Wetenschap Kunst Politiek

Verhalen vertellen als een deugd/Kees Schuyt, Primo Levi, Walter Benjamin

14 comments

Fatsoenrakkers hechten grote waarde aan een klassieke deugdenethiek, met zware en heroïeke deugden zoals eer en moed.

Een veel aansprekender model heeft Kees Schuyt voorgesteld, in navolging van Robert S.C. Gordon en Primo Levi. (In: Steunberen van de samenleving) Deze alledaagse deugdenethiek van kleine deugden omvat bijvoorbeeld: goed kijken en observeren; zorgvuldig en precies taalgebruik; een gevoel voor maat en grens; vindingrijkheid; het durven maken van fouten; herinneren en ervaringen vastleggen; humor en speelsheid. Deze kleine deugden maken maatschappelijke kritiek mogelijk, maar bemoedigen, anders dan Kinnegings grote deugden, geen maatschappelijk polariserend gedrag.

Een van de door Robert Gordon en Primo Levi beschreven deugden is het vertellen. Ik weet niet of ik vind dat het nodig is het vertellen als een deugd op te poetsen, maar ik zal hier een paar van de gedachten van Gordon weergeven, belangrijk voor alle bloggers die ten slotte vertellers zijn. Gordon beroept zich in dit hoofdstuk over vertellen sterk op Walter Benjamin.

”Friends tell each other stories; by telling each other stories […] two interlocutors become friends. The ethics of friendship and the ethics of storytelling are deeply intertwined. In Primo Levi […] stories, real or invented[…] are his best defense against reductive generalization and over-simplification , and at the same time they foment his ethical inquiry, never stalling at the merely anecdotal. “
Walter Benjamin heeft ook de morele dimensies van het vertellen onderstreept, de verborgen moraal die in elk verhaal ligt.

Zijn er dan geen slechte verhalen? Ja wel: “A bad storyteller tells us much about storytelling, as figures such as Tristan Shandy or Boccaccio’s Madonna Oretta.” (Gordon, Robert S.C., Primo Levi’s ordinary virtues)

Verhalen vertellen is naar mijn mening alleen maar een deugd als er voldaan wordt aan een paar belangrijke criteria: openheid, kwetsbaarheid, complexiteit van mens- en wereldbeeld, en ook voldaan wordt aan de overige “kleine deugden” van Primo Levi, zoals humor en speelsheid.

Alfred Rosenberg en Nietzsche

13 comments

 

De  NSDAP -beleidsmaker  Alfred Rosenberg  is een van de nazi’s die Nietzsche (ten onrechte) als nazi beschouwden. Jaap Hagen schrijft in Nietzsches weerklank in Nazi-Duitsland:


“Nietzsche, stelt Rosenberg, was de Prometheus van zijn tijd. Centraal in zijn denken staat de vraag of grootheid tegenwoordig nog mogelijk is. Zijn fakkel doorlichtte de donkerste hoeken van zijn tijd. Een gevaarlijke fakkel, want hij dreigde met zijn analyse van vermolmde tradities ook de brug van het verleden naar de toekomst in brand te zetten. De ware betekenis van Nietzsches werk openbaarde zich pas n het verloop van de geschiedenis. Eerst de huidige tijd stelt de lezer in staat deze ‘wegwijzer ‘naar zijn verdiensten te waarderen. Nietzsche wist als Pruisisch soldaat in 1871 wat zijn plicht was. En als de grootste geest van zijn tijd wist hij ook dat alleen groot lijden grootheid kan vestigen. Een rangordening die zich baseert op ‘harde voorname persoonlijkheid’ moet het grootste in de mens weer mogelijk maken. Nietzsches herwaardering aller waarden richt zich tegen de klassenstrijd en de beurspiraten van het liberalisme. Tegenover een verhouding van werknemers en werkgevers plaatst Nietzsche de verhouding van soldaten tot de Führer. Eerder dan anderen voorzag hij een beslissende oorlog wereldbeschouwingen, waarin en strijd van leven op dood wordt aangegaan, tegen al het minderwaardige en gemeenschapsvreemde […] In de nieuwe levensrangordening, zo besluit Rosenberg, verhoudt Nietzsche zich tot het nationaalsocialisme als een ;nabije verwante’ en ‘geestelijke broeder’. “(p. 104 f.)

Rosenberg maakt naar mijn mening misbruik van Nietzsche.


Nietzsche was een filosoof van de kunst, niet van de politiek. Nietzsche haatte militarisme. Nietzsche verzette zich tegen het sociaaldarwinisme- het fundament van het nazisme. Nietzsche keerde zich tegen het antisemitisme.

 

Der Mythos des 20. Jahrhunderts “ “De mythe van de 20ste  eeuw”  is de titel het  boek dat Alfred Rosenberg  heeft geschreven en in 1930 heeft gepubliceerd (tekst in het Engels op internet te vinden op nazi-sites, dus geen link hier). Het  boek wordt ondertiteld  “Een evaluatie van de mentale en spirituele gevechten van onze tijd ” . Hitlers hoofd-ideoloog Rosenberg schetst een rassentheorie en verbindt  het idee van een “raciale ziel” en een “religie van het bloed”  tot een politieke en religieus concept.

Al in zijn jeugd was Rosenberg gefascineerd door de schrift “De fundamenten van de 19e eeuw” van Houston Stewart Chamberlain. Het werk heeft hem de betekenis van het zogenaamde “Joodse probleem ” duidelijk gemaakt. Rosenberg waarschuwde in december 1938 dat  de Joden zich erop voorbereiden  Europa “in een razernij te vernietigen”.

In de “Mythe” positioneert hij het  Jodendom  tegenover de ‘Noordse rassenziel “en polariseert beide beelden. De Joodse religie werd als duivels afgeschilderd en  de Noordse ras als drager van een nieuw soort van goddelijkheid.  Hitler  werkte met dezelfde techniek in zijn stellingen, de Ariërs waren “kinderen van God” en een Jood de “personificatie van de duivel” of zelfs de “tegenstander van de mensheid”. Jezus was na Rosenberg geen jood, maar een belichaming van het Nordische rassenziel. De basis van het denken van de Rosenberg is de antisemitische complottheorie.

 

De nazi’s vernietigden de werken en boeken van joodse kunstenaars en schrijvers, maar tegelijkertijd  bewaarde men boeken voor een  archief. In 1939 stichtte Rosenberg het Institut zur Erforschung der Judenfrage (instituut voor onderzoek naar de Joodse kwestie) . Een selectie van zowel wereldse als religieuze joodse boeken zouden in het archief van dit instituut hun plaats vinden. De speciaal daartoe onder Rosenbergs leiding opgezette Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg had tot doel de bibliotheken, de kunstgalerijen en verschillende bezittingen van Joodse herkomst te plunderen en het Instituut van materiaal te voorzien.

Onder de inbeslagnames van Rosenberg  bevonden zich ook de Sociatas Spinoziana in Den Haag en het Spinozahuis in Rijnsberg.

In 2012 verscheen een roman over Rosenberg en Spinoza: Yalom, Irvin D.: Het raadsel Spinoza, Uitgeverij Balans (2012), isbn 9789460033742.

—————————-

 

Roman over Rosenberg verschenen in 2012: Yalom, Irvin D.: Het raadsel Spinoza, Uitgeverij Balans (2012), isbn 9789460033742

www.passagenproject.com

Ilan Pappe over The ethnic cleansing of Palestine

93 comments

Op vrijdag middag sprak de Israëlische “new historian” Ilan Pappe aan de Universiteit van Amsterdam over The ethnic cleansing of Palestine . Dit is tevens de titel van zijn nieuwe boek, besproken ook in Cicero, de Volkskrant van vrijdag.

Stan van Houcke heeft zijn hele tape van de lezing van gisterenmiddag op zijn audioblog gezet! Je kunt het beluisteren onder de rubriek Lectures
of via: http://www.stanvanhoucke.net/audioblog/index.php

Van mijn vriendin Friduwih kreeg ik nog het volgende verslag van haar interview met Pappe ( het zal nog gepubliceerd worden in De Brug van SIVMO )

The making of The Ethnic Cleansing

De nieuwste publicatie van de Israëlische “new historian” Ilan Pappe, The ethnic cleansing of Palestine, levert opnieuw bewijs voor de verdrijving van de Palestijnse bevolking uit hun land in 1948. Op zaterdag 27 oktober, de internationale Holocaust memorial day, presenteerde Pappe zijn boek in de American Book Center in Amsterdam. De presentatie was tegelijk een oproep om in te grijpen in het beleid van Israël, want de verdrijving van de Palestijnen uit hun gebieden is niet een historische gebeurtenis maar een actueel feit, dat bovendien zowel ontkend als gerechtvaardigd wordt.

Ilan Pappe groeide op in Haifa, tussen de Arabieren zodat z’n van afkomst Duitse moeder was blij als hij ’s avonds heelhuids thuiskwam, in de tijd dat het een vanzelfsprekende waarheid was dat de Zionisten hun ‘Jewish home’ stichtten in een land zonder mensen. In de jaren 70 was deze geschied¬schrijving door de universiteiten intelligenter uitgewerkt en studenten leerden een geschiedenis zonder Palestijnen. Op het moment dat Pappe moest afstuderen, ging juist een archief over 1948 open en een Arabische professor raadde hem aan deze nieuwe documenten te bestuderen. Met zijn collega’s, de historicus Benny Morris en de journalist Tom Segev, en rende Ilan Pappe in een horde historici op de archieven af – maar geen Palestijnse historicus was geïnteresseerd. De nieuwe documenten doorkruisten ieder ander archief, dat van Engeland, van de Verenigde Naties, van Israël en zovoorst, wat eerst een professionele schok was en pas later een morele schok. Immers het beeld heerste van de hoge morele standaard van Israël, een mythe geboren in de Israëlisch-Arabische oorlog van 1848. De Deir Yasin Massacre in Palestina in 1948, waar de Irgun Zvai Leumi en de Stern Gang troepen de 254 Palestijns-Arabische inwoners van het dorp Deir Yasin, mannen, vrouwen en kinderen, systematisch doodden, was erkend maar toegeschreven aan extreem-rechtse Joden. Dat er veel bloedbaden geweest waren, was onbekend.

In ’89 vroeg de Israëlische televisie Pappe’s advies over een geschiedenisserie en veel waarheden zijn toen onderuitgehaald. In de erop volgende jaren, midden in het vredesproces, stond het historisch establishment en het publiek opener voor de ‘new historians’ die gevraagd werden zich uit te spreken voor krant en tv. Maar vanaf ’94, door het mislukken van de vredesonderhandelingen, door de voorzichtigheid van de ‘new historians’ die de om te mogen blijven doorpraten de helft van de waarheid vertelden, wat later ineffectief bleek, en doordat er weer nieuwe documenten opengingen, heeft de openheid van Israël voor andere geschiedenissen dan de zionistische lezing, maar kort geduurd. En gezien de agressie waarmee wetenschappelijke kritiek, laat staan politieke en morele, wordt bejegend, is het buitengewoon dapper dat Ilan Pappe The ethnic cleansing na het opengaan van de politieke archieven en de militaire- en veiligheidsarchieven – de eerst na 30, de laatste pas na 50 jaar – heeft herschreven.

1948, over dit jaar gaat het boek, moest wel een cruciaal gezichtspunt zijn, zegt Pappe, immers Israël noemt het ‘t beste jaar van hun hele geschiedenis, de Palestijnen noemen het ’t slechtste jaar van hun geschiedenis en de VN slagen er niet in om probleem van de ’48-vluchtelingen op te lossen. De nieuwe documenten toonden niet alleen méér misdaden en bloedbaden, wat een gradueel verschil maakt in de geschiedschrijving, maar een gedetailleerde planning van de misdaden tegen de Palestijnse bevolking, wat onherroepelijk leidt tot een radicaal verschil in de geschiedenisinterpretatie. Het gaat nu beslist niet meer om een Nakba, wat ramp betekent, iets onvermijdelijks en ongericht, maar om een ethische zuivering. Dit is een moreel, politiek en historisch concept, dat betekent dat één etnische groep de misdaad bedenkt en uitvoert tegen een andere etnische groep, ongeacht de wijze waarop de zuivering bereikt wordt, zelfs als het middel het scheppen van een atmosfeer van angst is, is er sprake van etnische zuivering.

Omdat de VN etnische zuivering veroordeeld als een misdaad is Pappe bij het herschrijven van het boek op zoek gegaan naar de daders. Hij vond er elf, die allen beschouwd worden als Israëls helden. Deze groep ontwierp een plan dat zij langzaam omzetten in commando’s en dat na het afwijzen van het Partition Plan van de VN in ’47, resulteerde in het met de grond gelijk maken van elf steden en ruim vijfhonderd dorpen, door jonge Israëlische soldaten, en met de een dieptragisch einde toen in oktober ’48 de troepen Galilea in het noorden bereikten, waar de Palestijnen wisten wat er zou gaan gebeuren en, zonder wapens, terugvochten. Pappe is terughoudend in het beschrijven van wreedheden, die onbeschrijflijk zijn; de Palestijnse documenten en de oral history leveren overtuigend bewijs en de Israëlische rapporten onthullen niets, als was het, zegt Pappe, om de Palestijnen te waarschuwen dat als toch niemand het ziet, ze net zo goed niets kunnen doen.

Het volgende deel van het boek gaat over de reactie van de internationale gemeenschap. Het Rode Kruis, Engeland, Amerika en de VN wisten van de misdaad, maar herinnerden zich op tijd de Holocaust en grepen niet in. Het zionisme is een uiterst taaie ideologie: een joodse staat kan niet bestaan met Palestijnen. De zogenaamde liberal-zionists stellen voor om Israël kleiner te maken zodat er minder Arabieren wonen. En omdat Israël in voortdurend gevaar zou zijn, is dit niet het moment om je druk te maken over burgerrechten, mensenrechten en politieke rechten. In de jaren 70 paste Israël zijn etnische zuiveringsstrategie aan opdat deze door kan gaan tot op heden. Routines werden opgezet om het leven in de Palestijnse gebieden langzamerhand onmogelijk te maken – het langzame stap voor stap inbedden van gebruiken zodat ze organisch gegroeid lijken en hun onrechtmatigheid ons niet opvalt, is iets waar Pappe steeds op wijst – zoals het plaatsen van wegversperringen lang voor de eerste zelfmoordterrorist. In Gaza wordt voortzetten van hetzelfde beleid zelfs betitelt als vredesproces, ex-premier Sharon won bijna de Nobelprijs voor de vrede door Gaza in een gevangenis. Wat Europa kan en moet doen is zeggen: “Wij hebben onder ogen gezien wat we de Joden deden; jullie moeten onder ogen zien wat je doet met de Palestijnen.”

De Burke Stichting en het nazisme

24 comments

Qabouter vindt dat ik niet zo lichtzinnig een verband mag leggen tussen het nazisme en Wilders, en het nazisme en de Burke Stichting.
Ik begin zelf nooit over het nazisme, of over Hitler, ik vind dat namelijk smakeloos, en ik ben niet – HELEMAAL NIET ! – van mening dat de Burkianen of Wilders de nieuwe Hitlers zijn.

Maar ik permiteer het me wél over het nazisme te beginnen als bepaalde lieden ZELF over het nazisme beginnen. De Burke Stichting doet dit op veel manieren, niet alleen maar door zich achter het gedachtegoed van de nazi en antisemiet Carl Schmitt te stellen.

Bart Jan Spruyt vergelijkt de huidige tijd met het nazi –tijdperk, waarbij volgens hem de correcte vergelijking is: moslims = Hitler: “Hitler maakte in de jaren dertig misbruik van ‘de deur van Weimar’ om die om te vormen tot ‘een triomfboog van zijn intocht’ (Carl Schmitt). Hoe kunnen wij voorkomen dat ‘de poort van het Binnenhof’ wordt gebruikt tot een ‘triomfboog’ van de politieke theologie van de islam, die zal leiden tot een opheffing van veel van wat ons dierbaar is? Hoe kunnen wij de toekomst van de stad, van onze politieke gemeenschap, veilig stellen?” (Trouw 20-10-2004; vergelijk ook de opmeringen van Peter Louter)
Het is wel heel erg wrang, dat Bart Jan Spruyt, zelf een uitgesproken aanhanger van de nazi en antisemiet Carl Schmitt, Schmitts naam gebruikt om de moslims als de nieuwe nazi’s te kunnen neerzetten (en bovendien de verkeerde indruk probeert te wekken dat Schmitt een criticus en niet een belangrijke intellectuele steun van Hitler was!) . Kees Schuyt: “Het lijkt me een tour de force om de antidemocraat Schmitt als gids te nemen om de liberale democratie te redden, zoals Spruyt voorstelt.” (Democratische deugden, p. 19)

Voor Ellian, Cliteur c.s. zijn de moslims en hun nog gevaarlijkere vrienden, de multiculturalisten, de nieuwe nazi’s . Maar het is belangrijk niet uit het oog te verliezen dat ook de neoconservatieve islamofobie parallellen vertoont met de historische jodenhaat. Cliteur baseert zich bijvoorbeeld expliciet op de filoloog Ernest Renan, die de ongelijkheid van de rassen en de noodzakelijke overheersing van velen door enkelen als het vanzelfsprekend bewijs van een antidemocratische wet van natuur en samenleving zag en de Semitische ras (dus moslims en joden!) als minderwaardig beschouwde.

Ook de Trouw-columnist en Leidse docent Willem Breedveld ziet de analogie van bepaalde antisemitische denkpatronen en het harde anti-islamisme van Geert Wilders: ”Deze Wilders is levensgevaarlijk. Hij is er heilig van overtuigd dat alle ellende in deze wereld herleidbaar is tot de islam. Dat betekent dat hij achter alle problemen, variërend van het mondiale milieuprobleem tot de files in dit land, vrijwel automatisch de hand vermoedt van de islam en zijn miljoenen volgelingen.
Kortom, Wilders gelooft in een complot, in een wereldwijde samenzwering van islamieten tegen de rest van de wereld. Dit ligt in dezelfde lijn als het geloof waarmee de nazi’s de joden en het jodendom brandmerkten als de oorzaak van alle ellende, met als logisch sluitstuk de vernietiging van alle joden. Zover zal Wilders niet willen gaan, maar het is wel de uiteindelijke consequentie van zijn complotdenken. Daarom verdient hij voor alles ontmaskering en wat mij betreft wordt hij daarna volkomen genegeerd.” (Trouw 20-10-2004)

Paul Cliteur heeft het in zijn boeken veel over de nazi’s en de joden. Hij schrijft bijvoorbeeld over de monocultuur waar wij volgens hem naar moeten streven, en zegt in dat verband het volgende over het Duitse Derde Rijk:
“[…] ook het Duitse Derde Rijk was een multiculturele samenleving. Zelfs wanneer de poging om de cultuur van joden, zigeuners en homoseksuelen te elimineren uit Duitsland gelukt was, dan was het nog geen monocultuur geworden. […] De monoculturele droom is dus in zijn radicaalste vorm een illusie.” (Moderne Papoea’s , p 17)
Cliteur zegt: “elimineren uit Duitsland”. Maar het was: vermoorden. Cliteur geeft dus eigenlijk toe dat de nazi’s een monocultuur hebben nagestreefd en dat in het kader van dit streven een paar (of waren het miljoenen?) mensen gesneuveld zijn. Cliteur denkt dat hijzelf zich fundamenteel van de nazi’s onderscheidt, omdat hij niet de onrealistische droom van de totale monocultuur aanhangt. En zeker, daar ligt een bepaald verschil tussen hem en de nazi’s . Maar vergeet niet, dat de nazi’s ondanks hun waanzinnige ideeën altijd ook zeer praktisch en rationeel waren, en op elk moment alleen datgene hebben gedaan, wat politiek en praktisch uitvoerbaar was. Ze hebben bijvoorbeeld altijd een stapje terug gedaan wat het antisemitisme betrof, toen zij op echte weerstand zijn gestoten (zie hiervoor Helmut Berding, Antisemitismus in Deutschland) .
Het streven naar een monocultuur was bij de nazi’s niet statisch, maar dynamisch; ze hebben gekeken hoe ver ze kunnen gaan.
Mijn stelling is, dat elk streven naar een monocultuur levensgevaarlijk is, en dat de monoculturalisten geconfronteerd, dus begrensd moeten worden, met alle democratische middelen.

De moraal van de nazi’s : antwoord op de Schmitt-apologeten (1)

14 comments

Astroloog : “Maar wie hem [Schmitt] volledig leest ontdekt ook dat hij een intelligente, serieuze man was (vijand van ‘de lolbroek’), die in de nazi-ideologie ‘het goede’ meende te ontdekken, omdat die ideologie de schone schijn afwees.”
De nazi’s hadden bijna allemaal goede bedoelingen. Dat is toch juist het probleem! Het is niet zo als men vaak denkt, dat de nazi’s geen moraal hadden. Een zeer belangrijk boek in de context van het thema Het cynisme van Goed en Kwaad is Claudia Koonz The Nazi Conscience ( 2003) . Koonz laat zien dat de nazi’s , anders dan vaak wordt gedacht, niet gewetenloos waren, en zelfs nadrukkelijk moreel hebben geargumenteerd. Alleen: hun moraal gold allen voor degenen die zij als “vriend” hadden gedefinieerd. Voor de “vijand”gold deze moraal niet. Geert Wilders, die door de Burkianen direct en indirect wordt gesteund, en die via Bart Jan Spruyt sterk door Carl Schmitt is geïnspireerd, wil inmiddels ook het grondwettelijke gelijkheidbeginsel opgeven. Moslims kunnen nu, als het aan hem ligt, niet meer op gelijke rechten rekenen. Tegelijkertijd bedient Wilders zich, net als de Burkianen, van een zwaar moreel discours.
De vijand van Carl Schmitt was, zoals Kees Schuyt in zijn Cleveringa-oratie 2006 helemaal terecht zegt, de vijand uit Hitlers Mein Kampf: “Het vriend-vijanddenken werd tot het uiterste aangescherpt door de nationaal-socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt die in1932 de legale machtsovername juridisch voorbereidde en legitimeerde […] . Scherpe tegenstellingen vormen het wezen van de politiek, beweerde Schmitt, en de vijand die een existentiële bedreiging van het eigen ik vormde moest met alle geweld bestreden worden. De theoretische vijand in zijn rechtsleer was de eeuwige vijand uit Hitlers Mein Kampf” (p. 16, vaste link).
Vergeefs zoekt men bij de Burke-moralisten naar een reflectie over de kwestie dat veel moordenaars (bijvoorbeeld vele nazi’s en communisten) een prima huwelijk en gezin hadden en graag uitgebreide speeches gaven over MORAAL, vooral de moraal van HET GEZIN. Kinneging hecht grote waarde aan een klassieke deugdenethiek, met zware en heroïeke deugden zoals eer en moed. Een veel aansprekender model heeft de Burke –tegenstander en Leidse Cleveringa-hoogleraar Kees Schuyt voorgesteld, in navolging van Robert S.C. Gordon en Primo Levi.( In: De steunberen van de samenleving) Deze alledaagse deugdenethiek van kleine deugden omvat bijvoorbeeld: goed kijken en observeren; zorgvuldig en precies taalgebruik; een gevoel voor maat en grens; vindingrijkheid; het durven maken van fouten; herinneren en ervaringen vastleggen; humor en speelsheid. Deze kleine deugden maken maatschappelijke kritiek mogelijk, maar bemoedigen, anders dan Kinnegings grote deugden en Carl Schmitts grote woorden, geen maatschappelijk polariserend gedrag.

Carl Schmitt en het gedachtegoed van de Leidse Burkianen

25 comments

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de Burke Stichting is om verschillende redenen zeer belangrijk. Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn oratie. [1] Cliteur en Ellian bespreken Schmitt uitvoerig in Encyclopedie van de rechtswetenschap deel 1 ( 2006) .

Op de website van de Edmund Burke Stichting staat over Carl Schmitt:
“ Schmitt was een briljant en controversieel jurist, één van de meest invloedrijke Duitse politieke denkers. Zijn radicale en systematische kritiek van liberaal-democratische idealen is nog steeds hoogst relevant. Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus geeft een haarscherpe analyse van de inconsistenties van de representatieve democratie. Het boek is geschreven in 1923 en werd door critici beschouwd als een poging om de parlementaire democratie te ondermijnen. Het was echter Schmitt’s poging de Weimar constitutie te verdedigen. Schmitt zal vanwege zijn nazi-verleden altijd omstreden blijven, maar onderdelen van zijn werk staan in het beste van de Westerse beschavingstraditie.”[2]

Ten tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.

Oud-Burke-directeur Bart Jan Spruyt haalde Carl Schmitt instemmend aan in zijn artikel Amerika bombardeert het Kwaad weg[3] en pleitte na de moord op Theo van Gogh “voor een Ausnahmezustand na het recept van de Duitse politiek denker Carl Schmitt om ‘onze democratie weerbaar te maken’ tegen ‘de islam als zodanig’.”[4] Spruyt maakte in zijn recente publicaties, o.a. in het door Afshin Ellian publiekelijk uit de hand van Spruyt in ontvangst genomen boek De toekomst van de stad ( en Ellian staat in maart 2006 nog steeds met Spruyt en diens Schmitt-verheerlijking afgebeeld op de website van de Burke Stichting) de Schmittiaanse filosofie van een absoluut onderscheid van vriend en vijand tot de zijne.[5] Het is hier wel even van belang te weten dat Carl Schmitt een antisemiet en nationaal-socialist was en met “de vijand” “de jood” bedoelde, zoals Raphael Gross overtuigend aantoont.[6]

Burkiaan Jerker Spits noemt ook Carl Schmitt als een groot voorbeeld. Schmitts nazi-verleden is voor Spits geen reden om het gedachtegoed van Schmitt te mijden:
” Wie Schmitt in het nazistische klimaat van de jaren dertig opsluit, gaat voorbij aan de zeggingskracht van zijn politieke filosofie voor onze tijd. […] De vrijheid van het denken mag niet ten prooi vallen aan politieke correctheid.” (Trouw, 14-4-2005)

Ook Paul Cliteur staat met zijn opvatting, dat de rechtsstaat secundair is tegenover een autoritaire staat, en dat het ordescheppend staatsgezag belangrijker is dan de democratie[7] geheel in de denktraditie van Carl Schmitt. Paul Cliteur stelt in zijn boek Nederlands recht : “Een vraag die men kan stellen is waarin de geheimzinnige kracht schuilt die een volk ‘tezamen houdt’?”[8] Cliteur geeft een aantal antwoorden op deze vraag, zoals taal, geschiedenis en cultuur. Hij vergeet een belangrijke, griezelige, maar zeer effectieve “geheimzinnige kracht” “ te noemen “die een volk ’tezamen houdt’”: het creëren van een vijand. Dit is wat Carl Schmitt bepleitte. Schmitt kort en cru samengevat: ”Everybody needs a scapegoat.”[9]
Cliteurs pleidooi voor een monocultuur past ook in de denktrant van Schmitt.
“Schmitt condemned diversity because a monolithic Volk could more successfully compete against rivals than a fractionalized state.”[10]


[1] “Terecht constateert Carl Schmitt in zijn Politische Theologie, dat alle pregnante begrippen van de moderne staatsleer geseculariseerde theologische begrippen zijn:[…]” Sociale cohesie en islamitische terreur, oratie 18-4-2006.
[2] http://www.burkestichting.nl/nl/studenten/boeken20steeeuw.html
[3] de Volkskrant, 19-4-2003, Reflex (deze artikel is  niet vinden in het online-archief, alleen op microfiche)
[4] Ger Groot, De boel uit elkaar trekken, NRC Dossier Moslimterreur; zie Bart Jan Spruyt, Conservatieve identiteit tegen linkse uitverkoop, In: Hoe nu verder (2004) , p.42.
[5] Vg. ook Dick Pels, Een zwak voor Nederland, p. 228.
[6] Raphael Gross, Carl Schmitt und die Juden, Suhrkamp, 2005.
[7] Hutspot Holland,p. 175.
[8] Nederlands recht, p. 55.
[9] Nasr Abu Zaid, Voice of an Exile, p. 193.
[10] Claudia Koonz, The Nazi Conscience, p. 56.

Carl Schmitt zelf aan het woord ( in het Duits)

no comment

Raphael Gross gaat in zijn boek Carl Schmitt und die Juden (herziene oplage 2005) uitvoerig in op Schmitts nationaal-socialistisch en antisemitisch gedachtegoed. Hij beschrijft ook de intense inspanningen van verscheidene apologetische onderzoekers om Schmitt in bescherming te nemen tegen kritiek. Hij beschrijft de grote aarzelingen in de mainstream wetenschap om niet alleen het straatantisemitisme maar ook het intellectueel antisemitisme aan de kaak te stellen: “Stets war man bereit, den primitiven Radau-Antisemitismus und seine Folgen zu verurteilen und einzelne antisemitische Äußerungen als opportunistische Charakterlosigkeiten zu verdammen. Ursache und Bedeutung eines ´weniger primitiven´ Antisemitismus – nämlich desjenigen, der unter anderem von der juristisch/bürokratischen Elite innerhalb der SS und des SD vertreten wurde – sind aber nur sehr zögernd untersucht worden.“ (p. 15)
Schmitt wordt vaak verdedigd met het argument dat hij persoonlijk vriendelijke relaties onderhield met een aantal joden. Er zijn talrijke nazi’s voor wie dit ook geldt en het maakt hen structureel antisemitisme niet minder erg. Schmitt heeft in ieder geval zijn antisemitisme ook tegen joodse kennissen en collega’s in de praktijk gebracht. Gross: “[Schmitt weigerte sich], eine Resolution zu Gunsten seines ambtsenthobenen [jüdischen] Kollegen Hans Kelsen zu unterschreiben. Dese Weigerung kann entweder als Zeichen für Schmitts grenzenlosen Opportunismus oder als Zeichen für seine tatsächliche nationalsozialistische Gesinnung interpretiert werden, denn gerade Kelsen verdankte Schmitt seine erst kurz zuvor erfolgte Berufung nach Köln. Weitaus schwerwiegender liegen die Dinge aber in Bezug auf Schmitts Verhalten gegenüber seinem einstigen Bonner Kollegen Erich Kaufmann. Schmitt hatte sich hier emsig agiert, um durch eine antisemitische Attacke Kaufmanns weitere Lehrtätigkeit zu verhindern. Er schrieb an das Kultusministerium: ‚Eine solche, ganz auf Verschweigung der Abstammung und auf Tarnung angelegte Existenz’ sei für ‚deutsches Empfinden’ nur ‚schwer begreiflich’ und es sei nicht nur ‚eine schlimme Verwirrung’, sondern auch eine ‚seelische Schädigung’ der deutschen Studenten, wenn der nationalsozialistische Staat einem ‚besonders ausgesprochenem Typus jüdischen Assimilantentums’ heute von neuem die Möglichkeit gebe, sich an der größten deutschen Universität zu betätigen.’“(p. 48f. )

Schmitt heeft onmiddellijk nadat de nazi’s aan de macht kwamen theoretisch en praktisch partij genomen voor de nationaal-socialisten. In maart 1933 stelde zich Carl Schmitt in een artikel geheel aan de zij van de nazi’s. Hij beschrijft in een nationaal-socialistisch publicatieorgaan uitvoerig het belang van het gevecht tegen het jodendom. (p. 60). “Führertum und Artgleichheit” zijn voor Schmitt “Grundbegriffe des nationalsozialistischen Rechts“ dat hij zich inspande theoretisch te onderbouwen. (p.71).
Gross: „Unmittelbar nach dem Nürnberger ‚Reichsparteitag der Freiheit’ begrüßte Schmitt in einem Kommentar die drei neuen [Rassen-]gesetze. ‚Sie sind die Verfassung der Freiheit, der Kern unseres heutigen deutschen Rechts’. Die drei einzelnen Gesetze seien nicht bloß ‚wichtige Gesetze neben anderen’ sondern aus ihnen bestimme sich nun‚ was für uns Sittlichkeit und öffentliche Ordnung, Anstand und gute Sitten genannt werden’ könne.
Gegen die ‚Feinde und Parasiten Deutschlands’ gegen die ’typischen Tarnungsformen der Fremdherrschaft, den Dämon der Entartung’ und die geistige Fremdherrschaft würden nun erstmals seit vielen Jahrhunderten der Begriffe der Verfassung ‚wieder deutsch’. Das deutsche Volk sei nun, nachdem die Gesetze vom 15. September‚deutsches Blut und deutsche Ehre zu Hauptbegriffen des Rechts gemacht hätten, auch im Rechtssinne wieder ‚deutsches Volk’. In einem anderen, längeren Artikel in dem sich Schmitt ebenfalls vorwiegend mit den Nürnberger Gesetzen beschäftigt, hob er zudem den wesentlich defensiven [!!, M.T.] Charakter ‚unserer Rassengesetzgebung’ hervor: ’Der völkisch-defensive Grundcharakter nicht nur dieser Gesetze, sondern der ganzen nationalsozialistischen Weltanschauung überhaupt tritt hier in einer überzeugenden Weise zutage’. (p. 117/118).
In zijn Rede Das Judentum in der Rechtswissenschaft 1936 sprak Schmitt over de noodzaak van een wetenschappelijk gevecht tegen “die Herrschaftsansprüche jüdischen Wesens und jüdischen Geistes“ ( Gross, p. 123). Gross: „Schmitt […] stellte [seinem Vortrag] als ersten Leitsatz den pseudoreligiösen ‚Satz des Führers’ voran: ’Indem ich mich des Juden erwehre, kämpfe ich für das Werk des Herrn’ […] Die zwei weiteren von Schmitt für die Tagung gewählten Leitsätze wiesen in dieselbe Richtung. […] Sie warnten das ‚deutsche Volk’ vor der ‚jüdischen Gefahr’ und vor einer ‚Flut undeutscher Bestrebungen, das Staatsgefüge’ zu lockern“. En Schmitt gaat nog verder. Hij stelt: „’Mit einem nur gefühlsmäßigen Antisemitismus und der allgemeinen Ablehnung einiger besonders aufdringlicher und unangenehmer jüdischer Erscheinungen ist es nicht getan; es bedarf einer erkenntnismäßig begründeten Sicherheit.’ Eine solche ‚erkenntnismäßig begründete Sicherheit’ habe ‚ein einsamer, armer junger Deutscher vor dem Krieg in Wien gewonnen, als die offizielle Wissenschaft noch tief im Banne jüdischen Geiste stand und wohl fast alle von uns noch in der Blindheit gefangen waren, die durch sämtliche Begriffe und Einrichtungen der damaligen bürgerlichen Bildung herbeigeführt wurde.’“ (p. 125) Voor wie het niet door heeft: Schmitt heeft het hier over Hitler en diens mening over de noodzaak van een “Antisemitismus der Vernunft” (p.126, Hitler-citaten bij Schmitt zie ook p. 133)
Schmitt heeft zichzelf ook telkens weer als slachtoffer van de joden gezien: “Ich weiß aus eigener Erfahrung, welchen Beleidigungen und Verleumdungen man ausgesetzt ist, wenn man in diesen Kampf [gegen die Juden] eintritt.“ (p. 128) Na de oorlog ziet hij zichzelf als slachtoffer van zowel de nazi’s als ook van de joden (p. 352) .

Gross: “Schmitt wollte die bürokratischen Voraussetzungen schaffen, um Juden aus allen Bereichen der Rechtswissenschaft auszugrenzen. An die erste Stelle setzte er die Erfassung aller jüdischen Autoren. Mit Hilfe dieses ‚exakten Verzeichnisses’ sollten dann in einem weiteren Schritt ‚Säuberungen der Bibliotheken’ vorgenommen werden, damit ‚unsere Studenten vor der Verwirrung bewahrt würden, die darin liege‚ daß wir sie einerseits auf den notwendigen Kampf gegen den jüdischen Geist hinweisen, andererseits aber eine normale juristische Seminarbibliothek am Ende des Jahres 1936 immer noch so aussieht, als ob der größere Teil de rechtswissenschaftlichen Literatur von Juden produziert würde.’ […] ‚Ein jüdischer Autor hat für uns keine Autorität, auch keine rein ‚wissenschaftliche’ Autorität.’ (p.129) ’Uns beschäftigt der Jude nicht seiner selbst wegen. Was wir suchen und worum wir kämpfen, ist unser[e] unverfälschte eigene Art, die unversehrte Reinheit unseres deutschen Volkes.’“ (p. 133) ’Gerade der assimilierte Jude ist der wahre Feind.’” (p. 312) .

Burke-held Carl Schmitt: nazi en antisemiet

3 comments

Meer over Carl Schmitt- met originaal Schmitt-citaten vertaald in het Engels. Astroloog merkt terecht op, dat Carl Schmitt niet zeer gewaardeerd werd door de SS. Carl Schmitt had vijanden binnen de SS, die vonden dat hij teveel joodse vrienden had en te katholiek was. Dit leidde in 1936 tot en bepaalde carrièrebreuk bij Schmitt. Zoals bekend vielen de nazi’s elkaar vaak aan en brachten elkaar ook om het leven. Hieruit kan naar mijn mening een rehabilitatie van de naziejurist Carl Schmitt niet worden afgeleid! Ook na zijn afscheid als officiële naziejurist heeft Schmitt nog de Duitse “Grossraumordnung” verdedigd (1939) en ook jodenvijandige opstellen gepubliceerd (1941) . Hij publiceerde na 1940 in Goebbels tijdschrift Das Reich.

Belangrijk informatie over Schmitt vindt men in het boek van de historica Claudia Koonz The Nazi Conscience ( 2003) . Koonz laat zien dat de nazi’s , anders dan vaak wordt gedacht, niet gewetenloos waren, en zelfs nadrukkelijk moreel hebben geargumenteerd. Alleen: hun moraal gold allen voor degenen die zij als “vriend” hadden gedefinieerd. Voor de “vijand” gold deze moraal niet. Over Carl Schmitt schrijft zij: “[…] the political theorist Carl Schmitt made a crucial contribution to a version of anti-Semitism that was both respectable and ruthless. (p.14)
“In 1933 Carl Schmitt, a distinguished political theorist and avid Hitler supporter, paraphrased a slogan used often in Nazi circles, when he denounced the idea of universal human rights, saying: Not every being with a human face is human.” (p.1 f.)
“Within days of Schmitt’s joining the Nazi Party, on May 10 [1933] Nazi students at all German universities burnt books by Jewish authors. Schmitt cheered them on in an article for a regional National Socialist newspaper. He rejoiced that that the ‘un-German spirit’ and ‘anti-German filth’ of a decadent [ note the use of the word ‘decadent’, that is often used by the Burkeans to describe their enemies! M.T] age had been burned out and urged the government to annul the citizenship of German exiles (whose books were burnt) because they aided the ‘enemy’ .[…] Schmitt sneered that anyone who appreciated Jewish authors as unmanly.“ Koonz cites Schmitt: “ ‘Our educated grandmothers and aunts would read, with tears in their bourgeois eyes, verses by Heinrich Heine that they mistook for German’ “ . “Schmitt had only one criticism to the book burners: that they had consigned too few authors to the flames. Instead of burning only ‘un-German’ writer’s books, they should have included writings by non-Jewish authors who had been influenced by Jewish ideas in the sciences and professions. […]
Schmitt’s next contribution was a cogently written pamphlet for general readers, State, Volk, and Movement: The Threefold Division of Political Unity, in which he justified Hitler’s dictatorship in theoretical terms. First, he defined politics itself as the battle between ethnic friend and foe. Schmitt succinctly branded political liberalism and ‘asphalt culture’ (code for Jewish influence) as a weakness that only the ‘ruthless will’ of a decisive Führer could eliminate. Second, he asked what Nazi society would look like. Its two constituent qualities were ‘homogeneity’ and ‘authenticity’. In place of squabbling politicians, German power would impose a single ethnic (völkisch) will. Avoiding the term ‘Jew’ and using ‘non-Aryan’ sparingly, Schmitt celebrated the ‘essential sameness’ and ‘homogeneity’ (Artgleichheit und Gleichartigkeit which unified ethnic Germans in the new community. (Volksgemeinschaft) The imperative that all citizens be gleich ( which means both ‘same’ and ‘equal’) vindicated the expulsion of Germans with Jewish ancestors from public institutions. The demand for homogeneity, he wrote, evoked a ‘deeper’ meaning than administrative ‘Nazification’ (Gleichschaltung) . He welcomed ‘ the purification of public life of all non-Aryan, essentially foreign elements so that …coming generations of Germans will be pure…No alien type can interfere with this great and profound, but also inner- I would almost say intimate- process to grow. Our most important task is to learn how to distinguish friend from enemy…[We must] cleanse public life of non-Aryan foreign elements.’ With democracy crushed, Schmitt called for an ethnically pure nation.
In opposition to the universalist moral beliefs […] Schmitt worked out a theory of justice bound to the Volk, not to legal codes. Every ethnic community develops the legal values appropriate to its ‘blood and soil’ (Blut und Boden). In Schmitt’s view, authenticity, defined as allegiance to one’s Volk , accounted for more than abstract universals as the bass of morality and the law. “ (p. 58ff.)
“Carl Schmitt explained that because Hitler’s will was the supreme law of the land, ‘the true Führer is always also judge. The status of the judge flows from he status of Führer…The Führer’s deed was, in truth, the genuine exercise of justice. It is not subordinate to justice, but rather itself supreme justice.’” ( p. 98)

“Carl Schmitt […] praised the Nuremberg Race Laws for restoring ‘German constitutional freedom’. ‘For the first time ‘[Carl Schmitt said] ‘our conception of constitutional principles is again German. German blood and German honor have become the basic principles of German law, while the state has become an expression of racial strength and unity.’ In his remarks at the [ de-Judaization-] conference Schmitt endowed the racial purge with a lofty moral purpose and translated the convoluted tirades of crude antisemites into his crisp prose. ‘The Jew’s relationship to our intellectual work is parasitical, tactical, and commercial…Being shrewd and quick, he knows how to say the right thing at the right time. That is his instinct as a parasite and a born trader.’ Praising Nazi leaders’ call for ‘healthy exorcism’ Schmitt welcomed ‘the genuine battle of principles‘ between Jews’ ’cruelty and impudence’ and Germans’ ethnic honor.
‘The Jew is sterile and unproductive,’ he has nothing to say to us, – no matter how ‘energetically he assimilates or how shrewdly he assembles information.’ He is ‘dangerous’ because, like all parasites, he diagnoses our weakness. When borderline cases and anomalies confused jurists, they blamed Jews ( and supposedly Jewish attitudes) for their confusion. In keeping with the ethos of white-collar persecution Schmitt criticized ‘emotional antisemitism that does not accomplish the task the task of driving out Jewish influence’ and closed the conference by quoting Mein Kampf, ‘In defending myself against the Jew … I am doing the work of the lord. ‘ “(p.208)

 

Afshin Ellian en de nazi Carl Schmitt

no comment

In zijn NRC-column van vandaag heeft Afshin Ellian het weer eens over de nazi Carl Schmitt, een denker die hij aanduidt als “Duitse jurist en politiek-filosoof”. In zijn column brengt Ellian het Schmittianse denken correct in verbinding met de radicale islam.
Helaas verzwijgt Ellian de populariteit van het Schmittianse denken bij hemzelf en bij zijn vrienden van de Burke Stichting. Ook verzwijgt Ellian dat Carl Schmitt een nazi en antisemiet was; de aanduiding van “ jurist en politiek-filosoof” dus een hoogst merkwaardige is.

De relatie tussen het denken van Carl Schmitt en de Burke Stichting is om verschillende redenen zeer belangrijk. Ten eerste wordt Schmitt door sommige Burkianen, vooral door de oud-directeur van de Burke Stichting, Bart Jan Spruyt, en de Leidse germanist Jerker Spits, expliciet en herhaaldelijk aangehaald als een belangrijke inspiratiebron. Ook Afshin Ellian citeert Schmitt instemmend in zijn Leidse oratie (citaat zie hieronder)

Ten tweede wordt ook het denken van de Leidse Burkianen die Schmitt niet expliciet noemen (Kinneging, Cliteur) duidelijk door het onverzoenlijke vriend-vijand-denken van Schmitt gedomineerd en maakt hun polariserende toon in het openbar debat, doorspekt met oorlogs- en ondergangsretoriek, tegenstanders tot vijanden, precies zoals Schmitt dit bepleitte. Ten derde is Schmitt een voorman van de “conservatieve revolutie” in Duitsland geweest, en de Burkianen zijn expliciet opvolgers van de “conservatieve revolutie”. Ten vierde was Carl Schmitt, net als drie Leidse Burkianen, jurist. Het voorbeeld van Schmitt heeft aangetoond hoe gevaarlijk het is als juristen de parlementaire democratie en de rechtsstaat aanvallen. Het voorbeeld Schmitt maakt dus dat men zich grote zorgen moet maken waarmee de Leidse juristen eigenlijk bezig zijn.

Kees Schuyt gaat in zijn Leidse Cleveringa –oratie 2006 Democratische deugden (vaste link) uitgebreid in op Spruyt, het neoconservatisme en Carl Schmitt. Carl Schmitt heeft, zoals ook Schuyt beklemtont, een grote involed gehad op de neoconservatieve revolutie.
Over Schmitt schrijft Schuyt verder:
“Het vriend-vijanddenken werd tot het uiterste aangescherpt door de nationaal-socialistische rechtsgeleerde Carl Schmitt die in1932 de legale machtsovername juridisch voorbereidde en legitimeerde […] . Scherpe tegenstellingen vormen het wezen van de politiek, beweerde Schmitt, en de vijand die een existentiële bedreiging van het eigen ik vormde moest met alle geweld bestreden worden. De theoretische vijand in zijn rechtsleer was de eeuwige vijand uit Hitlers Mein Kampf” (p. 16).
De vermenging van politiek en theologie, die men Schmitt aantreft, en die Schuyt hard bekritiseert, wordt door Afshin Ellian in zijn Leidse oratie van 2006 wél goedgekeurd. Ellian: “Terecht constateert Carl Schmitt in zijn Politische Theologie, dat alle pregnante begrippen van de moderne staatsleer geseculariseerde theologische begrippen zijn:[…]” (Sociale cohesie en islamitische terreur, oratie 18-4-2006).

Het internationaal recht en het Israëlisch –Palestijns conflict

28 comments

Vandaag sprak de Leidse hoogleraar internationaal publieksrecht John Dugard op het IKV-seminarium “Perspectives on the right of return”. Hij stelde dat Oost-Jeruzalem, Westbank en Gaza door Israël bezette gebieden zijn. Hij onderstreepte dat geen enkele staat Israëls annexatie van Oost-Jeruzalem had erkend.
Volgens hem heeft Israël als okkuperende macht bepaalde plichten.
Hij noemde de Israëlische nederzettingen onrechtmatig en in strijd met internationale wetten ( volgens Int. Court of Justice 2004, Int. Rode Kruis, Verenigde Staten).

Over de nieuwe muur zei hij dat deze binnen Palestijns territorium lag [de hele afscheidingsmuur staat voor 85% op Palestijns grondgebied en het stuk rond Jeruzalem voor 95%, opmerking van Friduwih R.]

Als specifieke en ernstige schendingen van internationale recht door Israël noemde hij het doden van de civilisten en het verstoren van civiele objecten; het schenden van mensenrechten en het verbieden van gezinshereniging onder Palestijnen. “Restriction of freedom of movement” beschrijft hij als een vorm van geïnstitutionaliseerd racisme, dat in bepaald opzit kan worden vergeleken met apartheid.

Israël trekt zich niets aan van het advies van de VN-mensenrechtencommissie.
Dugard is zelf Zuid-Afrikaan, en zegt niet te begrijpen dat de internationale gemeenschap in de zaak Israël zo nalatig is, terwijl men zo veel meer deed voor Zud-Afrika. Hij spreekt van een “failure of the international community to acknowledge International Law”.
Hij was bijzonder boos over Nederland en minister Bot, die zich van alle specifieke informatie over de misstanden in de bezette gebieden weinig aantrekt. Bijval kreeg Dugard van een aanwezige CDA’er die zei zeer ontevreden te zijn met de CDA-politiek mbt Israël/Palestina.

Over het feit dat de VS en de EU niet meer met de Hamas onderhandelen zegt hij:
“Sanctions have been put on the entity (Palestina) who has violated international Human Rights less than the other part.”
“You cannot refuse tot talk to an entity only because you consider it a terrorist organization. One achieves nothing by refusing to engage.”

Zeven jaar lang is Dugard hoogleraar geweest in Leiden. Hij zegt dat in deze tijd de Leidse Universiteit geen enkel openbaar debat over de kwestie Palestina heeft georganiseerd.
Van Nasr Abu Zayd, ook hoogleraar in Leiden, weet ik dat hij voorstellen heeft gedaan voor een dergelijk debat. Zonder succes.

Recente berichten

Categorieën

Tags

Archief