Wetenschap Kunst Politiek

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener

no comment
Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Erotische kunst erotic art watercolors Gerda Wegener Art Noveau

Nietzsche en het anti-antisemitisme

62 comments

 

Nietzsche1882 antisemitisme

Nietzsche en het antisemitisme

Hoewel Nietzsche door sommigen als een voorloper van het nazisme wordt beschouwd bekritiseerde hij antisemitisme,  pan-Germanisme  en nationalisme. Zo brak hij met zijn uitgever in 1886 als gevolg van verzet tegen diens antisemitische standpunten, en zijn breuk met  Richard Wagner  beschreven in  Het geval Wagner  en  Nietzsche contra Wagner (beiden geschreven in 1888), had veel te maken met Wagners goedkeuring  van pan-Germanisme en antisemitisme.

In een brief  van 29 maart 1887 aan  Theodor Fritsch  bespotte Nietzsche antisemieten als  Fritsch,  Eugen Dühring , Wagner, Ebrard, Wahrmund  en de leidende voorstander van het pan-Germanisme,  Paul de Lagarde , die, samen met Wagner en  Houston Chamberlain , de belangrijkste officiële invloeden van het nazisme werden.  Deze brief aan Fritsch eindigt:

 – En tenslotte, hoe denk je dat ik me voel wanneer de naam Zarathoestra in de mond wordt genomen door anti-semieten?  …

Hoofdstuk VIII van  Voorbij goed en kwaad  getiteld “Volk en vaderland” bekritiseert pan-Germanisme en patriottisme, en bepleit in plaats daarvan de eenwording van Europa (§ 256, etc.).

In  Ecce Homo  (1888), bekritiseerde Nietzsche de “Duitse natie”, de “wil tot macht (= tot Reich)”, en keurde een verkeerde interpretatie van de Wille zur Macht  af, net zo als de opvatting van de Duitsers als een “ras”,  en de “antisemitische manier van schrijven van de geschiedenis”.

Nietzsche uitte harde kritiek op de man van zijn zuster,  Bernhard Förster en op zijn zuster zelf , en sprak afwijzend over de “antisemitische canaille”: “Nadat ik de naam van Zarathoestra in de anti-semitische correspondentie lees komt mijn verdraagzaamheid tot einde.  Ik verkeer nu in een positie van noodweer tegen de partij van jouw echtgenoot. Deze vervloekte antisemitische misvormingen zullen mijn ideaal  niet bezoedelen!” .

Georges Bataille  was een van de eersten die de opzettelijke verkeerde interpretatie van Nietzsche door de nazi’s aan de kaak stelde.  Bataille wijdde in januari 1937 een nummer van  Acéphale , getiteld “Herstelbetalingen aan Nietzsche” aan het thema “Nietzsche en de fascisten”,  Hij noemde Elisabeth Förster-Nietzsche  “Elisabeth Judas-Förster,” daarbij aan Nietzsches verklaring refererend:   “…nooit meer iemand te bezoeken die betrokken is bij dit naakte bedrog met betrekking tot rassen. 

Nietzsches aforisme 377  in het vijfde boek van  De vrolijke wetenschap  (Gepubliceerd in 1887) bekritiseert nationalisme and patriottisme en pleit ervoor goede Europeanen te zijn:

„.. wir sind der Rasse und Abkunft nach zu vielfach und gemischt, als “moderne Menschen”, und folglich wenig versucht, an jener verlogenen Rassen-Selbstbewunderung und Unzucht teilzunehmen, welche sich heute in Deutschland als Zeichen deutscher Gesinnung zur Schau trägt und die bei dem Volke des historischen “Sinns” zwiefach falsch und unanständig anmutet. Wir sind, mit einem Worte – und es soll unser Ehrenwort sein! – gute Europäer, die Erben Europas, die reichen, überhäuften, aber auch überreich verpflichteten Erben von Jahrtausenden des europäischen Geistes: als solche auch dem Christenthum entwachsen und abhold, und gerade, weil wir aus ihm gewachsen sind, weil unsre Vorfahren Christen von rücksichtsloser Rechtschaffenheit des Christentums waren, die ihrem Glauben willig Gut und Blut, Stand und Vaterland zum Opfer gebracht haben.“

http://gutenberg.spiegel.de/buch/3245/8

 

“Nietzsche was zijn gehele leven aan een vloed van antisemitische propaganda blootgesteld: van de zijde van zijn zuster en zijn zwager, Bernhard Förster, een prominent vertegenwoordiger van de Duitse antisemitische be­weging, die na een schandaal in een tram, waarbij hij joodse passagiers had mishandeld, naar Paraguay emigreerde om daar de teutoonse kolonie ‘Nueva Germania’ te stichten; van de zijde van Wagner; van zijn uitgever Schmeitzner en van lieden die hem de Antisemitische Korrespondenz toezonden. Hierin ligt onge­twijfeld mede de verklaring voor zijn voortdurende bestrijding van dit gif. “

Dit citaat komt uit het boek van Henk van Gelre, “Friedrich Nietzsche en de bronnen van de westerse beschaving” (band 1, p 108) , aanbevolen op mijn vorige blog door An van den Burg.

Nietzsche: “‘Het hele probleem van de joden bestaat alleen binnen de nationale staten, in zover hun daadkracht en grotere intelligentie, hun in een lange lijdensschool van generatie op generatie opgestapeld geestes- en wilska­pitaal, hier wel overal in een afgunst en haat opwekkende mate het overwicht moet verkrijgen, zodat de literaire onhebbelijkheid in alle naties van vandaag de overhand neemt – en wel méér naarmate deze zich weer nationaal gedragen -, om de joden als zondebok, voor alle moe­lijke openbare en innerlijke misstanden naar de slachtbank te leiden.’

Rüdiger Safranski heeft in zijn uitvoerige Nietzsche- biografie ook over het thema “Nietzsche en het antisemitisme” geschreven (p 331 ff):

Het is onbetwist­baar dat Nietzsche een anti-anti-semiet was, al is het maar omdat het antisemitisme hem in zulke gehate figuren als zijn zwager Bernhard Förster en zijn zuster voor ogen stond. Hij verachtte de Duits-nationale, volkse componenten. Hij zag in de anti-semitische beweging van de jaren tachtig de opstand van de middelmatigen, die zich onrechtmatig voor heersersnaturen uitgaven, alleen omdat ze zich Ariërs voelden.

Tegenover zulke antisemieten was Nietzsche zelfs bereid het joodse ras te verdedigen door te beweren dat het meer waard was. Zijn argument luidt: Omdat ze zich eeuwenlang tegen aanvallen hebben moeten verdedigen, zijn ze taai en geraffi­neerd geworden, ze hebben de defensieve kracht van de geest ver­sterkt en zodoende een onmisbare rijkdom in de Europese geschie­denis ingebracht. Het joodse volk, schreef Nietzsche, heeft van alle volkeren de smartelijkste geschiedenis achter de rug, en juist daarom hebben we aan dit volk de edelste mens (Christus), de zuiverste wij­ze (Spinoza), het machtigste boek en de invloedrijkste zedenwet ter wereld […]  te danken. Hij keert zich tegen de verblinding van de nationalisten die de joden als zondebokken van alle mogelij­ke publieke en private misstanden naar de slachtbank leiden.”

“In zijn aantekeningen uit de herfst van 1888 zet Nietzsche een aan­tal gedachten voor een psychologie van het antisemitisme op een rijtje. Het gaat daarbij meestal om lui, schrijft hij, die te zwak zijn om hun leven een zin te geven en die zich in panische angst bij de eerste de beste partijen aansluiten die hun tirannieke behoefte aan zin bevredigen. Ze worden bijvoorbeeld anti-semieten louter en al­leen omdat de anti-semieten het op het schaamteloze af op dat ene voor de hand liggende doel gemunt hebben – het joodse geld . Aan die waarneming knoopt Nietzsche zijn psychogram van de ordinai­re anti-semiet vast: instinctieve afgunst, ressentiment, machteloze woede als I ei d mot i e f: de aanspraak van de ‘uitverkorene’; door en door moralistische leugenachtigheid tegenover zichzelf -die per­manent de mond vol heeft van deugdzaamheid en alle andere gro­te woorden. Dit als typisch kenmerk: ze merken niet eens op wie ze daardoor als twee druppels water lijken? Een anti-semiet is een afgunstige, dat wil zeggen de meest stupide jood. “

“Toch ontwikkelde hij [Nietzsche]  in De genealogie van de moraal, in Afgodenschemering en in De antichrist een theorie vol­gens welke het religieuze jodendom een beslissende en leidingge­vende rol heeft gespeeld bij het initiëren van de slavenopstand van de moraal. “

“De door Nietzsche verachte antisemieten konden dus in ieder geval een aantal van zijn gedachten als bron van inspiratie gebrui­ken, ook al strookte het beeld van de Arische heersersnatuur dat zij ontwierpen niet met het beeld van voornaamheid dat Nietzsche als leididee voor ogen stond. Dat hebben ze bij de nationaal-socialisten op een gegeven moment ook gemerkt. Ze bleven Nietzsche welis­waar voor hun karretje spannen, maar er gingen daarnaast steeds meer stemmen op die voor de vrijdenker Nietzsche waarschuwden. Ernst Krieck, een invloedrijke nationaal-socialistische filosoof, oor­deelde ironisch: ‘Al met al was Nietzsche een tegenstander van het socialisme, een tegenstander van het nationalisme en een tegenstan­der van de rassenidee. Als je die drie geestesrichtingen buiten be­schouwing laat, had hij misschien een uitstekende nazi kunnen zijn’  “.

De pre-fascist Max Nordau, auteur van “Entartung/Ontaarding” (1892) haatte Nietzsche, die hij (terecht) als een vrijdenker en als een antinationalist beschouwde. Dus heeft Max Nordau aan Nietzsche een van zijn haat-hoofdstukken gewijd, wat achteraf bezien eigenlijk een hommage is, omdat Nietzsche hier naast andere “ontaarde” en dus “dood te slaande” geesten staat: Tolstoi, Beaudelaire, Ibsen, Zola.

Harry Mulisch behandelt de kwestie “Nietzsche en het antisemitisme” uitvoerig in zijn boek over Eichmann “De zaak 40/61” waarbij hij ook tot de conclusie komt:

“hij [Nietzsche] zou ongetwijfeld tot Hitlers felste tegenstan­ders behoord hebben”

 

Maria Trepp

 

Katholicisme en antisemitisme

110 comments

Antisemitische en anti-joodse opvattingen zijn helaas verbonden met  de centrale leerstukken van het traditionele katholicisme.

Wie zich interesseert voor de geschiedenis van het Nederlandse katholicisme en antisemitisme, moet het dikke boek van Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Een donkere spiegel (2006)  gaan lezen. Dit valt in eerste instantie niet mee omdat het 1000 pagina’s betreft, maar in tweede instantie weer wel, omdat elk hoofdstuk voorzien is van een uitstekende beknopte samenvatting.

Poorthuis/Salemink  betogen en tonen aan, dat weliswaar katholiek antisemitisme niet gezichtsbepalend is geweest is voor het katho­licisme in zijn geheel vanaf 1870 in Nederland, maar desalniettemin structureel voorkwam bij een niet al te kleine minderheid katholieken. Terwijl binnen de kerk vaak principiële kritiek werd uitgeoefend op het binnendringen van het moderne antisemi­tisme in kerk en maatschappij, hield zich een “katholieke mengsel” van religieus antisemitisme en modern antisemitis­me bij bepaalde katholieke groeperingen.

Enkele conculsies van Poorthuis Salemink betreffende het katholiek antisemitisme ( p 799-803) :

1. “In de laatste decennia van de 19de eeuw heeft er een felle vorm van katholiek antisemitisme bestaan, gevoed door buitenlandse bronnen, waarin moderne (quasi)wetenschappelijke beschouwingen een rol speelden, naast religieuze motieven zoals de mythen over ‘godsmoord’, vermeende immoraliteit van de Talmoed en rituele moord. Dit felle antisemitisme kwam voor in ultracon­servatieve katholieke kring en was een mengeling van oudere religieuze en modernere seculiere motieven.”

2. “Het religieus geïnspireerde katholieke antisemitisme aan het einde van de 19de eeuw bleef, anders dan vaak gedacht is, niet verschoond van raciale motieven; het sprak over de etnische ‘vreemdheid’ van de joelen en pleitte op grond daarvan nadrukkelijk voor beperking van joodse burgerrechten bin­nen de nieuwe nationale staat. “

3. “De – nog steeds niet formeel herroepen – kerkelijke verordeningen van het Provinciaal Concilie van 1865, herhaald in 1924, over het verbod op familiale omgang met joden en op een vast dienstverband bij joodse werkgevers had­den aanvankelijk het doel om katholieken af te grenzen tegen ‘andersden­kenden’ […] , maar werden eind 19de eeuw door onder anderen pater Gerlachus van den EIsen gebruikt als legitimatie voor een sociaal-economisch antisemitisme.”

4. “Binnen de sociale en politieke organisaties van de katholieke zuil ontwikkel­de zich tijdens het interbellum in bepaalde kringen een sociaal-economisch en politiek antisemitisme, dat onder de invloed stond van de zogenaamde ‘Oostenrijkse school’ van professor Eberle. Raciale motieven ontbraken, reli­gieuze motieven niet (bijvoorbeeld ‘aards messianisme’ van de joden toen en nu). Dit antisemitisme was ingebed in een radicaal moreel antikapitalisme.”

5. “Binnen het katholiek-culturele milieu bestonden groeperingen, met name te lokaliseren binnen de beweging van de ‘Katholieke Jongeren’, die in de jaren dertig hun afkeer van de democratie en keuze voor een corporatieve staat gingen verbinden met een felle vorm van antisemitisme, soms met inbegrip van raciale motieven. In dit antisemitisme speelden religieuze ele­menten geen rol van betekenis.”

6. “In het kerkelijk-theologisch milieu traden bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog auteurs als Johannes van der Ploeg en Tonny Ariëns naar voren die pleitten voor een politieke oplossing van het zogenaamde ‘joodse vraag­stuk’ op grond van een etnisch-raciale visie. Zij wilden de burgerrechten van de ‘vreemde’ joodse minderheid beperken. Religieuze motieven speelden hier geen rol. Men kan het een extreem-rechtse modernisering noemen. “

7. “Na 1945 verdween het antisemitisme niet onmiddellijk in katholieke kring. Het kreeg zelfs een nieuw (derde) leven in bepaalde katholieke kringen die de politieke afwijzing van de staat Israël legitimeerden met een hernemen van bepaalde anti-joodse vooroordelen. “


Van Alib de tip: “Een goed vervolg: Dr LMH Joosten; Katholieken en facisme in Nederland, 1920 – 1940.” Klik hier voor inleiding en samenvatting!\

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

De slangenvrouwen van Iris van Dongen

20 comments


Vandaag opende in het Stedelijk Museum in Schiedam een tentoonstelling met monumentale schilderachtige tekeningen van “slangenbezweerder” Iris van Dongen, “Suspicious”.

Deze tekeningen zijn niet alleen mooi, maar ook technisch zeer interessant. Sacha Bronwasser schrijft in de bijhorende catalogus dat de tekeningen bestaan uit een ondertekening in felle kleuren pastelkrijt, waar dan lagen van krijt en houtkool overheen worden gezet, die met de vingers in het papier worden gepoetst.

Deze tekeningen sluiten ook sterk aan bij mijn eigen thema’s in mijn gedichten en foto’s op het blog (zie kader rechts voor mijn slangenblogs).
Toch kan ik mij niet vinden in de interpretatie die zowel de site van het museum alsook de begeleidende catalogus geven van deze schilderijen .  Daar worden de afgebeelde vrouwen beschreven als heldinnen, die de controle hebben over zichzelf, de natuur en het beest in de mens.
“Zij zijn de hogepriesteressen van de vrouwenmacht.”

 

Dit is – gelukkig-  niet op alle tekeningen zo; er zijn ook tekeningen mit passieve of melancholieke vrouwen te zien. Ik kan mezelf niet vinden in een simpel vrouwen-als-heldinnen-en-godinnen-verhaal net zo min als ik een mannen-als-goden-en-helden-verhaal interessant vind.






Ik houd van gevaarlijke slangenvrouwen, zoals van Medusa.

 

En hier…mijn nieuwste eigen slangenkuil…

———————————————————————————————————————

Afshin Ellian: ‘Vergeet Gaza’

32 comments

Vandaag debatteren Frank en Maarten Meester in de Volkskrant/het Vervolg over de kwestie of je ten opzichte van Gaza prioriteiten mag stellen: men hoeft over Gaza niet zo veel kletsen, er zijn tenslotte gebieden waar veel meer doden vallen, zoals in Darfur (Meesters in de actualiteit, p. 33).

Afshin Ellians mening over deze kwestie is duidelijk: “Vergeet Gaza!”

Het is weliswaar anderhalf jaar geleden dat Ellian opriep om Gaza te vergeten vanwege Darfur, maar hij herhaalt zijn harteloze argumentatie vandaag weer in de NRC:
De enorme aandacht voor de Palestijnen roept de vraag op: zijn de Palestijnen het zieligste volk op aarde? Beslist niet. De Palestijnen, in vergelijking met andere volkeren in conflictgebieden, krijgen de meeste aandacht van internationale organisaties, staten en media. Afrikanen of Tsjetsjenen worden soms massaal en opzettelijk – echt onvergelijkbaar met wat de Palestijnen meemaken – afgeslacht door ondemocratische regiems of groepen.”

Maarten Meester betoogt (speels?) in deze trant:

“De Australische filosoof Peter Singer pleit in zijn boek Eén wereld terecht voor een ethiek die uitstijgt boven zelfzuchtige, nationalistische en/of racistische overwegingen.
‘Moreel maakt het geen verschil of de persoon die ik help een kind van de buren is’, schrijft hij, ‘tien meter bij mij vandaan, of een Bengalees wiens naam ik nooit zal weten, tienduizend mijl ver.’

Om mensen op afstand te kunnen helpen, moet je ook weten wie er het meest lijden en wie het hardst hulp nodig hebben.”

 Ik ben het met Ellian en met Maarten Meesters argumentatie zeer oneens.

Ten eerste is het bij het helpen en in de kwesties van medemenselijkheid gerechtvaardigd om naar leed te kijken ongeacht ander leed. Misschien is het op het vlak van politiek en lange termin strategie belangrijk om uiteindelijk  bepaalde afwegingen van resources te maken. Maar noch voor de media noch voor individuen geldt deze noodzaak tot top-down-afweging. Ik mag me om mijn buurvrouw druk maken die migraine heeft ook al gaan miljoenen mensen dood, daar is moreel niets mis mee.

Ten tweede is het in de kwestie Gaza van belang dat de Nederlandse regering het buitenproportionele Israëlische geweld niet heeeft veroordeld.
Ten opzichte van Darfur geldt dat bijvoorbeeld niet.
In Nederland is er een controverse rond Gaza, maar niet, of niet in dezelfde mate rond Darfur.

Ellian c.s. willen schijnbaar Darfur helpen, omdat daar het grote onrecht gebeurt. Wat zij in werkelijkheid doen, dat is onrecht goed praten met verwijs naar nog groter onrecht.
Dit is in mijn ogen amoreel.

Door het ijs gezakt: Georg Heym

11 comments

Door het ijs gezakt: Georg Heym


“IJs vinden Duitsers maar eng” schrijft Sander van Walsum vandaag in een geestig artikel in de Volkskrant (p 4).

Van Walsums artikel doet  me sterk denken aan de Duitse dichter Georg Heym, die in 1912 in Berlijn door het ijs in de Havel zakte.

Günter Grass heeft een hoofdstuk in zijn boek “Mein Jahrhundert”, 1912, aan Heym gewijd. Hier het aquarel dat Grass bij dit hoofdstuk had gemaakt.

En hier Heyms griezelig oorlogs-ijs- gedicht dat misschien ook in deze tijden van ijs en oorlog (Gaza) past.

 

Georg Heym:

Der Krieg  (1911)

Aufgestanden ist er, welcher lange schlief,
Aufgestanden unten aus Gewölben tief.
In der Dämmrung steht er, groß und unerkannt,
Und den Mond zerdrückt er in der schwarzen Hand.

In den Abendlärm der Städte fällt es weit,
Frost und Schatten einer fremden Dunkelheit,
Und der Märkte runder Wirbel stockt zu Eis.
Es wird still. Sie sehn sich um. Und keiner weiß.

In den Gassen faßt es ihre Schulter leicht.
Eine Frage. Keine Antwort. Ein Gesicht erbleicht.
In der Ferne wimmert ein Geläute dünn
Und die Bärte zittern um ihr spitzes Kinn.

Auf den Bergen hebt er schon zu tanzen an
Und er schreit: Ihr Krieger alle, auf und an.
Und es schallet, wenn das schwarze Haupt er schwenkt,
Drum von tausend Schädeln laute Kette hängt.

Einem Turm gleich tritt er aus die letzte Glut,
Wo der Tag flieht, sind die Ströme schon voll Blut.
Zahllos sind die Leichen schon im Schilf gestreckt,
Von des Todes starken Vögeln weiß bedeckt.

Über runder Mauern blauem Flammenschwall
Steht er, über schwarzer Gassen Waffenschall.
Über Toren, wo die Wächter liegen quer,
Über Brücken, die von Bergen Toter schwer.

In die Nacht er jagt das Feuer querfeldein
Einen roten Hund mit wilder Mäuler Schrein.
Aus dem Dunkel springt der Nächte schwarze Welt,
Von Vulkanen furchtbar ist ihr Rand erhellt.

Und mit tausend roten Zipfelmützen weit
Sind die finstren Ebnen flackend überstreut,
Und was unten auf den Straßen wimmelt hin und her,
Fegt er in die Feuerhaufen, daß die Flamme brenne mehr.

Und die Flammen fressen brennend Wald um Wald,
Gelbe Fledermäuse zackig in das Laub gekrallt.
Seine Stange haut er wie ein Köhlerknecht
In die Bäume, daß das Feuer brause recht.

Eine große Stadt versank in gelbem Rauch,
Warf sich lautlos in des Abgrunds Bauch.
Aber riesig über glühnden Trümmern steht
Der in wilde Himmel dreimal seine Fackel dreht,

Über sturmzerfetzter Wolken Widerschein,
In des toten Dunkels kalten Wüstenein,
Daß er mit dem Brande weit die Nacht verdorr,
Pech und Feuer träufet unten auf Gomorrh.
 
 

Maanspiegelingen

18 comments

Maanondergang Katwijk, 11 januari 2009, 8.00

Maanopgang, Rijn-Schiekanaal Leiden, spoorwegbrug, 11 januari 2009, 18.30

Wintermaan

15 comments
winter vorst maan foto Maria Trepp

winter vorst maan foto Maria Trepp

8 januari voor mijn huis

9 januari Cronesteyn

10 januari, Cronesteyn: maanlicht, witte ganzen, meerkoeten

Winter in Leiden zie ook:

Sneeuwslangen, schaduwslangen, droomslangen, zandslangen
Leiden in zwart/wit..sneeuw op de Begraafplaats Groenesteeg..
Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus
Door het ijs gezakt: Georg Heym
Wintermaan

Winter, rijp en zon in de Leidse Hortus fotografie

10 comments
Rijp vorst bloemen foto Maria Trepp Hopbel

Rijp vorst den foto Maria Trepp

Rijp vorst den foto Maria Trepp

Oostenrijkse den

Rijp vorst bloemen zon foto Maria Trepp

Rijp vorst bloemen zon foto Maria Trepp

Blauwe regen

Meer foto’s plus muziek op You Tube

De spiegelingen van Foucault-Velazquez

20 comments

Voor deel drie in de Foucault-discussie heb ik een kort hoofdstuk uit Foucaults boek  “De woorden en de dingen” gelinked, dat gaat over het schilderij “De hofdames” (Las meninas) van Velazquez.

Dit heb ik gedaan omdat ik graag verder wil met deel drie van het door Arjan Fernhout gestimuleerd debat, maar omdat ik toch ook iets voor de ogen en het gevoel zocht, en niet alleen voor het verstand.

Het Foucault -debat dreigt anders te droog te worden.

Ook is het Velazquez-schilderij – dat ik eerder niet kende – hoogst intrigerend, en schrijft Foucault hier bijzonder goed over.

Ik heb vaak moeite om Foucault te begrijpen, ik en vind hem vaag, op het idealistische af. Maar als zijn woorden aan een empirische realiteit gebonden zijn, zoals het hier in de interpretatie van dit schilderij het geval is, kan ik hem beter begrijpen.

Het werd vaak gezegd, dat de postmoderne denkers zoals Foucault zich tussen wetenschap en kunst bevinden. Tussen wetenschap en kunst, dat kan een probleem zijn, namelijk als het geheel noch het een noch het ander is.
Maar Foucaults keuze voor dit schilderij en zijn interpretatie, die bevallen mij zeer, alsmede de conclusie dat subject en object van plaats kunnen wisselen en vaak niet absoluut gescheiden zijn. ( Ina Dijstelberge: “Ander ben ik”)

Hier een paar citaten uit/ parafraseringen van Foucaults interpretatie (voor wie het niet allemaal zelf wil lezen):

“De schilder staat een klein stukje terug van het schilderij. Even kijkt hij op naar het model; misschien wil hij nog een laatste streek neerzetten, maar het is ook mogelijk dat de allereerste nog niet op het doek is geplaatst. De arm, waarmee hij zijn penseel vasthoudt, is wat naar links gebogen, in de richting van het palet; voor een kort ogenblik bevindt hij zich daar tussen het doek en de verschil­lende kleuren verf, onbeweeglijk. Die bekwame hand daar wordt in spanning gehouden door de blik; en omgekeerd rust de blik ge­spannen op de onderbroken beweging van arm en hand. Tussen het puntje van het penseel en het staal van de blik zal het schouwspel straks zijn ganse omvang uitbreiden.

Maar niet zonder een verfijnd systeem van ontsnappingsmogelijk­heden. Doordat de schilder een weinig afstand heeft genomen is hij vlak naast het doek waaraan hij bezig is komen te staan. Dat wil zeggen, dat hij voor de toeschouwer die nu naar hem kijkt, rechts staat van zijn schilderij, dat de uiterste linkerzijde geheel in beslag neemt. Het schilderij keert diezelfde toeschouwer de rug toe; je kunt er alleen de achterkant van zien, en ook het enorm grote hou­ten raam waarop het is gespannen. De schilder daarentegen is, in zijn volle lengte, zeer duidelijk zichtbaar; hij is in elk geval niet gemaskeerd door het hoge doek, dat hem straks wellicht geheel zal verbergen als hij een pas vooruit zal doen om weer aan zijn werk te gaan; hij is waarschijnlijk eerst éven tevoren in het gezichtsveld van de toeschouwer verschenen, toen hij tevoorschijn kwam uit die imaginaire kooi, die het oppervlak dat hij bezig is te beschilderen achterwaarts projecteert. Nu is hij een ogenblik opgehouden en ge kunt hem daar, in het neutrale midden van die slingering, zien staan. Zijn donkere gestalte en zijn lichte gelaat zijn halverwege het zichtbare en het onzichtbare: nu hij van achter dat, voor ons on­Zichtbare, doek vandaan komt, duikt hij even op voor onze ogen; maar wanneer hij zo dadelijk een pas naar rechts zal doen, waar­door hij aan onze blik wordt onttrokken, zal hij recht tegenover het doek dat hij bewerkt komen te staan; dan zal hij in de strook terecht komen, waar zijn schilderij, dat een ogenblik aan zijn aandacht ont­snapt is, weer zonder donkerte of verzwegen geheim voor hem te zien zal zijn. Alsof de schilder niet gelijktijdig gezien zou kunnen worden op het schilderij waarop hij is afgebeeld, en: zélf het schilderij zien, waarop hij bezig is iets af te beelden. Hij heerst op de drempel van die twee niet met elkaar te rijmen zichtbaarheden.

Daar staat de schilder te kijken, met zijn gelaat enigszins afge­wend en met zijn hoofd naar de schouder toe gebogen. Hij kijkt naar een punt dat niet zichtbaar is, maar dat wij, toeschouwers, gemakkelijk kunnen aangeven. Want dat punt, dat zijn wijzelf: ons lichaam, ons gelaat, onze ogen. Dat, wat hij waarneemt, is dus tweemaal onzichtbaar: omdat het niet in de ruimte van het schil­derij staat afgebeeld, én omdat het zich nu juist daar bevindt, waar die blinde vlek aanwezig is, daar in die essentiële schuilhoek waar voor onszelf onze blik verdwijnt op het ogenblik waarop wij kijken.
[….]

Geen enkele blik is stabiel of, beter gezegd, in het neutrale spoor van de blik, die dwars door het doek heengaat, wisselen subject en object, toeschouwer en model, eindeloos van rol.
[..]

Worden we gezien, of zien we zelf?

[Achter in de kamer hangen schilderijen en een spiegel]

Deze weerspiegelt inderdaad niets van hetgeen zich in dezelfde ruimte als hijzelf bevindt: noch de schilder die hem de rug toekeert, noch de in de kamer aanwezi­ge personen. Het is niet iets zichtbaars, wat hij daar in zijn heldere diepte weerspiegelt. In de Nederlandse schilderkunst was het ge­woonte, dat spiegels een verdubbelende rol speelden: ze herhaalden, wat reeds een eerste maal op het schilderij aangegeven was, maar dan binnen een irreële, gewijzigde, meer beperkte en even gebogen ruimte. Er was hetzelfde op te zien als wat in eerste instantie op het schilderij stond, maar dan uit de compositie gelicht en opnieuw ge­componeerd volgens een andere wet. Hier zegt de spiegel niets van wat reeds is gezegd.
[…]

Maar die spiegel [op dit schilderij] laat niets zien van wat het schilderij zelf voorstelt. Zijn bewegingloze blik zal ergens vóór het schilderij, in die noodzakelijkerwijs onzichtbare strook die er de buitenkant van vormt, de personen die daar zijn geplaatst, gaan bevatten.
[….]

Het schilderij in zijn geheel kijkt naar een toneel waarvoor het, op zijn beurt, ‘to­neel’ is. De kijkende en bekeken spiegel openbaart zuivere weder­kerigheid.


[…En wie zijn de toeschouwers, die in de spiegel te zien zijn, en die tegelijk bekeken worden door de figuren op het schilderij?]

Het zijn de vorst en zijn ge­malin. …Je kunt ze achterin het schilderij ontwaren in de gestalte der twee sil­houetjes die de spiegel doen opglanzen.”

De toeschouwer van het schilderij valt samen met de vorst en de vorstin, en met de schilder Velazquez zelf.


Een intrigerende interpretatie, die wij kunnen gebruiken om deel 3 van het Foucault-debat van stapel te laten gaan.

zie ook

Michel Foucault: Free Lectures on Truth, Discourse & The Self

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief