Hier een klassieke Leda van Leonardo da Vinci:

en van Michelangelo:

In de Volkskrant (27-11) zag in een mooie afbeelding van een tekening van Charlotte Mutsaers “Leda”.
Hier een paar moderne Leda’s:

Paul Cezanne, Leda

Bij Klimt is de zwaan zwart- apart!

Andre Lhote, Leda, 1930 (mijn favoriet)

Gerrit Bolhuis, Leda (tekening 1955)

Gerrit Bolhuis, Leda (gezien Museum Beelden aan Zee juli 2009)

William Turnbull, Leda, 1985 ( Museum Beelden aan Zee)
Leda en de zwaan zijn hier een eenheid
Nog een Leda uit Beelden aan Zee, zie hier bij Solvejg

Constant, Leda, 1993
Zie ook: Zwanen in de moderne kunst
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.

Oscar Niemeyer Parque_da_Cidade_do_Natal
foto Humberto Diogenes wikimedia commons
Humberto Diógenes

Oscar Niemeyer Interior_Auditoro_do_Ibirapuera_foto Stella Dauer wikimedia commons
Stella Dauer

Oscar Niemeyer Catedral_de_Brasilia_02 fot Agencia Brasil wikimedia commons
Agencia Brasil

Oscar Niemeyer Mondadori-headquarters foto Nitot wikimedia commons

Oscar Niemeyer foto: leonelponce wikimedia commons
Memorial da América Latina (Mão)
De Leidse emeritus rechtsfilosofie Herman van Gunsteren staat vandaag op de opiniepagina met een interessant artikel over de PVV.
Eerder heb ik al over de bijdrage van Kinneging en van Van Gunsteren in de martelkwestie geblogged (Leidse hoogleraren over het marteldilemma: Kinneging, Mertens, Van Gunsteren)
Vandaag hier citaten uit Van Gunsterens interessant boek Vertrouwen in democratie, waar hij tegen een identiteitspolitiek en voor diversiteit in plaats van monocultuur.
Als men in de democratie tot hoogwaardige oordelen en besluiten wil komen, zijn volgens hem een aantal randvoorwaarden vereist, waaronder diversiteit.
Toch zegt ook hij dat een multiculturele samenleving tot problemen kan leiden, namelijk dan, als er geen uitwisseling van informatie tussen onafhankelijke individuen plaats vindt. Als groepen in de multiculturele samenleving hun gang gaan zonder confrontatie en uitwisseling met anderen kan de democratie niet werken. Intelligente zelforganisatie – en de democratie kan in het beste geval een intelligente zelforganisatie zijn – stagneert zonder voldoende diversiteit, maar ook zonder voldoende uitwisseling.
Van Gunsteren pleit voor diversiteit en ervoor “de boel bij elkaar te houden”- hij gebruikt de formulering van de Amsterdamse burgemeester Cohen (die door Ellian tot “de Grote Ayatollah” werd benoemd, die maar beter naar Teheran kan vertrekken). “De boel bij elkaar houden” vertaalt Van Gunsteren met: “rechtvaardig vorm te geven aan lotsverbondenheid” (p. 129)
Van Gunsteren schrijft over de praktische maatregelen waarmee burgerschap wordt gecreëerd:
“De mix van mechanismen waardoor burgerschap verzekerd wordt kan per regiem verschillen en mettertijd veranderen. Recent worden in Nederland in een viertal kwesties van burgerschap de accenten anders gelegd:
- Waar mag de eigen versie van het goede leven gestalte worden gegeven: onzichtbaar achter de voordeur of erkend in de publieke ruimte?
- Is er ruimte voor multiculturaliteit of dient iedere burger zich in de Nederlandse cultuur in te voegen
- Waar wordt burgerschap geleerd: in de praktijk, door te doen, of via cursussen en examens?
- Geldt loyaliteit van burgers jegens allen, of alleen jegens gelijkgezinden van goede wil?
In alle vier kwesties is recent het accent naar het laatstgenoemde alternatief verschoven, d.w.z. naar identiteitspolitiek, assimilatie, inburgering en gelijkgezindheid. De vraag is of hiermee gepaard gaande nieuwe mix van regels en instituties van burgerschap voldoende diversiteit produceert.” (p.132f.)
De huidige regering voert in vergaande overeenstemming met de eisen van Ellian/Cliteur een beleid om het Nederlands burgerschap te bevorderen. Daarmee, zo Van Gunsteren “ doet zij in feite mee aan een identiteitspolitiek die met de neutraliteit van de staat op gespannen voet staat. Burgerschap behelst in deze opvatting meer dan je aan de wet houden en de taal spreken. Het vraagt ook vertrouwdheid met en je invoegen in de Nederlandse cultuur. Wat die cultuur is wordt bepaald in cursussen en examens, alsmede in voorbeeldig gedrag van machthebbers die demonstreren hoe het in Nederland hoort. Burger zijn in deze visie verplicht zich normaal te gedragen. Wie afwijkt doet eigenlijk niet goed mee. Hij is een voorwerp van zorg en aandacht. Zeker nu in de veiligheidsstaat risicoburgers- dat zijn mensen die volgens de experts een gevaar vormen- verdacht zijn.
Vanuit de principes van zelforganisatie bezien betekent dit intomen van diversiteit een ernstig verlies van zelforganiserend vermogen van de democratie.” (p.139)
“De huidige nadruk op Nederlands burgerschap, op burgerzin en op assimilatie in de Nederlandse cultuur, leidt echter al gauw tot een disciplinering in braafheid waardoor het genereren van de voor zelforganisatie onmisbare diversiteit stagneert. “(p. 141)
“De nadruk op wat burgers bindt, op ‘elkaar vasthouden’, heeft een schaduwkant. De mensen van kwade wil, de afwijkenden en onverschilligen worden eigenlijk buiten de kring van burgers geplaatst. Zij zijn misschien wel burgers, maar geen goede, bruikbare burgers. Zij missen burgerzin. Ze beantwoorden niet aan het plaatje van de gewone, fatsoenlijke burger.
Een alternatief voor deze eindplaatjes-benadering van het kabinet Balkenende [en van de Burkianen,M.T] is een meer processuele en conflictuele visie op burgerschap als kernelement van vreedzame zelforganisatie. Die ziet vertrouwen als een bijproduct van de mogelijkheid om gezond te wantrouwen. Medeburgers hoeven niet allen het beste met elkaar voor te hebben. Het is voldoende dat ze zich in het maatschappelijke verkeer niet als vijanden gedragen, maar bereid zijn als tegenstanders binnen een geregeld speelveld conflicten uit te vechten.” (p.143)

Warmond, Broekpolder/ De Strengen 20 november 2009


Evelien Tonkens schrijft over Susan Neiman, wiens boek “Morele helderheid” ik met veel interesse heb gelezen en in mijn Burke-Stichting-documentatie heb gebruikt.
Ik citeer uit mijn hoofdstuk over “realisme”:
Het Wilderiaanse Nieuw-realisme met zijn wortels bij Wilders-peetvader Bolkestein is in feite een hobbesiaans realisme. De wereld wordt beschouwd als het toneel van een niet-aflatende strijd om macht.[1] Volgens Hobbes is de mens van nature niet geneigd tot het goede (altruïsme en samenwerking), maar eerder tot het kwade (egoïsme en machtsstrijd).
“Realistisch” is een hobbesiaanse houding inzoverre als ervan uit wordt gegaan dat de wereld, en de vijandige menselijke verhoudingen daarin, op dit fundamentele niveau niet te veranderen is.
In de ogen van Susan Neiman is het hobbeaans realisme gevaarlijk omdat het de mens als een hopeloos geval ziet, dat je maar het beste zo strak mogelijk aan banden kunt leggen. De ‘oorlog van allen tegen allen’, die volgens Hobbes de natuurlijk staat van de mens verbeeldt, doet Neiman af als bovenmatig zwartgallig.
“De notie dat de mens van nature goed is, mag onzinnig zijn, het tegenovergestelde is net zo goed niet waar. Mensen zijn in staat tot onbaatzuchtige handelingen ten dienste van hun medemensen; sommige zetten daarbij zelfs hun leven op het spel. Dat zijn de morele helden die wij volgens Neiman nodig hebben, de voorbeelden die ons eigen idealisme vorm kunnen geven. Die helden zijn geen supermensen; ze zijn feilbaar, soms zwak en altijd heel erg menselijk.” NRC 2-1- 2009.
In haar boek “Morele helderheid” stelt Neiman betreffende het neoconservatieve “realisme”, dat conservatieven aan een overdaad van mogelijke metafysica’s lijden en een slingerpad bewandelen tussen een realisme dat de slechtste kanten van menselijke en andere naturen als ankerpunten neemt, en een idealisme dat blind is voor alles behalve de weerspiegelingen van zijn eigen dromen (p 129).
Neiman beschrijft ook het realisme van Edmund Burke dat volgens haar typisch is voor het conservatief realisme:
“Zoals de meeste conservatieven maakt Burke gebruik van de retorische kunstgreep om zijn visie niet zozeer als een visie maar als een mix van gezond verstand en nuchtere observatie te presenteren. Ideeën en ideologieën zijn iets voor progressieven; conservatieven zijn simpelweg realisten die zich tevreden stellen met erop te wijzen hoe de wereld nu eenmaal in elkaar steekt. Het genoegen waarmee Burke de ‘bazelaars en avonturiers’ belachelijk maakt, verbergt op effectieve wijze dat zijn positie eveneens stoelt op een specifieke en invloedrijke metafysica met haar eigen karakteristieke opvatting over de menselijke natuur.” ( p 137)
Neiman is Kant-specialiste en zij voert Kant aan tegen Burkiaanse nieuw-realisten:
“Een jaar nadat Burkes boek over revolutie was verschenen, publiceerde Kant zijn antwoord in een pamflet genaamd ‘Over de gemeenplaats: dat kan in theorie wel juist zijn, maar deugt niet voor de praktijk’. (….) Kant schreef dat conservatieven zoals Burke karig zijn met hun argumentatie maar scheutig met hun ‘voorname hooghartige toon’. Ze menen ermee te kunnen volstaan radicale standpunten te bespotten zonder die van henzelf te bevragen. Erger nog is dat ze niet opmerken in welke mate onze ervaring is geconstrueerd – en vaak opzettelijk – ter bestendiging van een maatschappelijk systeem dat precies die mensen begunstigt die het als onvermijdelijk bestempelen. ` (p 137)
Net als Boukje Prins (“Voorbij de onschuld”) en met Kant zegt Neiman, dat de sociale werkelijkheid niets is is dat onafhankelijk van de mens bestaat, maar gemaakt wordt:
“Van nog groter belang is dat degenen die zichzelf realist noemen op verschillende manieren over het hoofd zien dat je de werkelijkheid op meer dan één manier kunt bezien. je visie op de werkelijkheid bepaalt je visie op wat je in die werkelijkheid tot stand kunt brengen.”( p 138)
Neiman pleit met Kant voor een idealisme dat de spanning tussen ideal en werkelijkheid vasthoudt. Zij keert zich zowel tegen plat realisme alsook tegen puur idealisme. Zij pleit voor een leven tussen ideaal en werkelijkheid, waarbij de werkelijkheid niet simpel kan worden waargenomen, omdat mensen de werkelijkheid altijd “door een bril” zien, en waar ook de idelaen niet makkelikk bereikbaar zijn (zoals de neoconservatieve nationalistisch-populistische idalen) maar geduld en een grote tolerantie voor frustraties eisen.
[1] Vgl het hobbesiaans realisme bij G.W. Bush, zie Rob Wijnberg, Nietzsche & Kant lezen de krant, p 92 ff; Susan Neiman, Morele helderheid.

Wilders is geen gekke clown.
Hij vertegenwoordigt ook geenszins alleen de ontevreden lagere middenklasse.
Onder professoren: Wilders werd gemáákt door Nederlandse intellectuelen en professoren, met prof. dr. Bolkestein voorop en de Leidse Edmund Burke Stichting als intellectuele achterban.
Wilders heeft zijn werkkamer in de Tweede kamer ingericht met meubilair dat hij van Bolkestein heeft overgenomen. En men vergelijke het Wilders-standpunt inzake Turkije (zie de Volkskrant vandaag 17-11-2009) met dat van Bolkestein:
“De toetreding van Turkije is zwanger van onheil. Turkije is te groot, te arm en te anders. De EU zou grenzen aan Irak, Iran en Syrië. De Turkse fractie zou de grootste zijn in het Europarlement.
Bovendien zou een Turkse toetreding leiden tot die van de Oekraïne en daarna van Wit-Rusland, Moldavië en – waarom niet? – de drie Kaukasische republieken. Tezamen met de opvolgerstaten van het voormalige Joegoslavië zou de EU dan uit meer dan veertig lidstaten bestaan. Zo’n Unie is onbeheersbaar. Dan is het gedaan met enigerlei Europese cohesie. Willen wij de EU de komende vijftig jaar in goede orde houden, dan zijn in ieder geval twee zaken noodzakelijk: zich beperken tot kerntaken en Turkije buiten de deur houden.” (de Volkskrant, 17 maart 2007)
Bolkestein deelt Wilders’ standpunt over Turkije, en het was dit standpunt waarvoor Wilders toentertijd de VVD moest verlaten.
Bolkestein is de geestelijke vader van Geert Wilders:
“Als beleidsmedewerker behoorde hij [Wilders] al snel tot het zogenoemde ‘klasje van Bolkestein’; jonge medewerkers die met de toenmalige fractieleider brainstormden over onderwerpen die op de agenda moesten komen. Hij schreef ook regelmatig de, soms scherpe, toespraken van Bolkestein.”( Trouw, 17-9-1999)
Niet voor niets wordt Bolkestein uitgebreid aangehaald door Wilders en Spruyt in hun filosofisch programma Een Nieuw-realistische visie ( te lezen op de Wilders-site).
Bolkestein is ideologisch gezien een voorganger van de rechtspopulistische anti-islamisten geweest. Net als Fortuyn heeft hij een frontale oppositie tussen de islam en de verlichting gecreëerd en ontzegt nu de moslims zelfs het recht op eigen scholen.
Toegevoegd op 22-4-2012:
Thomas van der Dunk is van mening dat mogelijk het thema Turkije Wilders ten val heeft gebracht.
Er is recentelijk een bijzonder hoogleraar “Illustratie” benoemd, Saskia de Bodt.
Illustraties zijn inderdaad een bijzondere vorm van kunst.
Aan de vele boekillustraties die ik op mijn blog heb staan voeg bij deze gelegenheid nog een paar mooie jugendstil/symbolisme-illustraties toe.

Jan Toorop, Metamorfoze (Louis Couperus)

Karel de Neree tot Babberich, Inleiding tot Extaze (Couperus)

en een mooie gestileerde passiebloem van Beardsley
.
De prachtige roman van Erwin Mortier “Godenslaap” is een fantastische reflectie op de geschiedenis, op het herinneren en op het schrijfproces zelf.
De titelillustratie is in feite een illustratie van de tekst op pagina 142:
“[...] Toen vlamde, in het uiterste noorden, tegen de kust aan, min of meer op de plek waar mijn vader ons als kind had aangewezen waar Nieuwpoort moest liggen, ineens een rode gloed op uit de nevel. De mistbanken weerkaatsten dat geflakker, dat bijna meteen weer doofde.[..]
‘Lichtkogels,’zei iemand. ‘Ze steken boven de linies lichtkogels af.’ “
Uit Godenslaap (vijfde pagina van het verhaal, dat geschreven is uit het perspectief van een oude vrouw):
“’De engel van de tijd heeft me al meegenomen,’ zeg ik tegen Rachida, de verzorgster, wanneer ze me ‘s ochtends uit bed helpt. Ik zeg het om haar te zien lachen. ‘Je kent de engel van de tijd toch? Hij zou de engel van de wraak kunnen zijn of de engel der victorie. Maar hij is ook de engel van de slaap en de Melancholie van Dürer.’
‘Ja, mevrouw Helena. Uw engelen zijn ingewikkeld.’ ( p 11)
De engel van de tijd, dat is de engel van de melancholieke kunstfilosoof Walter Benjamin, die een schilderij van Paul Klee bezat, Angelus Novus.
Hij schrijft erover (ik heb nog geen vertaling gevonden, en wil mezelf hieraan niet de vingers verbranden) :

Paul Klee, Angelus Novus
“Es gibt ein Bild von Klee, das Angelus Novus heißt. Ein Engel ist darauf dargestellt, der aussieht, als wäre er im Begriff, sich von etwas zu entfernen, worauf er starrt. Seine Augen sind aufgerissen, sein Mund steht offen und seine Flügel sind ausgespannt. Der Engel der Geschichte muß so aussehen. Er hat das Antlitz der Vergangenheit zugewendet. Wo eine Kette von Begebenheiten vor uns erscheint, da sieht er eine einzige Katastrophe, die unablässig Trümmer auf Trümmer häuft und sie ihm vor die Füße schleudert. Er möchte wohl verweilen, die Toten wecken und das Zerschlagene zusammenfügen. Aber ein Sturm weht vom Paradiese her, der sich in seinen Flügeln verfangen hat und so stark ist, daß der Engel sie nicht mehr schließen kann. Dieser Sturm treibt ihn unaufhaltsam in die Zukunft, der er den Rücken kehrt, während der Trümmerhaufen vor ihm zum Himmel wächst. Das, was wir den Fortschritt nennen, ist dieser Sturm.”-
Walter Benjamin, Über den Begriff der Geschichte, 1938.
Wat kunnen we, wat weten we eigenlijk als we de puinhoop van de geschiedenis proberen te overzien en te herinneren?

Een melancholieke engel zit ook op Dürers beroemde en hierboven in Godenslaap genoemde ets “Melancholia I”, die de zwaarmoedigheid van het moderne geleerdenleven laat zien, en die later door Goethe’s Faust zo goed in woorden werd gevat:
“Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerei und Medizin,
Und leider auch Theologie
Durchaus studiert, mit heißem Bemühn.
Da steh ich nun, ich armer Tor!
Und bin so klug als wie zuvor;
Heiße Magister, heiße Doktor gar
Und ziehe schon an die zehen Jahr
Herauf, herab und quer und krumm
Meine Schüler an der Nase herum-
Und sehe, daß wir nichts wissen können!
Das will mir schier das Herz verbrennen.
Zwar bin ich gescheiter als all die Laffen,
Doktoren, Magister, Schreiber und Pfaffen;
Mich plagen keine Skrupel noch Zweifel,
Fürchte mich weder vor Hölle noch Teufel-
Dafür ist mir auch alle Freud entrissen,
Bilde mir nicht ein, was Rechts zu wissen,
Bilde mir nicht ein, ich könnte was lehren,
Die Menschen zu bessern und zu bekehren.
Auch hab ich weder Gut noch Geld,
Noch Ehr und Herrlichkeit der Welt;
Es möchte kein Hund so länger leben!”
Uit teleurstelling met de schoolse wetenschap begint Faust aan magie; hij gaat dus op zoek naar het “Wilde denken”.
Ook de “Godenslaap’ is een zoektocht naar een andere werkelijkheid dan de alledaags-rationele; een zoektocht naar het tijdloze paradijs van het kind en naar het geluk van het lezen. De ‘Godenslaap’ is een filosofische roman die in de Walter Benjamin/Proust-traditie staat.
De oude vertelster: “Elke ochtend ga ik met mijn tong over mijn gebit, trots dat ik nog alle mijn kiezen heb, en lees in braille de grijns van de doodskop af in mijn vlees. Als memento mori volstaat dat.” Prachtig geformuleerd. Later gaat het zelfs over de schedel en het stilleven – zie mijn blog Stillevens van Picasso - :” [..] het hoofd van een dode dat in mijn hand lag als de welving van een gebroken kruik” (p 203).
‘Godenslaap’ vertelt in zorgvuldige, intieme beelden over de verschrikkingen van de oorlog.
Een belangrijk thema is de “obsceniteit“ van de dood en de oorlog:
“OBSCEEN was ook de dood van Amélie Bonnard, als uit het niets getroffen [...]” (p 189)
“Obsceen is het woord dat ik herhaal. Obsceen de aanblik van Amélie Bonnard, ‘s middags nog een kind dat voor de spiegel haar lokken achter haar oren zal hebben gelegd voor ze de rouge van haar moeder op haar wangen smeerde, tegen de avond een dood kindvrouwtje in een bruidsjurk. Haar schoenen leken niet te passen, te ruim om haar hielen te liggen, de handschoentjes te precieus, de paternoster te pathetisch, de sluier die we over haar hoofd en het verband getrokken hadden te etherisch in het licht van de kaarsvlam.” (p 205)
Mortier volgt hier Coetzee’s alter ego Elisabeth Costello en haar bespiegelingen over de obsceniteit van geweld en van de literatuur die geweld beschrijft (“Het probleem van het kwaad” in: “Elisabeth Costello”)

Over cultuurrelativisme: Sjoerd de Jong, Een wereld van verschil
Wie zich wil verdiepen in het debat over cultuurrelativisme zal veel hebben aan het vorig jaar verschenen boek van Sjoerd de Jong, “Een wereld van verschil, Wat is er mis met het cultuurrelativisme?”
Hier een paar gedachten uit dit boek die ik belangrijk vind.
“Voor de politici en publicisten die de opiniemarkt beheersen, is ‘cultuurrelativisme’ [...] een vies woord geworden. Opvallend genoeg wordt daarbij juist zwaar de nadruk gelegd op de ‘eigen’ waarden van de Nederlandse samenleving, en de onverenigbaarheid daarvan met die van andere culturen – een manier van denken over cultuurverschillen die juist sterk doet denken aan het gesmade relativisme. Het debat wordt gedomineerd door een achterhaald, negentiende-eeuws culturalisme: het idee dat het gedrag van mensen naadloos te verklaren is uit één cultuur, waarbij culturen worden opgevat als gesloten gehelen die massief tegenover elkaar staan. De verschillen tussen autochtonen en allochtonen, westerse en niet-westerse migranten, Nederlanders en moslims, modernen en achterlijken, worden daarbij gedefinieerd in overwegend culturele termen: hun cultuur is anders dan de onze, hun sociale achterstand en de problemen die daarmee samenhangen worden toegeschreven aan culturele factoren, die de meerderheid van autochtonen, als slachtoffers van de politiek-correcte elite, lange tijd niet mocht benoemen.”( p 11f.)
““Mijn uitgangspunt is het antropologische cultuurrelativisme. Daarin komt allereerst de empirische waarneming tot uitdrukking dat menselijke culturen grote verschillen vertonen in hun praktische en theoretische omgang met de werkelijkheid. Dan volgt vaak de conclusie dat die verschillende culturen niet kunnen worden beoordeeld aan de hand van één universeel of objectief superkader dat zelf buiten elke cultuur staat. Dat zijn niet per se moderne ideeën. De waarneming dat er sterke cultuurverschillen tussen volken bestaan is al te vinden bij de Griekse historicus Herodotos. Het humanisme van de Renaissance en het denken van de Verlichting gaven er een nieuwe lading aan, gevolgd door een geësthetiseerde ‘viering van de diversiteit’ in de Romantiek. In die laatste periode is ook de expliciete overtuiging te vinden dat culturen (nu in het meervoud) een eigen, authentieke waarde hebben. “ (p 13)
“Veel van die kritiek [op het cultuurrelativisme] is terecht, en ze zal uitgebreid aan bod komen. De meest populaire (of ‘vulgaire’) vormen van relativisme vallen eraan ten prooi, ook al betekent dat nog lang niet dat elk relativisme simpelweg berust op een denkfout of een dogma. Het is bovendien maar de helft van het verhaal. Het gaat mij óók om een herwaardering van de humanistische inzet van cultuurrelativisme: het streven naar de erkenning van cultureel pluralisme, zonder daarvoor de universele achtergrond van menselijk denken en handelen op te offeren. Juist als we cultuurrelativisme in de meest radicale vorm opgeven (dat wil zeggen: de vorm waarin het vandaag de dag vooral voortleeft in lofzangen op onze eigen cultuur), wordt het mogelijk weer oog te krijgen voor de humanistische aspiraties ervan. Cultuurrelativisme houdt dan in de eerste plaats de overtuiging in dat culturen geen absolute, statische entiteiten zijn, of de uitdrukkingen van een tijdloos Platoons idee, maar het veranderlijke resultaat van menselijke creativiteit, work in progress. In de tweede plaats betekent cultuurrelativisme dat we gedrag en opvattingen van onbekende anderen altijd kunnen interpreteren als betekenisvol, zónder ermee in te stemmen of te geloven dat wij in hun plaats hetzelfde zouden doen.
Dat is één rode draad die ik wil trekken. Een andere is mijn overtuiging dat in veel van de huidige, reflexmatige afwijzingen van cultuurrelativisme karikaturen worden gemaakt van zowel dat relativisme als van de Verlichting die ertegen wordt ingezet. In de ophef over de islam die Nederland nu al jaren in zijn greep houdt, worden multiculturalisten die pleiten voor een pragmatische omgang met cultuurverschillen bijvoorbeeld routinematig afgeserveerd als defaitisten die in de strijd tegen de vijand hun eigen cultuur wegrelativeren. Dat is een vorm van cultuurpolitieke retoriek – multiculturalisten en relativisten als landverraders – die weinig meer te maken heeft met een rationeel publiek debat. “( p 14 f)
“De populariteit van het cultuurbegrip hangt ook samen met de turbulente context van globalisering, immigratie en het verlies van oude zekerheden. Cultuur, hoe dat begrip dan ook precies wordt opgevat, wordt dan het meest handzame middel om onszelf van anderen te onderscheiden, nieuwe zekerheden te vinden en duidelijke grenzen te trekken. Het kan zowel worden gebruikt om een recht op behoud van de eigen cultuur voor minderheden op te eisen, als om de superioriteit van de meerderheid te onderstrepen. Culturele grenzen trekken is ten slotte een probaat middel om de waarde van de eigen groep te bevestigen, zonder een beroep te hoeven doen op het gediskwalificeerde idioom van nationalisme en racisme. Dat neemt niet weg dat het rangschikken van groepen mensen in termen van hun cultuur, dezelfde functie kan hebben als het oude biologische racisme: ook op basis van culturele kenmerken kunnen mensen worden gestigmatiseerd en uitgesloten. Dat versterkt nog eens de aantrekkingskracht van het begrip, zowel voor etnische segregationisten die zich met een beroep op hun culturele identiteit willen onttrekken aan de mainstream, als voor autochtone integrationisten die erop hameren dat minderheden alleen aan de samenleving kunnen deelnemen als ze alle culturele kenmerken opgeven die dat volgens hen in de weg staan. De socioloog Willem Schinkel noemt culturalisme daarom het functionele equivalent van racisme.” ( 156f)
“Daar komt bij, dat in het alledaagse taalgebruik en in veel van de heftige retoriek over de islamitische, westerse en Nederlandse cultuur, tussen de regels door wordt uitgegaan van een romantisch en homogeen cultuurbegrip, dat uit de negentiende eeuw stamt maar slecht past bij de dynamische realiteit van de eenentwintigste. Een cultuur wordt daarin gezien als een afgerond geheel van onveranderlijke, harmonieus samenhangende waarden en normen, die het unieke karakter van een bepaald volk zouden uitdrukken. Een dergelijk essentialistisch cultuurbegrip, waarin elke gemeenschap een ‘wezenlijke’ kern heeft die niet is te verenigen met die van andere culturen, hoort eerder bij een ouderwetse vorm van cultuurrelativisme dan bij het pluriforme cultuurbegrip dat tegenwoordig in de antropologie courant is.
In dat cultuurbegrip zijn identiteiten en zelfbeelden geen rimpelloze weerspiegelingen va
n volkskarakters of groepskenmerken, maar altijd inzet van definitiestrijd, herinterpretatie en concurrentie om politieke, sociale en intellectuele ruimte. Culturen zijn volgens sommige antropologen eerder pointillistische collages of mozaïeken dan gesloten systemen met een heldere structuur. Het enkelvoudige cultuurbegrip dat in het debat over de Nederlandse identiteit tegenwoordig zo’n grote rol speelt, verklaart dan ook steeds minder.”( p 157)
“De invloedrijke culturele antropoloog Clifford Geertz maakte een notie van cultuur populair als vooral een symbolisch netwerk van lokale betekenissen, iets heel anders dan het monumentale cultuurbegrip dat de oude volkenkunde had beheerst. Met die postmoderne benadering opende Geertz de deuren voor een nieuwe hermeneutische antropologie die, net als die van Boas, niet zozeer zocht naar harde wetmatigheden of algemene theorieën, maar naar interpretaties van het ambivalente en gelaagde zelfbegrip van concrete groepen mensen.”( p 180)
“Als dat begrip cultuur niet langer statisch en gesloten wordt opgevat maar dynamisch en open, komt ook de tegenstelling tussen kosmopolitisme en communautarisme in een ander licht te staan.” (p 184)
“In die pluralistische benadering verliest het ouderwetse cultuurrelativisme veel van zijn benauwende lading. Pluralisten geloven dat er niet één absolute en alomvattende morele of culturele waarheid bestaat, maar trekken daar in tegenstelling tot de meest radicale relativisten niet de conclusie uit dat alle meningen evenveel waard zijn, of dat er geen verschil te maken is tussen culturele praktijken die menselijk welzijn bevorderen en andere die daar eerder schadelijk voor zijn. Dat er niet één ‘absoluut’ kader voor menselijk handelen bestaat, wil niet zeggen dat alle kaders adequaat zijn. Niet anything goes, maar dat betekent ook niet dat er maar één ding ‘gaat: Een gematigd cultuurrelativisme zou dan (in tegenstelling tot de sterke versie die alleen maar radicale verschillen ziet) vooral de erkenning behelzen dat het conceptuele kader van andere culturen kan afwijken van het onze, maar dat het gedrag en de opvattingen van anderen altijd rationeel te interpreteren zijn “ (p 212)
…………………………………………….
Maria Trepp
.
Claude Lévi-Strauss wordt niet gewaardeerd door brave burgers die hun libido vooral investeren in aanpassing, en die een verkorte rationaliteit prefereren boven zintuiglijkheid.
Lévi-Strauss waardeert namelijk het “wilde denken”.
Het zogenaamde wilde denken – magie en mythe – ( “La Pensée Sauvage”) is voor de net overleden Lévi-Strauss niet tegengesteld aan het wetenschappelijke denken maar loopt er parallel aan: beide vertalen zintuiglijke indrukken in verstandelijke begrippen en beide geven betekenis aan de culturen waartoe ze behoren.
Het ‘wilde denken’ is op de keper beschouwd even rationeel als het wetenschappelijke.
Net als Horkheimer en Adorno (en als Walter Benjamin die het Passagenproject de naam heeft gegeven) wil Lévi-Strauss geen tegenstelling construeren tussen het voorwetenschappelijk magische denken en het wetenschappelijke denken, maar laat beide denkvormen in hun waarde. (Zie ook mijn blog Magie zonder magie ).
Vorig jaar verscheen een zeer leesbaar, verhelderend en kort boek over het denken van Lévi-Strauss van Ton Lemaire “Claude Lévi-Strauss. Tussen Mythe en muziek”.
“Het wilde denken” noemt Lemaire het moeilijkste en meest theoretische boek van Lévi-Strauss.
Lemaire:
“Om te beginnen is het ‘wilde denken’ niet het ‘denken van de wilden’. Er wordt mee bedoeld een universele eigenschap van de menselijke geest, die ook bij ons, modernen, nog bestaat, zij het meer in de marge van onze samenleving: in kunst en poëzie, bij het knutselen en in sommige vormen van weten bij het volk. Deze vorm van denken is sinds de opkomst van filosofie en wetenschap in onze geschiedenis meer en meer verdrongen en miskend geraakt, maar ze is niet minder redelijk, alleen haar middelen verschillen. ‘Wild’ denken en wetenschap zijn geen ongelijke stadia in de ontwikkeling van de geest, maar ‘twee strategische niveaus’ waarop de werkelijkheid gekend kan worden, de een dichtbij zintuiglijke waarneming en verbeelding blijvend, de andere op een zekere afstand begrippen construerend.’ Elke denkwijze heeft de neiging haar eigen objectiviteit te overschatten en andere te onderschatten; maar ‘de mens heeft altijd even goed gedacht’, alleen doel en middelen kunnen verschillen.[...]
Lévi-Strauss benadrukt hoezeer het wilde denken nieuwsgierig is, geïnteresseerd is in zo veel mogelijk kennis, los van praktisch nut. De kennis die inheemse samenlevingen van bijvoorbeeld hun omgeving hebben, is verbluffend. Vaak onderscheiden ze meer dier- en plantsoorten dan de wetenschappelijke zoölogie en botanie. Alle dingen en wezens worden onderscheiden, gedifferentieerd, geclassificeerd in complexe en verfij nde taxonomieën. Met andere woorden: men brengt voortdurend orde aan in de waarneembare wereld, net als 00 k de westerse wetenschap primair begint met het opstellen van taxonomieën. Maar dit ordenende denken, dat bovendien niet rust voor het een totaalbeeld van de wereld heeft, beweegt zich op het vlak van een ‘concrete logica’, namelijk een logica van de ‘zintuiglijke kwaliteiten’ en niet – zoals onze wetenschap – met formaliseerbare, abstracte, kwantitatieve concepten.
Een dergelijk denken is dus alles behalve een ‘mystieke participatie’ vanuit een soort oer-eenheid van mens en wereld. Men classificeert en men verkent de werkelijkheid in termen van de zintuiglijkheid zelf, in een denken dat nog niet begrippen construeert op afstand. Het lijkt onwetenschappelijk omdat de wetenschap vanaf de i zde eeuw zich heeft gericht op de ‘primaire’ eigenschappen van de dingen (kwantificeerbaar) en de ‘secundaire’ aspecten (geur, kleur enzovoort) – dus al dat wat zintuigen en verbeelding het meest treft – terzijde heeft geschoven als subjectief en oppervlakkig. Het is nu de basis intuïtie van LéviStrauss om de ratio aan te tonen van deze secundaire kwaliteiten en daardoor de logica van het concrete, die opereert in het veld van de zintuiglijke kwaliteiten, te integreren in de hoofdstroom van het (natuur)wetenschappelijk denken. Op die manier herontdekt en rehabiliteert de wetenschap de ‘onuitputtelijke lessen van een zinruiglij ke wereld die ze eerst had gemeend te moeten afwijzen’.’ Zo schrijdt de moderne wetenschap voort door haar kaders te verruimen en zodoende datgene te integreren wat ze eerst als irrationeel had afgewezen. De rationaliteit van het wilde denken wordt beseft op het historische moment dat de natuurwetenschappen deze secundaire kwaliteiten weer gaan betrekken in hun onderzoek en de geschiedenis van de kennis wordt zo een ‘gesloten systeem”. Vooruitgang van de wetenschap (als die er al is) vindt alleen plaats, stelt Lévi-Strauss, doordat ze’ een poging doet om archaïsche etappen van haar ontwikkeling weer toe te eigenen’.”” ( p 60 ff)
————————————————–
NRC columniste Louise Fresco schrijft mooi over Lévi-Strauss ( 10-11-2009)
“Lévi-Strauss is [...] een van de wetenschappers die ons wereldbeeld blijvend veranderd heeft, op hetzelfde niveau als Darwin. Zoals Darwin aantoonde dat wij deel uitmaken van een lange evolutionaire keten, liet Lévi-Strauss de eenheid zien in de verrassende verscheidenheid van de mensheid. In beide gevallen gaat het erom dat wij niet uniek zijn, niet als dier en niet als sociaal wezen.
Door die eenheid in mentale modellen hebben mensen de mogelijkheid elkaar werkelijk te begrijpen, hoe bizar, primitief of afwijkend de ander op het eerste gezicht lijkt. Daarmee heeft Lévi-Strauss tevens de basis gelegd voor een universeel humanisme dat de grenzen van ras en religie overstijgt. Hij gaf daarmee ook een uitwerking van het gedachtengoed van de Unesco, de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur, die zich na de Tweede Wereldoorlog mede tot doel stelde om het racisme en de ontmenselijking die leiden tot genocide voor altijd uit te bannen.
De inzichten van Claude Lévi-Strauss krijgen een nieuwe actualiteit in deze tijd waarin de nadruk weer ligt op verschillen tussen bevolkingsgroepen en op de eigen identiteit. De wijze waarop uiterst rechts de islam en islamistische medeburgers demoniseert, is niet veel anders dan hoe er in de jaren dertig in Brazilië over indianen werd gedacht (om maar over het fascisme van die tijd te zwijgen). Niet alleen delen bijna alle mensen ter wereld het identieke verlangen naar decent werk en de vrijheid om hun kinderen naar eigen inzicht op voeden, de manier waarop zij over de wereld denken verschilt niet fundamenteel. Lévi-Strauss stelde dat etnische afkomst en ras mentale constructies zijn. Daarin wordt hij nu volledig bevestigd door het modernste dna-onderzoek naar de evolutie van de mens.”
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
Koud, regen.
Spit in mijn rug.
Hond mag niet eten
vanwege operatie vandaag.
Oh bahhhhhh.
Ik houd me redelijk vrolijk met mijn passiebloemen count down.
Ze geven het nog niet op.
Echt waar.
Minimaal zes heb ik vanochtend gezien door natte brillenglazen.

Passiebloem, Leiden 4 nov 2009
Ik maak nu elke dag foto’s en zal hier nog de laatste dag vermelden dat er passiebloemen waren (met foto!)

Jan Toorop, Novembermiddag, 1885
Nu te zien in het Gemeentemuseum Den Haag in ”Voorbij de horizon”
———————————————————————–

6 nov 2009 Passiebloem Leiden
In vele huizen in Mexico is het in de nacht van 1 november feest; dodenfeest. De mexicanen vieren die nacht dat hun overleden familieleden en vrienden tijdelijk terug keren naar huis.
In de huizen staan prachtige altaars met kaarsen, bloemen en wierook . Ook is er eten en drinken zodat de geesten van de overledenen op krachten kunnen komen van hun reis en zich kunnen voorbereiden op het komende jaar. Het dodenfeest duurt de hele nacht en wanneer de zon opkomt gaan de zielen van de overledenen weer rusten en de levenden naar huis.

Xantolo- De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico foto Maria Trepp

Xantolo- De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico foto Maria Trepp

Xantolo- De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico foto Maria Trepp

Xantolo- De kleurrijke dood/Dodenfeest Mexico foto Maria Trepp
In het in Museum Volkenkunde Leiden staat een prachtig Mexikaans dodenaltaar ( tot en met zondag 8 november).
Volgens Leidse wetenschappers ondermijnt Wilders de sociale cohesie.
Wilders-aanhangers kunnen het hiermee nauwelijks oneens zijn, lijkt me, alleen zullen zij zeggen dat het nodig is de sociale cohesie te ondermijnen teneinde het multiculturalisme te verzwakken.

Wrang is wel dat een van de belangrijkste intellectuele steunposten van Wilders, de Leidse hoogleraar Afshin Ellian, uitgerekend hoogleraar sociale cohesie is. Hij werd benoemd onder volkomen onduidelijke omstandigheden. Zijn kwalificatie voor hoogleraar “sociale cohesie” is niet bekend.
Een andere Leidse hoogerlaar (Cleveringahoogleraar 2007), Kees Schuyt, energieke tegenstander van Ellian en van de Edmund Burke stichting die Wilders groot heeft gemaakt, heeft veel gepubliceerd over sociale cohesie.
Het is helemaal niet zo dat Schuyt pleit voor een sociale cohesie. Nee, hij zegt dat er ook te veel sociale cohesie kan bestaan. Dan ontstaat er een “schier onontkoombaar wij-gevoel, en iedereen die daarbuiten valt wordt beschouwd en behandeld als vijandig.” ( Trouw, 3-2-2007) In die zin klopt het wel dat een man als Ellian, die de islam beschouwt als de pest, hoogleraar sociale cohesie is.
“Kees Schuyt: In de politieke discussies worden sociale cohesie en integratie vaak als synoniemen gebruikt. Dat is niet terecht en veroorzaakt veel verwarring. Vaak wordt niet beseft dat cohesie een chemisch begrip is dat iets zegt over de aantrekkingkracht tussen moleculen, over de mate waarin die aan elkaar kleven. Wanneer je zegt dat mensen aan elkaar kleven, dan heeft dat snel een negatieve connotatie. Het is een goed bewaard sociologisch geheim dat er ook te veel sociale cohesie kan zijn. Wanneer de neuzen allemaal één richting uit wijzen, wanneer er een sterk wij-gevoel heerst, is dat nadelig voor groepen die daar niet bijhoren. In nazi-Duitsland was in de jaren dertig sprake van een sterke sociale cohesie, zonder ruimte voor afwijkingen en kritiek, waarbij één groep en enkele andere afwijkende groepen zoals de zigeuners nadrukkelijk werden buitengesloten en vervolgd. Integratie daarentegen is iets anders. In een goed geïntegreerde samenleving is de verhouding tussen ik en wij, tussen het individu en de groep, in evenwicht. De individualiteit van mensen wordt niet door het collectief onderdrukt. Bovendien bestaat de samenleving niet uit één collectief, maar uit verschillende groepen, waartussen ook een evenwicht bestaat. Wanneer er één dominante groep is, is er tevens ruimte voor diverse minderheden. In tegenstelling tot sociale cohesie is integratie een dynamisch evenwicht binnen een systeem.“ (De Groene Amsterdammer, 15-12-2006)
Kees Schuyt, en ik met hem, pleit voor pluriformiteit in plaats van sociale cohesie.
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.