Lees hier het huidig artikel in het Nederlands Dagblad
Uitvoerig heb ik in mijn documentatie over de Edmund Burke Stichting de continuïteit beschreven in het denken van Frits Bolkestein met de gedachten van Geert Wilders; en de tussenlink tussen beiden, de Leidse Edmund Burke Stichting, die Wilders in het zadel heeft geholpen. Frits Bolkestein is geestelijke vader van Wilders, met wie de Burke Stichting via Burke-directeur Bart Jan Spruyt in 2004/2005 een politiek samenwerkingsverband is aangegaan.
Interessant en sprekend is het feit dat Wilders zijn werkkamer in het gebouw van de Tweede Kamer in 2006 heeft ingericht met het meubilair dat hij overnam van Frits Bolkestein (NRC 24-2-2007).
Tot nu toe heeft men altijd gemeend een groot verschil te kunnen vaststellen tussen “echte liberalen” zoals Bolkestein, en autoritaire verbods-populisten zoals Wilders. Ik ben al lang van overtuigd dat dit verschil niet zo groot is als velen denken, en mijn mening wordt bevestigd door de dingen de Leidse hoogleraar prof. dr. Bolkestein in het Nederlands Dagbald vertelt. De vrijheid van onderwijs is van Bolkestein niet voor moslims:
“De vrijheid van onderwijs die aan christenen het recht op eigen scholen geeft, biedt moslims niet automatisch hetzelfde recht. ‘Wij leven in een gelijkheidscultuur. Maar mensen zijn ongelijk. En godsdiensten ook.’
Dat zegt VVD-prominent Frits Bolkestein vandaag in een interview met het Nederlands Dagblad . Volgens de liberaal is de vrijheid van onderwijs door jarenlange schoolstrijd nauw verweven met de Nederlandse samenleving. ‘Er is geen enkele reden om dat recht ook aan andere scholen zoals islamitische te gunnen.’ ”
De vrijheid van onderwijs wordt in Nederland niet iedereen gegund; scholen moeten aan kwaliteitscriteria voldoen, en dat is goed zo.
De kwaliteit van vele islamitische scholen is onder de maat; en dat kan en mag niet zo blijven.
Van Bolkestein geldt vanaf nu niet het kwaliteitscriterium, maar wordt het criterium van de religie gebruikt.
Geen scholen voor moslims.
Het rechtse liberalisme was nooit liberaal en laat nu zijn anti-liberale tanden zien.
Dank aan degene die mij op het artikel in het Nederlands Dagblad heeft geattendeerd…het is zeker niet mijn gewoonte om op zaterdag ochtend naar de site van het ND te sufen…
Iris en zwaan; een natuurlijke en mooie combinatie en ook een combinatie die veel terug te vinden is in de kunst.
‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
Zie ook de tentoonstelling
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam




Theo van Hoytema, Zwanen met goudenregen en irissen, 1900
(nu te zien in het Museum Boijmans)

Theo van Hoytema, Zwanen in de vijver, 1898
Theo van Hoytema is vooral bekend geworden door zijn sprookjesboek-illustraties (o.a. ‘Het lelijke Eendje’ van H.C Andersen) en zijn kalenders.
“Schetsen en studies in de vrije natuur.. vormden de basis voor zijn werk. Invloeden van de Art Nouveau en Japanse kunst verwerkte hij op eigen wijze.”
————————
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
vandaag gezien!

Poppy pops up
en…
Klatsch-, Klatsch-, Klatschmohn
bei Paula Modersohn

Paula Modersohn-Becker, Maedchen mit Kind, 1902 (nu te zien in het Gemeentemuseum Den Haag)

Paula Modersohn-Becker, Alte Armenhauslerin im Garten, 1906
Zie ook
De klaprozen in de kunst.
Hier nog toegevoegd ( 21-5)

Papaver in de Leidse Hortus
Vertalen Duits Vertaalbureau Duits
.
In het Leidse park Cronesteyn bloeit de daslook: miljoenen bloemen-sterren.

Daslook Cronesteyn

Daslook Cronesteyn


In de sloot een meerkoetengezin.
Ik heb in een bundel van het koppel Herman Pieter de Boer/Pat Andrea, “Verhalen van lust en liefde” een vrolijker verhaal gevonden, dat ik bovendien zeer goed kan combineren met de foto’s van mijn april-volle-maan achter de magnolia.
——————————————————————————————
1937, liefde en magnolia bloeien
In het stadspark
Tussen de bloeiende magnolia’s door scheen een weke bundel maanlicht precies op het bankje, waardoor het leek of de dames een raar toneelstukje opvoerden. Ze zaten elkaar te kussen, innig als gelieven. Hun zomermantels waren opengeknoopt, hun witte dameshandjes schemerden dan hier, dan daar. De surveillerende agent was al driemaal langsgelopen. Het leer van zijn nieuwe dienstschoenen knerpte en piepte opvallend, maar de dames lieten zich niet afleiden en bleven elkaar omhelzen, zuchtend en zoenend, woordjes lispelend. Hij nam zijn besluit, schraapte zijn keel en posteerde zich met de armen op zijn rug voor het tweetal.
‘Dames, wat moet dat?’ Nu keken ze op .
‘Kent u ons niet?’ vroeg de blondine verwonderd. Ze had haar nopjesvoile omhooggeslagen over haar hoedje om niet gehinderd te worden bij het kussen.
‘Ik zou het niet weten,’ zei de agent met zijn plattelandsaccent. Ze keken elkaar aan en proestten.
‘Waar komt u in hemelsnaam vandaan?’ vroeg de andere dame, een donker, haast Italiaans type met een gezichtje vol lippenstift.
‘Dat heeft er weinig meer te maken,’ zei hij, terwijl hij op zijn schoenzolen naar voren wipte, zoals politiemannen dat wel doen, ‘maar als u het beslist wilt weten … ‘ Met enig ontzag in zijn stem sprak hij de naam uit van zijn geboortestreek, waar de beroemde schapenkaas gemaakt werd, waar lepelaars klapwiekten en de kerk op zondag jubelde van gezang, hij was trots op dat land, dat mocht men weten.
De vraagstelster giechelde tot zijn teleurstelling, met haar neusje gedrukt in de zachte mouw van de ander. Toen keek ze hem weer aan. ‘Ik dacht al,’ zei ze.
De blonde zei: ‘U bent hier nieuw in de stad.’
‘Dat klopt,’ zei de agent, ‘maar…’
‘Nou ja, dan kon u het ook niet weten,’ zei ze. Ze schonk hem een vergevend glimlachje en voegde er met een wegwuifgebaartje aan toe: ‘Sans rancune, agent.’
De dames vlijden zich weer met een zucht in elkaars armen, terstond verloren voor de buitenwereld, Het leek of er geen pauze geweest was, of ze hem nooit gezien hadden, zo volkomen gingen ze op in elkaar, wild en teder tegelijk.
De agent fronste zijn wenkbrauwen voor meer gezag, opende zijn mond, maar wist geen tekst. Hij schuifelde wat heen en weer, en bleef nog kijken. Maar zijn oren begonnen te gloeien, zijn hoofd werd licht en hij kreeg last van gevoelens.
Hij rukte zijn blik los en liep weg.

Achter zijn rug hoorde hij geluidjes, geritsel van japonstof. Binnensmonds herhaalde hij langzaam één-twee-links-rechts, om zich te dwingen tot de politiemannentred. Het gekraak van zijn schoenen leek hem nu hoorbaar in het hele park.
Verderop zag hij een naakte man uit de vijver klimmen, hij had een eend bij de strot.
De agent stond een paar seconden stil, met stijf toegeknepen ogen. Hij haalde diep adem, toen hernam hij zijn bedaarde dienstpas en probeerde te kijken als een echte stadsagent, met een uitdrukking van och ja, nou ja, dat kennen we wel. Zoiets, zo’n gezicht ongeveer.


Paul Klee, Kat en vogel [Katze und Vogel]

Paula Modersohn-Becker, Maedchen mit Katze im Birkenwald, 1904

Franz Marc, Zwei Katzen auf rotem Tuch, 1909

Franz Marc, Akt mit Katze 1910

Franz Marc, Maedchen mit Katze 1912
Paul Klee en Franz Marc werden van de nazi’s als “ontaard” “entartet” beschouwd.
Een van de weinige vrouwen die de “eer” had (achteraf bezien was het echt een eer) om op de nazi-tentoonstelling “Entartete Kunst” te hangen was Paul Modersohn-Beker.
In de tentoonstelling Liefde! Kunst! Passie! in het Haagse Gemeentemuseum hing dit mooie schilderij van Alexej von Jawlensky, ‘Meisje met pioenrozen’:

Alexej von Jawlensky, Meisje met pioenrozen 1909
Jawlensky hing in de Haagse tentoonstelling vanwege zijn relatie met schilderes Marianne van Werefkin.

Alexej von Jawlensky, Bildnis Marianne Werefkin, 1906
Drie moderne schilderijen van Alexej von Jawlensky werden van de nazi’s op de tentoonstelling “Entartete Kunst” getoond..