Wetenschap Kunst Politiek

Morbide slangen: het leven is maar een droom

20 comments

 

Ik houd van de Duitse barokliteratuur: de gedichten van Gryphius en van de beroemde barokroman Simplicius Simplicissimus van Grimmelshausen.

De Asam-Kerk in München (St. Johann Nepomuk ) kende ik niet van binnen, maar ik nam me voor om ernaar toe te gaan, zodra ik weer in München ben.

Nu ben ik er geweest.

Indrukwekkend, en zo barok het maar kan.
Rechts van de ingang, boven aan de muur, zag ik een levende dode, die een gouden slang om zijn borst en armen gewonden had: een bijzonder en opvallend motief.


Een ander wraakengel-figuur erboven had zelfs een cobra (?) om zijn arm.

Ik heb op internet gezocht, wie de levende dode zou kunnen zijn, en ik vond zeerinteressante informatie.

De afgebeelde scène is afkomstig uit een tragikomisch Jezuitendrama:  Jakob Bidermanns ‘Cenodoxus, in feite een literaire voorloper van Goethes Faust:

“Just after entering St. Johann Nepomuk in Munich […] we see on top of the confessional a sculptural group showing a corpse, entwined by snakes, one arm raised in anger, the mouth opened in a scream. Towering over the restless corpse a man, perhaps a monk, raises his right arm in a gesture that does not so much extend help as establish distance. This gesture is echoed by the putto below, who uses one of his wings to shield his eyes from the disturbing vision.

MORS PECCATORUM PESSIMA, proclaims the inscription above: “The death of sinners is the worst.”

Egid Quirin Asam’s contemporaries would have had no difficulty recognizing in this group a representation of the last scene of Jakob Bidermann’s Cenodoxus. The play closes in heaven. After a very sudden death, the doctor of Paris, who with Faust-like pride had sought to raise himself beyond the human condition, is called before God’s judgment throne and condemned to eternal suffering. Meanwhile, on earth, those mourning the death of this honored man are frightened by the corpse’s refusal to lie still. Three times it raises itself and speaks, the first two times to report an the trial taking place in heaven, the third time to tell of the judgment and to curse both the mother who bore him and himself. One of those watching this terrifying spectacle, a certain Bruno, recognizing the vanity of what the world thinks important, leaves society and becomes a hermit. Friends follow his example (Bruno is the founder of the Carthusian order); their example in turn was followed by members of the audience. The theatrical performance spilled over into life.

It is a typically baroque conclusion. The obsession with time and death, the emphasis on pride that refuses to acknowledge man’s mortality, are thoroughly Christian, and especially baroque.
[..]  Even the most powerful are not masters of their lives. Life is like smoke, pulled apart by a strong wind; or like a carnival play, or like a firework that, hardly begun, is already over.
In poem after poem, play after play, we hear the same refrain:
Vita enim hominum,
Nil est, nisi somnium,

as Bidermann’s Chorus mortualis sings. “We are such stuff as dreams are made on.”

——————Zo ver Karsten Harris. ——————————————-

Wat me bijzonder aantrekt in de barokke kunst, en het bijzonder in deze Asam-kerk: de mengeling van genres, vooral van beeldende kunst en toneel.

Nog bij de citaten uit Cenodoxus:
Vergelijk ook: Shakepeare, The Tempest:
We are such stuff
As dreams are made on; and our little life
Is rounded with a sleep
.”

En: Goethe, Faust, Zueignung ( = de tekst die helemaal aan het begin van Faust staat)  over de schaduwwereld van de herinnering. Goethe spreekt hier zijn eigen verzonnen figuren aan, die hem zijn leven lang hebben begeleid. Zijn tekst spiegelt veel van wat ik voel als ik in München ben:

“Ihr naht euch wieder, schwankende Gestalten,
Die früh sich einst dem trüben Blick gezeigt.
Versuch ich wohl, euch diesmal festzuhalten?
Fühl ich mein Herz noch jenem Wahn geneigt?
Ihr drängt euch zu! nun gut, so mögt ihr walten,
Wie ihr aus Dunst und Nebel um mich steigt;
Mein Busen fühlt sich jugendlich erschüttert
Vom Zauberhauch, der euren Zug umwittert. Ihr bringt mit euch die Bilder froher Tage,
Und manche liebe Schatten steigen auf;
Gleich einer alten, halbverklungnen Sage
Kommt erste Lieb und Freundschaft mit herauf;
Der Schmerz wird neu, es wiederholt die Klage
Des Lebens labyrinthisch irren Lauf,
Und nennt die Guten, die, um schöne Stunden
Vom Glück getäuscht, vor mir hinweggeschwunden.”

Ik heb nog veel meer interessante slangen gevonden in München, hier een foto uit de Frauenkirche, waar slangen zo te zien het vlees wegvreten rond de beenderen van een mens.

Ik houd van deze groteske kunst, een contrapunt tot al de saaie geïdealiseerde heiligen!

Bolkestein, de Burkianen, het Westen en het zelfvertrouwen

158 comments

In de Volkskrant schrijft de Leidse hoogleraar Frits Bolkestein vandaag over het verloren zelfvertrouwen van het Westen. Dit thema is een geliefd neocon-thema, en Bolkestein, die heeft geholpen de Leidse neoconservatieve Edmund Burke Stichting op te richten, heeft van begin aan met de Burke-professoren over dit thema overlegd.
Bolkestein in sein Grensverkenningen, waar de Burkianen Livestro, Kinneging, Michiel Visser en Cliteur herhaaldelijk ter sprake komen: “Vrijdag 31 maart 2000, Lunch met een stel slimme academici in Nieuwspoort, allen leer­lingen van Andreas Kinneging, die er ook was; georganiseerd door Joshua Livestro, die nu mijn persoonlijke medewerker in Brussel is […] . Onderwerp van gesprek was het liberalisme, het postmodernisme (en wat daar­tegen te doen) en het verlies aan zelfvertrouwen van de Europese eli­te..”

Bolkestein heeft naar mening gelijk: matiging en zelfrelativering behoren tot de kernwaarden van de westerse beschaving (en de intellectuele beschaving), en zijn zeer zeker door de christelijke cultuur sterk beïnvloed.

Hans Boutellier over Bolkestein-zoon Wilders en de Westerse zelfrelativerende zwakte:

“Hij [Wilders] heeft de gespletenheid van het westerse relativisme tot spreken gebracht. Die kent verschillende varianten: We verdedigen het recht op zijn film, maar willen hem niet uitzenden. We omarmen de tolerantie, maar verafschuwen Wilders’ radicalisme. We verwijten hem de provocatie, maar verdedigen het recht op vrije meningsuiting.
We zien de noodzaak van verdediging van onze waarden, maar deze verhinderen ons te kunnen kiezen. Het westerse relativisme – een historisch hoogtepunt van beschaving – ontbreekt het aan het idioom om het te beschermen tegen de fundamentalistische ondermijning ervan. Wilders confronteert ons met deze essentiële zwakte, en noemt dat ten onrechte lafheid. Wat we te verdedigen hebben, is de westerse verworvenheid om zwak te kunnen zijn.
Deze gespletenheid verdraagt geen koste-wat-het-kost-waarheden. Zij ligt ten grondslag aan de ontwikkeling van de wetenschap, aan de democratie en aan de emancipatie van individuen en gemeenschappen onder de conditie dat zij zich voegen naar de gespleten ziel van de vrijheid.” (de Volkskrant 27-3- 2008)

“Prettige” kerstdagen gewenst:
De Burke Stichting als kerstboom

overige Bolkestein-blogs:
Oorlog en handel; Nederland en Mutter Courage
[over Bolkestein en het gifgas, nu zeer actueel zie http://www.vkblog.nl/bericht/293110/Slachtoffers_willen_geld_van_Van_Anraat)]

verder:
Bolkestein: moslims geen recht op eigen scholen
De fata morgana van een moslim-tsunami: Bolkestein en Bernard Lewis
Tegen en voor het consumentisme: Benjamin Barber, Peter Sloterdijk, Frits Bolkestein
Bolkestein, Wilders en Turkije
Guido Derksen over Bolkesteins anti-intellectuele integratiedenken
De deugden van prof. dr. Bolkestein ( 3)
De deugden van Frits Bolkestein (2)
De deugden van Frits Bolkestein (1)
Wilders, het kind van vader Bolkestein/ Turkije

zie ook mijn documentie over de rol die Bolkestein heeft gespeeld in de achtergrond van Edmund Burke Stichting en bij de opkomst van Wilders
http://www.passagenproject.com/conservatisme.html

Sneeuwslangen, schaduwslangen, droomslangen, zandslangen

12 comments


Cobra slang in de zonsonderdang

Maurits Berger over de sharia

95 comments

( als alles gaat zoals gepland…)

Berger is jurist en Arabist, en een zeer gedifferentieerde denker, die een geheel andere positie inneemt dan zijn (toekomstige) Leidse juristencollega’s Ellian en Cliteur.
Berger is gespecialiseerd op de sharia. Een uitvoerige WRR-publicatie van zijn hand, Klassieke sharia en vernieuwing,  is te lezen op internet.
Hier gaat Berger in op de klassieke sharia, familierecht en strafrecht volgens de sharia, moderne ontwikkelingen en op sharia en mensenrechten.

Berger heeft veel jaren in het Midden-Oosten gewoond en verzet zich tegen het Zwart-Wit -denken over de islam.

Dus voor “rechts” is de benoeming van Berger vanzelfsprekend een ergernis.

Een uitgebreid artikel in Trouw van 11 juni 2003 geeft een overzicht van het denken van Maurits Berger:

“Om het islamistisch recht te doorgronden, woonde en werkte Berger in Egypte en later in Syrie. Nederland komt sterk overeen met een islamitische modelstaat, ontdekte hij tijdens zijn sjariastudie. ‘Eis is dat er wordt geregeerd volgens consensus en raadpleging, en onze democratie voldoet daaraan. De sjaria komt voor 98 procent overeen met het Nederlands recht.’

Het verschil is slechts twee procent, meent Berger; het zijn de straffen die staan op overspel, diefstal, alcoholgebruik, afvalligheid van de islam en laster, en enkele regelingen in het familierecht, over vrouwen- en mannenrechten.

Berger belicht graag de ‘andere kant van de sjaria‘, maar wordt tot zijn ergernis ‘onmiddellijk om de oren geslagen met de onderdrukking van de vrouw’. Haar positie was -en is soms nog altijd- in de sjaria gelijk aan de christelijk-Europese. Dat het vrouwen slecht gaat in moslimlanden komt niet door de islam. Ze delven het onderspit omdat ze tot de lagere klassen van arme, onderontwikkelde, traditionele en conservatieve samenlevingen horen. “Hoe kan het toch dat juist moslimvrouwen uit de hogere klassen het vaak vele malen beter doen dan hun zusters in Nederland?”

Het beeld van vrouwonderdrukkende islam is misplaatst, vindt Berger. Het is ontleend aan kledingvoorschriften en het autorijdverbod in Saoedie-Arabie. In de sjaria is het niet terug te vinden. “Saoediers verpesten het voor de moslims.”

[…]
Tegen de heersende opvattingen in, is Berger ervan overtuigd dat de integratie van moslims in Nederland niet is mislukt. Er zijn wel problemen, maar die hebben ‘alle migranten over de hele wereld’. De achterstand van moslims ‘is zowel voor ons als voor hen een probleem’. “Wij zien vrouwenbesnijdenis en bloedwraak als typische aberraties van de islam omdat zij toevallig in moslimlanden plaatsvinden, terwijl zij niets met de islam van doen hebben. Omgekeerd noemen wij Italiaanse maffiapraktijken geen christelijk verschijnsel, net zomin als wij het afbinden van vrouwenvoeten in China confuciaans noemen. De vraag is dus: wil je het wel weten?”

[…]
Moslims, stelt Berger bezorgd vast, willen zelf ook niet op hun religie worden aangesproken, iets wat na 11 september wel gebeurt. Ze moeten zelfs verantwoording afleggen voor ‘de daden van een paar gekken’. Berger ‘veroordeelt’ de aanslagen. “Tegelijkertijd begrijp ik de achtergronden. Ik bedoel niet de psychologische roerselen van de zelfmoordenaars, maar de politiek-sociale omgeving die hen ertoe heeft aangezet. Ik was geschokt, maar niet verbaasd.” Berger vreest een self-fulfilling prophecy: “Als moslims constant als monsters worden afgeschilderd, gaan ze zich er misschien ook naar gedragen of op z’n minst provoceren.”

Nederland creëert en koestert zijn monster uit ‘angstlust’, zoals Berger het noemt. We doen wel alsof we ervanaf willen door kennis op te doen, maar lezen dan boeken van onderdrukte en mishandelde moslimvrouwen, van radicale imams. Zo blijft de ‘oprukkende’ islam lekker eng. Die angst is ook Berger niet vreemd. Toen hij, na jaren islam- en taalstudie voor het eerst in Damascus het vrijdagmiddaggebed bijwoonde, “stond ik daar met trillende benen van angst. Ik kreeg beelden voor me van een massa moslims die me wilde lynchen. De angst ging dwars door mijn buik. Daar had ik dus tien jaar voor doorgeleerd.”

Onlangs verscheen Bergers ‘Islam onder mijn huid’. De reacties erop vindt de auteur onthullend. “Men vraagt naar feiten over de islam, maar hangt daar altijd een waardeoordeel aan: ‘Is het niet zo dat in Nigeria…?’ en nooit: ‘Wat vind je van Nigeria?’ Men vraagt om bevestiging van een negatief beeld. En ik moet wel van zeer goeden huize komen om dat beeld te ontkrachten.”

[…]
Het Westen vreest de halve maan, maar moslims hebben historisch meer reden bang te zijn voor het christelijke Westen. “Het Westen heeft wel degelijk schuld aan de problemen van de moslimwereld, om de simpele reden dat nagenoeg de hele moslimwereld tot het einde van de jaren veertig gekolonialiseerd was. Het Westen grijpt nog steeds krachtig in in de jonge onafhankelijke moslimstaten wanneer de westerse belangen in het geding raken. Dat wil niet zeggen dat moslimlanden achterover kunnen leunen en hun handen mogen wassen in onschuld. Integendeel. Zij zijn absoluut verantwoordelijk voor de puinhoop die zij er zelf van maken. Maar wat ik westerse landen kwalijk neem is hun pretentie alsof zij onafhankelijke toeschouwers zijn en het beste voor hebben met de moslimwereld. De moslimwereld heeft meer reden tot angst en wantrouwen. Dat kan een motivatie zijn van moslimextremisten.”

Maurits Berger heeft ook in 1995 een lang artikel geschreven over Nasr Abu Zayd en de juridische details van het absurde proces tegen Abu Zayd in Egypte.


Meer tekst uit het boek van Maurits Berger is te vinden hieronder in mijn eigen reacties!


——————————————————————————-
Op 8 juli 2009 schreef Maurits Berger en artikel in de NRC over de eventuele sharia-rechtbanken in Nederland:

“De commotie van vorige week rondom sharia-rechtbanken in Engeland, die zelfs tot Kamervragen heeft geleid, doet sterk denken aan het pandemonium over de ‘invoering van sharia’ in Canada in 2004. Het woord ‘sharia’ blijkt voldoende te zijn om mensen de stuipen op het lijf te jagen.
Laten we eerst vaststellen dat shariarechtbanken in Nederland niet bestaan. Hoogstens gaan moslims voor sommige problemen en geschillen naar een imam, of raadplegen zij internet.
Maar stel dat de rechtbanken er wel zouden zijn. Men zegt dan te vrezen voor parallelle vormen van conflictbeslechting in Nederland. Maar die bestaan al. Is dat verboden? Neen. Is het wenselijk? Daarover zijn de meningen verdeeld, maar het is wel onderdeel van onze democratische rechtsstaat.
In West-Europese landen is immers altijd al sprake van twee systemen: rechtbanken die uitspraak doen over de wet en andere geschillencommissies die door mensen op basis van vrijwilligheid worden gebruikt. Het gaat dan om arbitrage (zoals in de bouw), mediation (zoals bij echtscheidingen) of religieuze ‘rechtbanken'(zoals katholieken en joden die hebben).
Deze geschillencommissies hebben hun eigen regels en hun eigen ‘rechters’, en dienen als alternatief voor de gewone rechtbank.
Dus zelfs áls de moslimgemeenschap in Nederland shariarechtbanken zou willen, kan hun dat moeilijk ontzegd worden. Want katholieken en joden hebben ook hun eigen rechtbanken. En daar gelden ook regels die indruisen tegen de Nederlandse rechtsorde: van de katholieken mag je niet scheiden en bij de joden heeft de vrouw toestemming nodig van de man om te mogen scheiden.
Deze vrijheid van religie heeft wel grenzen. Steniging, uithuwelijken van minderjarigen, handen afhakken: uitvoering van deze testamentische en koranische regels is absoluut verboden. Maar religieuze rechtbanken gaan vooral over kwesties van huwelijksrecht voor volwassenen. Als die zich vrijwillig willen onderwerpen aan religieuze regels die bijvoorbeeld de ongelijkheid van man en vrouw stellen, dan is dat hun religieuze vrijheid, zoals ook de SGP die mag uitdragen.
Een ander probleem is het woord ‘rechtbank’: door te spreken van shariarechtbanken is het alsof zij dezelfde rechtsmacht hebben als gewone rechtbanken. Dat is in Nederland niet het geval. De Nederlandse rechter zal religieuze huwelijken en echtscheidingen niet erkennen, alleen het burgerlijke huwelijk.
Maar dat de wet het niet erkent wil niet zeggen dat de wet het verbiedt. Men mag dus wel degelijk religieus trouwen en scheiden. Alleen heeft de rechter daar geen boodschap aan. Net zo min als de rechter een boodschap heeft aan Anton Heyboer die met vier vrouwen leefde, of communes die er vrije seksuele omgangsvormen op na houden.
De katholiek is dan gescheiden volgens de wet, maar blijft gehuwd volgens kerkelijk recht, evenals het joodse stel gescheiden kan zijn voor de wet, terwijl de vrouw nog wacht op toestemming van haar man om ook volgens joods recht gescheiden te zijn.
Het naast elkaar bestaan van wereldlijke en religieuze rechtspraak leidt vaak tot begripsverwarring. In het geval van een shariarechtbank, bijvoorbeeld, zal de vraag of polygamie is toegestaan in de islam bevestigend worden beantwoord. Dat betekent niet dat het ook mag volgens de nationale wet van het land waar men woont. Maar als men een vraag voorlegt aan een religieus instituut krijgt men ook een religieus antwoord.
Verwarrend in deze kwestie is voorts dat in Angelsaksische rechtssystemen, zoals in Groot-Brittannië en Canada, de geschillenbeslechting in familiekwesties de vorm kan aannemen van door de staat erkende arbitrage. Dat betekent dat de uitspraak van de religieuze arbitragecommissie wel wordt erkend door de rechtbank. Dit was bijvoorbeeld het geval in de Canadese staat Ontario, waar joodse en christelijke arbitragecommissies hun eigen wetten toepasten.
Dat was jarenlang het geval, totdat de moslims in 2004 hetzelfde wilden doen. Toen werden opeens de tekortkomingen van het systeem belicht. Er werden kanttekeningen geplaatst bij de ‘vrijwilligheid’ waarmee religieuze partijen zich tot deze arbitragecommissies zouden wenden. Op zich terecht. Onterecht was echter dat dit alles werd gezien als een exclusief islamitisch probleem. De moslims wilden niet meer dan wat al lang werd gedaan door andere religieuze gemeenschappen in Ontario.
Ditzelfde verschijnsel dreigt zich nu in Nederland voor te doen. Want als moslims ons systeem van parallelle religieuze geschillenbeslechting zouden navolgen en er dus ‘shariarechtbanken’ ontstaan, zou de verontwaardiging groot zijn. Op zichzelf is dat misschien terecht, maar men moet zich dan wel de vraag stellen waarom alle zorg zich alleen op hen richt.
Het is dan van tweeën één: of de moslims wordt toegestaan hetzelfde te doen wat hun religieuze collega’s al eeuwen doen, of het gehele systeem van religieuze rechtspraak moet ontmanteld worden.
Het gaat er dus niet om dat moslims iets typisch islamitisch doen wat op eigen merites beoordeeld moet worden. Nee, zij volgen de begane paden van de maatschappij waarin zij leven en moeten dus naar nationaal geldende maatstaven beoordeeld worden. Daar ontbreekt het nogal eens aan.”

Generaliseren en stigmatiseren in de naam van Plato

52 comments

De neocon Paul Cliteur probeert zijn polariserende generalisaties te verkopen als wetenschap: “Wetenschap is generaliseren. Filosofie ook. Wie bij de particuliere geaardheid van de dingen wil blijven staan  zal nooit wetenschapper worden.”[1]


Daarop zeg ik: Ook wie alleen maar of te veel generaliseert is geen goede wetenschapper. De wetenschap bestaat in een dialectisch proces dat afwisselend generaliseert en specificeert/differentieert. Wie over matschappelijke tegenstellingen alleen maar generaliseert, die polariseert en discrimineert.
Kritiek mag en moet, polemiek ook. Kritiek moet specifiek zijn, en zo min mogelijk generaliseren. Cliteur: “Wat mij ergert, is dat men mij het recht om generaliserende uitspraken te doen, wil ontzeggen.”
[2] Niemand wil hem een recht ontzeggen. Maar kritiek op hem moet geoorloofd zijn, omdat generaliserende uitspraken maatschappelijk onnodig polariserend werken.

Trots zegt Cliteur over zijn eigen doelstellingen: “Stigmatiseren is zeker ook de bedoeling!”( Tegen de decadentie, p 41)

De tot maxime verheven generalisaties van Cliteur en zijn mede-Burkianen zijn filosofisch een gevolg van een radicaal Platoons denken, ook wel “essentialisme” genoemd.


“[Cliteur]: Ik ben een idealist.” “Cliteur [vindt]  De Staat van Plato nog altijd één van de belangrijkste filoso­fieboeken aller tijden. Hij beaamt de kritiek die vaak op De Staat te horen is, dat het een anti­democratisch en zelfs een totalitair geschrift is. ‘In dat boek zijn de meest krankzinnige dingen te vinden.’ Maar wat hem zo aanspreekt, is de gedachte dat de staat gericht moet zijn op een bepaald ideaaltype van de staat, in ons geval de rechtsstaat. Dat idealisme vindt Cliteur ‘een mooi contrapunt voor een wijdverbreid cynisme dat in de samenleving aanwezig is. De meeste commentaren die tegenwoor­dig op de internationale politiek worden gegeven zijn doordrongen van een heel diep pessimisme. […] Achter zo’n humanitaire actie in Irak bijvoorbeeld, kán daarom [volgens critici]  niets anders zitten dan oliebelangen. Het idealistische wereldbeeld staat daar tegenover. Daarin wordt aangenomen, dat ook staten zich kunnen laten leiden door ideële overwegingen. Het verbreiden van democratie, mensen­rechten en de scheiding van kerk en staat als universele uitgangspunten, dat gaat uiteindelijk terug op platoons erfgoed, in die zin dat het idealen in deze wereld wil verwerkelijken.’ ” (Filosofie Magazine, 9-2004)

Cliteur:”‘Ik ben steeds radicaler geworden. Ik heb wat dat betreft een omgekeerde ontwikke­lingsgang als Plato doorgemaakt. Plato schreef eerst De Staat, een erg radicaal boek, en daarna De Wetten, dat veel gema­tigder is. Ik begin juist steeds meer onvol­komenheden te zien. Sommige zaken zijn zo structureel verkeerd, dat je hard moet rammen om er doorheen te komen. Dat is een taak die ik mijzelf gesteld heb.‘ ”  “(Filosofie Magazine, 9-2004)

Karl Popper heeft in zijn The open society and its enemies –  een zeer kritische bespreking van Plato’s Staat – het begrip ‘essentialisme’  voor het Platoonse denken gebruikt. Daarom is het interessant de argumentatie en definitie  bij Popper nog eens na te lezen:

“I use the name methodological essentialism to characterize the view, held by Plato and many of his followers, that it is the task of pure knowledge or ‘science’ to discover and to describe the true nature of things, i.e. their hidden reality or essence. It was Plato’ s peculiar belief that the essence of sensible things can be found in other and more real things-in their primogenitors or Forms. Many of the later methodological essential­ists, for instanee Aristotle, did not altogether follow him in this; but they all agreed with him in determining the task of pure knowledge as the discovery of the hidden nature or Form or essence of things. All these methodological essentialists also agreed with Plato in holding that these essences may be discovered and discerned with the help of intellectual intuition; that every essence has a name proper to it, the name af ter which the sensible things are called; and that it may be des cri bed in words. And a description of the essence of a thing they all called a ‘definitiori’ . According to methodological essentialism, there can be three ways of knowing a thing: ‘I mean that we ean know its unchanging reality or essence; and that we can know the definition of the essence; and that we can know its name. Accordingly, two ques­tions may be formulated about any real thing … : A person may give the name and ask for the definition; or he may give the de finition and ask for the name.’ As an example of this method, Plato uses the essence of ‘even’ (as opposed to ‘odd”): ‘Number … may be a thing capable of division into equal parts. If it is so divisible, number is named “even”; and the definition of the name “even” is “a number divisible into equal parts” … And when we are given the name and asked about the defin­ition, or when we are given the definition and asked about the name, we speak, in both cases, of one and the same essence, whether we call it now “even” or “a number divisible into equal parts”.’ After this example, Plato proceeds to apply this method to a ‘proef concerning the real nature of the soul, about which we shall hear more later.
Methodological essentialism, i.e. the theory that it is the aim of science to reveal essences and to describe them by means of def­initions, can be better understood when contrasted with its opposite, methodological nominalism. Instead of aiming at finding out what a thing really is, and at defining its true nature, methodological nominalism aims at describing how a thing behaves in various circumstances, and especially, whether there are any regularities in its behaviour. In other words, methodological nominalism sees the aim of science in the description of the things and events of our experience, and in an ‘explanation’ of these events, i.e. their description with the help of universal laws.” ( p 29 f)
“As indicated by our example, methodological nominalism is now­adays fairly generally accepted in the natural sciences. The problems of the social sciences, on the other hand, are still for the most part treated by essentialist methods. This is, in my opinion, one of the main reasons for their backwardness.”
The most important meaning which he attaches to it is, I believe, practically identical with that which he attaches to the term ‘essence’. This way of using the term ‘nature’ still survives among essentialists even in our day; they still speak, for instance, of the nature of mathematics, or of the nature of inductive inference, or of the ‘nature of happiness and misery. When used by Plato in this way, ‘nature’ means nearly the same as ‘Form or ‘Idea’: for the Form or Idea of a thing, as shown above, is also its essence. ‘” ( p 75 f)
“Thus the terms ‘nature’ and ‘race’ are frequently used by Plato as synonyms, for instance, when he speaks of the ‘race of philosophers’ and of those who have ‘philosophic natures’: so that both these terms are closely akin to the terms ‘essence’ and ‘soul’. ” ( p. 77)

Bij Plato al is de term “ras” gebonden aan dit idealistische denken. Naar mijn mening is veel van het huidige dualistische cultuur- en religie-denken en vorm van cultuurracisme

 

Meer over racisme op dit blog


[1] De onuitstaanbare leegte van links, Trouw 17-1-2004, http://www.civismundi.nl/Civis_Mundi_opinie/Cliteur_opinie_De_onuitstaanba/body_cliteur_opinie_de_onuitstaanba.html [2] Hutspot Holland, p. 182.

Een Stockhausen-parodie: Tristanakkoord

no comment

Bij de dood van de Duitse componist Karlheinz Stockhausen een leesaanbeveling: de roman Tristanakkoord van de Duitse schrijver (en literatuurwetenschapper) Hans-Ulrich Treichel, waar de figuur Bergmann een leuke Stockhausen-karikatuur is.
Ik vind deze roman uit 2000, die – net als andere leuke romans van Treichel –  ook in het Nederlands is vertaald, schitterend, amusant, geestig, en om tranen te lachen. Een ironische kritiek op heldenvertoon en heldenallures.

De roman leeft van de tegenstelling tussen de klungelige Kafkaëske germanist-promovendus Georg en de Übervater Bergmann/Stockhausen.

Uit de recensie van Anneriek de Jong: “Bergmann is een Duitse componist van wereldfaam, ‘een soort Brahms of Beethoven’, schat Georg, die een klusje voor hem mag doen. Bergmann heeft alles wat Georg niet heeft: vrouwen, lef, roem, geld, ideeen en een aristocratisch profiel. Georg corrigeert Bergmanns memoires. Boven hem zoemt de elektrische puntenslijper van zijn baas. Die componeert zo snel dat het Georg ‘euforisch verkwikt’. Maar niet heus. Vergeefs probeert de dichter een gedicht te schrijven over de vergeefse poging een gedicht te schrijven.
Via Schotland en New York reizen we achter de componist en zijn assistent aan naar Sicilië. Stuk voor stuk excentrieke locaties die Treichel nuchter beschrijft. Zoals hij ook de excentrieke kanten van Bergmann bijna droogkomisch weergeeft.[…] ” (NRC 2-3-2001)

Hier als smaakproef een scène , die gaat over Bergmann en zijn concurrenten en de kwestie wie wel en wie niet in de memoires en het bijhorende persoonregister van Bergmann moet worden opgenomen:

“[…] wel waren er ook nog Scheer en Witte, die beiden ongeveer van dezelfde leeftijd waren als Bergmann en Nerlinger, en die sinds tientallen ja­ren werkzaam waren en internationale bekendheid genoten, maar Scheer noch Witte was werkelijk een concurrent. Bergmann had hem [de germanist Georg, M.T.] op een van de avonden bij het haardvuur over zijn generatiegeno­ten verteld en Georg had aanvankelijk de indruk dat hij uiterst welwillend tegenover hen stond. Vooral Scheer en Witte loofde hij nadrukkelijk vanwege hun consequente eigenzinnigheid, zoals Bergmann het noemde. Scheers eigenzinnigheid bestond erin dat hij zelfs bouwkranen en sloopkogels in zijn composities gebruikte, wat in een normale concert­zaal natuurlijk niet te doen was. Witte daarentegen was in zoverre eigenzinnig dat hij verschillende on­derzoeksinstituten en rekencentra voor zijn com­posities nodig had. Voor een van zijn beroemdste orkeststukken, Pythagoras’ Wortel uit Een, had hij zelfs de CERN in Genève in de arm genomen. ‘Zonder atoomonderzoek doet Witte het niet meer,’ zei Bergmann. Hijzelf had alleen papier, een potlood en een puntenslijper nodig. Maar Witte een deel­tjesversneller. Bergmann zei dat hij hoopte dat Wit­te en Scheer nog veel composities voor sloopkogel, bouwkraan, deeltjesversneller en onderzoekscen­trum zouden schrijven. ‘Ik juich dat van harte toe,’ zei Bergmann. Dat maakte de speelplannen en con­certzalen vrij voor zijn eigen werken, en daarmee was immers iedereen gediend. En dus kon Berg­mann ook betrekkelijk onbewogen Witte en Scheer lof toezwaaien in zijn memoires. Nerlinger daaren­tegen kon hij minder onbewogen lof toezwaaien. Nerlinger schreef net als Bergmann opera’s en sym­fonieën. Met potlood en geschikt voor opera- en concertzalen. Het liefst zou Bergmann Nerlinger helemaal niet noemen. Maar dat zou opvallen. Dus hij had hem wel genoemd, maar slechts één keer en alleen omdat ze in de jaren zestig eens beiden bij een receptie van de bondspresident waren geweest en Nerlinger voor hem in de rij had gestaan. ‘Voor me stond Nerlinger,’ luidde de passage, ‘en achter me Sepp Herberger.’ Natuurlijk was dat niet groot­moedig, maar kleingeestig, dat wist ook Bergmann, hoewel hij Georg verzekerde dat het precies zo ge­gaan was. Georg was eveneens van mening dat Berg­mann niet Nerlinger níet kon noemen. Daar zou de pers ogenblikkelijk op afvliegen, Een moment over­woog Georg of Bergmann Nerlinger misschien zou kunnen vergeten. Maar hoe kon je het vergeten van Nerlinger onderscheiden van het bewust niet-noe­men van Nerlingen? Een literair stijlmiddel voor dit onderscheid moest nog worden uitgevonden. Georg nam zich voor deze problematiek in zijn achter­hoofd te houden voor zijn proefschrift. Maar Bergmanns probleem met Nerlinger kon in elk geval niet door vergeten worden opgelost. Restte alleen een andere benadering: Nerlinger veel noemen. Georg stelde Bergmann voor de naam Nerlinger op andere plaatsen in het boek te verwerken. Om de tien bladzijden zou in Bergmanns memoires de naam Nerlinger moeten voorkomen. Zoals elke tien minuten in de Tristan het Tristanakkoord klinkt. Toen Bergmann Georgs voorstel hoorde, antwoord­de hij onmiddellijk wat geïrriteerd: ‘Onmogelijk’, zweeg vervolgens een tijdje en zei ten slotte dat hij een idee had. Omdat het boek eindigde met het ver­blijf in Schotland en de voltooiing van Pyriphlegethon voor groot orkest, zou hij ook de overhandiging van de vleugel, de persconferentie, de journalisten met hun rode gezichten en de vraag over Nerlinger en natuurlijk ook zijn briljante antwoord daarop in het boek opnemen. ‘Dat is de oplossing,’ zei Berg­mann en ook Georg was het met hem eens en zei dat in dat geval Nerlinger natuurlijk ook in het namen­register moest worden opgenomen. ‘Geen pro­bleem,’ vond Bergmann, zodat Georg ook meteen nog naar Sepp Herberger vroeg. ‘Ook opnemen,’ zei Bergmann genereus.
( pagina 84 ff)

Islamofobie toen en nu

44 comments


“De angst voor moslims en de islam is toegenomen in Europa, ook in Nederland. Dat concludeert het Europese Netwerk tegen Racisme (ENAR) in het jaarrapport over 2006

Volgens het in Brussel gevestigde netwerk nemen sommige vormen van racisme in Europa nog steeds toe. De onderzoekers vermelden in het bijzonder de islamofobie, de angst voor de islam. […] Er is volgens ENAR in de EU nog steeds sprake van een stijging van het aantal extremistische organisaties en van politieke partijen met racistische standpunten. Dit speelt zich af “niet alleen in de marges van de politiek maar steeds meer bij de grote partijen en zelfs binnen regeringen”.

ENAR vindt de “voortdurende trend waarin moslims en de islam worden beschouwd als gevaar voor de Nederlandse samenleving” zorgwekkend. (NRC 22-11-2007)

Ook de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa wil de intolerantie tegenover moslims aanpakken.

De neoconservatieve beweging kan tevreden zijn, zo concludeerden veel sprekers. Hun boegbeeld Samuel Huntington is er met zijn boek Clash of Civilizations in geslaagd de latente angst voor de moslims in het Europese bewustzijn nieuw leven in te blazen. “Er is geen strijd tussen beschavingen, maar een politieke oorlog”, meende de secretaris-generaal van de Arabische Liga, Amr Moussa. Na het einde van de Koude Oorlog is de islam als vijandbeeld in de plaats gekomen van het rode gevaar, aldus de secretaris-generaal.

Hoogleraar Humayun Ansari, die doceert aan de Royal Holloway universiteit van Londen: “De idee dat de islam per definitie een godsdienst is van fanatiekelingen, die gepaard gaat met geweld, is sinds de ondergang van het Ottomaanse rijk niet meer zo rechtstreeks geventileerd.” Extreemrechts is erin geslaagd om de angst voor moslims door te laten dringen in de mainstream politieke partijen, zo meent zijn collega hoogleraar Hisham Hellyer.” ( NRC, 11-10-2007)

In het nieuwe boek van Lucas Catherine Van Morendoders tot botsende beschavingen wordt een interessant overzicht gegeven over de eeuwenoude traditie van islamofobie.
De kruistochten komen langs, de humanisten, de kolonisatie, Bernard Lewis, Samuel Huntington.

Interessant vond ik een lang citaat over Erasmus. Dit viel me op omdat ik kort geleden  in het boek Islamisten en naïvisten had gezien dat Afshin Ellian zijn eigen islamofobie ook rechtvaardigt met een beroep op Erasmus:
Ellian:
“Erasmus, die nog geen last had van politieke correctheid, kwalificeerde in Consultatio de bello Turcis inferendo de islamitische veroveringen als volgt: ‘Terwijl het minste lapje grond voor ons aanleiding is om als razenden met elkaar in de clinch te gaan, verleggen zich intussen onophoude­lijk de grenzen van wat ik veeleer een schurkenstaat dan een rijk zou willen noemen. In het noorden reiken ze tot de Zwarte Zee, in het oosten tot de Eufraat.'[…]
‘De oor­sprong van het volk laat een combinatie zien van obscuriteit en bar­baarsheid. Traceer je het begin van hun machtsontplooiing, dan vind je een huurlingenleger en de perfide moord op een prins wie ze eeu­wige trouw hadden gezworen. Het is één doorlopend verhaal van door wreedheid verworven rijkdom, vermeerderd door roof. Van verderfelijke huwelijkspolitiek, goddeloze broedermoord, afzetting van vaders door zonen; van flagrante trouweloosheid en onmenselij­ke wreedheid. Om nog te zwijgen over hun zeden en geloof.’ [1]

Ellian-vriend Bolkestein, die oorlog tegen de islam graag als een “heilige oorlog” gekwalificeerd ziet, en bang is dat de islamitische bezetter binnenkort zijn land in bezit neemt, heeft dit boek Islamisten en naïvisten zeer lovend besproken. Geen wonder, naast de inleiding door de Leidse vriend Ellian komt ook Bolkestein-held Bernard Lewis zeer regelmatig langs in dit paranoïde boek dat het vermeend wereldwijde complot van islamisten beschrijft, dat bezig zou zijn Europa te veroveren.
Uit Islamisten en naïvisten:
“De opkomst van het islamisme onder moslims in Europa is bovenal van verstrekkende betekenis omdat moslims een snelgroeiend deel van de Europese bevolkingen uitmaken. In een reeks grote steden zullen ze binnen afzienbare tijd een meerderheid vormen. Volgens islamoloog Ber­nard Lewis zal Europa een islamitische meerderheid hebben tegen het einde van deze eeuw als de huidige ontwikkeling in immigratie en bevolkingssamenstelling doorgaat. ( p.30)

Bernard Lewis verwijst naar het feit dat er altijd karikaturen van Mohammed in Europa hebben bestaan – ook die veel confronteren­der waren dan de cartoons in Jyllands-Posten: Dit heeft echter niet tot opstand geleid in de moslimwereld, juist omdat deze zaken al­leen als strafbaar werden beschouwd als ze plaatsvonden in de mos­limwereld. De cartoonkwestie laat zien dat dit veranderd is. Lewis concludeert: ‘Er bestaat slechts één verklaring: ze zien Europa nu als een deel van het moslimgebied, Dar al- Islam.’ “( p. 49)

Bernard Lewis ziet de cartoonkwestie als een stap in de richting van het doel dat de Europeanen dhimmi’s worden: ‘De Denen zijn voor hen dhimmi’s geworden. Historisch gezien waren de dhimmi­bevolkingen in eerste instantie een meerderheid, die toen geleidelijk een minderheid werden. Zoals vandaag de dag in Europa.:” (p. 53)

Lewis’ ( en Bolkesteins)  paranoïde ideeën over een te verwachten islamitische autoritaire meerderheid in Europa of Nederland worden niet gesteund door demografisch onderzoek, zie mij blog De fata morgana van een moslim-tsunami: Bolkestein en Bernard Lewis

 


[1] Inleiding in: Karen Jespersen,  Islamisten en naïvisten, 2007

Erotische tekeningen en kunst van Gustav Klimt

1 comment

 

Gustav Klimt erotische tekeningen

Gustav Klimt erotische tekeningen

In het Wenen van het Fin de siècle werd de vrouwelijke seksualiteit een focus van interesse onder kunstenaars en wetenschappers: Freud, Klimt, Schiele, Kokoschka, en in de literatuur Arthur Schnitzler.

Klimt maakte veel erotische tekeningen en schilderijen, hierbij sterk geïnspireerd door de nieuwe, vrije manier van tekenen die Auguste Rodin gebruikte.

Gustav Klimt erotische tekeningen

Gustav Klimt erotische tekeningen

 

Gustav Klimt erotische tekeningen

Gustav Klimt erotische tekeningen

Klimt erotische tekeningen

Klimt erotische tekeningen

Gustav Klimt erotische tekeningen

Gustav Klimt erotische tekeningen

 

Gustav Klimt erotische tekeningen

Gustav Klimt erotische tekeningen

 

Gustav Klimt erotische kunst Danae orgasme

Gustav Klimt erotische kunst Danae

 

Gustav Klimt erotische kunst

Gustav Klimt erotische kunst

De wereldverbeteraar/ Biecht voor een Academie/ cobra slangen

28 comments

George Knight meent in mij de Wereldverbeteraar van Thomas Bernhard te herkennen.
Niet slecht.
Hier eerst een paar Thomas Bernhard-citaten, en dan een tekst van mij,
“Biecht voor een Academie”.

Thomas Bernhard:
De Wereldverbeterar spreekt over zijn “Traktat zur Verbesserung der Welt”:
“Es ist ja kein Kunstwerk einerseits
weil es sich um Philosophie handelt
andererseits ist es das Kunstvollste

[…] Musik sollte es sein
einerseits
Aber die Musik gibt der Philosophie die Geistesblöße
So wie es ist gehört es gelesen
vollkommen unmusikalisch einerseits
hochmusikalisch andererseits […]

Wenn ich es höre bin ich glücklich […]

Wir rennen einer Idee nach und verirren uns
Labyrinthisch
sehr labyrinthisch […]
Alle Wege führen unweigerlich
in die Perversität
und in die Absurdität
Wir können die Welt nur verbessern
wenn wir sie abschaffen

[…]
Einmal habe ich Montaigne vertraut
zuviel
dann Pascal
zuviel
dann Voltaire
dann Schopenhauer
Wir hängen uns so lange an diese philosophische Mauerhaken
Bis sie locker sind […]

… […] Ich danke für Ihre Aufmerksamkeit Herr Rektor ehrwürdige Magnifizenzen.”

Zo ver Thomas Bernhard.
Ik schrijf op het moment aan een eigen tekst met foto’s  met de titel

Biecht voor een Academie


[…] “Heren en beestuurders van de Academie,

U wilt me niet horen,
maar ik schreeuw, kreun en kerm
het allemaal over de gracht.
Biechten lucht op,
vooral in de buitenlucht,
en als een grachtenbiecht
al helemaal.

Wat ik wil vertellen dat kan ik niemand vertellen omdat het de mensen niets aangaat, zij het niet begrijpen en zich in afkeer zouden afwenden. De enige manier om het wél te vertellen is het om het allemaal over de grachten te schreeuwen.

Alles liegt offen zutage; nichts ist zu verbergen; kommt es auf Wahrheit an, wirft jeder Großgesinnte die allerfeinsten Manieren ab.
[…]”

[…] Der Teufel kam
und bot mir an
alles, was ich mir immer gewünscht.
Und ich wollt’s unbedingt haben.

Met hem kwam
ik terecht op een glijbaan
En dat terwijl ik nooit snoepjes eet
alleen koekjes
(snoepjes geef ik heks aan anderen
– dit tussen haakjes)
en ik geen snoepjes kleuren draag
noch tracht me te amuseren
en conventies probeer te accepteren
en alleen maar decadent ben
omdat ik verplichtingen uit de weg wil gaan. […]

Ora
boven labora:
Een
con
tem
platieve
non
weet niets van
werk-werk-werken
alleen van
gebed in bed

[…]
Werken zal nooit lukken,
zolang ik dagenlang
lig te denken
aan
mijn
am
bitie
loze
am
bivalen
ties.

Werken zal nooit lukken,
alleen vuurwerken.
Al krijst
Ciska Dresselhuys nog zo luid:
“De zweep erover!”

[…] Ik bega veel zonden, maar niet allemaal.

Ik ken
bijvoorbeeld geen
ongeduld
omdat ik van het verlangen houd
ben dus een geduldige onschuld.

Mijn hoofdzonde is:
polymorf pervers.
Narcistisch,
exhibitionistisch
expressionistisch
voyeuristisch
en nog veel meer
andere enge dingen
waar ik nu niet aan toe kom
en waar u en ik de namen van
niets eens kennen. […]

Rijmende
slangen
-zinnen
zingen
spinnen
hummen
zoemen:
ik noem het ‘nunnen’.

Soms denk ik:
“Panta rhei:
alles rijmt. ” […]

Als het Academiegebouw klaar is:
Daar krijg ik een eigen kluis!
Ik word
hier ingemetseld met mijn fluit.
Slangen kruipen
in een heiligdom
natuurlijk in en uit!

Ook aliens in vreemde pakken
komen de kluis in. En zwanenhalsen
reiken door de tralies.
Ook engelen vliegen in
en uit boodschappen
vergeefs verkondigend
aan een onwillige gewezen
maagd. […]

Bij mijn inkluizing
zingen we dan samen
het requiem van
Verdi en
ik zing
alleen
het ‘Libera me’.

Wie wil komt dan
langs voor een leuk verhaal:
een biecht van
de Universiteits
kluizenares
(mijn kluis
is met een stukje
Hortus incluis
– dit tussen haakjes)
hoofdzondares
belezen gewezen maagd
Maria Anna.

U mag ook zelf biechten,
of anders horen wat andere
heren en nonnen hebben gebiecht.
Ook zal ik u precies adviseren
hoe u het best nonnetjes kunt versieren!


Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief