Wetenschap Kunst Politiek

Waar ik nu ben (raadsel)

13 comments

Kennst du das Land, wo die Zitronen blühn,
Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn,
Ein sanfter Wind vom blauen Himmel weht,
Die Myrte still und hoch der Lorbeer steht,
Kennst du es wohl?

Memento Mori

7 comments

Een van mijn lievelingsthema’s is de barokke wereld van de wonderkamers en -kabinetten.
De elementen van spiegel, paradox, zelfkennis, vanitas en memento mori zijn hoogst belangrijk in de surreële wereld van de wonderkamers.

hainhofer wonderkabinet

Een kunst/wonder-kabinet dat veel betekent voor mij is het kabinet dat Philipp Hainhofer heeft gemaakt voor de Zweedse koning Gustav II Adolf.
Ik heb lang in de Zweedse Universiteitsstad Uppsala gewoond, waar dit kabinet staat.

Het kabinet is een afbeelding van de maker Philipp Hainhofer zelf en ook van zijn sociale omgeving. De visie op mens en wereld die in dit kabinet wordt uitgedrukt komt vanuit een mystisch en vrouwvriendelijk Lutheranisme.
Verder heeft het Hainhofer- kabinet multipele functies: artistieke, praktische, wetenschappelijk, contemplatieve, religieuze, politieke en onderhoudende.

Hainhofer heeft zijn kabinet met een zeer groot persoonlijk en financieel risico gebouwd. Hij wist niet van tevoren of en aan wie hij zou kunnen verkopen. Hainhofers kabinet was niet gemaakt voor de markt, en verschilt daarom ook sterk van andere, latere kunstkabinetten die vaak een veel oppervlakkiger karakter hebben, en die de representatieve functie beklemtonen ten koste van de contemplatieve, en veel minder vergen van de beschouwer.

In het Rijksmuseum in Amsterdam staat ook een Hainhofer-kabinet, een kleinere versie. Hainhofer onderhield trouwens veel relaties met Holland, hij was een bewonderaar van de ars memoriae –specialist Lambert Schenkel, en hij kocht veel van zijn naturalia van de Hollander Peter Ludwig uit Amsterdam.
.
De kunstkabinetten zijn een bewuste uitdrukking van een Memento Mori en van een Horror Vacui.

Advocaten, slachtoffers en daders

34 comments

Bram Moszkowicz waant zich – of is – het slachtoffer van een complot.
Is Moszkowicz getransformeerd van advocaat tot slachtoffer?

Gisteren heb ik Kafka’s Proces gebruikt om Moszkowicz onder het perspectief van advocaat Huld uit Het Proces te belichten. Vandaag iets over Josef K. uit het Proces: is hij alleen maar slachtoffer van het systeem, of is hij ook dader?

Heel wat merkwaardige lieden hebben zich in de loop van de geschiedenis als slachtoffers beschouwd. Fortuyns moordenaar Volkert liet weten in het gevangenis Kafka’s Proces te lezen.

Josef K. in ieder geval is geen geheel onschuldig slachtoffer.

Het proces dat K. aangedaan wordt is namelijk in het begin absurd en ook vrij onschuldig. Het gebeurt K. niets, behalve dat twee bewakers hem zijn ontbijt wegvreten. Het proces tegen hem blijft eigenlijk zonder gevolgen, en het wordt ook meerdere keren gesteld, dat zo’n proces helemaal niet erg is.

K.s ondergang is sterk door hemzelf geënsceneerd. Omdat hij per se wil bewijzen dat hij onschuldig is (wat gezien het diffuse en existentiële karakter van het proces tegen hem onmogelijk is- hoe kan hij bewijzen dat hij onschuldig is, als hij niet weet wat hem verweten wordt ?) laat hij zich van zijn oom en de advocaat me trekken in een uitzichtloze (maar eigenlijk onnodige) verdediging.

K. is zelf een autoritaire en harde figuur. Dat wordt zeer duidelijk in de scène waar zijn bewakers onschuldig worden afgeranseld, en K. er niets tegen onderneemt. Hij haalt geen hulp, hoewel hij weet dat de afranseling onterecht is en de twee bewakers de ranselaar zonder bescherming zijn uitgeleverd. K. vindt alleen dat de afgeranselden zich beter zouden moeten beheersen en geeft zelf een van de slachtoffers die hem om hulp smeekt nog een duw.

K. gedraagt zich hier net zo als de passieve en medeschuldige toeschouwer in Kafka’s vreselijke ( en vreselijk belangrijke) Strafkolonie .

Uiteindelijk loopt K. ook geheel vrijwillig mee naar zijn terechtstelling. Hij wordt niet onder dwang afgehaald, hij loopt graag mee.


Josef K. is zowel slachtoffer alsook dader.


 

De dood, toneel en Don Quichot

17 comments

Al in de voorrede van Cervantes’ Don Quichot komt de macht van de dood ter sprake. De oden van Horatius worden aangehaald :
“Pallida mors aequo pulsat pede pauperum terbernas,
Regumque turres.”
(De bleke dood komt in de huisjes van armen net zo als in de kastelen van de rijken) .

Hans Holbein laat op zijn dodendanstekeningen zien dat de dood alle leeftijden en maatschappelijke standen bedreigt.

In het tweede boek van Don Quichot komen Don Quichot en Sancho een kar tegen “beladen met de uiteenlopendste en vreemdste personages en gedaanten die men zich kan voorstellen. De man die de muildieren leidde en als voerman dienstdeed was een afstotende duivel. De kar was open en had geen huif of rieten zijschotten. De eerste gedaante die zich aan Don Quichots ogen voordeed, was die van de Dood zelf met een mensengezicht, naast de dood zat een engel met een paar grote beschilderde vleugels; aan de andere kant zat een keizer met een zo te zien gouden kroon op zijn hoofd; aan de voeten van de Dood zat de god die zij Cupido nemen, zonder blinddoek voor zijn ogen maar met zijn boog, koker en pijlen. Er was ook een ridder die van top tot teen was gestoken in wapenstukken, behalve dat hij geen stormhoed of andere helm op zjn hoofd had, maar een hoed van bonte pluimen; en behalve zij waren er nog anderen met verschillende gewaden en maskers. […]
De voerman liet stoppen en zei: “Heer we zijn spelers van de toneelgroep Angulo de Boze, we hebben vanmorgen […] De hofhouding van de Dood gespeeld.” (2, 11)

In het volgende hoofdstuk beschrijft Don Quichot zijn theorie van toneel en dood :
“[Sancho, ik wil dat je het toneelstuk zelf welwillend bejegent] , en dientengevolge ook degenen die ze spelen en schrijven, want het zijn stuk voor stuk werktuigen die het gemenebest een groot goed bewijzen door ons alsmaar een spiegel voor te houden waarin het doen en laten in het menselijk bestaan levensecht te zien is, en er is gen vergelijking die getrouwer uitdrukt wat wij zijn en behoren te zijn dan een toneelstuk en zijn spelers. […] De een speelt voor pooier, de ander voor bedrieger, die is koopman, die soldaat, weer een ander de slimme zot […] maar al het stuk uit is en zij ontdoen zich van hun toneelkleren, zijn alle spelers gelijk. […] Hetzelfde gebeurt in het toneelstuk in de handel en wandel op deze wereld, waarin sommigen voor keizer spelen, anderen voor paus, alle rollen alle rollen die in een stuk voorkomen, maar kom je aan het einde, dus wanneer het leven ophoudt, dan ontneemt de dood iedereen de kleren die hen daarvoor onderscheidden en liggen zij als gelijken in hun graf.”

.

Beeldenstorm

12 comments

De beeldenstorm is een zaak die ons Duitsers nooit heeft bevallen, en markeert de culturele scheidslijn tussen Duitsland en Nederland. Het Duitse protestantisme, het Lutherdom, keerde zich – terecht – tegen een beeldenstorm.

Een zeer mooi verhaal uit de Duitse literatuur, waar de destructiviteit van de beeldenstrom en de overwinning van de beeldenstorm door de kunst tot thema wordt is Heinrich van Kleists Die heilige Cäcilie oder Die Gewalt der Musik.

Die Macht van de muziek en de kunst- daar vertrouw ik ook op.

Ik ben een fan van Don Quichot. Don Quichot is ook in bepaalde zin een beeldenstormer. Hij kijkt naar een poppenspel met Morenpoppen:

“Toen Don Quichot zo veel Moren zag en zoveel kabaal hoorde leek het hem juist de vluchtenden te hulp te komen […] en de daad bij het woord voegend, trok hij zijn zwaard, stond met één sprong voor de poppenkast en liet met overhaaste en nooit vertoonde woede slagen regenen op de Moorse poppen. […] Meester Pedro zette een keel op en zei: “Stop, stop heer Don Quichot, kijk toch: wat u neerslaat, vermorzelt en doodt zijn geen echte Moren maar figuurtjes van bordpapier.” ( deel 2, hoofdstuk 26)

Maar toch is Don Quichot is geen kunstvijandige beeldenstormer. Hij is een kunstliefhebber, die de kunst (soms te) serieus neemt. Hij komt ook uiteindelijk tot een faire verzoening met de poppenspeler, die door hem wordt betaald voor de kapot gemaakte poppen.

 

Erich Fromm en Heinz Brandt: het humanistisch socialisme

23 comments
Erich Fromm heeft het voorwoord in het boek van mijn oom (de Auschwitzoverlevende joodse pacifist en Duitse politicus) Heinz Brandt geschreven, Ein Traum, der nicht entführbar ist (te leen in de KB). Ik vertaal delen van dit voorwoord van Erich Fromm hier in het Nederlands weergeven :“Geschiedenis wordt geschreven door de overwinnaars. Maar soms gebeurt het dat men zich herinnert aan de verliezers en dat men het toestaat dat zij hun historische pek innemen. Het gebeurt meestal pas als hun ideeën erkenning vinden. Dat kan vaak lang duren. Maar het meest gebruikelijk is, dat de gedachten van de slachtoffers niet meer herinnerd worden.
De grote betekenis van het boek van Heinz Brandt ligt erin dat het door een slachtoffer is geschreven, maar door een man wiens nederlaag zijn geloof niet heeft kunnen verstoren, wiens overtuigingen niet van twijfels werden uitgehold, die de geschiedschrijving van de overwinnaar niet heeft geaccepteerd en niet is getransformeerd in een cynicusIn juni 1961 was Heinz Brandt, socialist en redacteur van de Westduitse vakbondskrant “Metall” op bezoek in Berlijn voor een conferentie. Plotseling was hij verdwenen. De volgende dag meldde de SED-pers dat hij was gearresteerd bij de uitvoering van een spionageopdracht in Oost-Berlijn.
Maar bij kennissen van Brandt heerste geen enkele twijfel over het (later bewezen) feit dat de agenten van Ulbrichts SSD Brandt in West-Berlijn hadden gekidnapt.


Een jaar later werd Brandt in de DDR in een geheim proces veroordeeld tot dertien jaar gevangenis.
In mei 1964 werd Brandt vrijgelaten, na aanhoudende protesten van de internationale gemeenschap, van Amnesty International, en van Bertrand Russell persoonlijk.
Brandts politieke autobiografie vertelt onder andere over zijn tijd in het DDR-gevangenis – en daarvoor in Auschwitz- , maar ook over Brandts engagement in een groep van socialisten en communisten, allemaal geboren voor de Eerste Wereldoorlog, die de Russische revolutie en de machtsovername van Stalin en Hitler hebben meegemaakt, en die nooit het vervalste socialisme van links en rechts hebben geaccepteerd, en daarom in oppositie tot zowel Stalin alsook Hitler stonden.Deze generatie socialisten is inmiddels bijna vergeten. De meeste van hen werden geliquideerd. Wereldwijd heerst nu een liberaal-capitalistisch cymisme.”Dit schreef Fromm in de jaren ’70- maar het cynisme is sindsdien nauwelijks minder geworden.

Links antisemitisme

12 comments

Antisemitisme is niet alleen in rechtse kringen te vinden, maar ook in linkse/ anarchistische kringen. Antisemitisme is bovendien zelfs ook onder joden en onder zionisten te vinden.

 

Het is belangrijk om te begrijpen dat antisemitisme niet altijd biologisch-racistisch is van aard. Invloedrijke Duitse antisemieten zoals de Berlijnse dominee Adolf Stoecker en de Berlijnse historicus Heinrich von Treitschke (“Die Juden sind unser Unglück!”) hebben niet vanuit een “ras”-argumentatie geagiteerd – wat hun invloed alleen maar groter heeft gemaakt.

De jodenhaat in de 19e eeuw had veel te maken met sociale afgunst, en had veel te maken met de opwaartse sociale mobiliteit van de joden. In 1780 leefden nog 9 van 10 joden in Duitsland in armoede, maar aan het einde van de 19e eeuw behoorden veel joden tot de beter gesitueerde burgers, en hadden belangrijke posities in economie en wetenschap (Berding, Moderner Antisemitismus, p. 38) De Duitse historicus en antisemitisme-deskundige Helmut Berding, ( die ook mijn onderzoek goedkeurend heeft gelezen en me hierover heeft geschreven) schrijft, dat in Duitsland de sociaal-democraten de grootste tegenstanders waren van het antisemitisme, maar dat de communistische partij tot een opportunistisch antisemitisme werd verleid: “Tretet die Judenkapitalisten nieder, hängt sie an die Laterne, zertrampelt sie.” (p.220)

Mijn joodse oom Heinz Brandt, Auschwitz-overlevende en later DDR- gevangene, schrijft in zijn boek Ein Traum, der nicht entführbar ist (Engels: The third way) over het antisemitisme onder Stalin. Corinne de Vries heeft in de Volkskrant verslag gedaan van Stalins terreur in Birobidzjan. Jiddische scholen, synagogen, bibliotheken, theaters en media werden gesloten of vernietigd. De politieke en culturele elite verdween in de kampen of werd doodgeschoten ( 18-6-2005).
Heinz Brandt vertelt ook over het antisemitisme in het DDR-partijbureau. Men verordende een speciale behandeling voor joodse medewerkers. Men vond dat de joden uit kleinburgerlijke kringen kwamen en veel verwanten en bekenden hadden in het Westen;  dus een “Unsicherheitsfaktor” waren.

Bij communisten en partijbureau vindt men een sterke samenhang tussen bourgeoisiekritiek en antisemitisme.
De joodse filosoof Walter Benjamin zag de samenhang tussen bourgeoisiekritiek en antisemitisme ook bij Hitler. Hij zei dat het nationaal-socialisme het antisemitisme nodig had om kunstmatig een houding te creëren, die eigenlijk de houding van de onderdrukten tegenover de onderdrukkers was. Een kwaadaardige karikatuur van een echte revolutie.

De Duitse historica Dorothea Hauser heeft de samenhang tussen het denken van de terroristische RAF en de Ex-RAF-er en antisemiet Horst Mahler aangetoond.
Bovendien laat zij zien hoe manipulatief de RAF zich van „Auschwitz“ heeft bedienend: de RAF-ers zagen hun gevangenis als concentratiecamp, en spraken van Stammheim als “Endlösung”. ( Dorothea Hauser, Rechte Leute von links? Die RAF und das deutsche Volk, In: Zur Vorstellung des Terrors, Die RAF, Bd. 2, S. 136, 137.)

Geen toeval dat veel RAFers een onderkomen vonden in de DDR.

 

Zelfdoding, vervolging en onderdrukking

8 comments

Veel joden hebben zich het leven genomen tijdens en na de oorlog. Dit thema is actueel in verband met Primo Levi, over wie ik de laatste dagen in mijn blog heb geschreven.
Ik heb in verband met mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek naar het DDR-toneelstuk Passage van de schrijver Christoph Hein ook een uitvoerig hoofdstuk geschreven over de zelfmoord in de literatuur
– en in de werkelijkheid.
Het stuk Passage gaat over de dood van de jood en filosoof Walter Benjamin ( auteur van het Passagen-Werk, dat de naam aan het Leidse project heeft gegeven) . Walter Benjamins zelfmoord wordt in Passage beschreven as de daad van een laffe loser.
Ik heb beschreven dat dit typisch is voor de socialistisch-realistische literatuur, waar de zelfmoord altijd streng moreel wordt veroordeeld.

Walter Benjamin zelf noemde de zelfmoord de “essentie van de moderne”. Het stuk Passage is het eens met deze these- maar wijst, als een klassiek socialistisch-realistisch stuk, de moderne af.
De Duitse literatuurwetenschapper Michael Rohrwasser is gespecialiseerd op de zelfmoord in de socialistische literatuur. Hij schrijft, dat het socialisme losers, zelfmoordenaars en systeemcritici onder en noemer sorteert. Zelfmoordenaars zijn in de socialistisch-realistische literatuur symboolfiguren die laten zien hoe het niet moet. Als daad op zich wordt de zelfmoord van de klassenvijand positief gezien na het motto: “Het beest heeft zich zelf vermoord- gezegend zij de dag!”

Een dergelijke (positieve of negatieve) politieke waardering van de zelfmoord is niet alleen in de socialistische literatuur te vinden: Amerikaanse functionarissen noemden die de drievoudige zelfmoord van gevangenen op Guantanamo Bay ‘een daad van oorlogsvoering’ tegen de VS en ‘een grote PR-stunt’ ( de Volkskrant, 6-6-2006)

Het omgaan met de zelfmoord is ook een belangrijk thema in de fascisme-parabel Bint (1934) van Ferdinand Bordewijk. De zelfmoord van de scholier Van Beek wordt de fascistoïde rector Bint ten slotte fataal:

„Hij [de leraar] dacht aan Van Beek. Over deze was niet meer gepraat. Hij zag de nerveuze zwakkeling duidelijk vóór zich. Een kerel was dat nooit geworden. Het was merkwaardig dat er zo weinig over hem was gesproken. Een zelfmoord, een oproer waren toch gebeurtenissen. Maar Bint had een manier om praten, denken zelfs, te verbieden. Hij elimineerde zelfmoord en oproer, nu de school er geen rekening meer mee had te houden. Het werd doodgezwegen. Het hoorde bij zijn systeem. Naar het systeem telde niet het individu, opdat individuen geteeld werden uit het systeem.“

 

De moraal van Primo Levi: humor en speelsheid

20 comments

Primo Levi is bekend als literaire getuige van de Holocaust. Maar hij is meer dan een getuige; zijn werk bevat een impliciete en expliciete moraal, die beschreven werd door de literatuurkundige Robert S.C. Gordon (Primo Levi’s ordinary virtues). Recentelijk heeft de Leidse Cleveringahoogleraar Kees Schuyt de moraal van Primo Levi als uitgangspunt genomen voor een alternatief model van deugden, dat een moderne en onheroïsche vorm van het klassieke deugdenideal wil zin.
Helena vroeg gisteren verrast naar het deugdenmodel van Levi. Zij verwees naar het Levi’s boek Is dit een mens. Een belangrijk gedicht uit dit boek geeft aan, dat het Levi hier om veel meer gaat dan om over de Holocaust te getuigen. Hij vraagt naar het wezen van de mens:

Is dit een mens

Gij die veilig leeft
In uw beschutte huizen,
Gij die ’s avonds thuiskomt
Bij warme spijs en dierbare gezichten:
Bedenkt of dit een man is
Die werkt in de modder
Die geen vrede kent
Die vecht om een stuk brood
Die sterft om een ja of een nee.
Bedenkt of dit een vrouw is
Zonder haar en zonder naam
Zonder herinnering aan wat was
Met lege ogen en koude schoot
Als een kikvors in de winter.[…]

Levi is een moralist. Hij observeert, analyseert en beoordeelt menselijk gedrag. Hij probeert de Holocaust een onderdeel te maken van de manier hoe wij allemaal tegen de mens aan moeten kijken. Daarbij blijft Levi ( tenminste in eerste instantie, hij heeft later veel pessimistischere teksten gepubliceerd) een liberale, verlichte humanist.

Kees Schuyt vat het door Gordon bij Levi gevonden systeem van deugden samen als volgt:

“Allereerst zijn er vier ethische deugden: goed kijken en nauwkeurig observeren,bijvoorbeeld hoe de Duitsers de taal verkrachtten, waardoor ze hun onschuldige gevangenen vernederden en waardoor het geweld jegens medemensen minder remmingen ondervond.

De tweede deugd sluit hierbij aan: zorgvuldig en precies taalgebruik, weten wanneer je moet zwijgen en wanneer je iets moet zeggen (dit is niet hetzelfde als politiek correct taalgebruik). Taal is wezenlijk voor iemands identiteit. Slordige en vuile taal beledigt en maakt de weg vrij voor geweld.

Herinneren en ervaringen vastleggen in het geheugen is de derde moderne deugd. Primo Levi wilde getuigenis afleggen van de barbarij die hij en miljoenen anderen moesten meemaken. Een samenleving die haar geheugen kwijt is geraakt of er geen belang meer in stelt, wordt hard en onmenselijk.

De vierde ethische deugd is vindingrijkheid, de mogelijkheid om slim om te gaan met wat je om je heen aantreft, weten waarvoor je gewone dingen ook anders kunt gebruiken, bijvoorbeeld een stuk ijzerdraad om je broek op te houden of weten hoe je enkele druppels water kunt veroveren uit een kapotte kraan.

De vier volgende, door Gordon helder beschreven en benoemde, deugden zijn vooral praktisch van aard: een gevoel voor maat en grens (dit beantwoordt nog het meest aan de klassieke Griekse deugd), een houding van ‘trial and error’, hetgeen neerkomt op het durven maken van fouten en er tegelijk van willen leren.

Vervolgens noemt Gordon ‘dingen in het juiste perspectief zien’, kritisch en opnieuw naar zaken durven kijken, niet overdrijven, niet minimaliseren, niet majoreren, niet moraliseren, maar realistisch de werkelijkheid onder ogen zien.

De laatste praktische deugd is creativiteit: zich flexibel en inventief kunnen aanpassen aan steeds weer wisselende omstandigheden. Een begin maken met iets, initiatief nemen en nieuw durven te beginnen aan iets. Scheppend ordenen. Hierin ontmoeten wetenschap en literatuur elkaar, de scheikundig onderzoeker en literator.

Daarna komen drie sociale deugden, die voor het sociale leven onontbeerlijk zijn: common sense, vriendschap en het vertellen van verhalen.

Common sense is meer dan gezond verstand en anders dan wat iedereen vindt. Het is een beroep doen op wat iedereen altijd al wist, omdat het bij de onmiskenbare eigenschappen van mens-zijn hoort. Het is ook het gevoel van gemeenschappelijkheid, ‘sense of the common’. Zo wordt vriendschap niet uit nut geboren, maar komt ze voort uit gemeenschappelijke ervaringen, uit samen dingen doen of ondergaan. Levi is de verteller bij uitstek, die niet ophoudt anderen wakker te houden, letterlijk in het kamp, figuurlijk na de oorlog.

‘Story telling’ is al vaker als een belangrijke vorm van overdracht van morele waarden beschouwd, maar bij Levi wordt het een levensfilosofie: ik vertel, dus wij bestaan. Het vertellen van een levensverhaal van elk gewoon mens schept een band en kent een plot die ons iets vertelt. Een sprookje boort de morele intelligentie van kinderen aan. Literaire verbeelding scherpt de morele sensitiviteit van volwassenen.

Twee onmisbare persoonlijke deugden sluiten de rij: humor en speelsheid. Met enige ironie naar jezelf kijken maakt vrij en spontaan plezier hebben in wat we met elkaar doen of wat we met elkaar uitspoken, geeft een bevrijding van alledaagse lasten.

Kortom, zo zegt Primo Levi in zijn gehele oeuvre, de verbetering van de onderlinge verstandhouding tussen mensen ligt niet besloten in de grootse en meeslepende daden en in de grote, oude deugden, maar in de dagelijkse oefening in kleine deugden. Iedereen die wil kan er in alle omstandigheden direct mee beginnen.”
(Steunberen van de samenleving, 2006, p 304 ff. )

Meest recente berichten