Wetenschap Kunst Politiek

Pauwbrug, pauwverhaal, pauwdroom

56 comments
Er is een brug in Leiden die heet Pauwbrug.

Ik begon foto’s te maken met de pauw op de brug
onder de noemer:
Pauw vrouw blauw!

Ik kocht pauwenveren (ik wist toen nog niet dat deze eigenlijk bij carnaval horen) ,

…kocht pauwenverenoorhangers enz.

Voor deze soort onzin heb ik echt alles over.

 

Kort daarop stond een leuk artikel in de Volkskrant over een nieuw boek over de Leidse bruggen.

 

Interessant: ‘De Pauw’ was een bierbrouwerij die ooit op de hoek van de Oude Vest en de Pelikaanstraat stond. Voor mij, altijd goed voor leven in de brouwerij, en bovendien vechtend voor de boerkaai, was dit erg belangrijke info.

 

Maar. De pauwenveren zijn in mijn huishouden erg bedreigd door het nieuwe, van blogger NN verkregen poesje Shima, die niets liever doet dan met de veren spelen.
Vandaar waarschijnlijk mijn droom die ik nog niet zo lang geleden had:

Ik zag een pauw, met opgerichte staart. De veren waren helemaal gehavend.

Wie helpt me met de interpretatie ? Geen geld voor de psychiater.

Regenboog, slang, regenboogslang

25 comments

De regenboogslang is zowel een echt bestaande slang,  alswel een fabeldier, zo meldt Wikipedia (Alib heeft me recentelijk attent gemaakt op het cultuurantropologisch boek “Enige aspecten van de regenboogslang”, een proefschrift van Leo Triebels).

Regenboog en slang zijn twee magische voorstellingen die aan elkaar verwant zijn, niet alleen door vorm en (iriserende) kleur.

Zowel regenboog alsook slang zijn verbonden met de voorstelling van een brug tussen in wezen onoverbrugbare tegenstellingen ( voor de slang als brug zie ook mijn blog over Goethes slangenspookje).

De  regenboog verbindt hemel en aarde, de slang als androgyn wezen verbindt man en vrouw, zoals op een schilderij van Augusto Giacometti.

Op het dit grote schilderij, ‘Adam und Eva’ (1910),dat ik kort geleden  in het Kunsthaus Zürich heb gezien, verbindt de slang Adam en Eva op een noodlottige manier, als een wereldslang.





Augusto Giacometti, Adam und Eva’ (1910)

Opvallend is de parallelle tussen de verbindende slang en de verbindende regenboog als men naar een andere afbeelding van Giacometti  kijkt: hier, op een kleine pastel op papier, verbindt de regenboog het mensenpaar.

Augusto Giacometti, Regenboog

Een van de leukste boeken die ik ken is ‘The rainbow bridge, rainbows in art, myth and science’, van Raymond L. Lee and Alistar B. Fraser, een boek dat zelf een brug slaat tussen natuurwetenschap en kunst.

Wisten jullie dat de regenboog een subjectief fenomeen is? Het is namelijk niet mogelijk dat twee mensen exact dezelfde regenboog zien… Erg leuk voor iedereen die denkt dat de natuurwetenschap een streng objectieve wetenschap is.

In het ‘Rainbow-bridge’ -boek wordt uitvoerig een schilderij van Rubens besproken, waar de regenboog naturalistisch, maar uit natuurwetenschappelijk gezichtspunt “verkeerd” staat afgebeeld, namelijk als een object :

Rubens, Regenboog


En ….wat is het meest karakteristiek aan de regenboog? Antwoord: niet de kleur, maar de boog.
Meret Oppenheims regenboog is dan ook een regenboog-knipoog…

Meret Oppenheim, Regenbogen (1974)

(Olie, hout, draad etc.)

De knipoog bestaat hier niet alleen in het weglaten van de boog. Ook  het feit dat de regenboog een tastbaar object is geworden, is natuurlijk een verschuiving van de “echte” regenboog naar een modern anti-naturalistisch kunstwerk.

Leuk.

Laïcité versus positieve godsdienstvrijheid

72 comments

Eén van de redenen dat Ayaan Hirsi Ali zo geliefd is in Frankrijk is vermoedelijk omdat zij een harde missionaris is van de Franse laïcité die zij dan ook graag in Nederland wil invoeren (een andere reden zou kunnen zijn dat de Fransen niet weten hoe nauw Hirsi Ali met Geert Wilders heeft samengewerkt en bijvoorbeeld samen met Wilders heeft verkondigd  dat “elementaire rechten en wetten” voor de “liberale jihad” “opzij moeten worden gezet” (NRC 12-4-2003).

Is het een goed idee de Franse vorm van secularisme, de laïcité, in Nederland in te voeren?

Ik heb al eerder over de sociaal-democratie en de religie geblogged, en heb daar ook Thijs Wöltgens genoemd die over de laïcité schrijft in zijn opstel “De staat als jaloerse god Op weg naar een staatskerk?”  ( In: ‘Ongewenste goden’, 2006)

Wöltgens begint met de Franse geschiedenis en de verhouding tussen wereldlijke en geestelijke macht.

“[…] Het lijkt wel alsof voor vele Franse republikeinen de staat zelf de belichaming is van hun wereldbeschouwing. Frankrijk heeft een mis­sie die het niet gemakkelijk verdraagt dat er ook nog andere missies zijn. Fransman zijn is geen geografische toevalligheid. Het is deelne­men aan het cultureel project van La France éternelle. Fransman wor­den betekent assimileren.

Verlichtingsadepten kijken vaak met enige jaloezie naar de Franse
laï­cité.


Het woord klinkt strijdbaarder dan de termen waarin wij, Nederlanders, de relatie tussen kerk en staat beschrijven. Toch moe­ten zij zich afvragen met wie ze zich daar identificeren. In onze canon staat de Verlichting weliswaar voor de scheiding van kerk en staat, maar in feite waren de voornaamste denkers uit die periode voorstanders van een staatskerk. Hobbes, Locke, Rousseau en zelfs Kant pleitten voor een staatsreligie. De vorm daarvan kon verschil­lend zijn: de Lutherse staatskerk, de koning als hoofd van de kerk of een’ civiele religie’. Het idee van een nationale burgerreligie bereikte een hoogtepunt bij Auguste Comte 1798-1857), die een volledig uitgewerkt ontwerp maakte van een humaniteitsreligie. In de twin­tigste eeuw heeft het atheïsme van de Sovjet-Unie de status van een staatsreligie gehad.

De scheiding van kerk en staat op basis van de Verlichting is mij om in ieder geval twee redenen te gemakkelijk. De eerste reden is dat deze scheiding wel eens meer aan het christelijke geloof dan aan de Ver­lichting te danken zou kunnen zijn. Na de Verlichting is het de staat die telkens weer greep probeert te krijgen op het geloof. In de ogen van de staat is de religie ofwel een concurrent, ofwel een instrument. De staat is een jaloerse god, die niet kan begrijpen dat een paus zonder divisies nog steeds invloed heeft. Je kunt hem niet ontwapenen – hij heeft immers geen divisies en je kunt hem niet inlijven, want zijn kerk is overal.

De tweede reden is dat zelfs een positieve beoordeling van de Ver­lichting ons nu niet meer verder helpt. Die positieve beoordeling vloeit voort uit de gedachte dat de Verlichting ons heeft bevrijd van de wereldlijke macht van de kerk. De secularisering heeft de kerk armer gemaakt, maar daarmee ook geloofwaardiger. De Verlichting als bevrijding van klerikale overheersing verdient nog steeds waarder­ing. Maar vandaag is de kerk in onze contreien geen macht meer, een klerikale carrière is allang niet meer de weg naar macht, geld en aan­zien. De kerk is sociaal gemarginaliseerd, bijna een roepende in de woestijn, waarover de echte carrièremakers alleen nog maar superieu­re ironie ten toon spreiden. Je bent wel wat laat, als je nu nog de poli­tiek probeert te bevrijden van het geloof. Juist nu de kerk machteloos is, onthult zich de ware aard van het verlichte antiklerikalisme. In feite gelooft het niet dat religieuze over­tuigingen en democratie samengaan (tenzij die religieuze overtuigin­gen zich verschuilen in de privésfeer). In dat geval is dit verlichte anti­klerikalisme zelf een religieuze overtuiging geworden. […]

[Ik heb] een andere invalshoek gekozen voor de verhouding kerk-staat dan gebruikelijk is in de politieke discussie. In die discussie speelt vooral de vraag: hoe houd ik de verschillende reli­gies binnen de grenzen van onze staatkundige uitgangspunten? Ik probeer aandacht te vragen voor het omgekeerde probleem: hoe ver­mijdt de staat dat hij stelling neemt in godsdienstige overtuigingen? Want dat vermijden is immers de vrijheid van godsdienst. Voor die vrijheid was de scheiding van kerk en staat bedoeld. Maar in de recen­te discussies wordt deze scheiding vooral gebruikt om de vrijheid van de staat te verruimen.

Wij zijn sterk op weg om van het Nederlanderschap een civiele re­ligie te maken, met een eigen canon en met vaste rituelen. Het onder­wijs moet onze kinderen voorzien van een vast rijtje vaderlandse hel­den, op te dreunen als de tafel van vier. Wij zijn bezig onze identiteit opnieuw uit te vinden, we construeren opnieuw onze volksaard, we willen ons oriënteren op typisch Nederlandse waarden.

Op die manier volgen we de Fransen en de Amerikanen. Voor hen is hun nationaliteit een soort geloof. Naturalisatie en inburgering is een vorm van bekering die geen andere loyaliteit verdraagt. De over­lapping consensus is de consensus van de bekende wereldbeschouwin­gen. De oecumene van geloven die de test van de vaderlandse ge­schiedenis hebben doorstaan. In die context spreken over herstel van waarden en normen krijgt dan gemakkelijk de betekenis van het uit­sluiten van nieuwe, geïmporteerde waarden en normen en de uitslui­ting van nieuwe geloven en hun ethische stelsels. [….]

De staat gedraagt zich alsof de mensen dankbaar moeten zijn voor de ruimte die de staat aan de godsdienst geeft – en wie geeft kan ook nemen. Wie zo denkt vergeet iets essentieels. De godsdienstvrijheid wordt niet gelegiti­meerd door de staat, maar de (rechts-)staat wordt gelegitimeerd door de godsdienstvrijheid. Die vrijheid constitueert (samen met andere grondrechten) de staat. Voor wie dit verrassend klinkt, geldt dat hij in elk geval meer staats gelovig dan gewoon gelovig is.

De meest beperkende interpretatie van de godsdienstvrijheid is dat het een negatieve vrijheid is: de vrijheid om niet lastig gevallen te worden vanwege je geloof. […] Maar zelfs deze minimale interpretatie ligt onder vuur. Want achter die voordeur gebeurt van alles: het gezin spreekt Turks, de vrouw mag geen mannen ontvangen, de jongens worden tot kleine macho’s opgevoed, de meisjes tot voorhuwelijkse maagdelijkheid en uithuwelijking gedwongen. Is zo’n voordeur niet een gevangenishek? En moet de overheid zich niet ook achter die voordeur begeven? Ja, als kinderen de school verzuimen, ja, als ze regelmatig met blauwe vlekken of ondervoed op school verschijnen, ja, als meisjes zich tever­geefs verzetten tegen een huwelijksarrangement – maar dit zijn alle­maal algemene regels, die net zo goed voor atheïsten gelden. Maar nee en nogmaals nee, als het motief is dat een moslimopvoeding de integratie belemmert of dat elk gezin onmiddellijk de geëmancipeerde catechismus moet volgen. Anders dan vroegere feministen dachten, is een intact gezinsleven (ook dat van moslims) de beste voorwaarde om evenwichtig volwassen te worden. Daarbij kunnen ambtelijke boven­ouders gemist worden als kiespijn.

Als de godsdienstvrijheid als negatieve vrijheid al niet wordt geres­pecteerd, dan zal een pleidooi voor positieve godsdienstvrijheid nog minder gehoor krijgen. Positieve godsdienstvrijheid geeft de gods­dienst de ruimte om zich te ontplooien in het publieke domein. Onze onderwijsvrijheid, dat wil zeggen: de financiële gelijkstelling van bij­zonder en openbaar onderwijs, is een element van zo’n positieve vrij­heid. Het is volstrekt in strijd met deze positieve vrijheid dat juist de komst van islamitische scholen deze vrijheid ter discussie stelt. Wees blij met iedere betrokkenheid – ook van onze nieuwe medeburgers ­bij de uitoefening van publieke taken! De overheid noch het bedrijfsleven kent vrijwilligers, de kerken wel. Staatsgelovigen kennen alleen maar overheid of bedrijfsleven. De maatschappij kent tal van vrijwillige organisaties, waaronder de ker­ken niet de minste zijn. De overdracht van publieke taken was de weg van de positieve godsdienstvrijheid.
Daar staat het staatsgeloof tegenover, dat in het Frans de veel te vriendelijke naam laïcité heeft gekregen. Dit acht de vrijheid van zijn eigen geloof belangrijker dan de vrijheid van andere geloven. Dat lijkt een democratische opvatting: de meerderheid beslist over welke ruimte de religies mogen beschikken. Maar als het over grond­rechten gaat (de vrijheid van meningsuiting, gelijkheid voor de wet, de vrijheid van vereniging en vergadering en dus ook de godsdienst­vrijheid) dan liggen de zaken eerder omgekeerd. Niet de democratische meerderheid van stemmen bepaalt wat een grondrecht is, maar de grondrechten (dus ook de godsdienstvrijheid) bepalen of wij wel een echte democratie zijn. We hebben de vrije gelovigen dus hard nodig om een democratie te blijven.

George, zand!/ Zandschip Cotrans 14

47 comments

I

Vandaag lag ik van het zonnetje te genieten

toen ineens een reusachtig schip voorbijkwam, vol gelanden met zand.
Ik dacht, potverdorrie, heeft George dit nu over voodoo geregeld, of wat is hier aan de hand?? [George heeft onlangs een gedicht over zand geschreven]
Ik liep langs het schip, en maakte vele foto’s, ik had gelukkig mijn fototoestel meegenomen. Het schip reed langzamer dan ik loop, dus minder dan 10 km per uur, of zelfs minder dan 8 km per uur.

Dus kwam ik nog vóór het schip aan op de Spanjaardsburg.

Het schip heette Cotrans 14 en is te bekijken op internet.

Ik probeerde te schatten hoeveel zand en steen de Cotrans had geladen… geen idee, maar ik dacht , als ik iets MOET zeggen: 100 ton??? Maar dat ding kan toch echt 900 ton meenemen. Waanzin.

——————————————

Gisteren zag de Cotrans 14 voor de derde keer, deze keer van de andere kant van de Zijl, vanuit de Zwanburgpolder.



Cotrans 14, Leiden 17 nov 2009

 

Gilles Kepel en Leon Buskens over de Fitna

28 comments

De nieuwe film van Wilders schijnt “Fitna” te heten.
“Iedere moslim kent het Arabische begrip fitna, aldus de PVV-leider. “Het duidt op situaties waarin het geloof van moslims op de proef wordt gesteld. Alles wat hun geloof op de proef stelt, is fitna: onbedekte vrouwen, alcohol, niet-moslims, verzet tegen het gezag van de islam. Ik gebruik die term spiegelbeeldig: voor mij is de verderfelijke islam fitna.” Wilders is ingenomen met de titel. “Ik wilde per se een term die in de Koran voorkomt.” ( Het Parool , 9-2-2008)

Maar…
“Fitna” is een negatief woord –  ook voor moslims. Fitna is chaos en burgeroorlog, oorlog van moslims tegen moslims.

Gilles Kepel schrijft in Oorlog in het hart van de islam (2004/2005) over jihad en fitna.

“In de geschiedenis van de veertien eeuwen van de islamitische samenlevingen heeft altijd een intense spanning bestaan tussen twee tegengestelde polen, die de op- en neergang bepaalden van de uit de islam voortgekomen beschaving: jihad en fitna.

Het eerste van die twee woorden, dat algemeen gebruikelijk is geworden, heeft een positieve connotatie binnen de traditione­le islamitische cultuur. Het duidt de inspanning aan die van ie­dere gelovige wordt verlangd teneinde het gebied en de invloed van de godsdienstige norm uit te breiden, om zowel de indivi­duele hartstochten als de organisatie van de samenleving, zelfs de ordening van de wereld te reguleren – om de weerbarstige mensheid te onderwerpen aan de onaantastbare wetten van de koran. Wanneer die inspanning tot een toppunt wordt opge­voerd, manifesteert ze zich in de vorm van een heilige verove­rings- of verdedigingsoorlog. Minder openlijk inspireert ze ook het dagelijkse proselitisme dat de moslims tot ‘betere gelovigen’ wil maken, en het legt tegenover de rest van de mensheid een in­tensieve bekeringsijver aan de dag. Ze is de motor van de ge­loofsverbreiding, die, zoals de geijkte uitdrukking luidt, ‘met het zwaard en het heilige boek’ wordt bewerkstelligd.

Het tweede woord, fitna, dat buiten de talen van de islam min­der bekend is, heeft daarentegen een volstrekt negatieve conno­tatie: het duidt het oproer, de oorlog binnen de islam aan, een middelpuntvliedende kracht die de ontmanteling, de implosie en de ondergang van de gemeenschap in zich draagt – terwijl de jihad de interne spanningen sublimeert, ze naar buiten werkt. De fitna is voor het voortbestaan van de moslimsamenleving een permanente dreiging, die knaagt aan het geweten van de oele­ma’s, de schriftgeleerden, en hen tot voorzichtigheid en bezin­ning aanzet.

[…] De slachting die op 11 september onder onschuldige mensen werd aangericht, luidde juist het tijdperk van fitna, wanorde en ver­woesting in het huis van de islam in. […]
Irak, na een ‘oorlog tegen de terreur’, waarvoor 11 september het voorwendsel was, bezet door de Verenigde Staten en hun bondgenoten, is diepgaand gedestabiliseerd. Zelfs na de machts­overdracht de iure aan een autochtone regering op 28 juni 2004, ligt er nog een zware hypotheek op de toekomst van Irak als een­heidsstaat. Niet alleen door de guerrilla tegen de bezettingslegers, maar ook door het geweld en de aanslagen vallen er bijna dage­lijks talloze doden en gewonden onder de Irakezen, zowel Ara­bieren als Koerden, zowel soennieten als sjiieten, en intussen zakt het land weg in de fitna.

[…] De gebeurtenissen van 11 september hebben dodelijke krach­ten losgemaakt, die drie jaar na dato verstrikt zijn in een onont­warbare vicieuze cirkel, in een helse dialectiek van jihad en fit­na. Door een massale reactie van de Verenigde Staten uit te lokken, hebben Bin Laden en zijn handlangers de afschuw ver­ergerd. “

Kepel eindigt met een pleidooi voor een Europese democratische islam, die uitstijgt boven jihad en fitna. Als Wilders op deze lijn wil zitten… dan moeten we dat van harte toejuichen.

Kepel:
“Het uitstijgen boven jihad en fitna is naar de smaak noch van de radicale activisten, noch van de salafisten, noch van de islamisten – al lopen deze laatsten, zodra ze de Europese po­litieke arena betreden, de kans dat hun principes worden aan­getast. De slag om de wording van de islam van Europa is cru­ciaal en het belang ervan is degenen die op het Europese continent een innerlijke citadel willen opbouwen, verstard in de geloofsartikelen in het hart van het ‘land van ongeloof, niet ont­gaan. Daartegen is er geen andere keus dan te werken aan de vol­ledige democratische deelname van de moslimjongeren aan het leven als burger, en daarbij gebruik te maken van de instru­menten, vooral op het terrein van onderwijs en cultuur, die de sociale stijging bevorderen en bijdragen aan de opkomst van de nieuwe elites, voortgekomen uit die bevolkingsgroepen. Het zal hun taak zijn om, uitstijgend boven de spookbeelden van jihad en fitna en de grenzen van Europa overschrijdend, het nieuwe gezicht van een moslimwereld, verzoend met de moderniteit, concreet vorm te geven. ”  ( p 371 ff)

De Leidse hoogleraar Leon Buskens over het woord “fitna”: “Het is een sleutelterm uit de geleerde islamitische traditie. Het betekent vooral chaos en wanorde die je kunt vermijden als je je aan Gods voorschriften houdt. Fitna is het tegendeel van de ideale samenleving.” Buskens pakt er een klassiek Arabisch woordenboek bij en leest voor: “Beproeving, verleiding, misdaad, zonde, ongelovigheid, ongeluk, tegenslag, tuchtiging, bekoring, verleiding.” Een heel breed scala aan betekenissen dus, voegt Buskens toe. Want in de islamitische traditie wordt ook nog gesproken over de ‘eerste Fitna’ en de ‘tweede Fitna’, daarmee worden burgeroorlogen bedoeld. “NRC 11-2-2008

Gedachten over de liefde

28 comments

Hundertwasser: Der endlose Weg zu Dir

Der Weg zu Dir
ist auch der Weg zu mir…

Ik ken drie hoofdvormen van de liefde:

1. Compassie, vriendschap  en respect
2. Verliefdheid
3. Liefde als kunst

Hoofdvorm nr.1  is de vorm van het huwelijk: redelijk statisch, gericht (in het beste geval) op verzorging en solidariteit;  (in het slechtere geval) op uitbreiding van macht en rijkdom. Deze relatie is vooral monogaam, vanwege gerichtheid op kinderen, bezit en veiligheid. Persoonlijke individuele ontwikkeling kan getolereerd worden, hoofddoel is deze nooit.

Hoofdvorm nr. 2 idealiseert de ander als de Enige en Ware, schrijft de ander een grote macht toe, maakt afhankelijk, is meestal alleen over een kortere periode (zelden meer dan drie jaar) vol te houden. Ook deze relatie is redelijk monogaam vanwege haar monomanie.

Hoofdvorm drie, liefde als kunst, is een productief uitwisselingsproces, stimulans, inspiratie.
Deze vorm is sterk op ontwikkeling en weinig op veiligheid gericht.

Deze vorm is niet inherent monogaam, omdat er van andere relaties juist veel inspiratie in een bestaande relatie kan vloeien. Maar deze relatievorm is ook niet, zoals nr.2,  op de korte termijn georiënteerd, is niet oppervlakkig. Deze relatie is niet zeer vriendelijk tegenover bestaande systemen, tegenover macht en eigendom. Deze vorm is daarom zeer oninteressant voor mensen die op geld, macht en consumptie gericht zijn.

Natuurlijk bestaan er ook nog andere vormen van liefde, en bovendien vele mengvormen tussen de bovengenoemde ideaaltypen van de liefde.

Hundertwasser: Der Weg zu Dir

De hand als zelfportret: Meret Oppenheim, Lucebert

15 comments

Paul Depondt bespreekt  in de Volkskrant het boek van de Antwerpse verzamelaar Ronny Van de Velde ‘Artists’ handbook’: “Elke hand is een zelfportret, een hand is – zoals je dat wel eens leest – ook de trouwe dienaar van de muze. De afdruk van een hand (of een voet) is een signatuur.”

Ik weet niet of Meret Oppenheim ook afgebeeld staat op een van  de 600 pagina’s bij Van de Velde. Het artikel is een uitnodiging voor mij om de hand te laten zien die Meret Oppenheim heeft gemaakt. In een collage laat zij hand en toren een woorden.

Die Hand ( Turm) 1933/1964/1982

Wat opvalt: de hand is verminkt: de vingers afgesneden, de belangrijke duim ( die de mens tot mens maakt) ontbreekt.

De toren is geen zelfbewuste Toren van Babel.

Oppenheims toren is een reflectie op het menselijk gebrek, en toch trots en vrolijk door de kleuren en de blokken, die misschien een kind heeft opgestapeld.

 

De afdruk van een hand (of een voet) is een signatuur

Dat pas ook erg goed bij mijn recente blog Zand

En
mijn hand
schrijft tekens
in het zand….



 

En hier expressieve handen van Lucebert

Lucebert, handen, 1950

Maan en sterren bij Meret Oppenheim en Paul Klee

4 comments

Meret Oppenheim, Verzauberung ( Collage, 1962)

Meret Oppenheim, Neue Sterne, 1977

Paul Klee, Volle maan (Vollmond)

Paul Klee, Opkomst van de maan St Germain Tunis 1915

J.A.A. van Doorn en het antisemitisme

46 comments

George Knight heeft gisteren op mijn blog J.A.A. van Doorn antisemitisme verweten. Omdat ik in vele kwesties ( Jami, Hirsi Ali, islamofobie)  met Van Doorn eens ben, heb ik deze kwestie nog eens nader bekeken.

Een paar feiten:

1
. Van Doorn moest in 1990 bij de NRC vertrekken na een verklaring van de toenmalige hoofdredactie als zou hij in twee columns ‘de grenzen van betamelijkheid’ hebben overschreden [ hij had iets geschreven over “de joodse journalisten”]. De NRC hoofdredactie liet in oktober 2005  weten de gang van zaken destijds ernstig te betreuren en Van Doorn schrijft sindsdien weer in de NRC.

2. In zijn boek over het Duitse nationaal-socialisme besteedt Van Doorn niet veel aandacht aan Hitlers rassenleer. In een interview met Hans Wansink in de Volkskrant zei hij op 7 juli 2007:

Naar mijn mening heeft het succes van het nationaal-socialisme weinig te maken gehad met het antisemitisme. Het idee van volksgemeenschap sloot natuurlijk de joden uit. Maar ik denk niet dat het nationaal-socialisme in 1933 door het Duitse volk primair werd beleefd als een racistische ideologie. De Duitse joden maakten 0,7 procent van de bevolking uit, ze waren geconcentreerd in grote steden en in bepaalde beroepsgroepen. Heel veel Duitsers hadden nog nooit een jood gezien, bij wijze van spreken. Ze kregen dat ontzettende geblaf over zich heen, van joodse dit en joodse dat, en ze hebben hun schouders opgehaald: het zal wel. Wat hen pro-nazistisch maakte waren Hitlers grote successen in de binnen- en buitenlandse politiek. En wat ik heb genoemd het vitale socialisme van de nazibeweging.”

Mijn mening
: ik denk dat Van Doorn niet helemaal ongelijk heeft, maar ik schat de betekenis van het antisemitisme voor het succes van de nationaal-socialisten hoger in dan hij. Vast staat in ieder geval dat het antisemitisme in geheel Europa diep geworteld was, en ook in het communisme onder Stalin een grote rol heeft gespeeld. Vast staat ook, zoals de Duitse antisemitisme-deskundige Helmut Berding schrijft, dat de nazi’s over langere tijd, soms meerdere jaren lang, in zake antisemitisme de toon matigden om op deze manier in het binnen- en buitenland makkelijker invloed en steun te verwerven.

3. Interessant vind ik wat van Doorn in zijn nieuw boek over Duits socialisme over de nazi en antisemiet Carl Schmitt schrijft. Hij is kritisch over Carl Schmitt, maar noemt diens antisemitisme niet. Over Schmitt schrijft hij in het verband met de nazi-voorkeur voor “effectiviteit”:

“De gebiologeerdheid met het criterium effectiviteit ging de eigenlijke technische sfeer echter ver te boven en doordrong een groot deel van het politieke denken. Superieur heette het politieke handelen dat als zodanig doelmatig was, ongeacht de motivering en de normatieve lading. Effectiviteit legitimeert zichzelf. Het is vooral Carl Schmitt geweest die deze doctrine al in de Weimartijd ontwikkelde en nadien in de nazi-tijd heeft verdedigd.’ In zijn gedachte­gang krijgt de politiek een autonoom domein toegewezen waar uitsluitend de begrippen vriend en vijand gelden, losstaand van criteria zoals goed en kwaad of nuttig en schadelijk. Wie politiek bedrijft, moet zijn ogen vast ge­richt houden op de werkelijke politieke drijfkrachten die hem verplichten­ en vrij laten – alles te doen wat in de gegeven omstandigheden nodig is. Hij dient zich niet te laten afleiden door normatieve overwegingen, rechtsstate­lijkheid, contractuele verplichtingen en andere ‘ficties’. Schmitt spreekt in dit verband van ‘decisionisme’ en ontwikkelt een gedachtegang die aansluit bij Hebbes’ adagium dat het gezag, en niet de waarheid het recht stelt. Po­litieke beslissingen worden niet afgeleid uit het recht maar de beslissing zelf schept recht.

Het klinkt alles vaag en abstract, maar het werd in nazi-Duitsland conse­quent in praktijk gebracht en ten minste één keer door Schmitt zelf uitdruk­kelijk gerechtvaardigd. Het was in 1934 toen Hitler Röhm en andere tegen­standers van het regime koelbloedig uit de weg had laten ruimen, dat Schmitt zijn meest berucht geworden argumenten ontvouwde, samengevat in ‘Der Führer schützt das Recht’ en als volgt toegelicht: ‘De ware leider is altijd ook rechter. Uit het leiderschap vloeit het rechterschap [Richtertum] voort. [ …] Het rechterschap van de Führer ontspringt aan dezelfde rechtsbron waaraan al het recht van elk volk ontspringt.’          In 1942 vond deze doctrine haar daadwerkelijke voltooiing: de Rijksdag ging akkoord met Hitlers eis dat hij, behalve als staatshoofd, partijleider en opperbevelhebber, de taak op zich zou nemen van ‘oberster Gerichtsherr’ ‘” ( p 211 f)

Ik zou wensen dat Van Doorn ook Schmitts antisemitisme bespreekt. Aan de andere kant beschrijft Van Doorn hier wel degelijk de hoofdelementen van de zeer problematische invloed van Carl Schmitt op de nazi’s. Let wel: Carl Schmitt, de held van Burke-directeur Bart Jan Spruyt, die het partijprogramma van Wilders heeft geschreven en PVV-kaderleden heeft getraind.

Zie ook mijn Carl Schmitt blogs.

Job Cohen: Auschwitz en de haat tegen de ander

27 comments

Job Cohen zei afgelopen zondag in zijn Auschwitzlezing:

“Wij allemaal, wie we ook zijn en wat we ook zijn, of je al lang in Nederland bent of maar kort, mogen daarom niet onverschillig staan tegenover uitingen van haat jegens mensen die anders zijn, die een andere religie aanhangen, die niet tot dezelfde groep behoren. Het concentratiekamp is juist de ultieme consequentie van alledaagse onverschilligheid, een onverschillige opstelling ten aanzien van gedrag dat tegengesteld is aan een algemene, alledaagse moraal met zorg voor de ander. Waakzaamheid blijft daarom geboden; met de bevrijding van Auschwitz kwam er geen einde aan het systematisch uitmoorden van minderheden. Alle brandhaarden van de afgelopen decennia laten dat zien: Cambodja, Joegoslavië, Rwanda.” ( de Volkskrant 1-2- 2008)

Marcel Poorthuis en Theo Salemink hebben een dik en belangrijk boek geschreven over het antisemitisme in de katholieke kerk, Een donkere spiegel ( 2006) . In dit boek staat ook een hoofdstuk over antisemitisme en islamofobie. Poorthuis/Salemink  zijn van mening, en ik stem hen toe, dat er in het discours over het islamitisch gevaar in feite sprake is van een nieuwe vorm van racisme:
“De klas­sieke racistische ideologieën, door F. Fanon ooit het ‘primitieve racisme’ genoemd, gingen over mensen buiten Europa en over de joden die van ouds­her als ‘randfiguren’ in Europa woonden. Nu gaat het om miljoenen mensen die uit de andere continenten, meestal op economische gronden, naar Euro­pa gekomen zijn en hier zullen blijven wonen. Het taboe van Auschwitz legt bovendien een publiek verbod op een openlijk biologisch racisme van de oude snit. In deze nieuwe context transformeert het oude racisme en neemt, in ieder geval in zijn publieke gestalte, nieuwe vormen aan. In de literatuur wordt dan ook gesproken over ‘nieuw racisme’,” ‘Nieuw racisme’ baseert zich niet langer op de oude rassenleer van de naties, op mythen over het superieure arische ras, op de beschavingsopdracht van het blanke ras en op de mythen over inferieure of mengrassen. Dat valt onder het taboe van Auschwitz. Nieuw racisme schept een nieuwe rangorde tussen groepen op basis van een ‘culturele evolutie’ die een volk tot een historische eenheid maakt, die een scheiding tussen ‘eigen volk’ en ‘vreemdelingen’ aanbrengt, ook als deze vreemdelingen juridisch staatsburgers zijn met gelijke rechten. ‘Eigen volk eerst’ is de politieke slogan van deze beweging in haar extreem­rechtse fase geworden, onvoorwaardelijk aanpassen en assimileren de nieu­we eis van het nieuwe millennium.

Een kenmerk van dit nieuwe racisme is dat het de classificatie van ‘eigen volk’ boven ‘vreemdelingen’ verbindt met de visie dat Europa zelf een soort hogere ‘natuurlijke gemeenschap’ is tegenover de niet-Europese gemeen­schappen.? De Europese volkeren hebben samen een gemeenschappelijke historische evolutie doorgemaakt, die ook een gemeenschappelijke cultuur, godsdienst en moraal heeft voortgebracht. Zo wordt de oude leer over Euro­pese superioriteit, die religieus, cultureel of biologisch beargumenteerd werd, gereactiveerd en gekoppeld aan het nieuwe racisme van ‘eigen volk eerst’. Overigens fungeert het christendom in tegenstelling tot vroegere tij­den dikwijls niet langer als bewijs voor de superioriteit van Europa. In een postchristelijke argumentatie deelt het christendom in de dreiging van de monotheïstische religies met hun vermeende intolerantie en hang naar ge­weld. ” ( p 770)

Rechtse opiniemakers vergelijken graag de moslims met de nazi’s en staan op de barricaden voor de zogenaamd “joods-christelijke beschaving” . Maar joods-christelijk is deze beschaving pas sinds Auschwitz. Pas sinds Auschwitz kan het joodse cultuurelement op erkenning rekenen.

Als iemand beweert dat er zekere overeenkomstigheden zijn tussen het antisemitisme en de hetze tegen islam, wordt hij onmiddellijk van alle kanten erop gewezen hoe mank deze vergelijking loopt (vgl ook Manfred Gerstenfeld in de Volkskrant vandaag) . Ook wordt onmiddellijk erop gewezen dat binnen de moslimgemeenschap veel antisemitisme broeit. Afshin Ellian beschrijft in de hem eigen overdreven pathos hoe hij als een reactie op de holocaust-ontkenning door Iraniërs tegen de televisie schreeuwt: “Westerbork, Westerbork!” ( NRC 29 april 2006) Het pathos haalt zijn boodschap onderuit. Toch: het antisemitisme onder moslimfundamentalisten is een probleem, en Ellian stelt dit terecht aan de kaak.

Marcel Poorthuis en Theo Salemink: “[Israël voert] een onderdrukkende politiek tegen de Palestijnen en [wordt] in de Arabische wereld gezien als handlanger van Amerika. Met deze beeldvorming hopen Arabische leiders de aandacht van de formidabele binnenlandse problemen af te leiden door Israël als zondebok, hierbij gebruik makend van alles wat maar voorhanden is: beschuldiging van racisme aan het adres van Israël, activering van oude antisemitische beelden, goeddeels afkomstig uit Europa, warbij ook nog de joden over de hele wereld collectief worden geïdentificeerd met de politiek van deze staat.[…]
Enerzijds lijkt er […] een overeenkomst te bestaan tussen de negatieve beeldvorming over het jodendom […] in het verleden en de negatieve beeldvorming over moslims in het heden, anderzijds maken sommige, voornamelijk jonge moslims in Nederland zelf gebruik van de negatieve beeldvorming over het jodendom in de Europese geschiedenis om hun eigen identiteit als antiwesters te onderstrepen.” ( Een donkere spiegel, p. 767 f)

De heren van de Burke stichting menen te weten dat intolerantie uitsluitend op het conto van de islam staat. De hand in eigen boezem steken is per definitie verboden want een verzakking van de eigen identiteit. Job Cohen met zijn verdraagzaamheid  is dus een rood doek voor de heren van de Burke Stichting. Afshin Ellian meent zelfs Cohen zijn menselijke waardigheid te kunnen ontzeggen ( en nog wel in de naam van Desmond Tutu; NRC, 9 juli 2005: “Doordat Cohen meewerkte aan de dehumanisering van mevrouw Verdonk is hij nu ook beroofd van zijn waardigheid.”)
De liberale rabbijn Soetendorp zei over antisemitisme en islamofobie : “We weten dat het stigmatiseren en isoleren van welke bevolkingsgroep dan ook noodlottige gevolgen heeft”.”Wat nu de moslims in Nederland overkomt, is levensgevaarlijk. Vooral de trend om alle islamieten over een kam te scheren en als bedreigend af te schilderen. Dat lot trof de joden in de jaren ’30”. ( NRC 24-12-2004)

In feite tonen de Burkianen aan dat er wel degelijk ook op filosofisch en ideologisch vlak sprake is van overeenkomsten tussen het historisch antisemitisme en de islamofobie.
De beroep die de Burkianen doen op de nazi en antisemiet Carl Schmitt en het gebruik van Schmitts gedachtegoed tegen de moslims als de nieuwe vijand toont de verwantschap van het antisemitisme en de islamofobie ( zie ook mijn Carl Schmitt-blogs) .

Rabbijn Soetendorp: “Het leven als jood leert ons, door de geschiedenis heen, dat als wij worden aangevallen, niet alleen de joden worden aangevallen, maar dat het altijd gaat om de rechten van de mens. De stigmatisering van de islam is niet alleen een bedreiging voor moslims, maar voor de kwaliteit van de samenleving als geheel.

Meest recente berichten