in de Intellectuele Grondslagen van Politieke Ontwikkelingen.” ( NRC 13-5-2006)


Ondanks verschillen in detail bestaat tussen Livestro, Kinneging, Cliteur, Ellian en Bolkestein een fysieke (het Leidse rechtengebouw) en/of sociale (de VVD / de Universiteit Leiden) en/of een geestelijk-politieke band. Zij zijn allemaal te vinden aan de rechterkant van de VVD, in de omgeving van het rechtspopulisme van Fortuyn en Wilders.


Frits Bolkestein is de geestelijke vader van Livestro en Kinneging. Hij is ook de geestelijke vader van Geert Wilders, met wie de Burke Stichting via Bart Jan Spruyt in 2004/2005 een politiek samenwerkingsverband is aangegaan.
Esther Lammers:
“Als beleidsmedewerker behoorde hij [Wilders] al snel tot het zogenoemde ‘klasje van Bolkestein’; jonge medewerkers die met de toenmalige fractieleider brainstormden over onderwerpen die op de agenda moesten komen. Hij schreef ook regelmatig de, soms scherpe, toespraken van Bolkestein.”[5]




Herman Staal; Derk Stokmans:
Frits Bolkestein […]  was voor Wilders een belangrijk politiek voorbeeld. Niet alleen wegens zijn ideeën. De confronterende stijl en de neiging politieke taboes te doorbreken zijn nu terug te zien bij de PVV-leider. “ (NRC 29-3-2008)


Interessant en sprekend is het feit dat Wilders zijn werkkamer in het gebouw van de Tweede Kamer in 2006 heeft ingericht met het meubilair van Frits Bolkestein (NRC 24-2-2007).



Veel uitgebreider hierover zie mijn documentatie over de Edmund Burke Stichting,

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.


[1] http://members.lycos.nl/conservatisme/


[2] Grensverkenningen, p. 18.
[3] Jan Blokker, de Volkskrant 5-9-2005
[4] Grensverkenningen, p.280
[5] Trouw, 17-9-1999.
[6] NRC, 13-5-2006.

Israël en Eichmann

59 comments


Israël en Eichmann

De West-Duitse geheime dienst wist al in 1952 dat nazibeul Adolf Eichmann zich schuilhield in Argentinië, meldt de Duitse krant Bild, nadat men via de rechter inzage heeft gekregen in geheime documenten.


“Israël rekende zelf af met Adolf Eichmann” schrijft Alex Burghoorn in augustas 2010 in de Volkskrant. “Mossad-agent Rafi Eitan plukte in mei 1960 oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann in Argentinië van de straat.”


De arrestatie was de opmaat voor een nog ingrijpender gebeurtenis: het Eichmann-proces en daarmee verbonden, een nieuwe identiteit voor de staat Israël. Burghoorn: “De gevolgen [van het Eichmann-proces] waren verstrekkend. Na de arrestatie, berechting en uiteindelijk executie van Eichmann ruilde Israël langzaam de kibboets in voor het concentratiekamp als ijkpunt voor zijn zelfbeeld.”


Dit zelfbeeld is problematisch en wordt door velen bekritiseerd.


Fred Halliday spreekt van “…het selectieve en doelbewuste gebruik van de shoah door de staat Israël, waarmee sommige acties en schendingen van het internationale recht door dit land worden gerechtvaardigd. Ook worden er oude morele aanspraken (op land of soevereiniteit) van het joodse volk mee uitgedrukt, ten koste van de Palestijnen (een vroege indicatie daarvan was het proces in 1962 tegen Adolf Eichmann voor misdaden tegen het joodse volk, en niet tegen de menselijkheid)”. (De erfenis van Auschwitz in de 21ste eeuw)


Ian Buruma schrijft in “Het circus van  Max Beckman” over het Israëlisch slachtofferdenken: “..Het wordt dubieus wanneer een culturele, etnische, religieuze of nationale gemeenschap zijn gemeenschappelijke identiteit vrijwel volledig baseert op de sentimentele solidariteit van een herinnerd slachtofferschap, want in die richting ligt de historische bijziendheid en, in extreme gevallen, vendeta.” (p 56)


“Eichmann” staat voor meer dan de Holocaust. “Eichmann” staat voor misdaden tegen de menselijkheid en voor het radicaal kwaad in een sociaal gewaad.


Susan Neiman in Morele helderheid: “Vergeet niet dat Eichmanns misdaden weliswaar verschrikkelijk waren, maar zijn motieven volstrekt onbenullig; of hij een massamoord heeft georganiseerd uit haat of uit het verlangen om een treetje hoger op de maatschappelijke ladder te komen doet eenvoudigweg niet ter zake. Soms zijn bepaalde motieven erger dan niet ter zake: ze leiden af van de inhoud, en van de gevolgen, van iemands daden. Het geloof dat bedoelingen de kern vormen van het morele handelen leidt velen ertoe om morele helderheid te verwarren met zuiverheid. Maar als bedoelingen van secundair belang zijn bij het besluiten of bepaalde handelingen een kwaad vormen, zijn ze van zelfs nog minder belang bij het besluiten of bepaalde handelingen goed zijn. “( p 436)

Kees Schuyt gaat in zijn Leidse Cleveringarede Democratische deugden uitgebreid in op de implicaties van “Eichmann en het radicale Kwaad”:
Schuyt: “Het kwaad is van sociale makelij. Aan massaal geweld tegenover bepaalde bevolkingsgroepen gaat meestal een intensivering van groepstegenstellingen vooraf. Deze intensivering heeft bovendien typische, steeds terugkerende kenmerken. Allereerst
komt het kwaad bijna nooit als een openlijke ontkenning van de morele
wet, maar wordt het als iets goeds voorgesteld, als een gerechtvaardigde onderneming met eigen idealen en principes, waar velen achter kunnen staan en ook achteraan willen lopen
. Er worden uitdrukkingen gebruikt die ontleend zijn aan de bekende en vertrouwde cultuur zoals reinheid en zuiverheid. Een voorhoede acht zich uitverkoren en schept voor zichzelf uitzonderlijke rechten en speciale verantwoordelijkheden.
Goed en kwaad komen vermengd naar voren en hierin schuilt de verraderlijke, moeilijk zichtbare, sociologische component. Kwaad wordt niet minder intersubjectief tot stand gebracht en gedragen dan het goede, en de bestrijding van het allerergste kwaad loopt immer het gevaar zelf bepaalde eigenschappen van dat bestreden kwaad over te nemen.”

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Wilders-deskundige Hans Jansen, een vijand van de liberale islam

61 comments

‘Arabist in proces-Wilders is niet onpartijdig’


schrijven Annieke Kranenberg  en  Remco Meijer vandaag in de Volkskrant.
Dat klopt, Hans Jansen is absoluut niet onpartijdig.


Hans Jansen is een vijand van de liberale islam.


De internationaal erkende liberale korandeskundige en Leidse Cleveringahoogleraar 2001 Nasr Abu Zayd wordt door Jansen met haat achtervolgd:
Alles wat hij [Abu Zayd]  in zijn bijdrage over de Koran en de islam zegt, is apologetische verouderde flauwekul” schrijft Jansen.



Jansen verspreidt leugens over Abu Zayd zoals:  “Scheffer heeft gemerkt dat deze man [Abu Zayd] zijn weldoeners en asielverleners in zijn geschriften regelmatig als ‘de vijand’ aanduidt. Niet de moslimactivisten die hem wegens vermeende afvalligheid van de islam naar het leven staan zijn voor Abu-Zayd de vijand, maar degenen die hem toevlucht verschaffen.” Zie voor discussie van de feiten mijn blog hierover: Paul Scheffer en Hans Jansen over Nasr Abu Zayd

In de Rode Hoed hoorde ik in juni 2007 Jansen roepen:

“De islam, een geschiedenis van 1500 jaar moord” .


Jansen is beslist een Wilderiaan. Maar ik zou niet weten waarom Wilders hem dan niet als deskundige mag oproepen!

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

Marxisme, ideologiekritiek, humanisme, emancipatie

41 comments

De  belangrijkste elementen in het marxisme zijn voor mij de ideologiekritiek en de emancipatie.

Ik houd me bij de beschrijving van dit alles aan mijn huisfilosoof Peter Sloterdijk, die in zijn “Kritiek van de cynische rede” een uitstekend overzicht geeft van de sterke en zwakke kanten (= kynische versus cynische in Sloterdijks terminologie) van het marxisme .

  1. 1. Ideologiekritiek

Met de middelen van de marxistische ideologiekritiek worden de mechanismen van de samenleving en opinievorming worden onderzocht: belangen, hartstochten, fixaties, illusies.

Bij Marx, net als bij Nietzsche en Freud, is een satirische, polemische component aan het werk, die zich eigenlijk niet geheel laat verbergen achter het masker van wetenschappe­lijke ernst. (Sloterdijk, Kritik vd cynische rede, p 56)

Sloterdijk (p 81 ff):
De kritiek van Marx gaat duidelijk een stap verder dan alle kritieken voordien: zij is gericht op een integrale ‘kritiek van de hoofden’. Zij wenst de hoofden opnieuw te zetten op het totaal van levende en werkende lichamen; dat is de zin van de dialectiek van theorie en praktijk, brein en hand, hoofd en buik.

De kritiek van Marx laat zich leiden door een realistische visie op de maatschappelijke arbeidsontwikkelingen. Wat in de hoofden zit, zo zegt hij, blijft ‘in laatste instantie’ bepaald door de sociale functie van de hoofden in de economie van de totale maatschappelijke arbeid. Daarom heeft de sociaal­economische kritiek weinig respect voor wat het bewustzijn over zichzelf te zeggen heeft. Haar motief blijft het uitzoe­ken wat ‘objectief’ het geval is. Daarom ondervraagt zij elk bewustzijn naar wat het weet van zijn eigen plaats in het samenstel van arbeid en macht. En omdat ze daar in de regel de grootste onwetendheid tegenkomt, kan ze daar haar aan­val op richten. Omdat de maatschappelijke arbeid onder­worpen is aan een indeling in klassen, toetst de kritiek van Marx elk bewustzijn aan wat het als ‘klassebewustzijn’ pres­teert en wat het zelf daarvan weet.

In het systeem van de bourgeois-maatschappij kan men om te beginnen drie objectieve vormen van klassebewustzijn onderscheiden: dat van de bourgeoisie (de klasse van het kapitaal), dat van het proletariaat (de klasse van de produ­centen) en dat van de tussenpersonen (midden-‘klasse’)­waarmee het bewustzijn van de werkers in de bovenbouw, een groep bestaande uit wetenschapsmensen, rechters, pries­ters, kunstenaars en filosofen zonder duidelijk klasseprofiel, dubbelzinnige relaties onderhoudt.

Wanneer men kijkt naar de traditionele hoofdarbeiders, valt onmiddellijk op dat dezen in de regel hun werkzaamheid volstrekt anders opvatten dan zij zouden moeten doen vol­gens het model van Marx. Hoofdarbeiders weten meestal praktisch niets van hun rol in de economie van maatschap­pelijke arbeid en macht. Ze blijven verre van de ‘feitelijke grondslag’, leven met hun hoofd in de wolken en bezien de sfeer van de ‘reële productie’ van een onrealistische afstand. Daardoor leven zij, aldus Marx, in een wereld van globale idealistische mystificatie. De geestelijke ‘arbeid’ – alleen al de benaming komt neer op een aanval-wenst te vergeten dat ook zij, in specifieke zin, arbeid is. Ze heeft zich aange­wend niet meer te vragen naar de manier waarop haar samenspel met de materiële, manuele en executieve arbeid plaatsvindt. Daardoor minacht de totale klassieke traditie van Plato tot Kant de maatschappelijke onderbouw van de theorie: slaveneconomie, lijfeigenschap, onderdanigheids­relaties op het werk. Zij beroept zich veeleer op autonome geestelijke ervaringen die haar motiveren: streven naar waarheid, bewustzijn van deugd, goddelijke roeping, ab­solutisme van de rede, ingenium.

Men moet echter vasthouden aan het feit dat arbeid een elementaire levenssituatie is, waarmee een theorie van het reële rekening moet houden. Wanneer zo’n theorie daartoe niet bereid blijkt en deze grondslag wil overslaan, wordt het tijd voor ontmaskering. Zo’n ontmaskering heet ‘aan de grond zetten’, grounding. De kenmerkende methode voor ontmaskering in de kritiek van Marx is daarom de om­kering: men zet het bewustzijn van de kop op de voeten. Voeten wil hier zeggen: weten wat de plaats is in het pro­duktieproces en in het samenstel der klassen. Ontmaskerd

[..] Naast de kritiek van het gemystificeerde bewustzijn bevat de theorie van Marx een tweede, uiterst belangrijke variant van ideologiekritiek, die de stijl van de marxistische kritiek, de polemische scherpte ervan, heeft bepaald: de theorie van het karaktermasker. Als maskertheorie maakt zij a priori onderscheid tussen personen als individu en als drager van klassefuncties. Daarbij blijft enigszins onduidelijk welk aspect in elk afzonderlijk geval het masker van het andere is – het individuele het masker van de functie of de functie het masker van de individualiteit. De meeste critici hebben om goede redenen gekozen voor de antihumanistische versie, voor de gedachte dat de individualiteit een masker van de functie is. Zo kunnen er ongetwijfeld menselijk integere kapitalisten zijn-zoals blijkt uit de geschiedenis van de burgerlijke filantropie, waartegen de critici uit de school van Marx fel van leer zijn getrokken. ‘Humaan’ zijn ze slechts als individuele maskeringen van sociale onmenselijkheid. Gezien hun sociale zijn blijven ze desondanks personificaties van het zakelijk belang, karaktermaskers van het kapitaal. In menig opzicht zijn zij voor de agitatoren zelfs erger dan de wreedste uitbuiters, omdat ze de patriarchale mystificatie van de arbeider in stand houden. – Het spiegelbeeld van deze theorie biedt de ‘burgerlijke’ rollentheorie, die de sociale functies (‘rollen’) als masker ziet, waarmee de individualiteit zich vermomt om er in het beste geval zelfs mee te ‘spelen’.
[…]
Op dit punt blijkt hoe fundamenteel dubbelzinnig de ‘theorie’ van Marx is. Aan de ene kant objectiveert ze elk bewustzijn tot een functie van het maatschappelijk proces; anderzijds wil ze de bevrijding van het bewustzijn uit de mystificatie mogelijk maken.”

2. Emancipatie en bevrijding

“Wanneer men het marxisme ziet als bevrijdings­theorie, dan benadrukt men de emancipatorische bewust­zijnsvorming van het proletariaat en zijn bondgenoten. Deze visie is niet nauw omschreven, zij slaat op de groeiende ‘subjectiviteit’ van de (zogenaamd) laatste onderdrukte klasse. Wanneer deze zichzelf bevrijdt uit haar uitzichtloze situatie, dan schept zij de voorwaarde voor reële emancipa­tie (van uitbuiting door arbeid) van alle mensen. De zelf­bevrijding van de knecht zou in een ideale dialectiek moe­ten leiden tot bevrijding van de bazen uit de dwang van hun bazenbestaan. Mensen die Marx als ‘humanist’ willen zien, benadrukken dit aspect. De kern ervan is de arbeids­antropologie. De arbeider zou pas zich ‘zelf’ worden wan­neer hij geniet van de producten waaraan hij zijn energie heeft besteed en de meerwaarde niet meer moet achterlaten in de handen van de heersende klasse. Emancipatie treedt in dit denkmodel op als zelfstandige verovering van het productieve subject in zijn producten.  [..] “

3. Kritik op de cynische kant van het marxisme:

“I
n een andere visie komt uit de kritiek van Marx een ‘antihurnanistische”, ‘realistische’ aanpak te voorschijn. Het accent ligt hier niet op de dialectiek van de bevrijding, maar op de mechanismen van de universele mystificatie. Wanneer elk bewustzijn precies zo verkeerd is als overeenkomt met zijn plaats in het proces van produktie en macht, blijft het onvermijdelijk opgesloten in zijn verkeerdheid zolang dit proces aan de gang is. En dat het in volle gang is wordt door het marxisme immers dagelijks, van uur tot uur, beklem­toond. Op die manier draagt het verborgen functionalisme van Marx’ theorie vruchten. Voor dit functionalisme bestaat tot op heden geen scherpere formulering dan de beroemde Uitspraak over het ‘noodzakelijkerwijs verkeerde bewustzijn’. Vanuit deze optiek wordt het verkeerde bewustzijn geobjec­tiveerd opgenomen in het systeem van objectieve verblin­dingen. Verkeerd zijn is een functie van het proces.
Op dit punt nadert het marxistische systeemcynisme zeer dicht tot het cynisme van de bourgeois-functionalisten, alleen in omgekeerde toonzetting. De bourgeois-functiona­listen beschouwen namelijk het functioneren van sociale handelingssystemen slechts als gegarandeerd wanneer be­paalde fundamentele normen, houdingen en doelstellingen door de onderhorigen van die systemen in blinde identifica­tie worden aanvaard en gehoorzaamd; daarbij is het in het belang van het systeem zelf dat dergelijke identificaties door individuele dissidenten elastisch worden opgevat en soms zelfs herzien, opdat het systeem door al te grote star­heid zijn aanpassingsvermogen aan nieuwe situaties niet verliest. In zoverre zouden een zekere mate van ironie en een hoekje voor revolutiemakers zelfs onmisbaar zijn voor elk systeem dat bezig is zich te ontwikkelen. Het functiona­lisme ontzegt het menselijk bewustzijn echter niet alleen het recht op emancipatie, maar loochent zelfs de zin van een dergelijke emancipatie van normen en verplichtingen: zo’n emancipatie zou volgens deze leer immers regelrecht tot het niets leiden, tot een leeg individualisme, tot de anomische chaos en tot het verlies van structuur in de diverse maatschappijvormen. Dat daar een kern van waar­heid in schuilt wordt door de socialistische maatschappij­vormen van het Oostblok bijzonder drastisch bewezen. Die leveren het functionalistische bewijs in het sociale labora­torium: dat ‘geordend’ sociaal bestaan slechts denkbaar is binnen het omhulsel van functionele leugens om bestwil. In de cultuurpolitiek en de ethische dressuur van arbeid en militarisme van de socialistische landen treedt het functie­cynisme van Marx’ ideologieleer angstwekkend duidelijk aan het licht.

 

Over Karl Marx en joodse emancipatie klik hier

 

Maria Trepp

John Everett Millais en de prerafaëlieten

24 comments

 

In het Van Gogh museum kon men in 2008 de werken van John Millais bewonderen. 

John Everett Millais (1829-1896) was de belangrijkste schilder van het Engelse genootschap der Prerafaëlieten en de meest succesvolle Britse kunstenaar uit de tweede helft van de 19de eeuw.
In september 1848 richtte Millais met Hunt, Rossetti en anderen de Pre-Raphaelite Brotherhood op. Deze groep zette het gangbare idee overboord dat de kunstenaar diende te streven naar de ideale schoonheid. De natuur diende volgens Millais en Hunt zo waarheidsgetrouw mogelijk te worden weergegeven.

Alison Smith schrijft over “Het poëtische beeld van Millais” ( in de catalogus van het Van Gogh Museum) :
“Die vele dynamische ontwikkelingen in het werk van Millais maken het onmogelijk om zijn oeuvre te classificeren. Zijn werk werd nu eens als romantisch, dan weer als realistisch, of als esthetiserend, impressionistisch of symbolistisch getypeerd, terwijl het in feite in geen van deze categorieën thuishoort. Millais kan het beste worden omschreven als een ‘realistische symbolist’, door de unieke wijze waarop hij de doodgewone details van het bestaan gebruikte om naar een betekenis achter de waarneembare werkelijkheid te speuren.”

“Het prerafaëlitisme speelde een cruciale rol in Millais’ ontwikkeling als kunstenaar. Zijn hartstochtelijke betrokkenheid in die beweging maakte van hem een rebel die bereid was om de troeven van zijn artistieke vroegrijpheid te verspelen en de afkeuring van critici en artistiek establishment te ondergaan. Als avant-gardestroming streefde het prerafaëlitisme naar een breuk met de traditie en had het de toekomst van de kunst voor ogen.

‘Isabella’ ( 1848) is beladen met visuele toespelingen op het verleden­ van Hans Memling tot Paolo Veronese -, maar die verwijzingen worden overschaduwd door het symbolische witte been dat dwars door de compositie snijdt. Deze kunst­greep choqueerde het publiek en maakte het meteen duidelijk dat de jonge schilder schoon schip wilde maken.”

“Millais en zijn medestanders van de Prerafaëlitische Broederschap beschouwden de middeleeuwse kunst als een authentiek model voor vernieuwing, omdat die kunst volgens hen minder aan formules was onderworpen dan de stijlen die sinds de renais­sance dominant waren geweest. Schilderijen als Isabella en Ophelia waren revolutionair omdat de manier waarop zij waren gemaakt geheel in strijd was met de gangbare aca­demische regels voor het vervaardigen van schilderijen.”

John_Everett_Millais_-_Ophelia

John_Everett_Millais_-_Ophelia

“Gedurende zijn hele carrière bleef hij bezield door dit verlangen om de vitaliteit en complexiteit van natuurverschijnselen weer te geven. Om die reden had hij trouwens een afkeer van het classicisme als stijl. In 1875, in een toespraak tot kunststudenten, drukte hij zijn opvatting daarover uit: ‘Niemand is echt een goede tekenaar als hij zich niet van de klassieke orde kan ont­doen … en als hij niet in staat is om indien nodig de eigenaardigheden en oneindige variëteit van de natuur voor te stellen.”

“De prerafaëlieten waren van mening dat karakterexpressie in de schilderkunst steunde op rechtstreekse observatie van het echte leven. Zij verwierpen het academi­sche principe van de idealisering en beschouwden de individualisering als de sleutel tot de weergave van emoties en innerlijke ervaringen. Millais ontpopte zich als een voorloper van de moderne psychologie, in de manier waarop hij onbewuste verlangens en impulsen (wat Freud de ‘psychische energie’ zou noemen) probeerde te doorgronden via de uiterlijke verschijning. Kenmerkend voor zijn personages is hun ‘in beslag genomen zijn’ door een of andere activiteit, alsof zij zich niet bewust zijn van onze blik.”

“MilIais’ kunst is niet illustratief in de conventionele zin, omdat zij meer doet dan een tekst illustreren of een verhaal uitbeelden. Anderzijds is zij te werkelijkheidsgetrouw om te ressorteren onder het idealiserende estheticisme of symbolisme waarvan zijn tijdgenoten Frederic Leighton, James McNeill Whistler en Rossetti wegbereiders waren. Toch mogen we zeggen dat Millais in wezen een symbolist was die via zijn inspanningen om de vluchtige wereld der waarneembare fenomenen vast te leggen, op zoek was naar een subjectief begrip van de impact van tijd en herinnering op de menselijke psychologie.”

Het laatste, de invloed van tijd en herinnering op de psyche, wordt zeer mooi uitgebeeld in Millais’ schilderij “Mijmeringen” ( 1855) , een van de schilderijen die ik als voorbeeld neem voor eigen fotografische zelf– en vrouwenportraits.

Ik ken Maillais en de prerafaëlieten uit mijn onderzoek over Max Nordaus pre-fascistisch werk “Entartung” ( “Ontaarding”; 1892/3) . Max Nordau beschrijft de moderne Kunst van Monet tot Baudelaire, van Tolstoj tot Ibsen als ziekelijk “ontaard”. Ook over de Prerafaëlieten en hun vermeende ontaarding heeft Nordau een heel hoofdstuk geschreven.

Nordau schrijft in “Ontaarding”, (vertaald en bewerkt door F.M. Jaeger):

“Drie schilders, Dante Gabriël Rossetti, Holman Hunt en Millais vereenigden zich in 1848 tot een club, waaraan zij den naam gaven van “praerafaëlietische broederschap”,. […] In het voorjaar van 1849 hielden zij in Londen eene ten­toonstelling van schilderijen en beeldhouwwerken, die be­halve met de namen van de makers ook voorzien werden met het merk P. R. B. Hunne werken maakten een totaal fiasco. Het publiek, dat nog niet lastig gevallen werd door de fanatieke geloovers ‘aan een zekere soort van schoon en ook niet onder den invloed stond van eene ziekelijke mode, haalde voor deze kunstproducten de schouders op; men maakte zich er vroolijk of boos over, naar gelang van de stemming.”….”zij schilderden geene werkelijke aanschouwingen, maar alleen gewaarwordingen. Zij brachten in hun ‘werk van die geheimzinnige toespelingen en duistere symbolen, die met het teruggeven van de werkelijkheid niets te maken hebben.”

Nordau verwijt de prerafaëlieten onder meer hun niet-academisch werk, waarbij ook de achtergrond zeer detailbewust wordt geschilderd. Volgens Nordau is dit een “ziekelijke echolalie met de penseel” en het bewijs dat de schilder niet in staat is te concentreren. Ook de “geilheid” en erotiek in de schilderijen van de Prerafaëlieten is een steen des aanstoots voor Nordau.

Hitlers kunst- en “ontaardings”-theorie was sterk beïnvloed door Nordau, al werd Nordau door de nazi’s niet genoemd, om dat Nordau zionist en jood was.

 

John_Everett_Millais Prerafaëlieten

John_Everett_Millais Prerafaëlieten

1

Millais-_Mariana  Prerafaëlieten

Millais-_Mariana Prerafaëlieten

2

3

4

5

6

7

8

 

 

www.passagenproject.com

Meest recente berichten