Wetenschap Kunst Politiek

De slang, androgyn en ambivalent/ cobra slang/ Pat Andrea

4 comments

De slangen van Meret Oppenheim zijn bijna altijd samengezette wezens.

Hier een foto van een zeer mooi Oppenheim-beeld dat ik ook in het Kunsthaus zag.

Maskierte Blume (1958)

Deze bloem lijkt óók op een slang (de achterkant van een cobra)

De slang is in de cultuurgeschiedenis zowel een symbool voor het Kwaad als ook voor het Goed ( zie bijvoorbeeld bij Asclepios en de natuurreligies) , en is zowel gekoppeld aan de mannelijke alsook aan de vrouwelijke seksualiteit; zij is zowel fallus-symbool alsook de Eva-slang.
In Lewis Carrolls “Alice in Wonderland” wordt Alice “een slang”genoemd door de duif (hoofdstuk: “Raad van een rups”) .
Pat Andrea heeft hier een schitterende illustratie bij gemaakt:

In de cultuurgeschiedenis staat de slang in positieve zin voor de vernieuwing (de oude huid afleggen).

Een bijzondere “goede” slang is de Ouroboros (Uroboros) die een cirkel vormt door zichzelf in de staart te bijten. Deze slang staat afgebeeld op het graf van Oppenheim.

De slang onttrekt zich aan de simplificaties die sommigen aan haar/hem willen opleggen.

Zoals ik zelf in een slangengedicht heb geschreven:
“[…]
Is een slang
eigen
lijk een man?
Neen,
een slang
is een
an-
drogyn
am-
bifibiding
zwemmend
kronkelend
aan land […] ”

En hier een slangengedicht van Oppenheim:

Schlangengedicht (1978)

Slang en water komen samen in het slangenfontein van Oppenheim:

De tegengestelde ronde en de vierkante vorm heeft Oppenheim hier samengevoegd in een spiraal:

Spirale- Schlange in Rechteck ( 1973)

Slangen bij Meret Oppenheim en Paul Klee

26 comments

De surrealiste Meret Oppenheim is net als ik gefascineerd door slangen, dromen en bloemen.

Bij mijn bezoek in Zürich zag ik in het Kunsthaus Zürich, in de afdeling dada en surrealisme,  een mooie collage, waarbij mij de combinatie slang en bloem opviel.

Why-why 1968
Why-why (1968)

Slangen en bloemen – daar houd ik van.

Over slangen en bloemen heb ik al een paar blogs geschreven:
Sneeuwslangen, schaduwslangen, droomslangen
Morbide slangen: het leven is maar een droom
Over slangenbomen, slangenvrouwen, sprookjes en muziek
De goede slang bij Goethe en E.T.A. Hoffmann

Inmiddels heb ik nog veel meer slangen bij Meret Oppenheim gevonden, hier en paar mooie.

Schlange und schwarze Steine (1972)



Zwei Schlangen, die eine blau-grün, die andere rot ( 1960)

…en hier mijn eigen blauwe en rode slang:




een een rode slang bij Paul Klee:

Paul Klee, Schlangenwege

Pim Fortuyn en het hoefijzermodel

125 comments
Fortuyn wordt aanbeden door de neoconservatieve Burkianen, en omdat hij net als Wilders van de Burke Stichting  tot “Conservatief van het jaar” werd verkozen.
Men vindt bij Fortuyn elementen van links én van rechts.
Ten dele ben ik het hiermee eens en zal proberen het linkse en rechtse denken van Fortuyn te beschrijven.
Over Fortuyn heb ik het zeer leerrijk boek van Dick Pels in huis, De geest van Pim (2003) . Pels, politicoloog en initiator van de vrijzinnig-linkse denktank Waterland,  kent Fortuyn uit zijn Groningse tijd (net als trouwens blijkbaar ook Kletersteeg).
Als we het hebben over de linkse en rechtse elementen in Fortuyns denken kunnen we het in ieder geval over eens zijn dat hij in het begin van zijn carrière uiterst links was. Naar mijn opvatting heeft hij zich van uiterst links naar uiterst neo/ nationaalliberaal-rechts ontwikkeld.
Om Fortuyn te beschrijven gebruikt Pels niet het traditionele vleugel -model, waarbij links en rechts maximaal van elkaar zijn verwijderd, maar het hoefijzer­model, waar uiterst links en uiterst rechts dicht bij elkaar liggen aan de uiteinden van het hoefijzer.

De uitleg over dit politieke ‘hoefijzermodel’ haal ik even van Wikipedia: Het hoefijzermodel is een model van het politieke spectrum waarin de gebruikelijke twee uitersten, extreemlinks en extreemrechts dichter bij elkaar geplaatst worden dan hun gematigde varianten. Het spectrum is in dit model geen rechte lijn van links naar rechts, maar een open cirkel die aan een hoefijzer doet denken. Redenen voor het gebruik van het hoefijzermodel zijn:

  • Overeenkomsten in methodes (buitenparlementair activisme, soms geweld) en denkbeelden (verwerping van het parlementaire systeem) tussen extreemlinkse en extreemrechtse bewegingen;
  • Overeenkomsten in standpunten
  • De overstap van personen tussen deze bewegingen, die vaker blijkt plaats te vinden dan men bij een lineair spectrum zou verwachten;
  • Het bestaan van hybride stromingen, zoals het Russische nationaal-bolsjewisme.

Met het hoefijzermodel hebben we ook direct aansluiting aan mijn vorige blog over het nationaal-socialisme, dat, zoals de socioloog J.A.A. van Doorn in een nieuw boek betoogt – en vele anderen vóór hem – de elementen van nationalisme en socialisme verenigde.
Redelijke denkbeelden zijn volgens dit model aan de gesloten kant van het hoefijzer te vinden, revolutionaire denkbeelden (zowel rechts alsook links) aan de open kant van het hoefijzer.
[ Excurs boheme: Pels vermengt deze revolutionairen van de ‘open hoefijzerkant’ wederom met de bohème, een vermenging waar ik het helemaal niet eens met ben. De vrijzinnige bohème ( Pels noemt namen als Flaubert, Oscar Wilde,  Beaudelaire) had niets gemeen met rechtsextreme en linksextreme denkers, was politiek gezien niet extreem of autoriair, en Fortuyn was volgens mij hoogstens een would-be bohémien, een kitscherig materialistische man die niets gemeen had met echte kunstenaars behalve een pose.
Net als…als…hoe het hij toch ook weer,  de Duitse would-be kunstenaar….
Er is een fascistische bohème ja, bijvoorbeeld het futurisme enz., maar deze bohème is weer volkomen anders dan de vrijzinnige bohème en Pels gooit dit alles op een hoop]

Over de weg van Fortuyn van links naar rechts schrijft Pels:

“[Fortuyn] begint als een betrek­kelijk radicale marxist, die in zijn pleidooien voor een onverkort sta­kingsrecht en voor directe proletarische actie zelfs flirt met elementen van het klassieke revolutionaire syndicalisme. Daarna ondergaat zijn denken een verzachting, die resulteert in een aanvaarding van de klas­sieke leerstukken van het sociaal-democratisch revisionisme. Ofschoon hij in deze fase, met name in discussie met CPN-intellectuelen, de re­volutionaire weg naar het socialisme afwijst, weigert hij tegelijkertijd mee te gaan met de liberaliserende tendens van PvdA-ideologen als Kalma, en blijft hij in het spoor van Den Uyl vasthouden aan de maak­baarheid van de samenleving en het primaat van de politiek. In de pe­riode rond zijn eerste afscheid van de universiteit maakt hij een draai naar het neoliberalisme en het ondernemende individualisme waar­door zijn voormalige socialisme binnenstebuiten wordt gekeerd. Dit doet echter geen afbreuk aan zijn diepgewortelde crisisbesef zijn ac­tiebereidheid, en zijn blijvende gevoel van politieke urgentie. Rond zijn tweede afscheid van de academie keert Fortuyn in zekere zin weer te­rug naar collectivistisch gekleurde thema’s zoals gemeenschapszin, een gedeeld normen- en waardenbesef en culturele identiteit. Die the­ma’s trekken tegelijkertijd steeds sterker in de richting van een politiek essentialisme met een ‘volks nationalistische’ inslag.

Als we dit traject als geheel overzien, merken we ook dat Fortuyn de politieke economie (zijn oorspronkelijke ‘vak’) gaandeweg vervangt door een brede cultuurtheorie waarin onderbouwen bovenbouw van plaats gewisseld zijn. In plaats van materiële productie- en klassenver­houdingen vormen nu culturele factoren (en tegenstellingen op het vlak van de culturele identiteit) de ‘laatste instantie’ die andere sociale ontwikkelingen vormgeven en bepalen. Door dit alles heen behoudt Fortuyn een radicaal temperament (zijn levens motto is ‘alles of niets!’) dat de sensatie cultiveert van een overgangstijd vol dramatische ver­anderingen, waaraan de zittende politieke kaste door haar gebrek aan visie en daadkracht geen leiding weet te geven. Dit apocalyptische sentiment (to be or not to be, erop of eronder) voedt een ethos van dienstbaarheid (‘At Your Service!’) en een politiek roepingsbesef dat de maakbaarheidsgedachte in ere houdt, en de urgentie verkondigt van vi­sionair leiderschap dat alleen maar afkomstig kan zijn van creatieve en moedige buitenstaanders.

Die laatste verwijzing is cruciaal, omdat het politieke hoefijzer langs zijn verticale as niet alleen temperatuur- en temperamentsverschillen meet tussen politiek extremisme, gematigdheid en behoudzucht, maar tegelijk ruimte biedt aan de klassieke populistische tegenstelling tus­sen gevestigden en buitenstaanders. Die tegenstelling en het ‘grote ge­vecht’ dat hierdoor wordt uitgelokt, vormen het eigenlijke grondmotief van Fortuyns sociaal-politiek denken.” ( p. 28 f)

Op naar München,’Hauptstadt der Bewegung’

30 comments
Fortuyn en hun volgers, zoals Verdonk en Wilders, wilden geen partijen meer, maar bewegingen, je kunt je bij hun rechtse bewegingen aansluiten, maar dat zijn geen partijen waar je lid van wordt. Kijk eens naar de geschiedenis van de belangrijkste rechtse “beweging” uit de geschiedenis.

Het nieuwe  NS-Dokumentationszentrum in München moet verklaren waarom juist München “Hauptstadt der Bewegung” werd.

Warum München?

Hier een voorstel voor een wandeling door München.

We beginnen onze rondwandeling aan de Geschwister Scholl Platz in München, hoofdingang van de Universiteit München.  

Er lijken flyers op de grond de liggen… 

….maar nee, het is een herinnering in steen aan de verzetsgroep  Weiße Rose


Aansluitend lopen we naar binnen om de tentoonstelling Denkstätte Weiße Rose te kijken.

 

 

We lopen dan naar de Schellingstraße, waar we naar de schietgaten uit de Tweede Wereldoorlog kijken, “Wunden der Erinnerung”

 

We lopen naar de Feldherrnhalle aan de Odeonsplatz, een belangrijk monument in de nazi-geschiedenis.
We lopen door naar het voormalig machtscentrum van de nationaalsocialisten rondom de Karolinenplatz: de resten van het “Braune Haus“, de partijcentrale van de NSDAP . We gaan naar de huidige Musikhochschule, de vroegere Führerbau.

 


We kijken naar  de Königsplatz, de grote militaire exerceerplaats waar de nazi’s boeken hebben verbrand.

 

 

Jihad of carnaval?? mijn kopvodden

38 comments

 

Foto Maria Trepp

Foto Maria Trepp

Foto Maria Trepp

Foto Maria Trepp

Nieuwe tekst 18-9-2009 naar aanleiding van geert Wilders en de “kopvoddentaks”

Frits Abrahams schrijft in de NRC van 17-9-2009 waar Wilders het woordje”kopvod” heeft gevonden:

“[ op groezelige rechts-radicale websites] , daardook al in 2002 het ideale woord op. Een anonieme Limburger (!) schreef op de website van Stormfront (,,White Pride, World Wide”): ,,Alweer een stap in de richting van de islamisering van ons land, straks moeten alle vrouwen zo’n vieze kopvod dragen.

Het origineel van de bij de opleiding Duits afgewezen scriptie over 'Passage'

no comment


Untitled


Robert Kaplan versus Naomi Klein over”disaster capitalism”

31 comments

Robert Kaplan vindt het geen probleem dat veel taken van de moderne oorlogvoering en vredesoperaties aan gespecialiseerde bedrijven worden uitbesteed ( zie Kaplans artikel in Opinio Op wiens gezag schieten zij)

In haar nieuwe boek The Shock Doctrine geeft Naomi Klein een andere en buitengewoon kritische blik op het “Distaster capitalisme“:

“The Bush administration immediately seized upon the fear generated by the [ 9/11]  attacks not only to launch the “War on Terror” but to ensure that it is an almost completely for-profit venture, a booming new industry that has breathed new life into the faltering U.S. economy. Best understood as a “dis­aster capitalism complex,” it has much farther-reaching tentacles than the military-industrial complex that Dwight Eisenhower warned against at the end of his presidency: this is global war fought on every level by private com­panies whose involvement is paid for with public money, with the unending mandate of protecting the United States homeland in perpetuity while elim­inating all “evil” abroad. In only a few short years, the complex has already expanded its market reach from fighting terrorism to international peace­keeping, to municipal policing, to responding to increasingly frequent natu­ral disasters. The ultimate goal for the corporations at the center of the complex is to bring the model of for-profit government, which advances so rapidly in extraordinary circumstances, into the ordinary and day-to-day functioning of the state – in effect, to privatize the government.

To kick-start the disaster capitalism complex, the Bush administration out­sourced, with no public debate, many of the most sensitive and core func­tions of government-from providing health care to soldiers, to interrogating prisoners, to gathering and “data mining” information on all of us.
The role of the government in this unending war is not that of an administrator man­aging a network of contractors but of a deep-pocketed venture capitalist, both providing its seed money for the complex’s creation and becoming the biggest customer for its new services. To cite just three statistics that show the scope of the transformation, in 2003, the U.S. government handed out 3,512 con­tracts to companies to perform security functions; in the twenty-two-month period ending in August 2006, the Department of Homeland Security had issued more than 115,000 such contracts. The global “homeland security industry” -economically insignificant before 2001-is now a $200 billion sector.” In 2006, U.S. government spending on homeland security averaged $545 per household.

And that’s just the home front of the War on Terror; the real money is in fighting wars abroad. Beyond the weapons contractors, who have seen their profits soar thanks to the war in Iraq, maintaining the U.S. military is now one of the fastest-growing service economies in the world. “No two coun­tries that both have a McDonald’s have ever fought a war against each other,” boldly declared the New York Times columnist Thomas Friedman in De­cember 1996. Not only was he proven wrong two years later, but thanks to the model of for-profit warfare, the U.S. Army goes to war with Burger King and Pizza Hut in tow, contracting them to run franchises for the soldiers on military bases from Iraq to the “mini city” at Cuantanarno Bay.

Then there is humanitarian relief and reconstruction. Pioneered in Iraq, for-profit relief and reconstruction has already become the new global paradigm, regardless of whether the original destruction occurred from a preemptive war, such as Israel’s 2006 attack on Lebanon, or a hur­ricane. With resource scarcity and climate change providing a steadily in­creasing flow of new disasters, responding to emergencies is simply too hot an emerging market to be left to the nonprofits- why should UNICEF re­build schools when it can be done by Bechtel, one of the largest engineer­ing firms in the U.S.? Why put displaced people from Mississippi in subsidized empty apartments when they can be housed on Carnival cruise ships? Why deploy UN peacekeepers to Darfur when private security com­panies like Blackwater are looking for new clients? And that is the post­September 11 difference: before, wars and disasters provided opportunities for a narrow sector of the economy-the makers of fighter jets, for in­stance, or the construction companies that rebuilt bombed-out bridges. The primary economic role of wars, however, was as a means to open new markets that had been sealed off and to generate postwar peacetime booms. Now wars and disaster responses are so fully privatized that they are themselves the new market; there is no need to wait until after the war for the boom-the medium is the message. One distinct advantage of this postmodern approach is that in market terms, it cannot fail. As a market analyst remarked of a particularly good quarter for the earnings of the energy services company Halliburton, “Iraq better than expected.”!’ That was in October 2006 then the most violent month of the war on record, with 3,709 Iraqi civilian casualties. Still, few shareholders could fail to be impressed by a war that had generated $20 bil­lion in revenues for this one company. Amid the weapons trade, the private soldiers, for-profit reconstruction and the homeland security industry, what has emerged as a result of the Bush ad­ministration’s particular brand of post-September 11 shock therapy is a fully articulated new economy. It was built in the Bush era, but it now exists quite apart from anyone administration and will remain entrenched until the cor­porate supremacist ideology that underpins it is identified, isolated and chal­lenged. The complex is dominated by U.S. firms, but it is global, with British companies bringing their experience in ubiquitous security cameras, Israeli firms their expertise in building high-tech fences and walls, the Canadian lumber industry selling prefab houses that are several times more expensive than those produced locally; and so on. “I don’t think anybody has looked at disaster reconstruction as an actual housing market before,” said Ken Baker, CEO of a Canadian forestry trade group. “It’s a strategy to diversify in the long run.” In scale, the disaster capitalism complex is on a par with the “emerging market” and information technology booms of the nineties. In fact, insiders say that the deals are even better than during the dot-com days and that “the security bubble” picked up the slack when those earlier bubbles popped. Combined with soaring insurance industry profits (projected to have reached a record $60 billion in 2006 in the U.S. alone) as well as super profits for the oil industry (which grow with each new crisis), the disaster economy may well have saved the world market from the full-blown recession it was facing on the eve of 9/11.

In the attempt to relate the history of the ideological crusade that has culmi­nated in the radical privatization of war and disaster, one problem recurs: the ideology is a shape-shifter, forever changing its name and switching identities. Friedman called himself a “liberal,” but his U.S. followers, who associated lib­erals with high taxes and hippies, tended to identify as “conservatives,” “clas­sical economists,” “free marketers,” and, later, as believers in “Reaganomics” or “laissez-Iaire.” In most of the world, their orthodoxy is known as “neoliber­alism,” but it is often called “free trade” or simply “globalization.” Only since the mid-nineties has the intellectual movement, led by the right-wing think tanks with which Friedman had long associations- Heritage Foundation, Cato Institute and the American Enterprise Institute – called itself “neocon­servative,” a worldview that has harnessed the full force of the U.S. military machine in the service of a corporate agenda.

All these incarnations share a commitment to the policy trinity- the elim­ination of the public sphere, total liberation for corporations and skeletal so­cial spending – but none of the various names for the ideology seem quite adequate. Friedman framed his movement as an attempt to free the market from the state, but the real-world track record of what happens when his purist vision is realized is rather different. In every country where Chicago School policies have been applied over the past three decades, what has emerged is a powerful ruling alliance between a few very large corporations and a class of mostly wealthy politicians-with hazy and ever-shifting lines between the two groups. In Russia the billionaire private players in the al­liance are called “the oligarchs”; in China, “the princelings”; in Chile, “the piranhas”; in the U.S., the Bush-Cheney campaign “Pioneers.” Far from free­ing the market from the state, these political and corporate elites have simply merged, trading favors to secure the right to appropriate precious resources previously held in the public domain-from Russia’s oil fields, to China’s col­lective lands, to the no-bid reconstruction contracts for work in Iraq.

A more accurate term for a system that erases the boundaries between Big Government and Big Business is not liberal, conservative or capitalist but cor­poratist. Its main characteristics are huge transfers of public wealth to private hands, often accompanied by exploding debt, an ever-widening chasm be­tween the dazzling rich and the disposable poor and an aggressive national­ism that justifies bottomless spending on security. For those inside the bubble of extreme wealth created by such an arrangement, there can be no more profitable way to organize a society. But because of the obvious drawbacks for the vast majority of the population left outside the bubble, other features of the corporatist state tend to include aggressive surveillance (once again, with government and large corporations trading favors and contracts), mass incar­ceration, shrinking civil liberties and often, though not always, torture. ” ( p. 12 ff )

 

Robert Kaplans verdediging van het imperialisme

30 comments

 

Robert Kaplan, oorlogscorrespondent en neocon, redacteur van The Atlantic, en medeauteur van het Nederlandse neoconservatieve tijdschrift Opinio, houdt interessante meningen op na. In De Rode Hoed/ De Volkskrant op zondag zong hij vandaag het lof van het Amerikaanse leger en van opofferingsgezindheid, verdedigde hij het Amerikaanse imperialisme, zei dat hij bij compromissen toch gauw aan appeasement en Chamberlain moet denken, en legde hij uit dat hij weliswaar een voorstander is geweest van de Irak-oorlog maar dat hij nooit in heeft geloofd dat men een democratie in Irak zou moeten vestigen. Hij wilde graag een autocratisch regime zoals Mubarak. Dat heb ik nog geen andere neocon horen zeggen!

In een interview in de Groene Amsterdammer van 6-10-2006 had Kaplan hetzelfde al gezegd:

“Toen ik eind 2001 vóór de invasie van Irak was, heb ik hierover flinke botsingen gehad met neoconservatieven rond Bush. Het ging mij juist niet om democratisering, zoals zij wilden.
Natuurlijk wil je in essentie de regimes overal ter wereld vrijheidslievender maken. We kunnen strenger zijn, wat dat betreft, jegens Egypte en Saoedi-Arabië, maar het zou een fout zijn om die landen te dwingen democratisch te worden. Dat zou zwakke, etnisch verdeelde regimes opleveren die ten prooi kunnen vallen aan amokmakers, zoals de Iraniërs of fundamentalisten. Als Egypte, Saoedi-Arabië en Syrië democratieën zouden worden, zou dat uitlopen op een ramp. Laat de zoons de macht overnemen van hun vaders. Die zijn veel moderner en opener van geest. In Syrië is het mislukt omdat Bashir al-Assad niet talentvol genoeg is. Maar de zoon van Kadafi schijnt erg begaafd te zijn, en dat geldt ook voor Jamal Moebarak in Egypte.”

Origineel.

In 2007 heeft Kaplan vier artikelen geschreven in Opinio:

1. De macht van de stammen ( vgl ook de Volkskrant van 5 januari, het betoog)

Citaat: “Toen George W. Bush in 2000 voor het eerst een gooi deed naar het presidentschap, sprak hij over de noodzaak van ‘nederigheid’ in buitenlandse aangelegenheden. Nu onze troepen in praktijk brengen wat hij preekte, zien we na jaren van mislukkingen eindelijk enkele bescheiden resultaten.”

Commentaar MT: O, de nederigheid van Bush is nu pas doorgedrongen tot zijn troepen!?

2. Op wiens gezag schieten zij ( een verdediging van de particuliere bedrijven die het Amerikaanse militair ondersteunen)

Citaat: “Privébedrijven die voor het leger werken zullen er altijd zijn. En ze zullen een belangrijk deel uitmaken van de oorlogvoering in de toekomst.”

Commentaar MT: Logica: wat er is moet er dus zijn. Zoals het is, is het goed???

3. München versus Vietnam

Citaat: “Het fiasco in Irak zegt helemaal niets – in welke zin dan ook – over de wijze waarop we de gevaren van een nucleair Iran zouden moeten aanpakken”

MT: Echt niet?

4. Een historicus voor onze tijd ( over Herodot)

Citaat: “De boodschap van de Historiën [van de door Kaplan aanbevolen Herodot, M.T.]  is dat hoe afzichtelijker en recalcitranter de mensheid zich gedraagt, des te glorieuzer de helden zijn die aan dat soort omstandigheden wisten te ontstijgen.”

Commentaar MT: Brecht: “Unglücklich das Land, das Helden nötig hat.”

Hier nog meer materiaal voor degenen die geïnteresseerd zijn aan een in-depth Kaplan-discussie: Twee hoofdstukken uit het door mij besproken boek ‘Why America’s pundits are wrong’, van HUgh Gusterson, die over Kaplan gaan, geschreven door de antropologen Tone Bringa en Catherine Besteman.
Dan nog een kritisch interview dat Mark Schaevers maakte met Kaplan, afgedrukt in ‘Gevallen torens’.

 

Der Blaue Reiter: Franz Marc, August Macke. Paul Klee in de dierentuin

no comment


August Macke, Dierentuin

Franz Marc, De tijger, 1912

Franz Marc, Het aapje


Franz Marc, Der Mandrill

Paul Klee, Dierentuin Tiergarten


zie ook: Van 6 februari tom 24 mei 2010:Kandinsky en Der Blaue Reiter in het Gemeentemuseum Den Haag

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief