Wetenschap Kunst Politiek

Wilders en Ehsan Jami met Thucydides ten oorlog?

27 comments

 

Jami en Wilders schrijven samen vandaag 27-9-2007 in de Volkskrant dat zij hun gevecht voor het zogenoemde vrije woord-  dat wil zeggen het recht een hele religie te stigmatiseren-  voort zullen zetten onder de vlag van Thucydides.

Zij halen de Griekse “legeraanvoerder en historicus” Thucydides aan:
“Het geheim van geluk is vrijheid. Het geheim van vrijheid is moed.”
Het citaat is afkomstig uit Thucydides boek De Peloponnesische oorlog ( I 1,42)

De Leidse hoogleraar Ineke Sluiter heeft op 24 februari dit jaar in de Volkskrant een uitstekend artikel geschreven over vrije meningsuiting en Thucydides. Zij schreef: “Sinds de Deense krant Jyllands Posten op 30 september 2005 voor het eerst de Mohammed-cartoons plaatste, is de discussie over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting ongemeen fel geweest. Hoe verhoudt zich dat belangrijke recht tot een right to offend, bijvoorbeeld geclaimd tijdens een rede in Berlijn (de Volkskrant, 10 februari 2006) door Ayaan Hirsi Ali?

De discussie maakt een verwarde indruk: niemand ontkent het belang van vrijheid van meningsuiting, maar zelfbeperking in de uitoefening daarvan heet soms lafheid en hypocrisie, soms de verstandige wellevendheid die samenleven in een pluriforme wereld mogelijk maakt. De discussie doet sterk denken aan Thucydides’ beschrijving van een hevig groepsconflict binnen één samenleving. ‘Wat vroeger onbesuisde overmoed heette’, zegt hij, ‘werd nu beschouwd als loyale moed, zelfbeheersing heet een excuus voor lafheid’. “
“Het protest richt [met betrekking tot de cartoons] richt zich tegen ondemocratische toestanden in het Nabije en Midden-Oosten, tegen de internationale druk en het gevaar van een extremistische vorm van islam. Daartegen past inderdaad grote waakzaamheid. Het zou laf zijn dat probleem uit de weg te gaan, daarin heeft Hirsi Ali gelijk. Maar wat is het moeilijk om het goede instrument te vinden! Vrijheid van meningsuiting is een van de toverwoorden van onze democratie en een van onze allerbelangrijkste verworvenheden, maar het woord van Abraham Maslow dringt zich op: ‘Als je enige gereedschap een hamer is, zullen alle problemen eruit zien als spijkers’.” “Hoe dat ook zij, vrijheid van meningsuiting is in de eerste plaats een recht dat wij binnen onze eigen democratische ruimte willen uitoefenen en daar doet zich een volgende paradox voor. Binnen die eigen democratie zijn óók moslims, en die nemen daar een minderheidspositie in; zij behoren vaak ook sociaal-economisch tot een kwetsbaarder groep in de samenleving. Hier gaat het dus niet om vrijheid van meningsuiting, moedig uitgeoefend tegen een potentieel machtiger partij.”
“Dit is nu precies waarom het zin heeft niet iedere vorm van zelfbeheersing uit te leggen als zelfcensuur of een gebrek aan zedelijke moed. Want als het om het vermijden gaat van het kwetsen van zwakkeren is ‘lafheid’ niet aan de orde. Lompheid als moreel ideaal hoort niet bij de toverwoorden van de democratie.”

Sluiter haalt ook de Cleveringa-ratie van Kees Schuyt aan:
“In zijn Cleveringa-oratie (Democratische deugden, november 2006) geeft Kees Schuyt een prachtige analyse van groepstegenstellingen: de toon van het debat is daarbij zelf een symptoom. Zo stelt ook de claim op een right to offend de discussie op scherp, omdat het een hyperbolische, overdreven gestelde, claim is. Scherpere retorica komt voort uit als ernstig ervaren groepstegenstellingen, maar leidt daar op haar beurt ook weer toe.

Schuyt oppert om bij groepstegenstellingen waar mogelijk te onderscheiden tussen waardenconflicten en belangenconflicten. Over waarden valt slecht te onderhandelen, daar gaat het om wat mensen heilig is. Maar bij belangenconflicten gaat het om de materiële basis van het leven, toegang tot scholing, arbeid en middelen, en daarover valt te praten.

Wanneer zoveel mogelijk de groepstegenstellingen vertaald worden in zulke belangenconflicten (en zich dus laten oplossen), krijgen de groepen er steeds minder belang bij om zwaar in te zetten op de waardenconflicten. Dat maakt het eenvoudiger te komen tot een agreement to disagree, en geloof kan een plaats krijgen in een privédomein, weg van de publieke ruimte. Maar daar moeten groepen elkaar dan wel de ruimte voor geven. Insisteren op een right to offend lijkt dan geen goede opening.”

Benjamin Barber, scherpe criticus van de Amerikaanse neoons, en auteur van “Empire of fear” hield in Leiden een toesprak over moed. Hij zei:

“Er wordt veel gesproken over moed. De moed om democratie te doen slagen. Er wordt meer gepraat over moed dan dat er moed getoond wordt. In de Verenigde Staten heeft de politiek van de moed plaatsgemaakt voor de politiek van de angst. Het lijdt geen twijfel dat angst de doodsteek is voor de democratie en het einde van de vrijheid inluidt.”

 

Ger Groot over de nut van religie

84 comments

Men kan op twee heel verschillende manieren aankijken tegen religie. Men kan religie opvatten als een in wezen onveranderlijke ideologie of als een verzameling van gevarieerde, veranderlijke rituelen en tradities.

De filosoof Ger Groot heeft deze week over dit thema een goed artikel over geschreven in de NRC (12-9) :
“De radicaliserende baardjongens van Bos en Lommer in Amsterdam en de seculariserende profeten van de Verlichting hebben een te essentialistisch beeld van de godsdienst, die zij allereerst als een verzameling leerstellingen en daaruit ondubbelzinnig afgeleide leefregels zien. Als dát de godsdienst is, dan kan men hem inderdaad heel goed privé of achter het beeldscherm beleven. Maar wie kijkt naar het religieuze leven zoals dat in concreto functioneert, ziet een bontgeschakeerde verzameling van gewoonten, gezegdes, prevelementjes en automatismen die maar een zeer losse verbinding vertonen met de dogmatische kern waarom het allemaal zou moeten draaien.”

Uitvoeriger beschrijft Ger Groot zijn visie op religies in zijn boek Het krediet van het credo, waar hij  vanuit een atheïstische overtuiging probeert  iets te begrijpen van de kracht en aantrekkelijkheid van de godsdienst:

“Dat de godsdienstige voorstellingen teruggaan op een grote illusie, mag aan het begin van de eenentwintigste eeuw geen verrassing meer heten […] Met godsdienst heeft de ontnuchterde rede die ooit door de Verlichting is heen gegaan dan ook weinig geduld meer. En als het objectieve bestaan van een opperwezen zo goed als definitief is ontkracht, lijkt er voor de dienst aan hem weinig toekomst wegge­legd.[…] Toch blijkt de godsdienst opmerkelijk hardnekkig te zijn – en dat niet alleen bij mensen aan wier intellectuele vermogens de verlichte rede openlijk meent te mogen twijfelen. […] Niet wat de gelovige gelooft (zijn credo) is in mijn visie het doorslaggevende in de godsdienst als reëel en praktisch verschijnsel, maar de meerwaarde (het krediet) die die feitelijke praktijk aan het leven van de gelovige verleent.[…] Deze oefening in wat je religieus materialisme zou kunnen noemen, probeert dus het gedachte, ideële of verzonnene te schei­den van het werkelijke en zichtbare: de kerkelijke en religieuze praktijk die kennelijk vanuit zichzelf krachtig genoeg is om een hele godsdienstige mythologie in de lucht te houden. […] Een pleidooi voor een godsdienstige belijdenis is dit boek dus zeker niet. Maar het probeert wel de plausibiliteit van de religie te achterhalen voor een bestaan dat zich nu eenmaal niet alleen in kennis en redelijkheid afspeelt en op sommige momenten met de mond vol tanden staat.”

Niet de mythe maar de rite vormt de eigenlijke basis van de godsdienst.

Net als ik ziet Ger Groot dan ook de verlichte geesten Philipse, Hirsi Ali, Cliteur, die de religie helemaal naar de privé-sfeer terug willen dringen, als verlichtingsfundamentalisten ( en Cliteur ziet zichzelf trouwens ook zo). De belangrijkste inzicht in Ger Groots betoog over het verlichtingsfundamentalisme en moslimfundamentalisme is, dat beide soorten fundamentalisme de historische dimensie niet willen zien. Het fundamentalisme wil alleen het pure dogma bestuderen. Gebondenheid in tijd en ruimte en daarmee veranderlijkheid is oninteressant voor elk fundamentalisme.
Maar de meerwaarde van religie ligt nu juist in al die tijd-en ruimte-gebonden factoren. In traditie, en in het gegeven dat zij, de religie, gewoon een historisch en sociaal – maar zeker ook veranderlijk –  feit is. De verlichtingsfundamentalisten kunnen hoog of laag springen, en honderd keer het mantra “Voltaire!” aanroepen, voor veel mensen wereldwijd is religie van belang en is de uitoefening van religie een rituele, emotionele en sociale bezigheid.

 

Hitlers’Mein Kampf’

25 comments


Hitlers ‘Mein Kampf’


Naar aanleiding van het recente “Mein Kampf”-debat in media en politiek wil ik iets bijdragen over inhoud, vorm en achtergrond van Hitlers “Mein Kampf”.

Het verbod op “Mein Kampf” is in hoge mate symbolisch, aangezien het boek overal te verkrijgen is, en ook op internet in .pdf -vorm wordt aangeboden. Dat het verbod symbolisch is, maakt het verbod in mijn ogen niet automatisch verkeerd. “Mein Kampf” nu  vrij verkrijgbaar te maken met de redenering, dat de Koran ten slotte ook is toegestaan ( zoals minister Plasterk blijkbaar heeft beargumenteerd) vind ik waanzin.

Wat historisch belangrijk is, dat is het feit dat Hitler zijn politieke en maatschappelijke ideeën nauwkeurig heeft beschreven in “Mein Kampf”, maar in de dagelijkse politiek jarenlang veel minder radicaal is geweest, zodat bij veel mensen in het binnen- en buitenland de indruk ontstond, dat het allemaal wel mee zou vallen.

Uiteindelijk hebben de nazi’s alles in de praktijk gebracht wat in “Mein Kampf” stond.

“Mein Kampf”wordt ideologisch gedomineerd door rasbiologie, antisemitisme, sociaal-darwinisme en cultuurpessimisme.

Hitler voert alle complexe maatschappelijke en politieke verschijningen terug op universele, eendimensionale racistische natuurwetten.
,,[Die Menschen gehen] mit wenigen Ausnahmen wie blind an einem der hervorstechendsten Grundsätze [der Natur] vorbei: der inneren Abgeschlossenheit der Arten sämtli­cher Lebewesen dieser Erde. Schon die oberflächliche Betrachtung zeigt als nahezu ehernes Grundgesetz all der unzähligen Ausdruck­formen des Lebenswillens der Natur ihre in sich begrenzte Form der Fortpflanzung und Vermehrung. Jedes Tier paart sich nur mit einem Genossen der gleichen Art. Meise geht zu Meise, Fink zu Fink, … der Wolf zur Wölfin usw.” (1936, 311).
“Jede Kreuzung zweier nicht ganz  gleich hoher Wesen gibt als Produkt ein Mittelding zwischen der Höhe der beiden Eltern. Das heißt also: das Junge wird wohl höher stehen als die rassisch niedrigere Hälfte des Elternpaares, allein nicht so hoch wie die höhere. Folglich wird es im Kampf gegen diese höhere später unterliegen. Solche Paarung widerspricht aber dem Willen der Natur zur Höherzüchtung des Lebens überhaupt. Die Voraussetzung hierzu liegt nicht im Verbinden von Höher- und Minderwertigem, sondern im restlosen Sieg des ersteren” (1936, 312).

Volgens Hitler wordt een sterkere ras verzwakt door het mengen met een zwakkere.

“Daher entsteht auch der Kampf untereinander weniger infolge innerer Abneigung … als vielmehr aus Hunger und Liebe. In beiden Fällen sieht die Natur ruhig, ja be­friedigt zu. Der Kampf um das tägliche Brot läßt das Schwache und Kränkliche … unterliegen .. , Immer aber ist der Kampf ein Mittel zur Förderung der Art und mithin eine Ursache zur Höherentwick­lung derselben” (1936, 312f.).

Hitler probeert de onmogelijkheid van democratie af te leiden uit het principe van de overwinning van de sterke.

,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schwe­ren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).

„Natuur” is voor Hitler religie, niet zakelijke natuurwetenschap.

,,[Die Natur unterwirft] den schwächeren Teil so schwe­ren Lebensbedingungen, daß schon [dadurch] die Zahl beschränkt wird, den Überrest aber [läßt sie] … nicht wahllos zur Vermehrung zu, sondern [trifft] hier eine neue, rücksichtslose Auswahl nach Kraft und Gesundheit … ” (1936, 313).

“Das Ergebnis jeder Rassenkreuzung ist also … immer folgendes: a) Niedersenkung des Niveaus der höheren Rasse, b) körperlicher und geistiger Rückgang und damit der Beginn eines, wenn auch langsam, so doch sicher fortschreitenden Siechtums. Eine solche Entwicklung herbeiführen heißt … nichts anderes. als Sünde treiben wider den Willen des ewigen Schöpfers. Als Sünde aber wird diese Tat auch gelohnt. Indem der Mensch versucht, sich gegen die eiserne Logik der Natur aufzubäumen, gerät er in Kampf mit den Grundsätzen, denen auch er selber sein Dasein als Mensch allein verdankt. So muß sein Handeln gegen die Natur zu seinem ei­genen Untergang führen” (1936, 314).

De rassenwetten zijn in feite bij Hitler de natuurlijke god, wie tegen deze god ingaat, wordt bestraft.

Het biologistische racisme maakt de taken van de staat simpel en overzichtelijk. De staat moet alleen toezien dat het gedrag van de burgers past bij de vermeende natuurwetten.

“Syphilitikern, Tuberkulo­sen, erblich Belasteten, Krüppeln und Kretins” ist die “Zeugungsfä­higkeit zu entziehen” (1936,445).

Wel heeft de staat een belangrijke taak bij de opvoeding van de jeugd tot krijgers, dus een opvoeding niet alleen maar, maar vooral in lichamelijke ontwikkeling.

Hitler werkt met de Platoonse tegenoverstelling Geest versus Lichaam, maar keert deze om: het lichaam domineert de geest. Vandaar  ook Hitlers boosaardig anti-intellectualisme.

Het nationaal-socialisme heeft, zoals al vaak is aangetoond ( ik zla nog bloggen over het nieuwe boek van Van Doorn) , ook socialistische trekken. Deze zijn het gevolg van dat Hitler een rassekamp onder gelijken wilde, hij wilde dat de voorwaarden voor iedereen gelijk zouden zijn, en dat zodoende dan de rassisch besten herkend konden worden.

Zeer uitvoerig in Mein Kampf is de apocalyptische kritiek aan maatschappelijk verval, waaronder zo goed als alle verschijnen van de Moderne vallen.

” … [Mit] Schrecken sehen wir die krankhaften Auswüchse irrsinniger und verkommener Menschen, die wir unter dem Sammelbegriff des Kubismus und Dadaismus seit der Jahrhundertwende kennenlernten … ” (1936, 283).

Het ziektemetafoor is bij Hitler van doorslaggevende betekenis: de samenleving is doodziek, vanwege algemene maatschappelijke ontwikkelingen zoals Moderne, vrouwenemancipatie, maar ook vanwege vele individueel zwakke, intellectuele en zieke mensen.

En in de jood manifesteert zich voor Hitler alles ziekmakende:  ras, intellectualiteit, geld, moderniteit .

De hele geschiedenis is voor Hitler een kamp van Goed tegen Kwaad, en hij zet het goede gelijk met de Ariër, en het Kwaad gelijk met de Jood.
Hitler is dualistisch religieus- manicheïstisch is in zijn denken en woordkeus:
„Er [der Arier]  ist der Prometheus der Menschheit, aus dessen lichter Stirn der göttliche Funke des Genies zu allen Zeiten hervorsprang, immer von neuem jenes Feuer entzün­dend, das als Erkenntnis die Nacht der schweigenden Geheimnisse aufhellte und den Menschen so zum Beherrscher der anderen Wesen dieser Erde emporsteigen ließ” (1936, 317).

Ik stop hier, al is er nog veel meer over te zeggen.

Literatuur: Friedrich Pohlmann, Politische Herrschaftssysteme der Neuzeit
Claudia Koonz, The nazi conscience (2003)


Der schwierige Umgang mit „Mein Kampf“

 

Von Georg Löwisch 24. Oktober 2012


Job Cohen: sociaal-democratie en religie

20 comments

Als vervolg op het debat op mijn blog over de seculiere of neutrale staat haal ik hier een artikel van Job Cohen aan uit Socialisme & Democratie(7/8 2006) , een artikel waarmee ik het eens ben.

Sociaal-democratie en religie: de omgekeerde Doorbraak

“De vraag hoe men zich tot religie als politieke factor verhoudt, is een vraag die iedere politieke beweging, en dus ook de PvdA zich stellen moet om in de 21 ste eeuw aan geloofwaardige politiek te kunnen doen.[…]
Bij de totstandkoming van de PvdA in 1946 ge­loofde Banning dat deze oprichting een morele noodzaak had die verder ging dan de particuliere belangen van de verschillende partijen die in de PvdA een tehuis vonden. Het was geen eng, ar­beideristisch klassebelang dat met de oprichting van de PvdA werd beoogd, nee, het doel was niets minder dan het tot stand brengen van een recht­vaardige samenleving. […]
Over de moraal staat in het Beginselmanifest te lezen: ‘Wij verdedigen een vrijzinnige moraal, waarin – tegen de achtergrond van voor iedereen gel­dende grondrechten – ruimte is voor verschil­lende levensbeschouwingen, levensstijlen en culturen’. […]

Je zou in dat perspectief kunnen spreken van een omgekeerde doorbraak. Tóen, net na de oor­log moesten christenen worden overtuigd dat ze mèt de PvdA, dwars door de zuilen heen, konden samenwerken aan een rechtvaardige en sociale samenleving [=de doorbraak van toen, M.T.] . Nu zouden seculieren binnen de partij, veruit in de meerderheid, ervan kunnen worden overtuigd dat je voor een morele her­ijking óók te rade kunt gaan bij die religies. Dat daarbij een samenwerking met gelovigen van verschillende denominaties kan lonen als het gaat om de realisering van de doeleinden van de sociaal-democratie en om de vraagstukken het hoofd te kunnen bieden waar we met z’n al­len voor staan. En dat de inspiratie die van een geloof uitgaat een bron kan zijn bij het verwe­zenlijken van sociaal-democratische doeleinden, zonder dat dat betekent dat je zelf gelovig bent of wordt. Het alternatief is verschraling en het missen van de maatschappelijke aansluiting.

Met andere woorden, hoe ziet de PvdA eruit als een partij waar ruimte is voor gelovigen van ver­schillende pluimage en hun geloof? Bij het beantwoorden van die vraag kunnen we opnieuw dominee Banning, oprichter van de PvdA te rade gegaan. Ban­ning verwoordde een aantal principes, door de [Leidse godsdienstwetenschapper]  Noordegraaf op een rijtje gezet, die nog steeds actueel zijn. Ik noem de volgende:

* Levensbeschouwing en religie zijn wezenlijk voor het democratisch socialisme’

*Dit impliceert een expliciete formulering van grondslagen en doeleinden van het   democra­tisch socialisme, ook in morele termen’.

Dat betekent een poging tot herdefiniëren van de al eerder door mij [Cohen] genoemde begrippen zoals solidariteit, gelijkheid, gerechtigheid, naasten­liefde en verantwoordelijkheid die zo belangrijk zijn binnen de sociaal-democratische traditie. Maar zoals gezegd zijn dat niet alleen belang­rijke begrippen binnen de sociaal-democratie, maar ook binnen verschillende godsdienstige tradities. En dat betekent de erkenning dat religies partners zijn in het werken aan een rechtvaardige samenleving. Bovendien is de om­gekeerde doorbraak waar ik het zojuist over had niet mogelijk als we ons niet opnieuw bezinnen op onze morele grondslagen.

* ‘De gedachte aan confessionele partijvorming wordt verworpen, maar ook die van gods­   dienst als louter privé zaak.

Dus: de partij staat open voor mensen van zeer verschillende levensovertuiging, die instemmen met het beginselprogramma van de partij. In het Beginselmanifest 2005 komt dat ook met zoveel woorden tot uiting: ‘Sociaal-democratische idealen binden en inspi­reren mensen met de meest uiteenlopende ach­tergronden en levensovertuigingen al meer dan een eeuw. De Partij van de Arbeid wil al deze men­sen mobiliseren en een plek bieden van waaruit zij zich voor hun idealen in kunnen zetten, binnen en buiten de politiek maar altijd langs democratische weg. Voorop staat de overtuiging dat politiek het verschil kan maken tussen een marginaal en een fatsoenlijk bestaan, tussen vernedering en emancipatie, tussen rivaliteit van natiestaten en internationale samenwerking, tus­sen apartheid en vrijheid: politiek doet er toe’. Er is dus zoals Banning en het Beginselpro­gram van de PvdA uit 1947 al constateerden een ‘innig verband’ tussen levensovertuiging en politiek inzicht en de partij waardeert het ook als dit in de arbeid voor de partij tot uiting komt – dit geldt voor mij nog onveranderd. Maar dat wil, zoals de Doorbraak-beweging wist, al­lerminst zeggen dat er een rechtstreekse lijn
pro­gramma. Hier geldt om meerdere redenen: heb oog voor de banden tussen geloof en politiek, maar verwar geloof en politiek niet.

*De expliciete erkenning van het recht van kerken om zich ter wille van het geestelijk en zedelijk heil van het volk uit te spreken met betrekking tot het staatkundige en maat­schappelijk leven“.

Dit betekent ook in de 21ste eeuw: ruimte geven aan kerken en andere religieuze groeperingen om zich in het publieke domein, dus ook binnen de partij, te manifesteren en actief deel te nemen aan het publieke debat. Met alle consequenties van dien: enerzijds dat gelovigen daardoor wor­den beïnvloed, anderzijds dat deze opvattingen juist omdat ze deel uit maken van het publieke discours, kritisch onder de loep kunnen wor­den genomen zoals dat in ieder publiek debat betaamt. Want ruimte geven aan religieuze groeperingen betekent niet dat je alles wat er vanuit die kant wordt geroepen klakkeloos accepteert. Een kritisch luisteren naar elkaar, dialoog en discussie zijn voorwaarden voor een optimaal gebruik van de geboden ruimte in het publieke domein. Ruimte geven aan de kerken om zich in het publieke domein te manifesteren is geen vrijbrief om maar over alles en nog wat de mening van de kerken te eisen of omgekeerd een mening te willen geven. Jacques Janssen ci­teerde in de Bazuinlezing van 2001 instemmend Ella Kalsbeek: ‘Als Kamerlid noemde zij het spre­ken van de kerken “vaak pover en gemakkelijk”. Het spreken van de kerken “moet niveau heb­ben en diepgang”, “pastoraal verantwoord zijn”, “waardig zijn en ruimte laten”.’ De kerken, en bepaald niet alleen de chris­tenen, zei [anssen zelf, vertonen tekenen van sectarisme sinds zij in een individualiserende samenleving aan hun lot worden overgelaten. Daar valt, kan ik mij zo voorstellen, nog wel het een en ander te winnen – in het belang van het geestelijke en zedelijk heil van ons volk. Om met oud-burgemeester Schelto Patijn te spreken: ook de kerken moeten hun geestelijk huis op orde hebben. In een toespraak uit 2000, sprekende tot

* Als laatste Doorbraak-principe: ‘De staat zelf is echter op geen enkele kerkelijke of gods­dienstige grondslag georganiseerd’.
Dit komt overeen met mijn [Cohens] al bij verschillende gelegenheden beleden opvatting dat alleen de seculiere staat de ruimte creëert voor het accom­moderen van de grote diversiteit aan groepe­ringen, levensstijlen, levensovertuigingen en religies, die het kenmerk zijn van onze moderne westerse samenleving.

Aan deze aan Banning ontleende doorbraakprin­cipes, zou ik [Cohen] de volgende willen toevoegen:

1. Ruimte voor een positieve invulling van de grondwettelijke vrijheid van godsdienst – zoals door Thijs Wöltgens bepleit. Dus godsdienstvrij­heid niet alleen gedefinieerd als het recht om niet lastig te worden gevallen door de overheid of door andere goed- dan wel kwaadwillenden, maar ook als het recht dat een religie zich mag en kan ontplooien in het publieke domein.

2. Ruimte om van elkaar te mogen verschillen is in een pluralistische samenleving een noodzaak. Deze ruimte om van elkaar te mogen verschil­len moet worden gekoppeld aan een opvoeding waarin respect voor deze pluraliteit wordt bijge­bracht en men tegelijkertijd wordt doordrongen dat men het gezamenlijk moet doen in onze samenleving.

3. Ruimte om het eigen leven gestalte te geven is één van de grote verworvenheden en vrijhe­den van onze samenleving. Deze ruimte impli­ceert zowel de vrijheid om als ongelovige door het leven te gaan, als de vrijheid om als religieus in het leven te staan. De overheid moet beide keuzes respecteren en de burgers ten opzichte van elkaar bescherming bieden als dat nodig is. “

 

    Scheiding tussen kerk een staat niet absoluut

    17 comments

    In De Pers verscheen op 3 september het artikel ‘PvdA steunt liberale Islam’.

    “De PvdA gaat zich hard maken voor de liberale islam. Een politieke beweging hoeft niet neutraal te zijn in geloofskwesties, meent partijleider Wouter Bos. De scheiding tussen kerk en staat moeten we wat hem betreft ‘niet zien als absoluut’.”

    Ook al ben ik geen Wouter-Bos-fan, maar een Jan-Pronk -fan: Bos heeft gelijk.

    De absolute scheiding van staat en geloof, de agressieve laïcité dus, die door velen, Afshin Ellian en Paul Cliteur voorop, als ideaal verdedigd wordt, wordt bijvoorbeeld door de Franse filosoof Marcel Gauchet bekritiseert:

    “…we [kunnen] de moslims niet behandelen  zoals de republikeinse strijders voor de scheiding van kerk en staat in 1905 de katholieken behandelden, om even in de Franse situatie te blijven. Ten eerste omdat de moslims een minderheid vormen die in veel gevallen in de verdrukking zit, heel anders dan de katholieke bourgeoisie waartegen je toen met een schoon geweten hard kon opstellen. Maar belangrijker: omdat de democratie is veranderd. Bij onze ontwikkelde democratie horen religieuze en culturele tolerantie. Daarom is het strijdbare laïcisme van toen uit de tijd.” ( In NRC “M”, 2-12-2006, p. 14) . Gauchets opmerking uit het zelfde interview over intellectuelen ( “…ze zijn te vaak invaldemagogen. Ze verschijnen voor de camera om mensen te beledigen die het niet met hen eens zijn” ) past ook goed op Ellian en Cliteur.


    Rechtsfilosoof Wibren van der Burg pleit aan de ene kant voor een consequente secularisatie van de staat. Maar hij zegt ook: “De scheiding van kerk en staat wordt tegenwoordig vaak verward met privatisering van godsdienst. Maar dat zijn twee verschillende dingen. Scheiding van kerk en staat houdt in dat de staat niet institutioneel verbonden is met een bepaalde godsdienst. Dat impliceert nog niet het veel verder gaande standpunt dat geloven alleen nog maar een privé-zaak is die beperkt blijft tot de persoonlijke levenssfeer.[…] Hier gaan auteurs als Paul Cliteur […], die de godsdienst willen verwijderen uit het publieke domein en godsdienstvrijheid overbodig achten, dan ook veel te ver. […] Kerken en individuele gelovigen houden en eigen verantwoordelijkheid in de samenleving- geloof is niet te privatiseren. Anders dan Den Boef en Cliteur menen, dient hierbij niet automatisch het seculiere staatsperspectief te overheersen, maar evenmin geldt dat altijd de geloofsovertuiging boven de staat gaat. Nederland is al eeuwen een levensbeschouwelijk verdeeld land. We hebben ook een lange geschiedenis in het vinden van oplossingen hiervoor. […] Deze bijzondere traditie van Nederland, en de ervaring die we daarmee hebben opgebouwd, wordt in het publieke debat vaak genegeerd. Als Cliteur ons de Franse laïcité als model voorhoudt of wanneer de steun aan scholen op islamitische grondslag ter discussie staat, miskent men vaak de waarde van dit poldermodel.” (Over religie, moraal en politiek, p. 36, p. 63, p.64, p. 67, p.68.)

    Een andere interessante bijdrage tot het thema laïcité en scheiding van kerk en staat komt van de PvdA-er Thijs Wöltgens. Hij schrijft in zijn artikel De staat als jaloerse god. Op weg naar een staatskerk? ( In: Marcel ten Hooven, Ongewenste goden) :
    [….] De scheiding van kerk en staat op basis van de Verlichting is mij om in ieder geval twee redenen te gemakkelijk. De eerste reden is dat deze scheiding wel eens meer aan het christelijke geloof dan aan de Ver­lichting te danken zou kunnen zijn. Na de Verlichting is het de staat die telkens weer greep probeert te krijgen op het geloof In de ogen van de staat is de religie ofwel een concurrent, ofwel een instrument. De staat is een jaloerse god, die niet kan begrijpen dat een paus zonder divisies nog steeds invloed heeft. Je kunt hem niet ontwapenen – hij heeft immers geen divisies en je kunt hem niet inlijven, want zijn kerk is overal. (Dat heet tegenwoordig een a-symmetrisch conflict). De tweede reden is dat zelfs een positieve beoordeling van de Ver­lichting ons nu niet meer verder helpt. Die positieve beoordeling vloeit voort uit de gedachte dat de Verlichting ons heeft bevrijd van de wereldlijke macht van de kerk. De secularisering heeft de kerk armer gemaakt, maar daarmee ook geloofwaardiger. De Verlichting als bevrijding van klerikale overheersing verdient nog steeds waardering. Maar vandaag is de kerk in onze contreien geen macht meer, een klerikale carrière is allang niet meer de weg naar macht, geld en aan­zien. De kerk is sociaal gemarginaliseerd, bijna een roepende in de woestijn, waarover de echte carrièremakers alleen nog maar superieu­re ironie ten toon spreiden. Je bent wel wat laat, als je nu nog de poli­tiek probeert te bevrijden van het geloof Juist nu de kerk machteloos is, onthult zich de ware aard van het verlichte antiklerikalisme. In feite gelooft het niet dat religieuze over­tuigingen en democratie samengaan (tenzij die religieuze overtuigin­gen zich verschuilen in de privésfeer). In dat geval is dit verlichte anti­klerikalisme zelf een religieuze overtuiging geworden, een ‘ultimate concern’, zoals de theoloog Paul Tillich het noemde. Maar in tegenstelling tot de oude religies heeft deze religie het patent op de democra­tie. Het zijn vaak bekeerlingen: de democratie is een nieuw geloof dat concurreert met het oude geloof . Eric Voegelin noemde zo’n geloof een politieke religie. Kenmer­kend voor zo’n religie is de strijd tussen absoluut goed en kwaad […] , waarbij de overwinning van het goede de geschiedenis zal beëindigen met de vestiging van een nieuw aards Paradijs (zie neocon Fukuyama). “(p.225ff)

    Neocon, Burke-directeur en Cliteur-vriend Kinneging verdeelt de wereld  in de geest van Bush in goed en kwaad: “De geografie van Goed en Kwaad”, titel van zijn bekende boek […]”

    Mijn stellingen:
    1. Een agressief laïcisme helpt ons niet verder en past niet in Nederland
    2. De staat moet neutraal zijn, en dus ook NIET seculier-religieus
    3. De kerken en religies zijn machteloos, daarom dreigt het gevaar nu niet van het geloof maar meer algemeen van het zwart/witdenken, dogmatisme en fundamentalisme , allemaal te vinden onder zowel moslims alsook de rest, vooral onder neocons.

    Het beroep op Voltaire

    32 comments


    Ik vind het onverteerbaar hoe politiek-rechts Voltaire misbruikt, Voltaire, die juist een pleitbezorger was van religieuze tolerantie en verdraagzaamheid.
     

    Maarten Doorman bekritiseert in de Volkskrant de vermeende Voltaire-erfgenamen: “Nu zien strijders voor de vrijheid van meningsuiting steeds een belangrijk ding over het hoofd. Want als je daarvoor strijdt, is dan niet de eerste vraag die je je moet stellen, wie de meeste vrijheid van meningsuiting heeft, en wie de minste? En ligt het dan niet voor de hand je strijd te beginnen bij wie de minste vrijheid hebben, degenen die nauwelijks in het parlement vertegenwoordigd zijn, die geen eigen landelijke kranten of omroepen hebben, laat staan columns, podia, netwerken, geld, welbespraaktheid en succes? Wat beweegt publicisten als Afshin Ellian, Joost Zwagerman, Max Pam, Leon de Winter e tutti quanti zulke zwakke tegenstanders op te zoeken?

    Zouden deze heren, die de erfenis van de Verlichting menen te verdedigen en zichzelf zien strijden in het voetspoor van de grote Voltaire, hun geluid niet wat moeten dempen in het besef dat Voltaire, althans in zijn betere momenten, voor de zwakken zonder stem opkwam, al streed hij daarbij dan, inderdaad, vaak tegen het geloof en was hij in die strijd soms even koket? Waarom voegen ook nieuwe rekruten als Zwagerman zich nu bij het leger van de sterken en luidruchtigen? Wie kan hier steun gebruiken? Het is een vraag die al die dappere publicisten zich vanaf de barricaden der vrije meningsuiting eens wat grondiger mochten stellen.”

    Net als hun Franse voorganger Jean-Claude Barreau, auteur van De l’islam en general et du monde moderne en particulier,  proberen Ellian en Cliteur een taboe te doorbreken en een debat aan te zwengelen. Net als Barreau zeggen Ellian en Cliteur in de voetstappen van Voltaire te treden. Barreau had al in 1991 de islam in de naam van Voltaire aangevallen, die, zoals hij tevreden constateert, “vrezelijke dingen” over de islam had gezegd. (NRC 8-2-1992)

    Een reden voor Voltaire aanhangers om Voltaire op handen te dragen is diens schelden op Mohammed.  “Voltaire [schilderde] de figuur van Mohammed […] af in de schrilste kleuren van wreedheid en fanatisme, alsof hij de niet altijd even verlichte islam-bashers onder zijn hedendaagse volgelingen niet helemáál in de kou wilde laten staan.” (Ger Groot, De Groene Amsterdammer, 8-9-2006) Al sinds de Christenen zich met de islam als godsdienst gingen bezighouden -de koranvertaling van Cluny uit 1140 en Monte Croce’s ‘Weerlegging van de Koran’ van rond 1300- werd de ‘morele verwerpelijkheid’ van de islam aan de kaak gesteld. “Dat duurde tot diep in de 18de eeuw. Verbeterde koranvertalingen van oriëntalisten als Adriaan Reland en George Sale ten spijt noemde Voltaire in zijn tragedie De dweper Mohammed nog steeds een ordinaire bedrieger.” (Ton Crijnen, Trouw, 24-10-2001)

    Ellian en Cliteur verdedigen een visie op Mohammed die in de lijn ligt met Voltaires Mohammed-kritiek. Maar naar de mening van Ton Crijnen komt Mohammed  uit de Koran, hadith en soenna eerder als een pragmaticus dan als een scherpslijper naar voren. “Een man met begrip voor de zwakte van de mens, die van hemzelf inbegrepen. Het is een van de redenen waarom hij miljoenen mensen aanspreekt.” (Trouw, 14-12-2001).

    Sjoerd de Jong: “Kritiek op religie – nu vooral de islam-  waar we wat aan hebben, is nog heel wat anders dan schelden onder de paraplu van Voltaire. Maar in het huidige debat wordt alles wat tegen godsdienst aanschopt klakkeloos gekoppeld aan de Verlichting. Dat heeft het grote voordeel, dat wie Mohammed wil uitmaken voor pedofiel, zich in een moeite een heldhaftig kind van het rationalisme kan wanen. Maar juist de bronnen van zulke kritiek op Mohammed en de islam liggen helemaal niet in de Verlichting maar in de Middeleeuwen.”De Jong ziet ook bij Voltaire zelf, in diens oordelen over de islam vooral nog een continuïteit van de middeleeuwse anti-islam-traditie en vindt weinig verlichte religiekritiek bij Voltaire: “Voltaire paste in de achttiende eeuw de afkeer van Mohammed als ‘grondlegger van een valse en barbaarse sekte’ in het raamwerk van de Verlichting, maar voor de inhoud bleef hij schatplichtig aan de middeleeuwse tirades. Anderen zoals Montesquieu en Tocqueville waren milder (maar zeker niet onkritisch) over de islam, en bij hen zien we de kiemen van een echte religiekritiek die oog heeft voor de bronnen, historie, context, gevaren en deugden van een godsdienst in een moderne wereld.” (NRC 6-4-2004)
    De minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot heeft een gebalanceerde visie op het beroemde Voltaire-citaat, dat door Ellian en Cliteur verabsoluteerd wordt: “Europeanen hechten veel waarde aan het dikwijls aan Voltaire toegeschreven gezegde: ‘Ik ben het oneens met wat je zegt, maar ik zal tot de dood je recht verdedigen om hete zeggen.’
    Betekent dit dat Europeanen alles kunnen zeggen? Nee. Het recht op vrije meningsuiting is natuurlijk geen plicht om te beledigen. Voltaires uitspraak vindt een tegenwicht in de beroemde gulden regel die christenen ontlenen aan de Bergrede van Jezus: ‘Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jou behandelen.’ ”

    John Gray, volgens Paul Cliteur een “demagoog” die “vreselijke dingen” beweert, opent zijn boekje over Voltaire met de volgende alinea: “If, despite its history, we think of philosophy as the disinterested pursuit of truth, then Voltaire was no philosopher. He lived and died, the exemplay philosophe, a partisan. Nothing is further from Voltaire’s thought than the spirit f inquiry. Nor, despite his excoriating sarcasm and the unquenchable vivacity of his pessimism, was Voltaire’s view of humankind detached or cynical. He was a lifelong propagandist for a secular faith. The object of Voltaire’s ‘philosophy’ was not to advance inquiry, still less to foster sceptical doubt. It was to found a new creed. Voltaire sought to supplant the Christian religion by the faith of the Enlightenment. His tireless raillery was meant in deadly earnest. His opposition to Christian fanaticism had itself a fanatical bent. Voltaire’s life work was to set European life on a new foundation by constructing a successor to Christianity.” (Voltaire, p.1).

    John Gray gaat zowel met kritiek als ook met hoogachting in op het werk van Voltaire. Hij onderkent twee verschillende componenten in Voltaires werk: het fanatieke verlichtingsfundamentalisme, dat een seculiere religie wilde stichten, en het kritische denken, dat voor de emancipatie opkwam. Het is mijn stelling dat Cliteur en Ellian erven zijn van de eerste component bij Voltaire, dus van het fanatieke secularisme, maar niet van de emancipatoire gedachte.

    Cyrille Offermans over de kritische component bij Voltaire:  “Voltaire was geen geharnast atheïst en ook geen vooruitgangsoptimist, hij geloofde niet in de vervolmaakbaarheid van de wereld noch in een intellectuele of morele superioriteit van het Westen. En ja, Voltaire zou met genoegen gehakt hebben gemaakt van de militante conservatieven die zich tegenwoordig op hem beroepen als ze de superieure zegeningen van onze verlichte westerse wereld bezingen in schril contrast met de achterlijkheden van de moslims.” (Voltaire, opgewekt en multicultureel, Trouw 27-3-2004)

    Voltaire beledigde de machtige katholieke kerk, terwijl Ellian en Cliteur een kwetsbare minderheid kwetsen

    P.S.
    ALS  rechts zich op überhaupt Voltaire wil beroepen kan dat het beste gebeuren door zich in de traditie van Voltaire’s racisme te stellen. In zijn Traité de métaphysique (1734) verklaarde Voltaire, dat de “blanken superieur waren aan de negers, zoals de negers superieur zijn aan de apen” (geciteerd naar Siep Stuurman, De uitvinding van de mensheid, p. 294)
    .

    Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

    .

    Recente berichten

    Categorieën

    Tags

    Archief