Voordat mijn zus en ik vandaag werden weggewaaid en -geregend van de Leidse stoffenmarkt

zijn we nog langs een paar idyllische Leidse hofjes geweest waar nog bloemen in vele kleuren te zien zijn.



Voordat mijn zus en ik vandaag werden weggewaaid en -geregend van de Leidse stoffenmarkt

zijn we nog langs een paar idyllische Leidse hofjes geweest waar nog bloemen in vele kleuren te zien zijn.



Als onderdeel van de tentoonstelling “Beeldenstorm” laat museumgoudA voor het eerst een keuze zien uit Sooreh Hera’s gewraakte fotoserie Adam & Ewald. Mooie, sfeervolle en interessante foto’s die blijkbaar getoond kunnen worden zonder veel bewaking.
Maar de tentoonstelling in Gouda biedt veel meer dan Sooreh Hera. Er is een grote variatie aan moderne beeldenstormen te zien, waarbij gekken die kunstwerken verstoren naast religieuze fanaten staan; grote kunstenaars naast twijfelachtige gevallen en politieke acties naast dada. De tentoonstelling is dus veel meer een oproep om zelf verder te gaan met verdieping en onderzoek, dan dat er verdieping en analyse wordt geboden. Deze ontbreekt in feite.
Mij stoort dat helemaal niet; ik vindt het thema zeer interessant en ook het aangeboden materiaal.
Wél heb ik een spectaculair geval van recente beeldenstorm gemist: de Israelische ambassadeur in Stockholm Zwi Mazel, die in 2004 probeerde “Sneeuwwitje en de Krankzinnigheid van de Waarheid” te vernielen, gemaakt door Dror Feiler. Dit kunstwerk bestaat uit een scheepje met een foto van aanslagpleegster Hanadi Jaradat dat rondvaart in een badje met roodgekleurd water. De Israelische premier Ariel Sharon juichte toen Mazels actie toe.
Hier een keuze uit de thema’s in Gouda:
- Robert Rauschenberg bij Willem de Kooning. Rauschenberg heeft een van De Koonings werken uitgewist met een gum, en zo een nieuw kunstwerk gecreëerd.
- Amerikanen en Irakezen; het standbeeld van Saddam Hussein
- De Russische kunstenaar Alexander Brener die in 1997 groene graffiti en dollarteken sprayde op het schilderij “Suprematisme” van Malevich, als een poging tot dialoog met de kunstenaar.
Een daad tussen vandalisme en performancekunst…..
- Chisto en Jean Claude, Verpakking van de Reichstag in 1995, als kortstondig iconoclasme.
- Marcel Duchamps Mona Lisa met snor: kunst wordt van het voetstuk gebracht.
- de verstoring van Barnett Newmans “Who’s afraid of Red, Yellow and Blue III”
- Afghaanse Talibaan die de ‘Boeddha’s van Bamiyan’ uit de zesde eeuw vernielden, als daad tegen vermeende afgoderij.

Overigens kent ook Leiden een nieuw en ietwat hilarisch geval van beeldenstorm: een houten Venusbeeld in het Plantsoen, dat recentelijk werd onthoofd.

Zie ook het kader rechts met links naar mijn eerdere “Beeldenstorm”-blogs
en zie ook het virtuele Museum voor kwetsende kunst.
Ach wat zijn het toch vrolijke tijden voor linkse mensen!
Mijn dag kon niet meer stuk nadat ik vanochtend bij de koffie las dat VVD-prof Frank Ankersmit inmiddels Naomi Klein aanbeveelt:
“[..] Erkend moet worden dat wat we nu meemaken in de afgelopen jaren door diverse auteurs vrij precies is voorzien, terwijl dat werd afgedaan als linkse paranoia. Het valt niet meer te ontkennen dat het toch iets anders zit. ‘Het beste voorbeeld vind ik Naomi Kleins De shockdoctrine uit 2007. De crisis wordt voornamelijk besproken in economische termen, maar Klein benadrukt terecht dat er een politieke dimensie is, en betoogt dat het financiële kapitalisme verantwoordelijk is voor de oorlog in Irak.”
Gelijk hebt u, Ankersmit! Snel nog even nagelezen wat Naomi Klein zei over het kapitalisme en Irak:
“[...] Wat Irak na de val van Saddam Hoessein nodig had en verdiende, was dat het hersteld en verenigd werd, een proces dat alleen door Irakezen zelf geleid kon worden. In plaats daarvan werd het land precies op dat precaire moment getransformeerd tot een meedogenloos kapitalistisch laboratorium – tot een systeem dat individuen en gemeenschappen tegen elkaar uitspeelde, dat honderdduizenden banen en manieren van levensonderhoud elimineerde en dat de zoektocht naar gerechtigheid verving door algehele straffeloosheid voor buitenlandse bezetters.
De rampzalige staat waarin Irak tegenwoordig verkeert kan niet worden teruggevoerd op de incompetentie en de vriendjespolitiek binnen het Witte Huis onder Bush, noch op het sektarisme ofhet tribalisme van de Irakezen. Het is een bij uitstek kapitalistische ramp, een nachtmerrie van onbeteugelde hebzucht, die in de nasleep van de oorlog is ontketend. Het ‘fiasco’ van Irak is geschapen door de nauwgezette, getrouwe en ongeremde toepassing van de ideologie uit de Chicago School. Hieronder volgt een eerste (en niet uitputtende) beschouwing van de verbanden tussen de ‘burgeroorlog’ en het corporatistische project dat zo’n wezenlijk onderdeel van de invasie vormde. Het is een proces waarin de ideologie zich als een boemerang keerde tegen de mensen die haar ontketende – een ideologische terugslag. [...] ” De Shockdoctrine p 436.
In een interview met NRCnext zei Naomi Klein een jaar geleden, op 30 oktober:
“[Toon Beemsterboer]: In uw boek beschrijft u dat grote bedrijven en instellingen economische crises aangrepen om een neoliberaal beleid op te leggen aan ontwikkelingslanden. Het klinkt als een samenzwering.”
“[Naomi Klein] Dat is het niet. Het is een optelsom van toevalligheden en slecht beleid. Ik citeer in mijn boek de beleidsmakers zelf – niet mijn linkse vrienden, maar topbestuurders en topeconomen bij de Wereldbank, het IMF en Harvard. Uit hun uitspraken blijkt dat er geen samenzwering, maar wel een tactiek zat achter het idee om economische schokken en crises te gebruiken om landen een neoliberaal model op te leggen. De shock doctrine is hún doctrine. Dat is de kern van wat ik het rampkapitalisme noem.”
En tegen Marc Leijendekker van de NRC zei zij op 20 oktober vorig jaar:
[vraag] “U wordt wel verweten dat u het kapitalisme over één kam scheert. Alsof het model van Friedman en de Washingtonconsensus het enige model zijn.”
[Klein] “Dat heb ik nooit gezegd. Ik praat nooit over een systeem zonder markt. Waar het mij om gaat is het contrast tussen het fundamentalistische kapitalisme en het keynesiaanse model van een gemengde economie. In bijna alle landen blijken mensen een gemengde economie te willen. Ze willen winkelen, kunnen consumeren – niemand wil meer in een communistische staat leven. Maar ze willen ook gezondheidszorg, onderwijs dat voor iedereen toegankelijk is, een regeringsbeleid dat rekening houdt met het milieu. Daar moet het over gaan.”
[vraag] “Dan bent u het vast eens met de Amerikaanse filosoof Michael Walzer, die het marktdenken buiten publieke goederen als onderwijs en zorg wil houden.”
[Klein] “Precies. Mijn familie is eind jaren zestig vanuit de Verenigde Staten naar Canada gegaan omdat mijn vader niet naar Vietnam wilde. We zijn daar gebleven omdat het een decentere samenleving is. Er is minder ongelijkheid, minder hardvochtigheid, er zijn minder superrijken en de publieke gezondheidszorg is veel beter. Dat is helemaal geen Utopia, maar een land waar gewoon andere keuzes zijn gemaakt.”
……………………………………….
Zo slecht nog niet in Nederland.. … en gelukkig staan de Reagan-, Bush- and Thatcher-vrienden van de Leidse Edmund Burke Stichting, voorvechters van de vrije markt, van de Irak -oorlog en verdedigers van marteling er nu met een mond vol tanden.
zie ook mijn blog Robert Kaplan versus Naomi Klein over “distaster capitalism”
“De herfstmaan is de herfstmaan van weleer.
Hoe wreed de nevels die mij haar niet laten zien.”
Het was volle maan gisteren maar zij was achter wolken verborgen net zoals dit versje het beschrijft uit ‘Het verhaal van Genji’.
In het Leidse Sieboldhuis is tot 22 oktober een tentoonstelling te zien met Japanse prenten, manga en vertalingen rondom 1000 jaar ‘Vertelling van Genji’.
De vertelling van Genji is één van de belangrijkste culturele iconen van Japan door de eeuwen heen, en zonder twijfel het beroemdste meesterwerk uit de Japanse literatuurgeschiedenis. Precies duizend jaar geleden maakte de schrijfster van dit klassieke verhaal, de hofdame Murasaki Shikibu, in haar dagboek voor het eerst melding van haar Genji [ =de 'schitterende prins'] aan het keizerlijk hof. Poezie, schilderkunst, prenten, commentaartradities hebben zich in Japan vele eeuwen lang gericht op Genji – de schitterende prins- , en op Murasaki, de hofdame die dit verhaal schreef.
[Zie ook uitvoerig op Wikipedia over The Tale of Genji. ]
Het verhaal van Genji is in het Nederlands verschenen in een vertaling van H.C. ten Berge, titel “Avondgezichten”.
De maan komt er heel veel en vaak kijken in dit verhaal.
Hier een paar van de mooie illustraties uit het Sieboldhuis.

Schrijfster Murasaki in gedachten verzonken aan haar schrijftafel terwijl de maan zich weerspiegelt in het water.

Prins Genji en de herfstmaan

Hofdames en de herfstmaan
Ten slotte hier een kimono waarop het hele verhaal van Genji is afgebeeld:

‘De Japanse kunst is iets als de primitieven, als de Grieken, als onze oude Hollanders, Rembrandt, Potter, Hals, Vermeer, Van Ostade, Ruisdael. Dat kent geen einde.’
Vincent van Gogh aan zijn broer Theo, Arles, 15 juli 1888
23.09.11_15.01.12 in het Van Goghmuseum Amsterdam
Geïnspireerd door Mondriaans molen met maan, die op dit moment in het Gemeentemuseum in Den Haag te bewonderen is (tot 26 oktober) heb ik Leidse molens gefotografeerd samen met de maan, voor mijn nieuwe maan-blog (morgen is het volle maan).

Mondriaan, Oostzijdse molen, 1907
Broekdijkmolen, Warmond

Boterhuismolen, Warmond

Hier mijn diashow met meer foto’s, behalve van de bovenstaande ook van de Maredijkmolen; Molen De Valk en Molen De Put .

slang Schlang snake close-up Masticophis_taeniatus_taeniatus
T71024 wikimedia commons klik 2 keer om te vergroten
2
3

slang Schlange snake close-up Green_Mamba
http://www.flickr.com/photos/57361659@N02/5285694943 wikimedia commons
4

slang Schlang snake close-up Middle_American_Burrowing_Snake_
foto Cole Wolf from Albuquerque, NM, USA wikimedia commons
5

slang snake Schlange Achalinus_formosanus_formosanus_close-up
foto http://www.flickr.com/people/92403773@N00 wikimedia commons
In het Museum Beelden aan Zee is een overzichtstentoonstelling te zien van de beroemde Oostenrijkse beeldhouwer Fritz Wotruba (1907-1975).
“In zijn werk concentreerde Wotruba zich op het menselijk lichaam, waarbij hij de psychische gelaagdheid van de mens voorrang gaf boven de lichamelijke realiteit. Hij gebruikte daarbij die materialen waarmee hij zijn gedachten het beste tot uitdrukking kon brengen. Vaak begon hij met het ruw werken in kalksteen en daarna in marmer tot hij de juiste verhoudingen in het lichaam gevonden had. Later maakte hij dan een kleimodel, dat in brons kon worden gegoten.
In de tentoonstelling wordt speciale aandacht besteed aan de relatie van Wotruba met Nederland.”
Ik ken Frits Wotruba eigenlijk alleen maar uit de beroemde dagboeken van Elias Canetti, en dan uit de bundel Das Augenspiel/Het ogenspel. Canetti schrijft in een intens hoofdstuk over zijn relatie met Frits Wotruba, die hij als een “tweelingsbroer” beschouwt.
Canetti beschrijft in dit hoofdstuk uit de herinnering een beeld van Wotruba, “het zwarte staande beeld”. Dit beeld bestaat niet meer, maar ik heb op internet de reproductie van een oud foto gevonden. Klik door op deze link en dan op “full vision”, om het beeld nog beter te kunnen zien (kan ik niet kopieren…)
Canetti schrijft over dit beeld (dat hij dus alleen voor zijn geestesoog had toen hij schreef [!]):
“Onder het viaduct van het stadsspoor, waar zich het atelier [van Wotruba] bevond, zag ik bij mijn eerste bezoek het grote staande beeld van een man uit zwart basalt. Van geen enkele levende beeldhouwer had mij een werk ooit zo diep getroffen. Ik stond ervoor en hoorde de stadstram over het viaduct rijden. Ik hoorde die een paar keer, zo lang stond ik ervoor. Ik kan in mijn herinnering het beeld en dat geluid niet van elkaar scheiden. Het was, een langdurig, zeer zwaar werk, onder deze geluiden hier ontstaan. Er waren genoeg andere beelden te zien, zij het ook niet te veel. Het atelier maakte geen volgestouwde indruk, het bestond uit twee grote bogen van het stadsspoorviaduct, in de ene boog stonden beelden die hem bij zijn werk in de andere zouden hebben gehinderd. Als het weer niet te slecht was, werkte hij het liefste buiten. In het begin voelde ik mij door de soberheid van de lokaliteit en het lawaai van de treinen afgestoten, maar omdat er niets overtolligs te zien was, omdat alles wat zich hier ook maar bevond je aantrok en van belang was, raakte je er al snel gewend en merkte je dat het de juiste plaats was, hij had niet geschikter kunnen zijn.
Ik bekeek echter vrijwel niets nauwkeurig genoeg, hoewel ik er prijs op stelde de kunstenaar eer te bewijzen, want het ‘zwarte staande beeld’, zoals wij hem sindsdien altijd noemden, liet mij niet los. Het was net alsof ik alleen om zijnentwil was gekomen. Ik probeerde mij aan hem te ontrukken, hij sloeg mij met stomheid en ik moest toch iets zeggen. Maar waar ik ook ging staan, wat ik ook in het oog probeerde te vatten, toch keerden mijn blikken terug naar het ‘zwarte staande beeld’, en zo zag ik hem van alle mogelijke kanten en bewees ik hem met mijn zwijgen, waarmee hij me had aangestoken, de hoogste eer.
Dit beeld is verdwenen. Het was tijdens de oorlog, zoals Wotruba me vertelde, in de grond verborgen en werd later niet meer gevonden. Het was veel bekritiseerd en het is mogelijk dat hij er niet meer achter wilde staan. Misschien beklemde hem later, toen de emigratie ons scheidde- hij woonde in Zwitserland, ik in Engeland-, de herinnering aan de hartstocht die ik voor dat beeld had opgevat, en aangezien hij in de emigratie geheel andere wegen was gegaan, wilde hij bij zijn terugkeer naar Wenen niet aansluiten bij een werkstuk dat hij als vijfentwintigjarige had gemaakt. [...]
Wat je op het ‘zwarte staande beeld’ zou kunnen aanmerken daarvan ben ik mij nu duidelijk bewust. Ik kan daarom alleen; spreken over de belevenis van die eerste dag. Het beeld, dat zwart en meer dan levensgroot voor je stond hield een hand, de linker, achter zijn rug verborgen. De bovenarm stond opmerkelijk ver van het lichaam af, in een rechte hoek op de onderarm. Op die manier stak de elleboog krachtig van het lichaam af, alsof hij zich erop voorbereidde om iedereen die, te dichtbij kwam weg te duwen. De lege driehoek tussen de, borst en de beide delen van de arm, de enige opvallende leegte die dit beeld vertoonde, had iets dreigends: het betrof de vraag naar de hand die niet te zien was, die je graag zou zijn gevolgd. Het was net of die verstopt was, en niet afgehakt. Je durfde niet naar de hand te zoeken, de ban, waarin je verkeerde, verbood je je standplaats te verlaten. Voordat je tot zoeken overging, waar! het wel van komen moest, overtuigde je je van de zichtbaarheid, van de hand. Aan de rechterkant heerste vrede. De rechterarm lag languit tegen het lichaam gestrekt, de open hand reikte tot vlak bij de knie, zij scheen rustig en zonder enigerlei vijandige, bedoeling. Zo rustig was zij dat je aan haar niet dacht, omdat de i andere hand zich op zo’n opmerkelijke wijze aan het oog onttrok.
De bol van het hoofd rustte op een sterke hals die naar boven toe wat smaller toeliep, anders was hij breder dan het hoofd geweest. Het smalle gezicht naar voren afgeplat, bij alle vereenvoudiging meer gezicht dan masker, ongenaakbaar en zwijgend, de gleuf van de mond krachtig en pijnlijk gesloten om geen bekentenis te laten ontsnappen. Borst en buik in duidelijke segmenten onderverdeeld, even plat als het gezicht, door sterke cilindrische schouders overheerst, de kniepartijen bijna tot halfbollen verdikt, de grote voeten duidelijk naar voren geplaatst, naast elkaar, vergroot en onmisbaar voor de last van dit basalt; het geslacht niet verborgen en niet storend, het minst onderworpen aan een eigen vormgeving.
Maar er kwam het ogenblik dat je je losrukte, op zoek naar de aan het oog onttrokken hand. Je vond haar -onverwachts- dwars en enorm over het onderste gedeelte van de rug uitgestrekt, met de bal van de hand naar buiten gekeerd, méér dan levensgroot ook bij dit beeld vergeleken, en het is waar dat ik schrok van de kracht van die hand. Je kon haar niets kwaads ten laste leggen, maar zij was tot alles in staat. Tot de dag van vandaag ben ik ervan overtuigd dat het beeld is ontstaan omwille van die hand en dat hij, die haar uit het basalt hakte, de hand moest verbergen, omdat zij oppermachtig was, en dat de mond, die niet wilde spreken, haar verzweeg en de elleboog, die dreigend naar buiten was gekeerd, de toegang tot haar beschermde.
Ontelbare keren was ik in het viaduct. Mijn passie voor dat beeld werd de kern van onze vriendschap. Ik keek naar Wotruba’ s hand wanneer hij aan het werk was en hield dat net als hij urenlang vol. Maar hoe opwindend het nieuwe ook altijd was waaraan hij op dat moment werkte, ik wendde mij nooit tot hem zonder het ‘zwarte staande beeld’ eerst mijn respect te betuigen. [...] ”
Canetti heeft Wotruba uitgebreid beschreven (lees het hoofdstuk zelf), maar Wotruba heeft blijkbaar Canetti niet geportretteerd. Daarentegen heeft hij Robert Musil, een vriend van hem en van Canetti, geportretteerd en dit beeld is ook in het Museum Beelden aan Zee te zien.

Toen ik afdaalde naar de kelder van het Catharijneconvent in Utrecht om de Engelen-tentoonstelling te bezoeken zag ik in het trappenhuis een kwal aan mij voorbijzwemmen, en wel in het glas-in-lood-raam daar in het trappenhuis.
Ik dacht: “Hé, dat heb ik al eerder gezien, dat is toch die Marc Mulders met zijn kwallen!
Een check op internet gaf me gelijk: De belijdende katholiek Marc Mulders heeft in opdracht van Museum Catharijneconvent dit glas-in-loodraam gemaakt. ” ‘Apocalypse’ is een hoogstaand en dramatisch werk met vele sprekende elementen. De kunstenaar verwijst juist naar de actualiteit. Voor hem weerspiegelt het kunstwerk de dramatische en onzekere tijd waarin wij nu leven. Dit laat hij zien door afbeeldingen van overlevenden van de aanslagen in Londen en Madrid op te nemen in het raam. Zij worden getroost door engelen. ..[...] “
Over de kwal wordt op internet niets gezegd, maar alle mensen die nu nog naar de Engelen-tentoonstelling gaan, maak alsjeblieft een bewijsfoto voor mij (of misschien moet ik zelf nog een keer gaan, ik heb veel gemist).
Maar goed, ik heb inzake de katholiek Marc Mulders en de kwal sowieso nog andere bewijzen in huis!
Marc Mulders heeft een grote tentoonstelling in het Museum De Pont, samen met Claudy Jongstra, Mapping out paradise,”een zaalvullende installatie waarin gebrandschilderd glas, draperieën van vederlicht vilt en grote fotocollages visueel en inhoudelijk een verbond met elkaar aangaan” (nog te zien tot 16 november).
Hun paradijs heeft me in principe goed bevallen.
Wat mij daarentegen niet bevalt is hun mondelinge en schriftelijke toelichting bij hun paradijs: “Beide kunstenaars zien het als hun taak optimistische beelden de wereld in te sturen. Naar hun overtuiging hebben onrust en provocatie, in het verleden karakteristieken van de avant-garde, hun langste tijd gehad”. De christelijke beeldtraditie vormt voor hen een tegengif tegen de huidige “decadentie”. Hun kunstwerk is de belichaming van positieve, helende krachten.
Ook al ben ik in de laatste tijd zelf behoorlijk positief op mijn blog, en zijn veel oude fans zeer teleurgesteld in mij: dit gaat mij te ver en ik begin allerlei decadente gedachten te krijgen bij zo veel zoetsappigheid.

Helaas is de glazen kwal bij Mulders geen vrolijke kwal, maar hoort zij voor hem bij de onderaardse kwaadaardige stromen die alles vergiftigen.
Dus kwal= hel voor Mul.
Makkelijk te onthouden.
Mulders, kwal en engelen zweven niet alleen door het Utrechtse trappenhuis, nee, Mulders hangt ook met een engel in de Engelen-tentoonstelling (maar niet met een kwal). Terwijl ik de bloemenengel van Huub Kortekaas van ontroerend mooi vond, kan ik met Mulders’ kitsch-bloemenengel niets, en al helemaal niet met de Mulderssche toelichting:
“Als tegenwicht voor het ongerijmde geweld in de wereld is er een enorme behoefte aan schoonheid.”

Hier kan ik niet tegen, geef mij maar de prikkelende schoonheid van een kwal…. en scherpe politieke analyse en provocerende actie in plaats van helende engelen.
Engelen, als half-menselijke wezens, maar dan zonder aardse eigenschappen, zijn mij buitengewoon onsympathiek.
Ik heb geen behoefte aan een boodschapper uit hogere sferen. Het geloof in beschermengels (door mijn moeder met bijzonder grote ijver verkondigd) vind ik aanstotelijk: wie ziek wordt of een ongeval krijgt had dus minder bescherming van de heer???
De grote tentoonstelling in het Utrechtse Catharijneconvent “Allemaal engelen” (zie ook Kees Smit) roept bij dan ook zeer gemengde gevoelens op, en dan zeker de inleidende mededeling, dat “engelen bezig zijn om een plaats te verwerven in onze postmoderne maatschappij”.
Wél vind ik het zeer interessant om de cultuurgeschiedenis van de engelen de volgen.
In Utrecht komt niet alleen de christelijke, maar ook de islamitische traditie aan bod. Ook werd in Utrecht mijn persoonlijke vraag beantwoord hoe het kan, dat mij thuis, in een Luthers domineesgezin, aan één stuk door over engelen gepraat werd, terwijl engelen toch heel erg op heiligen lijken – tenslotte ook een mengeling van god en mensen, maar helemaal taboe voor protestanten.
Het antwoord is dat ten eerste de engelen overal in de bijbel voorkomen, ook in het Nieuwe Testament (Paulus!), en ten tweede, dat Maarten Luther persoonlijk had verkondigd dat elk kind een beschermengel had. En inderdaad, bij mij thuis was het altijd de beschermengel die ter sprake kwam. Bij elk ongeluk dat ik had: van de boom gevallen of van de afvalcontainer gevallen met operatie respectieve hersenschudding als gevolg, werd uitgebreid op ingegaan wat er wel allemaal ZONDER mijn beschermengel was gebeurt.
Nou, vorig jaar toen ik op mijn fiets van een 80-jarige tante werd aangereden en mijn pols dubbel brak heeft mijn beschermengel ook goed opgelet, anders was ik nu dood.
Mijn sympathie geldt de gevallen engelen en de imperfecte engelen. Deze komen in Utrecht ook, zij het zijdelings, aan bod.
Hier een citaat en twee prachtige engelen van Lucebert:
“alleen waadt een engel
door een vijver vol vuilnis
en kust het kristallen hart”

Lucebert, Oude engel (1986)

Lucebert, Nachtengel (1990)
Hier meer schilderijen van Lucebert
Van Marc Chagall zijn er meerdere schilderijen/illustraties te zien, maar Paul Klee, op het gebied van engelen en moderne kunst zo ongeveer de belangrijkste naam, is geheel afwezig (over de engelen van Klee zal ik nog schrijven).
Een heel erg mooie engel, die als bloemenengel zowel het aardse alsook het hemelse in perfect in zich combineert, zit op straat voor het convent: “Zittende engel” (2002/3) van Huub Kortekaas.

Huub Kortekaas, “Zittende engel” (2002/3)
Bertolt Brechts toneelstuk “Leben des Galilei” draait om de telescoop.
Brechts stuk is geschreven met de hulp van historische documenten en geeft een aardige samenvatting en overzicht over de gebeurtenissen. Brechts Galilei maakt, net als de echte, slim gebruik van de Hollandse uitvinding – zowel technisch alsook commercieel.
Brechts Galilei:
“Ik heb het onbeschrijflijke geluk gehad een nieuw instrument in handen te krijgen, waarmee een tipje van de sluier van het universum kan worden opgelicht .”
Galilei was niet de eerste die probeerde de telescoop te gebruiken voor astronomisch onderzoek, maar de eerste die dit met succes deed.
In zijn boek Sidereus nuncius “Sterrenbode” van 1610 gaf Galilei een verslag en tekeningen van zijn ontdekkingen met de verrekijker.
Hier een van Galileis mooie tekeningen van de maan:

Brecht heeft Galileis tekst over zijn revolutionaire ontdekkingen omgezet in een dialoog.
Galileis vriend Sagredo ziet de maan door de kijker:
“SAGREDO (door de telescoop kijkend, halfluid) De sikkelrand is volkomen onregelmatig, gekarteld, oneffen. Op het donkere gedeelte, vlakbij de lichte rand, zijn lichtere plekken. Ze komen de een na de ander te voorschijn. Van daaruit kruipt het licht langzaam in de richting van de grotere lichtgevende helft, waar het ten slotte mee samenvloeit.
GALILEI Hoe verklaar je die lichtvlekken voor jezelf?
SAGREDO Maar dat kan niet.
GALILEI Toch is het zo. Het zijn bergen.
SAGREDO Op een ster?
GALILEI Reusachtige bergen. Waarvan de toppen door de opgaande zon verguld worden, terwijl het rondom, op de berghellingen, nog nacht is. Je ziet het licht van de hoogste toppen naar de dalen om- laagkruipen.
SAGREDO Maar dat is in tegenspraak met tweeduizendjaar astronomie.
GALILEI Zo is het. Wat je ziet heeft buiten mij nog geen mens gezien. Jij bent de tweede.
SAGREDO Maar de maan kán geen aarde zijn met bergen en dalen, net zo min als de aarde een ster kan zijn.
GALILEI De maan kán een aarde zijn met bergen en dalen, en de aarde kán een ster zijn. Een doodgewoon hemellichaam, één onder duizenden. Kijk nog eens. Is de donkere helft van de maan volslagen donker?
SAGREDO Nee. Nu ik erop let, zie ik dat er een zwak, askleurig licht over valt.
GALILEI Wat kan dat voor licht zijn?
SAGREDO …
GALILEI Het komt van de aarde.
SAGREDO Dat is onzin. Hoe kan de aarde licht geven met al zijn gebergten en bossen en zeeën, een koud hemellichaam?
GALILEI Zoals de maan licht geeft. Omdat die twee sterren allebei beschenen worden door de zon, daarom geven ze zelf licht. Wat de maan voor óns is, dat zijn wij voor de maan. En hij ziet ons één keer als sikkel, één keer als een halve cirkel, één keer vol en één keer helemaal niet .
SAGREDO Dan zou er dus geen verschil tussen de maan en de aarde zijn?
GALILEI Blijkbaar niet. ”
—————————————————————————
En over de manen van de Jupiter, door Galilei ontdekt, maakt Brecht deze dialoog:
“GALILEI Sagredo, ik vraag me af. Sinds eergisteren vraag ik ‘t me af. Daar heb je Jupiter. (hij stelt de kijker in) Er staan namelijk vier kleinere sterren vlakbij hem, die je alleen door de kijker kan zien. Ik zag ze maandag, maar nam niet speciaal notitie van hun stand. Gisteren keek ik weer naar ze. Ik had kunnen zweren, dat ze alle vier anders stonden. Ik heb hun stand genoteerd. En ze staan wéér anders. Wat is dat? Ik zag er toch vier. (opgewonden
Kijk zelf!
SAGREDO Ik zie er drie.
GALILEI Waar is de vierde? Daar zijn de tabellen. We moeten uitrekenen, wat voor baan ze beschreven kunnen hebben.
Ze gaan opgewonden aan het werk. Het wordt donker op het toneel, men blijft echter aan de ronde horizon Jupiter en zijn begeleidingssterren zien. Als het weer licht wordt, zitten ze nog steeds aan tafel, hun winterjassen aan.
GALILEI Het is bewezen. De vierde kan alleen achter Jupiter verdwenen zijn, waar je hem niet kan zien. Daar heb je nu een ster, waar een andere omheen draait. ……”
Hier Galileis originele aantekeningen:

—————————————————————————-
In scene 4 bij Brecht probeert Galilei vergeefs de Florentijnse geleerden zo ver te krijgen om door de telescoop te kijken. De geleerden willen dat niet, omdat zij aan de theoretisch-theologische, on-empirische “waarheid” van Aristoteles gehecht zijn.
Brechts Galilei:
“De waarheid is het kind van de tijd, niet van de autoriteit.”
Galilei heeft uiteindelijk onder druk van de kerk afgezworen. Bij Brecht doet hij dat met de beroemde uitspraak:
“Ongelukkig het land, dat helden nodig heeft. “
Maar Galileis laatste belangrijke boek (Discorsi e dimonstrazioni matematiche intorno a due nuove scienze; Verhandlingen en wiskundige bewijzen rond twee nieuwe wetenschappen) werd het land uit gesmokkeld, naar Holland en werd in 1638 in Leiden gedrukt.
Inmiddels heeft Galilei zelfs van de kerk gelijk gekregen, die geen tegenstelling meer ziet tussen haar eigen leer en die van Galilei.