Maria Trepp

Training Coaching Publishing

Radicalisering: the “Staircase to Terrorism”

1 comment

Bert Wagendorp schrijft vandaag in zijn Volkskrant-column in aansluiting aan psycholoog Corinne de Ruiter over de “Staircase to Terrorism” – de ladder naar terrorisme, een metaforisch model van de Iraanse sociaalpsycholoog Fathali M. Moghaddam. Moghaddam gebruikt de kennis uit de sociale psychologie over groepsprocessen, groepsnormen en het creëren van “ingroups” om radicalisering te beschrijven.

Het Staircase-model geeft een sociaalpsychologische verklaring waarom uit een grote groep van ontevreden mensen in de samenleving slechts een zeer kleine minderheid uiteindelijk overgaat tot het plegen van terrorisme. Moghaddam had opgemerkt dat maatschappelijke variabelen, zoals het gebrek aan democratische processen, sociale ongelijkheid, de beschikbaarheid van wapens en snelle demografische veranderingen niet verklaren waarom slechts een klein percentage van de mensen die onder dezelfde ongunstige omstandigheden leven uiteindelijk geweld plegen.

Hij stelde het Staircase-model voor om dit fenomeen te verklaren. Hij het beschrijft de weg naar het terrorisme als een vernauwende trap, waarbij heel weinig mensen het hoogste, meest destructieve niveau bereiken. Hoe hoger een person de trap opklimt, hoe minder alternatieven voor geweld hij of zij zal zien, uiteindelijk resulterend in de vernietiging van zichzelf, anderen, of beiden.

radicalisering

 

Basisniveau

Hier bevinden zich alle leden van de samenleving. Alle leden van de samenleving evalueren hun leefomstandigheden in termen van fairness en billijkheid. Mensen zullen op het eerste niveau blijven zolang zij menen dat hun leefomstandigheden eerlijk zijn. Degenen die onrecht menen te ervaren verplaatsen zich naar de eerste verdieping.

Niveau 1

Op de eerste verdieping overwegen mensen hun opties voor de verbetering van hun situatie. Mensen die mogelijkheden vinden om hun individuele situatie te verbeteren of de maatschappij te beïnvloeden verlaten de trap op deze verdieping en slaan niet-gewelddadige wegen in. Mensen die ontevreden zijn met hun beschikbare opties gaan door naar de tweede verdieping.

Niveau 2

Woede en frustratie over het feit dat de situatie niet verbeterd kan worden zetten aan tot een zoektocht naar een doelwit dat men de schuld kan geven. Dit doel kan een directe tegenstander zijn, zoals een regering, of een derde partij naar wie de agressie wordt verplaatst, zoals een etnische of religieuze groep. Mensen die ervan overtuigd zijn dat ze een vijand hebben tegen wie zij hun agressie kunnen richten zullen doorgaan naar het derde niveau.

Niveau 3

Mensen die hier komen hebben al de bereidheid tot geweld ontwikkeld. Deze gevoelens kunnen nu door een gewelddadige organisatie worden geactiveerd die een gevoel van ‘moreel engagement’ aanbiedt. In groeperingen die zo ontstaan worden gewelddadige acties tegen een vermeende vijand beschouwd als aanvaardbaar of zelfs als een plicht. Potentiële rekruten wordt een nieuwe sociale identiteit aangeboden als leden van een selectieve in-groep die naar rechtvaardigheid in de wereld streeft. Mensen die dit aanbod aantrekkelijk vinden zullen doorgaan naar het vierde niveau.

Niveau 4

Hier wordt ‘wij’ versus ‘zij’-denken bevorderd. Rekruten worden van vrienden en familie geïsoleerd, er wordt strikte geheimhouding opgelegd en de legitimiteit van de organisatie wordt benadrukt. Mensen die dit niveau bereiken zullen zich zelden terugtrekken en de trap van het terrorisme levend verlaten. Zij zullen zich verplaatsen naar het vijfde niveau verplaatsen als zich een kans biedt.

Niveau 5

De gewelddadige handeling wordt uitgevoerd. Om zo effectief mogelijk te zijn, moet elke remming onschuldige mensen te doden worden overwonnen. Dit gebeurt door twee argumentatiestructuren:

Categorisatie benadrukt het onderscheid tussen eigen groep en de andere groep en psychologische distantiëring overdrijft de verschillen tussen de in-groep en de waargenomen vijand.

Moghaddam stelt dat het gevecht tegen terrorisme vooral door een hervorming van de maatschappelijke verhoudingen op niveau 1 moet gebeuren, zodat dat de samenleving niet langer door grote groepen als onrechtvaardig en hopeloos wordt gezien.

Literatuur:

Hewstone et al., An Introduction to Social Psychology, p 303 f.

 

Maria Trepp, docent Sociale Psychologie

 

Afbeelding FreikorpOwn work, CC BY-SA 3.0, Link

Emotionele stabiliteit en neuroticisme

1 comment

Emotionele stabiliteit en neuroticisme (Big Five persoonlijkheidsdimensies)

In een video van de “Universiteit van Nederland” met de titel “Met welke persoonlijkheid heb je het meeste succes op de werkvloer?”

legt arbeids- en organisatiepsycholoog Kilian Wawoe de Big Five persoonlijkheidsdimensies uit, het wetenschappelijk onderbouwde model van onze persoonlijkheid met de dimensies Extraversie, Vriendelijkheid, Emotionele Stabiliteit, Zorgvuldigheid en Openheid:

Big-Five-persoonlijkheid-neuroticisme

(lees hier meer over deze dimensies)

Uit onderzoek blijkt dat voor succes op de werkplek Zorgvuldigheid de belangrijkste van deze vijf dimensies is, een uitkomst die ook intuïtief aannemelijk lijkt. De potentieel meest problematische persoonlijkheidsdimensie op de werkplek blijkt de dimensie Emotionele stabiliteit te zijn, en wel dan als sprake is van een lage emotionele stabiliteit of een hoog zogenaamd Neuroticisme.

Een hoog neuroticisme correleert positief met verhoogde stress, angst en andere negatieve gevoelens, met slechtere gezondheid, alcoholgebruik en ander ongewenst gedrag.

Men kan zich bijna afvragen: als iemand hoog scoort op de persoonlijkheidsdimensie Neuroticisme en dus weinig emotioneel stabiel is, welke meerwaarde heeft deze persoon in een werkomgeving? In zijn boek Hoe are you, really? neemt persoonlijkheidspsycholoog Brian R. Little het op voor de neurotische medemens (niet zelden kunstenaars en schrijvers). Hij schrijft, dat neurotische mensen een sensitiviteit voor gevaren hebben ontwikkeld en anderen kunnen waarschuwen.

Veel hangt af van de andere aspecten van de persoonlijkheid. Zo lijkt het aannemelijk dat een emotioneel labiele mens die behalve angstig of pessimistisch ook nog onvriendelijk is extra veel moeilijkheden op zijn werkplek (en ook thuis) zal ondervinden. Daarentegen kan zorgvuldigheid een goede compensatie van neuroticisme zijn: de angsten kunnen worden gekanaliseerd en in actie en preventie worden omgezet. Een consciëntieuze, vriendelijke neuroot zal met zijn kritisch denkvermogen vermoedelijk een goede bijdrage aan elk team kunnen leveren.

Balance zoeken: ademtechnieken en mindfulness helpen om een betere emotionele stabiliteit in het dagelijks leven te vinden. Andere technieken voor alledaagse emotieregulatie omvatten:

  • Gezond eten
  • Regelmatige en ruime rust- en slaaptijden
  • Veel bewegen
  • Bewust kleine positieve ervaringen verzamelen
  • Nieuwe dingen stapsgewijs leren
  • Cognitieve herstructurering (gedachten positiever en realistischer maken)
  • Sociale steun zoeken, zo nodig ook professionele steun.

 

Lees hier meer over het verschil tussen mannen en vrouwen, en jonge en oude mensen in neuroticisme.

 

Maria Trepp, docent Persoonlijkheidspsychologie

 

Emotiekennis

1 comment

Belangrijk deelaspect van emotionele intelligentie: emotiekennis

Emotionele Intelligentie is een begrip uit de populaire psychologie. Dit begrip wordt ook ondersteund door veel academisch onderzoek, al staat nog niet helemaal vast welke eigenschappen of competenties wel of niet bij het overkoepelend begrip “emotionele intelligentie” horen.

In haar nieuwe boek How Emotions Are Made: The Secret Life of the Brain schrijft de bekende emotieonderzoeker Lisa Feldman Barrett over een belangrijk deelaspect van emotionele intelligentie: emotiekennis, in het Engels genoemd “emotion knowlegde” “emotion differentiation” of bij Barrett “emotional granularity”.

Emotiekennis is kennis en begrip van de eigen emotionele ervaringen. Het aantal verschillende emoties die een persoon kan onderscheiden vormt haar kennis van de emotie.

Emotiekennis is dus het vermogen om de emotionele beleving in afzonderlijke categorieën in te delen, bijvoorbeeld woede ten opzichte van angst, en bovendien ook een bepaalde fundamentele emotie in haar verschillende tinten in te delen (woede -> irritatie, frustratie, vijandigheid, kwaadheid, nijdigheid, woestheid verontwaardiging…)

Emotiekennis verwijst naar het niveau van complexiteit waarmee mensen hun emotionele ervaring benoemen.

Mensen met lage emotiekennis hebben de neiging om emoties in algemene termen te benoemen (bijv. “Ik voel me goed”), terwijl mensen met hoge kennis vaker specifieke en op de situatie aangepaste terminologie te gebruiken.

De diepte, complexiteit en verfijning van iemands emotiekennis is belangrijk omdat meer emotiekennis leidt tot groter psychologisch welzijn en tot betere strategieën voor emotie-regulatie. Een emotioneel intelligente persoon heeft niet alleen veel concepten maar weet ook welke wanneer te gebruiken. Emotiekennis vergemakkelijkt de keuze en uitvoering van een strategie die de beste kans heeft deze emotie met succes te reguleren.

Mensen met geavanceerde emotiekennis weten duidelijk wat ze voelen, wat de emotie veroorzaakt en welk gedrag en welke specifieke copingstrategieën meest effectief zijn om deze emotie constructief te hanteren.

Emotionele Intelligentie kan verbeterd worden. Een sleutel tot EI is het leren van nieuwe concepten van emotie en het verfijnen van bestaande concepten. Het doelgericht opdoen van gevarieerde ervaringen en het actieve leren van nieuwe emotiebegrippen is een goede manier om emotionele intelligentie te bevorderen.

Barrett geeft ook veel voorbeelden van onderzoek dat aantoont dat mensen met verfijnde psychologische concepten inderdaad ook mentaal veel gezonder zijn.

 

emotiekennis

emotie, valentie, arousal

De psycholoog James A. Russell ontwikkelde een model om gevoelens te beschrijven. Emoties kunnen als een punt op een cirkelvormige structuur getoond worden. De twee dimensies van de cirkel zijn valentie (goed-slecht) en arousal (intensiteit, activering).

 

Maria Trepp, docent Emotie & Motivatie

 

Levenslooppsychologie en Nestor-effect

1 comment

60-plus wereldwijd aan de macht: Levenslooppsychologie en Nestor-effect

Op 27 augustus schrijft Paul Brill in de Volkskrant:

“…wie er ook zegeviert in de slag om het Witte Huis, vanaf januari 2017 zullen de vier belangrijkste westerse landen worden geregeerd door 60-plussers: Clinton of Trump, Merkel (62), May (dan inmiddels 60) en François Hollande (63) in Frankrijk. Speuren we verder het wereldtoneel af, dan zien we op de eerste rijen eigenlijk ook alleen maar oude(re) leiders staan…”

 

levenslooppsychologie en nestor-effect

Nestor

60-plus aan de macht. We zouden hier van het Nestor-effect kunnen spreken. Nestor nam op hoge leeftijd nog deel aan de oorlog tegen Troje, waar hij, als de oudste en meest ervaren onder de Griekse vorsten, beschouwd werd als hun algemeen gewaardeerde en gerespecteerde raadsman, vermaard om zijn wijze woorden en gedachten. (Wikipedia)

Het Nestor-effect staat ook in de titel van een interessant psychologisch artikel van Werner Greve en David F. Bjorklund, The Nestor effect: Extending evolutionary developmental psychology to a lifespan perspective, Developmental Review 29 (2009) 163–179.

Vanuit een evolutionair levensloop-perspectief argumenteren de auteurs, dat de lange levensduur van de mens om een evolutionaire verklaring vraagt. Zij stellen dat de evolutie de lange duur van het menselijk leven heeft begunstigd vanwege de ervaring, kennis en wijsheid die oudere leden de menselijke samenleving bieden. Grootmoeders die zelf geen kinderen meer kunnen krijgen helpen de volgende generatie met de kinderen, maar dat niet alleen: überhaupt kan de ervaring van alle wijze ouderen de samenleving en de soort helpen en dus het resultaat zijn van natuurlijke selectie. Het Nestor-effect is dan het voordeel van cumulatieve en integratieve kennis van enkele leden van een groep.

Erik Erikson deelt in zijn psychosociaal levensloopmodel de levensloop van de mens in acht fases. Elke fase bestaat uit een “crisis” of ontwikkelingstaak. De politiek actieve 60-plussers hebben de ontwikkelingstaak van de zo genoemde “generativiteit” (productiviteit, creativiteit, maatschappelijk engagement, zorg voor komende generaties) op een constructieve manier weten af te sluiten en om te zetten en kunnen hopelijk ook hun wijsheid en integriteit (kenmerk van de succesvolle laatste levensperiode volgens Erikson) inzetten voor samenleving en nageslacht.

[Plaatje Door © Marie-Lan Nguyen / Wikimedia Commons, CC BY 2.5, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=4051752]

Maria Trepp, docent Masterclass Ontwikkelingspsychologie

 

Psychologen over martelen

no comment

1. Donald Trump is ervan overtuigd dat martelen werkt.

Psychologen over martelen

• Protest tegen Waterboarding Pic Wikimedia Karl Gunnarsson – originally posted to Flickr as Waterboarding

2. Maar: in 2012 had een VS-senatscommisie nog geconcludeerd dat martelpraktijken niets hadden opgeleverd:

“Een Amerikaanse Senaatscommissie die de afgelopen drie jaar onderzoek heeft verricht naar mogelijke martelpraktijken van de CIA, concludeert dat de ‘intensieve ondervragingstechnieken’ nauwelijks bruikbare informatie hebben opgeleverd.”

De commissie conculdeerde dat ‘het onwaarschijnlijk is dat bruikbare informatie werd verkregen door praktijken als ‘water-boarding’, het onthouden van slaap aan gevangenen of het blootstellen van gevangenen aan storende geluiden’.” (de Volkskrant, 30-4-2012)

3. Psychologen over martelen

Verschillende psychologische onderzoeken wijzen uit dat martelen onbetrouwbare informatie oplevert.

Steve Kleinman, (retired air force colonel and senior adviser to the FBI-led team that interrogates terrorist):

““… robust literature that would suggest torture immediately undermines a source’s ability to be a reliable reporter of information: memory is undermined, judgment is undermined, decision-making is undermined, time-references are undermined. And this is only from a purely operational perspective; we can’t take the morality out of strategy.” (the guardian, 26-1-2017)

Psychologisch onderzoek wijst bovendien uit dat het opbouwen van een vertrouwensrelatie met een gevangene veel effectiever is dan martelpraktijken.

Steve Kleinman:

“There is […] a robust body of scientific literature and field testing that demonstrates the efficacy of a relationship-based, rapport-based, cognitive-based approach to interrogation” (the guardian, 26-1-2017)

4. Wel is het zo dat de psychologen Stanley Milgram en Philip Zimbardo hebben aangetoond, dat het betrekkelijk makkelijk is om mensen te verleiden anderen te martelen (lees hier meer).

5. Psychologen en martelen, en treurig verhaal:

Helaas is het ook zo dat  twee psychologen een cruciale rol hadden bij het ontwikkelen van martelingstechnieken gebruikt door de CIA.

Lees hier uitvoerig:

Aangeleerde hulpeloosheid: psychologen die folteren

en:

Op 9 december 2014 heeft de United States Senate Select Committee on Intelligence een rapport openbaar gemaakt, dat het gebruik van foltering en SERE tactiek (Survival, Evasion, Resistance and Escape) bij ondervragingen bevestigt. [1]   NBC News identificeerde de opdrachtnemers, die in het rapport werden genoemd via pseudoniemen als Mitchell, Jessen & Associates . John “Bruce” Jessen was een psycholoog bij het VS Ministerie van Defensie, waar hij gespecialiseerd personeel leerde hoe zij marteling kunnen weerstaan. Mitchell, Jessen & Associates ontwikkelden een “menu” van 20 “verbeterde” ondervragingstechnieken, waaronder waterboarding, slaapgebrek en stressposities.

Het rapport zei dat Mitchell gebruik maakte van Seligmans onderzoek naar ‘aangeleerde hulpeloosheid‘: individuen worden passief en depressief in reactie op oncontroleerbare gebeurtenissen. Hij dacht dat het induceren van een dergelijke psychische staat een gedetineerde kan stimuleren om samen te werken en informatie te verstrekken. [2]

 

Zie ook: Sickening and morally reprehensible

Maria Trepp, docent sociale psychologie

Is empathie altijd goed?

1 comment

Inlevingsvermogen, vrouwen en hersenen

Relaties tussen mensen worden onder meer door sociaal psychologen onderzocht. Hierbij is “ empathie , dus inlevingsvermogen, de kunde of vaardigheid om zich in te leven in de situatie en gevoelens van anderen, een belangrijk onderwerp.”

empathie

In Psychologie Magazine is een artikel te lezen over de biologische basis van empathie, en waarom vrouwen meer inlevingsvermogen tonen dan mannen. Wetenschap in Beeld haalt een onderzoek aan waar dit feit met vragenlijsten en met hersenonderzoek wordt onderbouwd: Bij vrouwen zou de verbinding tussen frontale kwab, die emoties herkent, met andere belangrijke delen van de hersenen krachtiger zijn. Door die krachtige verbindingsweg zouden vrouwen zich beter in andere mensen kunnen inleven. Ander onderzoek toont aan, dat het vrouwen gelukkig maakt, als hun mannelijke partner inlevingsvermogen toont. Dit gold niet voor de mannen. Mannen zagen het eigen meeleven met een verdrietige of boze vrouw mogelijk eerder als een bedreiging voor de relatie.

De rol van de hersenen en in het bijzonder van de spiegelneuronen voor het inlevingsvermogen heeft Marco Iacoboni beschreven in “Het spiegelende brein. Over inlevingsvermogen, imitatiegedrag en spiegelneuronen”. “Iacoboni denkt dat spiegelneuronen ontstaan door imitatie – baby’s kunnen al goed imiteren en vinden het geweldig als je hen nadoet. Dankzij de spiegelneuronen ontstaat een gemeenschappelijke ervaring en daarmee intimiteit. Daardoor kunnen mensen iets wat lijkt op gedachtenlezen: aanvoelen wat een ander van plan is. Empathie is puur spiegelneuronenwerk. “ NRC, 17-1-2009.

Is empathie altijd goed?

Veel mensen danken, dat inlevingsvermogen pure goedheid is. Maar dat zit niet zo eenvoudig. Primatoloog Frans de Waal:

“Het interessante daarbij is inderdaad: empathie is een neutrale capaciteit. Empathie is in feite het vermogen om beïnvloed te worden door wat er met een ander aan de hand is. Dat kun je ook negatief gebruiken, door die ander handig te manipuleren, of te pijnigen. Om te martelen moet je weten waar de ander bang voor is.” NRC, 5-12-2009

Empathie is nog geen sympathie! Maar zelf als empathie en sympathie samenvallen, kan empathie negatieve effecten hebben. Inlevingsvermogen kan ook groepstegenstellingen bevorderen (empathie voor de eigen mensen, de eigen in-group). Psychologieprofessor Paul Bloom waarschuwt dan ook voor empathie die berust of puur emotionele triggers:

“Uit onderzoek blijkt dat we meer empathie voelen voor mensen in onze eigen sociale groep: mensen die op ons lijken, mensen die erg knap zijn, of jonge kinderen. Onze empathie is dus ontzettend bevooroordeeld.” (KRO Brandpunt+ Een betere wereld begint bij minder empathie, zegt deze hoogleraar)

Maria Trepp, docent Sociale Psychologie

Sociale psychologie: nieuw onderzoek omstandereffect

1 comment

Nieuw onderzoek omstandereffect

Het “omstandereffect” (bij een noodsituatie of een misdrijf kijkt een aantal mensen toe zonder hulp te bieden of het alarmnummer te bellen) is geen bewuste keuze, maar een reflex. Dat blijkt uit promotie-onderzoek van neurowetenschapper Ruud Hortensius van de Universiteit Tilburg

“Cognitief psycholoog Ruud Hortensius (Tilburg University) heeft voor zijn promotieonderzoek onder andere met Virtual Reality aangetoond welke personen eerder dan anderen iemand in nood te hulp zullen schieten.”

“Wel of niet te hulp schieten is eerder een reflex dan een bewuste keuze.

Hortensius baseert zich op hersen-scans.”

“Daarnaast heeft ook de grootte van de groep omstanders effect op of men bereid is tot hulp. Hortensius: ‘Hoe meer mensen er bij staan, hoe minder mensen geneigd zijn te helpen.’”

“Hoewel altijd werd gedacht dat het omstandereffect voor iedereen gelijk was, liet Hortensius in vervolgonderzoek zien dat mensen met een egocentrische reflex op noodsituaties vatbaarder zijn voor dit effect.”

de Volkskrant, Margreet Vermeulen, 13 april 2016

‘Omstandereffect is onbewust gedrag’

Het omstandereffect: wat zou u doen?

Omstandereffect: hulpgedrag is geen keuze maar reflex

omstandereffect

https://www.youtube.com/watch?v=OSsPfbup0ac

Omstandereffect – verder lezen:

NS en bystander effect:

Burgermoed als oplossing voor onveiligheid in het openbaar vervoer?

Binnen bereik? (2013) van het ministerie van Binnenlandse Zaken over de rol van omstanders bij geweld tegen mensen met een publieke taak

Roos Vonk MEERVOUDIG ONWETEND:  Hoe meer omstanders er aanwezig zijn bij een noodgeval, des te kleiner de kans dat er iemand helpt. Klinkt raar, maar het is een standvastig effect in psychologisch onderzoek.

Handelingsperspectief moet omstandereffect doorbreken:

Initiatiefvoorstel ‘Amsterdammers maken  Amsterdam veilig’ gepresenteerd met concrete voorstellen die moeten stimuleren dat Amsterdammers zelf een actievere bijdrage leveren aan de veiligheid in de stad. Het moet voor burgers duidelijker worden hoe zij verantwoord in kunnen grijpen als de veiligheid van anderen of henzelf in het geding is. 

The bystander effect is complicated — here’s why

Maria Trepp, docent Sociale Psychologie

De actualiteit van Eriksons levenslooptheorie

4 comments

Eriksons levenslooptheorie

Erik Eriksons levenslooptheorie

De psychosociale ontwikkelingstheorie van Erik Erikson is nog steeds actueel. Er verschijnt regelmatig nieuw onderzoek omtrent deze theorie, zoals dit jaar in het gezaghebbend tijdschrift Developmental Psychology, waar het psychosociale model van Erikson wordt gebruikt in een longitudinale studie met volwassen proefpersonen van middelbare en hoge leeftijd (zie hieronder). Nu “ontwikkelingspsychologie” gepromoveerd is tot “levenslooppsychologie” zijn de theorieën van Erikson bijzonder relevant en wordt bovendien vaak empirische steun gevonden voor zijn concepten. Dit is opmerkelijk, omdat empirische onderbouwing voor psychodynamische concepten vaak ontbreekt, en Eriksons model behalve door de psychoanalyse ook door de literatuur (geen empirisch vak zou men denken) werd geïnspireerd: Shakespeares “Seven ages of Man”

Erik Erikson was een psychoanalyticus gespecialiseerd in kinderen, opgeleid bij Anna Freud in Wenen. Ook had een hij een Montessori-opleiding, die hem inspireerde de ontwikkeling van kinderen verder te bestuderen en het psychoanalytisch denken te verrijken. Nadat hij in de jaren dertig vanwege het opkomende nazisme naar de VS emigreerde werd hij daar een beroemde kinderanalyticus. Hij begon zich voor antropologie te interesseren nadat hij contact had gemaakt met  Margaret MeadGregory Bateson en Ruth Benedict. De antropologische invloed is in al zijn schriften sterk herkenbaar. In 1950 verscheen zijn beroemde boek Childhood and Society (Kind en samenleving) waar hij zijn acht stadia van de psychoseksuele ontwikkeling en zijn concept van de identiteitscrisis beschrijft. Kind en samenleving is een leesbaar en belangrijk boek, waar Erikson het model van Freud verbreedt en verdiept, waarbij het gedachtegoed en de terminologie van Freud nog sterk herkenbaar zijn. Echter spelen bij Erikson sociale, maatschappelijke en interpersoonlijke aspecten en persoonlijke groei en integratie een veel grotere rol dan bij Freud.  Erikson bewerkte (samen met zijn vrouw Joan Erikson) het model van Freud en paste het toe op latere levensfasen. Hij ontwikkelde het eerste model van de levenslooppsychologie. Anders dan Freud spreekt Erikson niet van trauma’s maar van een crisis, van een bepaald karakteristiek conflict in elke levensfase. Dit conflict is niet intrapsychisch veroorzaakt zoals bij Freud, maar vindt plaats tussen individu en omgeving of samenleving. Maar het psychosociaal conflict kan wel een innerlijk conflict zijn, en hoeft niet de vorm van een sociale tegenstelling te hebben. Problemen ontstaan als de bij het stadium horende vraagstelling of ontwikkelingstaak niet positief kan worden opgelost.

 

Eriksons stadia van psychosociale ontwikkeling

Eriksons levenslooptheorie

Seven Ages of Man

In het eerste levensjaar gaat het om het opbouwen van fundamenteel vertrouwen. Als een kind liefdevol wordt verzorgd, lichamelijk en sociaal (spel, goede interactie) ontwikkelt het een basisvertrouwen. Consistente en liefdevolle aandacht leggen de basis voor een goed zelfvertrouwen en een vertrouwen in de wereld.

In de peuterjaren gaat het om autonomie. Het kind kan en wil nieuwe dingen doen en testen, en moet hiertoe vrijheid maar ook goede steun krijgen, zodat het niet te veel slechte ervaringen maakt en angstig wordt.

In de kleutertijd ontwikkelt het kind steeds meer eigen initiatief en moet ook hierbij te ruimte krijgen maar ook realistische, beschermende grenzen respecteren.

In de leeftijd van de lagere school leert het kind productief te zijn, en dingen zelf te maken. Het kan plannen en verantwoordelijkheid nemen. Voor een goed ontwikkeld zelfvertrouwen is het belangrijk dat het kind hierbij successen beleeft.

De adolescentie is de fase waar het om de ego-identiteit gaat. Wie ben ik, hoe hangen de delen van mijn persoon en mijn ervaringen samen en wat wil ik? Dit de leidende vraag in een vaak moeizaam proces, een consistente visie op zich zelf en de eigen toekomst te ontwikkelen en de eigen visie ook aan te passen aan de wensen van de maatschappij. Op dit gebied van de identiteitsontwikkeling in adolescentie en vroege volwassenleeftijd (tot ca 24 jaar) wordt –ook in Nederland – nu zeer veel onderzoek gedaan in de voetstappen van Erikson en zijn navolger Marcia.

In de jonge volwassenjaren tot ongeveer een leeftijd van 40 jaar is het belangrijkste thema de opbouw van intieme relaties met vrienden en/of partner(s).

Het stadium van zo genoemde “generativiteit” in het midden van het leven (productiviteit, creativiteit, maatschappelijk engagement, zorg voor komende generaties) wordt in recente studies veel onderzocht, zo ook in de nieuwe studie in Developmental Psychology (zie hieronder). Dit stadium en het concept van generativiteit/productiviteit/betrokkenheid spreekt moderne mensen sterk aan en lijkt goed te verbinden met de populaire denkbeelden van de positieve en humanistische psychologie. Met de humanistische psychologie is Erikson zeker ook verbonden door zijn boek over Gandhi, waar hij zijn psychosociaal model aan de biografie van Gandhi illustreert. Maar Erikson is anders dan hyperpositieve denkers altijd een sociale en maatschappelijke analyticus, en dat bewaart hem voor de uitwassen van een oppervlakkige zelfoptimalisatie.

Het laatste stadium bij oudere mensen is een stadium van ego-integriteit en wijsheid: integratie van eerdere taken en vrede met zichzelf, het leven en de dood. Ook dit stadium wordt veel onderzocht in de Erikson-gerichte onderzoekstraditie, zo ook in de nieuwe studie van Malone et al.

Belangrijk is – en dit wordt vaak over het hoofd gezien – dat de stadia van Erikson niet hard en deterministisch zijn, maar vloeiend en variabel. Het is ook niet zo dat een bepaald thema (= innerlijke crisis) strikt aan een bepaalde leeftijd is gebonden. Elke crisis kan ook op andere leeftijden spelen, dit beklemtoont ook Erikson zelf, maar een bepaald dilemma is het meest waarschijnlijk op een bepaalde leeftijd. Zo spelen identiteitsvragen ook nog op hogere leeftijd, al zijn deze het meest prangend in de adolescentie en jonge volwassenheid.

Nieuw onderzoek

Deze recente studie van Malone et al. gebruikt longitudinale gegevens om te onderzoeken hoe zich de kwaliteit van de gemeten psychosociale ontwikkeling op middelbare leeftijd verhoudt tot cognitief en emotioneel functioneren op latere leeftijd. Ook werd onderzocht of depressie in de tweede helft van het leven hierbij een rol speelt. Deelnemers waren 159 mannen uit een longitudinaal onderzoek naar ontwikkeling bij volwassenen. De psychosociale ontwikkeling (volgens Erikson) werd gemeten op de leeftijd van 30-47 jaren met behulp van interviews. Later werd een neuropsychologische meting uitgevoerd op de leeftijd van 75-85 jaren, die cognitieve status en cognitieve controle alsmede geheugen omvatte. Bovendien werden depressieve symptomen op basis van de Geriatric Depression Scale gemeten. De resultaten toonen aan dat hogere eriksoniaanse psychosociale ontwikkeling 3 tot 4 decennia later met betere cognitieve functie en controle en minder depressie correleerde. Er werd echter geen relatie tussen eriksoniaanse ontwikkeling en geheugen gevonden. Depressie op hogere leeftijd is hierbij een mediatorvariabele voor de relatie tussen eriksoniaanse ontwikkeling en cognitieve functie. Depressie verklaart dus het verband tussen psychosociale ontwikkeling en cognitieve vaardigheid. Al deze resultaten werden gecontroleerd voor opleidingsniveau en intelligentie. Deze resultaten hebben belangrijke implicaties voor het begrip van de duurzame voordelen van psychosociale betrokkenheid op middelbare leeftijd voor de cognitieve en emotionele gezondheid in het latere leven. Daarnaast kan het zijn dat minder succesvolle psychosociale ontwikkeling depressie bevordert en mensen op het gebied van specifieke cognitieve vaardigheden kwetsbaar maakt.

Malone, Johanna C.; Liu, Sabrina R.; Vaillant, George E.; Rentz, Dorene M.; Waldinger, Robert J.

Midlife Eriksonian psychosocial development: Setting the stage for late-life cognitive and emotional health

Developmental Psychology, Vol 52(3), Mar 2016, 496-508.

 

Maria Trepp, docent masterclass Ontwikkelingspsychologie

 

 

 

Persoonlijkheidsverandering in de loop van het leven

1 comment

Nieuw onderzoek toont aan dat de persoonlijkheid in de loop van het leven verandert.

Wat bepaalt de acties van mensen? Velen van ons verklaren menselijk gedrag intuïtief met persoonlijkheidskenmerken: dus met een karakteristiek patroon van denken, voelen en gedrag, dat redelijk stabiel is en in verschillende situaties constant blijft.

Om persoonlijkheidskenmerken woedt sinds 1960 een fel wetenschappelijk debat: sommige psychologen beweren dat een bepaalde situatie, en niet persoonlijkheidskenmerken de belangrijkste oorzaak van gedrag zijn. Persoonlijkheid is grotendeels, of tenminste voor de helft erfelijk. Maar behavioristisch georiënteerde psychologen zetten vraagtekens bij de invloed van erfelijkheid en onderstrepen de invloed van situaties en leergeschiedenis op het gedrag ten opzichte van stabiele interne of erfelijke factoren.

In de laatste twee decennia werd met behulp van uitgebreid onderzoek vastgesteld dat persoonlijkheidskenmerken bestaan, en dat deze het feitelijke gedrag van een persoon gedeeltelijk kunnen voorspellen  en ook een voorspellende kracht bezitten, wat de verschillende indicatoren van maatschappelijk succes betreft, zoals bijvoorbeeld inkomen.

De effecten van persoonlijkheidskenmerken op het gedrag zijn het makkelijkst te onderkennen wanneer mensen herhaaldelijk in verschillende situaties worden geobserveerd: In elke unieke situatie wordt het gedrag van een persoon door zowel de persoonlijkheid als ook situatie beïnvloed. Maar als iemand in veel verschillende situaties geobserveerd wordt, kan men de psychologische invloed van gedrag vaststellen.

Big-Five-persoonlijkheid-copyright-ctp.publication-at-gmail.jpg

Veel studies en daarmee samenhangende complexe berekeningen hebben aangetoond welke persoonlijkheidskenmerken voor het begrijpen van het gedrag het meest belangrijk zijn. Het belangrijkste model (het universele standaard model) van de persoonlijkheidspsychologie wordt “Big Five” genoemd. Dit is een persoonlijkheidsmodel dat vijf belangrijke dimensies van de persoonlijkheid toont: Extraversie (tegenpool: Introversie), vriendelijkheid, zorgvuldigheid, emotionele stabiliteit en openheid voor nieuwe ervaringen.

 

 

Persoonlijkheidskenmerken zijn relatief stabiel in de verloop van tijd, maar ze kunnen ook tijdens het leven geleidelijk veranderen, en dat gebeurt dan meestal in een positieve richting. Uit veel onderzoeken blijkt dat de meeste volwassen vriendelijker, zorgvuldiger en emotioneel veerkrachtiger zijn, als ze ouder worden. Deze veranderingen ontwikkelen zich over jaren of decennia. Verschillende studies in de afgelopen jaren hebben dit aangetoond. Het meest interessante en meest complete onderzoek (ruim 1 miljoen deelnemers) komt van Christopher J. Soto en anderen, en werd gepubliceerd in het Journal of Personality en Sociale Psychologie ( Age Differences in Personality Traits From 10 to 65: Big Five Domains and Facets in a Large Cross-Sectional Sample, Journal of Personality and Social Psychology 2011, Vol. 100, No. 2, 330–348). Het gaat hier om een dwarsdoorsnedeonderzoek, waar verschillende mensen op verschillende leeftijden onderzocht worden. Het gaat dus niet om herhaald onderzoek bij dezelfde personen, zoals het in een longitudinale studie.

Het onderzoek van Soto al. is om verschillende redenen zeer interessant:

  • Er worden verschillen in persoonlijkheid bij personen van 10 tot 65 jaar onderzocht
  • De resultaten worden gender-specifiek geanalyseerd
  • De resultaten worden niet alleen op het niveau van de vijf Big Five-dimensies onderzocht, maar ook in groter detail: namelijk afzonderlijk voor twee verschillende facetten per Big Five eigenschap. Bij sommige Big Five dimensies zijn de leeftijdstrends op het detailniveau van de facettendimensie van bijzonder belang, zoals bijvoorbeeld de facettendimensie zelfdiscipline als een deeldimensie van zorgvuldigheid.

 

De resultaten van het dwarsdoorsnedeonderzoek van Soto voor persoonlijkheidsverandering bij volwassenen (resultaten voor kinderen, adolescenten en jonge volwassenen zien de oorspronkelijke studie):

  • Zorgvuldigheid neemt bij de oudere deelnemers aan de studie toe. Vrouwen zijn meer zorgvuldig dan mannen (zie grafiek Soto p. 337 linksonder)
  • De deeldimensie zelfdiscipline is voornamelijk verantwoordelijk voor de toename in zorgvuldigheid terwijl ordelijkheid (het tweede facet van de dimensie zorgvuldigheid) niet veel verschilt tussen deelnemers van verschillende leeftijden (zie grafiek Soto p. 337 rechtsonder). De toename van de zelfdiscipline is waarschijnlijk gerelateerd aan de socialisatie en verantwoordelijkheid in werk en gezin.
  • Vriendelijkheid verschilt niet veel tussen volwassenen van verschillende leeftijd, maar is wat sterker bij oudere personen. Vrouwen zijn algemeen vriendelijker dan mannen (zie diagram Soto p. 338 boven).
  • Neuroticisme (=tegendeel van emotionele stabiliteit), met de facetten van angst en depressie, verschilt sterk tussen volwassenen van verschillende leeftijd (dit resultaat komt terug in alle vergelijkbare studies), waarbij jongere volwassenen veel kwetsbaarder zijn dan oudere. In alle studies scoren jonge vrouwen veel hoger dan jonge mannen op neuroticisme, en dan met name op de sub-dimensie angst, maar nemen de neuroticisme-verschillen tussen mannen en vrouwen in de loop van leven af (zie diagram Soto p. 338).
  • Extraversie blijft tijdens het leven ongeveer gelijk, en vrouwen zijn iets extraverter dan mannen (zie grafiek Soto p. 340 hierboven).
  • Oudere deelnemers tonen iets meer openheid voor nieuwe ervaringen, waarbij mannen gemiddeld meer open zijn dan vrouwen. Er zijn grote verschillen op het niveau van de facetten: Vrouwen van alle leeftijden zijn opener voor esthetiek dan mannen; terwijl mannelijke deelnemers vanaf de leeftijd van 25 jaar meer open zijn voor nieuwe ideeën dan vrouwen (Soto, p. 341 boven).

Al deze resultaten voor persoonlijkheidsverandering zijn niet van toepassing op het individuele niveau en kunnen ook te wijten zijn aan de generatieverschillen. De resultaten zijn ook mogelijk cultuurspecifiek omdat de vragen in het Engels zijn ingevuld (…maar de vragen waren wel voor iedereen online beschikbaar).

Een heel ander aspect van persoonlijkheidsverandering in de tijd komt uit evolutionair onderzoek naar voren: uit tweelingsonderzoek blijkt, dat neuroticisme met de tijd over de populatie afneemt en extraversie toeneemt, op grond van reproductief gedrag: neurotische mensen krijgen minder kinderen en extraverte mensen juist meer kinderen.

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Bestaat de midlife crisis?

2 comments

Midlife crisis:

Nieuw onderzoek stelt vast dat veertigers en vijftigers het vaakst een levenscrisis ervaren, vrouwen in hogere mate dan mannen.

Overigens stelt dit onderzoek ook vast, dat we in een dergelijke crisis meer openstaan voor nieuwe inzichten. We worden nieuwsgieriger naar onszelf, anderen en de wereld om ons heen, en dit terwijl mensen over het algemeen minder nieuwsgierig zijn naar zichzelf en anderen.

Het klassieke midlife crisis-model gaat uit van een u-shape van de levenstevredenheid tijdens het leven: hoog in het begin en het einde van het leven, lager in het midden. Mensen ervaren vaak in de leeftijd tussen 40 en 50 jaar een periode van rusteloosheid, ontevredenheid en angst. Fysieke veranderingen zoals gewichtstoename, slechtere ogen en de noodzaak van een bril, grijs en minder haar kunnen ook bijdragen aan een slechtere stemming.

Zie hier uitgebreid: Is well-being U-shaped over the life cycle?

u-shape midlife crisis

In het psychosociale ontwikkelingsmodel van Erikson wordt deze levensfase gekenmerkt door een conflict tussen stagnatie en generativiteit (de wens iets voort te brengen dat het individu overstijgt, productiviteit en creativiteit). Onvrede met de eigen stagnatie zou dan samenvallen met het concept van de midlife crisis.

Grappig genoeg heeft men hetzelfde u-shape effect bij mensapen vastgesteld: Mensapen hebben ook een dergelijke crisis, als dertiger. Dit zou erop kunnen wijzen dat biologische factoren een rol spelen, en niet alleen sociaal-culturele factoren zoals een hoge werk- en verantwoordelijkheidsbelasting tijdens de middelbare jaren.

Veel films en comedy’s maken hebben de midlife crisis tot onderwerp, bijvoorbeeld American Beauty, waar een 42-jarige vader die een midlife crisis doormaakt verliefd raakt op de beste vriend van zijn tienerdochter.

“Mid-life crisis is what happens when you climb to the top of the ladder and discover it’s against the wrong wall.” – Joseph Campbell

Maar er zijn veel onderzoeken die het begrip midlife crisis afwijzen en een andersoortige ontwikkeling van het subjectieve levensgeluk vaststellen. Het probleem met dit soort onderzoek is dat verschillende generaties (cohorten) met elkaar worden vergeleken. Als men longitudinaal onderzoek doet, waarbij een bepaalde groep in de levensloop gevolgd wordt, vindt men (in ieder geval in bepaalde culturen) toenemende tevredenheid tijdens het leven. (zie Scientific American, Most People Get Happier as They Approach Midlife.

Maria Trepp, docent Ontwikkelingspsychologie

Meest recente berichten

Archief

Categorieën