Wetenschap Kunst Politiek

De spiegelingen van Foucault-Velazquez

20 comments

Voor deel drie in de Foucault-discussie heb ik een kort hoofdstuk uit Foucaults boek  “De woorden en de dingen” gelinked, dat gaat over het schilderij “De hofdames” (Las meninas) van Velazquez.

Dit heb ik gedaan omdat ik graag verder wil met deel drie van het door Arjan Fernhout gestimuleerd debat, maar omdat ik toch ook iets voor de ogen en het gevoel zocht, en niet alleen voor het verstand.

Het Foucault -debat dreigt anders te droog te worden.

Ook is het Velazquez-schilderij – dat ik eerder niet kende – hoogst intrigerend, en schrijft Foucault hier bijzonder goed over.

Ik heb vaak moeite om Foucault te begrijpen, ik en vind hem vaag, op het idealistische af. Maar als zijn woorden aan een empirische realiteit gebonden zijn, zoals het hier in de interpretatie van dit schilderij het geval is, kan ik hem beter begrijpen.

Het werd vaak gezegd, dat de postmoderne denkers zoals Foucault zich tussen wetenschap en kunst bevinden. Tussen wetenschap en kunst, dat kan een probleem zijn, namelijk als het geheel noch het een noch het ander is.
Maar Foucaults keuze voor dit schilderij en zijn interpretatie, die bevallen mij zeer, alsmede de conclusie dat subject en object van plaats kunnen wisselen en vaak niet absoluut gescheiden zijn. ( Ina Dijstelberge: “Ander ben ik”)

Hier een paar citaten uit/ parafraseringen van Foucaults interpretatie (voor wie het niet allemaal zelf wil lezen):

“De schilder staat een klein stukje terug van het schilderij. Even kijkt hij op naar het model; misschien wil hij nog een laatste streek neerzetten, maar het is ook mogelijk dat de allereerste nog niet op het doek is geplaatst. De arm, waarmee hij zijn penseel vasthoudt, is wat naar links gebogen, in de richting van het palet; voor een kort ogenblik bevindt hij zich daar tussen het doek en de verschil­lende kleuren verf, onbeweeglijk. Die bekwame hand daar wordt in spanning gehouden door de blik; en omgekeerd rust de blik ge­spannen op de onderbroken beweging van arm en hand. Tussen het puntje van het penseel en het staal van de blik zal het schouwspel straks zijn ganse omvang uitbreiden.

Maar niet zonder een verfijnd systeem van ontsnappingsmogelijk­heden. Doordat de schilder een weinig afstand heeft genomen is hij vlak naast het doek waaraan hij bezig is komen te staan. Dat wil zeggen, dat hij voor de toeschouwer die nu naar hem kijkt, rechts staat van zijn schilderij, dat de uiterste linkerzijde geheel in beslag neemt. Het schilderij keert diezelfde toeschouwer de rug toe; je kunt er alleen de achterkant van zien, en ook het enorm grote hou­ten raam waarop het is gespannen. De schilder daarentegen is, in zijn volle lengte, zeer duidelijk zichtbaar; hij is in elk geval niet gemaskeerd door het hoge doek, dat hem straks wellicht geheel zal verbergen als hij een pas vooruit zal doen om weer aan zijn werk te gaan; hij is waarschijnlijk eerst éven tevoren in het gezichtsveld van de toeschouwer verschenen, toen hij tevoorschijn kwam uit die imaginaire kooi, die het oppervlak dat hij bezig is te beschilderen achterwaarts projecteert. Nu is hij een ogenblik opgehouden en ge kunt hem daar, in het neutrale midden van die slingering, zien staan. Zijn donkere gestalte en zijn lichte gelaat zijn halverwege het zichtbare en het onzichtbare: nu hij van achter dat, voor ons on­Zichtbare, doek vandaan komt, duikt hij even op voor onze ogen; maar wanneer hij zo dadelijk een pas naar rechts zal doen, waar­door hij aan onze blik wordt onttrokken, zal hij recht tegenover het doek dat hij bewerkt komen te staan; dan zal hij in de strook terecht komen, waar zijn schilderij, dat een ogenblik aan zijn aandacht ont­snapt is, weer zonder donkerte of verzwegen geheim voor hem te zien zal zijn. Alsof de schilder niet gelijktijdig gezien zou kunnen worden op het schilderij waarop hij is afgebeeld, en: zélf het schilderij zien, waarop hij bezig is iets af te beelden. Hij heerst op de drempel van die twee niet met elkaar te rijmen zichtbaarheden.

Daar staat de schilder te kijken, met zijn gelaat enigszins afge­wend en met zijn hoofd naar de schouder toe gebogen. Hij kijkt naar een punt dat niet zichtbaar is, maar dat wij, toeschouwers, gemakkelijk kunnen aangeven. Want dat punt, dat zijn wijzelf: ons lichaam, ons gelaat, onze ogen. Dat, wat hij waarneemt, is dus tweemaal onzichtbaar: omdat het niet in de ruimte van het schil­derij staat afgebeeld, én omdat het zich nu juist daar bevindt, waar die blinde vlek aanwezig is, daar in die essentiële schuilhoek waar voor onszelf onze blik verdwijnt op het ogenblik waarop wij kijken.
[….]

Geen enkele blik is stabiel of, beter gezegd, in het neutrale spoor van de blik, die dwars door het doek heengaat, wisselen subject en object, toeschouwer en model, eindeloos van rol.
[..]

Worden we gezien, of zien we zelf?

[Achter in de kamer hangen schilderijen en een spiegel]

Deze weerspiegelt inderdaad niets van hetgeen zich in dezelfde ruimte als hijzelf bevindt: noch de schilder die hem de rug toekeert, noch de in de kamer aanwezi­ge personen. Het is niet iets zichtbaars, wat hij daar in zijn heldere diepte weerspiegelt. In de Nederlandse schilderkunst was het ge­woonte, dat spiegels een verdubbelende rol speelden: ze herhaalden, wat reeds een eerste maal op het schilderij aangegeven was, maar dan binnen een irreële, gewijzigde, meer beperkte en even gebogen ruimte. Er was hetzelfde op te zien als wat in eerste instantie op het schilderij stond, maar dan uit de compositie gelicht en opnieuw ge­componeerd volgens een andere wet. Hier zegt de spiegel niets van wat reeds is gezegd.
[…]

Maar die spiegel [op dit schilderij] laat niets zien van wat het schilderij zelf voorstelt. Zijn bewegingloze blik zal ergens vóór het schilderij, in die noodzakelijkerwijs onzichtbare strook die er de buitenkant van vormt, de personen die daar zijn geplaatst, gaan bevatten.
[….]

Het schilderij in zijn geheel kijkt naar een toneel waarvoor het, op zijn beurt, ‘to­neel’ is. De kijkende en bekeken spiegel openbaart zuivere weder­kerigheid.


[…En wie zijn de toeschouwers, die in de spiegel te zien zijn, en die tegelijk bekeken worden door de figuren op het schilderij?]

Het zijn de vorst en zijn ge­malin. …Je kunt ze achterin het schilderij ontwaren in de gestalte der twee sil­houetjes die de spiegel doen opglanzen.”

De toeschouwer van het schilderij valt samen met de vorst en de vorstin, en met de schilder Velazquez zelf.


Een intrigerende interpretatie, die wij kunnen gebruiken om deel 3 van het Foucault-debat van stapel te laten gaan.

zie ook

Michel Foucault: Free Lectures on Truth, Discourse & The Self

Tags: , , ,

20 Responses to “De spiegelingen van Foucault-Velazquez”

  1. landheha schreef:

    Avatar van landhehaIntrigerend schilderij. Heb me altijd verre van Foucault gehouden. Erg gekunsteld. Intelligentie als vorm, niet om iets te begrijpen of duidelijk te maken.

  2. Solvejg schreef:

    Avatar van SolvejgNog niet helemaal gelezen, ga ik wel doen! Hetzelfde wordt overigens gezegd over het werk van andere schilders, soms lijk je erin getrokken te worden en vaak ook is een schilderij voor toeschouwers gemaakt (devote kunst bijvoorbeeld). Zien is ook een thema van hoogleraar Oude Kunst http://www.let.leidenuniv.nl/forum/04_2/personalia/2.htm, een goede vriend.

  3. maria schreef:

    Avatar van mariaLandheha, "Intelligentie als vorm, niet om iets te begrijpen of duidelijk te maken."
    Dat is soms waar, maar zijn interpretatie van dit schilderij en de keuze ervan is goed.
    Zijn teksten, Fata Morgana, natuurlijk.

    [Ik heb zijn tekst wel simpeler moeten maken..]
    Solvej, Rein Falkenburg ken ik niet, helaas…
    Geef een seintje als hij eens een lezing houdt!
    Reactie is geredigeerd

  4. Arjan Fernhout schreef:

    Avatar van Arjan FernhoutDank je wel, Maria, wat een verademing. Eindelijk mijn tijdmachine. Ik zie dat ik gelijk aan de slag kan (overigens: Willem Schinkel’s boek is wel iets bijzonders. Dat idee van sociale hypochondrie deel ik inderdaad met hem … daar kom ik t.z.t. op terug)

    @ Landheha. Foucault was een rationalist. En zocht kunst om zijn denken te illustreren. "Las Meninas" stond voor F. symbool voor het begin van wat "wetenschappelijke revolutie" wordt genoemd. Het schilderij is schitterend (hangt in het Prado), maar wat nog mooier is aan het schilderij is datgene wat er aan onbreekt: de symbolen, de verwijzingen. Letterlijk alles is ontsnapt aan het gelijkenisdenken. F.: […] In de spreiding van elementen die ze zowel bijeengaart als uitstalt, wordt één wezenlijke leegte van alle kanten geboden: het noodwendige verdwijnen van datgene wat de voorstelling moet funderen … van datgene waarop zij gelijkt en van datgene in wiens ogen zij uitsluitend gelijkenis is. Juist zo als object (als droeg het een kenmerk) – als tevens subject – is dat radicaal buiten spel gebracht. […] WD p.38
    Waar het op neerkomt is het volgende: datgene wat werd waargenomen, werd niet langer geaccepteerd als symbolen en tekens als vanuit een sacrale dimensie uitgestrooit. En het denken was als zodanig niet meer noodzakelijkerwijs gedoemd correct de “hemel” te lezen in de betekenis van deze tekens. Kortom, de grootste emancipatie in het Westerse denken.

    @ Solvejg. In mijn “De woorden en de dingen” van Foucault staan zo’n 300 potloodstrepen, aantekeningen en verwijzingen naar mijn eigen studie over dit boek en in het hoofdstuk over de hofdames staat er niet één. Maria is terecht sceptisch over de beschrijving van Foucault. Als kunstliefhebber schiet je daar niet veel mee op. Alleen in het kader van het boek (archeologie van de menswetenschappen) is zijn beschrijving van betekenis. Maar daar is al veel over http://www.%20thefreelibrary.com/Foucault

  5. maria schreef:

    Avatar van mariaWelkom, Arjan, samen verder met Foucault, al is het weer nog zo mooi.
    Wel heb ik waanzinnige foto’s gemaakt vanochtend die ik op volgende blogs zal publiceren.
    Maar ik zal blijven hangen hier op het café Foucault, zolang men met mij meedoet!!!
    Spiegels/ infinite mirrors: ik maak letterlijk duizenden experimentele spiegelfoto’s op dit moment. Vroeger of later zal een keuze hier op mijn blog verschijnen.
    In de spiegels kan men zichzelf verliezen…heerlijk.
    Zich zelf verliezen; – tenminste tijdelijk- de individualiteit kunnen afleggen: ook een belangrijk Foucault thema.
    Veel dank voor je link, ik kom er pas vanavond aan toe, maar dan ook helemaal zeker!

  6. landheha schreef:

    Avatar van landheha@arjan fernhout: die emancipatie heb ik dan (gelukkig? 🙂 gemist.

  7. maria schreef:

    Avatar van maria@Landheha, wat is voor jou emanciaptie?
    Foucault was geen “verlichtingsfundamentalist”, in tegendeel. Maar een maatschappelijk en wetenschapelijk proces van emancipatie, die valt niet te ontkennen in de loop van de eeuwen en is ook zeer wenselijk.
    In het schilderij boven is de emancipatie bijvoorbeeld zichtbaar als de toeschouwer samenvalt met de vorst. De vorst is dus niet meer boven het volk verheven; het loopt alles door elkaar heen.
    Foucault en emancipatie, de volgende tekst heb ik van internet geplukt:
    “Foucaults bemoeienis met de begrippen normaal en abnormaal, met het uitsluiten van groepen,
    met ziek en gezond, gestoord en aangepast kreeg geleidelijk aan steeds meer politiek gewicht.
    Uiteindelijk ging het hem erom, zo verklaarde hij, te strijden voor de mogelijkheid van mensen
    om het eigen leven in eigen hand te nemen, in plaats van gevormd te worden naar de
    disciplinerende macht van de menswetenschappen. Aldus kon hij uitgroeien tot een icoon voor de
    homo-emancipatie, de queer theory, de vrouwenbeweging en de emancipatie van minderheden in
    het algemeen. Het is na het bovenstaande vrij eenvoudig te begrijpen hoe Foucault die
    emancipatie zou willen voltrekken: namelijk door het vergaren van kennis. Gemarginaliseerde
    groepen, minderheden, outcasts: ze kunnen verzet bieden aan de drang tot normalisering door
    hun eigen geschiedenis te kennen, door eigen woorden te kiezen en een eigen taal te spreken. Op
    die manier wordt de dwingende, disciplinerende macht van de ordeningen in de
    menswetenschappen gepareerd – uiteindelijk precies wat Foucault deed in zijn eigen boeken.”
    http://www.kabk.nl/lectoraat/_downloads/Foucault.pdf

    Straks lees ik jouw link, Arjan!

    Reactie is geredigeerd

  8. meeuwenoord schreef:

    Avatar van meeuwenoordfoucault,zn denken,is een reactie op het,op sartre s,existentie,dat weer op celine s,zn hersenspinsels,het een brengt het ander voort,de denkfout,van denkers is,dat ze te diep denken,de grootheid zit,in mariginaaliteit,en de simpelheid,zelfs naiviteit kan een eye opener wezen,bij foucault,is intersant,dat hij al die instituten,noemt,die denken,macht te hebben,maar inweze de massa,manipuleren,bewustzijn en sociale emancipatie,zijn nooit van de grond gekomen,veel blijft hangen bij,eigenbelang,in de moderne tijd,die fragiel blijkt,is veel de weg kwijt,geld persen laten draaien,is empirisch geen oplossing,die zit in de zelfde fragiele systemen,die aan renovatie toezijn,waar blijven al die deskundigen,om te redden wat te redden valt op sociaal,economisch,gebied,met staatsbanken,is deze al zieltogend,hadden dutske en cohn bendit,in de60,jaren,het al daar toch over,zal het toch cyclisch wezen,zelfs het denken,of zit veel in de natuurkrachten,en de erfelijke genen,wie zal het zeggen,de groetjes,klaas meeuwenoord.

  9. maria schreef:

    Avatar van mariaKlaas Meeuwenoord, dank voor een ook stilistisch interessante bijdrage!
    “,de denkfout,van denkers is,dat ze te diep denken,de grootheid zit,in mariginaaliteit,en de simpelheid,zelfs naiviteit kan een eye opener wezen,”

    Zeer waar. Wie het eenvoudige en naieve niet kan vasthouden, die kan niet goed denken. Volgens mij moet interessant denken heen en weer schommelen tussen simpel en complex.
    De vraag is of Foucault ons genoeg
    simpliciteit
    biedt.
    Ik vind eigenlijk
    niet..

    Arjan?
    Reactie is geredigeerd

  10. jan bouma schreef:

    Avatar van jan boumaLaat ik nu maar zwijgen om u allen niet te ontregelen met mijn interpretaties waarvan ge kunt niet kunt slapen.

    Vroeg mij wel zo terloops af waarom het schilderij voor 60% in het donkere zwart gehuld is en bedenk dan dat ik misschien wel voor 80% zwart zou hebben geschilderd als de opvatting is/zou zijn: veel is weinig en weinig is veel… Dat idee deed toen opgeld. Zou men weer moeten invoeren! Licht en donker; het contrast doet ’t ‘m.

    Hoi Maria! Op 24 januari a.s. een happening bij mij. Zie: vechtkronkels.nl Groeten. JB

  11. maria schreef:

    Avatar van mariaJan, de weergave van het schilderij is niet perfect. Er hangt nog een hele rij schilderijen boven in het schilderij, als je goed kijkt, en lampen!
    Maar toch, het klopt, boven is het donker, en beneden helder. Dus net andersom als het in het religieuze wereldbeeld eigenlijk hoort.

    Dank voor de uitnodiging, maar het is zo goed als zeker dat januari niet gaat lukken! Ik vertel het aan Bernard.

  12. Arjan Fernhout schreef:

    Avatar van Arjan FernhoutMaria, vermoedelijk is het zo dat Foucault vaak gecompliceerd gevonden wordt, omdat vanuit bepaalde verwachtingen (of vanuit een wetenschappelijke blik) wordt gelezen. Zodra ik verlost ben van de griep zal ik wat dingen verhelderen en aangeven waarom het denken (misschien beter: de manier van benaderen) van Foucault actueel kan zijn.

  13. Bernard schreef:

    Avatar van BernardHoi Maria,
    Dit lezende weet ik weer waarom ik zo’n godgloeiende hekel heb aan die Franse "filosofen". De "imaginaire kooi, die het oppervlak dat hij bezig is te beschilderen achterwaarts projecteert". Wat een gelul, wat een dikdoenerij, wat een bombastische humbug. Jou twee vetgemaakte regels geven precies de essentie weer. De rest is een exercitie in het waarom-makkelijk-doen-als-het-ook-moeilijk-kan.

  14. maria schreef:

    Avatar van maria@Arjan, beterschap, ik verheug me al op het verdergaan.

    @Ja Bernard ik vind mijn eigen tekst ook beter leesbaar dan Foucaults tekst en ik heb een voorkeur voor simpele boodschappen. Toch vinden mensen ook mij zeer vaak onbegrijpelijk.
    Commnuicatie is moeilijk, hoe je het ook doet.
    De ander begrijpen kost altijd heel veel inspanning, en Foucault maakt dat duidelijk.
    Communicatie, een land van fata morgana.

    Wat vind je anders van het schilderij, fantastisch toch? De smaak van Foucault, daar is dus niets mis mee.

  15. Bernard schreef:

    Avatar van Bernard>Wat vind je anders van het schilderij, fantastisch toch? De smaak van Foucault, daar is dus niets mis mee.
    Reactie is geredigeerd

  16. Bernard schreef:

    Avatar van BernardOeps, daar ging iets mis.
    Ja, inderdaad fantastisch. Het absolute hoogtepunt uit V’s oeuvre en één van de grootste en intelligentste schilderijen ooit. Portret in portret in portret … ("Droste en is geen Droste").

  17. maria schreef:

    Avatar van mariaHet merkwaardige is dat ik dat zelf nu ook heb gedaan, spelen met infinite mirrors,
    zonder aan dit schilderij te denken of aan Yayoi Kusama.

    Erg interessante effecten, en erg verslavend.
    Misschien laat ik gauw iets zien op het blog.

  18. Arjan Fernhout schreef:

    Avatar van Arjan FernhoutMaria, eigenlijk was ik van plan om even een stukje over het voorwoord (of beter “Gebruiksaanwijzing” – zoals Foucault dat stelt) van WD te schrijven, maar het lukt niet om dat even te comprimeren: F.: 1) onderhavig werk bestrijkt een betrekkelijk verwaarloosd terrein. 2) Dit boek moet gelezen worden als een vergelijkende en niet een symptomatologische studie 3) Ik werkte daarom niet op het vlak van de geschiedschrijvers van de wetenschap 4) Het betreft hier een “open” werkstuk 5) Ik ben geen structuralist.

    Daar wil ik (vanuit mijn eigen visie) een heel nauwkeurig stuk over schrijven. (eigenlijk een beetje saai werk; voor mij begint het boek eigenlijk pas echt op p.39: Het proza der wereld – overigens heeft Bernard over dat “aanstellerige” van F. inzake de Hofdames wel gelijk -. Vanaf pagina 39 wordt dat bepaald anders)

    Om wat vooruit te lopen geef ik het volgende wat ik drie weken geleden al op papier zette. Men kan er zijn gedachten over laten gaan:

    Met behulp van een aantal teksten uit hoofdstuk 1 van Willem Schinkel’s ”Denken in een tijd van sociale hypochondrie” wordt de actualiteit van het denken van Michel Foucault duidelijk en worden tegelijkertijd een aantal voorgaande observaties van mij door anderen wellicht als iets meer gezien als dan politieke reductie, plattitudes, enz.

    == De hedendaagse liberale democratie heeft geen doel voorbij zichzelf, legt zichzelf geen richting op, geen route. Charles Taylor heeft daarom wel gezegd dat de liberale democratie een “articulatieprobleem” kent.(1) D.w.z. dat het Goede erin onbenoemd blijft(2), ook in het denken […] De liberale democratie is nergens naar op weg. Zij is goed bezig wanneer ze de rechten handhaaft die haar kern vormen. De hedendaagse mens kent daarmee geen toekomstvisie in de zin van een gemeenschappelijkheid; de maatschappij is een geheel andere paradox geworden; een paradox van een sociaal verband dat niets meer of minder te doen heeft dan de individualiteit van een ieder te faciliteren, desnoods door middel van repressie van individualiteiten die al te zeer naar een geloof in collectiviteiten neigen. Politiek is geen domein waarin ideologische lijnen worden uitgezet – althans niet met opzet – maar veeleer een instrumentalisatie van de korte termijn, naar het model van een dominant economisch discours […] Er is geen “groot verhaal” meer == p.18.19.

    == Sinds de eeuwwisseling, en in versneld tempo sinds de flitscarrière van Pim Fortuyn, is wezenlijke maatschappelijke zelfreflectie dan ook vervangen door een geforceerde consensus omtrent de antwoorden op de fundamentele vragen. Een ‘realisme’ van het ‘de dingen bij de naam noemen,’ van het niet meer negeren van de problemen, regeert met repressie en restrictie als voornaamste beleidsinzet. Het is precies deze veronderstelde negatie van de negatie die alle fundamentele vraagstellingen opschort, en daarmee zowel de grond, het ‘begin’, van de maatschappij als haar einde negeert. In een overbenadrukking van ‘integratie’ wordt het fundamentele probleem dat alleen met een sociologisch of wellicht een sociaal-filosofisch begrip van integratie geformuleerd kan worden, genegeerd door het vast te leggen op een verder niet geproblematiseerde probleemdefinitie. Die definitie vindt vervolgens disseminatie (verspreiding) door middel van media die daarvoor weer legitimatie vinden in een ‘publieke opinie’ –kip en ei-problemen hierbij voor het gemak negerend. Precies in de nadruk op ‘integratie’ en in de daarmee gepaard gaande geslotenheid van het discours (3) – het ‘realisme’ van de dingen en de namen – wordt de contingente grond van de maatschappelijke orde, alsmede het toch altijd mogelijke einde ervan genegeerd. Precies de nadruk op een ondergetheoretiseerd ‘einde’ stelt de maatschappij daarmee in staat te komen tot een zelfobservatie die een werkelijk ‘einde’ uitsluit. Voor die constitutieve negatie is een overbenadrukking van ‘integratie’ nodig, een obsessie ermee, zo noemde Henri Lefebvre het in 1968 al: “het obsessieve is voor deze maatschappij de dialoog, de communicatie, de participatie, de integratie, de coherentie.” De voortdurende herhaling van de nadruk op participatie en integratie – en de gemediatiseerde herhaling van de herhaling – leidt tot een verdoezeling van de vragen waarin men moet participeren en/of integreren en wie of wat dat moet. En deze obsessie met integratie is tegelijkertijd een preoccupatie met bescherming tegen verzwakkende invloeden van buiten. De maatschappij lijkt zichzelf ten eerste te concipiëren als een onderscheidbare identiteit, een eenheid daarom, ten opzichte van een omgeving, en ten tweede als een levende en bewegende identiteit. Zo bezien observeert de maatschappij zichzelf als een lichaam dat aan de ene kant moet groeien, en aan de ander kant met problemen van immuniteit worstelt. Deze metafoor van het lichaam is terug te vinden in de geschiedenis van het academisch denken. Ze staat bekend onder de noemer van het organicistisch denken over de maatschappij. Dit denken deelt fundamentele kenmerken met een beeld dat, qua dominantie, aan althans het moderne organicisme vooraf gaat, namelijk dat van de maatschappij als machine. P.20

    1) Taylor C. (1989): Sources of the Self. The making of the modern Identity. Cambridge: Cambridge University Press, dl. I, h.3.

    2) Ibid. p.96: “…articulating the good is very problematic and problematic for us… ”

    3) De geslotenheid van het discours’ wil hier gezegd zijn: de onuitkoombaarheid van de begrippen, oordelen, metaforen en tropen van dit discours voor allen die erin participeren. Dit heeft onder meer te maken met de door Michel Foucault bestudeerde uitsluitingsprocedures als “het verbod” in het discours. Zie: Foucault, M. (1988): de orde van het spreken. Meppel/’Adam: Boom, p. 37.

    Vermoedelijk zijn deze teksten voor mij zo goed leesbaar, omdat ik bekend ben met het denken van Foucault, specifiek in “De woorden en de dingen,” waarin dat ‘einde’ – bij Velasquez is het juist het ‘begin’ – van een épistèmè (gr. ware kennis) die F. (evenals Spinoza) ten grondslag legt aan al het denken. Het hoofdstuk wat volgt, heet niet voor niets “Het proza der wereld.” In het gelijkenisdenken van Middeleeuwen en Renaissance “las” men de dingen om zich heen om de werkelijkheid te interpreteren. Het “stel dat” – manier van denken kwam pas in de classicistische tijd naar boven. En van het gelijkenisdenken was geen spat meer over.

    Wat Schinkel naar mijn idee neerzet is het idee dat debatten over integratie, participatie getuigen van een “gemaaktheid,” een soort teruggrijpen naar een (maatschappelijke) machinerie, geconstitueerd in de taal, die al lang aan het verbleken is. Dat is wellicht een van de verschijnselen die aangeven dat de grond onder onze voeten opnieuw in beweging is, zoals Foucault dat stelde.

    Reactie is geredigeerd

  19. maria schreef:

    Avatar van mariaHoi Arjan, blijkbaar leef je nog. Goed zo!
    Ik heb snel nagekeken waar pagina 39 ff van ‘De woorden en dingen’ over gaan, en heb voor jullie en mij http://www.passagenproject.com/foucault_vier_soorten_van_gelijkenis.rtf [www.passagenproject.com/foucault_vier_soorten_van_gelijkenis.rtf], die over de patronen van de ouderwetse manier van denken gaan; dus de vier soorten van gelijkenis: convenientia, aemulatio,analogie, sympathie.
    Zeer interessant. Mij valt me meteen op dat ik erg ouderwets ben (ik voel me dan ook sterk verwant met de 16e eeuw) omdat ik van deze gelijkenissen houd. Voor de kunst en de fantasie zijn dit namelijk erg goede manieren voor associatie.

    Dan, Schinkel. Schinkel keert zich tegen een maatschappelijk denken dat afgesloten, hierarchisch en mechanisch is, en dat de samenleving impliciet of expliciet gelijkstelt met een lichaam .
    Schinkel keert zich terecht en met beroep op Foucault tegen een sociologie die een mechanistisch-natuurwetenschappelijk model hanteert. Onderzoek vervalt tot sociale techniek [ wat Foucault ‘sociale geneeskunde’ heeft genoemd] . Schinkel noemt ook meerdere keren, en terecht, Foucault samen met Adorno/Horkheimer en hun kritiek op de autoritaire verlichting (zie ook mijn hoofdstuk over het verlichtingsfundamentalisme in mijn Burke-documentatie http://www.passagenproject.com/conservatisme.html)
    Schinkel schrijft: “Het culturisme maakt op die manier een vorm van ‘biopolitiek’ mogelijk. Onder ‘biopolitiek’ verstaat Foucault de op populatiecontrole gebaseerde regulering van het sociaal lichaam. “
    Zeer waar!! Zie bijvoorbeeld mijn blogs over http://www.volkskrantblog.nl/bericht/188832 .
    Schinkel schrijft zelf ook boos over de Burke Stichting, dat moet ik nog eens opzoeken.

    Reactie is geredigeerd

Leave a Reply



Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief