Wetenschap Kunst Politiek

Polarisatie- Andreas Kinneging

38 comments
Wouter Bos

Wouter Bos

Met grote verbazing las ik afgelopen zaterdag in de Volkskrant [“PvdA-leider worstelt met de trek naar de politieke flanken”] dat Wouter Bos zich nu ineens zorgen maakt over de maatschappelijke polarisatie:

“[Vraag] Wat ging er mis [ met de Europese verkiezingen]?

‘Er is nog een heleboel onbekend. Maar als de samenleving verdeeld raakt, gesegregeerd en gepolariseerd, zie je dat terug in de Partij van de Arbeid.
‘Wij zijn een echte volkspartij: hoog- en laagopgeleid, wit en zwart, rijk en arm. Als de samenleving uiteen dreigt te vallen, gebeurt hetzelfde bij de achterban van de PvdA.” [13-6-2009]

Inderdaad, goed gezegd. Maar wie pleitte toch nog niet zo lang geleden hardop voor maatschappelijk polarisatie ??? Juist. Wouter Bos.

Hij haalt diep adem en hamert met de zijkant van zijn handen op tafel. ‘Polariseren.’ Tak! ‘Confronteren.’ Tak! ‘Heftig debat.’ Tak! Het moet allemaal scherper, zegt Wouter Bos […] Bos ergert zich aan PvdA’ers die roepen dat er minder gepolariseerd moet worden rond integratie. ‘Ongelooflijk. Mijn stelling is: ophouden met dat gezeur over de toon van het debat! Geen emancipatie zonder polarisatie. De emancipatie van de arbeider, de vrouw en de homoseksueel is alleen gelukt door strijd, door de confrontatie.’ “ ( de Volkskrant, 1-3-2009)

Bos haalde in het interview van maart 2008 drie dingen door elkaar:

  1. Politieke polarisatie in het parlament
  2. Polarisatie als emancipatie- en klassenstrijd als een middel van zwakkere maatschappelijke groepen/randgroepen/lagere klassen
  3. Polarisatie als het nieuwe middel in de populistische strijd van sterk tegen zwak, gevestigd tegen nieuwkomers.

Niet toevallig kreeg Bos veel bijval van de Nederlandse opiniemakende scherpslijpers, de intellectuele achterban van Geert Wilders.

Ik kan iedereen de bundel “Polarisatie, Bedreigend en verrijkend” (2009) aanbevelen, waar ook twee professoren in schrijven, Andreas Kinneging en Afshin Ellian.

Andreas KinnegingAndreas Kinneging over maatschappelijke polarisatie:

“Het gaat bij polarisatie om de vergroting en verscherping van tegenstellingen, waarbij ver­schillende groepen in de samenleving van elkaar vervreemden en tegenover elkaar komen te staan. Een voor de hand liggend voorbeeld van polarisatie in deze zin herkennen we in de ontwikkeling van de verhouding tussen de inheemse Nederlandse bevolking en het islamitische bevolkingsdeel. Deze verhouding is sedert de aanslagen op de World Trade Towers in New York op 11 september 2001 danig verslechterd. De twee bevolkingsgroepen zijn volgens velen veel meer tegenover elkaar komen te staan doordat er onder een deel van de inheemse Nederlanders wantrouwen en een zekere aversie is ontstaan jegens moslims.
De term polarisatie wordt echter nog op een tweede, met de voorgaande samenhangende maar niettemin andere, wijze gebruikt. We spreken ook over polarisatie om aan te geven dat iemand, door zijn handelen en vooral door zijn spreken, de tegenstellingen tussen groepen in de samenleving ver­groot en verscherpt. Polarisatie in deze betekenis is niet zozeer de vergro­ting en verscherping van sociale en politieke tegenstellingen zelf, als wel een wijze van optreden die deze vergroting en verscherping veroorzaakt. Men kan daarbij bijvoorbeeld denken aan de volgens velen polariserende wijze waarop een politicus als Geert Wilders optreedt ten aanzien van de islam en het islamitische bevolkingsdeel.” ( p 12f )

Mooi geformuleerd door Kinneging, maar dit grenst niet alleen aan hypocrisie, dit is hypocrisie ten top, dat Kinneging anno 2009 zich opwerpt tot objectief-afstandelijke waarnemer inzake maatschappelijke polarisatie, terwijl zijn eigen Burke Stichting via Bart Jan Spruyt Geert Wilders in het zadel heeft geholpen, en de Burke Stichting ook verantwoordelijk is voor het aanscherpen van maatschappelijke tegenstellingen. Kinnegings juristen- en Burke-collega Ellian is dan dezelfde bundel dan ook een eerlijke, enthousiaste en vrolijke verdediger van de maatschappelijke polarisatie, die hij, dat moet gezegd, met veel energie bedrijft ( zie hieronder).

Kinneging schrijft verder:
“Tolerantie is alleen mogelijk als ze, paradoxaal genoeg, gepaard gaat met ideologische eensgezind­heid op wezenlijke punten.” ( p. 23)

Dit lijkt me een zeer problematisch constatering, zeker uit de mond van een jurist. De grondwet grandeert de vrijheid van religie en van mening ook en juist voor degenen die vanuit een geheel andere ideologie redeneren. Ook Kinnegings recept tegen polarisatie, namelijk “constitutioneel patriottisme” overtuigt niet, aangezien dit idee bij hem hier uit de hemel komt vallen en hij het niet uitwerkt. Kinneging probeert zich hier in dit artikel als verdediger van een patriottisme te presenteren terwijl hij zelf in andere publicaties, net als andere representanten van de Burke Stichting en net als hun adoptiekind Wilders, niet voor constitutioneel patriottisme staat, maar voor populistisch nationalisme tot aan het punt van racisme.

Kinnegings hoofdzakelijke mededeling is dat de tegenstellingen met “het islamitische bevolkingsdeel” min of meer onoverbrugbaar zijn en dat alleen een vage en niet geloofwaardige constructie als “constitutioneel patriottisme” ons kan redden.
Maar het als voorbeeld aangehaalde Amerikaanse model is, zoals Haleh Ghorashi in dezelfde bundel overtuigend aantoont ( p 153 ff),  juist veel toleranter ten opzichte van verschillen van bevolkingsgroepen en religies dan het de denkers van de  denkers van de Burke Stichting lief is. De Amerikaanse bedrijven beëindigden ook de financiering van de Burke Stichting vanwege de samenwerking met Wilders en diens vijandigheid ten opzichte van de islam (zie het betreffende hoofdstuk boven).

Afshin Ellian verdedigt in dezelfde bundel met Carl Schmitt in de hand de maatschappelijke polarisatie. Weliswaar wil Ellian (nu) de problematische theorieën van Schmitt alleen voor de strijd tegen terroristen en voor internationale betrekkingen laten gelden (p. 74/75). Dit lijkt mij op zich al hoogst problematisch lijkt, zeker gezien de manier waarop bij representanten van de Edmund Burke Stichting internationale en nationale politiek uitdrukkelijk door elkaar heen loopt. Bart Jan Spruyt prijst in zijn boek “De toekomst van de stad” (2004; op een foto op de de site van de Burke Stichting wordt dit boek juist aan Afshin Ellian aangeboden) niet alleen Carl Schmitt en eist een noodwetten, maar geeft ook door zijn pathetisch beroep op Churchill het gevecht tegen de moslims een dimensie van burgeroorlog.

Verder schrijft Ellian: “Polarisatie zonder vijandschap is een wezenlijk aspect van politiek”. Dit is juist, alleen is het juist het probleem dat polarisatie, en dan vooral polarisatie tegen een bevolkingsgroep met een bepaald geloof of een bepaalde afkomst helaas tot vijandschap tussen bevolkingsgroepen en discriminatie leidt.

“Waar politiek is, is ook polarisatie” zegt Ellian ( p.75), en hij gebruikt hier het begrip ‘polarisatie” gelijk beduidend met ‘conflict’ en vermijdt het over discriminatie en ongelijke macht na te denken. Hij keert zich tegen etnische polarisatie of polarisatie “op grond van andere onveranderlijke, onontkoombare kwalificaties”. Zijn eigen onophoudelijke aanvallen op de islam zijn dus niet erg, omdat tenslotte elke islamiet afstand kan doen van zijn geloof.

Ellian gaat in zijn artikel niet in op de problematische diskwalificatie van andermans religie. Hij veronderstelt dat Nederlanders juist door de polarisatie tegen moslims positiever zijn gaan denken over moslims (p. 77) wat door geen enkel serieus onderzoek wordt aangetoond, en hij zegt:
“Voor 9/11 had niemand kunnen bedenken dat de bur­gemeester van Rotterdam, de tweede grote stad van Nederland, een mos­lim zou kunnen zijn.”

Dat is juist, maar Ellian zelf, net zo als zijn Burke-vriend Bolkestein, waren nog kort geleden  helemaal niet positief te spreken over een moslim-burgemeester. Polarisator Bolkestein zei nog in 2005:
“En binnenkort hebben we een gekozen burgemeester. Dat houdt in dat Amsterdam een islamitische burgemeester kan hebben. En burgemeester Job Cohen bepleit dat die het hoofd van de politie blijft.” (Het Parool, 22-12-2005)
Daarmee impliceerde Bolkestein dat de toenmalige Amsterdamse wethouder Ahmed Aboutaleb, een belijdend moslim, ongeschikt zou zijn als burgemeester. “Een behoorlijke uitglijder” noemde Aboutaleb zelf spraak. (Frits Abrahams, NRC 12-9-2006; vgl ook de uitspraak van Wilders tegenover Aboutaleb dat hij, Wilders niet gediend was van de aanwezigheid van moslims in het kabinet; zie Vrij Nederland 4-10-2208 , interview met Aboutaleb)

Net als Wilders probeert Ellian de toenemende integratie en emancipatie van moslims als een overwinning en verdienste  van de polarisatoren te presenteren. Maar hij vergeet dat de polarisatie ook veel maatschappelijke krachten heeft opgeroepen die het juist voor de moslims en tegen discriminatie hebben opgenomen. Het lijkt me niet waarschijnlijk dat Aboutaleb iets aan mensen als Bolkestein, Wilders en Ellian te danken heeft.

Over Wilders’ film ‘Fitna’ schrijft Ellian:
“Nooit eerder werd zo intens, veelvoudig en scherp geschre­ven en gesproken over de islam als in de Fitna-periode. Maar wat was het resultaat van Fitna? Ten eerste hebben de meeste Nederlandse moslims laten zien dat ze niets voelen voor een gewelddadig optreden tegen de be­ledigers of de criticasters van de islam. De radicale salafisten stonden he­lemaal alleen in hun hetze tegen het Kamerlid Geert Wilders. Ten tweede bevorderde deze houding van de moslims hun acceptatie bij de autoch­tone Nederlanders. Daardoor zijn aanzienlijk meer Nederlanders positief gaan denken over moslims. ”

Een zeer eenzijdige en verwrongen visie van Ellian op Fitna en Wilders. Ten eerste werd in de media niet over de moslims negatief geschreven in de Fitna-periode maar over Geert Wilders en zodra de film was verschenen over de lage kwaliteit van de film. De radicale salafisten stonden ook niet  alleen in hun kritiek op Wilders. Maar weinigen waren toen zo Wilders-getrouw als Afshin Ellian.

Een aan Ellian tegenovergestelde andere visie op polarisatie wordt in dezelfde bundel gegeven van Carsten de Dreu, hoogleraar psychologie aan de Universiteit van Amsterdam:

“Polarisatie is volgens de Nederlandstalige versie van Wikipedia te om­schrijven als “het veroorzaken van een conflict of het versterken van te­genstellingen tussen bevolkingsgroepen of politieke partijen”. De laatste tijd zien we in politiek en samenleving een steeds sterker wordende nei­ging polarisatie te zien als iets nuttigs, als een manier om samen verder te komen, te ontdekken en te vernieuwen. Polarisatie wordt dan wel gezien als de tegenpool van het ‘polderen’ , als een superieur alternatief voor in ge­zamenlijkheid en door middel van overleg en onderhandelen tot een con­sensus te komen. Polarisatie wordt kortweg gezien als nastrevenswaardig.
In dit essay stel ik vast dat voor deze visie elke grond ontbreekt (De Dreu 2008). Polarisatie, zo zal ik betogen, levert weinig tot niets op en kost veel. Bovendien worden de opbrengsten van polarisatie vroeg of laat te­nietgedaan door de onvermijdelijke kosten die aan polarisatie kleven. Ten slotte zijn de opbrengsten vooral voor het individu en diens directe omge­ving, terwijl de kosten veelal op hogere niveaus van analyse (in casu de sa­menleving als geheel) terechtkomen. Of individuele opbrengsten mogen prevaleren boven maatschappelijk kosten is een moreel-ethische vraag die buiten het bestek van dit betoog valt. “

Met andere woorden, Ellian c.s. verdienen goed met hun regelmatige polariserende media-optredens. Of dit de samenleving een meerwaarde oplevert, daaran mag worden getwijfeld.

De Dreu:
“Polariseren omvat al die gedragingen die erop gericht zijn de eigen be­langen, opvattingen, waarden, normen en inzichten te laten prevaleren boven die van de tegenpartij. Polariseren komt vaak voort uit de wens de tegenpartij te domineren en men laat zich dan ook weinig tot niets gele­gen liggen aan de belangen, opvattingen en inzichten van de tegenpartij.”
“…polariseren [is] slechts een van de vele manieren om met conflicten en tegenstellingen om te gaan. Maar door te polariseren intensiveert en escaleert een conflict wel.” ( p 143 f.)

Polariserende conflict-escalatie leidt ertoe dat een ander als gevaarlijk, immoreel en/of inferieur beschouwd wordt:
“En alhoewel de meeste men­sen geneigd zijn anderen redelijk en beleefd te behandelen, en zelfs pas op de plaats te maken mocht die ander enigszins onbehoorlijk uit de hoek komen, vervalt voor de meesten die verplichting wanneer overduidelijk is dat die ander gevaarlijk, immoreel en inferieur is. Wanneer we iemand als zodanig beoordelen, en met die persoon een conflict ervaren, zijn we sneller dan normaal geneigd terug te grijpen op zware middelen en zullen we sneller dan normaal proberen het conflict via forceren en vechten te beslechten. Immers: met inferieure, immorele en gevaarlijke mensen valt niet te praten en is het slecht zaken doen.” ( p. 145)

“Er zijn in toenemende mate aanwijzingen dat polarisatie sneller en inten­ser plaatsvindt wanneer het conflict of de tegenstelling betrekking heeft op groepen in plaats van op individuen (Arrow 2007; Bornstein 2003; Wildschut er al. 2003). Enerzijds komt dit doordat mensen groepen meer wantrouwen dan individuen en zich via polarisatie tegen mogelijke uit­buiting trachten in te dekken (‘de aanval is de beste verdediging’). Ander­zijds komt dit doordat polarisatie in groepsverband ‘verkocht’ kan worden als een teken van loyaliteit jegens de eigen achterban, iets wat in interper­soonlijke conflicten per definitie onmogelijk is. Door zich extra hard en polariserend op te stellen tegenover andere groepen, toont men zich in feite een trouwen loyaal groepslid, wat weer voordelig is.” ( p 146)

De Dreu is het met Ellian eens dat conflicten potentieel constructief kunnen zijn, onder bepaalde voorwaarden. Maar volgens De Dreu geldt dit niet voor polarisatie:

“Samenvattend is de conclusie gerechtvaardigd dat matig intense conflic­ten de leerprestaties, de creativiteit en innovativiteit van betrokken indivi­duen en groepen bevorderen. Cruciale voorwaarden blijken te zijn dat
(1) de conflicten vooral taakinhoudelijk van aard zijn en normen en waarden alsook belangentegenstellingen buiten de deur worden gehouden, en
(2) de onderlinge verhoudingen goed zijn, mensen elkaar vertrouwen en el­kaar het licht in de ogen (blijven) gunnen.
Polarisatie zorgt er enerzijds voor dat slaapverwekkende harmonie kan worden omgezet in productieve spanning, doch tevens – en op oncontroleerbare wijze – dat wat begint als een taakinhoudelijk debat, snel uitmondt in een wirwar van belangen­tegenstellingen, betwiste normen en waarden en geschonden gevoelens. Kortom: polarisatie doet de mogelijk positieve bijdrage van conflicten aan creativiteit en innovativiteit teniet. “ ( p 147)

Mijn mening: polarisatie is voor het parlement, de universiteit , en voor groepen, die zich emanciperen.
De maatschappelijke mainstream, en zeker de PvdA, moet zich voor het bewuste aanwakkeren van ressentimenten hoeden.

 

Maria Trepp

De geschiedenis van Iran

74 comments

Henk Müller recenseert vandaag in de Volkskrant “Het andere Iran” van Peyman Jafari.

“[…] Een aanzienlijk breder perspectief biedt ‘Het andere Iran’ van de Nederlandse politicoloog Peyman Jafari. De laatste twee eeuwen van de Iraanse geschiedenis beschrijft hij als een cyclus van winters die op lentes volgen. Het is een treffend beeld: de eerste lente is de Constitutionele Revolutie van 1905, waarin een gekozen parlement de macht van de sjah inperkte. Daarna volgen steeds experimenten met democratie en hervorming, die slecht aflopen. Nu zit Iran in de winter van Ahmadinejad, na de lente van Khatami.
Toch is Jafari niet pessimistisch. Iran is een bruisende samenleving met ‘genoeg interne krachten’ om haar eigen lot te kunnen bepalen – een zomer is niet uitgesloten. Jafari biedt een helder inzicht in de krachten die Iran maken tot wat het is, en tot wat het hopelijk eens zal worden.”


En in de NRC van 5 juni schreef Carolien Roelants:

“De Nederlands-Iraanse politicoloog Peyman Jafari bekijkt zijn onderwerp […] op afstand; hij gaat bij niemand langs, maar laat de geschiedenis van het land spreken. Aan de hand daarvan wil hij tegengif verschaffen tegen niet alleen het beeld van Iran als totalitaire, fundamentalistische staat, maar ook tegen het tegenovergestelde clichébeeld van een eigenlijk westers Iran met hippe jongens en meisjes die de islamitische regels negeren. Iran is anders, is eigen, betoogt Jafari. De ondertitel van zijn nuttige boek, – ‘van de revolutie tot vandaag’ – duidt niet op de islamitische, maar op de constitutionele revolutie van begin vorige eeuw waarmee de Perzen al een hele vroege aanzet gaven tot democratisering. De islamitische republiek is de erfgenaam van de moderne idealen die toen werden geboren, al heeft ze die bepaald niet gerealiseerd. Niettemin is er een bruisende samenleving, die in staat is haar eigen lot te bepalen. Laat het buitenland in vredesnaam niet tussenbeide komen, is zijn boodschap.”


In zijn boek gaat Peyman Jafari onder meer in op

–        de ontwikkeling in Perzie: zoroastrisme en de opkomst van de islam; Iran en het sji’isme;

–       de ontmoeting en relatie met het westen en economische ontwikkeling; religie, filosofie en verlichting: bijdragen van Iraanse intellectuelen aan algebra, natuurkunde, geneeskunde;

–       de Constitutionele Revolutie (1905-1909): ondermijnde democratisering;

–       de autoritaire modernisering onder de Pahlavi’s;

–       de revolutie van 1979, Khomeini;

–       Rafsanjani en de wederopbouw; van populisme naar neoliberalisme;

–       Khatami en politieke hervormingen; religieuze intellectuelen en secularisering; vrouwenrechten; arbeidersbeweging;

–       Ahmadinejad en de terugkeer van het populisme; Iran, de vs en het nucleaire programma.


Uit de inleiding:

“Sinds de revolutie van 1979 die de sjah van zijn Pauwentroon stoot­te, staat Iran onafgebroken in de schijnwerpers.
[…] Drie decennia later blijft de Iraanse Revolutie intrigeren, vooral door de paradoxen waarmee ze het land heeft opgezadeld. De krachten die ze losmaakte, zijn nog lang niet uitgewerkt.”

Jafari keert zich tegen het door rechtse denktanks ( AEI; Edmund Burke Stichting) uitgedragen Samuel-Huntington-“clash-of-civilazations”-model:

“De aanhangers van de ‘botsing tussen beschavingen’ gaan uit van een mythische essentie in de islam die landen als Iran in de richting van dictatuur, terrorisme en botsing met het dernocrati­sche en seculiere Westen drijft. Terwijl het Westen gekenmerkt wordt door dynamiek, worden de islamitische landen als statisch gezien. Alles wat zich voordoet, wordt uiteindelijk tot de islam te­ruggevoerd. Deze overdreven obsessie met de islam heeft ervoor gezorgd dat de rol van politiek, sociale tegenstellingen en econo­mische ontwikkelingen aan onze ogen onttrokken wordt.  Iro­nisch genoeg zijn het juist de conservatieven in Iran die denken dat hun versie van de islam het allesbepalende zou moeten zijn. Ook zij geloven, net als hun neoconservatieve collega’s in het Westen, in de uitzonderlijkheid van de islamitische land en die de­mocratie, vrouwenrechten en allerlei vrijheden onmogelijk zou maken.
Wie de ‘botsing tussen beschavingen’ als vertrekpunt neemt, komt onvermijdelijk uit bij banale ‘analyses’ of eindigt met oor­logsverklaringen.’” ( p 11)


….Inderdaad “Bombardeer Iran” kopte het bladje van de Burke Stichting ‘Opinio’.


Peyman Jafari beschrijft niet alleen het fundamentalistisch Iran.

“ ’Het andere Iran’ zijn de vrouwen en mannen, met en zonder reli­gieuze ideeen, die dat project [van de onvoltooide revolutie] vandaag voortzetten. De obstakels die ze op hun weg vinden zijn niet gering. Aan de ene kant bevin­den ze zich tegenover hun eigen politici die keer op keer de roep om fundamentele veranderingen met repressie beantwoorden. Aan de andere kant worden hun pogingen ondermijnd door de economische sancties en de militaire dreigementen door het Wes­ten.
Ondanks deze problemen is er een bruisende samenleving in Iran ontstaan, die hunkert naar verandering en waarover de Isla­mitische Republiek steeds minder controle heeft.” ( p 186)


Jafari noemt in hoofdstuk 1 de architectuur van steden als Persepolis en de ingenieuze Perzische irrigatie- en communicatiesystemen.

Hier twee foto’s uit de (inmiddels afgelopen) tentoonstelling ‘Iran in vogelvlucht’ (in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden), gemaakt door de Zwitserse fotograaf Georg Gerster.



Persepolis



Qanat ( irrigatiesysteem)


Vrijheid van meningsuiting: vóór de bescherming van de kwetsbare groepen

106 comments

Veel mensen, ook linkse mensen, vinden dat Rutte gelijk heeft en dat artikel 137c uit het strafrecht moet verdwijnen.

Linkse mensen die voor een absolute vrijheid van meningsuiting zijn, zeggen over het algemeen dat kwesties van mening maatschappelijk moeten worden opgelost.

Daar is wel iets voor te zeggen.

Ook wordt gezegd dat het strafrecht vaak averechts werkt.

Ook dat is vaak waar, maar niet altijd; en zeker niet op lange termijn. Het strafrecht werkt niet alleen door acuut te straffen maar vooral ook als een ideëel richtsnoer.

Ik ben van mening dat artikel 137c moet blijven.

Het strafrecht is er in de eerste plaats om zwakkeren te beschermen, niet de sterken.  Het kan toch echt niet beweerd worden dat de zwakkeren in de samenleving , de minderheden zoals moslims, joden, homo’s ervan vooruit gaan als iedereen zijn shit ongehinderd op straat kan kipperen?

Wie heeft er baat van het wegstrepen van 137c??

De Wildersen, het  “oer-Hollands uitschot” dat zich gelegitimeerd voelt “tot het openlijk botvieren van xenofobe onder­buikge­voelens” (citaat Thomas von der Dunk)

Ik ben mét de NRC columniste Elsbeth Etty en mét internationale organisaties en opiniemakers van mening dat in Nederland niet de vrijheid van meningsuiting maar de antidiscriminatiewetgeving onder druk staat.

”De toon in het Nederlandse integratiedebat is dramatisch verslechterd. Die harde toon heeft geleid tot een zorgwekkende polarisatie van de samenleving.”
Dat schreef de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) in een rapport dat op 12 februari 2008 verscheen.  Het rapport werd in Nederland meteen  van tafel geveegd als niet terzake doende.

De VVD wil zich oriënteren aan de Amerikaanse wetgeving en samenleving. In de VS is haatzaaien en verbale discriminatie toegestaan. Alleen, in de VS is er een strenge informele controle die in Nederland geheel afwezig is. De Mohammed –cartoons werden in de VS niet getoond, hetzelfde geldt voor Hirsi Alis ‘Submission’; uitingen zoals de beroemde van Theo van Gogh zijn in de Amerikaanse pers volkomen ondenkbaar. Overigens werd Theo van Gogh NIET gestraft voor zijn extreme moslim-haat- dus dit kan en mag alles binnen de huidige wet; net zoals de cartoons, net zoals Hirsi Ali’s ‘Submission’.

Informele controle is naar mijn mening zeker beter dan formele controle, maar het één of het ander moet er zijn.


Ik kan iedereen het artikel van psycholoog  Carsten K.W. de Dreu aan bevelen ”Het nut van polarisatie in de samenleving” ( In: “Polarisatie, bedreigend en verrijkend”, 2009). Dit artikel gaat weliswaar niet over 137c , maar het behandelt de kwestie hoe constructief of destructief de polarisering is voor de samenleving.
Een samenleving zonder formele of sterk informele anti-discriminatie-regels is een samenleving waar de brutaalste en gemeenste het altijd wint.

Meest recente berichten