Wetenschap Kunst Politiek

Paul Cliteur: Moreel Esperanto

40 comments

Koen Haegens heeft in De Groene Amsterdammer van 9-3-2007 een uitstekende recensie geschreven van Cliteurs nieuwste boek, Moreel Esperanto.

Ik wil het debat over Cliteurs Moreel Esperanto openen met citaten uit Haegens’ artikel uit De Groene.

 
Cliteurs pleidooi voor een atheïstisch-humanistisch “Moreel Esperanto” ziet de Leidse hoogleraar godsdienstwetenschap Willen B. Drees als een “naïeve wensdroom” van een spanningsvrije morele taal. “Moreel beraad kan zeer wel leven met argumenten die niet gedeeld en niet geheel begrepen worden, inclusief verwijzingen naar een particuliere achtergrond en religieuze traditie. Moreel beraad vraagt geduld en begrip, niet instemming.”[1] Drees merkt ook op dat Esperanto geen succes was, en dat Esperanto ver van waardevrij was: Het was een taal georiënteerd aan Europese talen, en werd ook – niet geheel toevallig- dwangs-gepromoot door Khomeini, omdat hij het Engels wilde vermijden.
Cliteur zoekt spanningsvrije volmaaktheid, maar het gaat erom randvoorwaarden te scheppen voor pluriformiteit en diversiteit.

Maar hier eerst Haegens:

“In heksen, kabouters en zeemeerminnen mag van rechtsfilosoof en opiniemaker Paul Cliteur iedereen geloven, ‘maar wanneer wereldleiders oorlogen beginnen op basis van berichten die zij menen te hebben ontvangen uit een andere wereld, heb je wel een serieus probleem’. Dat probleem heet bij Cliteur de ‘goddelijke-bevelstheorie’, de religieuze ethiek van christendom, jodendom en islam die het goede definieert als datgene wat God wil. Hét klassieke voorbeeld van waar dat toe kan leiden, is het in alle monotheïstische godsdiensten voorkomende verhaal van Abraham. Uit gehoorzaamheid aan God was hij bereid zijn zoon Izaäk te offeren.

Het is deze goddelijke-bevelstheorie die volgens Cliteur de hoofdoorzaak is van de huidige problemen met religieus fundamentalisme. Hij hekelt de mensen die alle mogelijke andere verklaringen voor bijvoorbeeld de moord op Theo van Gogh aanvoeren – van cultuur tot discriminatie op de arbeidsmarkt – behalve de religie van de dader. Waarom de verklaring van Mohammed B. zelf, die zegt dat zijn daad voortkomt uit zijn geloof, niet serieus nemen?

[…]
Wat de multireligieuze samenleving nodig heeft is daarom geen geïnstitutionaliseerd religieus pluralisme, maar een autonome, niet-religieuze ethiek. Zo’n autonome ethiek is volgens Cliteur niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk in een samenleving waarin verschillende religies naast elkaar bestaan. Discussiëren over goed en kwaad gaat het best in een voor iedereen verstaanbare taal, redeneert hij, een soort ‘moreel Esperanto’ dus.

Dat is even redelijk als dat het vaag is. Nadat Cliteur tweederde van zijn boek heeft uitgetrokken om de nadelige kanten van religieuze ethiek te bespreken – waarbij hij de herhaling helaas niet schuwt – handelt hij de door hem aangedragen alternatieven wat al te makkelijk af.

Het probleem van de multireligieuze samenleving, zo stelt Cliteur, is dat mensen ‘hardnekkig blijven doorpraten in een taal die alleen wordt verstaan door de eigen groep’. Helaas laat Cliteur na zelf het goede voorbeeld te geven. Samen met zijn intellectuele maatjes als Jaffe Vink, Afshin Ellian, Chris Rutenfrans en Andreas Kinneging staat hij nu al jarenlang luid in het neoconservatieve dialect te schreeuwen. Om degenen die daar niet aan meedoen er vervolgens van te beschuldigen dat ze het debat ontlopen en de problemen bagatelliseren.

Ook in Moreel Esperanto fulmineert Cliteur honderden pagina’s achtereen tegen zijn critici. Wie dit precies zijn blijft onbekend, laat staan dat er naar goed wetenschappelijk gebruik concrete citaten en verwijzingen gegeven worden. Cliteur spreekt over ‘vrijzinnigen, multiculturalisten en postmodernen’.
[…]

Cliteur cum suis voeren geen echt debat. Ze creëren voortdurend zelf een ideaaltypische tegenstander in hun ideeënstrijd. Die is van alles tegelijk – van oud-linkse betonsocialist tot liberale postmodernist – maar bovenal vatbaar voor hun favoriete ‘argument’: ze zijn soft in het allesbepalende gevecht tussen westerse conservatieve liberalen en fundamentalisten.
[…]

Wat telt is de letterlijke tekst, een uitgangspunt dat de neocons overigens delen met de fundamentalisten. Het hangt samen met hun filosofisch idealisme. De fysieke omstandigheden zijn volgens het idealisme afhankelijk van de geest. Anders gezegd: niet de materiële omstandigheden bepalen hoe onze wereld eruitziet, maar louter de ideeën en gedachten van mensen.[…] ”

 
Susan Neiman onderneemt in haar boek Morele helderheid/ Goed en kwaad in de eenentwintigste eeuw (Moral clarity) een poging om – net als Cliteur- een moraal zonder religie te verdigen, maar anders dan Cliteur doet zij dat met respect vor religies en met een scherpe kritiek op neoconservatieven (neocons dus zoals Cliteur zelf).
 
 
De Leidse hoogleraar Oude Testament Bas ter Haar Romeny die tijdens NWO-Huygenslezing 2007 over Cultuur en identiteit sprak over het thema “Religie en Cultuur : wie is de baas?” keerde zich tegen de doelstelling van zijn Leidse collega Paul Cliteur voor een “Moreel Esperanto”:
We hebben volgens Ter Haar Romeny geen moreel Esperanto nodig, waar de religie overboord wordt gegooid. Het gaat om dialoog, debat en wisselwerking tussen culturen en religies.



[1] Willem B. Drees “Religies in een pluriforme samenleving – stellingen, VU –podium Wat ons bindt: Op zoek naar de overeenkomsten”.
 

 

Vertalen Duits Vertaalbureau Duits

.

 

Tags: ,

40 Responses to “Paul Cliteur: Moreel Esperanto”

  1. anoniem schreef:

    Avatar van anoniem
    Bush jr meent toch een goddelijke missie te hebben ?

  2. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Good point: en wel met de steun van Cliteur, die inzake Irak argumenteerde : macht is recht.
    Reactie is geredigeerd

  3. Astroloog schreef:

    Avatar van Astroloog
    Ze hebben in dit land het pessimisme dood verklaard. Daarom zeveren ze maar wat aan. Lees daarom mijn mooie boekenweekrede…

  4. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    Ha Maria heeft weer een nieuw excuus gevonden om zelf geen boeken te hoeven lezen. Zij gaat wat shoppen bij anderen. Dit is trouwens de recensie van de hoogleraar canoniek recht aan de universiteit van Leuven van Cliteurs boek:

    Moreel esperanto: Voor alles een oplossing ?
    25-01-2007 – Rik Torfs – de standaard
    De Nederlandse liberale denker Paul Cliteur geeft in zijn nieuwe boek een heldere kijk op de moraal. Maar ergens wringt het. Vorig jaar in april, tijdens een driedaagse besloten conferentie in Baarn, zag ik voor het eerst Paul Cliteur, hoogleraar in Leiden en Delft. Ik bewonder hem zeer. Hij is een man met allure. Zijn schrijfstijl is glashelder. In zijn betoog zit altijd een lijn. Met wat hij schrijft, kan je het eens zijn, maar goddank ook oneens. Cliteur heeft de naam een beetje tegen de godsdiensten te zijn, of neen, voor de vrijheid. In ieder geval mag religie in zijn ogen geen excuus zijn om mensen hun vrijheid te ontnemen.
    Van hem verschijnt een nieuw boek: Moreel Esperanto . Cliteur constateert daarin dat we in verwarrende tijden leven. Religieus gefundeerde morele oordelen botsen op niet-religieus gefundeerde morele oordelen. Hoe reageren we daarop? Cliteur kijkt met argwaan naar de methode die erin bestaat religieus geweld te beantwoorden met een oproep tot dialoog. Volgens die aanpak zouden wij onze kritiek op de godsdiensten moeten matigen, daarbij berouwvol onze westerse arrogantie aan de kaak stellend. Religieuze terroristen voelen zich vaak beledigd. Als wij schuld bekennen, zo luidt die redenering, dan knappen deze lieden daar een beetje van op. Ze worden minder boos.
    Cliteur gelooft niet in zo’n toegeeflijke aanpak. Die bevestigt religieuze fanatici immers in hun gelijk. Hij zoekt naar een basisconsensus die een multireligieuze samenleving helpt te schragen. Dat kan voor hem alleen een niet-religieus gefundeerde, autonome ethiek zijn, een moreel Esperanto dat zowel gelovigen als niet-gelovigen ten goede komt.
    De uitwerking van Cliteurs theorie geschiedt in drie bewegingen. Vooreerst analyseert hij de sterke binding die er vaak is tussen moraal en religie. Het goede valt samen met de wil van God. Die deelt ons mee hoe het allemaal moet. Niet meteen een gang van zaken waar Paul Cliteur wild van wordt.
    In een tweede deel schetst Cliteur een alternatief, de autonome ethiek. Zij verwijst naar een ideaal. Kijken naar God of naar onze ouders en hun opvoedingsmethoden volstaat niet om een moreel oordeel te stutten. Beter is wanneer mensen zelfstandig en vrijwillig beslissen een moreel Esperanto met elkaar te gaan spreken en zich dus willen oriënteren op een autonome ethiek. Cliteur illustreert zijn stelling met een aantrekkelijk voorbeeld: ,,Je kunt de vergelijking trekken met mensen van verschillende nationaliteiten die zich in één kamer bevinden. Het is dan goed gebruik dat men probeert een taal te spreken die iedereen kan verstaan. Het zou een beetje vreemd zijn wanneer iemand op hoge toon respect zou opeisen voor zijn eigen taal en daarin blijft doorpraten, ook al wordt hij door niemand verstaan." De autonome ethiek heeft schaduwkanten, vindt Cliteur. Maar er is niets beters. We moeten de strijd voor de verlichting opnieuw voeren. Met de bescheidenheid van het postmodernisme komen we er niet.
    In het derde deel past Cliteur de autonome ethiek toe op politiek en samenleving. Hij pleit voor een sterke scheiding van kerk en staat. De staat moet de burger aanspreken op zijn status als staatsburger, niet op zijn lidmaatschap van een religieuze groep. Daarom is de aanpak van de auteur niet multiculturalistisch, maar universalistisch. Volgens hem kan de multiculturele samenleving het best worden gereguleerd door een autonome ethiek in combinatie met een neutrale staat.
    Wat voorafgaat toont aan hoe mooi het boek in elkaar zit. Drie grote delen. Zeer heldere en traceerbare redeneringen. Veel analyses en allerlei filosofen en schrijvers passeren de revue. Voortdurend denkt de lezer: Cliteur heeft gelijk. Zo is het. Hij zegt waarop het staat. Zelf ben ik ook onder de indruk van dit boek, zoveel is duidelijk.
    Toch heb ik ook een probleem met Moreel Esperanto . Ik vind het een prachtige titel. Maar er zijn twee woorden die mij een beetje storen, namelijk enerzijds moreel, en anderzijds Esperanto.
    Moreel. Paul Cliteur verwacht erg veel van de moraal. Ze moet feilloos werken, ze dient goed in elkaar te zitten. Er is geen ruimte voor amateurisme. Tekenend is de passage waarin Cliteur van oordeel is dat Nietzsche al te zeer fulmineerde tegen de christelijke ethiek. Dat is niet geheel terecht: ,,Wel heeft de ethiek van Jezus uit filosofisch oogpunt bepaalde tekortkomingen. Zij is onsystematisch." Oef, denk ik dan. Gelukkig! Het is maar de vraag of er van Christus’ ethiek iets zou zijn overgebleven als zij wel systematisch was geweest. Laat dat toch over aan mindere goden, aan pausen en moraaltheologen. Laat hen het zuur van de nederlaag proeven in het waterdichte systeem dat zij krampachtig hebben uitgewerkt.
    Dat is nu juist het verschil tussen Christus en de kerk. De kerk geeft antwoorden op alle vragen, ook op vragen die niemand zich stelt. Christus echter beantwoordde een vraag vaak met een wedervraag, waardoor zijn ,,antwoord" onontkoombaar werd. Alleen als je de vraagsteller het antwoord zelf laat geven, sluit je alle vluchtwegen af. Wanneer de moraal ,,systematisch" is, kan ze niet anders dan deductief zijn. Ze is een systeem dat op de werkelijkheid wordt toegepast. Er is voor alles een oplossing, maar dat kan alleen als het leven wijkt voor de moraal.
    Het geloof dat Cliteur belijdt, is een rotsvast geloof in de rede. Hij gelooft in de ratio en in de keuze, in de mens die vrij beslist. Ik deel deze gedachte tot op zekere hoogte. De mens geniet rechten en vrijheden. Zij zijn de hoeksteen van onze democratische rechtsstaat. Aan mensenrechten mag niet zomaar worden gemorreld. Maar dat we (terecht) vrijheidsrechten genieten, betekent nog niet dat we vrij zijn. Dat is een hardnekkig misverstand waarmee liberale denkers wel vaker worstelen.
    Een mooi voorbeeld van Cliteurs geloof in de vrijheid is dit: ,,Nogmaals: het staat iedereen vrij te geloven in één of meerdere goden." Een zinnetje als dit kan een rechtsregel zijn. Maar tegelijk gaat het voorbij aan wat in een mensenleven wezenlijk is. Je ,,kiest" niet voor geloof of ongeloof, voor zover de grens tussen beide begrippen al scherp te trekken is. Je kunt net zo goed beweren dat het iedereen vrij staat om verliefd, of om niet verliefd te worden. Ja, ja. Probeer dat maar eens uit te leggen aan een smoorverliefde puber die in de spiegel met onzekere blik zijn puistjes gadeslaat. Je bent ook vrij om ,,Gezicht op Delft" van Johannes Vermeer al dan niet een schitterend kunstwerk te vinden. Juridisch dan. Want voor schoonheid kies je niet. Zij vraagt overgave. Het hijsen van de witte vlag.
    Dat Cliteur geen scherpe feeling heeft voor wat geloof is, blijkt ook uit de passage die naadloos op de hier besproken zinsnede volgt: ,,Het staat ook iedereen vrij te geloven in heksen, kabouters, elfen, feeën, zeemeerminnen, in de liefde, in de laatste zijnsgrond, het ‘Ganz Andere’ en in ‘aliens’." Dat zal allemaal wel waar zijn. Juridisch. Maar om samen met gelovigen een moreel Esperanto uit te bouwen, zal toch meer empathie nodig zijn.
    Godsdienstvrijheid is een recht, maar geloof is geen keuze. Zo beland ik weer bij mijn uitgangspunt: Cliteurs moraal is superredelijk, perfect, gepolijst en net daarom onwerkelijk. Zij onderschat het ongrijpbare, hoewel de geschiedenis leert dat dat laatste onontkoombaar is.
    Tot zover mijn bezwaar tegen de redelijke moraal van Cliteur. Dan is er nog het Esperanto. Het Esperanto werd door de mens geschapen. Maar niet uit het niets. Er waren al andere talen, die organisch tot stand kwamen. In die andere talen blijft de mens het vlotst, het echtst, het meest zichzelf. Jazeker, je kunt Esperanto spreken in de vergaderzaal of in de trein. Kan het ook in bed, bij het bedrijven der liefde, of in doodsangst, als het levenseinde nadert? Waarschijnlijk wel. Soms. Maar vaker niet. De mens is het meest zichzelf in de taal die hij niet zelf heeft gemaakt. Hij is een vreemdeling in zijn eigen bestaan, een vreemdeling die de sleutel van het geluk pas vindt wanneer hij hem niet zoekt.
    Dit gezegd zijnde: Cliteur schreef een prachtig boek.

  5. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk

    En dit is het interview met Cliteur in Mare door Christiaan Weijts, speciaal voor Maria Trepp:

    ACHTERGROND – Mare 23, 8 maart 2007
    ________________________________________
    Cliteur wil het goede op basis van de juiste overwegingen
    Geen goddelijk BEVEL
    CHRISTIAAN WEIJTS
    ________________________________________
    ‘Ik ben geïnteresseerd in moord en doodslag’
    Foto: Marc de Haan Laten we moraal en religie ontkoppelen en een ‘moreel Esperanto’ gaan spreken. Dat is de suggestie die Paul Cliteur doet om de problemen in de multireligieuze samenleving tegen te gaan. ‘Donner spreekt over Mohammed B. als een eenzame gek. Een povere diagnose.’

    Stel: iemand gaat studeren, doet ijverig zijn best, want hij ziet dat als de wil van God. Hij trouwt met het meisje dat God op zijn pad bracht, voedt zijn kinderen op zoals hij denkt dat God het wil. Een wat eigenaardige jongen, zullen veel mensen zeggen, maar verder is er niets aan de hand. Maar wat als diezelfde jongen op gezag van diezelfde God met zijn studie stopt, zijn vrouw gaat slaan, en zijn kinderen medische zorg ontzegt, omdat God wel voor ze zal zorgen?

    Het gedachte-experiment komt uit het nieuwe boek van Paul Cliteur, Moreel Esperanto, en illustreert de ‘goddelijke-bevelstheorie’, de visie waarbij iemand zijn morele handelen baseert op het bevel van een goddelijke instantie, dat rechtstreeks wordt medegedeeld of door tussenkomst van derden bekend wordt gemaakt, zoals bijvoorbeeld bij de Bergrede of de Tien Geboden gebeurde.

    ‘Wanneer moeten we over de jongen uit het voorbeeld gaan klagen?’, vraagt de hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap zich af. ‘Moeten we dat pas doen als zich het tweede scenario voordoet, dat wil zeggen: als de inhoud van de goddelijke wil ons niet bevalt? Of moeten we die goddelijke-bevelstheorie eigenlijk ook al in het eerste geval aan de kaak stellen?’

    ‘Wat ik duidelijk wil maken’, zegt Cliteur, in zijn werkkamer op de juridische faculteit, ‘is dat het niet alleen van belang is dat mensen de goede dingen doen, maar dat ze dat ook nog eens doen op basis van de juiste overwegingen. En in een multireligieuze samenleving is het rechtvaardigen van onze standpunten door naar godsdienst te verwijzen voor niemand meer overtuigend.’

    Mooier zou het zijn als mensen zich zouden beroepen op een autonome ethiek, los van religie, stelt Cliteur in zijn boek, dat een uitgebreid en zorgvuldig opgebouwd betoog is, waarbij klassieke en moderne denkers passeren, en hun licht werpen op historische casussen en maatschappelijke actualiteit zoals de cartoonrellen, de moord op Theo van Gogh en de terreurbestrijding.

    ‘Een van de inspiraties voor het schrijven van dit boek waren de verhalen die religieus gemotiveerde terroristen vertelden tijdens hun processen. Ze hadden telkens een bepaald verhaal, daar wilde ik eens goed naar gaan luisteren. Als je gaat analyseren welke wereldbeschouwing daar achter zit, dan ontstaat er een redelijk consistent beeld, dat ik herkende uit de ethiek, meer in het bijzonder de meta-ethiek. Een van de theorieën is dat het goede goed is omdat het door God is voorgeschreven. De legitimatie van de moraal ligt in de godsdienst. Al die terroristen zijn aanhangers van de goddelijke-bevelstheorie.’

    Wie het religieuze element van het religieus terrorisme probeert te ontkennen, zoals voormalig minister van justitie Donner in talloze interviews heeft gedaan, kan volgens Cliteur niet efficiënt aan terrorismebestrijding doen. ‘Donner spreekt over Mohammed B. als over een eenzame gek. Dat is voor iemand die verantwoordelijk is voor de terreurbestrijding een povere diagnose. Als je in de preventieve sfeer iets wilt doen, dan moet je weten vanuit welke kaders die mensen denken.’

    Cliteur laat zien dat in de drie theïstische religies, christendom, jodendom en islam, tradities te vinden zijn die hun ethiek gebouwd hebben op goddelijke bevelen. Alledrie kennen ze het verhaal van Abraham die het bevel kreeg zijn zoon Izaak te offeren; het oervoorbeeld van een blind vertrouwen op God.

    De hoogleraar geeft zijn critici gelijk die vinden dat hij religie daarmee tekort doet. ‘Helemaal juist. Dit is geen boek over religie. Ik heb niet de pretentie religie te beschrijven in al zijn facetten, noch in negatieve noch in positieve zin. Ik ben geen godsdienstfenomenoloog, ik ben, naast filosoof, jurist. Ik ben geïnteresseerd in moord en doodslag. Wat ik wel constateer, is dat ergens, diep in die theïstische tradities er toch iets ligt, dat wijst op zo’n goddelijke-bevelstheorie. Daar kunnen onaangename kanten aan zitten, en die heb ik beschreven.’

    De vraag is hoe dat alternatief eruit ziet. Zal die autonome ethiek ook niet voortkomen uit een of andere levensvisie? En wat is de inhoud van die autonome ethiek? ‘Ik zeg nu alleen iets over de rechtvaardiging van moraal, niet over de levensvisie die daaraan ten grondslag ligt. Wat de inhoud betreft: mensen vragen vaak naar een aantal beginselen van de autonome ethiek. Daar is best iets over te zeggen, ik heb in mijn vorige boek, Tegen de decadentie, wel eens een tiental universele principes gepresenteerd, anderen niet schaden, je zodanig opstellen dat als iedereen zich zo zou opstellen de wereld er beter uit zou zien, enzovoorts. Gelukkig bestaat een aanzienlijke consensus over dat soort beginselen. Ik sluit dus voor een groot gedeelte aan bij de bestaande praktijk. We moeten dat alleen bewuster en voortvarender doen.’

    ‘Je kunt ook zeggen: we hebben toch de wet? Zijn we er dan eigenlijk niet al? Dan zijn we op de goede weg, maar nog niet helemaal. De wet is ingebed in een morele consensus. De wet is ook niet voldoende, want er zijn dingen die onfatsoenlijk en onwenselijk zijn die niet in de wet staan. De wet erodeert ook als er geen morele overtuiging meer aan ten grondslag ligt.’

    ‘Neem de discussie over vrijheid van meningsuiting. We hebben artikel 7 van de grondwet. Dan ben je toch vrij je mening te uiten, zeggen sommige mensen dan? Dat is waar, maar die wet heeft alleen een papieren betekenis als het ideaal dat eraan ten grondslag ligt, tolerantie, niet leeft in de harten van de mensen. Op dit moment laat dat te wensen over. De geestelijke weerstand tegen groeperingen die bereid zijn te moorden op religieus bevel is erg klein tegenwoordig en dan hebben we een fundamenteel probleem. Het “begrip” voor religieus geweld is overweldigend en de compassie met daders van geweld is groot. Als die tendens zich voorzet, zal de vrijheid in westerse staten op de lange duur verdwijnen.’

    Als voorbeeld wijst Cliteur op de Deense hoogleraar Tim Jensen, die onlangs in een interview in het Reformatorisch Dagblad aangaf: ‘Waarom zou je de islam kritiseren op een beledigende manier, en hiermee op de tenen van anderen gaan staan? Ik zou zeggen: Stop provocaties die niet leiden tot het doel dat je wilt bereiken. Feit is nu eenmaal dat moslims en christenen leven in een multireligieuze en multiculturele samenleving. Het enige alternatief van tolerantie is oorlog’

    Cliteur: ‘Hier wordt het woord “tolerantie” in een volkomen geperverteerde betekenis gebruikt: niet als de deugd van het “verdragen” van onwelgevallige uitingen, maar als capitulatie voor terreur. Bovendien wordt door Jensen zonder enige verdere argumentatie aan romanschrijvers (Rushdie), toneelschrijvers (Bhatti), filmmakers (Van Gogh/Hirsi Ali), filosofen (Robert Redeker), opera-regisseurs (Neuenfels) en anderen toegeschreven dat hun maatschappelijk engagement is ingegeven door lage motieven als de lust tot provoceren. Als veel mensen gaan denken zoals Jensen denkt, dan zal het ideaal van vrijheid eroderen. Dan kan je wel een artikel 7 in de grondwet hebben staan, maar dan is dat de facto een verdwenen cultuurgoed. Ik vind het erg verontrustend.’

    Maar is het morele Esperanto wel mogelijk? Gelovigen zullen het gevoel hebben hiermee hun God niet trouw te zijn.‘Dat is zelfs het commentaar van mensen die het inhoudelijk met mij eens zijn, zoals Frits Bolkestein. Mooi, dat moreel Esperanto, zo denk ik er ook over, maar onhaalbaar, want gelovige mensen zullen geen afstand doen van religieus gelegitimeerde moraal, zegt hij. Ik vind dat persoonlijk te pessimistisch, fatalistisch zelfs. Mijn wedervraag zou zijn: is er een alternatief dat ik over het hoofd zag? Volgens mij is dat er niet. Er zijn twee posities: moreel Esperanto of de goddelijke bevelstheorie. Maar heel veel mensen doen voorkomen dat er nog iets anders is. Ik zou wel eens willen weten wat.’

    Paul Cliteur: Moreel Esperanto, De Arbeiderspers. 428 pgs., € 22,50

  6. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Dank je Anton, ik zal het alles nog bespreken: deze recensies, Bolkesteins recensie, die ik net heb gehaald uit de bieb, en Cliteurs boek.

  7. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    Graag gedaan, hierbij nog:

    Nederlands Dagblad,
    vrijdag 9 maart 2007 19:27 , laatste wijziging vrijdag 9 maart 2007 19:27
    Moreel Esperantodoor dr. J. Douma Ik herinner mij uit de oorlogstijd dat wij enkele evacués uit het westen des lands in de klas kregen, die ons een minderwaardigheidsgevoel bezorgden omdat ze zo beschaafd Nederlands spraken. Wij waren slechts vaardig in het Gronings dialect. Nu ben ik dat gevoel van minderwaardigheid allang te boven, maar ik moest er wel aan denken toen ik het nieuwste boek van Paul Cliteur, met als titel Moreel Esperanto las. Deze schrijver is van mening dat mensen die hun religieuze overtuiging in het politieke leven uitdragen, feitelijk een dialect spreken. Willen zij echt mee kunnen spreken in onze pluriforme samenleving, dan moeten ze dit dialect laten schieten en een ‘moreel Esperanto’ leren spreken.

    Wat bedoelt hij daarmee? Het komt hierop neer dat wij alleen redelijke argumenten moeten gebruiken en ons niet mogen beroepen op de Heilige Schrift als wij in de politiek bezig willen zijn. Van burgers kan Cliteur het dulden (!) dat zij hun irrationele (onredelijke) kanten hebben en zich voor hun moraal baseren op religie, maar in het staatsleven behoort dat niet te gebeuren. Het dialect is voor de binnenkamer, terwijl we in ministerraad, het parlement etc. gebruik moeten maken van een algemene taal die uitsluitend van verstandelijke argumenten gebruikmaakt. Het is uit het hele boek duidelijk dat wij (christenen) een dialect spreken en dat Cliteur ons daarvan af wil helpen. Graag helemaal, maar in elk geval in het politieke leven.

    Geweld
    Hoe komt Cliteur tot zijn oproep aan ons adres? Hij meent ontdekt te hebben dat de moraal van zowel joden, christenen als islamieten teruggaat op die van Abraham, die zich niet ontzag zijn zoon Isaak te offeren op bevel van God. Daarmee maakte Abraham zich schuldig aan een poging tot moord. Als wij verstandig redeneren, kunnen wij uit dit en andere bijbelse voorbeelden de conclusie trekken dat het verkeerd is om ons handelen enkel met een beroep op Gods wil te verdedigen. Wie blindelings doet wat God van hem vraagt, kan tot de ergste geweldsdelicten komen.

    Nu schrijft Cliteur zijn boek in een tijd dat tal van moslims in naam van Allah terroristische aanslagen plegen. Als hij daar de religieuze wortels van wil blootleggen, doet hij goed werk. Maar ik mag het hem kwalijk nemen dat hij én de joden én de christenen voortdurend in één adem noemt met de gewelddadige islam. Om mij tot de christenen in Nederland te beperken: kan Cliteur uit het Nieuwe Testament één bewijs aanhalen dat het christendom zelfs maar het gevaar loopt in naam van God en Jezus Christus terroristische handelingen te verrichten?

    Terroristen
    Dat christenen zich niet altijd zo geweldloos gedragen, is mij bekend. Maar het gaat er nu om, of zij ook maar enige schijn van recht hebben zich daarvoor op de Bijbel te beroepen. Natuurlijk, als men de Bijbel een zak vol citaten gebruikt, is er altijd wat te vinden waarvan Cliteur beweert dat men ertoe kan kan komen ongelovigen te doden. Maar wie in de Bijbel een geschiedenis ontdekt, doet niet alsof in het Nieuwe Testament het land Kanaän op Gods bevel nog met geweld moet worden veroverd. Ik daag Cliteur uit aan het Nederlandse publiek duidelijk te maken dat christenen in Nederland de ‘goddelijke bevelstheorie’ moeten afzweren, omdat je maar nooit kunt weten of het ‘sluimerende’ element van geweld in hun ‘gewelddadige’ geloof niet weer wakker wordt. Het is wel heel gemakkelijk om een paar keer terroristen ten tonele te voeren die abortusklinieken in de VS ‘bombarderen’. Maar Cliteur kan weten dat deze mensen geen voet aan de grond krijgen bij welke christelijke kerk in Nederland ook. Het moet mij trouwens van het hart dat Cliteur wel deze mensen ervan langs geeft, maar dat hij het geweld van de aborteurs niet veroordeelt. Dit is m.i. een duidelijk bewijs dat mensen als Cliteur óók een moreel dialect spreken, al denken ze dat het van algemene beschaving getuigt om abortus provocatus goed te keuren.

    Neutraal
    Hoe moet de staatsinrichting er volgens Cliteur uit zien als wij allemaal moreel Esperanto gaan spreken? Ik moet zeggen dat het derde deel van Cliteurs boek over de ‘religieus neutrale staat’ erg mager uitvalt als hij van die staat ons een indruk wil geven. Cliteur vertelt wel dat onze koningin in haar kersttoespraken niet meer mag verwijzen naar bepaalde religieuze tradities, maar moet aanknopen bij ‘de idealen van het Nederlandse staatsburgerschap’. Wat die idealen zijn, wordt niet duidelijk. Idealen knoopt men altijd vast aan verhalen en mensen. Ik krijg ook het idee dat de koningin best Immanuël Kant mag citeren, als zij maar zwijgt over Jezus Christus. Maar goed, de koningin moet ‘algemeen’ spreken en onze ministers en parlementsleden evenzo. Allerlei vragen rijzen er dan mij, zonder dat ik een antwoord vind in Cliteurs boek. Mogen we de eed nog afleggen? Blijft het christelijke onderwijs als gelijkberechtigd met het openbare onderwijs nog bestaan?

    Een goede raad aan alle christenen in publieke functies: laat u zich niet in de hoek van het morele dialect duwen en maak duidelijk dat u als Nederlands staatsburger en christen er zijn mag, en niet slechts geduld hoeft te worden. Toon met uw zakelijke betogen dat uw geloof niets te maken heeft met irrationaliteit, maar dat u argumenten gebruikt die iedereen kan volgen. De meesten begrijpen u zeer goed, maar wensen uw argumenten niet te volgen. Zo blijkt het dat Cliteur opperbest begrijpt wat Simonis en Rouvoet beweren. Hij schrijft namelijk dat zulke mensen naast hun ‘dialect’ ook nog morel Esperanto weten te spreken. Houden zo! Het christelijk geloof is redelijker dan Cliteur beweert en het heeft een door hem geconstrueerde nieuwe taal niet nodig. Ook niet om abortus provocatus af te wijzen.

    Dr. J. Douma is emeritus-hoogleraar ethiek in Kampen.

  8. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    Het voorwoord van Moreel Esperanto is ook gemakkelijk op het net te vinden. Type in: "Moreel Esperanto" op google en je hebt het in pdf. Of lees het volgende:

    Paul Cliteur
    Moreel Esperanto
    Naar een autonome ethiek
    Uitgeverij De Arbeiderspers
    Amsterdam · Antwerpen
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur
    [Perfect Service] pag
    Inhoud
    Woord vooraf 9
    i
    Religieuze ethiek
    1. De goddelijke-bevelstheorie 21
    2. Problemen met de goddelijke-bevelstheorie 84
    3. Religieus gesanctioneerde moord 14 0
    ii
    Autonome ethiek 21 9
    iii
    De religieus neutrale staat 295
    Noten 335
    Register 41 5
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag
    Woord vooraf
    In het Indiase Lucknow, de hoofdstad van de deelstaat Uttar Pradesh,
    sprak op 20 februari 2006 een islamitische rechtbank een
    doodvonnis uit over de twaalf tekenaars van de Deense prenten over
    Mohammed. Dat gebeurde in een fatwa, een religieus oordeel. Het
    religieuze hoofd van de rechtbank, Maulana Mufti Abul Irfan, verklaarde:
    ‘De dood is het enige vonnis voor de heiligschennis van de
    spotprenten.’1 Het oordeel van de rechtbank is bindend voor alle
    moslims, waar zij zich ook mogen bevinden, aldus Irfan.2
    In Pakistan was een week daarvoor al een prijs op het hoofd van
    de tekenaars gezet. Een Pakistaanse moslimgeleerde loofde omgerekend
    8400 dollar uit voor het doden van de tekenaars. Twee volgelingen
    van de geleerde verhoogden het bedrag: de ene loofde één
    miljoen dollar uit, de andere 16.800 dollar en een auto. Dat alles
    voor iemand die een van de twaalf tekenaars zou weten te vermoorden.
    3 Een wonderlijke gang van zaken. Niet in de laatste plaats omdat
    de heilige plicht tot het doden van de lasteraars van de Profeet
    moest worden gestimuleerd door zoiets profaans als een auto in het
    vooruitzicht te stellen.
    Het is een verwarrende tijd. Zelden tevoren botsten religieus gefundeerde
    morele oordelen zo hard op niet-religieus gefundeerde
    oordelen. Maar daartoe blijft de tegenstelling niet beperkt. Er bestaat
    bij alle commentatoren ook een groot verschil van inzicht over
    de vraag hoe men hiermee zou moeten omgaan. Moeten we religieus
    geweld beantwoorden met een oproep tot ‘dialoog’? Zou het
    helpen als we ‘matiging van kritiek’ op godsdiensten betrachten? Is
    ‘het Westen’ arrogant en zou een nederiger houding de sleutel zijn
    tot een beter wederzijds begrip? Dat lijkt voor de hand te liggen,
    want in de berichten die ons vanuit de hoek van religieuze terro10
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 10
    risten bereiken, komt telkens weer terug dat men zich vernederd
    voelt.4 Of zou een dergelijke reactie juist contraproductief werken?
    Zou het bekennen van schuld (ook wanneer men zelf van die schuld
    niet overtuigd is) de gevoelens van afkeer juist versterken? Zouden
    radicalen dan zeggen: ‘Zie je wel, ze geven het zelf toe, we zijn vernederd
    en we strijden voor een rechtvaardige zaak’? Moeten we misschien
    juist een krachtig pleidooi houden voor universele waarden
    als de vrijheid van meningsuiting en het verbod op eigenrichting?
    En wreekt zich nu misschien dat we daartoe veel te laat zijn overgegaan
    en de zaak al veel te lang op zijn beloop hebben gelaten?
    Zelden lijken elementaire waarden als vrijheid van godsdienst,
    vrijheid van meningsuiting, het verbod op het gebruik van geweld
    bij meningsverschillen zo sterk onder druk te hebben gestaan als
    tegenwoordig. Kunnen mensen die heilig geloven in hun religie
    vreedzaam samenleven met mensen die een andere religie aanhangen
    of zelfs helemaal geen religie? En zo ja, hoe?
    Dat religie een bindende factor kan zijn voor de leden van een bepaalde
    groep, is bekend.5 Maar dat religie ook een factor van twist
    en strijd kan zijn tússen de groepen, wordt minder vaak belicht.
    Het vertrekpunt voor dit boek is wat ik beschreven heb in voorgaande
    boeken, in het bijzonder Moderne Papoea’s en Tegen de decadentie,
    namelijk dat vele hedendaagse samenlevingen multireligieuze
    samenlevingen zijn geworden. Daaraan zitten allerlei interessante
    kanten, maar het brengt ook problemen met zich mee. Die
    problemen manifesteren zich in het bijzonder wanneer religieuze
    mensen en niet-religieuze mensen diepgaand van mening verschillen
    over man-vrouwverhoudingen, homoseksualiteit, religieuze uitingen
    in het publieke domein, de mogelijkheid van religiekritiek,
    de wijze waarop hedendaags terrorisme tegemoet moet worden getreden
    en andere zaken.
    Het spreekt voor zich dat pluriformiteit kleur geeft aan onze samenleving
    en aan ons leven. Maar daaraan is een natuurlijke grens
    gesteld omdat elke samenleving een basisconsensus nodig heeft over
    enkele uitgangspunten. Pluralisten vinden dat nooit zo prettig om te
    horen,6 maar het is met de publieke moraal net als in het verkeer. Er
    moeten toch echt bepaalde zaken vaststaan. Het rode licht kan niet
    door de ene automobilist worden gezien als een aansporing om door
    11
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 11
    te rijden en door de ander als teken om te stoppen. Het is erg handig
    als de conventie dat rechts voorrang heeft, door allen wordt onderschreven.
    De non-conformisten die klagen over deze knellende regels,
    moeten we teleurstellen.
    Dit aan het verkeer op de weg ontleende voorbeeld heeft een bredere
    strekking. Als de een wil dat godslastering onbestraft blijft of
    tevreden is met de milde sanctie van drie maanden celstraf en de ander
    wil daarop juist de doodstraf geplaatst zien zonder dat men bereid
    is zich te schikken in het overheidsgezag, dan lopen de opvattingen
    te ver uiteen om verenigbaar te zijn. Als de een van mening
    is dat abortus een elementair recht is van de vrouw, terwijl de ander
    bereid is voor deze ‘moord op onschuldig ongeboren leven’ een behandelende
    arts te vermoorden of een abortuskliniek te bombarderen,
    dan moet de overheid iets doen.
    De invalshoek waaronder ik deze problemen wil benaderen, is
    die van de ethiek. Ik zal proberen uiteen te zetten dat het een aanzienlijk
    verschil maakt of men een ethiek religieus fundeert of niet.
    Een niet-religieus gefundeerde ethiek noem ik ‘autonome ethiek’.
    Veel filosofen hebben autonome ethiek verdedigd en men zou de
    autonome ethiek dan ook ‘filosofische ethiek’ kunnen noemen. Toch
    zou dat enigszins misleidend kunnen zijn, want sommige filosofen
    hebben autonome ethiek verworpen. Ik zal nog ingaan op het werk
    van Kierkegaard, maar er zouden ook andere voorbeelden te geven
    zijn.
    In dit boek wordt geprobeerd een beeld te geven van de ethiek
    met als leidraad de tegenstelling tussen autonome ethiek en religieuze
    ethiek. Daarbij zullen ook de belangrijkste theoretici die zich
    over dit onderwerp hebben uitgelaten de revue passeren, onder anderen
    Kant, Bentham, Mill en Voltaire. Het politiek-filosofisch pendant
    van de autonome ethiek is het ideaal van de neutrale staat. Deze
    is verdedigd door politieke filosofen als James Madison en Thomas
    Jefferson. Het werk van deze ‘founding fathers’ van de Amerikaanse
    republiek komt in een slothoofdstuk aan de orde.
    Via de invalshoek van de ethiek probeer ik, net als in mijn voorgaande
    boeken, een bijdrage te leveren aan het debat over de multiculturele
    (of beter multireligieuze) samenleving. Ik zal verdedigen
    dat – om een multireligieuze samenleving in goede banen te leiden
    12
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 12
    – een zekere mate van consensus nodig is over moraal. Daarbij gaat
    het niet alleen om overeenstemming over waarden waarover de religieuze
    tradities toevallig hetzelfde denken (daarop is reeds van verschillende
    zijden gewezen), maar ook is een zekere mate van overeenstemming
    nodig over de wijze waarop men spreekt over moraal
    (een punt dat relatief onderbelicht is). En die overeenstemming
    wordt vergroot – zo zal ik hier proberen te verdedigen – wanneer
    men moraal niet in verband brengt met godsdienst. Dat wil zeggen
    dat we ons op het standpunt stellen dat als we discussiëren over goed
    en kwaad, we dat het beste kunnen doen in een taal die voor ons allemaal
    verstaanbaar is. De autonome ethiek is die taal. Men kan ook
    zeggen: de autonome ethiek is een soort ‘moreel Esperanto’.
    Nu is het werkelijke Esperanto geen succes geweest en mijn vergelijking
    is ook in die zin kwetsbaar dat ik hoop dat het morele Esperanto
    een groter succes zal zijn dan zijn taalkundige vorm. En dat
    is heel goed mogelijk. Een linguïstische taal is iets heel anders dan
    een morele taal en men kan uit het niet-slagen van het ene project
    niet afleiden dat ook het andere niet kan slagen.
    Het morele Esperanto zou ook gesproken moeten kunnen worden
    door mensen die religie in het algemeen of een bepaalde religie
    belangrijk vinden. Dit boek is dus geen pleidooi voor ‘atheïsme’ of
    een aanval op religie als zodanig. Ik probeer niet, zoals Daniel Dennett,
    ‘de betovering van de godsdienst’ te doorbreken.7 Ik hoop ook
    dat mijn standpunt niet wordt tegengesproken met het argument
    dat ik ‘religie niet belangrijk zou vinden’ of de betekenis daarvan
    zelfs zou willen bagatelliseren of ‘niet serieus nemen’. Over een onderwerp
    dat je niet belangrijk vindt, ga je geen boek schrijven. Zoals
    met veel voorstanders van autonome moraal en een neutrale staat
    het geval is, is hun standpunt juist ingegeven door het besef dat religie
    een enorme betekenis heeft voor het leven van vele mensen. Zij
    zijn als geen ander daarvan doordrongen.
    Ik hoop ook dat men dit pleidooi voor een autonome ethiek niet
    zal opvatten als een onzuiver gemotiveerde poging om de invloed
    van religie ‘terug te dringen’ of (nog erger) mensen het recht te ontzeggen
    er een religie op na te houden. Het enige wat ik zal proberen
    te bepleiten, is dat het hoog houden van een autonome ethiek
    het beter mogelijk maakt dat mensen van verschillende religieuze
    13
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 13
    overtuiging met elkaar kunnen communiceren over goed en kwaad
    – iets wat van grote betekenis is voor het goed functioneren van een
    multireligieuze samenleving. Dat is in het voordeel van alle religies
    en ook in het voordeel van niet-gelovigen. Niet alleen moet ethiek
    worden bevrijd van religie, maar religie zou ook moeten worden gevrijwaard
    van de onterechte poging van sommigen om haar op te zadelen
    met moraal.
    Mijn pretentie is dus dat met de scheiding van moraal en religie
    een perspectief wordt geschetst dat in het voordeel is van zowel gelovigen
    als niet-gelovigen. En ten aanzien van die gelovigen bedoel
    ik dan dat christenen, joden, moslims, boeddhisten, hindoes en aanhangers
    van andere godsdiensten allemaal te winnen hebben bij de
    bevrijding van religie van moraal en moraal van religie. De pretentie
    is dat ik met een en dezelfde argumentatie een christen-democraat
    moet kunnen overtuigen, maar ook iemand van een liberale partij.
    Dit boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel probeer ik uiteen
    te zetten wat de gedachtegang is die schuilgaat achter een sterke
    binding van moraal aan religie. De belangrijkste theorie op dit terrein
    is de goddelijke-bevelstheorie van de moraal. Deze theorie gaat
    ervan uit dat het goede samenvalt met de wil van God. Het kwade is
    wat God verbiedt. Ik zal proberen te laten zien dat die theorie aansluiting
    kan vinden bij bepaalde elementen uit de traditie van de drie
    theïstische godsdiensten (jodendom, christendom en islam). Niettemin
    is het wenselijk dat de goddelijke-bevelstheorie wordt losgelaten
    en dat de theïstische godsdiensten zich oriënteren op wat genoemd
    wordt ‘autonome ethiek’.
    In het tweede deel schets ik een alternatief voor de goddelijke-bevelstheorie.
    Dat alternatief is: autonome ethiek. ‘Autonome ethiek’
    of ‘filosofische ethiek’ (hoewel ook sommige filosofen een niet-filosofische
    ethiek aanhangen) zou de ‘theonome ethiek’ of ‘religieuze
    ethiek’ idealiter moeten vervangen. Daarbij wordt met ‘autonoom’
    niet bedoeld dat de ethiek niet beïnvloed zou zijn door opvoeding,
    door cultuur, door godsdienst of wat ook maar. De sociologie, de
    psychologie en andere wetenschappen kunnen ons voorlichten over
    de vele wijzen waarop moraal feitelijk wordt beïnvloed door allerlei
    zaken die buiten de moraal zelf gelegen zijn. ‘Autonome ethiek’ verwijst
    naar een ideaal, een ideaal in een – hopelijk – niet te verre toe14
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 14
    komst: de bevrijding van de invloed van de goddelijke-bevelstheorie.
    Zoals men ook een moreel oordeel niet aanvaardbaar maakt door te
    zeggen dat men het nu eenmaal op die manier van zijn ouders heeft
    geleerd, zo kan men – vanuit het standpunt van de autonome ethiek
    – een moreel oordeel ook niet rechtvaardigen door te verwijzen naar
    de eigen religieuze traditie. Het zou goed zijn wanneer mensen zelfstandig
    en vrijwillig zouden beslissen een moreel Esperanto met elkaar
    te gaan spreken – dat wil zeggen: zich oriënteren op een autonome
    ethiek.
    Je kunt de vergelijking trekken met mensen van verschillende nationaliteiten
    die zich in één kamer bevinden. Het is dan goed gebruik
    dat men probeert met elkaar een taal te spreken die iedereen
    kan verstaan. Het zou een beetje vreemd zijn wanneer iemand op
    hoge toon respect zou opeisen voor zijn eigen taal en daarin blijft
    doorpraten, ook al wordt hij door niemand verstaan. Merkwaardig
    genoeg is dat wel een praktijk die men – mutatis mutandis – aantreft
    in een multireligieuze samenleving. Mensen eisen respect op voor
    hun eigen taal, cultuur en godsdienst en gaan allerlei morele opvattingen
    verdedigen onder verwijzing naar die eigen cultuur en godsdienst.
    Mensen die een andere godsdienst hebben (of mensen die
    geen enkele godsdienst hebben) raken daardoor een beetje geïntimideerd.
    Zij denken: ik kan die morele opvattingen nooit aannemen
    op basis van de godsdienstige grondslag die mijn gesprekspartner
    naar voren schuift. Maar zij durven dat vervolgens niet te zeggen,
    omdat aan niet-gelovigen geleerd is dat zij ‘respect’ moeten hebben
    voor andermans religie en daarover de ‘dialoog aangaan’ en niet
    de discussie. Wanneer gelovigen morele standpunten innemen die
    niet-gelovigen niet delen, stellen daarom niet-gelovigen nooit de
    grondslag voor dat morele verschil aan de orde. Beide groepen gaan
    elkaar vol begrip, goede wil en respect zitten aanstaren, maar tot een
    echt gesprek over morele aangelegenheden komt het niet. Het is
    een vreemde paradox maar waar: mensen die oproepen tot een dialoog
    willen juist over vele zaken helemaal niet spreken.
    Het lijkt mij van belang dat we deze situatie doorbreken. Wanneer
    men een Fransman aanraadt even geen Frans te spreken wanneer
    niet-Franstaligen aan het gesprek participeren, is dat niet ingegeven
    door gebrek aan respect voor de Franse taal en cultuur. Het is
    15
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 15
    een kwestie van pragmatiek. Hardnekkig blijven doorpraten in een
    taal die alleen wordt verstaan door de eigen groep, is onverstandig,
    want dan communiceer je alleen met de eigen groep. Precies dat nu
    is het probleem in de multireligieuze samenleving.
    Nogmaals: het is je goed recht om door te blijven gaan met het
    preken voor eigen parochie. Niemands recht daartoe wordt hier betwist.
    Ook wordt geen enkel pleidooi gehouden om iets ‘van bovenaf
    op te leggen’. Maar zou men wel mogen betogen dat zoiets niet zo
    zinvol is?
    Het blijven doorpraten in een taal die alleen door stamgenoten
    wordt verstaan, is misschien ook niet zo beleefd. Veel beleefder en
    verstandiger is het te bezien of je een taal kunt vinden die voor iedereen
    verstaanbaar is.
    Ik verzet mij dus tegen de kritiek – talloze keren geformuleerd en
    ik zal het ook nu weer horen – als zou dit pleidooi voor een moreel
    Esperanto zijn ingegeven door een gebrek aan ‘respect’ voor de morele
    stamtalen van de verschillende groepen. Ik zeg alleen: mensen
    kunnen elkaar niet meer verstaan.
    Het spreekt vanzelf dat ik mij ook zal verzetten tegen de aantijging
    dat het streven zo’n universele taal met elkaar te spreken gemotiveerd
    zou zijn door een ‘fundamentalistisch’ streven. Het is, denk
    ik, door niets anders ingegeven dan verlicht eigenbelang, door pragmatiek
    en – ik geef het toe – een niet al te optimistische taxatie van
    de wijze waarop mensen tegenwoordig met elkaar omgaan.
    Misschien moet ik over dit optimisme nog iets meer zeggen. Over
    de multireligieuze samenleving bestaan optimistische en pessimistische
    geluiden. Zoals ik eerder heb uiteengezet in Moderne Papoea’s,
    is de multiculturele samenleving een gegeven. Het heeft nauwelijks
    zin daar voor of tegen te zijn; ze is een feit. Maar dat geldt niet voor
    het ‘multiculturalisme’, een ideologie die meent dat die multiculturele
    samenleving het best kan worden gereguleerd door een ideologie
    die ijvert voor groepsrechten, religieus onderwijs, het gedogen
    van misstanden als die maar een cultureel-religieuze basis hebben,
    en andere wonderlijke manieren van denken. De multiculturele samenleving
    kan alleen een succes worden met een religieus neutrale
    staat en met een verdere verbreiding van een ethiek die niet op religie
    gebaseerd is. Er is een overmatige aandacht voor omgangsvor16
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 16
    men (niet kwetsen, respect voor elkaar) en een volslagen gebrek aan
    aandacht voor de instituties en de publieke filosofie die een multireligieuze
    samenleving in goede banen kunnen leiden (aandacht daarvoor
    wordt met enige gretigheid zelfs als ‘fundamentalistisch’ gekwalificeerd).
    Veel van wat in dit boek aan de orde komt, heeft betrekking op de
    tegenstelling tussen religieuze ethiek en autonome ethiek en de verschillende
    denkers die in dit debat een positie hebben ingenomen.
    In het derde en laatste deel van het boek probeer ik het politiekfilosofische
    pendant van een autonome ethiek te schetsen: de religieus
    neutrale staat. Daarbij heb ik niet de pretentie een empirische
    werkelijkheid te beschrijven. Ik zeg niet dat de staat altijd neutraal
    is of neutraal handelt. De stelling dat de scheiding van kerk en staat
    ‘nergens helemaal verwerkelijkt is’, raakt dus niet de kern van mijn
    betoog. Wel wordt het interessant wanneer iemand zou beweren dat
    neutraliteit van de staat helemaal de norm niet moet zijn. Want daarom
    gaat het mij: om de norm. De staat zou zo veel mogelijk neutraal
    moeten zijn. Dat betekent voor ons onderwerp dat de staat zijn burgers
    zou moeten aanspreken op hun status als staatsburger, niet op
    hun lidmaatschap van een religieuze of etnische groepering. Daarom
    is de oriëntatie van dit boek niet multiculturalistisch, maar universalistisch.
    Ik zal betogen dat de multiculturele samenleving (die
    ik beschouw als een feitelijk gegeven) het best gereguleerd kan worden
    door autonome ethiek in combinatie met een neutrale staat.
    De Britse filosoof Leslie Stephen heeft een (uitvoerig) voorwoord
    wel eens het interessantste deel, en niet zelden ook het enige interessante
    deel, van een boek genoemd.8 Het is nuttig omdat het de
    snelle criticus in de gelegenheid stelt te besluiten het boek helemaal
    niet te lezen. De essentie van de boodschap van de schrijver is ten
    slotte dan al in het voorwoord samengevat. Ik hoop dat de lezer niet
    tot die snelle critici behoort, want het interessantst lijken mij de argumenten
    die ik voor enkele van de hiervoor gepresenteerde standpunten
    zal presenteren.
    Elk boek heeft een lange geschiedenis. De centrale gedachten
    draag ik minstens al tien jaar met mij mee en heb ik verwoord in
    korte stukjes in de krant, in columns en in lezingen. Ook heb ik
    vele van deze gedachten ‘uitgeprobeerd’ op welwillende collega’s
    17
    3e proef, Moreel Esperanto, Paul Cliteur [Perfect Service] pag 17
    en vrienden, zoals (in willekeurige volgorde) Thierry Baudet, Timo
    Slootweg, Jan Dirk Snel, Marcel Verburg, Hendrik Kaptein, Andreas
    Kinneging, Bart Labuschagne, David Suurland, Benjamin Bilski,
    Rob Wiche, Ron de Heer, Floris van den Berg, Afshin Ellian, Chris
    Rutenfrans, Alexander von Schmid, Jaffe Vink en Herman Philipse.
    Het personensregister is gemaakt door Stepanie Loudon. Ik wil hen
    allen hartelijk danken voor de inspiratie die zij mij hebben gegeven,
    al haast ik mij te zeggen dat geen van hen verantwoordelijk is voor
    de inhoud van dit boek.
    Leiden, augustus 2005

  9. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    En dit is een recensie uit De Tijd:

    Naar een autonome moraal
    EB 17-02-2007 Pag. 8
    ETHIEK rechtsfilosoof PAUL CLITEUR over ‘Moreel esperanto’

    In ‘Moreel Esperanto’ bepleit de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur het gebruik van een algemene ethische taal in de multiculturele samenleving. Hij acht de religies daarvoor niet geschikt. De heilige boeken schrijven verschillende dingen voor en soms zetten ze fundamentalisten aan tot moord.
    ‘Ben ik niet een naïeve dwaas’, vraagt Paul Cliteur zich af in zijn boek. ‘Het is alsof je op voetbalhooliganisme reageert met de verzuchting dat ze allemaal Kant zouden moeten gaan lezen. Ik weet wel, Kant is geen alternatief voor de mobiele eenheid (de oproerpolitie). En zolang ze nog geen Kant lezen, is het zeker aan te bevelen de mobiele eenheid paraat te houden.’
    Op die manier anticipeert Cliteur op de kritiek op ‘Moreel Esperanto’. In dat boek verdedigt hij met brio de stelling dat een pluriforme maatschappij behoefte heeft aan een gemeenschappelijke, autonome ethiek. Een moraal die afgeleid is van een specifieke religie bemoeilijkt communicatie en sluit een consensus over ethische basisprincipes bijna zo goed als uit.
    Cliteur zet de problematiek glashelder uiteen. Maar blijkbaar voelt hij zelf aan dat gelijk hebben niet automatisch inhoudt dat mensen hun gedrag gaan veranderen. Om aan te sluiten bij het citaat over voetbalgeweld: er zijn ongetwijfeld hooligans die Kant hebben gelezen, maar zich in en rond het stadion toch onbetamelijk gedragen.
    Dat is dan ook de voornaamste bedenking bij dit scherpzinnige pleidooi: net als in ‘Moderne Papoea’s’ en ‘Tegen de decadentie’ toont Cliteur zich een erudiet kamergeleerde maar hij heeft weinig voeling met de mensen waarover hij schrijft. En voor alle duidelijkheid, in dit nieuwe boek zijn dat niet de hooligans maar de vrome christenen, moslims en joden. Toch is Cliteur niet gekant tegen religie als dusdanig, maar zolang gelovigen hun moraal baseren op het woord van God kan de multiculturele samenleving niet functioneren.
    Goddelijke-beveltheorie
    In het eerste deel van zijn boek schetst Cliteur de contouren van de goddelijke-beveltheorie waarvan de drie theïstische godsdiensten uitgaan. Die theorie stelt dat het goede samenvalt met de wil van een alwetende en almachtige god. Het kwade is wat God verbiedt. Centraal daarbij staat het verhaal van de aartsvader Abraham, die van God de opdracht krijgt zijn zoon te offeren. Zowel in het Oude Testament, de Koran als de Thora wordt Abraham, die bereid was zijn zoon Izaäk te offeren, geprezen voor zijn gehoorzaamheid. Volgens die ‘abrahamistische’ religies is het de plicht van de gelovige het goddelijke gebod blind na te volgen.
    Criticasters die zeggen dat Abraham wordt geprezen voor een moordpoging op zijn zoon staan aan de kant van de duivel. Tijdens de jaarlijkse bedevaart naar Mekka gooien de gelovigen nu nog stenen naar drie pilaren die de duivel symboliseren. Die zouden op de plaats staan waar de duivel Abraham probeerde te verleiden om ongehoorzaam te zijn aan God.
    Cliteur spot niet met gelovigen die Gods geopenbaarde wil als enig richtsnoer voor goed of kwaad zien. Hij erkent zelfs het voordeel van dat standpunt, namelijk dat ethiek in dat geval geen kwestie is van individuele willekeur maar van goddelijke zekerheid. De auteur prijst zelfs Kierkegaard die ‘de onverschrokken logica van de theïstische ethiek heeft blootgelegd’.
    Minder opgezet is hij met theologen die tegelijk warm en koud blazen. Zij benadrukken de behartigenswaardige dingen uit de Bijbel en proberen er voor de rest de ruwe kantjes af te vijlen. Cliteur, die de zaken graag scherp stelt, vindt het standpunt dat de Bijbel niet goed of slecht is maar zich leent tot meervoudige interpretatie ook maar niets. ‘Wat men hier vergeet is dat een aansporing tot een slechte daad (draconische straffen op lichte vergrijpen, dood en verderf voor ongelovigen of afvalligen) niet gecompenseerd kan worden door een aansporing tot een goede daad. (…) Dus de aansporing dat een hand moet worden afgehakt bij diefstal kan alleen worden gecompenseerd door een tekst die stelt dat bij diefstal de hand niet mag worden afgehakt, maar niet door een tekst dat men zijn weduwen en wezen goed moet verzorgen.’
    fundamentalisme
    De auteur vindt het verdoezelen van sommige passages van de Schrift gevaarlijk, zeker nu er een herleving is van het theïsme in zijn meest compromisloze vorm: het fundamentalisme of litteralisme. Vooral in wat hij de protestantse variant van de goddelijke-beveltheorie noemt, waarbij het Schriftgezag centraal staat en er geen belangrijke rol is weggelegd voor bemiddelaars en tekstuitleggers, is dat een zorgwekkende ontwikkeling. In het jodendom leidt het fundamentalisme tot aanspraken op land, gebaseerd op in de Heilige Schrift aangegeven landsgrenzen. In het christendom staat het onderwijs van de evolutieleer onder druk en vinden Amerikaanse christenen een Bijbelse legitimatie voor aanslagen op medewerkers van abortusklinieken. En sommige islamieten beroepen zich op teksten uit de Koran om een jihad te beginnen tegen minder beginselvaste gelovigen, ketters en godslasteraars.
    Ook Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, verklaarde dat zijn daad geen kwestie van emoties was maar gewoon zijn heilige plicht: ‘Dus het hele verhaal van dat ik mij beledigd zou voelen als Marokkaan of omdat hij mij geitenneuker zou hebben genoemd, dat is allemaal niet waar. Ik heb gehandeld uit geloof. En ik heb zelfs aangegeven dat als het mijn vader was geweest of broertje had ik precies hetzelfde gedaan.’ Vanuit zijn eigen optiek is Mohammed B. een gelovige die meer toegewijd is dan de rest.
    Cliteur geeft toe dat de overgrote meerderheid van de gelovigen niet met dergelijke plannen rondloopt. Maar het gevaar ligt altijd op de loer, zeker als de groeiende groep fundamentalisten in de Schrift aanmoedigingen kan vinden om tot daden over te gaan. Pinechas, die vond dat Mozes te laks optrad en daarom zelf een Israëliet en zijn heidense bedgenote doodde omdat ze het goddelijke gebod hadden genegeerd, is een figuur waaraan ze zich kunnen spiegelen. In Numeri 25 prijst de Heer Pinechas omdat hij voor God is opgekomen en laat daarom zijn woede tegenover de Israëlieten varen.
    Fundamentalistische gelovigen die geen geweld plegen maar menen dat seculiere wetboeken die afwijken van hun religieuze moraal voor hen niet bindend zijn, vormen eveneens een probleem in de moderne samenleving.
    Verlichting
    In het tweede deel van zijn boek onderzoekt Cliteur de autonome ethiek als alternatief voor de religieuze ethiek. De auteur knoopt aan bij Kant, die zijn ethiek schraagt op categorische principes. Maar hij behandelt even goed Bentham, die aan de wieg stond van de school van de utilisten. Deze laatste ethici zijn consequentialisten, wat inhoudt dat voor hen iets goed is als het het geluk van liefst zo veel mogelijk mensen bevordert. En net als in het hedonisme van Epicurus gaan ze ervan uit dat pijn en geluksbeleving ons leven regeren. Maar volgens Kant verontreinigt zo’n oriëntatie op een doel de ethiek, een handeling moet goed zijn in zichzelf.
    Ondanks de tegenstelling tussen de utilisten en de Kantiaanse ethici beklemtoont Cliteur hun gemeenschappelijke wortels in de verlichting. Kant gelooft dat mensen in moreel opzicht gelijk zijn. De menselijke persoonlijkheid heeft waarde in zichzelf en niet omdat een persoon deel uitmaakt van een groep, een stand of een klasse.
    Cliteur gaat ook in op de schaduwzijden van de seculiere ethiek maar besluit dat de veralgemening ervan een enorme stap vooruit zou zijn voor de multiculturele samenleving. De overheid heeft dan ook als taak de verspreiding van deze gemeenschappelijke autonome moraal te stimuleren.
    Het laatste deel van ‘Moreel Esperanto’ behandelt de neutrale staat. Cliteur betreedt het terrein van de scheiding van kerk en staat met als kompas de ideeën van James Madison en Thomas Jefferson, de founding fathers van de Amerikaanse constitutie. Een neutrale staat is voor Cliteur een staat die de scheiding van moraal en religie in zijn instituties gestalte wil geven en zich terugtrekt uit het terrein van de godsdienst. De overheid moet de mensen dan ook niet aanspreken als lid van een religieuze groep maar als staatsburgers. Die conclusies omkleedt de auteur zoals steeds met argumentaties die zo zuiver zijn als bergkristal.
    Eric Bracke
    EB

    © 2007 Uitgeversbedrijf Tijd NV

  10. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Nog eens bedankt.

    Cliteur noemt wel zijn vriendjes bij naam:
    Kinneging, Ellian, Phillipse ( naar wat ik uit Leiden heb vernomen nu de partner van prof. Visser-McCarthy!),
    Alexander-hoog-de-doodstraf-oog-om-oog-Schmidt.

  11. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    En laten we het Reformatorisch dagblad niet vergeten:

    zaterdag 10 maart ’07
    Jan-Kees KarelsGeplaatst: 7-03-2007 | 08:20
    Pleidooi voor een neutrale staat
    HET ANTWOORD VAN PROF. PAUL CLITEUR OP RELIGIEUS FUNDAMENTALISME
    Mede Titel: ”Moreel Esperanto”
    Auteur: Paul Cliteur
    Uitgeverij: De Arbeiderspers, Amsterdam, 2007
    ISBN 978 90 295 6321 5
    Pagina’s: 432
    Prijs: € 22,50.

    In zijn jongste boek ”Moreel Esperanto” breekt prof. dr. Paul Cliteur een lans voor de religieus neutrale staat, waarin verwijzingen naar de eigen godsdienst taboe zijn. Zijn theorie blijkt echter scherper dan de praktijk: met gewetensbezwaarde trouwambtenaren kun je volgens hem wel een „gedoogcultuur” toepassen.

    Religieus fundamentalisme en terrorisme vormen het grote front waartegen een van Nederlands bekende opiniemakers, prof. Paul Cliteur, zich keert. En dat zullen de lezers van zijn jongste pennenvrucht, ”Moreel Esperanto”, weten. Een stoet van religieuze (bijna-)moorden trekt voorbij: Abrahams offer, de moord op Willem van Oranje door „de eerste zelfmoordterrorist op Europese bodem”, de zaak-Rushdie en de moorden op Rabin en Van Gogh.

    Het religieus geweld staat in schril contrast met de plaats waar het gesprek plaatsvindt: een klassiek gemeubileerde kamer in het oudste bewoonde huis van Nederland, aan de Sandrasteeg 8 in Deventer, waar de Geert Grote Universiteit is gehuisvest. Cliteur treedt er die avond op als gastdocent. Tijdens het gesprek neemt hij geregeld een dropje uit een lange puntzak.

    Er is een probleem, zegt Cliteur, en dat zijn de gelovigen die zich direct baseren op de wil van God. De ethiek die dat oplevert luidt in notendop: wat God wil is goed, wat tegen zijn wil is, is kwaad. Cliteur spreekt van een „goddelijkebevelstheorie.” Die wordt vooral noodlottig als degene die zegt Gods wil te doen, een ander omlegt.

    Om dergelijke uitwassen te omzeilen, kiest Cliteur voor een rigoureuze oplossing. In het tweede deel van zijn boek breekt hij een lans voor een autonome moraal. Spreken over goed en kwaad dient te gebeuren zonder dat mensen verwijzen naar hun godsdienst als legitimatie. Cliteur bepleit een religieus neutraal vocabulaire, een „moreel Esperanto.” Deze taal gedijt het best -en daarmee is het derde deel van het boek bereikt- in een religieus neutrale staat (zie kader).

    Daarom was Cliteur betrokken bij de zogeheten Verklaring van Brussel, die vorige maand aan de Duitse regering als EU-voorzitter werd overhandigd. In die verklaring, ondertekend door mensen uit alle 27 EU-lidstaten, wordt een religieus neutrale staat bepleit. De opstellers menen dat alleen zo’n staat een gelijke behandeling van burgers garandeert. Dat heeft bijvoorbeeld de afschaffing van bijzonder onderwijs tot gevolg, omdat deze „verdeelt en discrimineert.” Maar, meent Cliteur, dat is onder de huidige maatschappelijke omstandigheden de beste oplossing. „Kinderen zouden veel meer door elkaar moeten lopen en moeten snuffelen aan elkaars levensbeschouwing.”

    Overtuigen
    Hoewel hij een moraal zonder godsdienst voorstaat en een staat waarin religie naar het privédomein wordt gedirigeerd, denkt de Leidse hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap „een diepchristelijk boek” te hebben geschreven, „omdat het aansluit bij de bekende uitspraak van Jezus Christus in Matthéüs: „Geef de keizer wat des keizers is.” In de staatsrechtelijke literatuur wordt daar al de scheiding van kerk en staat geconstateerd.

    Mijn gedachte is dat in een samenleving waarin godsdiensten van zeer verschillende aard vreedzaam moeten samenleven, je een bemiddelende instantie moet hebben die zelf niet deel uitmaakt van een van die groepen. Dat is de gedachte van de staat als neutrale rechter. Alleen dan is hij geloofwaardig als bemiddelaar. Die gedachte kun je ook de scheiding van kerk en staat noemen. Als je in die neutrale staat in gesprek wilt gaan over de moraal, dien je argumenten aan te dragen die een ander zo veel mogelijk overtuigen. Dat betekent dat je een taal spreekt waarin je verwijzingen naar je eigen godsdienst achterwege laat. Ik gebruik voor die taal een beeld: moreel Esperanto.”

    Diepchristelijk kun je dat natuurlijk niet noemen.
    „Kijk, ik wil Jezus en Socrates bij elkaar brengen. Jezus als Degene Die de scheiding van kerk en staat heeft geproclameerd. En Socrates als de man van de autonome moraal. Mijn boek is voor de toekomst geschreven. We moeten proberen tendensen die nu in de samenleving aanwezig zijn, het religieus fundamentalisme en terrorisme, door te trekken naar de toekomst. Daarom ben ik zo kritisch.

    Veel mensen vragen zich alleen af: Wat betekent die neutrale staat persoonlijk voor mij, voor mijn geloofsgemeenschap? Je kunt toch niet gaan verlangen dat we het bijzonder onderwijs opgeven? Er zijn zo veel patstellingen, men kijkt meteen naar de eigen positie. Terwijl ik vind dat we ons veel meer op een universeel niveau moeten afvragen: Hoe moet de samenleving van de toekomst eruitzien, gezien het feit dat de religieuze pluriformiteit een gegeven is?”

    Godsdienst en moraal horen bij elkaar zoals mes en vork bij een bord.
    „Dat is natuurlijk iets wat ik heel veel hoor, ook van mensen die niet gelovig zijn. Je vraagt van een gelovige om zo’n belangrijk element uit zijn geloof weg te snijden, dat er voor zijn gevoel niets meer van overblijft. Ik heb hier twee antwoorden op. Het eerste is: godsdienst is meer dan alleen een moreel spoorboekje, hij betekent ook hoop op een ander leven, rituelen, deelnemen aan een gemeenschap.

    Het andere antwoord is dat ik denk dat al veel mensen zonder zich ervan bewust te zijn een moreel filter hanteren. Als je letterlijk alles doet wat in het Oude Testament wordt aanbevolen, kom je tot immoreel gedrag. Ik ga bijvoorbeeld uitvoerig in op het offer van Abraham. Veel gelovigen gaan al met een bepaalde morele overtuiging de Bijbeltekst in, en kiezen dan een interpretatie van een tekst die in overeenstemming is te brengen met die overtuiging.”

    Als het toch al zo is dat mensen een moreel filter hanteren, waarom zou je dan de band tussen moraal en godsdienst helemaal doorsnijden? Dat God wetgever is voor het dagelijks leven, kun je niet uit de godsdienst weghalen.
    „Het is de vraag of de maatschappelijke situatie ons daar niet toe gaat dwingen. Dat is mijn punt. Ik heb niet het verleden op het oog, maar de maatschappij van de toekomst. Als je de demografische gegevens extrapoleert, krijg je straks een samenleving die nog vele malen pluriformer is dan wij ons kunnen voorstellen. Als we dan het spreken in moreel Esperanto niet al geleerd hebben, vallen we veel te hard. We moeten ons nu trainen.”

    U vraagt als het ware een groenteboer om nooit meer appels te verkopen.
    „Nou ja, kijk, ik ben ook filosoof, en misschien loop ik erg voor de troepen uit, ik ben geen politicus. Ik probeer alleen maar bepaalde gedachten in hun meest logische vorm te doordenken. Ik heb het boek geschreven tegen de achtergrond van het religieus terrorisme. Het gaat heel veel over moord en doodslag. Als je naar Engeland kijkt met al die buurten van geradicaliseerde jongeren, denk ik: het is de vraag of we nog op tijd zijn. En cijfers over de Nederlandse samenleving zijn er nauwelijks.

    Wat mij fascineert is dat er een soort onwil is bij de autoriteiten om zich hiermee bezig te houden. Na de moord op Van Gogh is er geen parlementair onderzoek geweest, geen kritisch zelfonderzoek, heel vreemd. Hetzelfde geldt voor de moord op Rabin. En met de moord op Willem van Oranje had je diezelfde discussie: daar moeten we maar geen aandacht aan geven, daar komt zo veel onrust van.”

    Ik begrijp uw zorg. Intussen regeert een christelijke minister wel als gelovige. Hoe doet hij dat in een neutrale staat?
    „We hebben heel veel verschillende rollen. Je bent lid van een sportclub, je bent Tweede Kamerlid, of schooldirecteur. Je geloof bepaalt enigszins hoe je bent, maar niet volledig.”

    Het geloof is geen rol, het bepaalt heel het leven.
    „Dat is misschien zo, maar toch is het denkbaar dat je in situaties met andersdenkenden een zekere verhouding met hen krijgt die het mogelijk maakt om die ander te verstaan. Je kunt die verhouding verdiepen door je op het moreel neutrale standpunt te stellen. Christelijke politici kunnen dat ook. Het zijn over het algemeen heel geradicaliseerde mensen die dat helemaal níét kunnen. Daarom is het zo hard nodig dat mensen oefenen in het spreken van het moreel Esperanto.”

    De joods-christelijke tradities hebben de huidige seculiere moraal sterk beïnvloed. Die invloed is er geweest, en nu schaffen we de bron, de religie, af?
    „Ik wil niet religie als bron van inspiratie afschaffen. Ik maak een heel scherp onderscheid tussen inspiratie en legitimatie. Als iemand zegt: Ik ben geïnspireerd door mijn geloof, oké. Waarom zou ik daar tegen zijn? Ik ben geïnspireerd door Schopenhauer en door John Stuart Mill. Maar met deze auteurs kan ik niet mijn morele standpunt tegenover anderen legitimeren, ze vormen alleen maar mijn inspiratie. En die zul je me niet willen ontzeggen, evenmin als ik niemand z’n godsdienstige inspiratie wil afnemen of zo.”

    Een casus voor uw neutrale staat: de huidige ophef over gewetensbezwaarde trouwambtenaren. Het fundamentele recht op gewetensvrijheid is hier in het geding.
    „Aan deze kwestie til ik niet zo zwaar. Vooropgesteld: op zichzelf ben ik heel streng voor de ambtenaren. Als iemand wil werken voor de overheid, brengt dat het opschorten van bepaalde rechten met zich mee. Je hebt het nu over gewetensvrijheid, je hebt diverse andere rechten die je als ambtenaar niet kunt uitoefenen. Je hebt bijvoorbeeld ook geen recht op vrijheid van meningsuiting, of op vrijheid van godsdienst. Dat zijn allemaal vrijheden die aan mensen toekomen in hun burgerlijke staat.”

    Als ambtenaar verlies je dus een aantal grondrechten.
    „Absoluut. Ja, natuurlijk, dat is met veel ambten het geval. Neem de koningin, zij heeft bijna helemaal geen grondrechten. Ze heeft geen vrijheid van meningsuiting, ze kan niet plotseling op een staatsbanket een vurig pleidooi voor de doodstraf gaan houden. Zo verliezen ook ambtenaren bepaalde grondrechten.”

    Er is nog nooit een huwelijk van een homostel geweest dat wegens de gewetensbezwaren van de ambtenaar niet kon doorgaan.
    „Ik begin er altijd mee dat de hele argumentatie dat die ambtenaar grondrechten zou hebben, mij niet aanspreekt. Maar ik ben geneigd tegen deze kwestie heel pragmatisch aan te kijken. Als je een gewetensbezwaarde ambtenaar een beetje ter wille wilt zijn, en er is iemand anders die een homopaar wel wil trouwen, dan is het niet zo nodig zo veel druk op de ketel te zetten.”

    Zo’n lijst met weigerende ambtenaren die het COC opstelt, is toch bizar.
    „Ik weet niet precies wat de drijfveren zijn van het COC. ’t Is een wat gemakkelijke tegenstander in dit verband, er zijn wel ernstiger problemen. Maar die lijst is misschien helemaal niet zo erg. Lijkt me alleen maar handig, dan worden gewetensbezwaarde ambtenaren ook niet meer lastiggevallen met verzoeken op dit terrein, dan regelt het zich vanzelf.”

    Alleen past wat u nu zegt niet in uw betoog over de neutrale staat. Ik verwacht dat u zegt: een ambtenaar moet de wet uitvoeren, ongeacht zijn eigen godsdienstige overtuiging.
    „Dat is ook wel zo, nu confronteer je me een beetje met zelfonderzoek. Ik geloof dat ik de hele tijd zo scherp ben omdat ik een groot maatschappelijk probleem (dat van het religieus terrorisme, J-KK) op de achtergrond zie. En ik ben zo eigenwijs om dan te zeggen dat ik iets zie waar veel andere mensen zich nog niet bewust van zijn. Maar met dat trouwen zie ik niet zo’n groot maatschappelijk probleem. Er is in elke gemeente een aantal ambtenaren dat de trouwceremonie kan voltrekken, en daar zit zelfs nog een keuzemoment in.”

    Uw theorie is op dit punt dus strakker dan de praktijk.
    „Ja, je kunt bij de trouwambtenaren een gedoogcultuur toepassen. Kijk, ik geloof dat je de voorkeuren van mensen zo veel mogelijk ruimte moet geven als verantwoord is. En in dit geval is het niet onverantwoord die ruimte aan christelijke ambtenaren te laten. Ook al past het niet helemaal in mijn denken over de neutrale staat. Je hebt alleen maar een probleem met een pesterige baas die, zodra er een homohuwelijk op de rol staat, tegen een gewetensbezwaarde ambtenaar zegt: Nou moet jij dat doen hoor! Als baas weet je natuurlijk wat een leuk klusje is voor Piet en wat een leuk klusje is voor Klaas.”

    Staat en godsdienst – vier modellen

    1. De atheïstische staat. Voorbeeld is de voormalige Sovjet-Unie. De staat probeert godsdienst met wortel en tak uit te roeien.

    2. De monoreligieuze staat. De staat kiest voor één godsdienst. Dat gebeurde in het Westen toen Constantijn de Grote voor het christelijk geloof koos. Ook het zestiende-eeuwse principe dat de vorst beslist welke religie zijn onderdanen aanhangen (”cuius regio, eius religio”), valt hieronder.

    3. De multiculturele staat. De overheid kiest voor godsdienst in het algemeen, en probeert alle godsdiensten op voet van gelijkheid te behandelen. Het Nederlandse verzuilingsstelsel past binnen dit model.

    4. De religieus neutrale staat. De staat bemoeit zich niet met religie, die als privézaak wordt beschouwd. Zij is toegestaan, maar de gemeenschap betaalt geen religieuze activiteiten. Dus geen subsidie van bijzonder onderwijs.

    Lees het hele artikel voor € 1.50.
    Bent u abonnee van het Reformatorisch Dagblad, dan is dit artikel gratis.
    Bent u (nog) geen abonnee van het Reformatorisch Dagblad, dan kunt u dit artikel via Click&Buy betalen.
    In beide gevallen moet u zich inloggen.
    Rubriek: Boeken

    Aantal woorden: 2106
    Aantal foto’s: 2

    Vanaf 1 januari 2007 is http://www.refdag.nl opgedeeld in een voor iedereen toegankelijk gebied en een afgesloten deel. U gaat nu het afgesloten deel binnen.
    Voor abonnees van het Reformatorisch Dagblad
    Als abonnee van het RD hebt u gratis toegang tot het afgesloten deel van deze site. Het enige dat we van u verlangen, is dat u zich eenmalig registreert. Klik op inloggen om u te registreren op onze centrale registratiepagina. Hebt u het erdeecardnummer bij de hand? Aan de hand daarvan checkt het systeem of u daadwerkelijk abonnee bent. Klik hier als u uw nummer kwijt bent.
    Voor niet-abonnees
    Voor niet-abonnees zijn artikelen in het afgesloten deel alleen toegankelijk na betaling. Als u op hierboven op inloggen klikt, komt u op de centrale registratiepagina van het Reformatorisch Dagblad. Nadat registratie wordt u doorgestuurd naar het bedrijf Click&buy waarmee het RD de online verkoop regelt. Hier dient u eenmalig een account aan te maken om het artikel van uw keuze te kunnen kopen.

    Toevoegen aan knipsels Vorige pagina
    Foto’s

    Prof. dr. Paul Cliteur

    verzenden

    print

  12. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Nou zeg, Anton, nadat je me heeft afgeranseld krijg ik nu snoepjes van je.
    Het was ook echt aan de tijd.

  13. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    Zeker lieve meid, maar het is ook om je beetje aan het werk te zetten. Dus niet meer – wat je hierboven weer doet – een willekeurig standpunt van iemand die Cliteur noemt toe schrijven aan Cliteur (bijvoorbeeld dat iemand de doodstraf verdedigt toeschrijven aan Cliteur omdat hij die persoon kent of om iets bedankt), maar aan Cliteur toeschrijven wat hij zelf zegt. Het zal wel een hele revolutie betekenen in jouw werkwijze, Maria, nu moet je echt gaan lezen. En let wel: dus Cliteur zelf lezen en analyseren wat hij zegt. Dus niet mensen citeren die iets boosaardigs over Cliteur zeggen en dat weer met dat blije gezichtje van je op de blog zetten, maar Cliteur zelf gaan lezen, kijken of je dat begrijpt en je daar een oordeel over vormen. Ik help je wel, beste meid, als je het niet begrijpt leg ik het je wel weer uit.
    Is dat niet lief van Oom Anton?

    Hieronder volgt nog een recensie uit De Morgen die ook op de website Liberales te vinden is:

    Boek

    Moreel Esperanto – Paul Cliteur

    De moord op Theo Van Gogh zorgde voor een schokgolf door Nederland dat steeds geroemd werd omwille van zijn tolerantie ten aanzien van andersdenkenden. Niet alleen de moord zelf werd verafschuwd maar ook de manier – de moordenaar schoot eerst op zijn slachtoffer neer, stak dan een mes in zijn lichaam met een waarschuwing tegen Ayaan Hirsi Ali en plantte tenslotte een ander mes op rituele wijze in de borst tot aan de ruggengraat van het slachtoffer. Bij zijn verdediging verantwoordde Mohammed Bouyeri zijn daad niet als een wraakneming op de islamonvriendelijke uitspraken van de cineast, of als reactie tegen discriminatie en uitsluiting die hem zou getroffen hebben, maar louter en alleen als een religieuze plicht. ‘De profeet heeft opdracht gegeven heidenen te doden’, zo verklaarde Bouyeri in de rechtszaal en hij zou het opnieuw doen. Voor de moordenaar is de letterlijke tekst van het geloof belangrijker dan de wetten van het land waarin hij leeft. Toch hoorde je na de moord heel wat sussende stemmen, namelijk dat de moord niets te maken had met religie en dat religie niet kan aangewezen worden als een oorzaak voor dergelijke gruwelijke uitwassen. Maar is dat zo? Over de relatie tussen geweld en religie schreef de Nederlandse rechtsfilosoof Paul Cliteur het boek Moreel Esperanto waarin hij wijst op het gevaar van een religieuze ethiek en waarin hij pleit voor een autonome kritiek binnen de context van een neutrale staat.

    Paul Cliteur kreeg bekendheid met zijn ophefmakende boeken Moderne Papoea’s en Tegen de decadentie, en als de scherpzinnige columnist van het programma Buitenhof waarin hij het cultuurrelativisme en de orthodoxe islam regelmatig aan de kaak stelde. Daarbij keerde hij zich tegen de al te verdraagzame houding tegenover de onverdraagzamen in de Nederlandse samenleving. Op 28 maart 2004 trok hij zich onverwacht terug uit het publieke debat. Hij voelde zich niet langer veilig en ergerde zich aan uitspraken als zou hij racistische uitspraken hebben gedaan. ‘Ik weet, ik ben geen held. Meer een kamergeleerde. Ik heb behoefte aan rust’, zo verklaarde Paul Cliteur en hij verdween naar de achtergrond. Daar heeft hij niet stilgezeten. De voorbije twee jaar werkte hij hard aan dit boek dat terecht kan beschouwd worden als zijn magnus opus, de quintessens van bijna twintig jaar onderzoek over de manier waarop mensen moeten samenleven en dit op rechtsfilosofisch en ethisch gebied. Onze samenlevingen zijn niet alleen multicultureler, maar vooral multireligieuzer geworden. Dat leidde de voorbije jaren tot grote problemen en doet de auteur besluiten dat er dringend nood is aan een basisconsensus over een aantal uitgangspunten, net zoals dat in het verkeer het geval is. Zo mag men niet door het rood licht rijden en automobilisten volgen de voorrang van rechts. In die zin moet men ook een aantal grondrechten aanvaarden zoals de vrijheid van meningsuiting, de scheiding van kerk en staat en de gelijkwaardigheid van man en vrouw.

    Om een multireligieuze samenleving in goede banen te kunnen leiden is volgens Paul Cliteur een soort ‘moreel Esperanto’ noodzakelijk, een taal die iedereen begrijpt en volgt. De auteur benadrukt keer op keer dat hij daarmee geen pleidooi houdt voor ‘atheïsme’ of dat hij zich keert tegen de religie als zodanig. Wat wel nodig is, is een autonome ethiek die los staat van de religie, en dit gekoppeld aan een neutrale staat. Hiervoor baseert hij zich op ideeën van verlichte filosofen als Kant, Bentham, Mill, Voltaire, en politieke filosofen als Madison en Jefferson. Het grootste aantal bladzijden besteedt de auteur aan de ontleding en de impact van de ‘goddelijke bevelstheorie’ die vandaag de basis vormt van de religieuze ethiek die tal van mensen voorstaan. Een dergelijke ethiek stond centraal in elke geopenbaarde godsdienst. Denk aan de aartsvader Abraham die van God het bevel kreeg om zijn zoon te offeren en dat ook zou gedaan hebben mocht men hem daartoe op het laatste moment niet hebben weerhouden. Gelovigen beschouwen dit als een ‘logische’ gehoorzaamheid. Sören Kierkegaard noemde het de religieuze plicht als uitdrukking van Gods wil. Maar anderen zien de houding van Abraham als een ordinaire moordpoging. ‘Godsdienst kan een mens stekeblind en wreed maken, juist door de gehoorzaamheid’, zo schreef Guus Kuijer in zijn boek Hoe een klein rotgodje God vermoordde.

    Volgens de overlevering kreeg Mozes de Tien Geboden rechtstreeks van God. De Spaanse filosoof Fernando Savater legt in zijn boek De Tien Geboden uit dat die het product waren van hun tijd, maar niet langer aangepast zijn aan vandaag. Niettemin blijven veel gelovigen dit beschouwen als de basis van onze moraal. Meer nog, we hebben de voorbije decennia te maken met een terugkeer van de religie, en zelfs een toename van de letterlijke interpretatie van de ‘heilige’ teksten, een vorm van litteralisme en fundamentalisme. Het probleem ontstaat evenwel als ‘de heilige boeken verschillende dingen voorschrijven op het punt van de moraal en het recht en de aanhangers van verschillende godsdiensten toch één territorium moeten delen’. Of als de ‘heilige’ teksten botsen met de seculiere wetgeving. De Nederlandse beleidsmensen blijven daar echter blind en doof voor. Zij geloven in emancipatie mét en door religie. Een voorbeeld is de Amsterdamse burgemeester Job Cohen die steeds wijst op de integrerende kracht van de religie. Nochtans zijn er heel wat schaduwzijden aan een dergelijke benadering. De moord op Theo Van Gogh heeft duidelijk gemaakt dat de ‘goddelijke bevelstheorie’ kan leiden tot de meest gruwelijke misdaden. Zijn moordenaar beriep zich op een goddelijke ‘wet’ die hem opdroeg om de ongelovige te doden.

    Mensen die blijven geloven in de emanciperende kracht van de religie zijn voor Paul Cliteur ‘verlichtingsoptimisten’, namelijk mensen die denken dat het uiteindelijk wel goed zal komen voor zover men geen enkele godsdienst ‘voor het hoofd stoot’. Zij claimen de vrijheid ‘om niet te worden tegengesproken’, maar als we dit zouden erkennen dan zou elke vorm van kritiek en wetenschappelijke evolutie tot stilstand komen. Daarmee zouden we ons neerleggen bij onmenselijke praktijken die in naam van de religie gebeuren. Het zou het vermoorden van ‘godslasteraars’ een objectieve grond geven. Heel wat cultuurrelativisten beweren dat de heropstanding van religieus fanatisme te wijten is aan sociale achterruitstelling of andere vormen van marginalisering. Maar Cliteur wijst er terecht op dat Mohammed Bouyeri zich daar juist niet op beriep, en bij uitbreiding was dit ook het geval voor de kapers van de vliegtuigen op 11 september en de daders van de aanslagen in Londen, die goed opgeleid waren en alle kansen kregen in de westerse samenleving. Voor de moordenaar van Van Gogh ging het om een louter religieuze kwestie. ‘Het hoogste goed dat de menselijke samenleving beoogt te beschermen, is het menselijk leven’, aldus Cliteur, zoniet dan hebben andere rechten geen enkele betekenis. En aan de hand van enkele voorbeelden uit de geschiedenis maakt hij duidelijk hoe problematisch het religieus geweld was en is.

    Hij verwijst naar Luther die de tekst van de Bijbel belangrijker achtte dan het kerkgezag. Volgens Cliteur ligt hier de overgang van de katholieke goddelijke-bevelstheorie naar de protestants-islamitische: alleen de ‘heilige’ teksten gelden en de gelovige moet daar voor zichzelf de besluiten uit trekken. Het leidde uiteindelijk tot twee rechtsordes die tegenover elkaar kwamen te staan: de politiek tegenover de religie. Vanaf dan gebeurden diverse moorden in naam van God. Zoals in de zestiende eeuw de moord op Willem van Oranje door de fanatieke katholiek Balthasar Gerards. Maar ook recenter zoals de moord op de Egyptische president Anwar Sadat in 1981 door radicale moslims, de moord op de Israëlische president Jitschak Rabin in 1995 door de joodse extremist Jigal Amir, en de moord op Theo Van Gogh in 2004 door Mohammed Bouyeri. De daders gebruikten steeds als argument dat dit gebeurde ‘op bevel van God’. Zo ging het ook bij de fatwa over de schrijver Salman Rushdie die werd uitgesproken door ayatollah Khomeini. In elk van die gevallen was het politieke, religieuze en morele ‘in één kluwen met elkaar verbonden’. Wat Cliteur wil doen, is dat kluwen ontwarren om te komen tot een klare consensus over wat mag en niet mag. Daarbij verwerpt hij nadrukkelijk de ‘goddelijke-bevelstheorie’ en pleit voor een autonome ethiek, waarmee hij nadrukkelijk ingaat tegen zowel religieuze traditionalisten als de postmoderne denkers.

    Jeremy Bentham en John Stuart Mill zagen het utilisme als basis van de autonome ethiek. Kant daarentegen baseerde zich op de goede wil van de mens gekoppeld aan de categorische imperatief. Kant verzette zich alvast tegen de absurde houding van Abraham die zijn zoon wou doden op bevel van God. Abraham had moeten antwoorden dat hij dit weigerde omdat dit moreel onaanvaardbaar was en dat hij derhalve twijfelde of dit wel een bevel van God kon zijn. Utilisten en kantianen hebben elk op hun manier de ethiek bevrijd van de religie en op die manier het moreel correcte handelen een universele basis gegeven. De visie dat mensen in moreel opzicht gelijkwaardig zijn, is immers een universele visie die lijnrecht staat tegenover het particularisme van deze of gene godsdienst. Het afwijzen van een moord is zelfs hoogstaander als ze gebaseerd is op een autonoom inzicht van de mens, dan op een goddelijk bevel. Goed doen moet voortvloeien uit ons menszijn zelf, en niet omdat men er later voor beloond – of bij gebreke – ervoor gestraft wordt. Hiermee is duidelijk dat goed gedrag voortvloeit uit de rationele aanvaarding van grondrechten zoals de gelijkwaardigheid van elke mens, de onaantastbaarheid van de fysieke integriteit en het recht op zelfbeschikking, en niet zozeer uit de letterlijke interpretatie van bepalingen die in naam van een hoger wezen door mannen werden opgesteld.

    Een autonome ethiek is evenwel niet voldoende voor een harmonieus samenleven van mensen met uiteenlopende culturele en religieuze overtuigingen. Even belangrijk is een neutrale overheid. De auteur gebruikt hiervoor het franse woord ‘laicité’ als een opvatting over de aard van het staatsgezag, maar de Nederlandse lezer zal beter het begrip religieuze neutraliteit begrijpen. Neutraliteit in de zin dat geen enkele godsdienst wordt bevoordeeld tegenover een andere en dat gelovigen niet worden bevoordeeld tegenover niet-gelovigen. Paul Cliteur verwijst naar de initiële ideeën van de Amerikaanse ‘founding fathers’ James Madison en Thomas Jefferson. Madison beklemtoonde het belang van een seculiere staat waarin burgers – ook al vormen ze een minderheid – beschikken over een aantal fundamentele rechten en vrijheden. En Jefferson benadrukte dat de burgerlijke rechten van de mens onafhankelijk moesten staan van onze religieuze overtuigingen. Het is op basis hiervan dat het eerste amendement van de Amerikaanse constitutie werd opgesteld. Dit artikel verbiedt het Congres om wetten aan te nemen die een staatsgodsdienst creëren, die één godsdienst boven andere zou plaatsen, het recht op vrijheid van godsdienst verbieden, de vrijheid van meningsuiting of de persvrijheid belemmeren of de vrijheid van samenkomst hinderen.

    Religie is een private zaak die niet kan worden bekostigd door de gemeenschap en die niet zichtbaar aanwezig mag zijn ‘in delen van het publieke domein waar de staat met een pretentie van neutraliteit optreedt’. De auteur heeft het over rechtbanken, de politie, het leger en officiële bijeenkomsten. Hij heeft het dus uitdrukkelijk niet over de algemene publieke ruimte, zoals straten en voetpaden of op de aanwezigheid van burgers in overheidsgebouwen. Daarmee gaat hij minder ver dan de Franse wetgevers die het verbod op het dragen van opvallende religieuze symbolen ook opleggen aan scholieren in het openbaar onderwijs. Of van enkele Vlaamse gemeenten die hun personeel, die aan het loket in contact komen met de burger, verbieden om opvallende religieuze symbolen te dragen. Toch is de weg die Cliteur wil inslaan heel duidelijk. Hij wil de religie terugdringen tot de private sfeer en – als dat mogelijk zou zijn – tot de individuele hersenpan. Dat is geen evidente en gemakkelijke weg, integendeel. Zelf morele keuzes maken is heel wat moeilijker dan dat men zich als gelovige kan wegsteken achter bepalingen die echter niet altijd moreel goed zijn. Sinds de aanslagen van 11 september is de geest van het religieus fanatisme weer uit de fles. Zowel radicale moslims als christelijke leiders in de VS gebruiken woorden die teruggaan op de basisteksten van hun diverse godsdiensten. We beleven een opbod aan religieuze ‘zuiverheid’.

    Dit boek komt net op tijd. Paul Cliteur maakt heel duidelijk dat de hernieuwde heropleving van de religieuze ethiek het samenleven van mensen met diverse religieuze overtuigingen problematisch, zelfs onmogelijk maakt. Willen we een harmonieuze samenleving waarin iedereen mag denken en zeggen wat men wil dan hebben we nood aan een ‘autonome ethiek’ en een ‘neutrale overheid’. Dan hebben we nood aan een moreel Esperanto als een lichtbaken in deze donkere tijden van religieus fanatisme en onverschillig cultuurrelativisme.

    Paul Cliteur, Moreel Esperanto, De Arbeiderspers, 2007

    Recensie door Dirk Verhofstadt

    Liberales en LVSV-Gent organiseren op donderdag 1 maart om 20 uur een lezing door prof. Paul Cliteur naar aanleiding van de verschijning van zijn nieuw boek Moreel Esperanto. Naar een autonome ethiek. Deze lezing gaat door in Auditorium A, Blandijnberg 2 te Gent. De inkom is gratis maar vooraf inschrijven is aangewezen op onderstaand mailadres.

    Links

    mailto:verhofstadt.dirk@pandora.be

    Afdrukbare versie

  14. Partout schreef:

    Avatar van Partout
    Zeg Anton Droogstoppeltje,

    wat vindt JIJ er eigenlijk van?
    Hou je het een beetje kort?

  15. peter louter schreef:

    Avatar van peter louter
    Anton, wat een vergeefse moeite allemaal. Maria heeft hier al naam gemaakt door alleen datgene te gebruiken wat in haar kwaam te pas komt.
    Maar goed, jij hebt dat ook nog eens ondubbelzinnig aangetoond.
    Partout?, ja die neemt haar nog wel serieus, daarom krijgt hij ook kusjes als hij blaft.

  16. hans groen schreef:

    Avatar van hans groen
    "Volgens die aanpak zouden wij onze kritiek op de godsdiensten moeten matigen, daarbij berouwvol onze westerse arrogantie aan de kaak stellend. Religieuze terroristen voelen zich vaak beledigd. Als wij schuld bekennen, zo luidt die redenering, dan knappen deze lieden daar een beetje van op. Ze worden minder boos.

    Cliteur gelooft niet in zo’n toegeeflijke aanpak."

    Deze insteek die verwoordt een onjuiste interpretatie. Het is niet de kritiek die dient te verstommen maar de toon die gezet wordt dient anders te zijn.

    @anton
    Leuk dat je maria’s log volpompt met recensies, maar dat maakt het log niet leesbaarder. Volgende keer gewoon links plaatsen.

    @Peter:

    Beide zijden kunnen daarvan beschuldigd worden. Zolang je als lezer maar je eigen positie kiest.

    Dus ook jij krijgt nu een kusje

    Reactie is geredigeerd

  17. charles schreef:

    Avatar van charles
    Ik geloof niet dat de ‘reageerders’ hierboven de ironie van Anton door hebben.

  18. hans groen schreef:

    Avatar van hans groen
    @Charles
    Het is misplaatst

  19. anoniem schreef:

    Avatar van anoniem
    Ik heb de woordenbrijen hierboven niet gelezen.

    Tot twee keer toe heb ik geprobeerd Cliteur z’n vooroordelen ten aanzien van de Islam te laten inzien, ondanks vrij uitgebreid heen en weer geschrijf leidde dat tot absoluut niets.

    Dat is niet met alle Leidenaren zo, bijvoorbeeld de quantum fysicus Icke geeft op bepaalde vragen onomwonden toe dat hij het niet weet.

    Het probleem met politieke en geschiedkundige beschouwingen is dat er grote belangen mee gemoeid zijn.

    Min leesvoer van dit moment is: Kurt Glaser, ´Der Zweite Weltkrieg und die Kriegsschuldfrage (Die Hoggan-Kontroverse)’, Würzburg 1965.

    Glaser schreef het boek naar aanleiding van de eerste publicatie, in 1961, van David L. Hoggan, `Der unnötige Krieg, 1939- 1945, `Germany must perish“, 1976, Tübingen.

    Hoggan laat zien dat in elk geval Nationaal Socialistisch Duitsland niet alleen schuldig was aan de 1939 oorlog tussen Polen en Duitsland, de oorlog die binnen twee weken een wereldoorlog werd.

    Glaser geeft Hoggan in z’n analyse van wat er diplomatiek gebeurde in 1938 en 1939 gelijk, geeft ook toe dat de aanvallen op Hoggan die de inquisitie niet hadden missstaan (Glaser) zijn ingegeven door de politieke overtuiging dat enig gelijk aan Nationaal Socialistische kant het morele gelijk van Britten en Amerikanen ontoelaatbaar verzwakt, maar betoogt dan dat het Britse besluit Duitsland aan te vallen al gerechtvaardigd was door het totalitaire karakter van het Nationaal Socialisme.

    Glaser had niet het (on-)geluk dat hij tot op heden leefde, anders had hij kunnen zien hoe de Ametikanen en Britten opnieuw een land hebben verwoest, met goede bedoelingen.

    Glaser noemt de historici die de Britten en de Amerikanen verdedigden de ‘orthodoxen’, Cliteur behoort mijns inziens bij de hedendaagse orthodoxen.

    Misschien is dat een goede keuze, Hoggan stierf in armoede.

    Zoals bekend is Irvng net uit de cel, heeft Zundel hoger beroep aangetekend en zit Rudolf z’n straf uit.

  20. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    @Anton: “Dus niet meer – wat je hierboven weer doet – een willekeurig standpunt van iemand die Cliteur noemt toe schrijven aan Cliteur (bijvoorbeeld dat iemand de doodstraf verdedigt toeschrijven aan Cliteur omdat hij die persoon kent of om iets bedankt), maar aan Cliteur toeschrijven wat hij zelf zegt. Het zal wel een hele revolutie betekenen in jouw werkwijze, Maria, nu moet je echt gaan lezen”

    Nee lieve Anton, dit is een blog en geen wetenschappelijk tijdschrift.
    ik ga mijn eigen methode volgen, namelijk selectief dingen uit lichten en onder de loep leggen die IK interessant vindt.

    Ik ga niet een eigen recensie schrijven van Cliteurs boek, dat hebben anderen nu al gedaan.

    Ik zal eerst uit de recensies die jij aangesleept hebt de volgens mij interessante punten halen en vervolgens uit Cliteurs boek een paar punten belichten die ik belangrijk vind en waar ik ook al ander passend materiaal voor heb liggen, bijvoorbeeld thema : Cliteur en het obscurantisme; Cliteur en Voltaire.

    @ Peter quote: ‘Anton, wat een vergeefse moeite allemaal. Maria heeft hier al naam gemaakt door alleen datgene te gebruiken wat in haar kraam te pas komt.
    Maar goed, jij hebt dat ook nog eens ondubbelzinnig aangetoond.’

    Peter, het bovenstaande had ik al geschreven voordat ik jouw antwoord had gelezen!!!Dus ik geef je helemaal gelijk!!!
    “Partout?, ja die neemt haar nog wel serieus, daarom krijgt hij ook kusjes als hij blaft. “

    Ja, kusjes, Partout!!!

  21. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Ik heb nu de recensies die Anton heeft opgegraven gelezen.

    Ja, Anton, veel mensen houden van Cliteur en van zijn boek, dat heb je zonder meer aangetoond.

    Ik heb nooit beweerd dat Cliteur alleen maar onzin zegt of dat hij geen fans heeft. Integendeel: alles wat politiek rechts van het centrum is, houdt van Cliteur.

    Toch ligt alleen de recensie van De Groene heel dicht bij wat ikzelf vind. En dat mag toch ook??

    Hier nog twee recensies, waarbij ik de vrijheid neem de kritische opmerkingen eruit te lichten ( ja mensen, kritiek op rechtse profesoren is nou eens mijn hobby)

    Op 2 maaart heeft Luuk van Middelaar Cliteurs Moreel Esperanto in de Volkskrant besproken.

    Hier een paar kritische opmerkingen uit deze recensie:

    “[..] Die blinde vlek ligt in Cliteurs titel besloten. Hij weet dat het taalkundige Esperanto geen succes is geworden, maar redeneert toch onbekommerd voort. Zo stuit hij niet op de cruciale vraag van de macht. Waarom werd het Esperanto niets? Een taal is een dialect met een leger, zegt men weleens. In de kern is dit juist. Het Amerikaans-Engels, gedragen door militaire en economische macht, heeft wereldwijd meer succes dan het studeerkamerproduct Esperanto.

    Zou iets vergelijkbaars gelden voor ‘morele talen’? En wat is dan die band tussen politieke macht en ethiek? Met een onderzoek naar zulke vragen zou de Leidse rechtsfilosoof wellicht iets hebben ontdekt dat zijn publiek en hijzelf niet al van tevoren wisten.

    Cliteur gaat aan de machtsvraag voorbij en praat zichzelf moed in met het voorbeeld van Voltaire en andere 18de-eeuwse Verlichtingsfilosofen. Die opponeerden tegen het christendom zoals hij nu tegen de islam. En dat heeft toch ook geholpen? De Leidse hoogleraar vergeet het verschil in publiek.

    Voltaire sprak zijn eigen samenleving aan, correspondeerde met prinsen en vorsten, leefde kort voor een omwenteling in de politiek-religieuze orde (1789). Cliteur daarentegen richt zich niet tot , zeg, de Iraanse president Ahmadinejad, maar tot burgers die de theocratie al eeuwen geleden buiten de deur hebben gezet. De Nederlandse intellectuele elite kent geen aanhangers van de goddelijke-bevelstheorie. De bevolking zit ook niet op Esperanto te wachten; wij willen dat de staat eventuele terroristen in bedwang houdt.

    […]
    De machtsvraag is niet de enige blinde vlek in Moreel Esperanto. Eén andere trof mij zeer. Nergens maakt de auteur duidelijk wat speciaal is aan de religieus gesanctioneerde moord. Wat is het verschil tussen de moord op Oranje door een Franse katholiek en de aanslag op aartshertog Franz-Ferdinand door een Servische nationalist? Of om bij recente Hollandse trauma’s te blijven: wat is ethisch gezien het verschil tussen de moord op Van Gogh door een Amsterdamse islamist en die op Fortuyn door een Wageningse dierenactivist? De plek van God als moreel commandant wordt schijnbaar moeiteloos overgenomen door natie of natuur.”

    H.M. Kuitert schrijft in de NRC van 2 maart:

    “Maar mijn eigenlijke bezwaar is dat inperken van religieuze moraal tot goddelijke-bevelstheorie, waardoor religie voorgesteld kan worden als bron van geweld. Dat is een voorstelling van zaken die aan religie noch aan moraal recht doet. Bij Cliteur komen die beide grootheden als het ware uit de lucht vallen, ze missen een geschiedenis. Althans, die kant van de zaak – hoe komen we eraan – wordt nergens belicht, terwijl dat voor het begrip van beide fenomenen onontbeerlijk is. Wat is moraal eigenlijk, waar komt ze vandaan, wat is haar status? Cliteur wil haar een status geven (die van autonomie), maar de status die ze heeft: haar eigenheid als culturele factor, haar noodzaak, haar intrinsieke connectie met religie (hoe komt ze daar toch aan?), daarover lezen we niets."

  22. j. jan willem van waning schreef:

    Avatar van j. jan willem van waning
    Al-Qaeda’s efforts to mobilize people to kill Americans are driven principally by a simple strategic goal: to drive the United States and its Western allies from the Arabian Peninsula and other Muslim countries.

    http://www.volkskrantblog.nl/bericht/114841

  23. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Anton, ik heb nog even op internet gekeken of de Burke Stichting is opgeheven, zoals jij herhaaldelijk hebt beweerd.
    Maar dat is niet het geval. De website van de Burke Stichting bestaat bijvoorbeeld nog, en meldt niets van opheffing van de stichting.

    Uit een artikel uit de NRC , 17-11-2006:
    “De Edmund Burke Stichting leidt een kwakkelend bestaan sinds de denktank zich eind 2004 tot de Geert Wilders bekende, zelfverklaard aanhanger van de ‘liberale jihad’. Door deze strategische blunder drukte de denktank zichzelf diep in de politieke marge. Directeur Bart Jan Spruyt, […] , probeerde nog even aan te klampen bij Wilders’ Partij voor de Vrijheid maar keerde afgelopen augustus de Mozart uit Venlo teleurgesteld de rug toe.”

    “Marge” is niet opgeheven hoor!

    Reactie is geredigeerd

  24. evy schreef:

    Avatar van evy
    @ Maria: Wat een zwak stukje heb je weer geschreven. Komt het nou nooit een in je fluithoofdje opdat je gewoon geen intellectueel bent die kan meepraten op hoog niveau.

  25. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Ikzelf ben mischien geen intellectueel, die kan meepraten, maar Koen Haegens, die ik hier instemmend heb geciteerd, wordt in ieder geval door de Groene Amsterdammer betaald voor zijn mening, en kan blijkbaar wel meepraten…

    Veel van wat Koen Haegens hier bij Cliteur bekritiseert, zoals het essentialisme en het fundamentalisme, heb ikzelf in detail uitgewerkt in mijn bestandje http://www.passagenproject.com/conservatisme.html
    Reactie is geredigeerd

  26. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk
    "Ikzelf ben mischien geen intellectueel, die kan meepraten"
    Aan het woord is Maria Trepp. Beoogd promovenda van prof. dr. Abu Zayd, nee, "vriend" van Abu Zayd, beoogd promovenda van copromotor prof. dr. Peter Derkx. Maar helaas, geen intellectueel die kan meepraten naar eigen zeggen.

    Bescheidenheid siert de mens natuurlijk, maar moeten we niet-intellectuelen die niet kunnen meepraten eigenlijk wel … laten promoveren? En moeten die wel folders met lastertaal uitdelen in Leiden? Moeten die wel mailboxen van anderen volproppen met ongevraagde haatzaaierij? Tja.

    Tjonge, Maria, ik vind wel dat je weinig support weet te mobiliseren. Waar zijn die honderden mensen die volgens jou sympathiseren met jouw zaak? Waarom melden die zich niet, om nu voor je in de bres te springen nu je wordt ontmaskerd als een leugenaar en stalker? Dat zouden zij toch niet over hun kant kunnen laten gaan?
    Je hebt alleen die meneer apekoppie die je kusjes komt geven (fris idee trouwen, kusjes van die aap).

    Ik heb hier nog wat huiswerk voor je. Het antwoord van Paul Cliteur aan Frits Bolkestein. Eerst rustig lezen. Op je in laten werken. Dan proberen een oordeel te formuleren. Ik kom je vervolgens aan de hand door de tekst heenleiden. Goed?

    Moreel Esperanto
    door Paul Cliteur
    Paul Cliteur is hoogleraar Encyclopedie van de rechtswetenschap aan de Universiteit Leiden. Vorige week verscheen zijn boek Moreel Esperanto: naar een autonome ethiek (De Arbeiderspers).
    Moreel Esperanto,
    is dat haalbaar
    Een van godsdienst gescheiden moraal die voor iedereen aanvaardbaar zou zijn, waarom zou dat niet kunnen?
    Naar aanleiding van de reacties van Frits Bolkestein en Ahmed Marcouch op zijn nieuwste boek, vorige week in Opinio, probeert Paul Cliteur tot een boedelscheiding tussen moraal en religie te komen.
    Wat zou in een samenleving van mensen die diepgaand met elkaar van mening verschillen over religie en cultuur, de gemeenschappelijke moraal moeten vormen? En hoe zouden we die moraal kunnen rechtvaardigen?
    Mijn antwoord is: juist in een samenleving met grote religieuze en culturele verschillen moeten we op zoek gaan naar een gedeelde moraal die zelf niet religieus kan worden gerechtvaardigd. Immers, een beroep op godsdienst overtuigt alleen de eigen groep, nooit iemand die een andere religieuze overtuiging heeft. Religie zorgt voor binding (of cohesie) binnen de groep, maar drijft de samenleving als geheel uit elkaar.
    Een moraal die zich niet beroept op godsdienst, noemen filosofen een ‘ autonome moraal’. Het uitgangspunt daarvoor formuleert Frits Bolkestein in Opinio van 9 februari met de woorden van de ethica Heleen Dupuis, die zei dat een beroep op Gods wil of Gods woord nooit een voldoende morele rechtvaardiging voor gedrag kan geven. Bolkestein zegt: “Dat laatste ben ik met haar eens.” En over een ‘niet religieus gefundeerde ethiek’ zegt Bolkestein: “Die wil ik ook.” Bolkestein, Dupuis en ik onderschrijven dus hetzelfde uitgangspunt over de verhouding van religie en moraal. Moraal zou gescheiden moeten zijn van religie.
    Het verschil is alleen dat Bolkestein meent dat wanneer men godsdienst ontdoet van moraal, men haar ‘de nek omdraait’, terwijl ik denk dat men nog steeds een gelovig mens kan blijven wanneer men zijn moraal niet uit godsdienst afleidt of met een beroep op die godsdienst rechtvaardigt.
    Een van godsdienst gescheiden moraal die voor iedereen aanvaardbaar zou zijn, waarom zou dat niet kunnen? Er hebben zich al heel wat wetenschappen geëmancipeerd van de religie (de natuurkunde, zij het tegenwoordig weer betwist; de biologie, zij het tegenwoordig ook weer betwist): de ethiek zou een van de laatste van die wetenschappen kunnen zijn.
    Het argument dat men godsdienst ‘de nek omdraait’ wanneer men haar haar plaats toewijst, is natuurlijk iets wat men vaak hoort. Toch is zelfs een niet-letterlijke lezing van de Schrift al te beschouwen als een begin van moreel Esperanto: men hanteert dan een autonoom selectiecriterium voor wat men overneemt uit de Schrift (‘Heb uw naaste lief’) en wat men als gedateerd terzijde schuift (‘Dood de ongelovige’). Ik zou dus zeggen dat ik in mijn boek Moreel Esperanto niet de ‘religie aanval’, maar probeer tot een boedelscheiding tussen moraal en religie te komen.
    Een tweede punt waar misschien een accentverschil ligt, is het volgende. Een argument dat door sommige niet-gelovigen soms wordt ingebracht is: Ja, daar ben ik het wel mee eens, met die autonome moraal, maar dat gaat niet lukken. Want jij en ik zijn het daar wel over eens, maar voor ‘hen’, de gelovigen, is dat een stap te ver. Zij kúnnen hun moraal nu eenmaal niet losweken van hun godsdienst. Laten we het onder ogen zien: dit morele
    Esperanto zal er net zo min komen als het linguïstische Esperanto.
    Daarmee hebben we dan in de ‘autonome gelederen’ een verschil van inzicht tussen zij die hoopvol geloven in de haalbaarheid van het project, en zij die gelaten zeggen dat het niet zal lukken.
    Daarbij kan men natuurlijk nog allerlei tussenposities onderscheiden: het is te vroeg, het moet met zachte hand, het moet via de bandbreedte van de vrijzinnigheid, want regelrecht seculiere moraal is niet haalbaar – en zo is meer te bedenken.
    Er is natuurlijk ook de discussie over wie het moeten doen. Geen autochtone witte mannen van middelbare leeftijd, maar mensen uit de eigen kring. En dan nog: wie? Zal het Irshad Manji, die moslim bleef, beter lukken dan Ayaan Hirsi Ali, die tenslotte atheïste werd? Of hebben we meer te verwachten van de moeilijk navolgbare spirituele omzwervingen van Tariq Ramadan?
    Wie gelijk heeft, zal alleen de toekomst kunnen uitwijzen en, zoals Wilde zei: “It’s difficult to prophesize, especially about the future.” Maar als ik naar het verleden kijk, kan ik toch niet pessimistisch zijn. Er is veel meer moreel Esperanto dan men zou denken. Steeds sterker heeft de moraal zich losgemaakt van ‘schriftgezag’. De band met de tekst of de religieuze autoriteit (de paus, de imam, de ayatollah) lijkt voor veel gelovigen losser te zijn geworden. Maar wat zorgwekkend is, is de wederopleving van de religieuze autoriteit: de jongens die naar de sjeik bellen om te horen of zij mogen stelen van de ongelovigen. Of – nog erger – de jongens die serieus van de imam willen weten of de cabaretier die grapjes over godsdienst maakt, gedood mag worden. De vraag is nu hoe men zich tot die jongens moet richten; met méér of juist met minder moreel Esperanto?
    Wie op dit punt – waarover studeerkamerfilosofen alleen maar schrijven (ik dus) – in de harde werkelijkheid staat is Ahmed Marcouch. Als stadsdeelvoorzitter van Amsterdam-Slotervaart zit hij niet alleen achter zijn bureau, maar loopt hij op straat. Hij praat met die jongens die zeggen dat zij de democratie verwerpen, een niet-gesluierde vrouw een hoer vinden of homoseksualiteit een besmettelijke ziekte. Zijn antwoord is dan – blijkens het interview door Bart Jan Spruyt in Opinio van vorige week – het volgende: “Jij wilt vrij zijn, en zijn wie je wilt zijn, maar dan moet je ook beseffen dat de vrijheid van de homoseksuelen ook joúw vrijheid is, hier in dit land. Jouw vrijheid is verbonden met die van alle andere Nederlanders. Zodra je de vrijheid van anderen bestrijdt, loopt je eigen vrijheid gevaar.”
    Wie aan mij zou vragen ‘Wat is nu eigenlijk dat morele Esperanto?’ zou ik antwoorden: “Dit, het antwoord van Marcouch – dát is moreel Esperanto.” Wat Marcouch hier doet, is die jongens aanspreken op consistentie. Als je het chic zou willen formuleren, kun je zeggen dat zijn argumentatie ‘Kantiaans’ is. Hij vraagt aan die jongens zich te gedragen op de manier waarop zij zouden wensen dat men zich ten opzichte van hen zou gedragen.
    Volgens mij is dat de weg. Hoe had het anders gekund? Hij had ook kunnen gaan zoeken in de Koran, of in de Hadieth, of bij Sayyid Qutb, of ergens anders in een heilige of semi-heilige bron. Ook daar had hij misschien aanknopingspunten kunnen vinden voor het morele oordeel dat hij hun probeert duidelijk te maken. In de ‘gelovige’, maar ook in de ‘multiculturalistische’ benadering zou dat moeten gebeuren. Immers, de multiculturalisten en diegenen die religie willen gebruiken voor de integratie, denken dat die jongens door een niet-religieus vocabulaire niet kunnen worden bereikt. Maar ik geloof, eerlijk gezegd, dat zo’n religieus vocabulaire Marcouch (en daarmee ons) alleen maar verder het moeras in zou trekken. Die jongens hebben namelijk met hun beroep op hun heilige traditie best een paar goede argumenten te pakken voor het gedrag en de opvattingen die wij hun uit het hoofd willen praten. En als zij die argumenten zelf niet bij de hand hebben, dan worden die hun wel aan de hand gedaan door de cyber-imam of op de website waarop de Koran keurig naar onderwerp verknipt is. Dat ‘gezag’ moet je die heilige bronnen niet geven – althans niet als overheid.

    Reactie is geredigeerd

  27. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    "Waar zijn die honderden mensen die volgens jou sympathiseren met jouw zaak? Waarom melden die zich niet, om nu voor je in de bres te springen nu je wordt ontmaskerd als een leugenaar en stalker?"

    Ik heb niemand om hulp gevraagd.
    Ikzelf ben begonnen met een blog "Stalking the wild rainbow" dan zal ik toch een debat hierovor zelf aan moeten kunnen??

    Ik deel pittig uit, dan ben ik ook bereid in te kasseren- ook dat heb ik eerder aan je uitgelegd.

    Ik ben heel erg geduldig geweest, en heb tig bijdrages met aanvallen op mij van jouw hand laten staan. Vanaf nu verwijder ik bijdrages die niet ingaan op het thema van de blog.Dit blog gaat over Cliteur en zijn boek Moreel Esperanto, en de recensie van Koen Haegens.

  28. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk

    Ah, onze inquisiteur gaat nu de dingen verwijderen die haar niet zinnen? Zij wil een hele website met alleen maar laster! Natuurlijk, dit past in het beeld.

    Veel liefs van een begrijpende Anton

  29. anoniem schreef:

    Avatar van anoniem

    Dit is even een test om te zien of ik nog gehoord wordt,

    A.

  30. anoniem schreef:

    Avatar van anoniem

    Gelukkig. Ik kan mij nog kenbaar maken.
    Leg je ook nog even uit waarom je Moreel Esperanto niet leest?
    Waarom je telkens verzwijgt dat het Cliteur gaat om de radicale islam (en niet de islam tout court, zoals je telkens leugenachtig beweert)
    Leg je nog uit waarom je verzwijgt dat het om alle drie de theistische godsdiensten gaat (en niet alleen om de islam, zoals je beweert).

    Anton

  31. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    @Anton, Het gaat Cliteur niet om de radicale islam, dat heeft hij vaak herhaald.
    Zo contrasteert hij Abu Zayd, een volgens Cliteur slecht moslim ( omdat Zayd een liberale moslim is) met Ellian.
    . Wat Cliteur bij Ellian zo bevalt, dat is het feit dat hij bij Ellian een kritiek “op de islam an sich" aantreft- "niet alleen op de verschillende interpretaties van de islam […] ”. (Civis mundi, afl. 4; vol. 42 , 2003, afl. 1p. 21)
    Expliciet: Ellian en Cliteur willen kritiek op de islam an sich- dus NIET alleen op de radikale islam.
    Wat heeft het voor zin om de liberale moslims zoals Abu Zayd aan te vallen???
    Anton, ik verwijder zo weinig mogelijk van je reacties, en alleen reacties waarin je je een honderste keer herhaald EN bovendien niet n topic bent. Maar zommige van je idiote opmerkingen zal ik ook n de toekomst laten staan.

    Jouw IP-nummer wordt ook niet geblokkeerd.

    Ik heb "Moreel Esperanto" gelezen, en ik zal hier af en toe een paar interessante aspekten eruit halen om deze te bespeken.
    Vandaag: Het obscurantisme bij Cliteur.
    De grote religies worden door Paul Cliteur steeds weer aangevallen, maar in heksen, kabouters en zeemeerminnen mag van Paul Cliteur iedereen geloven.
    Vier jaar geleden hebben Paul Cliteur en Andreas Kinneging het opgenomen voor de merkwaardige theorieën van Francesco Carotta, die beweert dat Jezus Christus eigenlijk Julius Caesar zou zijn.
    Merkwaardig obscurantisme.

    De Leidse Universiteitskrant MARE 19, schreef toen (6 februari 2003) over Carotta en zijn Leidse aanhangers:

    ‘Boek van het jaar’ of ‘verzameling apekool’
    Jezus Christus, alias Julius Caesar
    Jezus als timmermanszoon uit Nazareth moeten we vergeten. In feite is de verering van Jezus een voortzetting van de cultus van Divus Julius, de na zijn dood tot God verklaarde Julius Caesar. Die gewaagde stelling van de Italiaan Francesco Carotta heeft in Nederland voor heel wat beroering gezorgd. Ook binnen Leiden zijn de gemoederen inmiddels aardig verhit geraakt. ‘De verdediging van dit boek door Paul Cliteur is weerzinwekend.’

    Heel veel vertrouwen geeft de inleiding van ‘Was Jezus Caesar?’ niet. De auteur meldt dat hij het onderzoek voor het boek aanvankelijk moest uitvoeren ‘naast zijn werk als ondernemer in de informatica en uitgever van boeken’. Op zich hoeft dat nog geen probleem te zijn, want Francesco Carotta blijkt wel opgeleid als taalkundige en filosoof. Maar vervolgens begint hij mogelijk gebrek aan bijval voor zijn boek meteen maar te verklaren. Zijn ontdekking dat Jezus Christus in feite de vergoddelijkte Julius Caesar is, vergt ‘een verandering van paradigma: niet langer staat de aarde centraal, maar de zon; niet langer gaan we uit van het Heilig Land, maar van het tegenwoordig graag vergeten Romeinse Imperium’. Menigeen, meent Carotta, zal weigeren ‘een blik te werpen in de telescoop van Galilei’. Behalve een staaltje grootspraak is het ook een gemakkelijke methode om zich tegen alle kritiek in te dekken. Is hier een dilettant aan het werk?
    Verderop in het boek wordt duidelijk dat Carotta in ieder geval een vorm van wetenschappelijk onderzoek heeft verricht, maar dan wel met een van tevoren vaststaande conclusie: door verschrijvingen en verkeerde vertalingen veranderde de cultus van Julius Caesar in die van Jezus Christus. Dat moet wel, omdat de parallellen in hun levensgeschiedenissen te frappant zijn. Zo is zelfs het kruis geen exclusief christelijk attribuut: Marcus Antonius voerde een wassen beeld van de vermoorde Caesar rond, bevestigd aan een tropaeum, een T-vormige houten constructie waaraan normaliter de wapens van de overwonnen vijand werden opgehangen.

    ‘In eerste instantie denk je: dit is helemaal niets, dit kan niet waar zijn, dus ik schuif het terzijde’, merkte de Leidse rechtsfilosoof dr. Andreas Kinneging op in het Radio 1 Journaal van 24 december. ‘Maar ik moet u zeggen dat ik na lezing geheel van mening veranderd ben. Volgens mij is dit het boek van het jaar 2002!’
    Ook Kinnegings collega mr. Paul Cliteur, pas benoemd tot hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap, nam het voor het boek op. Zijn column in het tv-programma Buitenhof van 1 december wijdde hij aan Carotta’s ‘ontdekking, die de hele cultuurgeschiedenis omver gooit’. ‘Even kijken wat er allemaal gaat veranderen. In de troonrede bidt de majesteit om hulp van Caesar, Balkenende leidt voortaan het Caesaristisch Democratisch Appel en Rouvoet de CaesarUnie.’
    Cliteur heeft het geweten. Hij werd onder meer door de Nijmeegse classicus Antoon van Hooff per mail gekapitteld:’Ook gij, Paulus? Jij, mederepublikein, rationalist, verdediger van de westerse wetenschap, jij gelooft in het kruidenvrouwtje Carotta?’
    In kringen van Leidse oudhistorici en nieuwtestamentici klinken soortgelijke geluiden. Prof.dr. Henk Jan de Jonge: ‘Als ik Cliteur was, beperkte ik me tot het terrein van mijn eigen deskundigheid. Zijn verdediging van het boek van Carotta is weerzinwekkend. Er staan niets dan klinkklare nonsens in, ongefundeerde speculaties op basis van toevallige overeenkomsten tussen de weergaves van het leven van Julius Caesar en Jezus. Zo kun je nog veel meer parallelle levens construeren.’
    Hoewel Carotta zegt het historische bestaan van Jezus niet te betwijfelen – Jezus heette alleen Julius Caesar – valt hij natuurlijk wel degelijk de basis van het christendom aan. Volgens De Jonge ketst de aanval echter af op de consensus in de wetenschappelijke gemeenschap. ‘De historiciteit van Jezus is zeker, naar de strengste normen van de wetenschappelijke geschiedschrijving. Ik zou voor geen enkel woord van Jezus in de evangeliën mijn hand in het vuur willen steken, maar dat hij heeft bestaan staat vast met honderd procent onaanvechtbare zekerheid. Er zijn drie onderlinge onafhankelijke bronnen voor: de brieven van de apostel Paulus, de evangelist Marcus, en de bron Q, waaruit de evangelisten Lucas en Matheus hebben geput. Ook over zijn boodschap in grote lijnen bestaat eenstemmigheid: dat het oude tijdperk ten einde liep en hij een nieuwe periode aankondigde.’
    Carotta verdient in De Jonge’s ogen daarom ‘geen seconde aandacht’. ‘In ons vak word je ongeveer drie keer per jaar opgeschrikt door een hype. Vorige keer was dat de zogenaamde vondst van de botten van de broer van Jezus, Jacobus. Als we ons daarmee gaan bemoeien, komen we niet meer aan ons werk toe.’
    De Jonge staat als theoloog en fervent bestrijder van het atheïsme misschien nog onder de verdenking het christendom te willen beschermen. Maar hoe staat het met Henk Versnel, oudhistoricus van naam en faam, die in het verleden de strijd aanbond met theologen als H.W. Kuitert die kost wat kost historische werkelijkheid in de Bijbel probeerden terug te vinden. ‘Dit is een verzameling apekool’, zegt hij met de van hem bekende stelligheid. ‘Het is te vergelijken met de negentiende eeuwse theorie dat de Odyssee in Zeeland speelde omdat Circe naar Zierikzee verwees.’
    De wetenschappelijke consensus over Jezus’ bestaan is voor hem veel minder zeker dan voor De Jonge. ‘De communis opinio is dat er geen communis opinio over zijn historiciteit bestaat. Uiteindelijk geloof ik dat het haast niet mogelijk is zo’n cultus op te hangen aan een fantasiefiguur. Jezus was waarschijnlijk een van de zeer vele wonderdoeners die er in die tijd rondgingen. Hij had een bepaalde overtuiging, benadrukte de joodse cultuur en identiteit tegenover de Romeinse en gaf een eigen interpretatie van het Oude Testament.’
    En Romeinse trekken in het Evangelie aanwijzen mag best. ‘Ik heb zelf geprobeerd aan te tonen dat het plaatsvervangend lijden in de brieven van Paulus ontleend is aan een heidense, namelijk Romeinse gedachte. Dat is me door de nieuwtestamentici ook niet in dank afgenomen.’
    Maar dan moet het wel deugdelijk onderzoek zijn. ‘Carotta noemt zich taalkundige, maar hij presenteert een soort middeleeuwse taalkunde waarin gelijkenissen al voldoen bij wijze van verklaring. Dat Galilea van Gallië komt, Kafarnaüm van Corfinium en Judea van Ionië, zoals Carotta beweert, is volstrekte onzin. Dat zijn allemaal prachtige Aramese en Israelitische namen.’ Veel meer dan wat bladeren in het boek heeft hij niet gedaan, zegt hij. ‘Toen wist ik wat voor vlees ik in de kuip had. Ik pieker er niet over het echt te gaan lezen. Dat is het ergste wat je van me kunt vragen. Cliteur, die ik altijd graag lees, moet een vlaag van verstandsverbijstering hebben gehad. Hij ziet waarschijnlijk te graag bewezen dat het christendom wetenschappelijk onhoudbaar is.’
    Paul Cliteur zelf ondertussen verbaast zich over de heftige bewoordingen waarin de Carotta-tegenstanders zich uitdrukken. ‘De reacties zijn af en toe bij de spinnen af. Ik heb ook wel mijn kanttekeningen bij het boek. Het zou bijvoorbeeld sterker zijn geworden als er concurrerende theorieën aan bod waren gekomen. Maar ik schrik niet terug voor een wilde hypothese en het bewijs voor het bestaan van Jezus lijkt me niet overtuigend. Als onafhankelijk publiek intellectueel heb je de plicht er onbevangen naar te kijken. En dat mis ik bij de tegenstanders. Hun reactie doet me denken aan het wetenschapsfilosofische werk van Thomas Kuhn: als wetenschappers eenmaal een bepaald paradigma omarmd hebben, willen ze dat niet meer bloot stellen aan kritiek.’
    De discussie is in ieder geval nog niet gesloten, constateert hij vergenoegd. ‘Binnenkort komt het boek uit in Engelse vertaling. Ik ben benieuwd wat het daar los maakt.’

    Reactie is geredigeerd

  32. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk

    ja, ja, en jij bepaalt wat je relevant vindt. Dingen die niet in jouw kraam te pas komen zijn niet relevant. Maar zo is jouw hele optreden: haatzaaien en willekeurig citaten uit hun verband rukken. Ondertussen lees je Moreel Esperanto niet en blijf je maar beloven dat te gaan doen. Wat je wel de hele tijd doet is het opsnorren van verhaaltjes van andere halve garen zonder dat je op de teksten van cliteur zelf ingaat. Dat is het probleem met jouw hele benadering, Maria. In Moreel Esperanto herhaalt hij tot vervelens toe dat hij zich keert tegen het islamisme, de radicale islam, de politieke islam. Moreel Esperanto is door Dirk Verhofstadt (zie de recensie) aangeduid als het hoofdwerk van Cliteur. Terecht. Het is een magistraal werk. Niet obscurantistisch, maar glashelder, zoals zelfs zijn meest verstokte vijanden moeten toegeven. Sjoerd de Jong bijvoorbeeld, iemand die altijd alles van Cliteur negatief bespreekt, maar die dit boek heeft geprezen om de helderheid, zo bleek tijdens een radio bespreking voor de vpro.

    Cliteur is niet tegen Zayd omdat hij een liberale moslim is, hij heeft zich, in navolging van Rudy Kousbroek wat geergerd omdat Zayd zich niet tegen vrouwenbesnijdenis keert. Althans daar zegt hij niets over. Overigens worden liberale moslims door Cliteur niet aangevallen, hij zal hoogstens zeggen dat hun optreden te weinig soelaas biedt voor een duurzame oplossing van de problemen. Wat is die oplossing wel? Het doorbreken van de goddelijke bevelstheorie en een oriëntatie op moreel esperanto.

    Pff, nu moet ik jou dit weer voorkauwen terwijl je hetzelf moet lezen, in plaats van te zitten surfen of je weer een of ander slecht geinformeerd lasterpraatje van internet kunt plukken. Lezen, meid, niet fantaseren.

    DIe Carottakwestie – ook zo’n uitgekauwd kletsverhaal. Wat heb je daar tegen? Het enige wat Cliteur in dat interview aangeeft is dat hij hoopt dat deskundigen eens die theorie van Carotta gaan onderzoeken en bekritiseren. Maar wat is gebeurd? Niemand wil dat doen. Net zomin als jij serieus Moreel Esperanto wilt bestuderen. Ook dat boek van Carotta heb jij weer niet gelezen. Je kletst weer wat na wat je ergens hebt opgeduikeld, maar nergens is prake van een serieuze poging van jou ook ook maar iets te lezen. Als iemand in een duister hoekje van het internet ergens zegt "Cliteur is een schoft" kom jij weer ijverig aankeutelen met de kopy and paste knop als bewijs dat je al die tijd gelijk hebt gehad.

    Zie je nu ook hoe ziek je bezig bent? Je voelt jezelf een slachtoffer van onrecht, maar doet niets anders dan mensen stalken met leugens.

    A.

  33. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk

    Een citaat, speciaal voor Maria, van haar toegenegen Anton:

    “Het obscurantisme, de humus van alle religies, kan worden bestreden met behulp van de westerse rationalistisch traditie.” Onfray

    Dat is waar de grote denkers Cliteur en Ellian voor staan. Dat is wat de Maria’s van deze wereld haten en wat zij proberen te onderdrukken, met geweld desnoods en het muilkorven van het vrije woord.

    Afshin Ellian, verdreven uit Iran, achtervolgd door …. de Maria’s,

    A.

  34. Maria Trepp schreef:

    Avatar van Maria Trepp
    Nou , de lieve Afshin leeft een gezellig en rijk leven onder mijn vervolging, lijkt me, en de klep houdt hij toook niet??
    Het Onfray -citaat is leuk.Ik ben Adorno-aanhanger: het rationalisme slaat weer om in obscurantisme….
    Reactie is geredigeerd

  35. Anton Steenwijk schreef:

    Avatar van Anton Steenwijk

    Zo zo, klep houden – is dat je wil? Je wilt dat iemand monddood gemaakt wordt onder jouw geweld? Is dat het?

    Van Adorno heb je overigens niet zo heel veel begrepen. Lees Bassam Tibi – dat is een echte leerling van Adorno. Gelezen? Of moet je dat ook nog voor je dissertatie doen en ben je daar niet aan toegekomen?

    A.

  36. maria schreef:

    Avatar van maria
    Anton, Bassam Tibi ken ik niet. Zal ik nog lezen, bedankt voor de tip, en over Cliteur en Adorno kunnne we hier straks ook nog doorgaan.

    Nu verder met “Moreel Esperanto”.

    Cliteur keert zich in Moreel Esperanto uitvoerig tegen Edmund Burke ( p.79f) . Dit is weliswaar een beetje komisch, aangezien het feit dat Cliteur sinds de oprichting van de Edmund Burke Stichting in de Raad van Advies van deze stichting zat ( zeker van 2000-2005) , en hij in de publicaties van de Burke Stichting als een van de belangrijkste Nederlandse conservatieven wordt aangehaald, maar het klopt zowel met Cliteurs eerdere uitspraken alsook met het gedachtegoed van Burke zelf.

    Het gedachtegoed van Edmund Burke is zeer interessant, omdat het van zeer uiteenlopende politieke richtingen wordt geclaimd.
    Een reden voor pragmatisch, anti-idealistisch links om zich op Burke te beroepen is het feit dat Burke een pragmaticus was, een man van het “piecemeal engineering.”

    De conservatieven van de Edmund Burke Stichting wijzen juist het pragmatisme af. Zij zijn naar eigen zeggen revolutionairen, idealisten dus.
    Cliteur is de Burkiaan die dit zelf het duidelijkst heeft gezegd:

    : “Het Burkiaans conservatisme is zelfbewust. Het is niet het product van conformisme of geestelijke luiheid, maar een overdachte stellingname tegenover de politieke wereld. De Burkiaanse conservatief is voor geleidelijke veranderingen, voor wat Popper noemde piece meal engineering. “
    Maar Cliteur distantieert zich in hetzelfde artikel van juist dit soort Popperiaans piecemeal engineering:: “Het Burkiaans conservatisme is intellectueel respectabel, maar alleen onder bepaalde omstandigheden opportuun. Het is alleen gepast wanneer het schip grofweg op de goede koers ligt, maar als dat niet het geval is betekent Burkiaans conservatisme voortmodderen in de verkeerde richting.” (NRC, 17-12-2002)

    Cliteur eist en verwacht dus van Burke Stichting en on-Burkiaans revolutionair conservatisme: “[ De nieuwe conservatieven] moeten een eigen moraalcodex plaatsen tegenover die van de babyboomers. Hun positie is ook wezenlijk verschillend van die van Burke zelf. Burke waarschuwde voor een revolutie die in zijn eigen land nog niet had plaatsgevonden. De conservatieven van de Burke Stichting stellen een moraalcodex ter discussie van voormalige revolutionairen die in hun revolutie volledig geslaagd zijn. Wie de waarden van de babyboomers wil ontmaskeren heeft niets minder dan een revolutie nodig. Maar het lijkt erop dat die er wel komt.” (NRC, 5-5-2001) “[Deze babyboomers hebben] alles te winnen, ziehier de paradox, bij het procedureel conservatisme van Burke: zachtjesaan, geen revolutionaire wisseling van de macht, geen agressieve toon tegenover de status-quo van het moment".(Trouw, 16-9-2004)

    De Leidse hoogleraar Koen Koch: “Cliteur wenst de moraal los te koppelen van de godsdienst. […] De scherpe scheiding tussen kerk en staat naar Frans model [zoals Cliteur die wil] heeft in Nederland nooit zo bestaan. Het programma van Cliteur is revolutionair. Hij wil de Nederlandse samenleving hervormen volgens een morele blauwdruk naar eigen ontwerp. Hij is een filosoof van de extreme maakbaarheid. Burke zou dit allemaal met afgrijzen hebben aangezien.” ( Trouw, 9-4-2004)

    Sjoerd de Jong: “[..] conservatieven schrijven tegenwoordig geen bedachtzame ‘reflecties’ meer, zoals hun grote voorbeeld Edmund Burke, maar bulderende ‘manifesten’” ( NRC, 4-11-2003)

  37. maria schreef:

    Avatar van maria
    Anton, Bassam Tibi is inderdaad interessant, al deel ik zijn mening niet in alles.

    Hij is en voorstander van de Euro-islam, en ook verder een verstandige man, zie
    http://www.perlentaucher.de/artikel/3764.html

  38. antoinette van de weetering schreef:

    Avatar van antoinette van de weetering

    Maria de overkalker, maria, niet bij koen koch zitten te sjoppen, of sjoerd de jong, maar cliteur zelf gaan lezen, meid, hoe vaak moeten we je dat nou nog zeggen. heb je moreel esperanto nou eindelijk gelezen. dat had je een week geleden al met veel bombarie aangekondigd, maar je zit nog steeds je tijd te verdoen met te surfen op het internet en belastende informatie te zoeken.

    Heb je ook maar een beetje wetenschapsfilosofie gehad? Snap je dan waarom het niets zegt als je iemand kan vinden die iets negatiefs roept? Dat is geen excuus om eigen onderzoek te laten lopen, Maria.

    Antoinette

  39. maria schreef:

    Avatar van maria
    Zoals je aan mijn bijdrage hierboven kunt zien, ga ik in op Cliteurs bijdrage over Edmund Burke in "Moreel Esperanto".
    Ik vind het wel erg interessant dat veel andere intellectuelen, ook veel Leidse wetenschappers, net zo over Cliteur c.s. denken als ik.

  40. Ward Dhuyvetter schreef:

    Avatar van Ward Dhuyvetter
    Onze moraal ís zowiezo gescheiden, in die van het mannelijk geslacht, en die van het vrouwelijk geslacht.
    Keuze heb je dan nog altijd genoeg: of je religieus bent, een geloof aanhangt, of vrijzinnig bent….

Leave a Reply



Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief